Iedereen die kwaadspreekt

Matteüs 12:22-37

22 Toen bracht men iemand bij Hem die bezeten was; hij was blind en kon niet spreken. Jezus genas hem, zodat hij kon spreken en zien. 23 Alle omstanders stonden versteld en zeiden: ‘Zou Híj de Zoon van David zijn?’ 24 Maar de farizeeën die dit hoorden, zeiden tegen elkaar: ‘Hij kan die demonen alleen maar uitdrijven dankzij Beëlzebul, de vorst der demonen.’ 25 Jezus wist wat ze dachten en zei tegen hen: ‘Elk koninkrijk dat innerlijk verdeeld is gaat te gronde, en geen enkele stad of gemeenschap die innerlijk verdeeld is zal standhouden. 26 Als Satan Satan uitdrijft, is hij innerlijk verdeeld. Hoe kan zijn koninkrijk dan standhouden? 27 En als Ik inderdaad dankzij Beëlzebul demonen uitdrijf, door wie drijven uw eigen mensen ze dan uit? Zij zullen dan ook uw rechters zijn! 28 Maar als Ik door de Geest van God demonen uitdrijf, dan is het koninkrijk van God bij u gekomen. 29 Trouwens, hoe kan iemand het huis van een sterke man binnengaan en zijn inboedel roven, als hij die man niet eerst heeft vastgebonden? Pas dan kan hij zijn huis leeghalen. 30 Wie niet met Mij is, is tegen Mij, en wie niet met Mij samenbrengt, drijft uiteen. 31 Daarom zeg Ik u: elke zonde en elke godslastering kan de mensen worden vergeven, maar wie de Geest lastert kan geen vergeving ontvangen. 32 En iedereen die kwaadspreekt van de Mensenzoon zal vergeving ontvangen. Maar wie kwaadspreekt van de heilige Geest zal geen vergeving ontvangen, noch in deze wereld, noch in de komende. 33 Wanneer een boom goed is, dan zijn ook zijn vruchten goed. Is een boom daarentegen slecht, dan zijn ook zijn vruchten slecht. Want aan de vruchten kent men de boom. 34 Addergebroed! Hoe kunt u iets goeds zeggen terwijl u zelf slecht bent? Waar het hart vol van is, daar loopt de mond van over. 35 Een goed mens haalt uit zijn schatkamer met goede dingen het goede tevoorschijn, terwijl een slecht mens uit zijn schatkamer met slechte dingen het slechte tevoorschijn haalt. 36 Ik zeg u: van elk nutteloos woord dat mensen spreken, zullen ze op de dag van het oordeel rekenschap moeten afleggen. 37 Want op grond van je woorden zul je worden vrijgesproken, en op grond van je woorden zul je worden veroordeeld.’ (NBV21)

In het verhaal van Matteüs over Jezus van Nazareth dat we hier lezen gaat het over de samenleving die we zouden moeten willen. Jezus haalde allerlei gekkigheid uit mensen en stelde ze daarmee in de gelegenheid weer gewoon mee te doen in de samenleving. Ze zagen het weer zitten en konden in gesprek met de anderen. Het boze er uit drijven noemden ze dat. Maar heb je niet de boze nodig om het kwade te verdrijven? Met dieven vangt men immers dieven? Het antwoord van Jezus is simpel. Als het boze het kwade verdrijft blijft er weinig kwaad in de wereld over. Zou het kwade zichzelf opheffen? Daar lijkt het niet op, het kwade is er altijd. Het is het goede dat het kwade uitdrijft. Elke partij die onderling ruzie maakt gaat ten onder, die bestrijdt zichzelf. Dat geld voor een stad, een land en elke mensengemeenschap, zelfs politieke partijen of bewegingen gaan daaraan ten onder.

Daarom is het belangrijk dat we elkaar vast houden, zoals politici in zaken van grote onderlinge verdeeldheid en de rampen die daaruit voorkomen graag plegen op te merken. Daarom is het ook belangrijk met elkaar in gesprek te gaan, elkaar op te zoeken. Daarom moeten we in onze eigen omgeving elke opmerking te lijf gaan waarmee anderen apart gesteld worden, uitgesloten worden van de samenleving. Erzijn politici die voortduren inhakken op de Islam. Wie met Moslims maaltijd heeft gehouden weet het tegendeel. Juist nu binnen de Moslim gemeenschap een toenemend aantal jongeren verleid worden mee te gaan vechten met extremistische organisaties, ze, de Christenen en Joden zouden Moslims haten, juist nu is samen werken geboden. En zouden we van buiten af bij dat gesprek niet moeten helpen. Ook onder de jongeren die naar Syrië of Irak gingen blijken jongeren te zijn die uitdrukkelijk als martelaar willen worden herinnerd. Aan ons om het niet zover te laten komen door hen martelaren te maken, want zoals Jezus zei, wie niet samenbrengt drijft uiteen. Dat samenbrengen is dus meer dan een bijzaak. Het is een hoofdzaak.

De geest waarin je de samenleving benadert, de geest waarin je de samenleving laat besturen is het belangrijkste waar je op moet letten. Je kunt God lasteren maar als je de Geest belastert waarin mensen mensen samen willen brengen dan is dat onvergeeflijk. We hoeven het misschien niet nog een keer te herhalen. Overtuigingen afwijzen in de hoop dat je daarmee de mensen niet kwetst die die overtuiging zijn toegedaan kan dus niet. Goede mensen letten op de goede dingen en kwade mensen zien alleen het kwade. Mensen die voortdurend afgeven op anderen zijn als adderengebroed, kinderen van slangen die alleen gif kunnen verspreiden. Natuurlijk moet je niet zwijgen over wat verkeerd is, maar samen het goede nastreven, samen zorgen dat jongeren een goede plek in de samenleving krijgen, dat vrouwen niet aangerand maar gerespecteerd worden en zonder bedreiging volwaardig mee kunnen doen, dat arbeiders een rechtvaardig loon krijgen, dat eigenaars van huizen die huizen ook goed onderhouden, dat kinderen die hier geworteld zijn hier een toekomst krijgen, dat is het opbouwen van het Koninkrijk van God

 

God, bevrijd ons

Psalm 79

1 Een psalm van Asaf. God, vreemde volken hebben uw land bezet, uw heilige tempel ontwijd en Jeruzalem in puin veranderd. 2 De lijken van uw dienaren lieten zij liggen als aas voor de vogels van de hemel, het vlees van uw getrouwen als voedsel voor de wilde dieren op aarde. 3 Hun bloed werd als water vergoten rond Jeruzalem-en niemand die hen begroef. 4 Gehoond worden wij door onze naburen, beschimpt en bespot door de volken rondom. 5 Hoe lang nog, HEER? Bent U voor eeuwig verbolgen? Hoe lang blijft uw woede branden? 6 Stort uw toorn uit over de volken die U niet kennen, over de koninkrijken die uw naam niet aanroepen, 7 want zij hebben Jakob verslonden en zijn woonplaats verwoest. 8 Reken ons de zonden van vroeger niet aan, toon erbarmen en haast u, want onze ellende is groot. 9 Help ons, God, bevrijd ons, tot eer van uw roemrijke naam, red ons en bedek onze zonden, omwille van uw naam. 10 Waarom mogen de volken zeggen: ‘Waar is nu hun God?’ Laat de volken weten, laat ons het zien, dat het bloed van uw dienaren wordt gewroken. 11 Laat het zuchten van uw geknechte volk U bereiken. Machtig is uw arm: houd in leven wie ten dode zijn gedoemd. 12 Straf de volken rondom ons zevenvoudig voor de smaad die zij U hebben aangedaan, Heer! 13 Wij zijn uw volk, de kudde die U hoedt, wij zullen U prijzen tot in eeuwigheid, van geslacht op geslacht verhalen van uw roem. (NBV21)

De Psalm die we vandaag met de Kerk meezingen bezingt het gevoel dat het volk Israël overkwam toen Jeruzalem verwoest werd, de Tempel afgebroken en het volk weggevoerd in ballingschap. Ook bij profeten als Jeremia en Jesaja kun je lezen dat de volken die rond Israël woonden zich vrolijk maakten over de ondergang van dat landje. Het landje dat zich zo hooghartig had opgesteld, dat bondgenootschappen had gesloten met de machtigste rijken van die tijd het laatste nog met Egypte dat hen nu in de steek had gelaten. Dat landje beriep zich altijd op een onzichtbare God waarvan niet eens beelden aanwezig waren in zijn Tempel. Ondertussen hadden ze wel andere goden geplaatst en aanbeden en vruchtbaarheidspalen voor Asjeera in de akkers gedreven.

In deze Psalm lijkt het volk berouw te krijgen van datgene wat ze verkeerd hebben gedaan en het lied loopt uit op het goede dat de God van Israël heeft gedaan en dat navolging verdient. Het is de God van Israël die de roem verdient. Het Joodse geloof en het Christelijke geloof maakt de gelovigen niet beter dan de mensen die zulk geloof niet aanhangen. Er is maar één God en die God roept op tot het goede, ondanks alle kwaad dat er in de wereld wordt gedaan. Kerken zetten vaak na rampen hun deuren open voor mensen die stilte en steun nodig hebben. De PKN kerken in Nederland organiseren extra collectes voor de hongerenden in Afrika voor voedselbanken en vluchtelingen uit Oekraïne. De kerken in Nederland zetten zelfs de deuren open voor gewortelde kinderen die hier van de heidenen niet mogen wonen.

Wie bezig is met de Bijbel hoort daarin de stem van de God die oproept om de lijdenden niet te vergeten. Vandaag zijn dat ook de nabestaanden van de aanslag op een onschuldig verkeersvliegtuig in de Oekraïne, de MH17, maar ook de hongerenden in Afrika en de slachtoffers van alle oorlogen en geweld. In Nederland ook de slachtoffers van de toeslagenaffaire, de boeren en de nazaten van slaaf gemaakten, de vluchtelingen en de vreemdelingen, kortom allen die niet behandeld worden zoals je zelf behandeld zou willen worden.. We zullen wegen moeten zoeken om in vrede te leven met mensen die anders geloven. In onze samenleving geven Moslims ons daarvoor een eerste kans. De Bijbel roept ons op men hen maaltijd te houden. Dat moeten we dan maar doen, niet omdat we beter zijn dan een ander, maar omdat we allemaal kinderen van die ene God zijn en kinderen horen elkaar niet uit te roeien maar elkaar te laten groeien, ook vandaag weer.

 

Mensenkind, let op!

Ezechiël 4:9-17

9 Je moet tarwe, gerst, bonen, linzen, gierst en spelt bij elkaar in een pot doen en er brood van bakken; dat is wat je de driehonderdnegentig dagen dat je op je zij ligt te eten zult krijgen. 10 Het brood dat je eet moet worden afgewogen: je krijgt maar twintig sjekel per dag, elke dag weer. 11 Het water dat je drinkt moet worden afgemeten: je krijgt niet meer dan een zesde hin, elke dag weer. 12 Ook moet je nog een gerstekoek eten die je voor ieders ogen moet bakken op menselijke uitwerpselen. 13 Zo zullen alle Israëlieten in onreinheid hun brood eten, want Ik zal ze verbannen naar andere volken.’ 14 ‘Ach HEER, mijn God,’ zei ik, ‘ik heb mezelf nooit verontreinigd, nog nooit in mijn leven heb ik vlees gegeten van een gestorven of doodgebeten dier, nooit heb ik onrein vlees geproefd.’ 15 Daarop antwoordde Hij mij: ‘Goed dan, Ik geef je rundermest in plaats van menselijke uitwerpselen om je brood op te bakken.’ 16 Ook zei Hij tegen mij: ‘Mensenkind, let op! Spoedig zal Ik in Jeruzalem de broodvoorraad vernietigen. Dan zullen ze het brood dat ze eten, moeten afwegen en daarbij door zorgen worden verteerd, en het water dat ze drinken, moeten afmeten en daardoor van wanhoop worden vervuld. 17 Ze zullen door honger en dorst tot wanhoop worden gedreven, ze zullen onder de last van hun schuld wegkwijnen. (NBV21)

We moeten ons voorbereiden op de derde wereldoorlog. De uitkeringen voor zieken, langdurig werklozen, gehandicapten en bejaarden gaan om laag omdat we duur nieuw wapentuig moeten bestellen. Ezechiël laat ons zien hoe het tijdens zo’n crisis staat met de voedselvoorraad. Je moet niks laten liggen. Het dure tarwebrood is voor de rijken, gewone mensen moeten er zeer zuinig mee om gaan. Vul het dus aan met gerst, het graan voor de armen, het eerst geoogst, maar ook meel van bonen, linzen, gierst en spelt kan verwerkt worden in broden. In kringen van natuurvoeding zal dit recept niet onbekend zijn. Onder de ballingen zullen er zijn die praten over dierenvoedsel.

Koken op menselijke uitwerpselen gaat de profeet te ver. Hij wil niet het verwijt krijgen zich buiten de gemeenschap te plaatsen door onrein te eten. Dan zou de boodschap die hij met deze maaltijd moet overbrengen helemaal niet overkomen. De ballingen waren nu juist, aarzelend, weer naar de spijswetten gaan kijken om zich er aan te houden. De boodschap van Ezechiël is nu juist bedoeld om cde belangstelling voor de richtlijnen van de God van Israël te vergroten. Het gaat om Jeruzalem. Die stad gaat niet gewoon door zonder de ballingen, zonder Tempel, zonder de godsdienst van Israël.

Die stad is verwoest en daar zal dus een hongersnood ontstaan. Die hongersnood kwam omdat het volk zich had afgewend van de richtlijnen van hun God. Niet langer stonden de armen centraal, niet langer bepaalden de minsten, de weduwe en de wees, hoe de rijkdom werd verdeeld. Het is dus geen waarschuwing om voorbereid te zijn maar om niet opnieuw in dezelfde fout te vervallen. Die waarschuwing zou ook voor ons moeten gelden. Hoe gaan wij met de minsten om? Hoe gaan wij om met vreemdelingen en vluchtelingen, gewortelde kinderen. Behandelen wij ze zoals wij behandeld zouden willen worden? Rechtvaardig volgens de Bijbel is dat elk mens tot zijn of haar recht komt. Wellicht dat we onze machthebbers daar wat luider toe moeten oproepen.

 

Neem een kleitablet

Ezechiël 4:1-8

1 Mensenkind, neem een kleitablet voor je en teken daarop een stad: Jeruzalem. 2 Sla het beleg voor de stad, werp een belegeringswal op, maak een bestormingsdam, richt een legerkamp in en zet stormrammen om de stad heen. 3 Neem dan een bakplaat, zet die als een ijzeren muur tussen jou en de stad en richt je blik op haar: de stad wordt belegerd en jij bent de belegeraar. Dit alles zal een teken zijn voor het volk van Israël. 4 Daarna moet je op je linkerzij gaan liggen en die de schuld van het volk van Israël laten dragen-alle dagen dat je op je zij ligt, zul je hun schuld dragen. 5 Driehonderdnegentig dagen lang geef Ik je die last te dragen, één dag voor elk jaar dat het volk van Israël schuldig is geweest. 6 Wanneer je die dagen hebt volgemaakt, ga je vervolgens op je rechterzij liggen om de schuld van het volk van Juda te dragen, veertig dagen lang: één dag voor elk jaar geef Ik je die last te dragen. 7 Je moet je blik op het belegerde Jeruzalem gericht houden, met ontblote arm, en tegen de stad profeteren. 8 Ik zal je met touwen vastbinden zodat je je niet van de ene op de andere zij kunt draaien, net zolang tot alle dagen dat je de stad belegert voorbij zijn. (NBV21)

Ezechiël, de profeet van het zien. Hij zag dat visioen dat alle machten en krachten van Babylon, het land van de ballingschap onder de macht waren gesteld van de God van Israël. Maar hoe kwam het dan dat het hele volk naar datzelfde Babel was gestuurd. Natuurlijk het was een koppig volk dat naar geen goede raad wilde luisteren maar zo wreed was de God van Mozes, Abraham en Jacob toch niet? Ezechiël krijgt de opdracht het volk te laten zien waar de schoen wringt. Wie niet horen wil moet maar voelen niet waar?
Pak een kladblok, waar je op kunt tekenen, in de dagen van Ezechiël een kleitablet. Opgravingen lieten zien dat het een gebruikelijke gewoonte was. Daar moest de stad op getekend worden, alsof de generaal die de stad verdedigd een plan maakt om haar in te nemen.

Maar dan. laat zien wat de reactie was van het volk Israël. Ezechiël zuchtte waarschijnlijk. Hij moest op zijn linkerzij gaan liggen en de schuld dragen van het volk Israël. Als je zoals de Benjameniten linkshandig ben kun je dus niks. Je zwaardarm ligt onder je. Het volk Israël deed of er niks aan de hand was. Wij kennen ook zo’n situatie. Wij kennen de resten van concentratiekampen waar we kunnen zien wat het betekent als het ene volk het andere wil uitroeien. Nooit meer zou dat mogen gebeuren. Maar nu de staat Israël, iets heel anders dan het volk van Ezechiël, als antwoord op een valse kreet voor vrijheid het hele volk van Gaza uitroeit dan zwijgen we, we doen niks, tenminste de kerk doet niks, de PKN vindt het te ingewikkeld.

Natuurlijk is er wel drang iets te doen. De Bijbel is immers voor vrede. Een vrede waarbij opgekomen wordt voor het leven van de zwaksten. Bescherming is er. Ook Ezechiël heeft daar last van. Maar God helpt hem. Hij bindt Ezechiël vast zodat die zich niet kan bewegen. Ook bij ons zijn er mensen die iets willen doen. Die trekken de rode lijn, tot hiertoe en niet verder . Maar zij worden vastgebonden door kerkleden die niks willen weten van vrede tussen de staat Israël en de buurstaat Palestina. Dan zouden de inwoners van Israël zich immers niet meer hoeven te bekeren tot Jezus. En de mensen die daar bang voor zijn geloven dat als alle inwoners van Israël zich tot Jezus bekeren, Jezus terug zal keren. Zij kunnen dat afdwingen. Dus gebeurt er niks. Dat moeten we laten zien, dat werd de ondergang van het Jeruzalem van Ezechiël. Blijf dus maar roepen om hulp aan de kinderen van Gaza, we moeten wel.

 

Ter verantwoording roepen

Ezechiël 3:16-27

16 Toen die zeven dagen voorbij waren, richtte de HEER zich tot mij: 17 ‘Mensenkind, Ik stel jou aan als wachter over het volk van Israël: als je mijn woorden hoort moet je hen voor Mij waarschuwen. 18 Als Ik tegen een slecht mens zeg dat hij sterven zal en jij waarschuwt hem niet, je zegt niets om hem te waarschuwen voor de goddeloze weg die hij is ingeslagen, niets om zijn leven te redden, dan zal hij weliswaar sterven door zijn eigen schuld, maar jou zal Ik voor zijn dood ter verantwoording roepen. 19 Als je een slecht mens daarentegen waarschuwt dat hij tot inkeer moet komen en hij gaat toch voort op zijn goddeloze weg, dan is hij zelf schuldig aan zijn dood, maar zul jij het er levend afbrengen. 20 Als een goed mens zich niet langer rechtvaardig gedraagt maar onrecht doet, en als Ik hem dan ten val breng, zal hij sterven als jij hem niet waarschuwt. Hij zal sterven als gevolg van zijn zondig gedrag, en zijn goede daden zullen niet meer tellen, maar Ik zal jou voor zijn dood ter verantwoording roepen. 21 En als je een goed mens voorhoudt dat hij niet moet zondigen en hij zondigt niet, dan blijft hij zeker in leven omdat hij zich heeft laten waarschuwen, en ook jij zult het er levend afbrengen.’ 22 Op die plaats werd ik opnieuw door de hand van de HEER gegrepen, en Hij zei tegen mij: ‘Sta op, ga naar buiten, naar het dal, want daar wil Ik met je spreken.’ 23 Ik deed wat me gezegd was. Toen ik in het dal kwam stond daar de stralende verschijning van de HEER, die ik ook bij het Kebarkanaal gezien had, en weer wierp ik me voorover op de grond. 24 Er voer een geest in mij die me weer overeind deed komen, en de HEER zei tegen mij: ‘Mensenkind, ga naar binnen, sluit je op in je huis. 25 Je wordt er met touwen vastgebonden, zodat je niet meer naar buiten kunt gaan om je tussen de mensen te begeven. 26 Ik zal ervoor zorgen dat je tong aan je gehemelte vastkleeft, zodat je stom zult zijn. Je mag hen niet meer terechtwijzen, want ze zijn hoe dan ook opstandig. 27 Maar wanneer Ik me opnieuw tot je richt zul je weer kunnen spreken, en dan moet je tegen hen zeggen: “Dit zegt God, de HEER … ” -en wie dan luistert, die luistert, en wie niet luistert, die luistert maar niet: het is immers een opstandig volk. (NBV21)

Een profeet is geen toekomstvoorspeller. Ezechiël krijgt in het gedeelte dat we vandaag uit zijn boek lezen les in het profeet zijn. Wij denken nog wel eens dat een profeet de toekomst voorspelt. Zo van bekeert u want het einde der tijden is nabij. Maar dat is dus geen profeet. Wanneer het einde der tijden zal zijn weet niemand. Wel weten we dat iedereen ooit verantwoording moet afleggen over wat hij of zij in het leven heeft gedaan. Maar dat gaat ook over de manier waarop je bekend staat, de manier waarop je tegen jezelf aankijkt. Ben je rechtvaardig en streef je naar recht en gerechtigheid? Ben je vredelievend en breng je vrede tussen mensen? Of let je alleen op jezelf en ben je bereid met alle geweld het meeste voor jezelf binnen te halen? Voor ieder mens geldt dat elk moment de balans kan worden opgemaakt, ben je in wezen een goed mens of ben je eigenlijk een slecht mens. Een profeet is er voor je te waarschuwen. Pas op let op de balans tussen het goede en het kwade.

Een profeet heeft wat dat betreft een verantwoordelijke taak. Want als iemand denkt dat er goed gedaan wordt en het is eigenlijk verschrikkelijk schadelijk voor anderen dan zal die iemand slecht blijven doen zonder de kans te krijgen het goede te gaan doen. Degene die weigert daarvoor te waarschuwen is daar net zo schuldig aan. Als je dus hoort dat bevolkingsgroepen tegen elkaar opgezet worden en je doet er niks tegen dan ben je net zo schuldig. Neem nou die Polen, die Bulgaren en die Roemenen. Zomaar komen ze tussen ons wonen en doen ze de dingen waarvoor niet direct Nederlanders te vinden zijn, vaak omdat Gemeenten denken dat als Nederlanders werkloos zijn die helemaal niet tijdelijk mogen werken, ten onrechte heeft men gelukkig ontdekt. Maar moeten we dan bang worden voor die Oost-Europeanen? Helemaal niet, ze horen ook bij Europa, ze horen dus gewoon ook bij ons. We kunnen dus samen maaltijd houden. En als we samen maaltijd houden kunnen we tijdens het eten ook de wederzijdse irritaties op tafel leggen, zij horen niet alleen bij ons, wij horen ook bij hen. En let op, de meeste problemen kunnen zo worden opgelost en de irritaties verdwijnen. Maar dat kan alleen als we bereid zijn naar hun irritaties over ons te luisteren en hen te helpen hun problemen mee op te lossen zoals zij kunnen helpen onze problemen op te lossen.

Denk nu niet dat het toch niet helpt. De God van Israël leert aan Ezechiël dat je ook goede mensen soms moet waarschuwen. Dat je met goede mensen in gesprek moet gaan. Juist als die vergeten de goede weg van vrede en recht te zoeken, maar alleen af gaan op hun eigen innerlijke onvrede. Goede mensen laten zich waarschuwen voor onrecht en het stichten van onvrede. Goede mensen weten dat er pas leven zit in het stichten van vrede en het brengen van recht. Maar een profeet is ook verantwoordelijk om goede mensen het goede voor te houden. Daar hebben we nog wel eens misverstanden over. Dan denken goede mensen dat ze voor slecht uitgemaakt worden als ze opgeroepen worden het goede te blijven doen. Maar zo is het niet. We moeten samen blijven streven naar het goede en daarbij moeten we elkaar het einddoel blijven voorhouden, allemaal streven we immers naar een wereld waar alleen het goede gedaan wordt en niet dan het goede. Daar mogen we elke dag opnieuw weer aan werken, ook vandaag weer.

 

Koppig en eigenzinnig

Ezechiël 3:4-15

4 Daarop zei de stem tegen mij: ‘Mensenkind, ga naar de Israëlieten en breng hun mijn woorden over. 5 Ik stuur je niet naar een onverstaanbaar volk met een onbegrijpelijke taal, maar naar het volk van Israël. 6 Ik stuur je niet naar een van de vele onverstaanbare volken met talen die jij niet kunt begrijpen, al zouden die zeker naar je luisteren als Ik je naar hen toe zou sturen. 7 Maar de Israëlieten zullen niet naar je willen luisteren, omdat ze niet naar Mij willen luisteren, want heel het volk van Israël is koppig en eigenzinnig. 8 Daarom maak Ik jou even onbuigzaam, en even koppig. 9 Ik maak je harder dan steen, Ik maak je zo hard als diamant; daarom hoef je voor hen niet bang te zijn, daarom mag je je niet door hen laten afschrikken, hoe opstandig ze ook zijn.’ 10 Ook zei de stem nog: ‘Mensenkind, onthoud alles wat Ik je zal zeggen, luister er aandachtig naar. 11 Ga naar de ballingen, naar je volksgenoten, om te profeteren en zeg tegen hen: “Dit zegt God, de HEER … ” -of ze nu horen willen of niet.’ 12 Toen hief een geest mij op, en ik hoorde achter mij een zwaar dreunend geluid: ‘De majesteit van de HEER zij geloofd in zijn woning!’ 13 Het was het geluid van de vleugels van de wezens die elkaar raakten, en van de wielen naast hen; het klonk als een hevig dreunen. 14 De geest hief mij op en voerde mij weg. Bitter gestemd en ontdaan ging ik mee; de hand van de HEER had mij vastgegrepen. 15 Ik kwam weer in Tel-Abib, bij de ballingen die wonen bij het Kebarkanaal. Daar zat ik zeven dagen verdoofd in hun midden. (NBV21)

Verdoofd door het overweldigende visioen over de oppergod Mardoek die alleen maar kon dienen door de God van Israël op een troon van diamant en ijs rond te vliegen, was Ezechiël op de grond gevallen. Tot overmaat van ramp had die God van Israël hem ook nog toegesproken. Hij moest de boodschap van de God van Israël aan zijn volk brengen. Tot zijn verbazing was al de ellende waar het volk mee te maken had en waar het terecht over klaagde, zoet als honing. Langzaam kwam de profeet weer een beetje tot zichzelf. Zo moeilijk kon het toch niet zijn, hij werd niet naar een van die vele vreemde volken met een vreemde taal gestuurd, maar naar zijn eigen volk. Natuurlijk de God van Israël kon er best voor zorgen dat zo’n vreemd volk met een onverstaanbare taal zou begrijpen waar Ezechiël het over had, maar het was niet moeilijker voor hem dan nodig was, het was zijn eigen volk.

Zou dan dat eigen volk wel luisteren naar wat hij te zeggen had? Het leek er niet op. Dat volk had vreemde goden nagelopen. Dat volk was overweldigd door de vele sterke goden van Babel. Door de rijkdom en de macht van dat grote rijk, rijkdom en macht waar mensen graag deel aan hebben. De God van Israël had niet gezorgd voor zo’n groot rijk, de Tempel van die God was verwoest. Maar het volk van Israël had niet dat visioen gezien dat Ezechiël had gezien. Zo’n visioen maakt je sterk, daar ga je niet aan voorbij. Door dat visioen zou Ezechiël net zo onbuigzaam en koppig worden als het volk al was. Hij, de slappeling die voor God op de grond viel, zou een man van staal worden.

Wat een verhaal was dit. Wat deed de God van Israël Ezechiël aan? Alle goden van Babel riepen de lof van de God van Israël. Dat mocht hij gaan uitleggen aan het zielige groepje ballingen aan de rivier, een kanaal eigenlijk, het Kebarkanaal. Ballingen die treurig zaten bij de rivieren van Babel, hun lieren hadden ze in de wilgen gehangen en ze weenden als ze dachten aan het Jeruzalem waaruit ze waren verbannen. Bitter en ontdaan overdacht Ezechiël wat er met hem was gebeurd. Maar terug moest hij, terug naar Tel-Abib, de vloedheuvel, waar het schuim der aarde was aangespoeld. Wij hebben ook wel eens van die visioenen, van een aarde waar de natuur wordt bewaard, waar vrede en gerechtigheid heerst, waar iedereen mee mag doen, waar voor iedereen te eten is. We houden niet op er over te praten, we hebben immers het voorbeeld van Ezechiël, die zat zeven dagen als verdoofd na zijn visioen. Wij kunnen ondertussen aan het werk gaan. Hoe? Als Kerk in actie, zoek de internetsite van Kerk in actie maar op en doe mee.

 

Wees niet opstandig

Ezechiël 1:28b–3:3

28b Ik hoorde een stem, 1 die tegen mij zei: ‘Mensenkind, kom overeind, dan zal Ik met je spreken.’ 2 Terwijl deze woorden klonken, voer er een geest in mij die me weer overeind deed komen, en ik hoorde dat er opnieuw tegen mij werd gesproken: 3 ‘Mensenkind, Ik stuur jou naar de Israëlieten, naar dat weerspannige volk dat tegen Mij in opstand is gekomen. Tot op de dag van vandaag verzetten ze zich tegen Mij, zoals ook hun voorouders hebben gedaan. 4 Naar dat volk, dat zo halsstarrig en eigenzinnig is, stuur Ik jou. Je moet tegen hen zeggen: “Dit zegt God, de HEER … ” 5 En of ze nu horen willen of niet-het is immers een opstandig volk-,ze zullen weten dat er een profeet in hun midden is geweest. 6 Maar jij, mensenkind, jij hebt van hun woorden niets te vrezen, je hoeft voor hen niet bang te zijn, al zijn ze als brandnetels en doornstruiken en belagen ze je als schorpioenen. Je hoeft je door dat volk niet te laten afschrikken of angst te hebben voor hun woorden, hoe opstandig ze ook zijn. 7 Je moet hun laten weten wat Ik te zeggen heb, of ze nu horen willen of niet, hoe opstandig ze ook zijn. 8 Jij, mensenkind, luister naar mijn woorden en wees niet opstandig zoals dat volk. Doe je mond wijd open en eet wat Ik je te eten geef.’ 9 Ik keek, en zag een hand die naar mij was uitgestrekt en een boekrol vasthield. 10 Die werd voor mijn ogen uitgerold en ik zag dat hij aan beide kanten beschreven was. Dit stond erop te lezen: Klaagliederen, en gezucht en gesteun. 1 De stem zei tegen mij: ‘Mensenkind, eet op wat je wordt voorgehouden; eet deze rol op en ga naar de Israëlieten om te profeteren.’ 2 Ik opende mijn mond en kreeg de boekrol te eten, 3 en de stem zei: ‘Mensenkind, vul je maag en je buik met deze rol, die Ik je geef.’ Ik at de rol op; hij was zo zoet als honing. (NBV21)

Overweldigd door het geweldige visioen werpt Ezechiël zich op de grond. Wat moet je met een beeld van de oppergod van Babel, de donderwolk Marduk, die gebruikt wordt als een zonnewagen door de God van Israël? Daarmee hoef je niet bij dat volk aan te komen. Ze zijn niet voor niets in ballingschap gevoerd. Hun God heeft het verloren. Maar de macht en de glorie, die het visioen aan Ezechiël heeft laten zien, brengen hem op andere gedachten. Het is alsof hij een stem hoort die hem vertelt niet bang te zijn voor de woorden van zijn volk. Ezechiël blijft in beelden spreken, al zijn ze als brandnetels en doornstruiken en belagen ze je als schorpioenen je hoeft je niet te laten afschrikken. Zo’n beeld doet denken aan de cynici uit onze dagen, die spreken van knuffelaars en theedrinkers als ze het hebben over mensen die in onze samenleving vrede en verdraagzaamheid willen brengen. Net als Ezechiël moet die taal ons niet laten afschrikken en ons gewoon laten doen waar we in geloven.

Maar dan moeten we zelf ook niet opstandig willen zijn. Bang voor een verbaal sterke tegenstander die haat zaait en mensen tegen elkaar opzet. Die niet de problemen wil oplossen die er zijn, dus niet wil dat we spreken met mensen die overlast veroorzaken en met hen de maaltijd gaan gebruiken zodat de overlast kan verdwijnen en onze samenleving versterkt. Die alleen in termen van zij en wij, van kwaad en goed, wil praten. Wij moeten ons niet van de wijs laten brengen en blijven op de Weg die de God van Israël ons heeft gewezen. De Weg die ook aan de profeet Ezechiël werd gewezen. Ook al was dat volk in ballingschap gevoerd, zat het aan de oevers van de rivieren van Babylon en weende het als het terugdacht aan het verwoeste Jeruzalem, zoals ons in Psalm 137 wordt geschilderd, toch moest Ezechiël de boodschap van bevrijding door de God van Israël brengen.

Weer komt er zo’n treffend beeld zoals dat heel het boek van de profeet Ezechiël door zal gebeuren. Hier gaat het om een boekrol die gegeten moet worden. Later zou een Engelse schrijver het eten van een boekje gebruiken in Alice in Wonderland, het verhaal vol absurde gebeurtenissen. Maar zo absurd is dit niet. Die boekrol was niet zomaar een boekrol. De Leer van Mozes, de boeken van de profeten en de geschriften waren in boekrollen opgeschreven, heel de Hebreeuwse Bijbel zoals ze die mee naar Babel hadden genomen was in boekrollen opgeschreven. Op de boekrol die Ezechiël nu te zien kreeg stonden klaagliederen en gezucht en gesteun. Moest hij het daarvan hebben? Je proeft de aarzeling in het verhaal. Maar de klaagliederen en het gezucht en gesteun smaakten zoet als honing. En wie in onze dagen werkt in de voedselbanken voor mensen in nood, in de Fair Trade winkels, als vrijwilliger in thuiszorg of ziekenhuis, weet dat het geklaag en gesteun waarbij je mag helpen uiteindelijk gaat smaken als zoete honing, want je mag het leed verzachten, je mag meegaan met mensen die het nodig hebben, ze weer in beweging brengen en een toekomst laten zien. Dat mag dus ook vandaag weer.

 

Waarheen Gods geest hen leidde

Ezechiël 1:15-28a

15 Opnieuw keek ik naar de wezens, en ik zag bij elk van de vier een wiel op de grond staan, aan de voorkant.16 De wielen glansden alsof ze gemaakt waren van turkoois en ze hadden alle vier dezelfde vorm: ze leken op een wiel midden in een ander wiel. 17 Ze gingen met de vier wezens mee, zonder om te draaien. 18 Hun velgen waren angstwekkend hoog, en elk van de vier velgen was afgezet met ogen. 19 Als de wezens zich bewogen, gingen de wielen mee, en als de wezens opstegen van de aarde, stegen ook de wielen op. 20 Waarheen Gods geest hen leidde, daarheen gingen de wezens: zij volgden de geest en de wielen stegen met hen op, want een en dezelfde geest leidde de wezens en de wielen. 21 Als de wezens zich bewogen, bewogen ook de wielen, en als ze stilstonden, stonden ook de wielen stil. Als ze van de aarde opstegen, stegen ook de wielen op; een en dezelfde geest leidde immers de wezens en de wielen. 22 En boven de hoofden van de wezens was een soort koepel, glinsterend als ijs, angstwekkend-deze koepel strekte zich hoog boven hun hoofden uit. 23 Daaronder stonden ze. Hun uitgespreide vleugels raakten die van de wezens aan weerszijden en hun twee andere vleugels waren toegevouwen en bedekten hun lichamen. 24 Toen hoorde ik het geluid van hun vleugels. Het klonk als het gebulder van de zee, als de stem van de Ontzagwekkende, als het rumoer van een mensenmassa, als een dreunend leger. Wanneer ze stilstonden vouwden ze hun vleugels weer toe. 25 Toen hoorde ik ook een geluid boven de koepel boven hun hoofd-maar zijzelf stonden stil met toegevouwen vleugels. 26 En boven de koepel zag ik iets dat leek op een troon van saffier, en daarboven, op die troon, zag ik een gedaante als van een mens. 27 Vanaf wat zijn heupen leken te zijn naar boven toe zag ik iets dat glansde als wit goud en door iets als vuur omgeven was, en naar beneden toe zag ik iets als vuur, omgeven door een stralende gloed. 28 Zoals de boog die bij regen verschijnt in de wolken, zo zag die gloed eruit. Dit was de aanblik van de stralende verschijning van de HEER, en toen ik dit alles zag, wierp ik me voorover op de grond. (NBV21)

Wat een gedoe, die beschrijving van de wagen van de wezens met de wielen die wel of niet over de aarde rijden met al die ogen op de velgen en daarop een troon met iets als van een mens. Voor onervaren bijbellezers een brij van onbegrijpelijke beelden. Wat laat die profeet Ezechiël ons nou helemaal zien. Om te beginnen een kubus, zoiets als de Kaabah in Mekka, die kubus waar de Moslims zich heen buigen. Men neemt aan dat in het boek Ezechieël met die kubus de Tempel in Jeruzalem wordt bedoeld, compleet met een koepel zoals de Al Aksa moskee die op de Tempelberg staat. In de Tempel werden de platen met de tien grondregels bewaard. Maar daarboven uit troont de God van Israël. “Op iets dat leek op een troon” zegt de profeet. Menselijke woorden om het goddelijke uit te drukken. Dat geldt ook voor de beschrijving van de God zelf. “een gedaante als van een mens”. De mens is immers naar Gods beeld en gelijkenis geschapen. De mens valt niet samen met God, God gaat verre boven de mens uit. Maar als je God moet beschrijven gebruik je maar menselijke beelden, andere woorden, andere beelden hebben we niet om over God te spreken, maar als we genoeg afstand inbouwen dan moet het maar zo.

We hadden al gezien dat die dieren de goden van Babel voorstelden. Maar dan die ogen, al die ogen op de velgen. Geleerden strijden er nog over wat daarvan de precieze betekenis kan zijn. Niet dat we het wel weten maar ogen worden in religieuze afbeeldingen nog wel eens gebruikt als waarschuwing: god ziet alles. Vroeger kregen kinderen nog wel eens een zogenaamd alziend oog in een plaat op hun slaapkamer hangen, als waarschuwing dat God alles ziet. Nu beseft Ezechiël ook dat al die goden, al die krachten en machten van hemel en aarde onderworpen zijn aan de God van Israël. Die prachtige wagen met die schitterende troon wordt bestuurd door de Geest van God. Al die machten en krachten, al die goden en godjes, met hun alziende ogen, hun spionerende ogen, zijn uiteindelijk onderworpen aan de God van Israël. In onze dagen zijn het de geheime diensten, zelfs die van bevriende mogendheden, die alles willen zien, waardoor mensen moeten zwijgen en in het verborgen hun dromen moeten dromen.

Ezechiël ziet dat zelfs ballingen in een vreemd en machtig land dat vol staat met tempels en godenbeelden niet bang hoeven te zijn voor het verlies van hun identiteit. Ook in de ballingschap laat de God van Israël niet los het werk dat hij begonnen is. Dat volk, dat als lichtend voorbeeld van de liefde van God de wereld de glorie van God zou laten zien, komt er. Het is een geweldig visioen. Het is ook een dapper visioen. Zonder de troon met God er op is het visioen al indrukwekkend genoeg. Het schittert zoals ook in onze dagen dictaturen kunnen schitteren, ze weten alles en het lijkt of ze alles beheersen. Maar dat beheersen gaat alleen met geweld. In Syrië kunnen we dat dagelijks zien, zeker nu na de val van het regiem de verhalen over geweld en onderdrukking verteld kunnen worden. Langzaam hoort de wereld de roep van de onderdrukten die ondanks de dreiging met de dood de straat op gaan in Iran. Langzaam wordt de liefde voor het leven zo groot dat de wereld de dood van demonstranten niet meer accepteert. Als wij dat willen zal ook hier de Liefde van God, Gods geest zelf, de wagens van dictators en politici gaan besturen. Via internet kunnen we de demonstranten steunen, de vrijheid gestalte geven. Dat moeten we dus ook maar doen vandaag.

 

Ze zagen eruit als fakkels

Ezechiël 1:1-14

1 Op de vijfde dag van de vierde maand in het dertigste jaar, toen ik te midden van de ballingen bij het Kebarkanaal woonde, opende zich de hemel en kreeg ik een visioen van God. 2-3 (Op de vijfde dag van die maand, en wel in het vijfde jaar van koning Jojachins ballingschap, richtte de HEER zich tot de priester Ezechiël, de zoon van Buzi, in het land van de Chaldeeën, bij het Kebarkanaal. Daar werd hij door de hand van de HEER gegrepen.) 4 Dit is wat ik zag: een stormwind, komend uit het noorden, een grote gloeiende wolkenmassa, een vuur van bliksemflitsen. Daar middenin zag ik iets dat glansde als wit goud. 5 In het midden van het vuur zag ik iets dat leek op een viertal wezens. Zo zagen ze eruit: ze leken op mensen 6 maar ze hadden elk vier gezichten en vier vleugels. 7 Hun benen waren recht en hun voeten, die blonken als gepolijst brons, leken op de hoeven van een kalf. 8 Aan hun vier zijden, onder hun vleugels, zag ik mensenhanden. De gezichten en vleugels van de vier wezens zagen er zo uit: 9 hun vleugels raakten elkaar, en omdat ze aan elke kant een gezicht hadden, hoefden de vier wezens zich niet om te draaien als ze zich voortbewogen. 10 Hun gezichten leken van voren op het gezicht van een mens en van rechts op de muil van een leeuw, van links op de kop van een stier en van achteren op de bek van een adelaar. 11 Dat waren hun gezichten. Twee van hun vleugels waren naar boven uitgespreid en raakten die van de wezens aan weerszijden, en met de andere twee bedekten ze hun lichaam. 12 Elk van de wezens bewoog zich recht vooruit, waarheen de geest van God hen ook maar dreef, en ze hoefden zich, waarheen ze ook gingen, niet om te draaien. 13 Ze zagen eruit als iets dat leek op brandende, vurige kolen; ze zagen eruit als fakkels. Er ging vuur heen en weer tussen de wezens, een gloeiend vuur, en er kwam bliksem uit het vuur. 14 En zo flitsten de wezens heen en weer, als bliksemstralen. (NBV21)

Vandaag beginnen we te lezen in het boek van de profeet Ezechiël. Wie dat precies was weten we niet. In zijn boek komt zijn naam een keer of drie voor en zijn naam betekent zoiets als “De Heer is een redder”. Hij was opgeleid tot priester en was met de elite van Jeruzalem in ballingschap gevoerd naar Babel. Nu is een profeet geen toekomstvoorspeller, geen waarzegger, maar een profeet zegt de waarheid over de samenleving waarin hij leeft. En die waarheid was een en al somberheid. Ooit was er in het Ur der Chaldeeën een familie geweest die meende een stem van een God gehoord te hebben. Die stem had de familie bevolen uit het land van de Chaldeeën weg te trekken omdat uit die familie een groot volk zou voortkomen. Ze waren naar Haran gegaan, daar was aan de zoon Abram opnieuw die God verschenen en had hem opgedragen door te reizen naar Kanaaän want dat land zou die God hem geven. Dat was niet gemakkelijk geweest, dat wist Ezechiël ook wel, maar uiteindelijk hadden ze in Juda een welvarende staat met in het centrum een prachtige hoofdstad Jeruzalem met een echte Tempel voor de God van Israël. En de belofte dat ze dat land en die stad voor eeuwig zouden bezitten.

Maar nu zaten ze in het land van de Chaldeeën bij het Kebarkanaal. Ze keken uit op de machtigste stad van de wereld, op Babel, met zelfs wereldwonderen, hangende tuinen die je nergens kon zien. De goden van Babel hadden alle andere goden verslagen en in Babel hadden ze nog al veel goden. Oppergod was de God van de donder, Mardoek, die had ook de God van Israël verslagen zo was aan de ballingen verteld. Daar zat Ezechiël toen hij door de hand van de Heer werd gegrepen. Op de een of andere manier kon hij kennelijk niet geloven dat de God van Abraham was overwonnen, dat de God van Mozes en de richtlijnen voor een menselijke samenleving was overwonnen door een dondergod. Hoe zat het dan wel in elkaar? Toen zag hij de donderwolk in de verte. Daar kwam de God Mardoek, de wolk schitterde en wezens flitsten heen en weer als bliksemstralen. Mardoek was de baas van alle goden van Babel en dat was te zien merkte Ezechiël. Hij zag wezens met vleugels en dierenlichamen en gezichten als van mensen. In Irak, waar Babel ooit lag, konden wij vroeger in vakanties ook dat soort beelden opzoeken. In de verhalen over Alexander de Grote zijn ze ook te vinden. Nu zijn ze waarschijnlijk gesneuveld in weer een oorlog, maar ze waren er wel.

Er was iets bijzonders met die beelden. Ze hadden vleugels, elk vier, twee waren er omhoog gericht en raakten elkaar. Ezechiël dacht direct terug aan het allerheiligste dat hij had geleerd. In een kamer in de Tempel in Jeruzalem stond een kist van acaciahout, daar werden de grondregels voor de menselijke samenleving bewaard. Op die kist stonden twee Cherubim, beelden van goud, met vleugels naar elkaar gericht. Zij gaven aan hoe heilig die kist wel niet was. Het was de voetenbank van zijn God op aarde. De beelden uit de onweerswolk van Mardoek hadden ook twee vleugels waarmee ze vlogen, voor elke windrichting waren er vleugels, die wolk ging de hele wereld over. En ze werd gestuurd door de Geest van de God van Israël zag Ezechiël. Het was te raar voor woorden. Een verslagen God die de godenwereld van het machtige Babel bestuurde? Ezechiël is de profeet van het zien. De profeten van het horen, Jesaja en Jeremia, Amos en al die anderen hadden het volk niet echt weten te bereiken. Nu kwam er een profeet van het zien. Misschien hebben wij die ook wel nodig. Ook in onze dagen lijkt het er op dat de God van Israël, de vader van Jezus, dood is. Wie gelooft daar nog in? Andere machten hebben het voor het zeggen in de wereld. Het draait om geld en om macht. Misschien dat wij ook kunnen zien dat ook die machten gestuurd worden door een God die van mensen vraagt macht dienstbaar te maken aan de zwaksten en geld te delen met wie het nodig hebben. Als we dat beeld vasthouden gaan we heel anders naar onze wereld kijken.

Tot het doodsgevaar is geweken

Psalm 57

1 Voor de koorleider. Op de wijs van Verdelg niet. Van David, een stil gebed, toen hij voor Saul was gevlucht in een spelonk. 2 Wees mij genadig, God, wees mij genadig, want bij U is mijn leven geborgen. In de schaduw van uw vleugels zal ik schuilen, tot het doodsgevaar is geweken. 3 Ik roep tot God, de Allerhoogste, tot God, die mij beschermt. 4 Uit de hemel zal Hij hulp sturen, wie mij bedreigt wordt smadelijk verjaagd. sela Ja, God stuurt mij zijn liefde en trouw. 5 Tussen leeuwen moet ik liggen, tussen dieren die mensen verslinden, hun tanden zijn speren en pijlen, hun tong is een geslepen zwaard. 6 Verhef u boven de hemelen, God, laat uw glorie heel de aarde vervullen. 7 Ze hadden een net op mijn weg gespannen om mij ten val te brengen, ze hadden voor mij een kuil gegraven, maar vielen er zelf in. sela 8 Mijn hart is gerust, o God, mijn hart is gerust, ik wil voor U zingen en spelen. 9 Ontwaak, mijn ziel, ontwaak met harp en lier, ik wil het morgenrood wekken. 10 U, Heer, zal ik loven onder de volken, over U zingen voor alle naties. 11 Hemelhoog is uw liefde, tot aan de wolken reikt uw trouw. 12 Verhef u boven de hemelen, God, laat uw glorie heel de aarde vervullen. (NBV21)

Er zijn van die omstandigheden waarin het voelt alsof er een mes door je hart gaat. Ziekte, werkloosheid, oorlog, onderdrukking noem maar op, we kunnen ons er allemaal wel iets bij voorstellen. Vandaag voor velen omdat een voetbalwedstrijd verloren werd. In de loop van de eeuwen zijn er altijd liederen geschreven om mensen de gelegenheid te geven die omstandigheden een plaats te geven, om er mee verder te kunnen in het leven. De Psalm die we vandaag meezingen uit het boek van de Psalmen is zo’n lied. In het Hebreeuws staat het er ook boven: Miktam, de juiste vertaling er van kennen we niet maar het heeft iets met inscriptie te maken, of kleinood zoals Luther vertaald, maar reken maar dat samen met de uitroep “verdelg niet” het de bedoeling heeft het letterlijk doorboren van je hart tegen te gaan.

Het is dan ook wat, die omstandigheden die de dichter van de Psalm door het hart snijden. David wordt hier genoemd in een verhaal dat in de boeken van Samuël wordt verteld. David had Goliath verslagen en was als jonge harpspeler, als musicus naar het hof van Saul ontboden om daar de Koning met zijn muziek rust te geven, te kalmeren als deze zich zal op te winden over al de oorlogen die gevoerd moest worden. Ook David kon de oorlog aan tegen de buurvolken die Israël steeds kwamen leegroven. Maar Saul was jaloers geworden en David had moeten vluchten. Hij was een ordinaire bendeleider geworden in de woestijn die zich schuil moest houden voor zijn koning. Samen met zijn manschappen had hij zich in een spelonk moeten verbergen.

Maar juist in die ellendige omstandigheden trekt de God van Israël met je mee. Daar zingt deze Psalm van. Het hart wordt gevormd door een uitspraak die bij ons een spreekwoord is geworden: “wie een kuil graaft voor een ander valt er zelf in”. Koningen die alleen zichzelf kunnen zien, die geen andere machten naast zich dulden worden tot dictators en krijgen vroeg of laat het hele volk tegen zich. In de Oekraïne zien we dat van dag tot dag. De liefde en het recht zullen vrede brengen, God brengt uitkomst zeggen we dan op z’n Bijbels. Maar het zegt ook dat we onder alle omstandigheden vast moeten houden aan het heb uw naaste lief als uzelf. Dat was wat Jezus van Nazareth ons ook heeft voorgeleefd. Het volk Israël herkende in die manier van leven de regeringsperiode van Koning David, wij kennen het als de liefde tot gids maken op ons dagelijks levenspad. Welke omstandigheden ons ook overkomen, dat kunnen we volhouden, elke dag opnieuw ook vandaag weer.