Dat moet Johannes de Doper zijn

Matteüs 14:1-12

1 In die tijd hoorde ook Herodes, de tetrarch, over Jezus vertellen, 2 en hij zei tegen zijn hovelingen: ‘Dat moet Johannes de Doper zijn; hij is opgewekt uit de dood en daardoor beschikt hij over zulke wonderbaarlijke krachten.’ 3 Herodes had Johannes destijds laten arresteren en in de boeien laten slaan en hem in de gevangenis geworpen vanwege Herodias, de vrouw van zijn broer Filippus. 4 Johannes had namelijk tegen hem gezegd: ‘U mag haar niet tot vrouw nemen.’ 5 En hoewel hij hem wilde doden, deed hij dat niet uit vrees voor het volk, dat hem voor een profeet hield. 6 Toen Herodes een feest gaf ter gelegenheid van zijn verjaardag, danste de dochter van Herodias te midden van de aanwezigen, en dat viel bij Herodes in de smaak. 7 Daarom beloofde hij haar te geven wat ze maar zou vragen, en hij bezegelde die belofte met een eed. 8 Door haar moeder daartoe aangezet zei ze: ‘Breng me dan op een schaal het hoofd van Johannes de Doper.’ 9 Dit bedroefde de koning, maar omdat hij in het bijzijn van zijn gasten een eed gezworen had, beval hij dat men het haar zou brengen, 10 en hij gaf opdracht Johannes in de gevangenis te onthoofden. 11 Het hoofd werd op een schaal binnengebracht en aan het meisje gegeven, en zij bracht het naar haar moeder. 12 Zijn leerlingen kwamen het lijk halen, begroeven het en gingen daarna naar Jezus om het Hem te vertellen. (NBV21)

Er zijn mensen die de Bijbel graag als geschiedenisboekje lezen. Alle namen, feiten en jaartallen moeten kloppen met wat de moderne geschiedeniswetenschap ons vertelt. Als het niet klopt dan pakken ze de schaar en de lijmpot en verknippen de Bijbelteksten en plakken ze opnieuw in andere volgorde net zolang tot het klopt met de moderne geschiedeniswetenschap. Soms houden ze dan stukjes tekst over, soms zelfs blijken Bijbelse figuren in de geschiedenisboekjes niet terug te vinden te zijn. Dan moeten ze er maar uit zeggen sommigen van die zogenaamde Bijbelwetenschappers. De Bijbel is namelijk helemaal geen geschiedenisboekje, de Bijbel is een geloofsboek waarin mensen hebben opgeschreven wat ze hadden meegemaakt en wat ze te weten waren gekomen van de God van Israël. Vaak hadden ze die God in heel moeilijke omstandigheden ontmoet en had die God hen bevrijdt van die moeilijke omstandigheden. Maar evenzo vaak had die God hen niet beschermd tegen de problemen, tegen onderdrukking en slavernij, tegen marteling en moord. Vandaag lezen we een verhaal dat ook terug te vinden is in de geschiedenisboekjes.

Tenminste de namen en de feiten komen ook terug in een geschiedenisboek. Niet alle namen uit het verhaal van vandaag. Het geschiedenisboek is van Flavius Josephus. Die had deelgenomen aan de grote Judeese opstand die uitgelopen was op de verwoesting van de Tempel. Daarna was hij in dienst gekomen van de Romeinse Keizer en ter verdediging van het optreden van de Judeeërs had hij zijn geschiedenis van Israël geschreven. Daar komt dit verhaal van Johannes de Doper in voor. Die Tetrarch, viervorst, Herodes was dan wel Tetrarch van Judea, hij had zich zwaar vergrepen aan de Tora, de richtlijnen voor de menselijke samenleving. De scheiding van zijn eerste vrouw ging er nog mee door, hij had haar weggestuurd met een scheidingsbrief. Maar dan gaan hokken met de vrouw van je broer was toch wel zeer in strijd met wat er over geschreven stond in het boek Leviticus. Het was Herodes in Judea dan ook zeer kwalijk genomen. Johannes de Doper had zich rechtstreeks tot de Tetrarch gewend en hem dit voorgehouden. Johannes was zeer populair geweest schrijft Flavius Josephus en was dus gevangen genomen en later ter dood gebracht. Die Herodes was de zoon van de grote Koning Herodes onder wiens regering Jezus was geboren. Deze zoon werd geen koning maar een rang lager, Tetarch, Viervorst in het Nederlands.

In het verhaal van Flavius Josephus ontbreekt echter een Bijbelse figuur. Die Jezus van Nazareth. Die kon kennelijk hetzelfde aan wonderen doen als Johannes de Doper en was net zo populair. Dat vertelt het verhaal van Matteüs tenminste. Het verhaal van Matteüs gaat over Jezus van Nazareth, niet over Johannes de Doper en maar een klein beetje over Herodes. Geen woord over de hoofdpersoon van Matteüs bij Flavius Josephus. Volgens de Bijbelverhalen was Jezus van Nazareth een volgeling van Johannes de Doper geweest. Het optreden van Jezus begon nadat hij door Johannes gedoopt was. Het was Johannes die had opgeroepen om als je twee mantels had er een weg te geven aan iemand die er geen had. Nadat Johannes was vermoord door Herodes vluchtte Jezus naar Galilea. De aanhangers van Jezus van Nazareth volgden hem echter, ze lieten hem niet los ook niet in donkere tijden. Zo wordt de Bijbelse geschiedenis een ander soort geschiedenis. Hier gaat het niet om namen en feiten, maar om geloof. We hebben dan ook niet veel aan dat soort boekjes maar veel meer aan de boodschap van de Bijbel, heb je naaste lief als jezelf, daar mag je elke dag opnieuw mee beginnen.

 

Zij die goed nieuws verkondigen.

Romeinen 10:14-21

14 Maar hoe kunnen ze Hem aanroepen als ze niet in Hem geloven? En hoe kunnen ze in Hem geloven als ze niet over Hem hebben gehoord? En hoe kunnen ze over Hem horen zonder dat iemand Hem verkondigt? 15 En hoe kan iemand verkondigen als hij niet is uitgezonden? Het is zoals geschreven staat: ‘Welkom zijn zij die goed nieuws verkondigen.’ 16 Toch hebben slechts weinigen aan het evangelie gehoor gegeven, want Jesaja vraagt: ‘Heer, wie heeft geloofd wat wij hebben gezegd?’ 17 Dus door te luisteren komt men tot geloof, en wat men hoort is de verkondiging van Christus. 18 Maar dan is mijn vraag: hebben ze de boodschap soms niet gehoord? Natuurlijk wel, want er staat: ‘Hun roep klinkt over heel de aarde, hun woorden tot de uiteinden van de wereld.’ 19 Maar dan vraag ik weer: heeft Israël de boodschap niet begrepen? Welnu, allereerst zegt Mozes: ‘Ik zal jullie afgunstig maken op een volk dat geen volk is, Ik terg jullie met een volk zonder verstand.’ 20 En Jesaja zegt zelfs: ‘Ik heb me laten vinden door wie Mij niet zochten, Ik heb me bekendgemaakt aan wie niet naar Mij hebben gevraagd.’ 21 Maar over Israël zegt hij: ‘Heel de dag sta Ik met uitgestoken handen tegenover een ongehoorzaam en opstandig volk.’ (NBV21)

Met enige regelmaat voelen dagbladen zich geroepen eens een dag alleen goed nieuws te brengen. Mensen worden moe van de verhalen over armoede en geweld, over oorlog en dreiging met oorlog, over werkloosheid en ongelukken, over aardbevingen en bosbranden. Wat is dan het goede nieuws? Dat kan per krant heel verschillend zijn. Voor de één zal mooi weer goed nieuws zijn, voor de ander een bui regen die de planten op het veld eindelijk doet groeien. Voor Paulus was het Evangelie het goede nieuws, Lucas noemde dat ooit “de bevrijding van de armen”. Een van de handschriften, in het Grieks, waaruit wij de brief van Paulus aan de Romeinen kennen heeft het over de vrede die verkondigd zou mogen worden. Dat het kan, dat het nu kan beginnen en dat de liefde vol te houden is door de dood heen zoals Jezus van Nazareth ons heeft voorgeleefd is het goede nieuws.

Maar geloven van dat goede nieuws is niet eenvoudig, dat is maar voor weinigen weggelegd. Daar hadden de profeten al last van. Paulus citeert hier het eerste vers van Jesaja 53. En natuurlijk hebben mensen de boodschap gehoord. En natuurlijk hebben de mensen het begrepen. Iedereen weet dat het Christelijk geloof inhoud dat je je naaste liefhebt als jezelf, dat je deelt met de armen, dat je de hongerigen voedt, de zieken bezoekt en de naakten kleed. Maar dat zelf doen? Daaraan meedoen? Ja iets geven in een collecte of aan een televisie actie, dat kan nog. Maar de samenleving in de wereld zo veranderen dat iedereen genoeg te eten heeft, dat er overal gezondheidszorg is en overal een eerlijke berechting en menswaardige behandeling van gevangenen? Dat gaat ons te ver. Dat strijd met ons eigen belang. Daar hebben we het te druk voor met werken en genieten. Dan zouden we toch te veel moeten opgeven.

Jesaja had het al over een ongehoorzaam en opstandig volk en Jesaja zou nu hetzelfde kunnen zeggen. Lopen dan de kerken leeg omdat er te veel van de mensen wordt gevraagd? De meeste voorgangers durven al helemaal niets meer van de mensen te vragen. Die leggen de nadruk op persoonlijke groei, of persoonlijk behoud, of persoonlijke bevrijding van de zonden, daar komt geen naaste aan te pas laat staan de gemeenschap van heiligen. Samen staan voor het Koninkrijk van God, voor een nieuwe samenleving, voor de hemel op aarde is er in een tijd van individueel genot en persoonlijk succes niet meer bij. Dat het ook nog te maken kan hebben met de manier waarop ons volk is georganiseerd, de manier waarop alle volken samen doen kun je helemaal vergeten. We hebben het lezen van de Bijbel weer nodig om ons te herinneren waarom het ook al weer allemaal begonnen was. Het Evangelie, vrede en gerechtigheid, de bevrijding van de armen. Daar mogen we vandaag weer mee aan de slag, het is meer dan ooit nodig. Dat is het echte goede nieuws voor vandaag.

 

Het woord is dicht bij u

Romeinen 9:30–10:13

30 Wat kunnen we hieruit nu opmaken? Volken die niet op rechtvaardigheid uit waren, hebben haar toch verkregen: ze zijn rechtvaardig verklaard op grond van geloof. 31 Maar Israël, dat naar rechtvaardigheid streefde door de wet te volgen, heeft dat niet bereikt. 32 Wat is daarvan de oorzaak? Ze handelden alsof het van hun daden afhing, en niet van geloof. Ze zijn over de steen gestruikeld 33 waarover geschreven staat: ‘In Sion leg Ik een steen neer waarover men struikelt, een rotsblok waaraan men zich stoot. Maar wie in Hem gelooft, komt niet bedrogen uit.’ 1 Broeders en zusters, ik wens uit de grond van mijn hart en bid tot God dat ze zullen worden gered. 2 Ik kan van hen getuigen dat ze God vol toewijding dienen, maar het ontbreekt hun aan inzicht. 3 Omdat ze Gods gerechtigheid niet kennen, proberen ze hun eigen gerechtigheid te laten gelden, en erkennen ze die van God niet. 4 De wet evenwel vindt zijn doel in Christus, zodat iedereen die gelooft rechtvaardig zal worden verklaard. 5 Mozes zegt over de rechtvaardigheid die op grond van de wet verkregen wordt: ‘Wie doet wat de wet voorschrijft, zal leven.’ 6 En dit zegt de rechtvaardigheid die geschonken wordt op grond van geloof: ‘Zeg niet bij uzelf: Wie zal opstijgen naar de hemel?’ -dat wil zeggen: om Christus naar beneden te brengen. 7 Of: ‘Wie zal afdalen naar de onderwereld?’ -dat wil zeggen: om Christus bij de doden vandaan naar boven te brengen. 8 De rechtvaardigheid zegt iets anders: ‘Het woord is dicht bij u, in uw mond en in uw hart’ -en dat betreft de boodschap van het geloof die wij verkondigen. 9 Als uw mond belijdt dat Jezus de Heer is en uw hart gelooft dat God Hem uit de dood heeft opgewekt, zult u worden gered. 10 Als uw hart gelooft, zult u rechtvaardig worden verklaard; als uw mond belijdt, zult u worden gered. 11 Want de Schrift zegt: ‘Ieder die in Hem gelooft, komt niet bedrogen uit.’ 12 En er is geen onderscheid tussen Joden en andere volken, want ze hebben allen dezelfde Heer. Hij geeft zijn rijke gaven aan allen die Hem aanroepen, 13 want er staat: ‘Ieder die de naam van de Heer aanroept, zal worden gered.’ (NBV21)

Soms lijken de dingen waarover in de Bijbel wordt geschreven ingewikkelder dan ze zijn. Zo’n onderwerp als de voorbeschikking, of, waar het vandaag om gaat, de samenhang van werken en geloven zijn onderwerpen waar je je meestal niet met al te veel vreugde in wil verdiepen. Toch moeten we die onderwerpen wel in de gaten houden. Want als je wat doet wil je daarvoor ook beloond worden. Voor wat hoort wat nietwaar? Dat is een algemeen menselijk gegeven. En als we worden opgeroepen om het goede te doen al kost dat ook ons eigen leven dan zou een beloning toch helemaal op z’n plaats zijn. In de dagen van Paulus hielden de Joden zich aan de Wet ook al werden ze daardoor op tal van terreinen buiten de Romeinse samenleving gehouden. In het boek Daniël lees je zelfs dat onder vreemde heerschappij het houden aan de Wet gemakkelijk kon leiden tot veroordeling tot de dood. In het boek Daniël kun je ook lezen dat die Wet vol te houden was dwars door de dood heen, een vurige oven noch een leeuwenkuil had maar enige invloed.

Toch was het het volk Israël niet gelukt om het centrum van de wereld te worden waar alle volken zich naar toe keerden. Volgens Paulus komt dat doordat ze een beloning van God voor hun houden van de Wet wilden. En het is omgekeerd. Dat je je aan de Wet van heb je naaste lief als jezelf kunt en wilt houden komt door God. Dat vermogen is ons door God geschonken, dat is al de beloning, daar hoeft niks bij. Als je gelooft dat er uiteindelijk een wereld zal komen waar alle tranen gedroogd zijn, waar geen honger meer is en geen droefenis, als je gelooft dat die wereld er komt omdat God ons die wereld beloofd heeft, dan kun je niet anders dan alvast aan het werk gaan voor die hemel op aarde, dan kun je niet wachten tot het er is. Maar dan weet je ook direct dat je er bij hoort. Niet omdat je het wil maar omdat het onontkoombaar is, niet om er later nog een beloning voor te krijgen maar omdat je dankbaar bent voor de beloning die je al ontvangen hebt.

De beloning is dat het ergens op de wereld al een klein beetje op de nieuwe aarde gaat lijken. Gewoon om dat iemand die honger had nu wordt gevoed, of dat ergens strijd is en er nu vrede komt, omdat een gevangene wordt bevrijd. Je hoeft het ook niet alleen te doen, er zijn een heleboel mensen al aan het werk. Ze hebben zich verenigd in organisaties als Kerk in Aktie, voedselbanken, Amnesty International, Pax.In onze dagen laten ze horen dat een AZC welkom is, ze zijn immers christenen die zelfs engelen een onderdak willen bieden. Veel van die Christenen helpen bij het Kerkasiel, dragen dat ook uit. Er zijn inmiddels meer meer mensen die welkom zeggen dan weg er mee. Het is dus niet zo ingewikkeld als het lijkt. Aan het werk, de handen uit de mouwen, hongerigen voeden, naakten kleden, bedroefden troosten, zieken bezoeken, gevangenen bevrijden, recht doen aan mensen, stem worden van de minsten op de aarde en de vreemdelingen behandelen alsof ze er al bij horen. Ook vandaag weer.

 

Jullie zijn mijn volk niet

Romeinen 9:19-29

19 Maar nu zult u vragen: ‘Waarom roept God ons dan nog ter verantwoording? Niemand gaat toch in tegen zijn wil?’ 20 Wie bent u eigenlijk dat u, een mens, iets tegen God zou inbrengen? Vraagt het aardewerk soms aan de pottenbakker: ‘Waarom hebt u me gemaakt zoals ik eruitzie?’ 21 Heeft de pottenbakker niet de vrijheid om van dezelfde klomp klei zowel een kostbare vaas als een alledaagse pot te maken? 22 Maar ook al wil God zijn macht tonen en zijn toorn laten gelden, toch heeft Hij degenen die het voorwerp zijn van zijn toorn en bestemd zijn voor de ondergang, met veel geduld verdragen. 23 Waarom anders dan om zijn overweldigende majesteit te tonen jegens degenen die het voorwerp zijn van zijn barmhartigheid en die Hij tevoren bestemd heeft om in zijn majesteit te delen? 24 Hen heeft Hij ook geroepen: ons, die niet alleen uit het Joodse volk afkomstig zijn, maar uit alle volken, 25 zoals ook bij Hosea staat geschreven: ‘Wat mijn volk niet was, zal Ik mijn volk noemen; wie mijn geliefde niet was, zal Ik mijn geliefde noemen. 26 En waar tegen hen gezegd is: “Jullie zijn mijn volk niet,” zullen ze kinderen van de levende God worden genoemd.’ 27 En Jesaja roept over Israël uit: ‘Al telde het volk van Israël zo veel mensen als er zand is bij de zee, slechts een rest zal worden gered. 28 Want de Heer zal zijn woord op aarde gestand doen, onvoorwaardelijk en onverkort.’ 29 En zoals Jesaja al heeft gezegd: ‘Had de Heer van de hemelse machten ons geen nageslacht gelaten, het zou ons zijn vergaan als Sodom en Gomorra.’ (NBV21)

Het idee dat God mensen heeft uitverkoren als geliefden en verworpen omdat hij ze haat heeft veel mensen in verwarring gebracht. Paulus beschrijft een deel van die verwarring. Want als God vooraf al heeft uitgemaakt of we uitverkoren worden dan wel verworpen waar zouden wij ons dan nog druk over maken? Het antwoord van Paulus is dat we ons druk moeten maken omdat we het niet weten. We hebben zelf niet de criteria in handen, we kunnen ze zelfs niet bedenken, waarlangs God tot keuzes is gekomen of zal komen. Paulus illustreert dat aan de hand van uitspraken van profeten. Een aantal jaren geleden herdacht de Protestantse Kerk de vijfhonderdste geboortedag van Johannes Calvijn, de grote reformator die een geweldige invloed heeft gehad op het denken in alle Christelijke Kerken. Aan hem wordt de leer van de voorbeschikking, de predestinatie toegeschreven. Maar het is niet zo dat eerst Calvijn ging schrijven en toen pas Paulus, het is omgekeerd.

Calvijn heeft daarover wel geschreven in zijn leerboek over het christelijk geloof de Institutie. Maar daar waar velen zijn blijven steken in de ingewikkelde theologische zinnen over die predestinatie moet je eigenlijk ook even verder lezen. Calvijn schrijft dat het denken over de voorbeschikking van God een mens doet huiveren. Je bent als mens nergens meer als je God op die manier probeert te beschrijven. En dat doet geen recht aan God, want ook Paulus schrijft eigenlijk al dat God zich niet laat vangen in ons menselijk beschrijven van hetgeen God besluit. Calvijn schrijft dat je er dus beter aan doet net te doen of er geen voorbeschikking is. God is liefde, God roept ons op de naaste lief te hebben als onszelf. In die liefde voor de naaste maakt het ons niet uit wat we er zelf wijzer van worden, het is onbaatzuchtige liefde, zelfs een beloning van God hoeft er niet van te komen. Jezus van Nazareth beschrijft in het verhaal van Matteüs de verbazing van mensen als die tot de ontdekking komen dat ze met de hulp aan hun naaste eigenlijk Jezus zelf hebben geholpen.

Die liefde alleen behoort ons dus in beweging te zetten. En of wij dan al of niet zijn uitverkoren speelt daarbij geen rol. In sommige geloofsrichtingen speelt de vraag of je uitverkoren bent een grote rol. Soms noemt men het ook wedergeboren, een ander mens geworden. Voor Calvijn speelde het antwoord op die vragen geen rol meer. De twijfel en de strijd om uitverkoren of wedergeboren te worden zijn overbodig. God beschikt in zijn oneindige liefde en je mag er van uitgaan dat daar voor jou net zoveel plaats is als jij bij jou de naaste een plaats geeft. En denk nu niet dat we de liefde van God kunnen verdienen door goed te doen. We herdachten ook dat 500 jaar geleden Maarten Luther met de Hervorming begon. Hij verzette zich heel erg sterk tegen een voor wat hoort wat geloof. Alles uit genade. Maar die genade van God, de liefde die we ervaren als we geloven maakt dat we willen dat iedereen die liefde voelt. Daarmee laten we God God, de God van liefde, en zijn wij mensen die telkens opnieuw moeten beginnen onze naaste lief te hebben als onszelf, maar dat opnieuw beginnen mag, vandaag ook.

 

Omdat ik één ben met Christus

Romeinen 9:1-18

1 Omdat ik één ben met Christus spreek ik de waarheid, en mijn geweten, geleid door de heilige Geest, is mijn getuige dat ik niet lieg: 2 ik ben diepbedroefd en word voortdurend door verdriet gekweld. 3 Bijna zou ik bidden zelf vervloekt te worden en van Christus gescheiden te zijn, omwille van mijn volksgenoten, de broeders en zusters met wie ik mijn afkomst deel. 4 Dat zijn de Israëlieten, die God als zijn kinderen heeft aangenomen en aan wie Hij zijn nabijheid, de verbonden, de wet, de tempeldienst en de beloften heeft geschonken. 5 Het is het volk dat van de aartsvaders afstamt en waaruit Christus is voortgekomen-Hij die God is, boven alles verheven, zij geprezen tot in eeuwigheid. Amen. 6 Gods belofte is niet komen te vervallen. Want niet alle Israëlieten behoren werkelijk tot Israël, 7 niet alle nakomelingen van Abraham zijn ook werkelijk zijn kinderen; er staat immers geschreven: ‘Alleen de nakomelingen van Isaak zullen gelden als jouw nageslacht.’ 8 Dat wil zeggen: ze zijn niet door hun natuurlijke afstamming kinderen van God, maar gelden als nageslacht van Abraham op grond van Gods belofte. 9 Als íets een belofte is dan zijn het deze woorden: ‘Over een jaar kom Ik terug en dan heeft Sara een zoon.’ 10 Sterker nog, Rebekka was van onze vader Isaak zwanger van een tweeling, 11-12 en al voor ze geboren waren en iets goeds of slechts gedaan hadden, werd haar gezegd: ‘De oudste zal de jongste dienen.’ Zo blijft Gods besluit van kracht: God kiest een mens niet uit op grond van zijn daden, maar omdat Hij hem roept. 13 Zoals ook geschreven staat: ‘Jakob heb Ik liefgehad, Esau heb Ik gehaat.’ 14 Moeten we dan zeggen dat God onrechtvaardig is? Natuurlijk niet. 15 Hij zegt immers tegen Mozes: ‘Ik ben barmhartig voor wie Ik barmhartig wil zijn, Ik schenk genade aan wie Ik genade wil schenken.’ 16 Alles hangt dus af van God en zijn barmhartigheid, niet van de wil of de inspanning van de mens. 17 Zo zegt Hij volgens de Schrift tegen de farao: ‘Ik heb je alleen maar aangesteld om mijn macht over jou te tonen en om mijn naam op heel de aarde bekend te maken.’ 18 Dus God is barmhartig voor wie Hij wil en maakt halsstarrig wie Hij wil. (NBV21)

Paulus is zich in de loop van de tijd steeds meer af gaan zetten tegen zijn landgenoten en de Judeeërs zijn zich steeds meer gaan afzetten tegen Paulus. Paulus werd door Judeeërs als een oproerkraaier gezien, een sektariër die hun veilige bestaan in het Romeinse Rijk in gevaar bracht. De Judeeërs hadden zich daar een plaats verworven naast andere godsdiensten. Ze werden soms nog wel als atheïsten gezien omdat ze geen beeld van hun God hadden en de andere goden niet wilden aanbidden, maar omdat ze hun eigen gebedsruimtes hadden, regelmatig daar samenkwamen en konden bidden waren ze een religie, zij het van een rare soort. Die Paulus fietste daar maar doorheen. Die wilde dat die Judeese gemeenschappen zich gingen bemoeien met de Heidense wereld er om heen. Ook die Heidenen moesten mee gaan doen met de leer van Mozes, in de zin van heb-Uw-naaste-lief-als-Uzelf. Dat was volgens die Paulus het hart van de leer van Mozes en alle andere wetten en voorschriften konden ze vergeten. Die golden misschien voor de Judeeërs maar niet voor de Heidenen.

Het vormen van gemeenschappen van Judeeërs en Heidenen die met elkaar gingen delen van bezit en inkomen had tot gevolg dat die Heidenen ook de goden gingen mijden die in het Romeinse Rijk talrijk aanwezig waren. Het ergste was nog dat ze ook de beelden van de Romeinse Keizer niet meer wilden aanbidden als die zich weer eens tot god hadden uitgeroepen. Dat was gezagsondermijnend. Van die Paulus moesten ze dus steeds minder hebben, die was maar gevaarlijk. Paulus had het daar maar moeilijk mee. Hij was afkomstig uit Turkije, was wel geboren uit Judeese ouders maar had in Israël jarenlang toch heel veel moeite moeten doen om er bij te horen. Hij had zelfs voor rabbijn gestudeerd bij een van de meest vooraanstaande geleerden, Gamaliël. En nu hoorde hij er niet meer bij. Zijn verzuchtingen in het gedeelte dat we vandaag lezen worden daardoor begrijpelijk. Het volk Israël had immers van oudsher al vreemden in zich opgenomen. Het was ook vanouds God geweest die had bepaald langs welke lijnen het volk zou groeien en wie er wel en wie er niet bij zou horen.

Nu was er de kans om de hele wereld mee te krijgen, om alle volken zich te laten keren naar Jeruzalem zoals vanouds was beloofd en nu deden juist de kinderen van Israël daar niet aan mee. Dat was een geweldige teleurstelling. Het geloof in de enige God, het houden van de enige Wet die telt, moet toch voortkomen uit Israël. De kinderen van Esau, de Edomieten, waren toch ook kinderen van Abraham maar die hoorden er niet bij. Wij mogen blij zijn met een God die ons de Jood Paulus stuurde. Wij mogen dankbaar zijn dat we onze naaste lief mogen hebben als onszelf, dat we geleerd hebben te delen van hetgeen wij hebben met onze naaste. Misschien wel omdat we het ook de staat Israël moeten voordoen zodat zij het opnieuw leren en vrede sluiten met de Palestijnen. Wat de bedoeling ook moge zijn, we kunnen vandaag weer laten zien dat Paulus geen ongelijk had.

Vreugde van heel de aarde

Psalm 48

1 Een lied, een psalm van de Korachieten. 2 Groot is de HEER, Hem komt alle lof toe. In de stad van onze God, op zijn heilige berg 3 -schone hoogte, vreugde van heel de aarde, Sionsberg, flank op het noorden, zetel van de grote koning- 4 in haar vesting weet men: God is onze burcht. 5 Koningen sloten zich aaneen, samen trokken zij ten strijde. 6 Maar wat zij zagen, verbijsterde hen, verschrikt namen zij de vlucht. 7 Een siddering greep hen daar aan, zoals krampen een barende vrouw, 8 zoals de oosterstorm inbeukt op schepen uit Tarsis. 9 In de stad van de HEER van de hemelse machten, in de stad van onze God, hebben wij gezien wat wij hadden gehoord: God houdt haar voor eeuwig in stand. sela 10 In uw tempel, God, gedenken wij uw blijken van trouw. 11 Zoals uw naam, o God, zo reikt ook uw roem tot aan de einden der aarde, uw rechterhand is vol van gerechtigheid. 12 De Sionsberg verheugt zich, de steden van Juda juichen om uw rechtvaardige daden. 13 Ga rond Sion, trek eromheen, tel zijn torens. 14 Bezie met aandacht zijn muren, bewonder zijn vesting en vertel aan uw nageslacht: 15 ‘Zo is God, onze God, nu en altijd, Hij is het die ons leidt, voor eeuwig.’ (NBV21)

Het lijkt wel weer een Psalm die de juistheid van de Praise in de kerkdiensten onderstreept. Groot is de Heer en de Heer komt alle lof toe. Als je denkt dat deze Psalm daar over gaat dan vergis je je. In Kerkdiensten staat het Woord centraal zeggen de protestanten vanouds. Tegenwoordig schrikt dat eerder af dan dat het aantrekt, we zijn verzeild geraakt in een beeldcultuur niet waar. Een cultuur ook waar vrolijke of gevoelige liedjes de overhand hebben. En Psalmen zingen zoals in de afgelopen eeuwen gedaan is hoort daar meestal niet bij. Maar de Psalm die we vandaag lezen zet het Woord weer centraal. Want waar moet je de God van Israël prijzen? Niet in je eigen dorp of stadswijk of stad. Ook in Israël waren er steden, stadjes en dorpen en toch zegt de Psalm niet dat je daar God moet prijzen maar op zijn heilige berg, de Sionsberg, daar moet je zijn.

Op die berg staat de Tempel van de God van Israël. Dat is een rare Tempel. In die Tempel is één kamer waar je niet mag komen. Daar mag alleen de Hogepriester komen. Daar zal die God dus wel wonen. Mis. Die God woont in iets dat we de hemel noemen. Die hemel is een volmaakte plaats en niet een door mensen gebouwd Heiligdom. Elders in de Bijbel wordt over die Tempel wel gesproken als over de voetenbank van God, daar raakt het Goddelijke de aarde. Want al mag niemand er komen iedereen weet wat er in die bijzondere kamer te vinden is. Daar staat een kist van acaciahout. Daar boven op staan twee gevleugelde figuren die naar elkaar buigen om de kist te beschermen. In die kist liggen in elk geval een paar stenen platen. En om die stenen platen draait het allemaal. Daar staat het Woord van God.

Het volk heeft zich altijd verzet tegen het plaatsen van Godenbeelden in de Tempel in Jeruzalem. Dat verzet heeft soms zelfs geleid tot een totale vernietiging van die Tempel. Maar in plaats van op stenen platen voelde men dat Woord als gegrift in het eigen hart. Ook de Christenen werden later opgeroepen zo met dat Woord om te gaan. Wij moeten niet doden, wij moeten niet willen hebben wat van een ander is, we moeten niet liegen en zo staan er tien regels voor ons. Moeten we dat omdat een ander ons dat oplegt? Natuurlijk niet. Dat Woord is ook wel eens samengevat als “Wat Gij niet wilt dat u geschiedt, doet dat ook een ander niet” Voor gelovigen in het verhaal van de Bijbel, in de God van Israël klinkt de samenvatting als “Heb uw naaste lief als uzelf” Voor het vermogen dat te kunnen doen, voor de Geest van God die daarvoor beschikbaar is, danken en prijzen wij God. Dat is dus niet vrijblijvend, voor een zondag in de kerk of zo, maar het doordesemd ons hele leven. En als we het samen doen krijgt de samenleving, de hele wereld een veel betere smaak, dat mag dus ook vandaag weer.

Het kwaad regeert.

Ezechiël 7:10-27

10 De dag is nabij, de ondergang nadert. Er bloeit een staf, zijn bloem heet hoogmoed, 11 het geweld groeit, het kwaad regeert. Niets blijft er over van het volk, niets van hun pracht, hun opschik of hun praal. 12 Die tijd komt dichterbij, die dag nadert. Laat de koper niet blij zijn, de handelaar niet treuren: alle rijkdom in dit land wordt door mijn toorn getroffen. 13 Al zouden beiden overleven, de koopman ziet zijn koopwaar niet terug. De profetie over dit land wordt niet herroepen, wie in onrecht leeft gaat eraan ten onder. 14 De krijgstrompet weerklinkt, de strijd wordt voorbereid, maar niemand trekt ten strijde: mijn toorn verlamt dit rijke land. 15 Buiten regeert het zwaard, binnen heersen pest en honger, wie op het veld is zal sterven door het zwaard, wie in de stad is wordt getroffen door de honger en de pest. 16 Wie toch ontkomen, zijn als duiven uit het dal- verdreven naar de bergen, kermend in hun schuld. 17 Het water loopt hun langs de benen, hun armen worden slap, 18 ze gaan gehuld in het zwart, ze sidderen en beven, hun ogen zijn beschaamd, hun schedels kaalgeschoren. 19 Hun zilver gooien ze op straat, hun goud ligt in het slijk, als de toorn van de HEER hen treft, kan goud noch zilver hen redden. Hun maag blijft leeg, de honger blijft hen kwellen, goud en zilver brachten hen ten val. 20 Ik laat hen gruwen van hun rijke schatten, gruwen van de schatten die hun trots uitmaakten. Ze hebben er afschuwelijke beelden van gemaakt! 21 Barbaren zullen ze ontvreemden, misdadigers ze roven en ontwijden. 22 Ik keer mijn gelaat af van mijn volk, en de plaats die Mij het liefst is wordt door rovers platgetreden en ontwijd. 23 Leg de ketenen klaar! Vol bloed is het land, de stad vol geweld! 24 Wrede volken vallen aan, ze nemen de huizen in bezit. Aan de hoogmoed van de machtigen maak Ik een einde, hun heiligdommen worden ontwijd. 25 Doodsangst overvalt hen, vrede is onvindbaar, 26 slag volgt op slag, onheilstijding op onheilstijding. Vergeefs vragen ze profeten om een openbaring, priesters om onderricht, oudsten om raad. 27 De koning gaat in rouw gekleed, de vorst toont zich ontzet, en het volk staat verlamd van schrik. Ze zullen boeten voor hun daden, Ik zal hen straffen zoals ze verdienen. Ze zullen weten dat Ik de HEER ben!’ (NBV21)

Op de eerste dag van juli herdenken we de afschaffing van de slavernij. Eeuwen geleden. De goden van winst en profijt hadden ons verleid te gaan handelen in mensen. Ze hadden ons wijs gemaakt dat God de mensen getekend had die voor ons als slaaf behandeld konden worden. En slaven waren eigenlijk geen mensen. Ze waren slaven die alleen werkkracht als waarde hadden. Daar was flink aan verdient en eeuwen lang waren we trots op de prachtige huizen en paleizen die in allerlei standen waren gebouwd. Maar we hadden op een uiterst pijnlijke manier geleerd dat God helemaal geen tekens voor slavernij had geschapen. Slaven waren mensen geweest, net als wij, net Joden Sinti en Roma in de tweede wereldoorlog.

En nog steeds accepteren we onrecht. Ondanks dat feest van de afschaffing, ondanks het Paasfeest als overwinning van de dood, en ondanks het feest van ontbinding van Izaak waar duidelijk wordt dat de God van Joden, Christenen en Moslims geen mensenoffers wil. Maar dat offers er zijn om te delen met elkaar. Maar als er wordt opgestaan tegen onsrecht dan zwijgt de meerderheid. Het laat ze onverschillig. Tienduizenden werken vrijwillig in AZC’s of op andere manieren in de zorg voor vluchtelingen, tienduizenden verzetten zich tegen de behandeling van het klimaat dat onze aarde onleefbaar maakt. Tienduizenden staken tegen de gedacht dat zieken, gehandicapten en werklozen, de armen onze samenleving de aankoop van wapens kunnen betalen.

Ezechiël laat ons de woede van God zien, maar Ezechiël troost ons ook. Want uiteindelijk zal niet het kwaad overwinnen. Uiteindelijk wordt het kwaad uitgeroeid, zal er een aarde komen waar God zelf zal willen wonen. De hebzucht zal de hebberts ten val brengen. Als de villa’s branden is er niemand meer die de rijkdommen kan bescheremen door de brand te blussen. Als iemand stikt is de uitlaatgassen, of de schadelijke stoffen die vrij komen bij fossiele brandstoffen is er niemand meer die geleerd heeft hoe dat te genezen. De machthebbers, de aanbiddenaars van winst en profijt, de leugenaars over vreemdelingen en hun familie, zullen radeloos de haren uit het hoofd trekken en zich afvragen hoe dat met die liefde ook gaat, daar hoef je niet voor te betalen, dat hoef je alleen te delen, elke dag weer.

 

Jullie zullen weten

Ezechiël 7:1-9

1 De HEER richtte zich tot mij: 2 ‘Mensenkind, dit is wat God, de HEER, zegt over het land van Israël: Het einde komt, het dringt door tot in je verste hoeken. 3 Nu is voor jou het einde aangebroken, Ik zal mijn woede op je koelen, je straffen voor je daden, je laten boeten voor je gruwelijk gedrag. 4 Ik zal onverbiddelijk zijn en geen medelijden hebben, je zult boeten voor je daden, je wangedrag keert zich tegen je- jullie zullen weten dat Ik de HEER ben! 5 Dit zegt God, de HEER: Er komt een ramp, een ramp als nooit tevoren, 6-7 het einde komt, het nadert, het is daar, het einde komt, de ondergang voor jullie die dit land bewonen. De dag dat er paniek heerst is nabij, de tijd dat de vreugdekreet verstomt op de bergen. 7-8 Weldra stort Ik mijn toorn over je uit, koel Ik mijn woede op jou, Ik zal je straffen voor je daden, je laten boeten voor je gruwelijk gedrag. 9 Ik zal onverbiddelijk zijn en geen medelijden hebben, je zult boeten voor je daden, je wangedrag keert zich tegen je. Jullie zullen weten dat Ik, de HEER, het ben die jullie geselt. (NBV21)

Heel langzaam moeten we het gaan zien. Wat deden we verkeerd. We wilden meer en meer hebben. Wat vergaten we. Dat we zouden moeten delen met onze naasten. Dat we onze naaste lief moeten hebben als onszelf. Wie liepen we achter na. De goden van winst en profeit, de onderdrukkers en machthebbers, de goden van ploert en schender. Gruwelijk waren onze daden. Genocide in Gaza, uitbuiting van slaaf gemaakten, onderdrukking en uitsluiting van vrouwen die zelfs het Woord van de Heer niet meer mochten verkondigen. Onbarmhartig behandelen van kinderen. De wapens voor de sterksten laten betalen door de zwaksten, door hen die de meeste zorg en aandacht vragen.

Dat er dus wapens tegen ons gebruikt gaan worden is duidelijk. De Cobra is niet voor niets genoemd naar een slang. In het verhaal van de Bijbel maakt de slang ons duidelijk waar we niet naar moeten verlangen. We moeten niet willen als goden te zijn, ieder voor zich uitmaken wat goed is en kwaad. En wat elk van ons goed is is goed en wat elk van ons kwaad is is kwaad. Wat nu hoeder van een broeder, wat nu liefhebben van een naaste. Laat maar misbruik van je goedheid maken. Wie de sterkste is heeft gelijk.

Wij kunnen weten wat echt goed is. De schepping om ons heen getuigd er van. Er zijn dieren die ons in leven kunnen houden. Er groeien planten en bomen met vruchten die ons kunnen voeden. en bomen en struiken en aarde met modder en rotsen kunnen ons huizen laten bouwen. Een naasten kunnen ons samen laten leven waarbij we weten dat samen ons sterker maakt. Zorg is er voor wie niet mee lijkt te kunnen komen, hulp is er voor hen die het niet meer zelf redden. Het verhaal van God laat zien waar het kwaad is, maar ook waar het goede is dat God van ons vraagt.

 

Het gruwelijke wangedrag van de Israëlieten

Ezechiël 6:11-14

11 Dit zegt God, de HEER: Sla in woede je handen op elkaar, stamp met je voeten en roep ach en wee over het gruwelijke wangedrag van de Israëlieten; zij zullen sterven door het zwaard, de honger en de pest. 12 Wie ver weg is zal sterven aan de pest, wie dichtbij is zal sterven door het zwaard, en wie daaraan weet te ontkomen, zal sterven van de honger: zo zal Ik mijn woede op hen koelen. 13 Wanneer de doden rondom de altaren liggen, midden tussen de afgodsbeelden, op alle hoge heuvels en op alle bergtoppen, onder elke bladerrijke boom en onder elke schaduwrijke terebint, op elke plaats waar ze geurige gaven hebben gebracht om hun afgoden te behagen-dan zullen jullie beseffen dat Ik de HEER ben. 14 Ik zal mijn hand tegen hen opheffen, Ik zal van het land en van de plaatsen waar ze wonen een kale wildernis maken, nog verlatener dan de woestijn van Dibla. Dan zullen ze beseffen dat Ik de HEER ben.”’ (NBV21)

Als je Ezechiël leest als de profeet van het zien is er natuurlijk elke dag de vraag wat zien we vandaag. Nu vandaag zien we woede gemengd met verdriet en onmacht. Niet er op los slaan, niet met vuurwerk gooien met messen zwaaien of alles wat op je weg komt vernielen. Nee in je handen klappen, je energie niet op anderen loslaten maar op jezelf, je handen gaan er pijn van doen. Met je voeten op de grond stampen. Niet schoppen tegen wat dan ook maar je woede overbrengen op je eigen voeten. Dat is woede die blijft binnen de grenzen van de liefde voor de naaste. Dat is niet soft, dat is niet destructief maar het geeft je de ruimte om juist contstructief te worden. Als degene die je woede oproept wil veranderen dan wil je er graag bij helpen. En toch, woede mag.

Het gedrag van de Israëlieten riep de woede van God op en Ezechiël die de God van Israël als enige echte macht op aarde predikt gaat in opdracht van God mee in de woede. Maar een woede uit liefde. Want als het gedrag van de Israëlieten niet verandert dan zullen ze sterven door het zwaard, de honger en de pest. Niets kan ze dan beschermen tegen de dood die het geweld en de onderdrukking in de wereld nu eenmaal voortbrengen. Religieus zien je die dood bij de altaren, op de hoogten waar tempels staan, bij de zogenaamde heilige bomen, bij alle afgoden die ze achterna gelopen zijn. Woest en leeg is die religie, zoals de aarde woest en leeg was toen God er licht bracht en scheiding tussen land en water, zodat het een leefbare wereld werd.

Er is maar één Heer op aarde. Ook nu. Angst zaaien voor armoede dictators in onderdrukte landen zoals de Russische Federatie, je heil zoeken bij een politiek systeem dat elke rechtsregel wil kunnen overtreden en als enige wapen voor het bereiken van haar idealen het geweld van oorlog kent. Het loopt in ons land al uit op dood en ellende. Bezuinigingen op de ouderen zorg betekent dat bij hittegolven onvoldoende voor de zwakste bejaarden gezorgd kan worden en er ten onrecht meer overlijden. Aandacht voor opgroeiende jongeren kent in onze dagen geen waardeç zodat vele jongeren de aandacht die ze nodig hebben krijgen van criminelen. Dat volwassenen het recht hebben beiden een loopbaan te bewandelen wordt niet gecompenseerd door een opvoedende samenleving. De weg van God wordt daartegen duidelijk. Zorgen voor elkaar en pas als dat optimaal en maximaal is verder kijken.

Van zichzelf walgen

Ezechiël 6:1-10

1 De HEER richtte zich tot mij: 2 ‘Mensenkind, richt je blik op de bergen van Israël, en profeteer ertegen. 3 Zeg: “Bergen van Israël, luister naar de woorden van God, de HEER! Dit zegt God, de HEER, tegen de bergen en de heuvels, tegen de rivierdalen en de valleien: Ik zal jullie treffen met het zwaard en jullie offerhoogten vernietigen. 4 Jullie altaren zullen worden verwoest, je wierookaltaren verbrijzeld. Je bewoners zal Ik voor de ogen van hun afgoden dood laten neervallen; 5 Ik zal hun lijken voor ze neergooien en hun beenderen rond de altaren verstrooien. 6 Volk van Israël, overal waar jullie wonen zullen de steden tot ruïnes vervallen en de offerhoogten verlaten worden, zodat je altaren in puin komen te liggen en niet meer worden bezocht. Je afgodsbeelden zullen worden verbrijzeld en vernietigd, je wierookaltaren in stukken geslagen, alles wat je ooit maakte zal worden weggevaagd. 7 Velen van jullie zullen omkomen, en dan zul je beseffen dat Ik de HEER ben. 8 Maar een aantal van jullie zal Ik sparen, ze zullen ontkomen aan het zwaard wanneer jullie verstrooid worden onder vreemde volken in andere landen. 9 Degenen die ontkomen, zullen aan Mij denken wanneer ze wonen bij de volken waar ze in gevangenschap naartoe worden gevoerd. Ze zullen zich herinneren hoe diep ze Mij krenkten toen hun overspelig hart Mij verliet en hun ogen naar hun afgoden lonkten. Dan zullen ze van zichzelf walgen omdat ze zich zo gruwelijk hebben misdragen, 10 en beseffen dat Ik, de HEER, niet zonder reden heb gezegd dat Ik hun deze rampspoed zou aandoen. (NBV21)

In de voorgaande hoofdstukken heeft Ezechiël laten zien waartoe de God van de ballingen uit Israël eigenlijk wel in staat is. Maar er schemerde ook iets door van een eind aan de woede van God. Het blijft immers mogelijk dat de ballingen de weg van het aanbidden van de goden van andere volken verlaten en weer volledig gaan vertrouwen op de God van Israël. Daarom laat Ezechiël nog eens duidelijk zien waar die God van Israël niet te vinden is en waar juist de goden van de omringende volken te vinden zijn. Op de bergen rond Israël, op de hoogten waar offerplaatsen waren ingericht.

Ieder die daar nog de afgoden durft te aanbidden zal voor de ogen van de afgoden door het zwaard gedood worden. Ook wij zijn vaak door de bergen en hun onverzettelijkheid onder de indruk geraakt. Dat onze hulp ook van de bergen kan komen, zoals een psalm wordt uitgelegd, wordt door iedereen als vanzelfsprekend beschouwd. Terwijl de psalmdichter wel naar de bergen kijkt maar besluit dat zijn hulp komt van de God van Israël. Een God die niet aan een plaats is gebonden maar die met je meetrekt. En dat aspect van die God moet ook de ballingen moed inspreken. Ook in ballingschap, waar dat ook in de wereld is, kan een beroep gedaan worden op de God van Israël.

Maar de fouten uit het verleden moeten niet herhaalbaar zijn. Daarom klinken er harde woorden over het aanbidden van valse goden en het aangaan van verkeerde bondgenootschappen. En dan mogen wij de daden van ons volk nog wel eens heroverwegen. Wij leunen immers ook op het bondgenootschap met een wereldmacht. Een wereldmacht die vele jaren het internationaal recht centraal stelde en dat verdedigde maar dat nu handelt als elke onderdrukkende wereldmacht doet. Eigen belang staat voorop, als zij maar groot zijn en als groot gerespecteerd worden. Wapens moeten we hebben en het liefst de wapens bij onze zogenaamd machtige bondgenoot kopen. Dat die grootmacht groot is in onrecht, geweld en onderdrukking ontgaat ons kennelijk. Ook aan ons de oproep die Ezechiël aan de ballingen brengt. Bekeer je en sla een andere weg in, de weg van de God van Israël.