Hebreeën 7:20-28
20 Bovendien is er sprake van een bekrachtiging onder ede. De Levitische priesters ontvingen het priesterschap zonder dat het door een eed bekrachtigd werd, 21 Jezus daarentegen ontving het mét een dergelijke bekrachtiging, toen tegen Hem werd gezegd: ‘De Heer heeft gezworen, en komt op zijn eed niet terug: “Jij bent priester voor eeuwig.”’ 22 Daardoor staat Jezus garant voor een beter verbond. 23 Zij moesten met velen zijn, omdat de dood hun belette priester te blijven, 24 maar omdat Hij blijft tot in eeuwigheid, is ook zijn priesterschap eeuwig. 25 Zo kan Hij allen die God door Hem naderen volkomen redden, omdat Hij voor altijd leeft en zo voor hen kan pleiten. 26 Een hogepriester als Hij hadden we ook nodig, iemand die heilig, schuldeloos en zuiver is, van de zondaars afgescheiden en ver boven de hemelsferen verheven. 27 Hij hoeft niet, zoals de andere hogepriesters, elke dag eerst offers op te dragen voor zijn eigen zonden en dan voor die van het volk; dat heeft Hij immers voor eens en altijd gedaan toen Hij zichzelf offerde. 28 De wet stelt mensen aan als hogepriester, en mensen zijn behept met zwakheid, maar met de bekrachtiging onder ede die later werd uitgesproken dan de wet, is de Zoon aangesteld, die voor altijd de volmaaktheid heeft bereikt. (NBV21)
De komst van de Christus, in de persoon van Jezus van Nazareth is volgens de schrijver van deze brief een totale breuk met het verleden. In die zin dat wat er in het verleden aan regels en gewoonten is ingesteld nu haar betekenis krijgt. Er wordt duidelijk wat het doel was van de keuze van een volk waar alle volken in de wereld zich aan zouden kunnen spiegelen. Heel duidelijk wordt dat volgens het gedeelte dat we vandaag lezen aan het Priesterschap. Er waren priesters en er was de Hogepriester. Die Hogepriester had direct contact met God. Hij mocht in het Heilige der Heilige komen, het afgescheiden gedeelte van de Tempel waar de ark van het verbond stond. De andere priesters hadden tot taak de maaltijden te bereiden die mensen met elkaar, met hun familie, de armen en de vreemdelingen en met de dienaren in de Tempel moesten houden.
Zij moesten er voor zorgen dat mensen zich konden reinigen, dat er dieren waren waar niets aan mankeerde en dat het geld dat gebruikt werd om het eten te kopen geen afbeelding van mensen had. De offermaaltijd voor het feest van Pesach was de godsdienstoefening die door Jezus van Nazareth was overgenomen en die zijn volgelingen elke eerste dag van de week hielden in het delen van brood en wijn. Tijdens de kruisiging was het gordijn dat de afscheiding vormde met het Heilige der Heiligen gescheurd, iedereen had toegang, iedereen was Priester. Volgens de brief is Jezus van Nazareth de Hogepriester die een direct contact met God had.
Maar als wij allen priester zijn kunnen we ook de maaltijd verzorgen die aan de Priesters was opgedragen.. In elke voedselbank kun je zorgen voor maaltijden met de armsten in je stad, door eerlijke handelsverhoudingen te eisen en alvast te kopen bij Fair Trade winkels kun je delen met de armen in de hele wereld. Daarmee worden we een volk van Priesters en Koningen, zo werden die eerste christengemeenschappen ook wel genoemd. Waarom zou dat vandaag niet op ons kunnen slaan? Onze gemeenschappen laten zien hoe het er in de samenleving hoort toe te gaan. Delen van wat we hebben met de minsten. Desnoods nemen we ze op in onze kerken, zoals nu met gewortelde kinderen gebeurd. Zo hopen we dat onze bestuurders zich aan die barmhartigheid gaan spiegelen.