Geen sprake van

Jeremia 40:7-16

7 De bevelhebbers van het leger en de manschappen die zich nog schuilhielden, hoorden dat de koning van Babylonië Gedalja, de zoon van Achikam, tot gouverneur had aangesteld en dat hij hem had belast met de zorg voor een deel van de armsten van het land, mannen, vrouwen en kinderen die niet als ballingen naar Babel waren gevoerd. 8 De bevelhebbers zochten Gedalja in Mispa op: Jismaël, de zoon van Netanja, Jochanan en Jonatan, de zonen van Kareach, Seraja, de zoon van Tanchumet, de zonen van Efai uit Netofa, en Jezanja, de zoon van een man uit Maächa, allen met hun mannen. 9 Gedalja bezwoer de bevelhebbers en hun mannen: ‘Wees niet bang om de Chaldeeën te dienen. U kunt in het land blijven wonen, en zolang u de koning van Babylonië dient zal het u goed gaan. 10 Ikzelf blijf in Mispa wonen om u bij de Chaldeeën te vertegenwoordigen. U moet de druiven, zomervruchten en olijven inzamelen en opslaan. Ga in de steden wonen die u nog in bezit hebt.’ 11 Toen de Judeeërs in Moab, Ammon, Edom en andere landen hoorden dat de koning van Babylonië een deel van de Judeeërs in het land had laten blijven en dat hij Gedalja, de zoon van Achikam, de zoon van Safan, tot hun gouverneur had benoemd, 12 keerden ze uit alle plaatsen waarheen ze verdreven waren naar Juda terug. Nadat ze Gedalja in Mispa hadden bezocht, oogstten ze zeer veel druiven en zomervruchten. 13 Jochanan, de zoon van Kareach, en een aantal bevelhebbers van het leger die zich voordien hadden schuilgehouden, kwamen naar Mispa 14 en zeiden tegen Gedalja: ‘Weet u dat Jismaël, de zoon van Netanja, er door koning Baälis van Ammon op uit is gestuurd om u te vermoorden?’ Maar Gedalja geloofde hen niet. 15 Jochanan stelde hem in het geheim voor: ‘Laat mij Jismaël, de zoon van Netanja, doden; niemand zal ook maar iets vermoeden. Hij mag u niet vermoorden. Dan zouden immers alle Judeeërs die zich bij u aangesloten hebben weer verstrooid worden en zou wat er van Juda nog over is te gronde gaan.’ 16 Maar Gedalja antwoordde Jochanan: ‘Geen sprake van; wat u over Jismaël zegt is een leugen!’

Er is een sprookje dat gaat over een krekel en een mier waarbij de mier voedsel verzameld voor de winter en de krekel viool speelt en geniet van de zomer maar in de winter honger moet lijden. Sparen voor schrale tijden is dus een goed advies. Nu is die Gadalja uit ons verhaal aangesteld om ook de zorgen voor de allerarmsten. Die hadden weer de beschikking over wijngaarden en akkers. Tijd om feest te vieren zou je zeggen. Maar het beleg van Jeruzalem had een zware belasting op de voedselvoorraad betekend. Landbouw is in tijden van oorlog vaak onmogelijk, de armen in de wereld zullen zeker lijden onder de oorlog in Oekraïne omdat de oogsten van graan en zonnebloemen te vaak onmogelijk is door de oorlog. De raad van Gedalja om de druiven, zomervruchten en olijven te verzamelen en op te slaan voor de winter is dus heel verstandig.

Zoals altijd gaf de oorlog tussen Babel en Juda een heleboel vluchtelingen. Naar bijna alle landen rondom Juda waren burgers gevlucht. Nu hoorden ze dat de allerarmsten in het land hadden mogen blijven en dat er zelfs een landgenoot tot gouverneur was benoemd. Die Gedalja stelde zich niet op als onderdrukker maar ging direct zorgen voor de armen. Dat gaf moed. De tijden van oorlog en geweld lijken voorbij en de vluchtelingen keerden terug. Ze melden zich bij Gedalja en gingen aan het werk op de verlaten akkers. De oogst was boven verwachting. Vervolgens kwamen er ook nog soldaten te voorschijn. Guerrillaleiders die zich schuil hadden gehouden tot de vijand was verdwenen. Het laatst melde Ismaël zich die van Koninklijke bloede was.

Die militairen vormden ook een groep die Gedalja raad kon geven. Ze waarschuwden Gedalja dat een van de koningen van de omringende volken iemand er op uit had gestuurd Gedalja te doden. De aanstelling van Gedalja onder bescherming van Babel was voor een aantal buurvolken een tegenvaller. Elders in de Bijbel wordt hen verweten dat ze lachten toen Juda in ballingschap was weggevoerd. Een vruchtbaar buurland lag voor het grijpen. Daar grepen ze dus naast. Gedalja geloofde echter niet dat zijn leven gevaar liep. Zijn dood zou weer onrust en angst in het land tot gevolg hebben en daar werden de armsten het eerst slachtoffer van. Tot zover het verhaal van vandaag. Hoe het verder gaat horen we later. Voor nu betekent ook de oorlog waar wij mee te maken hebben dat we moeten zorgen dat de armsten in de wereld gevoed blijven worden. Nu al dreigen er forse hongersnoden. De bestrijding er van is ook aan ons.

Uw boeien maak ik los

Jeremia 40:1-6

1 De HEER richtte zich tot Jeremia nadat Nebuzaradan, de commandant van de lijfwacht, hem in Rama had vrijgelaten. Hij had Jeremia daar geboeid aangetroffen onder de ballingen van Jeruzalem en Juda, die naar Babel zouden worden gevoerd. 2 De commandant van de lijfwacht nam Jeremia apart en zei: ‘De HEER, uw God, heeft Juda dit onheil aangekondigd, 3 en de HEER heeft gedaan wat Hij gezegd heeft, want jullie hebben tegen Hem gezondigd en niet naar Hem geluisterd. Daarom is dit alles jullie overkomen. 4 Maar uw boeien maak ik los. Als u wilt, kunt u met mij meegaan naar Babel. Ik zal u in bescherming nemen. Maar als u niet met mij mee wilt, doe het dan niet. Het hele land ligt voor u open; u kunt gaan en staan waar u wilt.’ 5 Toen Jeremia nog steeds niet wegging, zei Nebuzaradan: ‘Ga terug naar Gedalja, de zoon van Achikam, de zoon van Safan, die door onze koning als gouverneur over de steden van Juda is aangesteld. Ga bij hem te midden van uw volksgenoten wonen, of waar u maar wilt.’ De commandant van de lijfwacht gaf Jeremia voedsel en geschenken en liet hem gaan. 6 Jeremia ging naar Gedalja, de zoon van Achikam, in Mispa, en ging bij hem wonen, te midden van zijn volksgenoten die nog in het land waren overgebleven. (NBV21)

In Rama lag de aarts moeder Rachel begraven. Toen Herodes de Grote de kinderen van Bethlehem liet ombrengen klonk het dat Rachel klagend rondging in Rama. Nu is dat een verzamelplaats. Net als een grote kudde vee zijn de inwoners van Jeruzalem verzameld. De mannen kunnen geen strijd meer leveren tegen de vijand want zij zijn geboeid. Ook Jeremia was geboeid als een van de mannen van Jeruzalem die zich hadden verzet tegen de vijand. Maar in de ogen van de vijand klopte het niet. De commandant van de lijfwacht, een lid van het bestuur dat de Koning van Babel over Jeruzalem had aangesteld, had gehoord van Jeremia. Dat was een vijand van de Koning van Juda en dus een vriend van Babel, dus hij werd vrijgelaten.

De avonturen van Jeremia zijn opgeschreven door een secretaris, Baruch heette die. Het ging toch wat te ver om Jeremia als een soort landverrader te beschrijven. Een vriendje van de vijand. Alles wat Jeremia had gezegd was omdat hij een vriendje van God was. Hij had het volk willen behoeden voor de slachtoffers die gevallen waren, voor de vernedering die zij in Rama moesten ondergaan. Hij had het woord van de God van Israël aan het volk en zeker aan de Koning doorgegeven. Niet het vijand zijn maakte dat Jeremia vrijgelaten werd, maar het woord van God. In het gedeelte van vandaag lezen we dat zelfs de Heidenen, de vijanden van het volk, de macht van de God van Israël erkennen. Juda had zich afgewend van die God en die God had hen daarom niet kunnen beschermen.

Dat God Heidenen, ongelovigen, aanbidders van andere goden, gebruikt om zijn besluiten uit te voeren komt vaker in de Bijbel voor. Het is hier aan het begin van de ballingschap, het zal ook aan het eind van de ballingschap gebeuren als de Perzische Keizer Cyrus het bevel geeft om Jeruzalem en de Tempel weer te herbouwen. Maar zover is het nog niet. Jeremia gaat niet mee naar Babel maar blijft bij zijn landgenoten die verder de provincie Juda mogen besturen. De allerarmsten hebben we gelezen die nu weer hun akker hadden gekregen. Gedalja werd gouverneur en bij hem trekt Jeremia in. Opnieuw als raadgever van de machtigste in Jeruzalem. Wij leren dat we wat meer ontzag moeten hebben voor onze Klokkenluiders, die moeten worden beschermd tegen het leed dat hen nu nog wordt aangedaan.

Ik zal je laten ontkomen

Ik zal je laten ontkomen

Jeremia 39:11-18

11 Met betrekking tot Jeremia gaf koning Nebukadnessar van Babylonië aan Nebuzaradan, de commandant van zijn lijfwacht, de volgende opdracht: 12 ‘Neem hem onder je hoede, doe hem geen kwaad, maar willig zijn wensen in.’ 13 Nebuzaradan, de commandant van de lijfwacht, Nebusazban, de rabsaris, Nergal-Sareser, de rabmag, en de andere hoge ambtenaren van de koning van Babylonië 14 lieten Jeremia uit het kwartier van de paleiswacht halen. Hij werd toevertrouwd aan Gedalja, de zoon van Achikam, de zoon van Safan, die hem naar huis bracht. Zo kwam Jeremia weer te midden van zijn volksgenoten te wonen. 15 Toen Jeremia nog in het kwartier van de paleiswacht gevangenzat, had de HEER tot hem gesproken: 16 ‘Ga naar de Nubiër Ebed-Melech en zeg tegen hem: Dit zegt de HEER van de hemelse machten, de God van Israël: Ik heb deze stad niet haar redding aangezegd, maar haar ondergang. Mijn woorden zal Ik nu waarmaken. Je zult het met eigen ogen aanschouwen, 17 maar jou zal Ik redden – spreekt de HEER. Je zult niet worden uitgeleverd aan de mannen die je vreest, 18 maar Ik zal je laten ontkomen. Je zult geen gewelddadige dood sterven, maar worden gespaard omdat je op Mij hebt vertrouwd – spreekt de HEER.’

Van medemenselijkheid zijn vele vormen. De meest eenvoudige is die waarin de vijand van jouw vijand jouw vriend is. Het is de grond waarop Jeremia uit gevangenschap wordt bevrijd en weer naar huis mag gaan. Het is een principe dat vaak helemaal geen grond heeft maar een verkeerde manier beoordelen. Jeremia was helemaal geen vijand van het Koninkrijk Juda. Integendeel. Hij wilde dat de Koning in leven bleef, dat het volk ongehinderd kon door gaan met leven. Dat het centrum van het leven de Tempel in Jeruzalem bleef. Daarvoor hadden zich moeten overgeven aan de Chaldeën. Dat klinkt mooi maar een overgave zonder gevecht levert ook geen overwinning op. Maar goed, Jeremia zal blij geweest zijn weer thuis te komen.

Een andere vorm van medemenselijkheid is die waarin je iemand helpt zonder er iets voor terug te krijgen. In sommige gevallen zelfs zonder acht te slaan op het gevaar dat je gaat lopen door te helpen. Wij kennen dat uit de Tweede Wereldoorlog toen mensen medemensen in huis namen omdat ze werden vervolgd en bedreigd. In het verhaal van Jeremia is dat die Nubiër, een buitenlandse Eunuch die werkte aan het hof van de Koning en de Koning had verteld dat Jeremia in een modderput was geworpen, hem er vervolgens uithaalde zonder dat de machthebbers het in de gaten hadden en naar de Koning bracht waar Jesaja onder betere omstandigheden gevangen werd gezet in het Paleis. Deze Nubiër kon ontsnappen en mocht ook naar huis.

Beide vormen van medemenselijkheid kennen wij bij de zogenaamde klokkenluiders. Mensen die misstanden in hun bedrijf en organisatie aan de orde stellen. Hun doel is niet er rijker van te worden of iets dergelijks, maar het doel is het bedrijf of de organisatie te bevrijden van het kwaad dat ze gezien hebben. Dat wij geen God van Israël zijn blijkt wel uit het lot van Klokkenluiders. Zij worden vervolgd en ontslagen alsof ze zelf de bron zijn van het kwaad. Gelukkig hebben we het huis van Klokkenluiders die een zekere bescherming zouden kunnen brengen. De Bijbel leert ons dat zelfs die vervolging niet kan wegnemen dat Klokkenluiders niet voor hun leven hoeven vrezen. Zij volgen de weg van de God van Israël en die zal zorgen dat uiteindelijk alles goed komt. Dat neemt het lijden niet weg, dat zullen gelovigen in die God moeten doen.

De allerarmsten

Jeremia 39:1-10

1 – in het negende regeringsjaar van koning Sedekia van Juda, in de tiende maand, kwam koning Nebukadnessar van Babylonië met heel zijn leger bij Jeruzalem aan en sloeg het beleg voor de stad; 2 en op de negende dag van de vierde maand van het elfde regeringsjaar van Sedekia werd er een bres in de stadsmuur geslagen –, 3 namen de aanvoerders van de koning van Babylonië plaats in de Middenpoort: Nergal-Sareser, de simmagir, Nebusarsechim, de rabsaris, Nergal-Sareser, de rabmag, en de overige aanvoerders van de koning van Babylonië. 4 Toen koning Sedekia van Juda en de soldaten hen zagen, vluchtten zij. Ze verlieten ’s nachts de stad via de koninklijke tuin en de poort tussen de beide stadsmuren. De koning vluchtte in de richting van de Jordaanvallei, 5 maar het Chaldese leger zette de achtervolging in en haalde hem in op de vlakte van Jericho. Ze namen hem gevangen, brachten hem naar Ribla in het gebied van Hamat, naar koning Nebukadnessar van Babylonië, en die berechtte hem. 6 De koning van Babylonië liet daar zijn zonen en alle vooraanstaande burgers van Juda voor Sedekia’s ogen afslachten, 7 waarna hij hem de ogen liet uitsteken. Vervolgens werd Sedekia geboeid met bronzen ketenen, om naar Babel te worden weggevoerd. 8 De Chaldeeën staken het koninklijk paleis en de huizen van de bevolking in brand, en ze haalden de muren van Jeruzalem neer. 9 De mensen die nog in de stad waren overgebleven, werden door Nebuzaradan, de commandant van de lijfwacht, als ballingen naar Babylonië gevoerd, evenals degenen die waren overgelopen, kortom iedereen die nog over was. 10 Slechts de allerarmsten van het volk, die niets bezaten, liet Nebuzaradan in Juda achter. Aan hen gaf hij de wijngaarden en de akkers. (NBV21)

Spannende verhalen uit een ver verleden. Jeruzalem valt en de Koning van Babel vestigt een nieuwe regering in de Middenpoort. De leden van die regering worden schijnbaar nauwkeurig benoemd. Maar het zijn namen die door Hebreeuws sprekenden bijna onuitspreekbaar zijn. De rangen en standen die er bij staan zijn in Juda helemaal onbekend. Wie de geschiedenisboekjes van Babel er op naziet raakt verbaasd want een aantal namen zijn niet terug te vinden en die rangen zitten toch ook was anders in elkaar. Maar de Bijbel is geen geschiedenisboek. Als je het leest zoals het er staat dan moet die regering door Babel benieuwd wel uit deftige hooggeplaatsten hebben bestaan. En de geschiedenisboekjes van Babel bevestigen dat, in de reeks die we lezen komt ook de Kroonprins van Babel voor, de nummer twee direct na de Koning.

Sedekia vlucht met zijn soldaten in de richting van Egypte. Dat was immers zijn bondgenoot. Die hadden zelfs een leger gestuurd dat de Chaldeën er nog even van weerhouden had de stad in te nemen. Dat leger was echter lang reeds weer naar huis gegaan. Sedekia werd dan ook op zijn vlucht gevangen genomen. De koning van Babelonië was zelf de rechter. Sedekia had onvoldoende oog gehad voor de macht van Babelonië. Hij zou de recht van zijn leven niets anders zien dan het bewijs van die macht. Zijn zonen en medebestuurders van Juda werden voor zijn ogen afgeslacht waarna zijn ogen werden uitgestoken. Geboeid werd hij als oorlogsbuit naar Babel gevoerd.

Was die koning van Babelonië nu zo slecht? Sedekia was een koning geweest die alles deed wat God verboden had. Vooral het verwaarlozen van de zorg voor de armsten, de weduwen en de wezen, was hem aangerekend door de profeet. Vrijwel terloops sluit dit gedeelte af met de mededeling dat de Koning van Babel een werktuig was geweest in de hand van de God van Israël. Elke familie hoorde elke vijftig jaar het land terug te krijgen dat Jozua aan de familie had toebedeeld. Die regel was nooit nagekomen. Nu kregen die families, zij die geen land hadden, hun land eindelijk weer terug. Zij mochten blijven en opnieuw beginnen. Dat geeft ook ons hoop. Wat slecht is is slecht en moet als slecht benomed worden. Uiteindelijk zal het toch goed komen en het recht haar loop hebben. Dat is de richting die ook ons gewezen wordt. Elke dag opnieuw.

 

Wij zegenen u

Psalm 129

1 Een pelgrimslied. Dikwijls werd ik gekweld, van mijn jeugd af aan, – Israël, blijf het herhalen – 2 dikwijls werd ik gekweld, van mijn jeugd af aan, maar gebroken hebben ze mij niet. 3 Ze trokken hun ploeg over mijn rug en maakten lange voren, 4 maar de HEER, die rechtvaardig is, sneed de riemen van de drijvers door. 5 Beschaamd deinzen terug allen die Sion haten, 6 ze zijn als gras op de daken dat verdort nog voor het opschiet: 7 de maaier vult er zijn hand niet mee noch de schovenbinder zijn armen, 8 en geen voorbijganger zegt: ‘Moge de HEER u zegenen.’ Wij zegenen u in de naam van de HEER. (NBV21)

Vandaag zingen we een pelgrimslied mee met het volk van Israël. Waarom is dit nu een Pelgrimslied en waarom is het goed juist dit lied te zingen in de tijd op weg naar Pinksteren. Het klinkt niet als een Pelgrimslied. Het gaat over iemand die gekweld wordt, van jongs af aan, maar die werd niet gebroken. God heeft de haters van de zangers verdreven, hij sneed de riemen van de drijvers door, als gras in de hete zomer zijn ze vergaan. Die haters krijgen zeker geen zegenwensen, laat staan een zegen in de Naam van de God van Israël. Toch is het een lied dat naadloos past in de dagen waarin we leven.

In de eerste plaats gaat het over een hem die gemarteld was alsof hij een akker was. Dat komt in de Bijbel vaak voor. Het kleine staat voor het grote, een deel staat voor het geheel. Het gaat hier niet over een meneer of mevrouw, niet over de dichter zelf, maar over het hele volk. Wie de boeken Richteren en Samuël heeft gelezen weet dat het volk elk jaar geplunderd werd door de buurvolken. Hadden ze met moeite een oogst opgekweekt dan werd vlak voor er geoogst werd die oogst gestolen door de vijanden van het volk, honger was het gevolg. Met de komst van David namen die plunderingen langzaam af. David versloeg de vijanden en plaatste garnizoenen van soldaten in de overwonnen steden. Die vijanden keken voortaan wel uit om te gaan plunderen.

Maar met welke pelgrimage werd dit lied dan ook eeuwen daarna nog gezongen? Dat kon drie keer per jaar. Dat moest eigenlijk drie keer per jaar. In het voorjaar wanneer de oogst van gerst begon werden de eerstelingen naar de Tempel gebracht, tegen de zomer ook de eerstelingen van de Tarweoogst en in het najaar de oogst van fruit en noten. Drie feestdagen voor de God die al die oogst had gegeven. De Israëlieten moesten een maaltijd houden met de familie, de priesters en levieten, de knechten en de slaven, de armen uit het dorp en de vreemdelingen die bij hen waren. De drie feesten kennen wij als Pesach, Wekenfeest en Loofhuttenfeest, ofwel Pasen en Pinksteren en de dankdag voor gewas en arbeid in het najaar. We beginnen deze week dus de reis naar Pinksteren, de overwinning van de geest, we zullen leren elkaar de voeten te wassen, samen brood en wijn te delen en stil te worden bij het lijden van Christus. Vandaag dus een Pinksterlied voor onderweg.

 

Dat zal niet gebeuren

Jeremia 38:14-28

14 Op een dag liet koning Sedekia de profeet Jeremia opnieuw bij zich komen, in het derde poortgebouw van de tempel. Hij zei tegen hem: ‘Ik wil weten of de HEER gesproken heeft. Verzwijg niets voor me.’ 15 ‘Als ik het u vertel,’ antwoordde Jeremia, ‘zult u me laten doden; en als ik u raad geef, zult u toch niet naar me luisteren.’ 16 Maar koning Sedekia zwoer Jeremia in het geheim: ‘Zo waar de HEER, die ons dit leven heeft geschonken, leeft, ik zal u niet doden of uitleveren aan de mannen die u naar het leven staan.’ 17 Toen zei Jeremia: ‘Dit zegt de HEER, de God van de hemelse machten, de God van Israël: Als u zich overgeeft aan de bevelhebbers van de koning van Babylonië, zult u in leven blijven. Deze stad zal niet in vlammen opgaan en u en uw familie zullen worden gespaard. 18 Maar als u zich niet overgeeft aan de bevelhebbers van de koning van Babylonië, zal deze stad in handen van de Chaldeeën worden gegeven. Ze zullen haar in vlammen doen opgaan en u zult niet aan hen ontkomen.’ 19 Koning Sedekia zei: ‘Ik ben bang voor de Judeeërs die naar de Chaldeeën zijn overgelopen. Als ik aan hen word uitgeleverd, zullen ze me martelen.’ 20 ‘Dat zal niet gebeuren,’ antwoordde Jeremia. ‘Luister toch naar de HEER, in wiens naam ik tot u spreek, dan loopt het goed met u af en blijft u in leven. 21 Maar als u weigert u over te geven, zal gebeuren wat de HEER mij heeft laten zien: 22 Alle vrouwen die nog in uw paleis overgebleven zijn, zullen naar de bevelhebbers van de koning van Babylonië worden gevoerd, terwijl ze zeggen: “Vrienden hebben u opgestookt en laten u vallen: nu uw voeten in de modder blijven steken, zijn ze van u weggevlucht.” 23 Al uw vrouwen en uw kinderen worden aan de Chaldeeën uitgeleverd. Ook u zult niet aan hen ontkomen, maar gevangengenomen worden en aan de koning van Babylonië worden uitgeleverd. En deze stad zal in vlammen opgaan.’ 24 Sedekia zei tegen Jeremia: ‘Als uw leven u lief is, vertel dan niemand iets over ons gesprek. 25 Als mijn raadsheren te weten komen dat ik met u gesproken heb, zullen ze naar u toe komen en vragen wat u gezegd hebt en wat ik gezegd heb. Ze zullen dreigen u te doden als u het niet vertelt. 26 Zeg dan: “Ik heb de koning gesmeekt mij niet te laten teruggaan naar het huis van Jonatan, want daar zou ik sterven.”’ 27 En toen de raadsheren naar Jeremia kwamen en hem ondervroegen, zei hij hun precies wat de koning hem had opgedragen. Ze lieten hem verder met rust, want niemand had iets over de inhoud van het gesprek gehoord. 28 Jeremia bleef in het kwartier van de paleiswacht, tot de dag dat Jeruzalem werd ingenomen. (NBV21)

Soms hebben machthebbers het moeilijk. Hun verstand zegt het ene en de angst zegt het andere. Belangen spelen rond machthebbers altijd een grote rol. Iedereen wil in aanzien staan, zelf ook als machthebber worden beschouwd. Het is vaak een gevaarlijk spel. De machthebber zelf is bang afgezet te worden. Een staatsgreep of een koningsmoord is zo gebeurd. De kringen rond de machthebber zijn bang uit de gratie te vallen. Generaals en ministers ontslaan is niet zo moeilijk. In de dagen van Jeremia speelde dat sterk aan het hof van Jeremia. Hoe langer Koning Sedekia het beleg zou volhouden hoe sterker hij voor de buitenwereld werd en hoe meer aanzien zijn hofhouding verwierf. De hofhouding wilde niks weten van overgave.

Maar Koning Sedekia voelde dat hij klem zat. Een beleg door een grootmacht als de Chaldeën dat overleef je niet zomaar. Ze hadden zich eerst teruggetrokken omdat er een Egyptisch leger de belegerde stad te hulp dreigde te komen, maar dat zouden ze geen tweede keer gebeuren. In de gevangenis van de koning zat nog een profeet die de gevangenis op de koop toen nam maar weigerde de machthebbers naar de mond te praten. Hij pleitte voor overgave omdat die overgave aan de vijand de minste slachtoffers zou kosten. In een oorlog zijn vrouwen de zwakste partij vaak en Jeremia wees de koning er op dat de vrouwen van Jeruzalem als buit zouden worden beschouwd als de stad werd ingenomen.

Maar koning Sedekia was bang voor zijn hofhouding. Die hadden Jeremia in een put geworpen, die dreigden voortdurend hem te doden als hij zich voor een overgave zou uitspreken. Nu is angst een slechte raadgever. Koning Sedekia is banger voor zijn hofhouding dan voor zijn vijanden. Jeremia blijft dus gevangen en de stad wordt ingenomen. Ook bij ons speelt angst een grote rol. Wij grijpen niet militair in in Oekraïne omdat we bang zijn voor Russische kernwapens. Dat Russen net zo bang kunnen zijn voor onze kernwapens lijkt van geen belang. Ze schrikken voorlopig alleen onze regeerders af. Dat maakt wel ruimte voor andere benaderingen, “Gij zult niet doden” bijvoorbeeld. Want hoe verandert de situatie als Oekraïne morgen lid is van de Europese Unie. Het zijn vragen die de Bijbel bij ons oproept en waar we samen een antwoord op mogen geven.

Hun ondergang.

Jeremia 38:1-13

1 Sefatja, de zoon van Mattan, Gedalja, de zoon van Paschur, Juchal, de zoon van Selemja, en Paschur, de zoon van Malkia, hoorden dat Jeremia de mensen bleef toespreken: 2 ‘Dit zegt de HEER: Wie in deze stad blijven, zullen sterven door het zwaard, de honger en de pest, maar wie zich overgeven aan de Chaldeeën zullen gespaard worden en het er levend afbrengen. 3 Dit zegt de HEER: Deze stad wordt in handen gegeven van de koning van Babylonië en zijn leger; hij zal haar innemen.’ 4 De raadsheren zeiden tegen de koning: ‘Die man moet ter dood gebracht worden. Door zulke dingen te zeggen ondermijnt hij immers het moreel van de inwoners en van de soldaten die hier nog overgebleven zijn. Hij heeft niet hun behoud voor ogen, maar hun ondergang.’ 5 Koning Sedekia antwoordde: ‘Doe met hem wat je wilt; ik kan jullie niet tegenhouden.’ 6 Ze brachten Jeremia naar de waterkelder van prins Malkia, in het kwartier van de paleiswacht, en lieten hem aan touwen zakken. In de put stond geen water meer; er was alleen modder, waarin Jeremia wegzakte. 7 Ebed-Melech, een hoveling afkomstig uit Nubië, hoorde daarvan. Hij bevond zich in het koninklijk paleis, terwijl de koning zitting hield in de Benjaminpoort. 8 Ebed-Melech verliet het paleis, ging naar hem toe en zei: 9 ‘Mijn heer en koning, het is misdadig dat deze mannen Jeremia in een waterkelder hebben gegooid. Waarom moet hij juist daar van honger omkomen? Elders in de stad is ook geen brood meer.’ 10 De koning beval Ebed-Melech: ‘Ga met dertig man naar die waterkelder en haal Jeremia naar boven, voordat hij sterft.’ 11 Ebed-Melech riep toen dertig man bij elkaar en ging naar de kelder van het magazijn van het koninklijk paleis, waar hij wat versleten kleren en oude lappen haalde. Hij liet deze aan touwen naar Jeremia in de put zakken 12 en zei tegen hem: ‘Stop die kleren en lappen onder uw oksels en haal de touwen eronderdoor.’ Jeremia deed wat hij zei, 13 en zo trokken ze hem uit de put omhoog. Vanaf dat moment verbleef hij weer in het kwartier van de paleiswacht.(NBV21)

Een op het eerste gezicht spannend verhaal. De held uit ons verhaal, Jeremia, zit in de gevangenis van het Koninklijk Paleis en roept de mensen op zich over te geven aan de vijand. De adviseurs van de Koning vinden dat maar niks en vragen de koning hen Jeremia de mond te laten snoeren. Dat mag. Ze gooien hem daarom in een lege waterput. Het brood in Jeruzalem was door het beleg van de Chaldeën opgeraakt, honger stond voor de deur. Maar Jeremia zal niet sterven van de honger in de put want er is een hoveling die de Koning vraagt hem te mogen redden, dat mag ook. En zo wordt Jeremia weer uit de put gehesen en teruggebracht naar de gevangenis in het Paleis. Mooi verhaal, fraai beschreven, maar wat hebben we er aan. Er worden in dit verhaal een aantal conflicten geschetst waar wij ook wat aan kunnen hebben.

Het eerste conflict gaat over het belang dat sommige meningen kunnen hebben. De adviseurs van de Koning zijn van mening dat ze kunnen winnen van de Chaldeën. Als het volk hongert dan neemt de steun voor die mening snel af. Jeremia ziet geen enkel heil in een voortgaande strijd met de Chaldeën. Dat zal aan beiden zijden een heleboel mensenlevens kosten. Mensen die in leven zouden blijven als men zich overgeeft aan de Chaldeën. Zijn oproep ondermijnt dus de steun aan de edelen in het hof van de koning. Het is een discussie die wij ook kennen. Het bombardement in 1940 op Rotterdam leidde tot overgave aan de vijand. De verwoesting van steden in Oekraïne lijkt het verzet alleen maar te sterken. Een eenvoudig antwoord is er niet.

Het tweede conflict is dat van de redding. De edelen die de koning hadden overgehaald Jeremia het zwijgen op te leggen worden uitvoerig met naam en familie genoemd. Dat waren Judeeërs van naam, aanvoerders van het volk. De redder van Jeremia heeft een naam en een afkomst. Hij komt uit Nubië en is dus geen Judeeër. Uit Nubië betekent in de Bijbel dat hij een zwarte huidskleur heeft. Geleerden nemen aan dat hij in het paleis de functie van Eunuch heeft, bewaker van de vrouwen van de koning. Een belangrijke functie maar hij is zijn mannelijkheid kwijt en dus geen gevaar voor de vrouwen. Moreel stond een Eunuch zeer laag op de maatschappelijke ladder. Jeremia kreeg daardoor zijn positie als gevangene in het paleis weer terug. Maar als wij mensen om hun huidskleur of positie minderwaardig gaan vinden, hun cultuur ook afwijzen, dan lopen we zeker het gevaar niet Gods kant te kiezen maar de kant van de goddelozen. Let op dus.

 

Waar zijn die nu?

Jeremia 37:11-21

11 Toen de farao met zijn leger in aantocht was en de Chaldese troepen van Jeruzalem wegtrokken, 12 probeerde Jeremia de stad ongemerkt, tussen de mensen, te verlaten om naar het gebied van Benjamin te gaan. 13 Maar in de Benjaminpoort werd hij gearresteerd door de officier van de wacht, Jiria, de zoon van Selemja, de zoon van Chananja. ‘U wilt naar de Chaldeeën overlopen,’ zei hij. 14 ‘Dat is niet waar,’ antwoordde Jeremia, ‘ik wil niet overlopen.’ Maar Jiria geloofde hem niet, greep hem vast en bracht hem naar de raadsheren. 15 Die werden woedend op Jeremia, lieten hem stokslagen geven en zetten hem achter slot en grendel in het huis van de schrijver Jonatan, waarvan een gevangenis was gemaakt. 16 Zo kwam Jeremia in een overwelfde kerker terecht, waar hij lange tijd zou blijven. 17 Op een dag liet koning Sedekia hem in het geheim naar zijn paleis brengen. Hij vroeg: ‘Heeft de HEER gesproken?’ ‘Ja,’ antwoordde Jeremia, ‘u zult worden uitgeleverd aan de koning van Babylonië.’ 18 Vervolgens zei hij tegen koning Sedekia: ‘Wat heb ik u, uw hof en dit volk eigenlijk misdaan dat u mij in de gevangenis hebt gezet? 19 En uw profeten, die u verzekerd hebben dat de koning van Babylonië u en dit land met rust zou laten, waar zijn die nu? 20 Mijn heer en koning, luister toch naar mijn verzoek, stuur mij niet terug naar het huis van de schrijver Jonatan. Ik zou daar sterven.’ 21 Koning Sedekia beval toen Jeremia over te plaatsen naar het kwartier van de paleiswacht. Daar kreeg hij elke dag een brood uit de Bakkersstraat, totdat al het brood in de stad op was. Jeremia bleef in het kwartier van de paleiswacht. (NBV21)

Jeremia was er van overtuigd dat Jeruzalem een grote ramp te wachten stond. Hij als priester van de Tempel zou daar ook wel eens het slachtoffer van kunnen worden. Daarom op de vlucht. De Benjaminpoort was de poort die direct toegang gaf tot de weg naar Anatoth waar Jeremia vandaan kwam. Dat was een stad speciaal bestemd voor Priesters. Maar een Priester die niet wil volhouden en het volk wil bemoedigen in de strijd en dus vluchtte speelt de vijand in de kaart. Jeremia wordt dan ook tegengehouden en gevangen genomen met de beschuldiging dat hij wil overlopen naar de vijand. Stokslagen verdiende hij en een gevangenis in de kelder van wat eerst een woonhuis was.

Maar toen de dreiging bleef waarvoor Jeremia gewaarschuwd had werd de koning zenuwachtig. Stel dat die profeet nu eens gelijk had en zijn regering met de stad en de Tempel ten onder zou gaan aan de macht van de Chaldeën? Koning Sedekia liet daarom Jeremia in het geheim naar het paleis van de Koning brengen. In het geheim want machthebbers laten niet graag weten ook tegenstanders serieus te nemen en aan te horen. Hij kreeg echter van Jeremia te horen dat hij inderdaad aan de vijand zou worden uitgeleverd. Er valt niet aan te ontkomen. De profeten die hadden verklaard dat de Chaldeën Juda en Jeruzalem wel met rust zouden laten waren in geen velden of wegen te bekennen. Jeremia bleef bij zijn mening ondanks zijn gevangenschap.

Maar heeft Jeremia met zijn tegenspraak nu het volk in gevaar gebracht? De Chaldeën noch de Egyptenaren handelden op aanwijzing van Jeremia. Die was ook geen toekomstvoorspeller die de toekomst naar zijn hand kon zetten. Hij keek naar wat er gebeurde en trok daar zijn conclusies uit. Dat waren conclusies die de machthebbers niet welgevallig waren maar daar veranderden ze niet door. Als je er dan voor gevangen gehouden moet worden dan maar gevangen door de echte machthebber, de koning. En zo gebeurde het. Het verhaal van de Bijbel leert ons altijd open te staan voor de tegenstem. Beslis niet op grond van wat je graag wil maar op grond van de feiten die zich aandienen. Als er armen zijn dan moeten zij voorop staan en niet de belangen van de machtigen. Dat is een les die we ook nu nog kunnen gebruiken.

 

De woorden van de HEER

Jeremia 37:1-10

1 Koning Nebukadnessar van Babylonië liet Jechonja, de zoon van Jojakim, als koning van Juda opvolgen door Sedekia, de zoon van Josia. 2 Noch Sedekia, noch zijn hof, noch het volk luisterde naar de woorden van de HEER, die Hij bij monde van de profeet Jeremia sprak. 3 Op een dag stuurde koning Sedekia Juchal, de zoon van Selemja, en de priester Sefanja, de zoon van Maäseja, naar de profeet Jeremia met het verzoek: ‘Wilt u voor ons tot de HEER, onze God, bidden?’ 4 Jeremia was toen nog op vrije voeten, ze hadden hem nog niet gevangengezet. 5 En de Chaldeeën hadden kort daarvoor het beleg van Jeruzalem opgebroken, nadat ze hadden gehoord dat het leger van de farao vanuit Egypte naderde. 6 Toen richtte de HEER zich tot de profeet Jeremia: 7 ‘Dit zegt de HEER, de God van Israël: Zeg tegen de koning van Juda, die jullie heeft gestuurd om Mij te raadplegen, dat het leger van de farao, dat jullie te hulp komt, naar Egypte zal terugkeren. 8 De Chaldeeën zullen terugkomen, de stad aanvallen, haar innemen en in vlammen doen opgaan. 9 Dit zegt de HEER: Misleid jezelf niet door te denken dat de Chaldeeën voorgoed weggaan, want zo is het niet. 10 En ook al zouden jullie de Chaldeese troepen, die jullie zullen aanvallen, verslaan, dan zouden zelfs de gewonden die overblijven uit hun tenten komen en deze stad in vlammen doen opgaan.’(NBV21)

Hoop doet leven. Die koningen van Juda hadden het zo mooi voor elkaar. Ze hadden gebroken met Babel en betaalden niet langer de belasting aan de koning van Babel zoals ze beloofd hadden. Jesaja had als profeet van de God van Israël gewaarschuwd voor een conflict met Babel en die waarschuwing was niet vergeefs. Babel had het leger van Chaldeën gestuurd die het beleg voor Jeruzalem had opgeslagen. Jeremia steeg daardoor weer een beetje in aanzien. Hij kon weer vrij door de stad lopen en zelfs de Koning had zich zijn waarschuwingen herinnert. De Koning stuurde een gezantschap naar Jeremia met de vraag of Jeremia niet voor de stad wilde bidden. Kennelijk had dat geholpen want de Chaldeën trokken weg.

Ze waren namelijk bang voor het leger van Egypte dat onderweg was naar Jeruzalem. Egypte was de nieuwe bondgenoot van Juda en had zogenaamde veiligheidsgaranties afgegeven. Wat nu? Worden we weer afhankelijk van Egypte? Jeremia realiseerde zich dat de God van Israël de enige bondgenoot van Israël wilden zijn. Dat verbond was in de Woestijn gesloten en zou als resultaat hebben dat Juda en Israël onder bescherming van God zouden blijven zolang ze geen andere goden na zouden lopen. Maar ja, wiens brood men eet dienst brood men spreekt en de Koning had besloten ruim baan te geven aan de aanbidding van de Goden van de bondgenoten.

Het antwoord van Jeremia liet zich dus raden. Dat leger uit Egypte zou hen niet redden. De Chaldeën waren weg en dus zou dat leger terugkeren naar Egypte. Dan komen de Chaldeën weer terug en die zouden nu echt wel Jeruzalem innemen. Zelfs als de Koning zou hebben gedacht dat hij gewonnen had dan zouden de gewonde Chaldeën nog in staat zijn Jeruzalem in te nemen. In onze dagen denkt niemand meer na over bondgenootschappen. Ons militaire bondgenootschap moet worden uitgebreid. Dan moeten mensen die we opnamen omdat hun volk word onderdrukt maar tot zwijgen worden gebracht. Dat uitbreiding ook betekent dat de kans op een oorlog met atoombommen groter wordt wordt verzwegen. De God van Israël wijst een andere weg, de Weg van vrede, vrede verkregen door liefde, zelfs liefde voor de vijand. Dat is een moeilijke weg, maar misschien moeten we wat beter naar de prediking van die weg luisteren.

Vast staat de wereld

Psalm 93

1 De HEER is koning, met hoogheid is Hij bekleed, de HEER is met macht bekleed en omgord. Vast staat de wereld, zij wankelt niet, 2 en vast staat van oudsher uw troon, U bent van alle eeuwigheden. 3 De stromen verheffen, HEER, de stromen verheffen hun stem, luid verheffen de stromen hun stem. 4 Maar boven het geraas van de wijde wateren, van de machtige baren der zee, is hoog in de hemel de machtige HEER. 5 Uw uitspraken zijn betrouwbaar. Heiligheid is van uw huis het sieraad, HEER, tot in lengte van dagen. (NBV21)

We leven in een wereld vol verwarring. Wat is nu de goede en wat is nu de slechte kant. Het lijkt we of we steeds moeten kiezen, in Syrië, in Egypte, in Libanon, maar ook in Palestina en Israël. Kiezen we voor Israel of voor de Palestijnen? Palestijnen vuren raketten af op Israel en Israël neemt wraak. Maar hoewel de Verenigde Naties in 1948 kozen voor twee gebieden, Één voor de Joden en één voor de Palestijnen, lijkt Israel niet bereid om vrede te sluiten met een onafhankelijke Palestijnse staat en daardoor steeds opnieuw geweld over zich uit te roepen. Verwarring dus want welke kant zullen we kiezen? En zelfs de oorlog in Oekraïne zorgt soms voor verwarring, moeten we wel wapens leveren waarmee mensen gedood worden, maar verzet tegen de Russische misdaden is ook geboden. Zo gaat het ook met het milieu. We beseffen maar al te goed dat de voorraden olie en gas op de wereld eindig zijn en dat we niet oneindig door kunnen gaan met verspilling. Daarom lijken biobrandstoffen een belangrijke oplossing. Ze groeien onder invloed van de zon uit de aarde en kunnen steeds weer opnieuw geteeld worden.

Maar nu ze eindelijk een beetje opgang maken blijken ze kostbare bossen te kosten die opgeofferd worden om grondstoffen voor biobrandstoffen te telen en bovendien kosten ze voedsel dat voor de armen bestemd was en dat nu door hen niet meer betaald kan worden. Verwarring alom dus. Wat moeten we kiezen, brandstoffen die onze kleinkinderen beroven van kostbare grondstoffen en de lucht vergiftigen of voedsel voor de armen en bossen om de vervuilde lucht te reinigen? Zo zijn er talloze verwarrende keuzes vandaag de dag. Psalm 93 probeert ons te hulp te komen. Het is een feestlied.  Boven al die verwarring is de Heer van de wereld zegt de Psalm. Al dat lawaai van de wereld kan de Heer van de wereld niet treffen. Het zijn de uitspraken van de Heer waar we op moeten letten en die ons een uitweg uit de verwarring kunnen bieden. En dan komen we weer op het hart van de goddelijke richtlijnen zoals die gegeven zijn: “Heb Uw naaste lief als Uzelf”, of zoals Jezus van Nazareth het veel later zou verwoorden: “Wat gij aan de minste hebt gedaan hebt gij mij gedaan”.

Daar liggen de keuzes. Dat betekent voor ons dat we echt moeten werken aan vrede tussen Joden en Palestijnen, alleen vrede kan beide volken recht doen. Erkenning van Palestina als onafhankelijke natie zonder de verbondenheid met Israel op te geven zou kunnen helpen. En misschien moeten we Oekraïne nog meer uitgesproken als een deel van de Europeese familie beschouwen. Op dezelfde manier kunnen we kijken naar de voedselcrisis. Dat ieder mens recht heeft op dagelijks voedsel staat voorop. Dat hebben we in de wereld nog niet weten te organiseren, daar is delen voor nodig. Dat we moeten ophouden met verspilling van kostbare grondstoffen ligt ook voor de hand. Beide liggen in het bereik van rijke landen. Als we twijfelen tussen geloof in de God van Israël, de hoop op een nieuwe aarde en een nieuwe hemel, en de liefde voor de mensen die nu de liefde meer dan ooit nodig hebben dan is de meeste van die drie de liefde. Delen met de minste kan elke dag, elke dag opnieuw eer je daar mee de God van Israël. Het kan en mag en moet dus ook vandaag weer.