Er zijn veel valse profeten

1 Johannes 4:1-10

1 Geliefde broeders en zusters, vertrouw niet elke geest. Onderzoek altijd of een geest van God komt, want er zijn veel valse profeten in de wereld verschenen. 2 De Geest van God herkent u hieraan: iedere geest die belijdt dat Jezus Christus als mens gekomen is, komt van God. 3 Iedere geest die dit niet belijdt, komt niet van God; dat is de geest van de antichrist, waarvan u hebt gehoord dat hij zal komen-nu al is hij in de wereld. 4 U, kinderen, komt uit God voort en u hebt de valse profeten overwonnen, want hij die in u is, is machtiger dan hij die in de wereld heerst. 5 Die valse profeten komen uit de wereld voort. Daarom spreken zij de taal van de wereld en luistert de wereld naar hen. 6 Wij komen uit God voort. Wie God kent luistert naar ons. Wie niet uit God voortkomt luistert niet naar ons. Hieraan kunnen we de geest van de waarheid en de geest van de dwaling herkennen. 7 Geliefde broeders en zusters, laten wij elkaar liefhebben, want de liefde komt uit God voort. Ieder die liefheeft is uit God geboren en kent God. 8 Wie niet liefheeft kent God niet, want God is liefde. 9 En hierin is Gods liefde ons geopenbaard: God heeft zijn enige Zoon in de wereld gezonden, opdat we door hem zouden leven. 10 Het wezenlijke van de liefde is niet dat wij God hebben liefgehad, maar dat hij ons heeft liefgehad en zijn Zoon heeft gezonden om verzoening te brengen voor onze zonden. (NBV)

In de vroege kerk is er heel lang gestreden rond de vraag of Jezus van Nazareth nu mens was of God. Uiteindelijk hebben de toenmalige kerkleiders besloten dat hij het allebei tegelijk was. Ze hebben dat daarna vastgelegd in de geloofsbelijdenis van Nicea. In sommige oude kerkboekjes zit de tekst daarvan nog achterin bij de zogenaamde belijdenisgeschriften. De vraag of Jezus van Nazareth nu mens of God was is niet onbelangrijk. Als hij mens is kun je hem immers niet aanbidden en als hij God is dan is hij onnavolgbaar. Wel mens is hij in elk geval. Dat schrijft de schrijver van de eerste brief van Johannes tenminste. Wie ontkent dat Jezus van Nazareth echt mens was die gelooft dus niet in God, die spreekt in elk geval niet in de geest van God. Want het gaat er om Jezus van Nazareth na te volgen. Als je in je spreken Jezus van Nazareth ver van de mensen plaatst, jezelf er tussenin, dan behoor je tot de antichrist en antichristenen zijn er genoeg. Die zetten inderdaad zichzelf tussen de mensen en Jezus van Nazareth.

Fraaie gewaden, ingewikkelde zinnen, moeilijke rituelen, roepen dat ze de ware kerk zijn en namens God de genade zullen uitreiken, het zijn allemaal tekenen van de antichrist volgens deze brief. Die valse profeten komen voort uit de wereld, daarom luistert de wereld naar hen. Presidenten en Koningen nodigen die valse profeten graag uit voor staatsbezoeken, of interreligieuze overlegbijeenkomsten om te laten zien hoe vroom ze zijn. Dat die valse profeten ook macht uitoefenen over mensen en liefdeloos anderen veroordelen en discrimineren maakt ze dan even niets uit. Wij mogen gelukkig zelf in de Bijbel lezen en krijgen vandaag te horen dat ieder die liefheeft uit God is geboren. Daar mogen we zelfs homoseksuelen die willen trouwen en hun liefde in het openbaar belijden niet van uitsluiten. Ook zij zijn volgens deze brief kinderen van God. De liefde van God komt niet omdat wij er om gevraagd hebben, maar Jezus van Nazareth kwam omdat de liefde van God dat voor ons nodig vond.

Zonder Jezus van Nazareth is er steeds minder liefde tussen mensen, hebben mensen steeds minder voor elkaar over, zijn mensen zeker niet bereid hun leven voor elkaar in te zetten. Maar dat verhaal over Israël en de Wet van heb je naaste lief als jezelf en het voorbeeld van Jezus van Nazareth die dat door de dood heen volhield maakt dat we elke keer er weer opnieuw mee mogen beginnen. We weten dat we er vaak naast zitten, dat we mensen aan de kant laten staan die we er bij hadden moeten betrekken, dat we er niet in slagen iedereen te eten te geven, gevangenen te bevrijden, zieken te verzorgen, maar elke keer opnieuw als we ons dat realiseren en het anders gaan doen wordt ons dat vergeven en mogen we weer mee op de Weg van Jezus van Nazareth, ook vandaag.

Dienaar van de HEER

Jozua 24:29-33

29 Korte tijd later stierf Jozua, de zoon van Nun, de dienaar van de HEER, op de leeftijd van honderdtien jaar. 30  Hij werd begraven in het gebied dat hem was toegewezen: in Timnat-Serach in het bergland van Efraïm, ten noorden van de Gaäs. 31  Zolang Jozua leefde diende het volk de HEER. Ook na zijn dood bleven ze de HEER dienen zolang de stammen werden aangevoerd door Jozua’s leeftijdsgenoten, die getuige waren geweest van de grootse daden die de HEER voor Israël had verricht. 32  De beenderen van Jozef, die het volk van Israël uit Egypte had meegevoerd, werden begraven in Sichem, op het stuk land dat Jakob voor honderd qesita had gekocht van de zonen van Chamor, onder wie Sichem. De nakomelingen van Jozef kregen dit stuk land in bezit. 33  Ook Eleazar, de zoon van Aäron, stierf. Hij werd begraven in het bergland van Efraïm op de heuvel die zijn zoon Pinechas was toegewezen. (NBV)

Vandaag het slot van het boek Jozua.  Israël was de baas geworden in Kanaän, al zou er nog veel strijd moeten worden gevoerd met volken die het vruchtbare land niet wilden delen. Jozua was een eerbiedwaardige oude man geworden. Niet zo oud als Mozes maar toch hoorde hij onmiskenbaar bij de oudsten van Israël. Hij kreeg ook een eretitel “dienaar van de Heer” Dat was de titel waar  in de woestijn Mozes mee was aangeduid, Jozua de zoon van Nun was daar de dienaar, de knecht van Mozes, geweest. Nu was hij tot Mozaïsche hoogte gestegen. Hij had ook een wezenlijk element aan de Tora toegevoegd. In de Tora stond dat elke 50 jaar het volk opnieuw moest beginnen op het land dat God gegeven had. Elke familie die in die 50 jaar het aan haar toegewezen land was kwijtgeraakt zou het dan weer moeten terugkrijgen.

Jozua nu had de leiding genomen bij de verdeling van het land over de families. Nu kon de Tora worden toegepast en kon de samenleving een menselijke samenleving worden. Nooit hoefden generaties lang mensen in armoede te blijven. Altijd weer kregen de armen de kans opnieuw te beginnen. altijd weer werd het volk bevrijd van hebzucht en armoede. De begrafenis van Jozua was dan ook in het stuk land dat aan zijn familie was toegewezen. Je zou verwachten dat het hoorde bij het meest vruchtbare deel van Israël, het liefst nog dicht bij het Heiligdom ook. Niks van waar. De familie van Jozua had een stuk land gekregen in de bergen van Efraïm, het land dat veel later het Noordrijk zou vormen. Ook de hogepriester, Eleazar de zoon van Aäron, die bij de intocht in Israël de zorg had gehad voor de Tabernakel en dus ook voor het doorgeven van het woord van de God van Israël stierf en kreeg een graf in het land van zijn familie, ook hij dus in het bergland. Geen van de notabelen kreeg een plaats die beter was dan die van de anderen.

Maar de belangrijkste begrafenis was wellicht die van Jozef. De zoon van Jacob die met zijn zonen voor een hongersnood naar Egypte was gevlucht. Daar had Jozef het tot onderkoning geschopt en die Jozef had het opzicht gekregen over de voorraden graan die waren aangelegd om in tijden van slechte oogst en dreigende hongersnood het volk van een blijvende welvaart te verzekeren. Het nageslacht van Jacob was uitgegroeid tot een groot en machtig volk. Jozef had bij zijn sterven vele honderden jaren daarvoor bepaald dat zijn gebeente bij het volk zou moeten blijven en ooit begraven zou moeten worden in de grond van zijn vader. Het enige stukje grond dat in het boek Jozua word genoemd dat niet veroverd was maar al eigendom van een familie was is het stuk grond waar het gebeente van Jozef werd begraven. Het was gekocht door Jacob. Gekocht van de zonen van Chamor onder wie Sichem. En bij Sichem was het volk bijeen gekomen en was de Tabernakel opgericht. Alles in dit verhaal herinnert dus aan de beloften van de God van Israël. Die brengt uiteindelijk een samenleving tot stand waarin mensen in vrede en welzijn kunnen leven. Die belofte geldt de hele wereld, ook onze samenleving dus. Wij zullen er aan moeten werken, elke dag opnieuw, maar het zal komen en wij mogen daar aan werken, ook vandaag weer.

Want hij is onze God

Jozua 24:14-28

14  Nu dan, ‘vervolgde Jozua, ‘eerbiedig de HEER, dien hem met onvoorwaardelijke trouw en doe de goden weg die uw voorouders ten oosten van de Eufraat en in Egypte hebben gediend. Dien alleen de HEER. 15 Wanneer u daar niet toe bereid bent, kies dan nu wie u wel wilt dienen: de goden van uw voorouders ten oosten van de Eufraat of de goden van de Amorieten, van wie u nu het land bewoont. In ieder geval zullen ik en mijn familie de HEER dienen.’ 16  Hierop antwoordde het volk: ‘Het is verre van ons de HEER te verlaten om andere goden te dienen. 17  Hij is het, de HEER, onze God, die ons en onze voorouders uit de slavernij in Egypte heeft bevrijd. Hij heeft grote wonderen voor ons verricht; dat hebben we met eigen ogen gezien. Hij heeft ons op onze hele tocht beschermd tegen alle volken waarvan we het gebied doortrokken. 18  De HEER heeft ze allemaal voor ons verdreven, en ook de Amorieten, die vroeger in dit land woonden. Natuurlijk zullen wij de HEER dienen, want hij is onze God.’ 19  Jozua antwoordde het volk echter: ‘U zult niet in staat zijn de HEER te dienen, want hij is een heilige God, hij duldt niemand naast zich, hij zal u uw overtredingen en zonden niet vergeven. 20  Wanneer u de HEER verlaat en andere goden gaat dienen, zal hij zich tegen u keren. Dan zal hij u niet langer weldaden bewijzen, maar u kwaad doen en u vernietigen.’ 21  Maar het volk zei opnieuw: ‘Wees ervan verzekerd dat we de HEER zullen dienen.’ 22  ‘In dat geval, ‘antwoordde Jozua, ‘bent u zelf de getuigen van uw keuze om hem, de HEER, te dienen.’ ‘Ja, dat zijn wij, ‘bevestigde het volk, 23  waarop Jozua zei: ‘Doe dan die vreemde goden weg en richt u volledig op de HEER, de God van Israël.’ 24  En het volk beloofde: ‘We zullen de HEER, onze God, dienen en gehoorzamen.’ 25  Zo legde Jozua het volk die dag in Sichem deze verplichting op en hij gaf het wetten en regels, 26  die hij in het wetboek van God opschreef. Ook richtte hij een grote steen op onder de terebint bij het heiligdom van de HEER. 27  ‘Deze steen, ‘zei hij tegen het volk, ‘is getuige, want hij heeft alles gehoord wat de HEER tegen ons heeft gezegd. Hij is dus getuige opdat u uw God niet afvallig wordt.’ 28  Daarna liet Jozua het volk vertrekken, iedereen ging naar zijn eigen grondgebied. (NBV)

Vandaag lezen we hoe het volk Israël door Jozua voor de keus wordt gesteld: De God van Israël dienen of achter andere goden aan lopen. Dat is een keus die ook ons wordt voorgelegd. Let wel, het gaat niet om nieuwe regels, we weten best waar de vrede in de wereld vandaan moet komen, elkaar liefhebben zoals we ons zelf liefhebben. Israël heeft schijnbaar een gemakkelijke keuze. Ze kwamen uit de woestijn en hebben de verovering van een land dat overvloeide van melk en honing meegemaakt. Een uiterst vruchtbaar land aan de oevers van de Jordaan, van de woestijn in het Noorden, waar Dan ging wonen tot aan de woestijn in het zuiden waar de stad Berseba lag. Roept Jozua nu van hiep hiep hoera u heeft de goede God gekozen? Niks is minder waar : Jozua waarschuwt het volk dat het niet in staat zal zijn de God van Israël te dienen. Het is die God of de god verlatenheid, het is liefhebben en dus zorgen voor de minsten, zelfs de vreemdelingen, uiteindelijk zelfs je vijanden. In onze dagen moeten we ons dus afvragen hoe we de Jihadisten en de strijders van IS lief kunnen hebben. Daar is geen eenvoudig antwoord op te geven. Dat ze van hun gewelddadige ideologie af moeten is duidelijk. En over hoe we dat zouden kunnen doen is nog door bijna niemand nagedacht.

Maar als we de God van Israël willen dienen, als we er van overtuigd zijn dat geweld niet het laatste woord in deze wereld kan zijn, als we een wereld willen zonder honger, zonder oorlog, zonder armoede, zonder discriminatie dan zullen we aan die wereld moeten werken. Wij geloven immers dat de belofte van de God van Israël werkelijkheid kan worden. Het hele boek Jozua gaat over een volk dat er van getuige is dat de God van Israël zijn beloften nakomt. Niet door op de knieën te gaan liggen en halleluja te roepen. Maar door strijd te leveren voor die betere wereld. Zoals God had bevolen strijd te leveren bij de verovering van Jericho. De bewoners van Jericho hielden zo lang de poorten gesloten en bewapende wachten op de muren dat uiteindelijk de muren en de poorten ineen storten en het volk Israël hun zwijgen kon omzetten in gejuich. Ze moesten daarvoor wel dagenlang om die stad heentrekken, met het risico op uitvallen door de vijand, met het risico dat het volk meer zou verliezen dan winnen. En dat verliezen was ook mogelijkheid. Hebzucht veroorzaakte het eerste verlies. En hebzucht is ook voor ons een grote bedreiging.

Het is Quatar, een oliestaat, die de oorlog van IS tegen Moslims, Christenen, anders gelovigen en ongelovigen financieel steunt. Ze sponsort IS net zo hard als de Fifa met wie ze een wereldkampioenschap voetbal gaat organiseren. Wij hebben nauwe banden met de sponsors van IS. De miljoenen die IS verdient aan de olie komt voor een deel ook uit ons land. Om de keus van Israël te onderstrepen en ze ook in de toekomst er aan te kunnen herinneren richt Jozua een steen op bij de Tabernakel die ze in de woestijn hadden gebouwd om de richtlijnen voor de menselijke samenleving te bewaren. De steen vertelt ze dat ze die richtlijnen nu tot uitvoering moeten brengen. Wij leggen soms ook van die bijzondere stenen in onze straten. Soms staan ze rechtop en herinneren ons aan verschrikkingen uit het verleden, soms roepen ze op niet voor tirannen te zwichten. Soms liggen ze zo in de straat dat je er bijna over struikelt, ze herinneren ons aan de slachtoffers van tirannie. Soms vragen wij zingend onze God de tirannie te verdrijven die onze harten doorwond. Zo lang wij weet blijven houden van de verschrikkingen die mensen elkaar kunnen aan doen zullen we de liefde, zoals we de liefde van God hebben geleerd, er tegenover moeten stellen. Ook tegen IS. Misschien dat een verbond met anders gelovigen, de hand uitsteken naar de minsten, ons kan helpen. Kijk maar om je heen en begin er mee.

Toen riepen ze mij

Jozua 24:1-13

1 Jozua riep alle stammen van Israël bijeen in Sichem. Nadat hij de oudsten, stamhoofden, rechters en griffiers zich ten overstaan van God had laten opstellen, 2  sprak hij tot het volk: ‘Dit zegt de HEER, de God van Israël: Jullie voorouders woonden lang geleden ten oosten van de Eufraat. Het waren Terach en zijn zonen Abraham en Nachor. Ze dienden andere goden. 3  Maar ik heb jullie stamvader Abraham daar weggehaald en hem door heel Kanaän laten trekken. Ik schonk hem een groot aantal nakomelingen. Ik gaf hem Isaak als zoon 4  en Isaak gaf ik Jakob en Esau. Esau kreeg van mij het Seïrgebergte in bezit, maar Jakob en zijn zonen trokken naar Egypte. 5  Ik stuurde Mozes en Aäron, teisterde Egypte, jullie weten hoe, en leidde jullie het land uit. 6  Ik heb jullie voorouders uit Egypte bevrijd. Ze kwamen bij de Rietzee, terwijl de Egyptenaren hen achtervolgden met strijdwagens en ruiters. 7  Toen riepen ze mij, de HEER, om hulp, en ik scheidde hen van de Egyptenaren door een zware duisternis en liet de Egyptenaren door de zee verzwelgen. Jullie hebben met eigen ogen gezien wat ik met hen heb gedaan. Vervolgens bleven jullie jarenlang in de woestijn, 8  tot ik jullie naar het land van de Amorieten bracht, die ten oosten van de Jordaan woonden. Ze namen de wapens tegen jullie op, maar ik leverde hen aan jullie uit en vernietigde hen, en jullie namen hun land in bezit. 9  Daarna verscheen koning Balak van Moab, de zoon van Sippor, om de strijd tegen jullie aan te binden. Hij liet Bileam, de zoon van Beor, komen; die moest jullie vervloeken, 10  maar ik schonk hem geen gehoor. Ik beschermde jullie tegen hem; meer nog, hij zegende jullie zelfs. 11  Vervolgens trokken jullie de Jordaan over en kwamen jullie bij Jericho. De inwoners van Jericho verdedigden zich tegen jullie, net als de Amorieten, Perizzieten, Kanaänieten, Hethieten, Girgasieten, Chiwwieten en Jebusieten, maar ik leverde ze allemaal aan jullie uit. 12  Ik stuurde een zwerm horzels voor jullie uit die ze op de vlucht joeg, zoals eerder de twee koningen van de Amorieten op de vlucht werden gejaagd. Jullie zwaarden en bogen hoefden er niet aan te pas te komen. 13  Ik heb jullie een land gegeven waarvoor jullie niets hebben hoeven te doen, steden die jullie niet hebben gebouwd en waarin jullie zomaar konden gaan wonen, wijngaarden en olijfbomen die jullie niet hebben geplant en waarvan jullie zomaar kunnen eten. (NBV)

In het hart van het land Israël worden alle volken bijeen geroepen door Jozua. Daar stond de Tent van de Ontmoeting en alle notabelen van het volk moesten zich daar opstellen. Daar immers lag het echte hart van Israël, de richtlijnen van de God van Israël zoals die aan en door Mozes waren overdragen. Nog een keer wordt het verhaal van de richtlijnen samengevat. Let wel, de Bijbel is geen geschiedenisboek. Er staan geen jaartallen en machthebbers in die moeten worden herdacht. Het verhaal in de Bijbel gaat over de God van Israël en alles wat die heeft laten zien zodat je die God zou kunnen vertrouwen en de richtlijnen van juist die God zou durven houden. Dat is ook de manier waarop Jozua het verhaal samenvat. Het is een boodschap van de Heer, heel dat verhaal. Te beginnen met Terach die met zijn zonen vertrokken was uit het Ur der Chaldeeën naar Haran. Hoe Abraham de roep van de Heer had verstaan om uit zijn familie te gaan naar een onbekend land maar een land dat zou overvloeien van melk en honing zodat Abraham de vader van vele volken zou kunnen worden.

Het verhaal zoals dat door Jozua wordt samengevat is hier en daar zelfs wat anders dan in de boeken van Mozes wordt verteld. Esau kreeg een deel van het land dat aan Abraham werd gegeven maar Jacob trok met zijn zonen naar Egypte, het land van de doden en zijn nakomelingen werden dus slaven. Alsof de keuze van Jacob de verkeerde keuze was geweest. De boeken van Mozes vertellen het verhaal over Jozef, zoon van Jacob, en zijn broers toch iets anders. Van elke zoon van Jacob was één stam de afstamming. Maar van Jozef stamden twee stammen af, Efraïm en Manasse. De God van Israël had het volk bevrijd uit Egypte en door de manier waarop Jozua het verhaal verteld onderstreept hij nog eens dat het goede altijd van die God komt, dat je op die God mag vertrouwen omdat die God nooit laat varen het werk dat zijn hand begon. Die God had het land beloofd aan Abraham en nu kregen de nakomelingen van Abraham van die God dat land in bezit. We lezen vandaag het eerste deel van het laatste hoofdstuk van het boek Jozua. Wie de rest van het boek gelezen heeft zal nu toch even de wenkbrauwen fronsen.

We kennen natuurlijk het verhaal over de verovering van Jericho. Daar trok het volk zes dagen zwijgend om heen om op de zevende dag er zeven maal omheen te trekken, toe de priesters daarna op de ramshoorns bliezen vielen de muren van Jericho ineen. Maar na Jericho had er toch heel hard gevochten moeten worden en waren er echt ook soldaten van Israël gesneuveld. Soms door hebzucht van hun leiders, zoals bij Ai, maar soms ook door de weerstand die de volken van Kanaän hadden geboden. Toch durft Jozua het aan om er op te wijzen dat al die mooie steden die veroverd waren, al het land waarop wijnstokken en andere eetwaren groeiden, de weiden voor de runderen en de schapen door de God van Israël waren gegeven. Het is een boodschap ook aan ons. Hoe hard wij ook gewerkt hebben, hoe slim we ook gehandeld hebben, hoe goed we ook gezorgd hebben, alles is ons toegevallen uit de hand van de God van Israël. Indien we de liefde voor onze naaste verliezen komen we terecht in een wereld vol dood en geweld. Soms lijkt het er op dat we in die wereld terecht zijn gekomen, maar als we de liefde van God tot uitgangpunt van onze samenleving weten te maken dan leven we in een wereld van vrede en welzijn voor iedereen. Elke dag mogen we daar opnieuw mee beginnen.

Luister

Jozua 23:1-16

1-2 De HEER had Israël aan alle grenzen rust gegeven door het volledig van zijn vijanden te verlossen. Vele jaren later riep Jozua, die toen op hoge leeftijd was gekomen, heel Israël, de oudsten, stamhoofden, rechters en griffiers bijeen. Hij zei tegen hen: ‘Ik heb niet lang meer te leven. 3  U hebt zelf kunnen zien wat de HEER, uw God, met al die volken heeft gedaan. Hij was het immers die voor u streed. 4  Ik heb voor uw stammen door loting het land verdeeld van de volken die ik heb uitgeroeid, van de Jordaan tot aan de Grote Zee in het westen; en eveneens het land van de volken die nog zijn overgebleven. 5  Die zal de HEER, uw God, zelf voor u verdrijven en uitroeien. Dan kunt u hun land in bezit nemen, zoals hij heeft beloofd. 6  Wees daarom zeer standvastig met betrekking tot de voorschriften van Mozes. Wijk daar op geen enkele manier van af. 7  Vermeng u niet met die vreemde volken die nog bij u overgebleven zijn. Neem de naam van hun goden niet in de mond en zweer er nooit bij, dien die niet en buig u nooit voor ze neer. 8  U moet alleen de HEER, uw God, zijn toegedaan, zoals u dat tot nu toe bent geweest. 9  De HEER roeide grote en machtige volken voor u uit, niemand kon tegen u standhouden, tot op de dag van vandaag. 10  Hoe vaak kwam het niet voor dat slechts een van u wel duizend man achtervolgde? Dat kwam doordat het de HEER was, uw God, die voor u streed, zoals hij had beloofd. 11 Daarom is het voor u van levensbelang hem lief te hebben. 12-13 Weet dat wanneer u zich van hem afwendt en bevriend raakt met die volken die nog bij u overgebleven zijn, wanneer u zich daarmee vermengt door huwelijken met ze aan te gaan, dan zal de HEER, uw God, die volken niet meer voor u uitroeien. Dan worden ze voor u een klapnet en een valstrik, een zweep die u geselt en een doorntak die u de ogen uitsteekt, net zolang tot u allemaal bent weggevaagd uit dit goede land dat de HEER, uw God, u gegeven heeft. 14  Luister. Nu ik de weg moet gaan die ieder mens wacht, moet u goed beseffen dat de HEER, uw God, geen van de beloften heeft gebroken die hij u heeft gedaan. Hij heeft ze alle gestand gedaan, hij heeft er niet één gebroken. 15-16 Maar zoals hij u de voorspoed heeft geschonken die hij had beloofd, zo zal hij elk mogelijk onheil over u brengen wanneer u de regels van het verbond overtreedt die hij u heeft opgelegd. Wanneer u andere goden gaat dienen en u voor ze neerbuigt, zal hij u wegvagen uit dit goede land dat hij u gegeven heeft. Dan zal zijn woede tegen u losbarsten en zult u heel snel worden weggevaagd uit dit goede land, dat u van hem gekregen hebt.’(NBV)

Als we het over de Bijbel hebben denken mensen vaak over preken. Nu wordt er wat afgepreekt in kerken maar in de Bijbel staan overwegend verhalen. Preken kom je in de Bijbel niet zo veel tegen. Vandaag lezen we een uitzondering. Een preek van Jozua. Een preek die nodig was. Toen Mozes afscheid had genomen van het volk had hij een heel boek voorgelezen, het boek Deuteronomium, dat om het volk nog eens op het hart te drukken zich aan de richtlijnen van de God van Israël te houden. Later was daar nog het verhaal over de dood van Mozes aan toegevoegd, voor zover het volk dat had begrepen. Daarmee werd de leer van Mozes afgesloten. Van de schepping van de wereld tot aan de intocht in het land dat overvloeit van melk en honing. Dat was een verhaal waaruit geleerd moest worden. Het is de God van Israël die de aarde had geschapen om aan de mensen te geven, het was die God die richtlijnen had gegeven om de aarde voor mensen bewoonbaar te maken. Het was die God die een volk had gekozen om te laten zien wat die richtlijnen voor vrede, recht en welzijn voor alle volken zouden kunnen betekenen. Maar dat volk had de neiging voortdurend van die richtlijnen af te wijken.

Ook Jozua werd met die neiging tot afwijken geconfronteerd. De verovering van het land Israël had veel strijd gekost. De volken die het vruchtbare land niet hadden willen delen met de arme woestijnzwervers moesten worden verslagen. Ze hadden zich achter hoge muren verscholen om de vreemdelingen buiten te houden. Ze hadden bondgenootschappen gesloten om de vreemdelingen buiten de deur te houden. Vergeefs. Het volk Israël had wel willen delen. Het volk Israël was niet hebzuchtig geweest. Niet de beste soldaten kregen de buit die was veroverd, maar het werd eerlijk verdeeld over het volk. Nu Jozua oud geworden was liep de strijd nog lang niet ten einde. Er waren nog volken die tot delen bewogen moesten worden. Jozua was er vast van overtuigd dat het zou lukken, God had het land beloofd en zou zijn belofte waarmaken. Maar dan zou het volk zich aan de richtlijnen moeten houden zoals die door Mozes waren doorgegeven. Dat was niet gemakkelijk. Israël kende geen beeld van hun God. Volgend die leer van Mozes konden ze het beeld van hun God zien in hun medemens, de mens was immers geschapen naar Gods beeld en gelijkenis. Die vreemde volken hadden prachtige beelden van hun goden. Mooie rituelen ook voor de vruchtbaarheid van hun land. Die weduwen en de wezen waar die richtlijnen van Mozes over gingen waren lang zo mooi niet.

Toen veel en veel later door mensen die de leer van Mozes hadden bestudeerd aan Jezus van Nazareth werd gevraagd wat hij beschouwde als het hart van de leer van Mozes, hoe je die leer in een zin zou kunnen samenvatten citeerde Jezus twee regels uit die leer, heb God lief boven alles en heb uw naaste lief als uzelf. Daar gaat de preek van Jozua dus ook over. In het Hebreeuws hebben Jezus en Jozua overigens dezelfde naam. Christenen geloven net zoals Jozua dat de verovering van het land van melk en honing er toe had geleid dat zichtbaar werd wat de God van Israël wel allemaal niet voor elkaar  kon krijgen, Jezus van Nazareth de leer van Mozes zo heeft vertaald dat iedereen op de hele wereld er aan mee kan doen en de hele wereld dus een mensenland wordt dat overvloeit van melk en honing. Die leer van Mozes is niet eenvoudig, gij zult niet doden staat er in die regels en onze legers en bommenwerpers vechten voortdurend tegen die regel. Heb de vreemdeling lief staat er in die regels en angstige schreeuwers proberen de vreemdelingen weg te zetten als misdadigers. Wanhopige jongeren zien geen andere uitweg dan met geweld zich een plaats in de wereld te verschaffen. Dat is vergeefs. Jozua bleef aandringen om als uitgangspunt voor de samenleving in Israël vast te houden aan de leer van Mozes. Jezus van Nazareth zou oproepen om zelfs je vijanden lief te hebben. Vandaag hebben we het meer dan nodig om die oproep tot ons door te laten dringen

Ik zal ingrijpen

Ezechiël 39:17-29

17 ‘Mensenkind, toen de Israëlieten nog in hun land woonden, hebben ze dat door hun daden onrein gemaakt; ik zag hoe hun daden even onrein waren als een vrouw die ongesteld is. 18 Dus stortte ik mijn toorn over hen uit, vanwege al het bloed dat ze op het land hadden uitgestort, en vanwege de afgoden waarmee ze het hadden verontreinigd. 19 Ik verdreef hen naar vreemde volken en ze raakten verstrooid in verre landen; ik strafte hen zoals ze verdienden. 20 Bij de volken waar ze kwamen werd mijn heilige naam ontwijd doordat men van hen zei: “Dit is nu het volk van de HEER, uit zijn land is het verbannen.” 21 Het deed mij verdriet dat mijn heilige naam zo door het volk van Israël ontwijd werd, bij alle volken waar het kwam. 22 Zeg daarom tegen het volk van Israël: “Dit zegt God, de HEER: Ik zal ingrijpen, volk van Israël-niet omwille van jou, maar omwille van mijn heilige naam, die je hebt ontwijd bij de volken waar je gekomen bent! 23 Ik zal mijn grote naam, die door jullie bij die volken is ontwijd, weer aanzien verschaffen. Die volken zullen beseffen dat ik de HEER ben-spreekt God, de HEER. Ik zal ze laten zien dat ik heilig ben; 24 ik leid jullie weg bij die volken, ik breng jullie bijeen uit die landen en laat je naar je eigen land terugkeren. 25 Ik zal zuiver water over jullie uitgieten om jullie te reinigen van alles wat onrein is, van al jullie afgoden. 26 Ik zal jullie een nieuw hart en een nieuwe geest geven, ik zal je versteende hart uit je lichaam halen en je er een levend hart voor in de plaats geven. 27 Ik zal jullie mijn geest geven en zorgen dat jullie volgens mijn wetten leven en mijn regels in acht nemen. 28 Jullie zullen in het land wonen dat ik aan je voorouders gegeven heb, jullie zullen mijn volk zijn en ik zal jullie God zijn. 29 Ik zal jullie redden van alles wat je onrein maakt, ik zal het koren bevelen overvloedig te groeien en nooit meer een hongersnood op jullie afsturen. (NBV)

Ezechiël is bij uitstek de profeet van de hoop. Bijna zou je zeggen dat hij zijn volk dat in ballingschap leeft de hoop als gebod geeft. Want dat volk heeft niet alleen alle strijd met de wereldmachten verloren, de goden die ze na hadden gelopen hadden verloren en ze hadden de God van Israël in de steek gelaten, in de landen waarheen ze als ballingen waren gevoerd had men ze uitgelachen. Die rare God van Israël, die God die wel een Tempel maar geen beeld had, die God was niks waard gebleken en die lui uit Israël die zich opnieuw verdiepten in de leer van Mozes en de verhalen over de God die hun voorouders uit het slavenhuis van Egypte had geleid waren belachelijk.

Die minachting door de overwinnaars van de God van Israël en het volk dat die God had aanbeden brengt volgens Ezechiël die God er toe opnieuw het tot slaven gemaakte volk te bevrijden, nu uit de ballingschap. “Hoe is het mogelijk” zullen de volken zeggen. Het is die God die een verbond had gesloten met dat volk, heb uw naaste lief als uzelf, heb God daarmee lief boven alles en die God zal voor zijn volk zorgen en voor zijn volk zorgen. Daar kan het volk al in de ballingschap mee beginnen. Er ligt een nieuw hart en een nieuwe Geest voor ze klaar waarmee ze voor elkaar kunnen zorgen maar ook voor de mensen met wie ze zijn gaan samenleven. Ze hebben de oude verhalen van Israël weer bijeen gebracht en kunnen de leer van Mozes in de praktijk brengen.

En is alles dan goed op aarde? Ezechiël vertelt ze dat God beloofd heeft nooit meer een hongersnood op hen af te sturen. Hij had hiervoor al verteld over Koning Gog, de Koning van Magog, die met vele bondgenoten een verbond had gesloten die hem tot een wereldleider zou hebben gemaakt. Voor dat soort leiders, voor dat soort volken, zal Israël uiteindelijk bewaard worden. Als ze zich maar houden aan de leer van Mozes. En dat blijkt voor dat volk, en voor ons ook het aller moeilijkste te zijn wat er is. Zorgen voor de minsten, de zwaksten? Elkaar beschermen tegen een virus dat rondwaard? De vreemdelingen behandelen alsof ze tot ons eigen volk horen? Vluchtelingen voor geweld en onderdrukking, voor honger en ellende in ons midden opnemen? We kunnen er vandaag mee beginnen, ook voor ons liggen dat hart en die Geest klaar. Elke dat mogen we er weer mee beginnen, aan de slag dus.

 

Dat zal de dag zijn

Ezechiël 39:1-16

1 Mensenkind, profeteer tegen Gog, zeg: “Dit zegt God, de HEER: Ik zal je straffen, Gog, oppervorst van Mesech en Tubal. 2 Ik kom je halen, ik sleep je mee, ik laat je uit het uiterste noorden komen en breng je naar de bergen van Israël. 3 Daar sla ik je boog uit je linkerhand en je pijlen uit je rechterhand. 4 Op de bergen van Israël zul je sneuvelen, met al je troepen en je bondgenoten, en daar geef ik je ten prooi aan alle soorten roofvogels en aan de wilde dieren. 5 Ook in het open veld zul je sneuvelen. Ik heb gesproken-spreekt God, de HEER. 6 Magog zal ik in vlammen doen opgaan, net als de kustbewoners die zich veilig wanen. Ze zullen weten dat ik de HEER ben. 7 Mijn heilige naam zal ik aan mijn volk Israël bekendmaken, ik zal mijn heilige naam niet langer laten ontwijden, en de andere volken zullen beseffen dat ik de HEER ben, heilig in Israël. 8 Het komt, het zal gebeuren-spreekt God, de HEER ! Dat zal de dag zijn waarvan ik gesproken heb. 9 Dan zullen de Israëlieten uit hun steden komen om de wapens als brandhout te gebruiken; zeven jaar zullen ze vuur kunnen stoken van de grote en kleine schilden, de bogen en de pijlen, de stokken en de lansen. 10 Omdat ze daarmee vuur kunnen stoken, hoeven ze geen takken te sprokkelen op de velden of hout te hakken in het bos. Zo plunderen ze wie hen wilden plunderen en behalen buit op wie hen tot buit wilden maken-spreekt God, de HEER. 11 Op die dag delf ik voor Gog een graf in Israël, in het Dal der passanten, ten oosten van de Dode Zee. Het zal de doorgang versperren voor deze passanten: voor Gog en heel zijn leger. Ze zullen er worden begraven, en het zal het ‘Dal van het leger van Gog’ worden genoemd. 12 De Israëlieten zullen hen begraven om het land te reinigen, en daar zullen ze zeven maanden over doen. 13 Iedereen in Israël zal daarmee bezig zijn, en dat zal hun tot eer strekken op de dag dat ik mijn grootheid zal tonen-spreekt God, de HEER. 14 Ze zullen een groep aanstellen die het land voortdurend moet doorkruisen. Die moet de passanten begraven die op het land zijn blijven liggen, om zo het land te reinigen. Na de zeven maanden zullen ze op onderzoek uitgaan 15 en opnieuw het land doorkruisen. Als een van hen dan beenderen van mensen ziet liggen moet hij er een merksteen bij zetten, zodat de doodgravers ze kunnen begraven in het Dal van het leger van Gog 16 (er is daar ook een stad die naar dat leger heet), en zo het land reinigen.” (NBV)

Zeg nu niet dat je niet gewaarschuwd bent. In dit Bijbelgedeelte wordt Gog aangesproken maar Gog is ver weg. Babel is dichterbij. En Israël luistert in ballingschap naar de Profeet. De waarschuwing is nooit met een oorlog te beginnen. Oorlog loopt altijd uit op een nederlaag. De puihopen en doden die achterblijven bij een nederlaag kunnen nauwelijks opgeruimd worden. In het midden oosten zal het direct herkent zijn, voor je de lijken hebt begraven komen de vogels en de aaseters om van de lijken te genieten. Natuurlijk als er in je eigen land oorlog is geweest dan heb je er belang bij om de puinhopen snel op te ruimen. De inwoners van Israël zullen maanden bezig zijn om het land te reinigen. Doden zijn immers onrein, die mag je niet zo maar aanraken. Hun leven is naar God teruggekeerd.

Maar waarom klinkt het zo hard. Oorlog kan toch soms ook gerechtvaardigd zijn? Hoe zouden wij bevrijd zijn als Amerika, Canada en Nieuw Zeeland geen oorlog hadden begonnen tegen Duitsland. Maar dat is het verschil. Daarom lijkt het er op dat de God van Israël een tegenoorlog gebruikt om zijn volk te beschermen. Het leger dat begint zal verliezen. Na de Tweede Wereldoorlog hebben we geleerd om de slachtoffers van de oorlog te helpen. Ook het land van de vijand zal moeten worden gereinigd en weer opgebouwd. Dat is een hardere les tegen oorlog dat feest te vieren met de buit van de verliezers zoals aan het eind van de Eerste Wereldoorlog gebeurde. Toen leek het er op dat oorlog loont, dat een overwinning rijkdom en welvaart brengt. De God van Israël spreekt dat tegen, oorlog betekent altijd ellende.

Blijft een volk oorlogszuchtig dan isoleert het zichzelf. In het verhaal dat we vandaag spreken is sprake van een dal dat de doorgang van het oorlogszuchtige volk zal belemmeren. In Israël was er in de bergen ergens een dal waarover een dergelijk verhaal de ronde deed. Door dat dal kon niemand Israël binnenkomen. Dat was zo’n sterk beeld dat eeuwen later toen Alexander de Grote zijn veroveringstocht hield het verhaal rondging dat hij de Gog en de Magog had opgesloten door in een dal ijzeren deuren aan te brengen. Ook in de Islamitische traditie komt een dergelijk verhaal voor. En de Chinese Muur die de vijand belemmerde binnen te vallen wordt ook met dit beeld van het ondoordringbare dal vergeleken. Oorlogsdzucht isoleert je volk. Nationalisme en eigen volk eerste is samen met hebzucht de voedingsbodem voor oorlog. En we zijn gewaarschuwd. Tijdig tendenzen opsporen die geweld niet uitsluiten en zichzelf beter achten dan anderen. Ook vandaag nog.

Bergen zullen wegzinken

Ezechiël 38:14-23

14 Profeteer daarom, mensenkind, zeg tegen Gog: “Dit zegt God, de HEER: Wanneer mijn volk Israël een onbezorgd bestaan leidt, zal dat jou bekend worden. 15 Dan komen jij en je vele bondgenoten uit je woonplaats in het uiterste noorden, al die mannen te paard, die grote menigte, dat talrijke leger. 16 Als een wolk die het land overdekt zul je tegen mijn volk Israël optrekken. Eens zal ik je naar mijn land brengen, en als ik alle volken door jou, Gog, laat zien dat ik heilig ben, zullen ze beseffen wie ik ben. 17 Dit zegt God, de HEER: Ben jij de man van wie ik in het verleden, jarenlang, bij monde van de profeten van Israël, mijn dienaren, gezegd heb dat ik hem zou sturen om de Israëlieten aan te vallen? 18 Op de dag dat Gog het land van Israël aanvalt-spreekt God, de HEER zal mijn woede oplaaien. 19 In mijn hartstocht, in het vuur van mijn toorn zeg ik: Op die dag zal een zware aardbeving het land van Israël treffen. 20 De vissen in de zee, de vogels aan de hemel, de wilde dieren, alles wat op het land rondkruipt en alle mensen op aarde zullen voor mij beven. Bergen zullen wegzinken, bergwanden neerstorten, stadsmuren in puin vallen. 21 Op al mijn bergen zal ik het zwaard tegen Gog oproepen-spreekt God, de HEER en zijn mannen zullen elkaar met hun zwaard bestrijden. 22 Ik zal Gog straffen met de pest en de dood, ik laat slagregens, hagelstenen, zwavel en vuur neerkomen op hem, op zijn troepen en al zijn bondgenoten. 23 Ik zal mijn grootheid en mijn heiligheid tonen en mij aan vele volken bekendmaken. Ze zullen beseffen dat ik de HEER ben.” (NBV)

Er is nog wel eens gezegd dat, wat er ook gebeurd, alle kritiek op Israël taboe is. Als die mensen die ook kritiek hebben op de huidige regering in Israël en haar politiek ten aanzien van Palestijnen maakt je tot een bondgenoot van Koning Gog, het symbool van alle kwaad. Maar dat beeld is onjuist. Ezechiël spreekt tot zijn volk in ballingschap. Dat volk weet langzaam aan heel goed waarom ze in ballingschap leeft. Het volk had het verbond met God verbroken. Ze waren andere goden achterna gelopen en hadden zelf kinderen geofferd in plaats van zich te houden aan de richtlijn niet te doden. Dat God dat verbond met Israël wil herstellen is niet omdat Israël zo geliefd is maar omdat God wil dat alle volken zijn richtlijnen moeten volgen. Het optrekken van Gog en de woede van God kunnen daarvoor een voorbeeld worden. Als het volk vertrouwd op God zal Gog verliezen en dat je vijand verliest wil iedereen wel.

Nu grijpt die God van Israël ook niet op een menselijke manier in. Gog wordt er voor gewaarschuwd dat een aanval op een Israël van het verbond betekent dat God de natuur zal gebruiken om de plannen van Gog te dwarsbomen. Aardbevingen. bergen die wegzinken, bergwanden die in storten. Als je je dat kunt voorstellen, zeker als je je voorstelt dat het jou zou kunnen overkomen dan moet je wel beven. Dan realiseer je je ook dat je beeft voor de God van Israël omdat je niet anders kunt dan de absolute heerschappij van die God te erkennen. Alle ellende moet daarvoor overigens over Gog worden uitgestort. Dat wil nog lang niet zeggen dat wij elke natuurramp als een straf van God moeten duiden. Zo van handen af van de gevolgen want dit is wat God wil. Het tegendeel is waar. God stelt ons op de proef, denken wij alleen om onszelf en laten we de slachtoffers langs de kant van de weg liggen, of doen we er alles aan om slachtoffers te helpen.

Zo stelt ook het conflict tussen Israël en Palestijnen ons op de proef. We hebben ooit gestemd voor een tweedeling van het gebied Palestina. Israël heeft daarop geantwoord met het uitroepen van een onafhankelijke staat. Vervolgens ontstond er oorlog. Tegenwoordig zijn er twee gebieden die samen een Palestijnse staat zouden kunnen vormen, het andere deel van het besluit van de Verenigde Naties. Maar die twee delen worden onderdrukt door Israël. In plaats van er alles op te zetten om slachtoffers van de geschiedenis te helpen en nieuwe slachtoffers te voorkomen tracht men in Israël haar grondgebied uit te breiden. Er zijn voortdurend verhalen over het kappen van olijfbomen, inkomensbronnen van Palestijnen. Nieuwe vestigingen worden gerealiseerd in gebieden waarvan we allemaal in de wereld vinden dat ze tot die nieuwe Palestijnese staat zouden moeten horen. Veel kunnen we zelf niet doen. De regering probeert samen met Europa vrede te bereiken. Maar wij zouden kunnen helpen door geen producten meer te kopen van Israël die uit Palestina komen.

 

Ik kom je halen

Ezechiël 38:1-13

1 De HEER richtte zich tot mij: 2 ‘Mensenkind, richt je blik op Gog, de oppervorst van Mesech en Tubal, in het land Magog, en profeteer tegen hem. 3 Zeg: “Dit zegt God, de HEER: Gog, oppervorst van Mesech en Tubal, ik zal je straffen! 4 Ik kom je halen, ik sla haken door je kaak en laat je wegtrekken met heel je leger, met je paarden en ruiters, met je schitterende krijgers, met heel die menigte zwaardvechters, bewapend met kleine en grote schilden; 5 en dan nog de soldaten uit Perzië, Nubië en Libië, met hun schilden en helmen, 6 en Gomer met al zijn troepen, Bet-Togarma uit het uiterste noorden met al zijn troepen: heel veel volken zijn het! 7 Bereid je voor, maak je gereed om die hele menigte die zich bij je heeft aangesloten aan te voeren. 8 Over lange tijd, in de verre toekomst, zul je bevel krijgen om op te trekken tegen een land dat zich nog maar net van de oorlog hersteld heeft, tegen een volk dat uit vele volken weer is samengebracht op de bergen van Israël, die lange tijd verlaten zijn geweest. Teruggekeerd leeft het daar zonder zorgen. 9 Met je troepen en al je bondgenoten zul je optrekken als een stormwind, als een wolk die het land overdekt. 10 Dit zegt God, de HEER: Als het zover is, zul je boze plannen uitdenken. 11 Je denkt: Dat land van niet-ommuurde steden zal ik aanvallen; ik zal optrekken tegen die argeloze mensen die zo onbezorgd leven in hun steden zonder muren, grendels of poorten. 12 Je gaat erheen om te plunderen, te roven en buit binnen te halen, om de puinhopen die weer bewoond worden aan te vallen. Daar woont een volk dat uit vele volken bijeen is gekomen, dat vee en bezit verworven heeft en nu de navel van de wereld bewoont. 13 De mensen uit Seba en Dedan, de handelaars en heersers uit Tarsis zullen tegen je zeggen: ‘Ben je gekomen om te plunderen en te roven? Heb je die hele menigte bijeengebracht om buit binnen te halen? Om goud en zilver weg te graaien, om vee en goederen mee te nemen, om alles te plunderen en te roven?’ ” (NBV)

Vandaag weer zo’n verhaal dat gemakkelijk misverstanden oproept. Je hebt de neiging om dit stukje uit Ezechiël te lezen als een zelfstandig verhaal. God roept dat de ballingen terugkeren en beschermd worden. En God roept dat niet tot de ballingen maar tegen een Koning, Gog, die snode plannen heeft gemaakt om ergens in de toekomst het land van de teruggekeerde ballingen te gaan plunderen. Als we het verhaal zo lezen dan hebben we het boek Ezechiël niet begrepen. Dat boek vormt een eenheid waaruit wij steeds kleine stukjes lezen. Het volk Israël bestaat niet meer. Jeruzalem is verwoest. Het volk is uit het beloofde land gevoerd en woont nu als gevangenen in het land van één van de grote wereldmachten. En dan komt er een profeet en die zegt dat ze niet bij de pakken neer moeten zitten. Ze voelen zich misschien als doden die in de vlakten van Babel begraven liggen maar Ezechiël komt ze vertellen dat God weer vlees op de botten zal brengen en de doden zal doen opstaan.

Mooie verhalen van die Ezechiël maar de ene wereldmacht komt en de andere gaat. Ze veroveren elkaar en in die strijd wordt het volk van de God van Israël vermalen. Kijk maar eens naar die ruitervolken achter de Balkan. Die koning Gog van dat land Magog is een koning die al bezig is de rijkjes in zijn omgeving te onderwerpen. Dat wordt straks een wereldmacht en als de ballingen terugkeren dan zullen ze het slachtoffer worden van die wereldmacht. Ook daar heeft Ezechiël een antwoord op. Terugkeer van de ballingen zal pas gebeuren als ze geleerd hebben onvoorwaardelijk op die God van Israël te vertrouwen en zijn richtlijnen te volgen. Moet je horen zelfs al zal het Gog lukken om een leger te vormen met zijn ruiters, met soldaten uit Perzië, Nubië en Libië, bewapend met de meest moderne wapens dan nog zijn plannen om het nieuwe Israël te plunderen bij voorbaat tot mislukken gedoemd. Dat wordt niet huilen, dat wordt lachen. De directe buurvolken van Israël zullen ze verbaasd vragen of ze echt van plan zijn Israël aan de vallen.

Vandaag is het bij ons bevrijdingsdag. Wij vieren dat we weer een eigen land hebben waar we zelf een bestuur van kunnen kiezen en waar we elkaar mogen ondersteunen in het volgen van de richtlijnen van de God van Israël. Dat kan wel eens lastig zijn. Onze vrijheid voelt nog wel eens zo dat we zorgeloos kunnen leven en onbezorgd kunnen leven zonder muren, grendels of poorten. Zo onbezorgd kan het dus ook weer niet. Al hebben we onze huizen beveiligd tegen inbrekers en plunderaars daarmee houdt te plicht om te zorgen niet op. We moeten voor onszelf zorgen. Het goede eten, zoals ook Ezechiël zijn volk opriep, op tijd genoeg bewegen en voor elkaar zorgen door maatregelen te nemen elkaar niet te besmetten. Dat laatste is moeilijk. Virussen zijn niet te zien maar niet minder gevaarlijk. God heeft ons mensen gegeven die voor de zieken zorgen, dag en nacht. Wij worden opgeroepen met hen mee te doen door te zorgen dat er niet te veel zieken komen. Dat is geen inperking van onze vrijheid, dat is het vergroten van onze vrijheid. Wij hebben de vrijheid van God gekregen om te blijven leven met onze naasten. Daar moeten we soms hard voor werken, maar dat mag ook vandaag weer.

Mijn smeken

Psalm 116

1 De HEER heb ik lief, hij hoort mijn stem, mijn smeken, 2  hij luistert naar mij, ik roep hem aan, mijn leven lang. 3  Banden van de dood omknelden mij, angsten van het dodenrijk grepen mij aan, ik voelde angst en pijn. 4  Toen riep ik de naam van de HEER:‘HEER, red toch mijn leven!’ 5  De HEER is genadig en rechtvaardig, onze God is een God van ontferming, 6  de HEER beschermt de eenvoudigen, machteloos was ik en hij heeft mij bevrijd. 7  Kom weer tot rust, mijn ziel, de HEER is je te hulp gekomen. 8  Ja, u hebt mijn leven ontrukt aan de dood, mijn ogen gedroogd van tranen, mijn voeten voor struikelen behoed. 9  Ik mag wandelen in het land van de levenden onder het oog van de HEER. 10 Ik bleef vertrouwen, ook al zei ik: ‘Ik ben diep ongelukkig.’ 11  Al te snel dacht ik: Geen mens die zijn woord houdt. 12  Hoe kan ik de HEER vergoeden wat hij voor mij heeft gedaan? 13  Ik zal de beker van bevrijding heffen, de naam aanroepen van de HEER 14  en mijn geloften aan de HEER inlossen in het bijzijn van heel zijn volk. 15  Met pijn ziet de HEER de dood van zijn getrouwen. 16  Ach, HEER, ik ben uw dienaar, uw dienaar ben ik, de zoon van uw dienares: u hebt mijn boeien verbroken. 17  U wil ik een dankoffer brengen. Ik zal de naam aanroepen van de HEER 18  en mijn geloften aan de HEER inlossen in het bijzijn van heel zijn volk, 19  in de voorhoven van het huis van de HEER, binnen uw muren, Jeruzalem. Halleluja!(NBV)

Vandaag zingen we met de kerk een danklied mee. We zingen tenminste op het eind dat we een dankoffer willen brengen. Maar waar zijn we dan wel zo dankbaar voor. We hebben immers geleerd dat geloven in de God van Israël geen verzekering is tegen rampspoed en ongeluk. Dat kan je evengoed overkomen, maar waar moet je dan dankbaar voor zijn. Deze psalm schetst dat heel nauwkeurig. Geloof in de God van Israël bevrijdt je van de angst voor de dood. Ieder mens sterft immers, daar hoef je niet bang voor te zijn. Wat er eventueel na de dood staat te gebeuren weten we niet. In het boek van de wording van de mens, in Genesis, staat dat de mens de levensadem van God heeft gekregen en dat die levensadem terugkeert naar God als de mens sterft. Dat is een hele geruststelling. Verder gaat het er in het leven om je naaste lief te hebben als jezelf en dus te werken aan een samenleving waarin alle mensen meetellen en waar van alle mensen gehouden wordt.

Die liefde en die samenleving hangen niet van ons als individuele mensen af, dat werk erven we van onze voorouders die er ooit mee begonnen zijn en we mogen het doorgeven aan de kinderen en kleinkinderen die na ons komen. In die geschiedenis leven we dus eeuwig als we mee doen aan dat bouwen aan wat wel genoemd wordt het koninkrijk van God. Angst voor de dood hoeven we dus niet meer te hebben. En de bevrijding van de angst voor de dood maakt dat we kunnen leven alsof we eeuwig leven. Ondanks alle tegenslagen die we kunnen tegenkomen blijven we dag aan dag weer opnieuw werken aan dat nieuwe Koninkrijk, in de vaste overtuiging dat het komt. Ja zelfs op één en dezelfde dag kunnen we er weer duizend keer aan beginnen. Dat doen komt omdat we ook geloven dat het voor elk van ons elke dag ook afgelopen kan zijn. Er is geen tijd om de komst van het Koninkrijk uit te stellen. Wie het lijden van de mensen in de wereld beschouwt wil er zelfs geen moment mee wachten.

De God van Israël is een God van ontferming en daarom ontfermen wij ons over de mensen die ontferming nodig hebben. De vluchtelingen, mensen die van haard en huis verdreven zijn, de hongerigen, de armen, de zwakken, de zieken en zij die hun naasten verloren hebben, de gevangenen, de mensen die vernederd en geknecht worden, de weduwen en de wezen. Daarvoor mogen zorgen maakt je dankbaar, dat zorgen maakt dat het leven zin krijgt, want je leeft niet langer alleen, je schenkt het leven aan hen die de dood onder ogen zagen. Daarom heffen we de beker van de bevrijding, de beker die we niet alleen drinken maar delen met ieder die dat nodig heeft, daarom brengen we een dankoffer, het brood dat we breken en delen met een ieder die honger heeft. Dat maakt dat de hele wereld de Tempel wordt waar de Wet van heb uw naaste lief als uzelf wordt gevierd. Ook vandaag.