Blijf daar niet zo staan!

1 Samuël 20:35–21:1

35 De volgende morgen ging Jonatan de stad uit om David op de afgesproken plaats te ontmoeten; hij nam een jonge knecht mee. 36 ‘Zoek snel de pijlen op die ik afschiet,’ beval hij hem. Zodra de jongen wegrende, schoot Jonatan een pijl over hem heen. 37 Toen de jongen bij de plek kwam waar de pijl terecht was gekomen, riep Jonatan hem na: ‘Ligt de pijl niet verder weg?’ 38 En: ‘Schiet op, blijf daar niet zo staan!’ Jonatans knecht raapte de pijlen bij elkaar en bracht ze terug naar zijn meester. 39 Hij wist natuurlijk niet waar het om ging, maar Jonatan en David des te beter. 40 Jonatan gaf zijn wapens aan zijn knecht en droeg hem op ze naar de stad terug te brengen. 41 Zodra de jongen weg was, kwam David van achter de rotsblokken tevoorschijn, knielde neer en boog driemaal diep voorover. Ze kusten elkaar terwijl hun de tranen over de wangen liepen, tot Jonatan zich vermande 42 en zei: ‘Vaarwel. Onthoud wat wij tweeën elkaar bij de naam van de HEER gezworen hebben en dat wij en onze nakomelingen daar voor altijd aan gehouden zijn. De HEER is onze getuige.’ 1 Daarop ging David weg en Jonatan keerde terug naar de stad. (NBV21)

De relatie tussen David en Jonathan. de Bijbel draait er niet over heen. Deze twee mannen houden van elkaar. Ze hebben alles voor elkaar over. Als Koning Saul David wil doden neemt Jonathan zijn geliefde in bescherming. Jonathan neemt het niet langer en waarschuwt David op de eerder afgesproken manier. De twee geliefden moeten nu afscheid van elkaar nemen. Dat doen ze als niemand ze meer kan zien wordt er dan verteld. Jonathan gaat dan terug naar de stad. David gaat opnieuw naar een heiligdom.

Eerst was hij in Rama geweest bij Samuël, maar daar had Saul hem weten te vinden. Nu zoekt hij zijn heil in een ander heiligdom, dat in Nob bij de priester Achimelech. Geleerden nemen aan dat de familie van Eli verhuisd is nadat de Ark van het Verbond door de zonen van Eli in de strijd tegen de Filistijnen was ingebracht en door de Filistijnen was veroverd. Die priesterfamilie was dan in Nob terechtgekomen. We moeten bedenken dat een centraal heiligdom als de Tempel in Jeruzalem pas na David gebouwd zou worden en nog veel later een echt centraal heiligdom voor Israël zou worden.

Priesters en Levieten hadden geen eigen land in Israël. Zij moesten leven van het recht en de trouw van Israël aan het verbond. Daarom waren er Priestersteden. Hier werden ook de roosters opgesteld voor de diensten in het Heiligdom. De Tabernakel was kennelijk in Nob terecht gekomen. Onder de vorige Priester Eli had de Ark nog een rol gespeeld, maar sinds er een koning is raakte die uit beeld. David zal later de Tabernakel en vooral de Ark van het verbond weer centraal stellen. De relatie met Jonathan die hem het leven heeft gered maakt dat hij weer bij God onder ogen kan komen. Liefde overwint alles en Paulus zal ons voorhouden dat overal waar liefde is God ook aanwezig is. Dus ook bij de liefde tussen de twee mannen die de toekomst van Israël bepalen, in liefde voor elkaar.

Waarom moet hij sterven?’

1 Samuël 20:24-34

24 David hield zich dus buiten de stad verborgen. Met nieuwemaan zette de koning zich aan het feestmaal. 25 Toen de koning ging zitten, op zijn vaste plaats tegen de wand, stond Jonatan op. Abner nam plaats naast Saul; Davids plaats bleef onbezet. 26 Saul zei er die dag niets van; hij dacht: Er is vast iets gebeurd waardoor hij onrein geworden is, ja, dat zal het zijn. 27 Maar toen Davids plaats de volgende dag, de tweede dag van het nieuwemaansfeest, nog steeds onbezet bleef, vroeg Saul aan zijn zoon Jonatan: ‘Waarom is de zoon van Isaï niet aan de maaltijd verschenen, gisteren niet en vandaag ook niet?’ 28 ‘David heeft mij dringend verlof gevraagd om naar Betlehem te gaan,’ antwoordde Jonatan. 29 ‘“Laat me alsjeblieft gaan,” vroeg hij. “Er wordt bij mij thuis in de familiekring een offerfeest gehouden, en mijn broer heeft mij gezegd dat ik moet komen. Wees zo goed mij ongehinderd naar huis te laten gaan, zodat ik mij bij mijn broers kan voegen.” Daarom laat hij zich verontschuldigen bij het feestmaal van de koning.’ 30 Woedend barstte Saul tegen Jonatan uit: ‘Hoerenjong! Alsof ik niet weet dat jij de kant van de zoon van Isaï hebt gekozen. Je maakt jezelf te schande, en de moeder bij wie ik je verwekt heb erbij! 31 Zolang de zoon van Isaï hier op aarde rondloopt, ben jij je leven en je koningschap niet zeker. Laat hem onmiddellijk halen en breng hem bij me, want hij is ten dode opgeschreven.’ 32 ‘Maar waarom moet hij sterven?’ vroeg Jonatan. ‘Wat heeft hij misdaan?’ 33 Daarop slingerde Saul zijn speer naar Jonatan in een poging om hem te treffen. Toen begreep Jonatan dat zijn vader vastbesloten was om David uit de weg te ruimen. 34 Woedend liep hij van tafel weg, zonder dat hij die tweede dag van het nieuwemaansfeest iets gegeten had, want hij maakte zich zorgen om David en was gegriefd omdat zijn vader hem zo beledigd had. (NBV21)

Er is een feestdag in de geschiedenis die de Bijbel vertelt waar we maar weinig aandacht aan schenken. Dat is de feestdag van de nieuwe maan. Op allerlei plaatsen in de Bijbel wordt echter de indruk gewekt dat die feestdag net zo belangrijk is geweest als de Sabbath. Ook op nieuwe maan werden er feestmaaltijden gehouden of werd een heiligdom bezocht. Dat Koning Saul op de feestdag van de nieuwe maan een feestmaaltijd houdt is dus niet zo vreemd. Maar de plaats van David blijft leeg. Nu was David legeraanvoerder en dus veel in oorlog. Voordat hij aan een dergelijke religieuze maaltijd had kunnen deelnemen zou hij zich eerst ritueel moeten reinigen, dat kost tijd en daarom zou hij aanvankelijk verhinderd geweest kunnen zijn.

Maar als hij de tweede dag van het feest ook verstek laat gaan dan is er wat aan de hand. Zoals afgesproken neemt Jonathan het voor David op. Er zou een offermaaltijd worden gehouden in Bethlehem waar David niet mocht ontbreken. Jonathan had David dus laten gaan.De speer die David een paar maal bijna had getroffen dreigt nu Jonathan te treffen. De zoon van Isaï, klinkt het beledigend, moet en zal dood. De liefde van Jonathan voor David staat zijn trouw aan zijn vader overigens niet in de weg. Telkens weer had hij tevergeefs zijn vader er van proberen te weerhouden kwaad te doen tegen David. Maar de woede van Saul had zich in de tijd steeds vermeerderd.

Saul was er echt van overtuigd geraakt dat David de volgende koning van Israël zou willen worden en dat de kansen van Jonathan op de opvolging verkeken zouden zijn als David in leven zou worden gelaten. Jonathan kiest echter voor het leven van David. Overigens zoals David voor het leven van Saul zal kiezen. Die keuze voor het leven staat als gebod in het boek Deuteronomium. Het is daarom dat beiden God als getuige kunnen inroepen voor de eden die zij elkaar gezworen hebben. De eed dat ze elkaar trouw zouden blijven en de eed dat ze elkaars nageslacht niet zullen uitroeien. Na de dood van Salomo zal dit leiden tot de scheiding van het land in een Noordrijk en een Zuidrijk. Voor ons betekent dit dat de keuze voor het leven altijd de goede keuze is, aan wie we ook trouw willen blijven. Trouw aan de God van Israël gaat voorop. Elke dag opnieuw mogen we die keuze maken, ook vandaag weer.

 

Een eed op hun vriendschap

1 Samuël 20:11b-23

Toen ze samen buiten de stad waren gekomen 12 zei Jonatan: ‘Bij de HEER, de God van Israël: morgen of overmorgen om deze tijd zal ik uitzoeken hoe mijn vader over je denkt. Als het er goed voor je uitziet, zal ik een boodschap sturen om het je te laten weten. 13 Maar mocht mijn vader zich het in zijn hoofd hebben gezet om je kwaad te doen, dan mag de HEER met mij doen wat Hij wil, als ik je dat niet zou laten weten en er niet voor zou zorgen dat je een veilig heenkomen kunt vinden. Moge de HEER je bijstaan zoals Hij eerst mijn vader bijstond. 14 Ik weet wel dat je me zolang als ik leef goed zult behandelen, zoals de HEER dat voorschrijft, maar beloof me dat je ook na mijn dood 15 mijn nakomelingen steeds goedgezind blijft, zelfs wanneer de HEER al je vijanden een voor een van de aardbodem wegvaagt.’ 16 Jonatan sloot een verbond met het huis van David met de woorden: ‘Moge de HEER je daaraan houden.’ 17 Vervolgens liet hij David dit bekrachtigen met een eed op hun vriendschap, want hij had David lief als zijn eigen leven. 18 Daarna zei hij: ‘Als je plaats morgen tijdens het nieuwemaansfeest leeg blijft, zal men je zeker missen. 19 Overmorgen moet je een flink eind weggaan en je verbergen op dezelfde plek als de vorige keer, bij de Haëzelrots. 20 Ik zal drie pijlen op de rots afschieten, alsof ik op een doel mik, 21 en die door mijn wapendrager laten ophalen. Als ik tegen hem roep: “Nee, dichterbij!”, neem hem dan mee en kom naar me toe, want zo waar de HEER leeft, dan kun je gerust zijn en is er niets aan de hand. 22 Maar als ik roep: “Nee, erderop!”, dan moet je vertrekken, want dan is het de HEER zelf die je wegstuurt. 23 En bij alles wat we nu hebben afgesproken, jij en ik, is de HEER onze getuige.’ (NBV21)

Trouwe Bijbellezers kennen de afloop, maar die doet hier even nog niet ter zake. De oplossing die de beide mannen kiezen voor het bericht over de houding van Koning Saul beslecht een ander conflict, een conflict uit het verleden. Het conflict tussen Kaïn en Abel. Daar gingen twee broers het veld in en de ene broer dode de ander. Hier zullen twee broers het veld ingaan en maakt de ene broer het mogelijk dat de ander in leven blijft. In dit verhaal wordt gekozen voor het leven. Een keuze die mogelijk gemaakt wordt door de liefde.

Een keus die wij dus ook mogen maken. Als wij werkelijk van onze naaste houden als van onszelf dan gunnen we die naaste een even liefdevolle relatie als wij voor onszelf willen. Met wie die relatie ook wordt aangegaan. Want zeg nu zelf, zou een ander jouw relatie mogen verbieden? Zo mogen we het elke dag opnieuw mogelijk maken dat mensen van elkaar kunnen houden, ook vandaag weer. In het verhaal over David en Jonathan wordt voortdurend de nadruk gelegd op de liefde tussen de twee. Ze zweren zelfs elkaar tot hulp en bijstand te zijn, een bekende huwelijksbelofte.

David is ingetrouwd in het huis van Saul. Pas als Saul en zijn zonen in de slag gestorven zijn zal hij echt koning van Israël worden. Door de innige vriendschap met Jonatan wordt dat huwelijk van David eigenlijk een politiek huwelijk, het is een factor in het spel om het koningschap van Israël. David weigert in opstand te komen tegen Saul. Hij was zeer populair bij het volk en had daardoor de sympathie van Saul verspeeld. Maar populisme mag volgens de Bijbel niet lijden tot geweld, ook in onze dagen mogen we daar soms wel wat meer op letten.

Zeg me wat je wilt

1 Samuël 20:1-11a

1 David maakte dat hij uit het profetenhuis in Rama wegkwam. Hij ging naar Jonatan en vroeg hem: ‘Wat heb ik misdaan? Waaraan heb ik me schuldig gemaakt? Wat heb ik je vader aangedaan, dat hij mij wil doden?’ 2 ‘Er is geen sprake van dat jij moet sterven,’ antwoordde Jonatan. ‘Mijn vader doet immers nooit iets zonder mij in vertrouwen te nemen, al is het nog zo onbelangrijk. Zou hij dan zoiets voor mij verborgen houden? Dat bestaat niet!’ 3 Maar David hield vol: ‘Je vader weet heel goed dat jij op me gesteld bent. Daarom denkt hij: Jonatan mag dit niet te weten komen, het zou hem maar verdriet doen. Maar ik zweer je, zo waar de HEER leeft en zo waar jij leeft, Jonatan, ik ben maar één stap van de dood verwijderd.’ 4 ‘Zeg me wat je wilt, en ik zal het voor je doen,’ zei Jonatan, 5 en David antwoordde: ‘Luister, morgen is het nieuwemaan. Eigenlijk zou ik dan met de koning aan de maaltijd moeten aanzitten. Maar als jij me verlof geeft, houd ik me buiten de stad schuil tot het donker is. 6 Als je vader mijn afwezigheid opmerkt, moet je zeggen: “David heeft mij dringend gevraagd om te mogen afreizen naar zijn vaderstad Betlehem, waar zijn hele familie bijeen is voor het jaarlijkse offerfeest.” 7 Als hij zegt dat het goed is, kan ik gerust zijn, maar als hij boos wordt, dan weet je dat hij vast van plan is om mij kwaad te doen. 8 Op jouw aandringen hebben jij en ik elkaar tegenover de HEER trouw gezworen, bewijs me dus alsjeblieft deze vriendendienst: als ik iets heb misdaan, dood jij me dan, maar lever me niet uit aan je vader.’ 9 ‘Dat nooit!’ riep Jonatan uit. ‘Mocht ik erachter komen dat mijn vader van plan is om je kwaad te doen, dan zal ik het je beslist laten weten.’ 10 ‘Hoe kom ik te weten of je vader boos gereageerd heeft?’ vroeg David. 11 ‘Wacht, laten we eerst de stad uit gaan,’ stelde Jonatan voor. (NBV21)

Jonathan en David. Twee vrienden die elkaar lief hadden en een verbond van eeuwige trouw hadden gesloten. Daar lezen we vandaag over. Die vriendschap vinden we mooi, maar met die liefde hebben we nogal wat moeite. Twee mannen die met elkaar trouwen, want wat is een verbond van eeuwige trouw anders, dat is nieuw. Deze vriendschap heeft kennelijk de goedkeuring van de God van Israël. Deze liefde maakt zelfs een toekomst voor Israël mogelijk. De Koning waarvan God zich had afgekeerd zal niet de ondergang van Israël betekenen. Jonathan sluit in dit verhaal nogmaals een verbond, een verbond met het huis van David. Daarbij gaat het om de toekomst. Daarbij gaat het veel later in de geschiedenis van Israël om de vraag wie de wettige koning van Israël mag zijn.

Jonathan voorziet dat het huis van Saul tegenover het huis van David zal komen te staan. En zo is het ook gebeurd. Het huis van Saul leverde de koningen van het Noordrijk, het huis van David de koningen van Juda. Toen de Bijbel haar definitieve vorm vond was er van dat zelfstandige rijk Israël geen spoor meer over. Juda met haar hoofdstad Jeruzalem werd hersteld en daar werden dan Samaria en Galilea aan toegevoegd. Maar een koning over dit rijk zou uit het huis en het geslacht van David moeten komen. De basis daarvan ligt in het verhaal dat we vandaag gelezen hebben. De bedoeling was een toekomstig conflict te voorkomen. Dat is natuurlijk niet echt gelukt. Het is door de geschiedenis heen een strijd gebleven tussen een Koningshuis zoals de Heidense volken die ook hebben en een Koningshuis zoals de God van Israël die wilde.

Ook de koningen van Juda gingen overigens regelmatig het pad op van de Koningen zoals de Heidenen die ook hadden. Trouw blijven aan de God van Israël levert grote risico’s op. Risico’s die in dit verhaal ook door Jonathan worden genomen. Hij gelooft immers niet dat zijn vader er op uit is David te doden. Als zijn vader daar inderdaad op uit is dan loopt Jonathan een groot risico als zijn vader er achter zou komen dat hij David lief had en dat hij met David een eeuwigdurend verbond had gesloten, ja dat hij zelfs met het huis van David een verbond had gesloten. Jonathan neemt het risico. Hij zal helpen uitvinden wat de plannen van Saul zijn. Moet David vluchten of zal David terug kunnen keren aan het hof? Wat wij leren uit dit verhaal? Dat de liefde tussen twee mannen wel eens de redding voor een heel volk kan betekenen? Dat in elk geval liefde meer oplevert dan zelfzucht, ook in de politiek?

 

Een dankoffer

Psalm 50

1 Een psalm van Asaf. De God der goden, de HEER, gaat spreken en roept de aarde bijeen van waar de zon opkomt tot waar zij ondergaat. 2 Uit Sion, stad van volmaakte pracht, verschijnt God in stralend licht. 3 Hij komt, onze God, en zal niet zwijgen! Laaiend vuur raast voor Hem uit, rondom Hem wervelt een storm. 4 Hij roept de hemel op, daarboven, en ook de aarde, bij het oordeel over zijn volk: 5 ‘Breng mijn getrouwen vóór Mij, die zich met offers aan Mij verbinden.’ 6 De hemel verkondigt Gods gerechtigheid, Hijzelf treedt op als rechter. sela 7 ‘Luister, mijn volk, Ik ga spreken, Israël, Ik ga tegen je getuigen, Ik, God, je eigen God. 8 Ik klaag je niet aan om je offers, nooit dooft voor Mij het offervuur. 9 Maar de stier uit je stal heb Ik niet nodig, noch de bokken uit je kooien. 10 Mij behoren de dieren van het woud, de beesten op duizenden bergen, 11 Ik ken alle vogels van het gebergte, wat beweegt in het veld is van Mij. 12 Had Ik honger, Ik zou het je niet zeggen, van Mij is de wereld en wat daar leeft. 13 Eet Ik soms het vlees van stieren of drink Ik het bloed van bokken? 14 Breng God een dankoffer, geef de Allerhoogste wat je Hem belooft. 15 Roep Mij te hulp in tijden van nood, Ik zal je redden, en je zult Mij eren.’ 16 Maar tot wie kwaad doet zegt God: ‘Wat baat het dat je mijn geboden opzegt en mijn verbond in de mond neemt? 17 Je haat het als Ik je terechtwijs, mijn woorden schuif je terzijde. 18 Zie je een dief, je loopt met hem mee, en bij overspeligen ben je thuis. 19 Je gebruikt je mond voor lastertaal en verbindt je tong aan bedrog. 20 Je getuigt tegen je eigen broer, werpt een smet op de zoon van je moeder. 21 Zou Ik dan zwijgen bij wat je doet, je denkt toch niet dat Ik ben als jij? Ik klaag je aan, Ik som je wandaden op. 22 Begrijp dit goed, jullie die God vergeten, of Ik verscheur je, en er is niemand die redt: 23 wie een dankoffer brengt, geeft Mij alle eer, wie zo zijn weg gaat, zal zien dat God redt.’ (NBV21)

Vandaag een bijzondere rechtspraak. De God van Israël roept de hele wereld bij elkaar. Er komt een rechtszaak tegen Israël. Al die volken hadden een god, wij hebben dan goden als winst en profijt hun weg is de economie waaraan alles ondergeschikt moet worden gemaakt, de dagen en de nachten zelfs de enige slaafvrije dag die we hadden moeten in dienst worden gesteld van de economie om de goden van winst en profijt te dienen. De volken zouden eens moeten kijken hoe de God van Israël met zijn volk omgaat. Niet meer een voor wat hoort wat geloof. Het licht van de God der goden komt uit Sion. Dat is de naam van een berg. Rond die berg is Jeruzalem gebouwd. In de dagen van Asaf werden de goden van de volken vaak op bergen vereerd. Het was dan ook niet zo vreemd dat de Tempel van de God van Israël op een berg was gebouwd. Maar die Tempel was een ander soort Tempel dan de tempels van de voor wat hoort wat goden. Hier stond geen beeld van de god die er werd vereerd. Wat er in die Tempel stond bleef verborgen voor buitenstaanders.

Het was ooit de bedoeling geweest dat de God van Israël geëerd zou worden door het nakomen van de richtlijnen voor de menselijke samenleving. Daarin stond dat je eerlijk en trouw moest zijn, dat je voor de minsten in je volk moest zorgen, dat je moest delen met de armen, dat je zelfs de vreemdelingen moest behandelen als de mensen van je eigen volk, dat je moest zorgen dat er niemand gedood werd. Maar in de straten van Jeruzalem werd gebedeld. De weduwen en de wezen werden uit hun huizen gezet als ze geen inkomen hadden, en weduwen en kleine kinderen hadden nu eenmaal geen inkomen. Dacht en nacht brandden er offervuren bij de Tempel. Maar de offers lieten zien hoe rijk de offeraars geworden waren, hoe vroom en netjes ze wel niet waren. God is de leraar voor de gelovigen, de mensen die de Tora navolgen en weet hebben van de Tora als richtlijn voor een menselijke samenleving. Maar in dat volgen van de Tora sluipt een gevaar. Het gevaar van de religie.

De dienst aan de God van Israël gaat over gerechtigheid, om het recht doen aan mensen, aan alle mensen in de hele wereld. We weten natuurlijk dat Israël een licht voor de volkeren zou moeten zijn, een land van liefde, vrede en recht, zo’n land zou elk volk immers ook wel willen volgen. Maar die richtlijnen voor de menselijke samenleving was tot een religie verworden. Als mijn God beter wordt van mijn offers hoor ik beter te worden van mijn God. De God van Israël wijst een andere weg. De weg van vrede, van delen met elkaar. En we hoeven niet eens te zeggen dat we het niet geweten hebben, in de Fair Trade winkels kunnen we zien hoe onrechtvaardig onze handel in elkaar zit. En in plaats van een discussie over rechtvaardigheid, over gerechtigheid en het tot hun recht laten komen van producenten in arme landen, discussiëren we over het nut van de aalmoezen die we ze schenken en die we ontwikkelingssamenwerking durven noemen. Houdt maar op met je religie zegt de psalmdichter. Zolang je je nog laat inpalmen door leugenaars en dieven heeft het opzeggen van lange gebeden, het brengen van offers aan God geen zin. Als wij werkelijk dankbaar willen zijn voor alles wat God ons gegeven heeft nemen we daar de hele wereld in mee, zodat de lof voor onze God vermeerderd mag worden, want die God heeft ons de broeders en zusters gegeven aan wie wij recht willen doen. Als we daartoe komen zien we ook nog dat God redt. Laten we ook deze week beginnen met daar naar te luisteren en aan de onrechtvaardigheden een eind te maken.

 

Dan zal ze weer leven

Matteüs 9:18-34

18 Hij was nog niet uitgesproken of er kwam een vooraanstaand man naar hen toe die zich voor Hem neerwierp en zei: ‘Mijn dochter is zojuist gestorven. Kom alstublieft en leg haar de hand op, dan zal ze weer leven.’ 19 Jezus stond op en volgde hem met zijn leerlingen. 20 Plotseling naderde hen van achteren een vrouw die al twaalf jaar aan bloedverlies leed. Ze raakte de zoom van zijn mantel aan, 21 want ze dacht: Als ik alleen zijn mantel maar kan aanraken, zal ik genezen. 22 Jezus draaide zich om, en toen Hij de vrouw zag zei Hij: ‘Houd moed, mijn dochter, uw geloof heeft u gered.’ En vanaf dat moment was de vrouw genezen. 23 Aangekomen bij het huis van de man zag Jezus de fluitspelers en de luid weeklagende menigte 24 en Hij zei: ‘Ga naar huis, het meisje is immers niet gestorven, ze slaapt.’ Ze lachten Hem uit. 25 Nadat iedereen was weggestuurd, ging Hij naar binnen. Hij pakte het meisje bij de hand, en ze stond op. 26 Dit verhaal verspreidde zich in de hele omgeving. 27 Toen Jezus van daar verderging, volgden Hem twee blinden die luidkeels riepen: ‘Heb medelijden met ons, Zoon van David!’ 28 En nadat Hij een huis was binnengegaan, kwamen de blinden naar Hem toe. Jezus vroeg hun: ‘Gelooft u dat Ik dit kan doen?’ Ze antwoordden: ‘Ja, Heer!’ 29 Daarop raakte Hij hun ogen aan en zei: ‘Zoals u gelooft, zo zal het ook gebeuren.’ 30 En hun ogen gingen open. Jezus waarschuwde hen uitdrukkelijk: ‘Zorg ervoor dat niemand het te weten komt!’ 31 Maar na hun vertrek verspreidden ze het nieuws over Hem in de hele omgeving. 32 Terwijl ze het huis weer verlieten, bracht men iemand bij Hem die bezeten was en niet kon spreken. 33 Nadat de demon was uitgedreven, begon de stomme te spreken. De mensenmassa stond versteld en zei: ‘Zoiets is in Israël nog nooit vertoond!’ 34 Maar de farizeeën zeiden: ‘Het is dankzij de vorst der demonen dat Hij demonen kan uitdrijven.’ (NBV21)

Een lastig Bijbelgedeelte vandaag. Het wordt altijd heel romantisch ” het dochtertje van Jaïrus” genoemd. Dat verhaal over die vrouw met bloedverlies wordt dan als een storende factor bestempeld. Zoiets als het is toch vanzelfsprekend dat als je Jezus aanraakt je van alle kwalen genezen bent. Waarom juist dat verhaal binnen dat verhaal over dat dochtertje is binnengeslopen blijft dan buiten beschouwing. Hooguit is het een bewijs dat die Jezus een heleboel wonderen kon doen. Maar waarom lezen we dit Bijbelgedeelte dan na bijna 2000 jaar nog steeds? Heeft het toen in de krant gestaan? Was het de start van een belangrijke maatschappelijke omwenteling? Niets van dat alles en als je de Bijbel zo leest had het Nieuwe Testament zich kunnen beperken tot een verhaal over de kruisiging en de opstanding.

Er is met dit verhaal dus meer aan de hand dan het op het eerste gezicht lijkt. Het verhaal gaat over twee vrouwen en een hooggeplaatst iemand. En bloedverlies speelt een rol. Die oudste kent uiteraard de Tora en in de Tora staat dat je een vrouw tijdens haar maandelijkse bloeding niet mag aanraken. Dat ter bescherming van die vrouw. Zo wordt ze ook bevrijd van de maatschappelijke opvatting dat ze een bezit is waarmee een man zou kunnen doen wat hij wilde zonder met haar rekening te houden. Nee, die vrouw verloor een deel van haar leven en pas als ze dat had overleefd konden man en vrouw weer tot een volwaardige relatie komen. Maar wanneer weet je nu of een vrouw haar maandelijkse bloeding heeft of niet? Dat kun je als man niet weten, behalve als die vrouw je partner, je wederhelft, is. Daardoor is de gewoonte ontstaan om vrouwen niet meer aan te raken.

De regel over de bescherming van vrouwen tijdens haar maandelijks bloedverlies is ook overgenomen in de Islam. Daarom vind je daar mannen, vaak de leiders van moskee, die vrouwen geen hand willen geven. Daarmee respecteren ze vrouwen en leggen ze de nadruk op dat respect. Die vrouw die Jezus genas behoorde dus tot de onaanraakbaren. Daar had ze zich niet bij neergelegd en jarenlang was ze bezig geweest dat op te doen houden. Pas toen Jezus haar aanraking accepteerde was ze er van bevrijd. En dat dochtertje? Lucas vertelt dat ze 12 jaar was en nadat Jezus haar had wakker gemaakt beval Jezus dat ze moest eten. En door niet te eten kunnen meisjes voorkomen dat ze de maandelijkse bloeding krijgen, ze eten dan niet meer. Wij hebben daar fraaie termen en mooie diagnoses voor. Maar de bedreiging door mannen die vrouwen alleen als bezit, als voorwerpen, kunnen zien is niet verdwenen. Dit verhaal zou mannen kunnen leren vrouwen meer als gelijken  te beschouwen, misschien dat er één je wederhelft is, maar ook die is nooit je bezit.

 

Barmhartigheid wil Ik, geen offers.

Matteüs 9:1-17

1 Hij stapte weer in de boot en stak over, terug naar zijn eigen stad. 2 Daar brachten een paar mensen een verlamde bij Hem op een draagbed. Toen Jezus hun geloof zag, zei Hij tegen de verlamde: ‘Houd moed, mijn kind, uw zonden zijn u vergeven.’ 3 Daarop zeiden enkele schriftgeleerden bij zichzelf: Die man slaat godslasterlijke taal uit! 4 Jezus doorzag hun gedachten en zei: ‘Waarom hebt u zulke boosaardige gedachten? 5 Wat is gemakkelijker, te zeggen: “Uw zonden zijn u vergeven” of: “Sta op en loop”? 6 Ik zal u laten zien dat de Mensenzoon volmacht heeft om op aarde zonden te vergeven.’ Toen zei Hij tegen de verlamde: ‘Sta op, pak uw bed en ga naar huis.’ 7 En hij stond op en ging naar huis. 8 Toen de mensen dit zagen, werden ze van ontzag vervuld en ze loofden God, om de macht die Hij aan mensen verleent. 9 Toen Jezus van daar verderging, zag Hij bij het tolhuis een man zitten die Matteüs heette, en Hij zei tegen hem: ‘Volg Mij.’ Hij stond op en volgde Hem. 10 Toen Hij in zijn huis aanlag voor de maaltijd, kwam er ook een groot aantal tollenaars en zondaars, die samen met Hem en zijn leerlingen aan de maaltijd deelnamen. 11 De farizeeën zagen dit en zeiden tegen zijn leerlingen: ‘Waarom eet uw meester met tollenaars en zondaars?’ 12 Hij hoorde dit en gaf als antwoord: ‘Gezonde mensen hebben geen dokter nodig, maar zieken wel. 13 Overdenk eens goed wat dit wil zeggen: “Barmhartigheid wil Ik, geen offers.” Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen te roepen, maar zondaars.’ 14 Daarop kwamen de leerlingen van Johannes bij Hem en vroegen: ‘Waarom vasten wij en de farizeeën wel regelmatig, en uw leerlingen niet?’ 15 Jezus antwoordde: ‘Bruiloftsgasten kunnen toch niet treuren zolang de bruidegom bij hen is? Maar er komt een dag dat de bruidegom bij hen wordt weggehaald, dan zullen ze vasten. 16 Niemand verstelt een oude mantel met een lap die nog niet gekrompen is. Want dan trekt de nieuwe lap de mantel kapot en wordt de scheur nog groter. 17 Evenmin giet men jonge wijn in oude leren zakken. Anders scheuren de zakken, dan wordt de wijn verspild en gaan de zakken verloren. Maar gaat de jonge wijn in nieuwe zakken, dan blijven beide behouden.’ (NBV21)

In het algemeen spreekt men graag over de wonderen die Jezus van Nazareth heeft gedaan, maar als je het op je in laat werken is het vaak veel wonderbaarlijker dat we er zelf zo weinig van bakken. Stel je nou voor dat vrienden een zieke bij je brengen. Een zieke die gelooft dat de ziekte komt door wat de ouders fout gedaan hebben, en wat de zieke zelf zoal fout heeft gedaan. Wij weten wel dat ziekte meestal volstrekt niet komt door wat je fout gedaan hebt. Dat was wel de vraag bij de zieke die bij Jezus van Nazareth werd gebracht. Jezus van Nazareth begon gewoon met iets aardigs te zeggen, je zonden zijn je vergeven. Natuurlijk God straft niet met ziekten en kwalen en wat je fout hebt gedaan weet je zelf als eerste en pas op het einde der tijden komt ook de eindafrekening.

Een belastinggaarder, Tollenaar, staat er in de diverse vertalingen en dat woord heeft bij ons een slechte klank. Toch koesteren wij ook onze historische tolhuisjes. Belasting heffen op de goederen die langs de weg worden vervoerd is al eeuwen oud. Wat ons er van is overgebleven is de douane. Bij ons moet de douane trouwens niet zozeer geld heffen op goederen maar er ook voor zorgen dat er geen ongewenste goederen het land worden in gesmokkeld. In de dagen van Jezus werkten die tollenaars voor de Romeinse bezetter. De Joden voelden het ook als hun plicht belasting te betalen aan de Tempel, dat stond immers in de richtlijnen voor de menselijke samenleving. Twee keer belasting betalen is wel een heel zware last, vooral voor mensen die niet echt veel geld hebben.

Het is niet zo vreemd dat met name de Farizeeën zich hier druk over maakten. Zij wilden dat het volk zich zo veel mogelijk zou isoleren van de buitenlanders. Daarnaast was niet alleen de Tempelbelasting voor hen belangrijk maar ook het geven van aalmoezen. Hoe meer aalmoezen je gaf hoe belangrijker je werd. Als je ook nog belasting moet betalen aan de bezetters dan wordt dat toch moeilijker. Voor Jezus bestaat die isolatie niet. Iedereen zou moeten mee kunnen doen met de samenleving zoals die door de profeten als een ideale samenleving wordt geschetst. Daarom moet je maaltijden houden met die mensen die het met de regels niet zo nauw nemen. Daarbij gaat het ook niet over aalmoezen maar om een instelling waarbij de zwakken en de minsten voorop staan in je handelen. Dat zal ook aan tollenaars en anderen duidelijk gemaakt moeten worden.

 

Maar Jezus sliep

Matteüs 8:23-34

23 Hij stapte in de boot en zijn leerlingen volgden Hem. 24 Plotseling begon het meer enorm te kolken, zodat de boot bijna door de golven werd verzwolgen. Maar Jezus sliep. 25 Ze maakten Hem wakker en riepen: ‘Red ons, Heer, we vergaan!’ 26 Hij zei tegen hen: ‘Waarom zijn jullie zo angstig, kleingelovigen?’ Toen stond Hij op en sprak de wind en het water bestraffend toe, en het meer kwam geheel tot rust. 27 De mensen stonden verbaasd en zeiden: ‘Wat is dit toch voor iemand, dat zelfs de wind en het water Hem gehoorzamen?’ 28 Toen Hij aan de overkant in het gebied van de Gadarenen kwam, liepen Hem vanuit de grafspelonken twee bezetenen tegemoet. Ze waren zo gevaarlijk dat niemand daarlangs kon gaan. 29 Ze begonnen te schreeuwen en te roepen: ‘Wat hebben wij met Jou te maken, Zoon van God? Ben Je hier gekomen om ons pijn te doen nog voordat de tijd daarvoor is aangebroken?’ 30 Een eind verderop werd een grote kudde varkens gehoed. 31 De demonen smeekten Hem: ‘Als Je ons uitdrijft, stuur ons dan naar die kudde varkens.’ 32 Hij antwoordde hun: ‘Vooruit!’ Ze verlieten de twee mannen en trokken in de varkens. Toen stormde de hele kudde van de steile helling af het meer in, en de dieren kwamen om in de golven. 33 De varkenshoeders sloegen op de vlucht, en toen ze in de stad kwamen vertelden ze alles, ook wat er met de bezetenen gebeurd was. 34 Nu trok de hele stad uit, Jezus tegemoet. En toen ze Hem zagen, verzochten ze Hem dringend hun gebied te verlaten. (NBV21)

Storm op zee is vanouds een uitermate beangstigend gebeuren. In de Joodse cultuur gold de zee als een sterk symbool voor de dood. Zelfs op een meer kan het gevaarlijk zijn. Het is dan ook geen wonder dat de volgelingen van Jezus buitengewoon bang werden toen ze naar de overkant van het meer voeren en er storm op stak. Maar angst is een slechte raadgever. Vroeger stond er op de brandinstructies die in het warenhuis Vroom en Dreesman hingen: “Paniek is erger dan brand”. Warenhuizen hadden daar ervaring mee, als er brand uitbreekt komen er vaak meer mensen om omdat ze onder de voet worden gelopen of anderszins door de uitgebroken paniek geen uitweg meer zien dan dat er daadwerkelijk door brand of rook omkomen. Jezus maant zijn volgelingen dan ook tot kalmte, en stilt de storm. Het onder ogen zien van de werkelijke situatie, de mogelijkheden onderzoeken is altijd vruchtbaarder dan je laten leiden door angst en te neer te laten slaan door de onmogelijkheden. Is daarom dit verhaal een verhaal van persoonlijke groei? Dat zou gemakkelijk zijn, als jij bang bent en het ongeluk grijpt je ben jij alleen verantwoordelijk. Maar zo zit het niet.

Tot de volgelingen van Jezus behoren een aantal ervaren vissers. Zij waren gewend om onder alle omstandigheden het meer te bevaren. Ze weten dan ook wat te doen tijdens de storm. Maar de angst en paniek kunnen totale verlamming tot gevolg hebben. Jezus roept hen tot de werkelijkheid door ze uit te schelden voor kleingelovigen. Wij kunnen elkaar tot de werkelijkheid terug roepen. En twee weten meer dan een. Het vinden van oplossingen is een zaak van samen en niet van alleen, het is een zaak van mogelijkheden verkennen en niet van angst en paniek. Dat wil niet zeggen dat het altijd even gemakkelijk is, dat oplossingen voor de hand liggen, dat het altijd goed af zal lopen, maar er wordt meer mee gered dan bij het ieder voor zich. Maar wat heeft die bootreis nu te maken met varkens? Je hebt van die mensen die zich voortdurend aangevallen voelen. Ze zijn zelf ooit zo erg beschadigd dat ze zich niet meer voor kunnen stellen dat er iemand om hen geeft. Ruzie maken en uitdagen is het enige wat ze nog kunnen. Elke vriendelijke opmerking zullen ze omdraaien tot het een belediging is. Twee van die mensen woonden in het 10 stedenland, een verbond van 10 steden aan de overkant van de Jordaan onder leiding van Damascus. Een onrustig en betwist gebied, tot op de dag van vandaag.

Toen Jezus het meer was overgestoken en geland was ontmoetten ze die mensen. Matteüs schrijft tenminste dat er twee waren, maar Matteüs schrijft bijna overal in zijn boek dat er twee zijn als het belangrijk is. De twee begonnen gelijk te schreeuwen en te dreigen, zich ook te verdedigen, “kom jij ons pijn doen voor het daarvoor tijd is?” zo riepen ze. Jezus was niet beledigd, hij verdedigde zich niet, hij luisterde slechts, want toen uiteindelijk de mannen vroegen of hun gekkigheid in een kudde varkens mocht komen hoefde Jezus slechts “Vooruit” te roepen en de kudde varkens zette zich in beweging en stortte zich van een rots, de gekte was over. Varkens zijn immers net zo onrein als die gekkigheid. Je kunt je de schrik van de varkenshoeders wel voorstellen toen hun kudde zich ineens in beweging zette en niet meer te stoppen was. Je zou willen dat in datzelfde gebied vandaag de dag mensen zouden willen luisteren op de manier waarop Jezus naar mensen luisterde. Niet de gekkigheid voorop zetten. Niet zich bij voorbaat aangevallen voelen, beledigingen beledigingen laten en op zoek gaan naar het goede, het menselijke in de mensen. Er zijn Joden en Palestijnen die dat zouden willen, maar ergens staat ook geschreven dat pas als alle mensen op deze manier met elkaar om zouden willen gaan het daar ook zal lukken. Aan ons dus om er een begin mee te maken.

 

Volg Mij

Matteüs 8:14-22

14 Toen Jezus het huis van Petrus was binnengegaan, zag Hij diens schoonmoeder met koorts in bed liggen. 15 Hij raakte haar hand aan en de koorts verliet haar. Ze stond op en begon voor Hem te zorgen. 16 Bij het vallen van de avond brachten ze vele bezetenen bij Hem. Met een enkel woord dreef Hij de geesten uit, en allen die ziek waren genas Hij. 17 Zo moest in vervulling gaan wat gezegd is door de profeet Jesaja: ‘Hij was het die onze ziekten wegnam en onze kwalen op zich heeft genomen.’ 18 Toen Jezus de mensenmassa om zich heen zag, gaf Hij bevel naar de overkant te varen. 19 Maar een schriftgeleerde kwam op Hem af en zei: ‘Meester, ik zal U volgen waarheen U ook gaat.’ 20 Jezus zei tegen hem: ‘De vossen hebben holen en de vogels hebben nesten, maar de Mensenzoon heeft geen plaats waar Hij zijn hoofd te ruste kan leggen.’ 21 Een ander, een van zijn leerlingen, zei: ‘Heer, sta me toe eerst terug te gaan om mijn vader te begraven.’ 22 Maar Jezus zei tegen hem: ‘Volg Mij en laat de doden hun doden begraven.’ (NBV21)

Het blijven toch je kinderen, ook als ze volwassen geworden zijn en het huis hebben verlaten. De schoonmoeder van Simon Petrus zal blij geweest zijn. Haar dochter trouwde met een stoere slimme visser. Een gelovige jongen, zo een die op de Sabbat thuis was en naar de synagoge ging. Maar dat stoere was er af gegaan. Hij had zich aangesloten bij een van de vele messiasfiguren die in Israël ronddwaalden. De meeste preekten geweld tegen de onderdrukkende Romeinen. Sommigen hielden vreedzame optochten maar altijd tegen de heersende overheid en daar hielden de Romeinen niet van. Die Simon Petrus liep op de duur gevaar, de zorg voor haar dochter zou verdwijnen. Koortsachtig lag ze op bed. Je kunt je voorstellen dat ze piekerde. Maar dan ontmoet ze Jezus, die voor haar zorgde waarop zij voor hem kon zorgen.

Hij liet zien te leven als de profeet die was voorzegt als een echte bevrijder van Israël. Die gebruikte geen geweld, die liet de mensen geen holle leuzen achterna lopen. Die zorgde voor de zieken, voor de zwakken, voor de mensen die het ook niet meer wisten en in verwarring waren. Die Messias, bevrijder, Christus in het Grieks, werd één met de zwaksten. En geen Romeinse macht zou de liefde van een dergelijke bevrijder kunnen onderdrukken. De liefde die ze bij haar thuis heeft gezien zal haar gerust gesteld hebben over de zorg van Simon Petrus voor haar dochter. Maar het volgen van die Jezus was niet vrijblijvend. Het was een risico. Je oude leven moest je opgeven. Alleen de zwakken in de samenleving telden nog, niemand werd buitengesloten. Fatsoen, je vader begraven bijvoorbeeld, telde niet meer. Niets kon je meer afhouden die nieuwe samenleving vorm te geven. In die samenleving telden de zieken, werd niet gediscrimineerd.

In onze samenleving strijden de zorg voor zieken en de zorg voor een zieke samenleving schijnbaar met elkaar. Angst speelt daarbij de hoofdrol. Angst om ziek te worden van een behandeling of medicijn, nog erger is de angst om ziek te worden van een medicijn dat ziektes kan voorkomen. Daartegenover staat de strijd tegen de angst voor het vreemde. Voor die mensen die een andere huidskleur hebben dan jij. Mensen met een andere huidskleur zijn bedreigend, die hebben andere opvattingen over fatsoen dan jijzelf hebt. En als je tot de groep hoort die over het algemeen dezelfde kleur hebben als jij en die de meerderheid vormt, dan geef je die angst vorm in de manier waarop je met elkaar om gaat. Die anderen met die andere huidskleur doen niet hetzelfde als jij, ze zullen dus wel meer geweld gebruiken, ze zullen dus de boel, de overheid, wel oplichten. Jezus maakt in het Bijbelgedeelte van vandaag duidelijk dat je hem alleen kunt volgen als je die angst opgeeft, als je die angst zelfs gaat bestrijden. Alleen roepen dat je hem lief hebt is niet genoeg, daar moeten die anderen, de zieken, de verwarden, maar ook hen die vijanden lijken te zijn, iets van merken, die liefde moet je zonder onderscheid naar anderen uitstralen. Elke dag opnieuw.

 

De erfgenamen van het koninkrijk

Matteüs 8:2-13

2 Er kwam iemand naar Hem toe die door een huidziekte onrein was. Hij wierp zich voor Hem neer en zei: ‘Heer, als U wilt, kunt U mij rein maken.’ 3 Jezus strekte zijn hand uit, raakte hem aan en zei: ‘Ik wil het, word rein.’ En meteen was hij van zijn ziekte gereinigd. 4 Jezus zei tegen hem: ‘Denk erom dat u er met niemand over praat, maar ga u aan de priester laten zien en breng als getuigenis voor de mensen het offer dat Mozes heeft orgeschreven.’ 5 Toen Hij Kafarnaüm binnenging, kwam er een centurio naar Hem toe die Hem om hulp smeekte. 6 ‘Heer,’ zei hij, ‘mijn knecht ligt thuis verlamd op bed en lijdt hevige pijn.’ 7 Jezus antwoordde hem: ‘Ik zal meegaan en hem genezen.’ 8 Daarop zei de centurio: ‘Heer, ik ben het niet waard dat U onder mijn dak komt. Spreek slechts een enkel woord en mijn knecht zal genezen. 9 Ook ik ben iemand die onder andermans gezag staat en zelf weer soldaten onder zich heeft, en als ik tegen een soldaat zeg: “Ga!”, dan gaat hij, en tegen een andere: “Kom!”, dan komt hij, en als ik tegen mijn slaaf zeg: “Doe dit!”, dan doet hij het.’ 10 Toen Jezus dit hoorde, verbaasde Hij zich en Hij zei tegen degenen die Hem volgden: ‘Ik verzeker jullie: bij niemand in Israël heb Ik zo’n groot geloof gevonden. 11 Ik zeg jullie dat velen uit het oosten en uit het westen zullen komen en met Abraham, Isaak en Jakob zullen aanliggen bij het feestmaal in het koninkrijk van de hemel, 12 maar de erfgenamen van het koninkrijk zullen worden verbannen naar de uiterste duisternis; daar zullen zij jammeren en knarsetanden.’ 13 Tegen de centurio zei Jezus: ‘Ga naar huis. Zoals u het geloofd hebt, zo zal het gebeuren.’ Op hetzelfde moment genas zijn knecht.(NBV21)

Wie al eens in het boek Leviticus heeft gelezen zal begrijpen dat Jezus van Nazareth eigenlijk als Priester optreed. Er staan daar heel nauwkeurige voorschriften voor de reiniging van huidvraat, de vele huidaandoeningen die er zijn, de Egyptische ziekte, door Rabijnen wel uitgelegd als de ziekte van de kwaadsprekerij. Huidvraat is eng en we hebben de neiging dat wat eng is buiten te sluiten. Wat eng is moet wegwezen, terug naar de Antillen, of naar Marokko of zo. Als je ernstig en langdurig ziek bent dan moet je naar de bijstand, in elk geval niet meer naar je baas. Jezus van Nazareth pakt dat anders aan. Hij volgt de geboden uit de wetten van Mozes en stuurt de patiënt naar de tempel, om zich door de priester te laten keuren en te reinigen en het offer te brengen als betaling daarvoor. Over genezen en over wonderen van Jezus mag hij absoluut niet praten. Door deze opdrachten komt de patiënt weer onder de mensen, te beginnen in het hart van de samenleving. Niks eng, weer gewoon meedoen, dat is de kern van de Richtlijnen voor de menselijke samenleving die na koning David in de Tempel werden bewaard.

Die richtlijnen vormen de grondslag van een volk waar mensen van mensen houden en waar medemensen dus nooit eng kunnen zijn. Tegenwoordig kunnen lepralijders met medicijnen worden genezen. Maar in arme landen worden die enge lepralijders nog steeds buiten de samenleving geplaatst. Daarom is het goed dat we de Leprastichting hebben, die niet alleen zorgt voor medicijnen maar ook voor opleidingen en werk, zodat de lepralijders weer opgenomen kunnen worden in de samenleving. Als U wat kunt geven aan de Leprastichting moet U het niet laten. Soms moeten we namelijk onszelf reinigen van de weerzin tegen enge mensen. Want onrein daar gaat het over. De onreinheid van de huidvraat kan ook op een huis rusten weten we uit het boek Leviticus en aangezien de Priesters een huis van een ongelovige niet mochten inspecteren moest iedereen er volgens de Farizeeën van uitgaan dat het huis van een ongelovige onrein is. Maar als iemand onrein is en rein wil worden kan dat. Dat kan door te gaan leven volgens de Tora.

Maar is de centurio onrein? Volgens Jezus van Nazareth kennelijk niet. Direct zegt deze namelijk dat hij mee zal gaan naar het huis van deze Romeinse bezetter.  En daar ging het Jezus om in dit verhaal, duidelijk maken wanneer je echt onrein bent. De grote zorg die deze officier in het Romeinse leger voor zijn slaaf heeft, het risico dat hij neemt door gezien te willen worden met een volksmenner als Jezus, maakt dat hij zijn naaste dus kennelijk net zo lief heeft als zichzelf. Het gaat hem daarbij ook niet om zichzelf, hij is het niet waard dat Jezus om hem de wet overtreed, het gaat om zijn slaaf. En daar valt Jezus bijna om van verbazing. Al die deftige leiders van het volk, geleerden uit de Tempel, die zo nauwkeurig met elkaar vaststellen met wie je wel en met wie je niet om hoort te gaan, halen het niet in gehoorzaamheid aan de grondslag van het volk bij deze Heiden, de buitenstaander, deze bezetter. Die Heiden hoort dus ook bij het Koninkrijk van God, waar die grondslag de boventoon voert, de deftige leiders plaatsen zich daar buiten. De keus is duidelijk, rein zijn zij die kiezen voor de lijdenden, de zwakken, niet voor de letters van welke wet dan ook. Vandaag voor vrouwen met erfelijke borstkanker of vreemdelingen die gevangen zijn zonder dat zij wegens een misdrijf veroordeeld zijn, vandaag ook voor de hier gewortelde kinderen die met deportatie worden bedreigd. en morgen voor de hongerenden in de wereld.