Schrijf alle bepalingen

Deuteronomium 27:1-13

1 Mozes droeg, samen met de oudsten van Israël, het volgende aan het volk op: ‘Leef alle geboden na die ik u vandaag gegeven heb. 2 En op de dag dat u de Jordaan oversteekt om het land binnen te gaan dat de HEER, uw God, u zal geven, moet u daar aan de overkant grote stenen oprichten. Nadat u daarop een kalklaag hebt aangebracht, 3 moet u de wetten waarin ik u onderwezen heb erop schrijven. Dan mag u het land van melk en honing, dat de HEER, de God van uw voorouders, u heeft beloofd, binnentrekken. 4 Plaats, zodra u de Jordaan bent overgestoken, de stenen op de Ebal, zoals ik u nu voorschrijf, en voorzie ze van een kalklaag. 5 Bouw daar bovendien een altaar voor de HEER, uw God, van stenen die niet met ijzeren gereedschap bewerkt zijn, 6 en breng Hem brandoffers op het uit ruwe steen opgetrokken altaar. 7 Breng er vredeoffers en houd een feestmaal ten overstaan van de HEER, uw God. 8 Schrijf alle bepalingen van deze wet heel duidelijk op die stenen.’ 9 Omringd door de Levitische priesters zei Mozes tegen heel Israël: ‘Wees stil en luister, Israël. Vandaag bent u het volk van de HEER, uw God, geworden. 10 Wees Hem daarom gehoorzaam en leef zijn geboden en wetten na, zoals ik ze u
nu heb voorgehouden.’11 Daarna gaf Mozes het volk deze aanwijzingen: 12 ‘Wanneer u de Jordaan bent overgestoken, moeten de stammen Simeon, Levi, Juda, Issachar, Jozef en Benjamin zich op de Gerizim opstellen en daar de zegen uitspreken. 13 Op de Ebal moeten zich de stammen Ruben, Gad, Aser, Zebulon, Dan en Naftali opstellen om de vloek uit te spreken. (NBV21)

Het belangrijkste verdrag dat ooit op aarde gesloten is is ongetwijfeld het verbond tussen de God van Israël en het volk dat uit de slavernij in Egypte was bevrijd en op het punt stond het beloofde land te betreden. In dat beloofde land zou het verbond haar werking krijgen. Dat zou een land moeten zijn waar de zorg voor de minsten voorop zou staan. Een land vol van recht en vrede. Een volk waar ieder bereid was alles te delen. En nu het volk op het punt staat dat land binnen te trekken geeft Mozes nog eens aanwijzingen hoe dat moet beginnen. Hij zelf zou niet in dat land binnengaan. De tocht door de woestijn had zo veel druk gegeven, zo veel vertrouwen in God gevraagd dat het volk er eigenlijk aan onderdoor was gegaan.

Nu staan de kinderen en de kleinkinderen gereed om het waar te maken. Zij kennen niet veel anders dan de woestijn. Daar waren pleisterplaatsen, oases en rotsen vol water en vijanden die hen in de rug aangevallen hadden. Dat verbond met die God was iets bijzonders. En dat blijkt ook uit de manier waarop het volk het verbond letterlijk op zich zal nemen. God had de regels voor de menselijke samenleving in stenen gegrift. Nu was het de beurt aan het volk om de richtlijnen zichtbaar te maken op een hoop stenen. De stammen zouden ter weerszijden van de Jordaan gaan staan, over de plaatsen die hier genoemd worden kan nog wel gediscussieerd worden, maar het houden van de richtlijnen strekt tot zegen en het afwijken er van tot vloek.

Beiden kanten worden door het volk onder woorden gebracht. De taal van de Bijbel moet hier in ogenschouw worden genomen. De Bijbel spreekt namelijk geen gewone taal en in ook nauwelijks in onze gewone taal onder te brengen. Het verbond is namelijk niet zo maar een afspraak, jij doet dit en ik doe dat. Nee het verbond schept iets nieuws op aarde. God heeft de bouwstenen geleverd en het volk neemt nu op zich er een geheel nieuw soort volk mee te scheppen. Een volk van Liefde, Vrede en Recht. Wij zitten ook te springen om verdragen. Rusland, Oekraïne, Palestina en Israël. In beide gevallen is het maar te bidden dat de verdragspartners het op zich nemen een wereld te scheppen van Liefde, Vrede en Recht. Wij mogen er mee beginnen en hen er op aanspreken.

U bent verlost

Lucas 13:10-21

10 Hij gaf op sabbat onderricht in een synagoge. 11 Er was daar ook een vrouw die al achttien jaar bezeten was door een geest die haar ziek maakte. Ze was helemaal krom en kon met geen mogelijkheid rechtop staan. 12 Toen Jezus haar zag, riep Hij haar bij zich en zei tegen haar: ‘U bent verlost van uw ziekte,’ 13 en Hij legde haar de handen op. Meteen ging ze rechtop staan en loofde God. 14 Maar de leider van de synagoge werd boos omdat Jezus op sabbat genas en zei tegen de menigte: ‘Er zijn zes dagen om te werken. Kom dus op die dagen om u te laten genezen en niet als het sabbat is!’ 15 Maar de Heer zei: ‘Huichelaars! Maakt niet ieder van jullie op sabbat zijn os of ezel los van de voederbak om hem te laten drinken? 16 Mocht deze vrouw, die een dochter is van Abraham en al achttien jaar door Satan geboeid werd gehouden, dan niet op sabbat uit deze boeien worden losgemaakt?’ 17 Toen Hij dat zei, stonden al zijn tegenstanders beschaamd, maar de hele menigte was verheugd over de machtige daden die door Hem werden verricht. 18 Daarop zei Hij: ‘Waarop lijkt het koninkrijk van God en waarmee zal Ik het vergelijken? 19 Het lijkt op een zaadje van de mosterdplant dat iemand in zijn tuin zaaide, waarna het groeide en een boom werd, waar de vogels van de hemel in de takken kwamen nestelen.’ 20 En opnieuw zei Hij: ‘Waarmee zal Ik het koninkrijk van God vergelijken? 21 Het lijkt op zuurdesem die een vrouw mengde met drie zakken meel tot alle meel doordesemd was.’ (NBV21)

Vandaag lezen we een paradijsverhaal. Zo op het eerste gezicht zou je dat niet zeggen. Het gedeelte dat we uit het Evangelie van Lucas lezen gaat toch over een genezing en twee kleine gelijkenissen? Daartussen staat dan nog een soort discussie en een ruzie. Maar toch is het verhaal opgeschreven als een paradijsverhaal. Dat begint al met de opmerking dat Jezus van Nazareth zat te onderwijzen in de Synagoge. Wij kennen toch de meeste verhalen over zijn leren als hij in de buitenlucht staat. De Bergrede is een voorbeeld, er is ook een Veldrede. Hij stond een keer in een schip met alle toehoorders op de wal. En hij gaat dan ook wel naar de synagoge maar onderwijzen in de synagoge is toch iets bijzonders. Toch was het het ideaal van de Farizeeën, iedereen moest meedoen en op de Sabbat ging het om de Wet van God van Israël. Iedereen moest daarin studeren en daarover mee kunnen praten.

Dat ideaal wordt ook door de eerste Christenen gedeeld. Die Sabbatdag is een dag waarop we weer wandelen met God, een paradijs dag dus. Voor Christenen de eerste dag van de week, toen na de opstanding er weer met Christus gewandeld kon worden. In het verhaal over het Paradijs uit Genesis ging het mis toen de mensen gelijk wilden worden aan God. Veel Joden geloofden dat God toen besloot de mensen tot dieren te maken, maar dat Adam had gebeden dat niet te laten gebeuren. Die gebogen vrouw leek al een beetje op een viervoeter. Ze was net zo lang gebogen geweest als het volk Israël onderdrukt was zoals het in het boek Rechters werd beschreven. Het volk werd van die onderdrukking verlost door de rechters Ehud en Jefta. En daar komt dan de discussie. Jefta had als prijs zijn dochter moeten doden. Was dat wat God wil? Niemand wilde daar aan en dus is de genezing het enige dat ons rest en mag daarover een feest gevierd worden.

Op die manier zal dus ook dat Paradijs op aarde weer terugkomen. Dat is de betekenis van de gelijkenissen die verteld worden. Het gaat er helemaal niet om dat we van die grote daden plegen. Gewoon beginnen een hand uit te steken, ook al lijkt dat klein, denk dan aan dat mosterdzaadje. Dat is een heel klein zaadje. Als je het in je hand neemt moet je nog uitkijken ook want voor je weet is het weggeblazen. Maar het groeit uit tot een grote struik. In de dagen van Jezus groeiden er mosterdbomen van wel drie meter hoog. Wij kennen ze niet meer zo groot maar er zijn verhalen van reizigers naar Galilea die zich over die grote mosterdbomen verbaasden. Maar die kleine daden van ons, elke dag opnieuw een hand uitsteken naar de minsten, vrijwilligers werk doen in asielzoekerscentra of plaatsen voor noodopvang, winkelier zijn in de Fair Trade winkel, voedsel sorteren in de voedselbank en noem maar op, maakt dat de wereld beter? Jezus vergelijkt het met zuurdesem, gist, zonder krijg je echt geen eetbaar brood, maar met, zelfs met een heel klein beetje krijg je het brood dat je elke dag nodig hebt. Daar hebben we ook voor gebeden in het Onze Vader. Dus elke dag opnieuw mogen we die liefde om ons heen verspreiden, ook vandaag mag dat weer.

 

Hak hem maar om

Lucas 13:1-9

1 Er waren op dat moment ook enkele mensen aanwezig die Hem vertelden over de Galileeërs van wie Pilatus het bloed vermengd had met dat van hun offerdieren. 2 Hij zei tegen hen: ‘Denken jullie dat die Galileeërs grotere zondaars waren dan alle andere Galileeërs, omdat ze dat lot ondergaan hebben? 3 Zeker niet, zeg Ik jullie, maar als jullie niet tot inkeer komen, zul je allemaal op dezelfde wijze omkomen. 4 Of die achttien die stierven doordat de Siloamtoren op hen viel-denken jullie dat zij schuldiger waren dan alle andere mensen die in Jeruzalem wonen? 5 Zeker niet, zeg Ik jullie, maar als jullie niet tot inkeer komen, zul je allemaal net zo sterven als zij.’ 6 Hij vertelde hun deze gelijkenis: ‘Iemand had een vijgenboom in zijn wijngaard geplant en ging kijken of de boom vrucht droeg, maar hij vond geen vijgen. 7 Hij zei tegen de wijngaardenier: “Al drie jaar kom ik kijken of die vijgenboom vrucht draagt, maar tevergeefs. Hak hem maar om, want hij put alleen maar de grond uit.” 8 Maar de wijngaardenier zei: “Heer, laat hem ook dit jaar nog met rust, tot ik de grond eromheen heb omgespit en hem mest heb gegeven. 9 Misschien zal hij dan het komende jaar vrucht dragen, en zo niet, dan kunt u hem alsnog omhakken.”’ (NBV21)

De tijd die Lucas beschrijft wordt in Israël gekenmerkt door grote opstanden, de ene na de andere. Na de opstand van het jaar 70 tegen de Romeinse bezetting was de Tempel in Jeruzalem verwoest en de inwoners van Juda en Galilea werden verspreid over het Romeinse Rijk. De vraag was wie daarvoor verantwoordelijk was. We stellen bij tegenvallers immers graag de schuldvraag. Iemand moet toch schuldig zijn aan wat ons overkomen is. Lucas plaatst het antwoord van Jezus weer in de dagen dat Jezus van Nazareth nog leefde. In zijn dagen waren er ook allerlei opstootjes en opstanden geweest. Bij de kruisiging was het volk zelfs de keuze voorgelegd of ze een opstandelingenleider wilden vrijgelaten hebben of een afwijzer van alle geweld. We kennen de keuze van het volk. Maar is een volk schuldig als het in opstand komt tegen een bezetter? In de geschiedenis hebben de volgelingen van Jezus van Nazareth de vraag met ja beantwoord. Zij vervolgden de “Godsmoordenaars” tot in de vorige eeuw tot het uiterste. Van de schuld die het christendom met die vervolging op zich heeft geladen zijn we voorlopig nog niet af.

Jezus van Nazareth heeft namelijk een hele andere benadering. Wie omhakt, wie uitroeit ontneemt de vruchteloze opnieuw de kans vrucht te gaan dragen. Het vermengen van eigen bloed met het bloed van offers maakt de offeraar bijzonder onrein. Maar kun je dan zeggen dat God het volk verdelgd heeft omdat ze onrein waren geworden? Wie de geschiedenis van de Joden heeft bestudeerd weet dat niet het volk gestraft werd maar Pilatus die vanwege die vervolging ontheven werd van zijn functie. Gelukkig hebben we een geschiedschrijver als Flavius Josephus die dat in zijn geschiedenisverhaal heeft opgenomen. De Bijbel is namelijk geen geschiedenis boek. De opstand waarbij het bloed van de offeraars werd vermengd met het bloed van de offerdieren vond namelijk pas plaats na de kruisiging van Jezus. Ook vanwege de mensen die omkwamen toen een toren bij Siloam omviel rees de vraag of die nu schuldiger waren dan de andere inwoners van Jeruzalem die het hadden overleefd. Natuurlijk niet is het antwoord. Maar als je de weg kiest van geweld en verwoesting, als je blijft denken in termen van schuld en boete dan wordt je daar zelf slachtoffer van.

Daar gaat die gelijkenis dus over. Hoe gaat God met deze misdaden om? Hoe gaat God om met een volk dat eerder geweld zoekt dan vrede en die liefde niet tot haar sterkste wapen maakt? Over het antwoord moeten we goed nadenken. Jezus zet ons graag op het verkeerde been. Wij denken dat de man die de boom had geplant en zich heeft laten ompraten door de wijngaardenier de God is die streng doch ook barmhartig is. Maar dat staat er niet. Die bomenplanter koos de weg van geweld en uitroeiing van het vruchteloze. Het was de wijngaardenier die niet voor niets als wijngaardenier wordt opgevoerd die de zorg voor de planten bleef behouden ook al brachten die planten niets meer op. Natuurlijk zijn er grenzen aan, drie jaar in dit geval. Maar de eerste keus is niet omhakken, maar extra zorgen. We kennen dat in het strafrecht. Als mensen geheel of gedeeltelijk een daad niet kunnen worden aangerekend dan doden we die mensen niet maar stellen we ze ter beschikking van de regering om een genezende behandeling te ondergaan. Doden van misdadigers doen we al helemaal niet meer. De Weg van de wijngaardenier is dus eigenlijk de Weg van onze God. Die weg willen we gaan. Die weg zullen we dus ook moeten gaan in vraagstukken van oorlog en vrede. Hoe moeilijk dat ook is.

Van nu af aan

Lucas 12:49-59

49 Ik ben gekomen om op aarde een vuur te ontsteken, en wat zou Ik graag willen dat het al brandde! 50 Ik moet een doop ondergaan, en Ik word hevig gekweld zolang die niet volbracht is. 51 Denken jullie dat Ik gekomen ben om vrede te brengen op aarde? Integendeel, Ik zeg jullie dat Ik verdeeldheid kom brengen. 52 Van nu af aan zullen vijf in één huis verdeeld zijn: drie tegen twee en twee tegen drie. 53 De vader zal tegenover zijn zoon staan en de zoon tegenover zijn vader, de moeder tegenover haar dochter en de dochter tegenover haar moeder, de schoonmoeder tegenover haar schoondochter en de schoondochter tegenover haar schoonmoeder.’ 54 Tegen de menigte zei Hij: ‘Wanneer jullie een wolk zien opkomen in het westen, zeggen jullie meteen dat er regen op komst is, en dat is ook zo. 55 En wanneer jullie merken dat de wind uit het zuiden komt, zeggen jullie dat er hitte op komst is, en dat is ook zo. 56 Huichelaars! De aanblik van de aarde en de hemel kunnen jullie duiden, hoe kan het dan dat jullie deze tijd niet kunnen duiden? 57 Waarom bepalen jullie niet uit jezelf wat juist is? 58 Als je met je tegenstander op weg bent naar een hoge autoriteit, doe dan moeite om nog onderweg tot een vergelijk met hem te komen, anders sleept hij je voor de rechter, en de rechter zal je uitleveren aan de gerechtsdienaar, en die zal je in de gevangenis gooien. 59 Ik zeg je: dan kom je niet vrij voor je ook de laatste cent betaald hebt.’ (NBV21)

Nou hoor je toch allerlei voorgangers beloven dat je de vrede in je hart kunt krijgen als je Jezus maar je in leven toelaat, als je een persoonlijke relatie met Jezus zal krijgen. En nu lees je dat die Jezus helemaal niet gekomen is om vrede te brengen maar verdeeldheid. Die belofte van die voorgangers over vrede in je hart is inderdaad een leugen, een duivelse leugen want het klinkt zo geweldig en als je je ogen en je oren sluit voor alles wat er om je heen gebeurd dan lijkt het inderdaad vredig in je hart te worden en als je dan heel vaak halleluja roept en over Gods Liefde zingt dan lijkt het ook nog of het van Jezus zelf afkomstig is. Maar het blijft bedrog, schone schijn die met de Bijbel weinig van doen heeft. Vandaag lezen we een stuk dat volgt op de gelijkenis over knechten die het huis op orde moeten hebben voordat de Heer van het huis terug komt van een bruiloft. Als onze Heer terugkomt treft die niet een aarde aan zoals die eens door die Heer geschapen was: En God keek en zag dat het goed was, staat er geschreven. Als wij kijken is het helemaal niet goed. Gelovigen in de Here Jezus, in de God van Israël, echte gelovigen, worden daar onrustig van.

Gelovigen kunnen niet stil blijven zitten wachten tot alles wel een keer nieuw wordt. Die laten het opruimen van het huis van God niet aan God over als die terug zal komen. Die gaan aan de slag, met vuur in hun lijf om de aarde te ontdoen van het kwaad, die spoelen schoon waar vuil in eeuwen is aangekoekt. Die lijden zelf honger en dorst, honger en dorst naar gerechtigheid. Die staan op tegen medebewoners van hun huis als die bij de pakken neer willen zitten, als die gemakkelijk over problemen heen willen stappen. De vader tegen de zoon, de moeder tegen de dochter, de schoonmoeder tegen de schoondochter. Geloven in de God van Israël geeft onrust, dan neem je een kruis op achter Jezus aan, dan moet er veel veranderen en dat kost moeite en pijn. Maar het is het waard want ons is een aarde beloofd waar zelfs de dood niet meer heerst. We weten het wel zegt het verhaal van Lucas. We weten toch ook van het weer? Als er donkere wolken komen op een warme zomerdag komt er gedonder, dan breekt een onweer los. En een onweer hoeft niet altijd slecht te zijn. Natuurlijk als er windstoten komen die bomen ontwortelen, dan lopen mensen gevaar, dan kunnen mensen verongelukken. Maar we zagen het aankomen.

Een onweersbui op een drukkend warme zomerdag kan ook zeer verfrissend uitwerken. Het koelt niet af maar er komt als het ware weer lucht en adem, je kunt je weer bewegen en wordt niet langer terneergedrukt. Met de wolk in het westen die regen brengt duidt Jezus nog op een ander verhaal. Zeven jaar was het droog in Israël. Toen gingen de priesters van de vruchtbaarheidsgoden de strijd aan met de profeet van de God van Israël, die liet zijn knecht uitkijken naar de wolkje in het westen en wist toen het verscheen dat de droogte voorbij was, dat verfrissend water het land zou schoonspoelen zodat het gewas weer kon groeien en de honger gestild kon worden. We weten best dat overeten tot allerlei ziekten leidt, dat drank meer kapot maakt dan je lief is, dat onveilig vrijen tot allerlei ellende kan leiden, dat het niet laten inenten van je kinderen niet alleen je eigen kinderen maar ook andere kinderen in gevaar kan brengen. En je weet dat een oorlogszuchtige houding tegen anderen tot oorlog en geweld kan leiden. Wie wapens zaait zal oorlog oogsten. De eerste Christenen hebben dat meegemaakt in de grote opstand in het jaar 70 toen de Tempel verwoest werd en het volk werd verspreid over het hele Romeinse Rijk.

Verschaf mij recht

Psalm 54

1 Voor de koorleider. Bij snarenspel. Een kunstig lied van David, 2 toen de inwoners van Zif aan Saul waren gaan zeggen: ‘Weet u wel dat David zich bij ons schuilhoudt?’ 3 God, bevrijd mij door uw naam, verschaf mij recht door uw macht. 4 God, luister naar mijn gebed, hoor de woorden van mijn mond. 5 Vreemden vallen mij aan, zij staan mij met geweld naar het leven, zij houden God niet voor ogen. sela 6 Zie, God is mijn helper, de Heer is het die mijn leven draagt. 7 Laat het kwaad zich keren tegen mijn belagers, toon uw trouw en breng hen tot zwijgen. 8 Van harte zal ik U offers brengen en uw naam loven, HEER, want die is goed: 9 hij heeft mij uit de nood gered. Onbevreesd zie ik mijn vijanden aan. (NBV21)

Vandaag zingen we met de kerk mee in een leerdicht. Een lied waar je ook nog van kunt leren. In de Nieuwe Bijbelvertaling is dat begrip leerdicht een beetje weggevallen en dat is jammer. Via liederen kun je soms belangrijke lessen beter onthouden. De Psalm is geschreven zegt het opschrift in een historische situatie. Volgens het boek Samuel waren er zelfs twee van. We weten natuurlijk van de strijd tussen Koning Saul en de jonge David die aan de lopende band de vijanden van Israel wist te verslaan. Saul zocht David en de inwoners van de stad Zif, in het land van de stam Juda, vertelden tot twee maal toe waar Saul David kon vinden, twee maal ontsnapte David overigens. Het waren dus landgenoten die David hebben verraden aan zijn vervolgers, maar David verklaard ze tot vreemden. Daar wilde hij niet bij horen. Denk aan de vliegtuigen de wolkenkrabbers van New York binnenvlogen. Gekaapt en bestuurd door fundamentalistische moslims. Door hen voelden verreweg de meeste moslims zich door die daad verraden.

Het leven van veel moslims is er niet gemakkelijker op geworden. Ze moeten, net als niet moslims, bang zijn voor herhaling van dit soort daden maar ze worden ook nog aangezien voor mogelijke veroorzakers van dit soort daden. Hoe verklaren ze nu de daders van de elfde september tot vreemden in de moslimgemeenschap? Hoe overtuigen ze ons? Bijna niet, alle verklaringen en interne maatregelen ten spijt blijft de kloof groeien. David geeft aan het eind van deze psalm een mogelijke weg om er wat aan te doen. Hij blijft bereid aan God te offeren, en we weten uit de lezing van het boek Deuteronomium dat dat ook betekent een maaltijd bereiden voor je familie, de armen, de ambtenaren en de vreemdelingen die in je midden wonen. Samen eten met moslims kan de angst verminderen. Ze willen best. Sinds die aanvallen op het World Trade Centre in New York wordt ons angst aangepraat.

We moeten angst hebben voor de aanhangers van dat vreemde geloof, voor die vreemde mannen met baarden en jurken in plaats van spijkerbroeken, voor die mannen die zo’n rare onverstaanbare taal spreken, een taal die voor buitenstaanders wel op Fries lijkt. Mensen die denken dat ook de Bijbel oproept om daar angst voor te hebben die hebben de Bijbel nog niet helemaal goed gelezen. In de Psalm die we vandaag lezen dankt David God dat die hem heeft gered en zegt David dat hij zijn vijanden onbevreesd aan ziet. Pas zonder angst kunnen we ons bevrijden van vijandschap, kunnen we wegen vinden om vrede te krijgen. We noemden al de maaltijd die je in navolging van het Oude Testament en ter nagedachtenis  van Jezus van Nazareth met de vreemdelingen kan houden. Maar als je met hen over hun geloof praat dan zul je horen dat ze er van overtuigd zijn in dezelfde God te geloven als waarover we lezen in het Oude en Nieuwe Testament. Abraham, Mozes en Jezus kennen zij ook. Stappen op weg naar vrede kunnen we elke dag zetten, ook vandaag weer.

 

Levieten, vreemdelingen, weduwen en wezen

Deuteronomium 26:12-19

12 Als u in het derde jaar, het jaar van de tienden, het tiende deel van de opbrengst hebt afgestaan aan de Levieten, de vreemdelingen, de weduwen en de wezen, zodat zij bij u in de stad voldoende te eten hebben, 13 dan moet u tegenover de HEER, uw God, verklaren: ‘Ik heb niets van de gaven die de HEER toekomen achtergehouden. Ik heb alles aan de Levieten, vreemdelingen, weduwen en wezen gegeven, geheel overeenkomstig de geboden die U mij hebt opgelegd. Ik heb geen enkel gebod overtreden en ben in niets nalatig geweest. 14 Ik heb niet van deze gaven gegeten in een tijd dat ik in de rouw was, ik heb er niets van afgedragen terwijl ik onrein was, en ik heb er niets van aan een dode meegegeven. Ik ben de HEER, mijn God, gehoorzaam geweest en heb me gehouden aan alles wat Hij me geboden heeft. 15 HEER, zie vanuit uw heilige woning in de hemel neer en schenk uw volk Israël en het land dat U ons hebt gegeven uw zegen, zoals U onze voorouders hebt gezworen; zegen dit land van melk en honing.’ 16 Vandaag draagt de HEER, uw God, u op om u aan deze wetten en regels te houden. Neem ze zorgvuldig in acht en leef ze met hart en ziel na. 17 Vandaag hebt u de HEER verzekerd dat Hij uw God zal zijn, dat u de weg zult volgen die Hij u wijst, en dat u zijn wetten, geboden en regels zult naleven en Hem gehoorzaam zult zijn. 18 Vandaag heeft de HEER u verzekerd dat u, zoals Hij u heeft beloofd, zijn volk zult zijn, zijn kostbaar bezit. U moet al zijn geboden naleven. 19 Hij zal u hoog verheffen boven alle volken die Hij geschapen heeft. U zult lof oogsten en met roem overladen worden. U zult het volk zijn dat aan de HEER, uw God, is gewijd, zoals Hij heeft beloofd. (NBV21)

Er zijn tuinders die zeggen dat het nog niet de tijd is om lof te oogsten, maar het gaat in deze Bijbeltekst niet om de groente maar om geprezen te worden. Het gedeelte van vandaag gaat over belastingaangifte doen. Denk nu niet dat dat iets moderns is waar de Bijbel nog geen weet van had. Niks is minder waar. Elke drie jaar moest je een tiende van alles wat je verdiende, wat je land opbracht, wat je aan vermogen had, afdragen aan de gemeenschap om te zorgen dat de levieten hun werk konden doen. De levieten zorgden voor de rechtspraak en het bestuur. Die zagen er op toe dat de belasting op de juiste wijze terecht kwam bij hen die er recht op hadden, ze zagen er op toe dat de mensen die het nodig hadden recht werd gedaan. Wie dan? Daar staat een duidelijk rijtje: de Levieten, de vreemdelingen, de weduwen en de wezen.

Hoeveel je moest afdragen en hoe dat er uit moest zien staat elders nauwkeurig beschreven. Tot en met opslagplaatsen voor voedsel in de dorpen voor als de oogst een keer zou mislukken. Ook die opslagplaatsen waren voor de Levieten, de vreemdelingen en de weduwen en de wezen. Maar als de tijd aangebroken was om officieel alles over te dragen dan moest je dat ook nog doen met een eed of een belofte. Ook daar is niks aan veranderd want ook vandaag ondertekenen we de belastingaangifte met de belofte dat we alles eerlijk hebben opgegeven en niets hebben verzwegen. Dat er een openbaar bestuur met rechtspraak moet zijn in een volk had Mozes van zijn schoonvader in de woestijn geleerd. Daar was uiteindelijk een van de twaalf stammen voor afgezonderd, de stam Levi. Dan kon je je nooit vergissen in wie er wel en wie er niet bij het bestuur hoorde. Die levieten mochten geen bezit hebben en geen andere giften aannemen.

En dan de vreemdelingen in uw midden. Wij maken een groot probleem van de aanwezigheid van vreemdelingen. Hoewel, “wij”, een kleine minderheid probeert ons bang te maken voor vreemdelingen. Gelovige Christenen moeten daar om lachen. De Bijbel geeft al vanouds de aanwijzing om de vreemdelingen op te nemen en net zo te behandelen als je eigen volk. Ze kunnen misdaden plegen, moeten dan gestraft worden, kunnen zonder werk komen, moeten dan geholpen worden, ze kunnen rechtsgedingen voeren, moeten dan eerlijk behandeld worden. Ze staan op één lijn met de armsten in het volk. Je hoeft er dus niet bang voor te zijn, ook in onze dagen brengt het aanpraten van angst alleen maar schade toe aan onze eigen samenleving. Dat er problemen zijn in de samenleving komt omdat we de neiging hebben voor onszelf te leven en de zorg voor anderen aan de overheid over te laten. In de dagen dat je de belastingaangifte moet invullen zou je je weer kunnen herinneren dat de zorg voor de anderen, voor je eigen buurt, dorp, wijk of stad, in de eerste plaats aan jou zelf is. Samen leven gaat niet zonder jou. Dat is ook wat Deuteronomium wil zeggen met die heel nauwkeurige regels over de tienden. Zorg voor je samenleving en de mensen die er bij horen. Dat kan gelukkig elke dag weer opnieuw, ook vandaag.

 

Als vreemdeling

Deuteronomium 26:1-11

1 Straks zult u het land binnengaan dat de HEER, uw God, u als grondgebied zal geven. U zult het in bezit nemen en er gaan wonen. 2 U zult er de oogst kunnen binnenhalen. Als u daarvan dan het eerste en beste deel in een mand meeneemt naar de plaats die de HEER, uw God, zal uitkiezen om er zijn naam te laten wonen, 3 en u verschijnt er voor de priester die daar op dat moment dienstdoet, zeg dan het volgende tegen hem: ‘Hiermee verklaar ik voor de HEER, uw God, dat ik het land waarvan de HEER onze voorouders onder ede heeft beloofd dat Hij het ons zou geven, ben binnengegaan.’ 4 Als de priester de mand in ontvangst heeft genomen en die voor het altaar van de HEER, uw God, heeft neergezet, 5 moet u het volgende voor de HEER belijden: ‘Mijn vader was een zwervende Arameeër. Hij trok naar Egypte en woonde daar als vreemdeling met een handvol mensen, maar ze groeiden uit tot een zeer groot en machtig volk. 6 De Egyptenaren begonnen ons slecht te behandelen: ze onderdrukten ons en dwongen ons tot slavenarbeid. 7 Toen klaagden we de HEER, de God van onze voorouders, onze nood. Hij hoorde ons hulpgeroep en zag ons ellendig slavenbestaan. 8 En de HEER bevrijdde ons uit Egypte, met sterke hand en opgeheven arm, op angstaanjagende wijze, met tekenen en wonderen. 9 Hij bracht ons hierheen en gaf ons dit land, dat overvloeit van melk en honing. 10 HEER, hierbij breng ik U de eerste opbrengst van het land dat U me gegeven hebt.’ Bied de HEER, uw God, zo uw gaven aan en kniel voor Hem neer. 11 Daarna mag u, samen met de Levieten en de vreemdelingen die bij u wonen, een feestmaal houden met al het goede dat u en uw familie van Hem hebben ontvangen. (NBV21)

Op de drempel van het beloofde land, een land overvloeiende van melk en honing, klinkt het nog één maal: “denk er om dat je zwervers bent geweest en tot slaven bent gemaakt”. Als je het eerste dat je oogst in dat nieuwe land daar aan wijdt dan mag je feestvieren. Feestvieren met wie? Met de ambtenaren en de vreemdelingen. Ja ook de vreemdelingen, iedere keer worden ze weer apart genoemd als mensen die er uitdrukkelijk bij betrokken moeten worden. De vreemdelingen zijn er niet alleen, je mag ze niet negeren ook zij horen er bij en bij alle heilige ogenblikken moeten ze mee kunnen doen, je moet zelf actief zorgen dat ze mee doen. Dat is nog eens tegengesteld aan wat wij doen. Jongeren uit de voormalige Antillen en Aruba die naar ons land komen en maar even wat last geven die betrekken we er niet bij, nee die dreigen we met terugsturen. Jongeren uit onze vakantiekolonies in de Caraïbische Zee worden er nooit bij betrokken. Er wordt daar heel wat minder aan onderwijs besteed dan hier. De mogelijkheden om te werken zijn voor hen daar heel wat minder dan voor ons hier.

Onze kinderen kunnen altijd nog bij de Marine gaan werken en per schip worden uitgezonden naar hun eilanden om daar de veiligheid te garanderen en de drugshandel te bestrijden. Wij laten ze daar geen Marineschepen bouwen en zorgen dat ze daarop aan het werk kunnen, we kijken wel uit. Dat het daar geïnvesteerde geld op een heleboel manieren ook onze samenleving ten goede zou kunnen komen ontgaat de rijken die hier wonen. Beter wat overlast voor de armen dan inleveren om eerlijk te kunnen delen. Wij zijn nu eenmaal slaaf van onze rijkdom. Deuteronomium vraagt aan de mensen van het volk van Israel om steeds hardop uit te spreken dat ze zwervers waren en tot slaaf werden gemaakt. Dat is niet voor niks, in een land overvloeiende van melk en honing ben je in een oogwenk vergeten wat het is om arm te zijn, om afhankelijk te zijn van anderen.

Je ziet het hier ook, vol van ongeloof worden de verhalen verteld over mensen die te arm zijn om de aansluiting op gas en elektriciteit te kunnen betalen, die het in koude dagen moeten doen met kaarsjes die ze gekregen hebben. Niemand die er aan denkt om geld met hen te delen zodat het licht weer bij ze opgaat en de kachel gaat branden. Kinderen die passend onderwijs nodig hebben om straks een kans op de arbeidsmarkt te hebben moeten het zelf maar uitzoeken, dat is te duur voor een regering die liever leraren tegen elkaar opgejaagd met een prestatiebeloning. Gehandicapten die een beschermde arbeidsplaats nodig hebben om mee te kunnen doen moeten maar bedelen bij werkgevers die prestatie voorop stellen. Schoonmakers moeten maar 24 uur achtereen werken om een redelijk salaris te verdienen. Eerlijk delen met de minsten is er niet bij. Maar pas als dat gebeurt kunnen ook wij een feestmaal houden. Gelukkig kunnen we elke dag opnieuw beginnen met dat eerlijk delen, ook vandaag weer.

Zonder enig ontzag voor God

Deuteronomium 25:11-19

11 Als twee mannen aan het vechten zijn en de vrouw van een van hen mengt zich erin om haar man te helpen en grijpt de ander bij zijn schaamdelen, 12 dan moet zonder pardon haar hand worden afgehakt. 13 U mag niet twee verschillende gewichten, waarvan het ene te zwaar is en het andere te licht, in uw buidel hebben. 14 En u mag ook niet twee verschillende maatkannen, waarvan de één te groot is en de ander te klein, in huis hebben. 15 U moet het doen met één gewicht en één maatkan, die zuiver en geijkt zijn. Dan zult u lang leven in het land dat de HEER, uw God, u geven zal. 16 Want de HEER heeft een afschuw van iedereen die oneerlijk zakendoet. 17 Vergeet niet wat de Amalekieten u hebben aangedaan tijdens uw tocht uit Egypte. 18 Toen u uitgehongerd en uitgeput was hebben ze gewetenloos, zonder enig ontzag voor God, de achterhoede overvallen, waar de zwaksten zich bevonden. 19 Vergeet het niet! En wanneer straks de HEER, uw God, u rust heeft gegeven in het land dat u als grondgebied van Hem krijgt, door u te verlossen van de vijanden die u omringen, zorg er dan voor dat niets onder de hemel nog aan het volk van Amalek herinnert. (NBV21)

De Tora gaat overal over. Soms lijkt het te gaan over kleine details. Maar dat lijkt zo. Het gedeelte van vandaag begint met een gevecht tussen mannen en de mogelijke rol die een vrouw daarbij zou kunnen spelen. Ook vrouwen moeten zorgen voor het kunnen voortplanten door mannen. Zelfs als ze hun eigen man willen beschermen moeten ze de ander niet de toekomst ontnemen. Vrouwen en mannen zijn daarom gelijk. Respect en zorg voor elkaar, zelfs voor je vijanden, is wat voortdurend in deze gedragsregels doorklinkt.

Geen valse gewichten gebruiken, geen valse maatkannen gebruiken. Iedereen zal een afschuw moeten ontwikkelen van oneerlijk zaken doen. Als jij een ander benadeelt zal iemand jou ook wel eens benadelen. Als je ziet dat een ander benadeeld wordt zeg er dan wat van want voor je het weet ben jij het slachtoffer. En, wie weet, benadeel je een arme, een bondgenoot van de God van Israël. Delen, dat staat voorop en het laagste is iemand in de rug aanvallen, dat doe je door vals te handelen. Dat deden de Amalekieten toen Israël door hun woestijn trok.

Niets in uw goddelijke land mag aan zulke laaghartige lafaarts herinneren. Alles van dat gedrag strijdt met wat je mag verwachten van bewoners van een land van vrede en recht. Die aanval in de rug heeft eeuwenlang een spoor getrokken in Israël. Het volk zou eigenlijk geweldloos leven en nu werd het gedwongen tot geweld. Dat moet je tot het uiterste weten te vermijden. Bij die aanval had God gezorgd voor een overwinning op Amalek, maar het maakte de intocht in het beloofde land anders. Gelukkig mogen we elke dag proberen de wereld geweldloos te maken en dusweer opnieuw aan de opbouw van dat land overvloeiend van melk en honing beginnen, ook vandaag weer.

De familie Zonderschoen.

Deuteronomium 25:1-10

1 Wanneer twee mannen een geschil hebben en ermee naar de rechter gaan, en in het vonnis wordt de een vrijgesproken en de ander veroordeeld, 2 dan moet de rechter de schuldige, als die tot stokslagen veroordeeld is, op de grond laten neerleggen en hem in zijn bijzijn het aantal slagen laten toedienen dat past bij het misdrijf. 3 Ten hoogste veertig stokslagen mogen hem gegeven worden, niet meer. Anders wordt er geen maat gehouden, en zou een volksgenoot voor uw ogen zijn eer verliezen. 4 U mag een rund bij het dorsen niet muilkorven. 5 Wanneer twee broers bij elkaar wonen en een van hen sterft zonder dat hij een zoon heeft, dan mag zijn weduwe niet de vrouw worden van iemand buiten de familie. Haar zwager moet met haar slapen; hij moet haar tot vrouw nemen en de zwagerplicht tegenover haar vervullen. 6 De eerste zoon die zij baart geldt dan als zoon van zijn gestorven broer, opdat diens naam onder het volk van Israël niet wordt uitgewist. 7 Maar als de man weigert met zijn schoonzus te trouwen, dan moet zij naar de stadsoudsten in de poort gaan en zeggen: ‘Mijn zwager weigert de naam van zijn broer te laten voortleven onder het volk van Israël. Hij weigert zijn zwagerplicht tegenover mij te vervullen.’ 8 Dan moeten de stadsoudsten hem erop aanspreken. Als hij blijft bij zijn weigering om met zijn schoonzus te trouwen, 9 moet zij ten overstaan van de oudsten op hem afgaan, hem zijn sandaal uittrekken en hem in zijn gezicht spugen, waarbij ze hem toevoegt: ‘Zo vergaat het de man die zijn broer nageslacht onthoudt.’ 10 En bij de Israëlieten zal zijn familie bekendstaan als de familie Zonderschoen. (NBV21)

We horen het in deze dagen weer luidkeels roepen. Er moet strenger gestraft worden. Zelfs mensen die hulp bieden aan ongedocumenteerden, de papierlozen, moeten gestraft worden. De rest moet levenslang in de gevangenis. Er is zelfs een partij die voor de doodstraf pleit. De Bijbel gaat uit van hele andere vooronderstellingen. Stel nu dat iemand veroordeeld wordt tot stokslagen. Gaan we dan door tot die veroordeelde er dood bij neer valt? Het gedeelte dat we vanmorgen in de richtlijnen voor de menselijke samenleving hebben gelezen wordt dat uitdrukkelijk verboden. De rechter die het vonnis heeft geveld moet er persoonlijk op toezien dat er niet meer slagen worden gegeven dan past bij het misdrijf.

Anders verliest de veroordeelde en zijn familie te veel eer. De Bijbel ziet dus niet alleen op misdaad en straf maar uitdrukkelijk ook op op rehabilitatie, eerherstel. Soms lijken misdrijven uitgelokt worden door omstandigheden en daar moet je altijd rekening mee houden. Een rund dat bij het dorsen van kaf en koren mee eet kan nu eenmaal niet anders en je mag dat rund dat kaf en dat koren ook niet onthouden. Respect voor elkaar, ook voor mensen die verkeerd doen speelt een grote rol. En als je dat respect, je verantwoordelijkheid voor de ander, verliest dan verlies je ook je eer in de gemeenschap. Ook daar lezen we over in dit Bijbelgedeelte. In Israël was het je plicht om te zorgen voor de weduwe. We zijn in het boek Deuteronomium de weduwen al een paar keer tegengekomen.

Zij mochten mee-eten van de offermaaltijd, mochten de vergeten schoven en het neergevallen graan van het akker halen, achtergebleven vijgen en druiven rapen en hun zwager moest dus voor hun economische toekomst zorgen. Kinderen zijn in heel veel samenlevingen nog steeds een vorm van pensioenverzekering. Bij ons overigens ook. Al gaat het via de overheid maar om de pensioenen van de vergrijzing te betalen moeten we zorgen voor vreemdelingen die het werk voor ons doen. Waarom we de vreemdelingen uitzetten is daarom een raadsel, we hebben ze veel te hard nodig. Maar als je niet wilt zorgen voor de weduwe dan heet je dus “zonder schoen”, op grote voet doch ook op blote voet levend.

 

Het lot van de trouwelozen

Lucas 12:41-48

41 Petrus vroeg: ‘Heer, is deze gelijkenis alleen voor ons bedoeld of voor iedereen?’ 42 De Heer antwoordde: ‘Wie is de betrouwbare en verstandige rentmeester die de heer zal aanstellen over zijn knechten om hun op tijd het eten te geven dat hun toekomt? 43 Gelukkig de dienaar die daarmee bezig is wanneer zijn heer komt. 44 Ik verzeker jullie: hij zal hem aanstellen over alles wat hij bezit. 45 Maar als die dienaar bij zichzelf zegt: Mijn heer komt maar niet, en als hij de knechten en dienstmeisjes gaat slaan, en zich te buiten gaat aan voedsel en drank, 46 dan komt de heer van die dienaar op een dag waarop hij het niet verwacht en op een tijdstip dat hij niet kent, en dan zal hij hem de zwaarste straf opleggen en hem het lot van de trouwelozen doen ondergaan. 47 De dienaar die weet wat zijn heer wil, maar geen voorbereidingen treft en niet overeenkomstig zijn wil handelt, zal veel slagen te verduren krijgen. 48 Maar wie niet weet wat zijn heer wil en zo handelt dat hij slaag verdient, zal weinig slagen te verduren krijgen. (NBV21)

Vandaag lezen we een stuk dat volgt op de gelijkenis over knechten die het huis op orde moeten hebben voordat de Heer van het huis terug komt van een bruiloft. De eerste vraag van Petrus is of het dan over hen gaat, de volgelingen van Jezus van Nazareth. En dat gaat het dus. Alle mensen zijn werktuigen in Gods hand, ze zijn knechten en dienstmeisjes van de God van Israël. Daar kun je dus twee dingen mee doen, je kunt ze te eten en te drinken geven, goed voor ze zorgen of je kunt ze uitbuiten en onderdrukken, zorgen doen ze maar voor zichzelf als jij maar aan je trekken komt. Kijk eens om je heen, heeft iedereen te eten? Heeft iedereen een dak boven het hoofd? Mag iedereen meedoen in onze samenleving? Hoeven er geen gezinnen angstig door bossen te zwerven? Is er nergens op aarde meer oorlog of geweld, geen onderdrukking meer van mensen die zichzelf niet mogen zijn?

We kunnen op die vragen niet vol trots met ja antwoorden, zelfs in ons eigen land is er genoeg ellende, geweld, honger, verwaarlozing en uitbuiting. Als dus de Heer terugkomt treft die niet een aarde aan zoals die eens door die Heer geschapen was: En God keek en zag dat het goed was, staat er geschreven. Als wij kijken is het helemaal niet goed. Gelovigen in de Here Jezus, in de God van Israël,. echte gelovigen, worden daar onrustig van. Die kunnen niet stil blijven zitten wachten tot alles wel een keer nieuw wordt. Die laten het opruimen van het huis van God niet aan God over als die terug zal komen. Die gaan aan de slag, met vuur in hun lijf om de aarde te ontdoen van het kwaad, die spoelen schoon waar vuil in eeuwen is aangekoekt. Die lijden zelf honger en dorst, honger en dorst naar gerechtigheid. Die staan op tegen medebewoners van hun huis als die bij de pakken neer willen zitten, als die gemakkelijk over problemen heen willen stappen.

Jezus beschrijft hier de slavenmaatschappij. De maatschappij zoals die onder de Romeinen vorm had gekregen. Deftige en rijke families die konden floreren door de slaven die ze hadden. Zelfs hun huishouding hing af van de kwaliteit en de inzet van de slaven. Wij kijken soms raar aan tegen de beelden die Jezus hier gebruikt om het antwoord op de vraag van Petrus duidelijk te maken. Werknemers, loonslaven van onze tijd, kunnen niet meer zo behandeld worden als de Romeinen hun slaven behandelden. Maar de manier waarop de Romeinen hun slaven behandelden maakte veel duidelijk. Het hoofd van de huishouding werd de rentmeester. Die kreeg ook de verantwoording over de uitgaven die voor de huishouding nodig waren. Maakte die rentmeester er een zootje van dan stond het de Heer van het huis vrij hem ter dood te brengen. De slaven die ook hun werk hadden verzaakt konden gestraft worden met stokslagen. Jezus neemt de onwetenden in bescherming, die kunnen aan de rootzooi in de wereld weinig doen. Maar wij weten dat het anders kan, dat het anders moet. Dat betekent voor gelovigen in het verhaal van Jezus dat ze de handen uit de mouwen moeten steken om er een betere wereld, een wereld van vrede, eerlijk delen en iedereen laten meedoen, van te maken. Elke dag mogen we daar aan werken. Aarzel dus niet.