Elkaar aansporen tot liefde

Hebreeën 10:19-25

19 Broeders en zusters, dankzij het bloed van Jezus kunnen we zonder schroom het heiligdom binnengaan. 20 Hij heeft voor ons met zijn lichaam, door het voorhangsel heen, een nieuwe, levende weg gebaand, 21 en doet nu als hogepriester dienst in het huis van God. 22 Laten we God dan naderen met een oprecht hart en een vast geloof, nu ons geweten gereinigd is door de besprenkeling van ons hart, en ons lichaam met zuiver water is gewassen. 23 Laten we zonder te wankelen datgene blijven belijden waarop we hopen, want Hij die de belofte heeft gedaan is trouw. 24 Laten we op elkaar letten en elkaar aansporen tot liefde en goede daden, 25 en in plaats van weg te blijven van onze samenkomsten, zoals sommigen doen, elkaar juist bemoedigen, en dat des te meer naarmate u de dag van zijn komst ziet naderen. (NBV21)

Soms moet je even de wenkbrauwen fronsen als je, zoals wij, dagelijks het leesrooster van het Nederlands Bijbelgenootschap volgt. Je valt dan ogenschijnlijk in een willekeurig stukje Bijbel dat op zich vrij onbegrijpelijk kan blijven. Maar als je even je best doet dan wordt het al snel duidelijk. Hier moet je even teruglezen in dit hoofdstuk 10. En dan zie je dat het gaat over de wet, over priesters en over offers. De profeten in het oude Testament hadden al gezegd dat de God van Israël geen offers wil maar zorg voor de armen. Oorspronkelijk waren de offers in de Tempel ook bedoeld om te delen met de armen, de vreemdelingen en met de tempeldienaars. De mensen die de hele dag bezig waren met de bestudering van de wet, het helpen bij het delen van het voedsel en te zorgen dat de Tempel goed bruikbaar bleef, waren vrijgesteld van arbeid, ze moesten dus wel meeeten. Maar in de loop van de geschiedenis waren er steeds meer heidense gebruiken de Tempel binnengeslopen en was men offers gaan zien als een geschenk voor God in ruil waarvoor God dan allerlei gunsten zou verlenen.

Dat is de God van Israël een gruwel. Een gevolg was dat de rituelen belangrijker geworden waren dan de Wet van heb uw naaste lief als uzelf. De stenen platen die als symbool van de Wet in de Tempel werden bewaard, in de oorspronkelijke ark die door de woestijn was gesjouwd, waren achter een dik gordijn terecht gekomen waar alleen nog de Hogepriester op hoogtijdagen toegang had. De schrijver van de brief aan de Hebreeën nu vertelt in het gedeelte dat we vandaag lezen dat Jezus van Nazareth een nieuwe manier van godsdienst beleven heeft geopend. Dat voorhangsel is gescheurd en de Wet is weer voor iedereen toegankelijk geworden. De Hogepriester trekt zich niet langer terug maar leeft de Wet voor en zorgt dat iedereen volgens die Wet kan gaan leven. Daartoe leggen we ons oude leven af en gaan we als nieuw zelf naar God toe. Dat oude leven was het leven van ikke, ikke, ikke en de rest kan stikken en het nieuwe leven is dat van elkaar lief te hebben en het goede doen en niet dan het goede. Dat moet je samen doen, samen met de kerk van over de hele wereld.

Niemand kan alle problemen van de wereld zelf op de nek nemen, maar als verenigde christenheid kan er heel veel bereikt worden. Daarvoor hoor je dus ergens naar een gemeenschap te gaan waar je deel van kunt uitmaken, waar de verhalen uit de Bijbel worden gelezen en mensen samen doen om te zorgen dat het goede dat ze doen over de hele wereld te merken is. Want hoe meer van dat goede wordt gedaan, hoe meer van dat goede te merken is, hoe dichter bij dat Koninkrijk van God komt, hoe eerder God op deze aarde kan komen wonen. Juist in deze dagen wordt bekend dat de regering het geld voor ontwikkelingssamewerking efficiënter wil gaan besteden. Dat betekent dat Fair trade winkels bij ons en U in de buurt Uw en onze steun meer nodig hebben dan ooit. Vrijwilligers, klanten, steun, het is allemaal welkom, zodat bij ons eerlijke markten voor producenten in de armste landen van de wereld geopend kunnen worden en we echt leren voor elkaar op de hele wereld te zorgen, ook vandaag weer.

 

Deze ene offergave

Hebreeën 10:11-18

11 De priesters blijven dagelijks hun dienst verrichten en steeds opnieuw dezelfde offers opdragen, die de zonden nooit kunnen wegnemen, 12 terwijl Hij, na zijn eenmalig offer voor de zonden, voorgoed zijn plaats aan Gods rechterhand heeft ingenomen, 13 waar Hij wacht tot van zijn vijanden een bank voor zijn voeten is gemaakt. 14 Door deze ene offergave heeft Hij hen die zich door Hem laten heiligen voorgoed tot volmaaktheid gebracht. 15 Hiervan legt ook de heilige Geest voor ons getuigenis af, want nadat Hij gezegd heeft: 16 ‘Dit is het verbond dat Ik in de toekomst met hen zal sluiten,’ spreekt de Heer: ‘In hun hart zal Ik mijn wetten leggen, in hun verstand zal Ik ze neerschrijven, 17 en aan hun zonden en hun wetteloosheid zal Ik niet meer denken.’ 18 Waar dat alles vergeven is, daar is geen offer voor de zonde meer nodig. (NBV21)

De wetten van het Oude Testament laten zich samenvatten in het “Heb God lief boven alles en dat doe je door je naaste lief te hebben als jezelf” Daar komen geen offers aan te pas. Dat is ook geen Wet maar een richtlijn voor de inrichting van een menselijke samenleving. Die richtlijn en de uitwerking daarvan werden bewaard in de Tempel in Jeruzalem. Het dienen van de God van Israël, het liefhebben van die God, dat moest je oefenen bij die Tempel. Om te zorgen dat die richtlijnen ook in de praktijk werden gebracht en om de mensen daarbij te helpen waren er Priesters. In de oudste geschriften van de Bijbel kun je dan ook lezen dat die Priesters recht spraken. De priesters werden bijgestaan door de Levieten en Levieten vond je aanvankelijk in elke stad en in elk dorp, ze hielden zich daar bezig met de rechtspraak. Zo kwamen de mensen, ook de armsten tot hun recht. Om Priesters en Levieten niet uit te laten sterven bracht het volk offers. Die moesten de liefde tot God tot uitdrukking brengen en Priesters en Levieten mochten er van leven.

Dat delen met de armen werd voor de Priesters en Levieten in de loop van de eeuwen bijzaak. Dat terwijl in het boek Deuteronomium de oefening in het delen met de armen zeer concreet werd beschreven in de opdracht drie maal per jaar een reis te maken naar het Heiligdom en daar een maaltijd te houden met de Priesters en Levieten, met je familie, met je knechten, met slaven en slavinnen, met de armen uit je dorp en de vreemdelingen die bij je woonden. De schrijver van de preek aan de Hebreeën kan dan ook met een gerust geweten zeggen dat het herhalen van telkens dezelfde offers door de Priester niemand bevrijdt van zonden. Want zonde was nu net het niet willen delen, de armen uitbuiten, de weduwe op straat zetten, die zieken en gehandicapten laten sterven. Er moest dus een nieuwe manier van offeren en godsdienstoefening gevonden worden.

Daar gaat dit stuk uit de brief aan de Hebreeën over. Daar wordt de profeet Jeremia aangehaald die al had gezegd dat de Wet van heb je naaste lief als jezelf niet alleen moet worden overgelaten aan de Priesters in de Tempel of aan de autoriteiten, de regering, in het land. Die richtlijn zal in ieder van ons in het verstand gebeiteld en in het hart gebrand moeten zijn. Dan alleen kan er een menselijke samenleving ontstaan. Wij zitten dus al helemaal op een verkeerd spoor als we het Oude Verbond, het Oude Testament, als puur Joods beschouwen en het Nieuwe Verbond, het Nieuwe Testament als exclusief Christelijk. Die opvatting heeft tot geweldige wreedheid tegen de Joden geleid, de Christenheid zal zich daarvoor blijvend moeten schamen. Het Nieuwe Testament is net zo Joods als het Oude, het Nieuwe Testament is een uitleg van het Oude Testament en volgt bij die uitleg de richtlijnen die de profeten van de ballingschap hebben gegeven. En als wij die richtlijn van de God van Israël volgen en blijven volgen, elke dag opnieuw, dan worden onze zonden vergeven, dan verdwijnt het onmenselijke uit onze samenleving. Het lukt niet altijd maar dat is niet echt erg, elke dag opnieuw mogen we er weer mee beginnen, onze naaste liefhebben als onszelf, ook vandaag weer.

 

Uw wil te doen

Hebreeën 10:1-10

1 Omdat de wet slechts een voorafschaduwing toont van al het goede dat nog komen moet en daarvan niet de gestalte zelf laat zien, heeft hij ook niet de kracht om degenen die jaar in jaar uit God naderen met steeds dezelfde offers ooit tot volmaaktheid te brengen. 2 Anders zouden die offers allang niet meer gebracht worden; degenen die aan de dienst deelnemen, zouden immers als ze eenmaal gereinigd zijn geen enkel zondebesef meer hebben. 3 Het tegendeel is echter waar: elk jaar worden met die offers de zonden weer in herinnering geroepen- 4 bloed van stieren en bokken kan immers onmogelijk zonden wegnemen. 5 Daarom zegt Christus bij zijn komst in de wereld: ‘Offers en gaven hebt U niet verlangd, maar U hebt Mij een lichaam gegeven; 6 brand- en reinigingsoffers behaagden U niet. 7 Toen heb Ik gezegd: “Hier ben Ik,” want dit staat in de boekrol over Mij geschreven: “Ik ben gekomen, God, om uw wil te doen.”’ 8 Eerst zegt Hij: ‘Offers en gaven hebt U niet verlangd, brand- en reinigingsoffers behaagden U niet’ -ook al zijn dit offers die volgens de wet worden gebracht. 9 Dan zegt Hij: ‘Hier ben Ik, Ik ben gekomen om uw wil te doen,’ waarmee Hij het eerste opheft om het tweede van kracht te doen zijn. 10 Op grond van die wil zijn wij geheiligd door het offer van het lichaam van Jezus Christus, voor eens en altijd. (NBV21)

We hebben nog al een rare opvatting over offers als we de Bijbel mogen geloven. Vandaag lezen we een stukje waarin de schrijver van de preek aan de Hebreeën probeert uit te leggen wat nu eigenlijk in Christelijke zin een offer is en waar we met onze opvattingen over offers fout zitten. Hij heeft het niet gemakkelijk want hij moet twee soorten opvattingen bestrijden die verschillen maar ook op elkaar lijken. In de eerste plaats de Heidense opvatting. Daarin worden goden gevoed en tevreden gesteld met offers door de gelovigen. Dat de Priesters die offers opeten doet verder in die opvatting niet ter zaken. Dat het offervlees soms wordt verhandeld ook niet, het kopen en eten van dat offervlees kan je zelfs dichterbij die god brengen. Veel Christenen zagen daarom af van het eten van offervlees dat afkomstig was van offers gebracht in de Heidense Tempels.

Dan is er ook nog de Joodse opvatting over offers. Niet de oorspronkelijke Bijbelse opvatting maar een opvatting die er in de eeuwen onder invloed van de Heidense opvatting ingeslopen was. De Joodse gelovigen wisten best dat hun God niet gevoed hoefde te worden. Die God had immers zelf alles geschapen en had het leven aan mens en dier gegeven. Zo’n God hoeft het eten niet te krijgen van mensen. Maar kreeg uit respect voor het leven wel het leven terug dat hij gegeven had. Dat werd gedaan door het bloed, de drager van het leven, uit te sprenkelen over het altaar. Maar de offers die werden gebracht zouden God wel gunstig stemmen volgens de Priesters en Levieten, die offers zouden de zondaren bevrijden van hun zonden. De schrijver van deze preek bestrijdt dat. Hij heeft machtige stemmen aan zijn zijde want al in de profeten stond geschreven dat de God van Israël niet zal te wachten op offers van de gelovigen maar op gerechtigheid.

Zo is het dan ook met het offer dat Jezus van Nazareth aan het kruis heeft gebracht. Hij heeft zich immers opgeofferd om het uitbreken van een bloedige opstand te voorkomen. Hij liet het zwaard van zijn vrienden weer in de schede steken en genas de vijandelijke soldaat die was verwond. Aan het kruis bad hij voor wie hem vervolgden en vroeg zelfs zijn Vader het hen niet aan te rekenen. De wil om zelfs door de dood heen de Liefde de boventoon te laten volgen heiligt iedereen, dat kan iedereen navolgen, dat is een offer waar we dankbaar voor kunnen zijn want in de wereld zouden we zeggen dat zoiets nooit opgebracht kan worden. Afzien van geweld en zelfs je vijanden lief hebben als jezelf is ergerlijk of een dwaasheid. Maar het is de wil van onze God, daarmee betrachten we gerechtigheid, we doen recht aan het leven zelf door voor ons gelijk geen levens te eisen maar liefde. Het is dan ook niet het bloed van Jezus dat onze zonden afwast maar de navolging van zijn keuzes die ons Gods richtlijn laat volgen. Elke dag mogen we dat weer opnieuw doen, ook vandaag weer.

 

Voor eens en altijd

1 Petrus 3:13-22

13 Overigens, wie zou u kwaad doen als u zich volledig inzet voor het goede? 14 Maar zelfs als u zou lijden omwille van de gerechtigheid, dan bent u toch gelukkig te prijzen. Wees daarom niet bang voor de mensen en laat u door niets in verwarring brengen; 15 erken Christus als Heer en eer Hem met heel uw hart. Vraagt iemand u waarop de hoop die in u leeft gebaseerd is, wees dan steeds bereid om u te verantwoorden. 16 Doe dat dan vooral zachtmoedig en met respect, houd uw geweten zuiver; dan zullen de mensen die zich honend uitlaten over uw goede levenswandel in eenheid met Christus, zich over hun laster schamen. 17 Het is beter te lijden-indien God dat wil-omdat men goeddoet dan omdat men kwaad doet. 18 Ook Christus immers heeft, terwijl Hij zelf rechtvaardig was, geleden voor de zonden van onrechtvaardigen, voor eens en altijd, om u zo bij God te brengen. Naar het lichaam werd Hij gedood maar naar de geest tot leven gewekt. 19 Hij is naar de geesten gegaan die gevangenzaten, om dit alles aan hen te verkondigen. 20 Ten tijde van Noach weigerden zij te gehoorzamen, toen God geduldig wachtte en de ark gebouwd werd. In de ark werden slechts enkele mensen, acht in totaal, door de watervloed heen gered, 21 en dat water is een voorafbeelding van het water van de doop, die niet het vuil van uw lichaam wast maar een vraag is aan God om een zuiver geweten. De doop brengt redding dankzij de opstanding van Jezus Christus, 22 die de hemel is binnengegaan en nu aan Gods rechterhand zit, terwijl de engelen, machten en krachten aan Hem onderworpen zijn. (NBV21)

De oorlog en het lijden in de wereld, die de wereld maken tot een plaats van verwarring, brengen ook ons vaak in verwarring. Als we het goede willen doen en niet dan het goede, wat is dan het goede en hoe weten we dat. Ons eigen lot maakt ons niet uit, zelfs al zouden we zelf moeten lijden dan weten we dat we de gerechtigheid nastreven. Maar de oorlog is er niet verder door weg en het lijden van de mensen wordt er niet minder door. In de Nieuwe Bijbelvertaling staat dan de opwekking niet bang te zijn voor de mensen. Een vertaling in hedendaags Nederlands die we snappen. Maar de Naardense Bijbel geeft wat beter weer wat er bedoeld wordt : “Vreest niet wat zij te vrezen geven”. Dat oorlog niet minder wordt en dat lijden niet ophoudt is iets wat men ons voortdurend voorhoud. Bijna iedereen in Nederland gelooft inmiddels dat het nooit vrede op aarde zal worden. En dat betekent eigenlijk dat men het geloof heeft opgegeven. Want als Christus, de Bevrijder, de Heer van de wereld is, dan komt er onherroepelijk een tijd dat het vrede is en dat alle tranen gedroogd zullen zijn. Dat is het Evangelie van de bevrijding van de armen dat we mogen verkondigen en waarin alle mensen van de wereld mogen gaan geloven.

Want oorlog en het geweld dat daar mee gepaard gaat en lijden voor mensen dat het veroorzaakt, zijn geen natuurwetten. Dat lijden van mensen is het direct gevolg van mensen die oorlog voeren. Daarom roept de Bijbel op onophoudelijk te ijveren voor de vrede. De hoop op een betere wereld die daardoor in ons leeft kunnen we verantwoorden. Ook rationeel, als je nadenkt over de wereld, dan is vrede en het uitbannen van lijden de enige optie die er is in het leven, niemand wil immers dat anderen blijven lijden. Als je dat wil dan vinden we je toch al heel snel ziek en gestoord. Christenen worden nog al eens bespot om hun zachtmoedigheid, om hun onophoudelijk roepen om vrede en vasthouden aan rechtvaardigheid voor de armsten. Maar wie nadenkt over de wereld, het leven en de mensen zal moeten toegeven dat er een betere wereld is als we alle mensen respecteren en tot hun recht laten komen. Daarom is het goede te doen en niet dan het goede dat wat ons te doen staat, of we geloven of niet.

Daarbij hebben we natuurlijk het voorbeeld van Jezus van Nazareth. Die zichzelf opofferde om een bloedige opstand van zijn volk te voorkomen. Pas veertig jaar later liet men zich toch verleiden tot die opstand en werd zelfs de Tempel in Jeruzalem verwoest. Dat de schrijver van deze brief de lezers oproept tot zachtmoedigheid en vasthouden aan dat voorbeeld is dus niet verwonderlijk. Maar dat geldt ook voor ons. De gewoonte onder de volken is om kwaad met kwaad te vergelden. Maar wapens en soldaten sturen daar waar voedsel en gerechtigheid worden gevraagd roept voortdurend nieuw geweld op. We weten dat er geen vloed meer zal komen die alle mensen zal wegvagen zoals in de dagen van Noach. Voor ons maakt het dus niet meer uit hoe lang het duurt voordat iedereen in de wereld het voorbeeld van Jezus van Nazareth volgt, zolang we er zelf maar mee bezig zijn en anderen mee nemen om er ook mee aan de slag te gaan.

 

Een zacht en stil gemoed

1 Petrus 3:1-12

1 Voor u, vrouwen, geldt hetzelfde: erken het gezag van uw man. Dan zullen mannen die weigeren Gods woord te gehoorzamen daarvoor gewonnen worden door het gedrag van hun vrouw, zonder dat zij iets hoeft te zeggen, 2 omdat ze zien hoe zuiver u leeft uit ontzag voor God. 3 Uw schoonheid moet niet gelegen zijn in uiterlijkheden, zoals kunstig gevlochten haar, gouden sieraden of elegante kleding, 4 maar in wat verborgen ligt in uw hart, in een zacht en stil gemoed. Dat is een onvergankelijk sieraad dat God kostbaar acht. 5 Daarmee tooiden zich vroeger ook de heilige vrouwen die hun hoop op God vestigden en het gezag van hun man erkenden, 6 zoals Sara; zij gehoorzaamde Abraham en noemde hem haar heer. U bent haar dochters wanneer u het goede doet en u geen angst laat aanjagen. 7 U, mannen, moet verstandig omgaan met uw vrouw, die kwetsbaarder is dan u. Behandel haar met respect, want zij deelt samen met u in de genade van het nieuwe leven. Dan staat niets uw gebeden in de weg. 8 Tot slot, wees allen eensgezind, leef met elkaar mee, heb elkaar lief als broeders en zusters, wees barmhartig en bereid de minste te zijn. 9 Vergeld geen kwaad met kwaad, en als u wordt uitgescholden, scheld dan niet terug; zegen juist, opdat u ook zelf zegen ontvangt, want daartoe bent u geroepen. 10 Immers: ‘Wie het leven liefheeft en goede jaren wil genieten, laat hij zijn tong behoeden voor het kwaad en zijn lippen voor woorden van bedrog, 11 laat hij het kwaad mijden en doen wat goed is, laat hij naar vrede streven en die najagen. 12 Want het oog van de Heer rust op de rechtvaardigen en zijn oor luistert naar hun hulpgeroep, maar Hij keert zich tegen wie kwaad doen.’ (NBV21)

Hier kan een geweldige bron van misverstanden ontstaan. Het gaat hier in elk geval niet om vrouwen van christelijke mannen zo blijkt uit de tekst. Maar het is een truc om ongelovige mannen tot geloof te brengen zonder dat de vrouwen daar iets over hoeven te zeggen. Ook hier gaat het er om door het goede te doen, onwetende dwazen de mond te snoeren, ja zelfs die dwazen tot geloof te brengen. Het gaat hier dus om een strategie en niet om een gebod. Die strategie past in de cultuur waarin ook de brief werd geschreven. Het gaat om het goede te doen zonder angst en vrees. Daarmee alleen al maakt de briefschrijver vrouwen onafhankelijk van hun mannen. Het is hun beslissing hoe zich te gedragen. Als ze geloven in de boodschap van de bevrijding van de armen willen ze niets liever dan dat ook hun mannen daarin gaan geloven. Hoe meer mensen gaan houden van hun naaste als van zichzelf hoe beter. En om dat als echtpaar samen te kunnen doen is pas echt een vreugde die je in een relatie kan genieten. Daarom besluit dit gedeelte met een vermaning aan de mannen, de mannen die dus al wel geloven. Vrouwen hebben nu eenmaal in menige samenleving een zwakkere positie dan mannen. Dat was ongetwijfeld in de tijd van de briefschrijver ook zo.

Als dus aan vrouwen het advies klinkt het gezag van de man te erkennen mag dat nooit als bewijs aangevoerd worden dat vrouwen en mannen andere posities in het huwelijk of in de samenleving behoren in te nemen. Samen delen ze in het nieuwe leven en samen moeten ze daar dus ook vorm aangeven. Mannen die verstandig omgaan met hun vrouw zorgen dat ze carriére kan maken als ze daar de capaciteit voor heeft, dat ze in de gemeenteraad, de provinciale staten of de Tweede Kamer gekozen kan worden als ze daar de capaciteit voor heeft. Samen moet je de zorg voor je gezin vorm geven, dat betekent dat de man evenveel zorg op zich neemt als de vrouw. De schrijver van de Petrusbrief stelt de vanzelfsprekendheden in de samenleving aan de orde. De vanzelfsprekendheid dat vrouwen thuis zitten en mannen hun gang kunnen gaan, Maar ook de vanzelfsprekendheid waarmee iedereen denkt te mogen zeggen wat men wil, zelfs als het schelden en beledigen is, Het klinkt zo gemakkelijk om te roepen dat schelden geen zeer doet. Maar je zal maar voor mongool uitgescholden worden als je broertje of zusje het syndroom van Down heeft. Dan kan het door je ziel snijden als mensen zo denigrerend doen over jouw verwanten die weinig kunnen maar wel hun best doen en waar geen greintje kwaad aan valt te ontdekken. Schelden doet eigenlijk altijd pijn.

Daarom probeert men er ook in de Tweede Kamer wat aan te doen. Iemand voor gek verklaren of idioot geeft geen pas. Maar wie de politici raadpleegt zal het opvallen dat zij die zich verzetten tegen het verruwende taalgebruik zelf niet schelden. Ze hebben met de briefschrijver door dat terugschelden je op het zelfde niveau zet als degene die gescholden heeft. Je vergeldt dan kwaad met kwaad en dat is het laatste wat je moet doen. We proberen immers het kwaad te mijden, uit te roeien als het even kan, en niet dan het goede te doen. Het aller moeilijkst is het te doen wat hier wordt aangeraden, zegen juist. Dat betekent dat je moet proberen dat slechte van het schelden om te keren tot het goede. Want tot het goede zijn we geroepen en het zal duidelijk zijn dat als het je werkelijk lukt zo’n scheldsituatie om te keren in een zegenend gesprek waar goeds uit kan voortkomen dat je zelf ook gezegend bent. Nu hebben we geleerd om schelden te vermijden. Van echt schelden kunnen we dan ook schrikken, zo schrikken dat we geen weerwoord meer hebben. Omkeren tot iets goeds kan dan helemaal niet. We moeten ons daarom soms vertrouwd maken met schelden. Neem maar eens iemand in gedachten die je uit zou willen schelden en luister op een stil plekje naar jezelf en hoe het zou klinken. Houd pas op als je ervan overtuigd ben dat het wel leuk klinkt en opwindend, maar dat het verkeerd is. Als je dat kunt lukt het je ook een scheldsituatie om te draaien. Samen werken aan de samenleving, daartoe roept ook de Bijbel ons  op, elke dag en elke dag mogen we er opnieuw aan beginnen.

 

Het gezag van uw meesters

1 Petrus 2:18-25

18 Slaven, erken het gezag van uw meesters en heb ontzag voor hen, niet alleen voor goede en vriendelijke, maar ook voor slechte. 19 Het is een blijk van genade als iemand, doordat zijn aandacht op God gericht is, in staat is onverdiend leed te verdragen. 20 Immers, wanneer u de slagen verdraagt die u krijgt als straf voor wangedrag, levert dat u toch geen aanzien op? Het is echter een blijk van Gods genade wanneer u verdraagt wat u moet lijden voor uw goede daden. 21 Dat is uw roeping; ook Christus heeft geleden, omwille van u, en heeft u daarmee een voorbeeld gegeven. Treed dus in de voetsporen van Hem 22 die geen enkele zonde beging en nooit bedrieglijke taal sprak. 23 Hij werd gehoond en hoonde zelf niet, Hij leed en dreigde niet, Hij liet het oordeel over aan Hem die rechtvaardig oordeelt. 24 Hij heeft onze zonden gedragen met zijn lichaam aan het kruishout, opdat wij, dood voor de zonde, rechtvaardig zouden leven. Door zijn striemen bent u genezen. 25 Eens dwaalde u als schapen, nu bent u naar uw herder teruggekeerd, naar Hem die uw ziel behoedt. (NBV21)

Dit is een gedeelte dat gemakkelijk misverstanden kan oproepen. Als je slaveneigenaar bent zou je het wel elke dag aan je slaven willen voorlezen nietwaar. In de negentiende eeuw verzette de Gereformeerde voorman Izaäk da Costa zich tegen de afschaffing van de slavernij met een beroep op deze Bijbelpassage. De slaven moesten dankbaar zijn voor de slavernij, want dat staat er nietwaar. En moeten wij vandaag nog met deze boodschap aankomen? Het misverstand ontstaat als je de Bijbel in stukjes hakt, zoals we ook doen bij het dagelijks Bijbelleesrooster van het Nederlands Bijbelgenootschap, het rooster dat we hier dag in dag uit volgen. Het hoofdstuk van de brief waaruit we ook vandaag lezen gaat over het goede doen en niets dan het goede. Je moet zelfs aan de Keizer en de gouverneurs gehoorzamen om onverbeterlijke dwazen tot inzicht te brengen. En zo is het ook voor gemeenteleden die slaaf zijn. Die gemeenteleden komen wij in onze kerken niet meer tegen. Wij waren over het algemeen die dwazen die door schade en schande hebben moeten leren dat slaven en slavinnen in de eerste plaats broeders en zusters zijn.

Maar tegenwoordig spreken we nog wel eens over loonslaven, werknemers die het minste verdienen, het smerigste werk doen en daarmee bedrijven en de samenleving gezond en dus overeind houden. De loonslaven die onze treinen schoonhouden bijvoorbeeld. In het begin van de vorige eeuw nog waren er christelijke werkgevers die hun werknemers verboden zich te verenigen in een vakbond. Pas toen een oprichter van zo’n vakbond ook een ziekenfonds oprichtte en aantoonde dat de zorg voor zieke collega’s, ook al kregen ze geen loon tijdens hun ziekte, een plicht was ook voor christelijke werknemers, verdween heel langzaam de weerstand tegen die modernistische ontwikkelingen. In de dagen dat de eerste brief van Petrus geschreven werd waren er regelmatig slavenopstanden, wij kennen nog die van Spartacus. Die eindigden altijd in een bloedbad voor slaven. Pas als slaven zorg voor elkaar hadden en hun meesters en medeslaven als gelijken gingen behandelen, wilden delen met elkaar, dan konden ook slaveneigenaars zich bewust worden van de medemenselijkheid die slaven vragen.

Voor ons is de kwestie van de slavernij overigens niet een zaak van vroeger en voorbij. In de kledingindustrie, in de industrie van goedkope consumptiegoederen komt slavernij van kinderen en armen nog tot vandaag de dag voor. Ook bloeddiamanten en grondstoffen voor mobiele telefoons worden door slaven gedolven, vaak onder de meest erbarmelijke omstandigheden. En veel vrouwen die in de seksindustrie werken zijn eigenlijk slavinnen. Het is niet aan ons om die slaven en slavinnen gehoorzaamheid voor te houden of tot opstand op te roepen, integendeel. Het is aan ons om hen stem te geven en zij die ervan profiteren op te roepen daarmee op te houden en onze regering op te roepen om te stoppen met de import van slavengoederen en slavenhouders op te sporen en te doen bestraffen. Elke slaaf is een broeder en elke slavin een zuster. Wat hen wordt aangedaan wordt ook ons aangedaan. Pas dan kunnen we straks op de eerste juli ook echt Bevrijdingsdag vieren.

 

Omwille van de Heer

1 Petrus 2:11-17

11 Geliefde broeders en zusters, u bent als vreemdelingen die ver van huis zijn; daarom vraag ik u dringend niet toe te geven aan wereldse begeerten, die uw ziel in gevaar brengen. 12 Leid te midden van de heidenen een goed leven,
opdat zij die u nu voor misdadigers uitmaken, door uw goede daden tot inzicht komen en God eer bewijzen op de dag waarop Hij komt rechtspreken. 13 Erken omwille van de Heer het gezag van de overheden die door mensen zijn aangesteld: van de keizer als de hoogste autoriteit 14 en van de gouverneurs, door hem afgevaardigd om misdadigers te straffen en om te belonen wie het goede doen. 15 God wil namelijk dat u door het goede te doen onwetende dwazen de mond snoert. 16 Handel als vrije mensen, maar ook als dienaren van God, want u moet u niet achter uw vrijheid verschuilen om u te misdragen. 17 Houd iedereen in ere, heb uw broeders en zusters lief, heb ontzag voor God en eerbiedig de keizer. (NBV21)

De keuze om vandaag dit gedeelte uit de Bijbel op het leesrooster te zetten is al ongeveer twee jaar geleden genomen. Maar is in deze dagen van beperking van vrijheid uiterst actueel. Als gelovigen die leven bij de regels van de Liefde zijn we vreemdelingen. De wereld waarin we leven leeft bij de regels van eigenbelang. En het is altijd in ieders belang dat misdadigers worden gestrafd. Daar moet je je niet tegen verzetten maar zoeken naar wegen van Liefde om die misdadigers weer op het rechte pad tekrijgen. Dat is ook zo als het gaat om de opvang van vluchtelingen. Je kunt wel bang zijn voor de vreemden die anders om gaan met vrouwen en kinderen, die anders om gaan met bezit. Mensen van Liefde weten dat als je kennis maakt en samen eet die angst kan verdwijnen en zelfs meestal onterecht is, zo verschillend zijn mensen niet.

De briefschrijver is van humor trouwens ook niet gespeend. Want wat is nu de reden dat je het gezag van de Keizer en de gouverneurs moet erkennen? Om door het goede te doen onwetende dwazen de mond te snoeren. Geen gehoorzaamheid dus, zeker geen gehoorzaamheid om gehoorzaam te zijn. Alles staat in het teken van vrede en alle goeds. De keuze om het goede te doen en niets dan het goede wordt je niet opgelegd door de wereld. Het is geen slappe knieën mentaliteit die je doet buigen voor vreemde godsdiensten of buitenlandse dictators. Maar met de vreemdelingen onder ons aan tafel gaan betekent het goede te willen, ook van hen. Een bezoek te brengen aan vreemde dictaturen en daar te vragen naar je broeders en zusters betekent niet eer bewijzen aan onmenselijke heersers maar het goede te willen en niets dan het goede. En vergeet niet dat onder dictaturen mensen levens niet echt tellen. Let daarom op het goede, zodat je de slachtoffers van het kwade niet vermeerderd.

Ontzag voor God betekent dus je broeders en zusters, de minsten van de hele wereld, lief te hebben en er voor te zorgen dat het de machthebbers opvalt dat er een andere weg is om goed te doen dan het gebruik van geweld en onderdrukking. De schrijver van deze brief leeft in de traditie van Jeremia die aan de ballingen in Babel schreef dat ze groentetuinen moesten aanleggen om voedsel te kunnen delen met de armen zodat ze uiteindelijk zo’n goede naam zouden krijgen dat ze terug zouden mogen keren. Het is de traditie van Jezus van Nazareth die riep dat allen die het zwaard opnemen door het zwaard zullen vergaan. Het is de traditie die wij in onze dagen kennen van Ghandi, Martin Luther King en Nelson Mandela. Het is de wereld verbeteren door het goede te doen en niets dan het goede. Niet de taal van schelden en dik doen, niet het verheffen van de borst om onderscheidingen te tonen en mooier te zijn dan de ander, maar delen van huis en bezit en als het nodig is het delen van jezelf.

 

Bij mijn zuchten

Psalm 39

1 Voor de koorleider. Voor Jedutun. Een psalm van David. 2 Ik had mij voorgehouden: Ik moet mij beheersen en mijn tong voor zonde behoeden, mijn mond met een muilband bedwingen te midden van mensen zonder God of gebod. 3 En ik zei dan ook niets, geen woord, ik zweeg en vond geen verlichting, ik voelde steeds heviger pijn. 4 Het brandde in mijn binnenste, bij mijn zuchten laaide een vuur op en mijn tong begon te spreken: 5 ‘Geef mij weet van mijn einde, HEER, van de maat van mijn levensdagen, laat mij weten hoe vergankelijk ik ben. 6 U maakte mijn dagen een handbreed lang, mijn levensduur is niets in uw ogen, niet meer dan lucht is het bestaan van een mens, sela 7 niet meer dan een schaduw zijn levenspad, niet meer dan lucht wat hij rusteloos najaagt, hij vergaart en weet niet wie het toevalt.’ 8 Wat heb ik dan te verwachten, Heer? Mijn hoop is alleen op U gevestigd. 8 9 Bevrijd mij van al mijn zonden, bespaar mij de hoon van dwazen. 10 Ik zei niets, opende mijn mond niet, want U was het die mij dit alles aandeed. 11 Houd op mij nog langer te kwellen, ik bezwijk onder de slagen van uw hand.12 U kastijdt de mens als straf voor zijn zonde, U tast zijn schatten aan zoals een mot een kleed, niet meer dan lucht is een mens. sela 13 Hoor mijn gebed, HEER, luister naar mijn hulpgeroep, wees niet doof voor mijn verdriet, want een vreemdeling ben ik, bij U te gast zoals ook mijn voorouders waren.14 Wend uw straffende blik van mij af, dan beleef ik nog vreugde voordat ik heenga en niet meer ben. (NBV21)

Het zal veel mensen tegenwoordig niet onbekend voorkomen. Je ziet al het streven van de mensen in je omgeving, sparen voor nieuwe elektronica, studeren voor promotie, op jacht naar nieuw genot, weer een abonnement op een film en serie aanbieder en je vraagt je af, wat voor zin heeft het. Worden al die TV films niet steeds opnieuw gemaakt? Zijn al die verhalen eigenlijk allemaal niet zo ongeveer hetzelfde maar dan door anderen vertelt? En die sportwedstrijden zijn toch ook altijd met een begin en een eind? Wat is de zin eigenlijk van het leven? Dat moet je niet hardop zeggen want dan krijg je de wind van voren. Alsof je de mensen alle amusement wil afpakken, alsof je de mensen om je heen geen pleziertje meer gunt, alsof natuurfilms en wetenschapsprogramma’s mensen niet onderwijzen en wijzer maken, alsof er niet gedroomd mag worden van avonturen en ondernemingen.

Maar die avonturen worden door de mensen niet beleefd, die ondernemingen niet ondernomen. Uiteindelijk wacht een ieder de dood. En als het leven zelfs niets nieuws brengt dan is het leven zelf al de dood. Je wordt er depressief van, in de Bijbel vragen mensen dan om het tijdstip van hun einde te kennen, al dat streven, al dat jagen en jachten naar genot het is allemaal leegte en lucht, het stelt niets voor. We zijn vreemdelingen op aarde, we zijn hier slechts te gast. Een korte tijd mogen we hier doorbrengen en dan worden we weer tot stof en zijn we vergeten. We doen wel of we belangrijke mensen uit de geschiedenis nog kennen, maar wie heeft Koning Willem I ontmoet? Wie weet waar hij verdriet om had of waar hem een plezier mee kon worden gedaan? We hebben een reeks Koningen en Koninginnen gehad, maar de secretarissen die hun afspraken maakten en zorgden dat we van hen hoorden en ze zagen kennen we niet. Al dat klatergoud uit de afgelopen twee eeuwen is lucht en leegte geweest, hoogstens aanleiding tot het opnieuw verplaatsen van lucht.

Maar helemaal op het eind spreekt de psalmdichter over de voorouders, over de straffende blik van God die afgewend moet worden. Heel langzaam lijkt een herinnering op te komen aan tijden toen het leven nog zin had. Want die voorouders waren ook vreemdelingen en bijwoners. Abraham was een zwervende Arameeër staat er geschreven. Hij verliet huis en haard om achter een God aan te zwerven. Het volk Israël, stamde van hem af maar werd als slavenvolk Egypte uitgejaagd omdat ze kans zagen onder het offer, onder de dood, van de eerstgeborene uit te komen. Diep in de woestijn kreeg dat zootje zwervers richtlijnen voor een menselijke samenleving, ondanks het feit dat ze , o zo menselijk, liever eigengemaakte goden van goud en zilver aanbaden. Die richtlijnen konden samengevat worden als heb uw naaste lief als uzelf en ze gingen geloven dat alleen het houden van dat gebod met alles wat daarbij hoorde zin zou geven aan het leven. Vandaag, in onze dagen is het niet anders. Voor zoekers naar het hogere, naar een zin van het leven dat het menselijke te boven gaat is nog steeds de Liefde tot de minsten, de liefde tot God, het enige zinnige antwoord. Dat blijft, dat geeft echte vreugde. Elke dag opnieuw, ook vandaag.

 

De hemel zelf

Hebreeën 9:15-28

15 Zo is Hij dan bemiddelaar van een nieuw verbond; Hij is immers gestorven om ons te verlossen van de overtredingen tegen het eerste verbond. Nu kunnen allen die geroepen zijn het beloofde eeuwige erfdeel ontvangen. 16 Bij een testament is het noodzakelijk dat de dood van de erflater wordt vastgesteld. 17 Een testament is immers pas geldig na overlijden, het heeft geen rechtskracht wanneer de erflater nog leeft. 18 Daarom is ook het eerste verbond niet zonder bloed ingewijd. 19 Want nadat Mozes alle voorschriften van de wet aan heel het volk had voorgelezen, nam hij het bloed van jonge stieren en bokken, water, karmozijnrode wol en majoraan, en besprenkelde zowel het boek zelf als heel het volk, 20 en verklaarde: ‘Dit is het bloed van het verbond dat God aan u heeft opgelegd.’ 21 Vervolgens besprenkelde hij op dezelfde manier de tabernakel en alle voor de eredienst benodigde voorwerpen met het bloed. 22 Volgens de wet wordt inderdaad vrijwel alles met bloed gereinigd, want als er geen bloed wordt uitgegoten, vindt er geen vergeving plaats. 23 Als het dus noodzakelijk is dat de afbeeldingen van wat zich in de hemel bevindt op die manier gereinigd worden, dan moet wat in de hemel zelf is met veel betere offergaven worden gereinigd. 24 Christus is immers geen heiligdom binnengegaan dat door mensenhanden is gemaakt, een afbeelding van het hemelse heiligdom, maar de hemel zelf, waar Hij nu bij God voor ons pleit. 25 Hij offert zichzelf daar niet telkens opnieuw; Hij is dus niet te vergelijken met de hogepriester die elk jaar het heiligdom binnengaat, met bloed dat het zijne niet is, 26 want dan zou Hij sinds de grondvesting van de wereld telkens opnieuw hebben moeten lijden. Nee, Hij heeft zich bij de voltooiing van de tijden eenmaal geopenbaard, om met zijn offer de zonde teniet te doen. 27 Mensen moeten eenmaal sterven en daarna volgt het oordeel. 28 Net zo zeker is het dat Christus, die eenmaal is geofferd om de zonden van velen te dragen, voor een tweede maal zal verschijnen, niet om opnieuw de zonde op zich te nemen, maar om te redden wie Hem verwachten. (NBV21)

Zo kort na de Paasdagen lijkt de schrijver van de Hebreeën brief het traditionele geloof van de Christenen helemaal op de kop te willen keren. Jezus van Nazareth was immers gekruisigd, gestorven en begraven. Maar op Pasen viert de Christelijke kerk dat Jezus van Nazareth uit zijn graf was opgestaan en weer kon eten en drinken met zijn volgelingen. Maar die opstanding lijkt hier wel helemaal geen rol te spelen. In de eerste plaats moeten we ons realiseren dat hier ook het vertalen van de Bijbel ons parten speelt. Wij lezen de Bijbel nu eenmaal niet in het Grieks waarin dit gedeelte oorspronkelijk was geschreven. In het Grieks zijn testament en verbond twee dezelfde woorden, dia’theke. Daar speelt de schrijver mee door het enerzijds te hebben over het verbond dat Mozes met zijn God sloot op de Sinaï, het verhaal dat we kunnen lezen in Exodus 24. En anderszins de kruisiging van Jezus.

Dat sluiten van een verbond door Mozes ging ook daar met bloed gepaard, er werd als het ware een maaltijd gehouden tussen God, Mozes en het volk waarbij alles wat bij het volk van God sprak daarbij werd betrokken. Dat bloed was van dieren maar het bloed van Jezus van Nazareth was van een mens. Door zijn manier van zich aan de leer van Mozes te houden werd hij opgenomen in het Rijk van God, waar God zelf is en waar dus geen verbinding gelegd hoeft te worden. Die verbinding moet wel met ons gelegd worden. Wij immers deinzen er zo vaak voor terug om de weg te gaan die Jezus van Nazareth ging. Vrede bewaren zelfs als de mensen ons willen doden. Als ons bezit wordt bedreigd dan gebruiken we liever geweld. Helpen van de armen die tegen hun armoede in opstand komen vindt men in onze samenleving maar verspilling, ook met die armen kun je beter vechten lijkt het wel. Omdat we ons zo vaak laten verleiden door hebzucht en gemakzucht moeten we steeds opnieuw beginnen met het geloof in, met het werken aan het Koninkrijk van God, die nieuwe samenleving van eerlijk delen en heb je naaste lief als jezelf.

We kunnen steeds opnieuw beginnen omdat we weten dat Jezus van Nazareth het heeft volgehouden door de dood heen. Ja door de dood heen. Dat een lijk is opgestaan gaat er bij veel mensen niet in. De schrijver van de brief aan de Hebreeën lijkt daar niet mee te zitten. Hij heeft het over een verschijning van Jezus van Nazareth na diens dood. Die verschijning deed de mensen beseffen dat die liefde die hen in beweging had gezet er nog steeds was. Dat die liefde gedeeld kon worden met iedereen op aarde en als iedereen op aarde daarin gedeeld had de verschijning opnieuw zal plaatsvinden en die ideale samenleving bereikt zal zijn, daar zijn de tranen gewist en zal geen dood meer zijn. Op grond van het eerste verbond spraken de profeten van dit visioen, op grond van het tweede verbond gingen en gaan de Christenen op pad om dat te verkondigen en waar te maken, iedere keer als we de armsten van de aarde weten te helpen maken we het waar, vandaag dus ook.

 

Voor eens en altijd

Hebreeën 9:1-14

1 Het eerste verbond bevatte bepalingen voor de rituelen van de dienst en het aardse heiligdom. 2 De voorste tent, die is ingericht met de kandelaar en de tafel voor de toonbroden, wordt het heilige genoemd. 3 Achter het tweede voorhangsel bevindt zich de tent die het allerheiligste genoemd wordt. 4 Daar staan het vergulde reukofferaltaar en de ark van het verbond, die langs alle zijden met goud overtrokken is en waarin zich de vergulde kruik met het manna, Aärons staf die gebloeid heeft en de platen met de verbondstekst bevinden; 5 daarop staan de cherubs als teken van Gods majesteit, zij bedekken de verzoeningsplaat met hun schaduw. Op dit alles kunnen we nu niet in detail ingaan. 6 In het aldus ingerichte heiligdom gaan de priesters voortdurend de voorste tent binnen om hun dienst te vervullen, 7 maar de tweede tent gaat alleen de hogepriester binnen, slechts eenmaal per jaar en nooit zonder het bloed dat hij offert voor zichzelf en voor de zonden die het volk uit onwetendheid heeft begaan. 8 Hiermee maakt de heilige Geest duidelijk dat de weg naar het hemelse heiligdom niet zichtbaar is zolang de eerste tent nog dienstdoet. 9 Dit alles is een zinnebeeld voor de huidige tijd: er worden daar gaven en offers gebracht die het geweten van degenen die ze opdragen niet tot volmaaktheid kunnen brengen; 10 het gaat alleen om voedsel, drank en rituele wassingen, om bepalingen over uiterlijkheden die slechts gelden tot aan de nieuwe orde. 11 Christus daarentegen is aangetreden als hogepriester van al het goede dat ons is toebedacht: Hij is door een indrukwekkender en volmaakter tent-die niet door mensenhanden gemaakt is en niet behoort tot onze schepping- 12 voor eens en altijd het hemelse heiligdom binnengegaan, en dan niet met bloed van bokken en jonge stieren maar met zijn eigen bloed. Zo heeft Hij een eeuwige verlossing verworven. 13 Want als het lichaam van wie onrein is al wordt gereinigd en geheiligd wanneer het besprenkeld wordt met het bloed van bokken en stieren of bestrooid met de as van een jonge koe, 14 hoeveel te meer zal dan niet het bloed van Christus, die dankzij de eeuwige Geest zichzelf heeft kunnen opdragen als offer zonder smet, ons geweten reinigen van daden die tot de dood leiden, en het heiligen voor de dienst aan de levende God? (NBV21)

Ons Wilhelmus is een geschiedenisles. Het lied kent vele coupletten maar we zingen over het algemeen alleen het eerste en soms ook het zesde couplet. De andere coupletten slaan we over. Maar waarom? Het is toch al een merkwaardig lied. Ik heet geen Wilhelmus van Nassauwe en het zou mij zeer verbazen als U als lezende wel zo heet. Misschien bent U van Duitsen bloed, maar meer waarschijnlijk is dat U van Nederlandse afkomst bent. We hebben in Nederland tegenwoordig geen Prins van Oranje maar die er was zal best vrij onverveerd zijn geweest. Waarom zou iedereen zingen dat die de prins is blijft een raadsel en de koning van Hispanje heeft niemand hier ooit geëerd. Toch zingen we dat lied omdat het ons verbind met de eeuwenoude geschiedenis van ons land en de waarden die in die geschiedenis bevochten zijn.

De vrijheid van geweten, de vrijheid van godsdienst, de vrijheid van vereniging en vergadering, de vrijheid van onderwijs, het recht op een eerlijke en onafhankelijke rechtspraak op grond van vooraf vastgestelde wetgeving, het recht om onafhankelijk in het geheim afgevaardigden voor gemeenteraden, provinciale staten en de Tweede Kamer te kiezen. Dat alles klinkt in ons volkslied mee zonder dat er een woord over gezegd wordt in het lied zelf. Zo was het ook geworden met de Tempel in Jeruzalem. Daar lag de grondslag van het volk Israël. Daar lag de wetgeving waarvan iedereen wist dat je daar o zo gemakkelijk van kon afdwalen. In het dagelijks leven spelen immers niet alleen de geschreven maar ook de ongeschreven regels een rol. Niet iedereen kent de details van alle wetten en regels, binnen Israël was studie van de Wet dan ook een hoog goed. Elk jaar weer moest iedereen zich bewust worden hoe vaak en hoe ver men zich had verwijderd van de bedoeling van die Wet, je naaste lief te hebben als jezelf. Daar waren die rituelen met voorste tent en tweede tent, het heilige en het allerheiligste voor.

Maar als je dat één maal per jaar doet zijn er grote delen van het jaar dat de armsten er weinig aan hebben. Die moeten wachten tot het tijd wordt weer opnieuw te beginnen. De Christenen zijn Jezus van Nazareth gaan beschouwen als het offer dat op de Grote Verzoendag werd gebracht, door hemzelf door de kruisdood te ondergaan en daardoor de dood te overwinnen. Dat offer maakt dat je elk moment opnieuw mag beginnen je naaste lief te hebben als jezelf. Dat offer maakt dat de momenten dat je het vergeet je vergeven worden als je er maar van leert en het voortaan anders gaat doen, groeien in geloof noemen sommigen dat. Zoals het zingen van ons volkslied ons bepaalt bij de waarden van onze rechtstaat zo bepaalt de herinnering aan het offer van Jezus van Nazareth ons bij het gebod de minsten op aarde lief te hebben. En die herinnering vieren we in de kerk in het delen van brood en wijn, want om dat delen gaat het, ook vandaag weer.