Die onheilstichter

1 Samuël 25:1-19

1 Omstreeks die tijd kwam Samuel te overlijden. Heel Israël kwam bijeen om over hem te rouwen. Hij werd begraven bij zijn huis in Rama. 2 David trok verder, naar de woestijn van Paran. Nu woonde er in Maon iemand die zijn bedrijf in Karmel had. Hij was schatrijk: hij bezat drieduizend stuks schapen en duizend geiten. Hij was voor het scheren van de schapen naar Karmel gekomen. 3 Zijn naam was Nabal en zijn vrouw heette Abigaïl. Zij had een helder verstand en was mooi om te zien; hij was hard en onbeschoft. Hij was een nakomeling van Kaleb. 4 Toen David in de woestijn hoorde dat bij Nabal de schapen werden geschoren, 5 stuurde hij tien van zijn knechten naar Karmel met de opdracht: ‘Ga naar Nabal en groet hem hartelijk namens mij. 6 Zeg tegen hem: “Ik wens u en uw familie en uw bedrijf alle goeds, ook voor volgend jaar. 7 Ik heb gehoord dat ze uw schapen aan het scheren zijn. Nu zit het zo: toen uw herders bij ons in de buurt waren, hebben we hen niet lastiggevallen; al die tijd dat ze hier in Karmel waren is hun niets ontvreemd. 8 Vraag het uw knechten maar, zij zullen het u bevestigen. Ik hoop dat u op uw beurt mijn knechten goed zult behandelen, ze komen immers op een feestdag bij u. Daarom verzoek ik u beleefd om mijn knechten en mij, David, te geven wat u missen kunt.”’ 9 Toen Davids knechten bij Nabal kwamen, brachten ze uit Davids naam dit alles over en wachtten af wat hij zou zeggen. 10 Nabal antwoordde Davids knechten als volgt: ‘Wie is die David? Wie is die zoon van Isaï? Het wemelt vandaag de dag van de slaven die bij hun meester weggelopen zijn. 11 Denken jullie heus dat ik mijn brood en mijn water en het vlees dat ik voor mijn scheerders heb laten klaarmaken aan de eerste de beste onbekende ga weggeven?’ 12 Davids knechten gingen onverrichter zake terug en vertelden David alles wat Nabal had gezegd. 13 Daarop beval David zijn mannen: ‘Te wapen!’ Allen gordden hun zwaard om, ook David zelf, en met vierhonderd man trokken ze onder aanvoering van David naar Karmel op; tweehonderd man bleven achter om het kamp te bewaken. 14 Intussen was Nabals vrouw Abigaïl door een van de knechten op de hoogte gesteld. ‘David heeft uit de woestijn boden gestuurd om onze heer met een zegenwens te groeten,’ zei hij, ‘maar die is tegen hen uitgevaren. 15 En dat terwijl David en zijn mannen ons juist zo goed behandeld hebben: ze hebben ons niet lastiggevallen en al die tijd dat we in hun buurt rondtrokken om de schapen te weiden is ons niets ontvreemd. 16 Ze zijn juist dag en nacht als een muur om ons heen geweest, al die tijd dat we in hun buurt onze kudde hoedden. 17 U moet er iets op verzinnen, want onze heer heeft zichzelf en ons allemaal in het ongeluk gestort. Maar die onheilstichter weigert naar ons te luisteren.’ 18 Haastig liet Abigaïl tweehonderd broden, twee zakken wijn, gedroogd vlees van vijf schapen, vijf schepel geroosterd graan, honderd plakken rozijnen en tweehonderd plakken gedroogde vijgen op ezels laden 19 en ging zonder met haar man te overleggen op weg. ‘Rijden jullie voor me uit,’ beval ze haar knechten, ‘ik kom achter jullie aan.’ (NBV21)

Samuël sterft. De profeet die de beide Koningen heeft gezalfd en zo gezorgd heeft dat Israël een land werd om rekening mee te houden. Een land met twaalf stammen die zich voortaan als één volk zullen gedragen. De eerste Koning deed niet wat de bedoeling was. Hij spiegelde zich aan de Koningen van de Heidenen, de buurvolken. Maar er was nog een koning die wachtte tot hij geroepen werd. David de herder en strijder uit Bethlehem, uit het huis van brood. Na de begrafenis van Samuël trekt David weer de woestijn in met zijn legertje. Nu is een guerrillaleger altijd afhankelijk van de vredelievende boeren. Dat is ook in onze dagen nog steeds het geval en als de boeren niet vrijwillig geven dan worden ze gedwongen en als ze zich laten dwingen dan worden ze gestraft door het leger van de machthebbers.

Na de dood van Samuël, hoeder van de wetten van de God van Israël, is er natuurlijk de vraag hoe David met zijn positie van guerrillaleider zal omgaan. Daarvoor is het verhaal dat we vandaag en morgen zullen lezen Een verhaal dat zich laat lezen als een sprookje, er was eens een rijk man die heel rijk was. Hij heette Nabal en was een afstammeling van Kaleb. Wie weet wat Nabal wil zeggen en wie Kaleb geweest is weet waar het verhaal heen zal gaan. Nabal betekent dwaas en Kaleb betekent hond of slaaf. Maar we kennen Kaleb als verkenner voor Mozes die samen met Jozua het land verkende en herkende als het land dat de God van Israël het volk had beloofd, het volk hoefde er niet bang voor te zijn. Van Nabal wordt dan vertelt dat hij getrouwd was met Abichaïl, dat betekent “mijn vader is blijdschap” en met die vader wordt ook de vader in de hemel bedoeld.

Als Nabal zijn oogst binnenhaalt, hij laat zijn schapen scheren, stuurt David een paar van zijn mannen met het verzoek van de oogst mee te mogen delen. Het verzoek is uiterst beleefd gesteld. Maar Nabal wijst het bot van de hand. Die zoon van Isaï ken ik niet, dus geef ik niet. Hij weet dus heel goed wie David is maar wil niet met hem geassocieerd worden. Een gevaarlijk standpunt. Dat snapt zijn vrouw ook als die hoort dat Nabal zo bot geweest is. Zij hoort dat David optreedt als beschermer van de herders van Israël. Er wordt niets meer gestolen of geroofd en van die soldaten hebben ze zelfs geen last. Van zulke beschermers wordt je rijk en ze laad haar ezels vol met voedsel en gaat zelf naar David. Weer leren we dat we moeten letten op de daden van de mensen die wat van ons willen. Beschermen ze de zwakken, zijn ze uit op het goede, of jagen ze alleen hun eigen voordeel na en als ze zeggen dat ze onbaatzuchtig zijn blijkt dat dan ook ergens uit. We leren dat het beste onderscheiden als we zelf het goede doen en niet dan het goede. Gelukkig mogen we daar elke dag opnieuw mee beginnen, ook vandaag weer.

 

Genade en glorie

Psalm 84

1 Voor de koorleider. Op de wijs van De Gatitische. Van de Korachieten, een psalm. 2 Hoe lieflijk is uw woning, HEER van de hemelse machten. 3 Van verlangen smacht mijn ziel naar de voorhoven van de HEER. Mijn hart en mijn lijf roepen om de levende God. 4 Zelfs de mus vindt een huis en de zwaluw een nest waarin ze haar jongen neerlegt, bij uw altaren, HEER van de hemelse machten, mijn koning en mijn God. 5 Gelukkig wie wonen in uw huis, gedurig mogen zij U loven. sela 6 Gelukkig wie bij U hun toevlucht zoeken, met in hun hart de wegen naar U. 7 Trekken zij door een dal van dorheid, door hen verandert het in een oase; rijke zegen daalt als regen neer. 8 Steeds krachtiger gaan zij voort om in Sion voor God te verschijnen. 9 HEER, God van de hemelse machten, hoor mijn gebed, luister naar mij, God van Jakob. sela 10 God, ons schild, zie naar ons om, sla goedgunstig het oog op uw gezalfde. 11 Beter één dag in uw voorhoven dan duizend dagen daarbuiten, liever op de drempel van Gods huis dan wonen in de tenten der goddelozen. 12 Want God, de HEER, is een zon en een schild. Genade en glorie schenkt de HEER, zijn weldaden weigert Hij niet aan wie oprecht hun weg gaan.13 HEER van de hemelse machten, gelukkig de mens die op U vertrouwt. (NBV21)

Vandaag zingen we mee met de drempelwachters van de Tempel, de Korachieten, die in het boek van de Psalmen hun eigen verzameling hebben. Het gaat op een voor ons onbekende melodie, de Gatitische, die melodie is in de tijden verloren gegaan. De Psalm bezingt de heerlijkheid van de Tempel. De voorhoven van de Tempel waren voor de meeste Israëlieten de plaats waar ze het dichtst bij het Heiligste van hun volk waren. Dat was niet een beeld van hun God. Wat ze zeker wisten was dat daar de richtlijnen werden bewaard die ooit in de woestijn aan Mozes waren gegeven. De richtlijnen die zich samen lieten vatten in het heb Uw naaste lief als Uzelf. Dat kwamen ze ook weer oefenen in de Tempel. De voorschriften waren immers dat ze een paar keer per jaar op moesten trekken naar de Tempel om daar een maaltijd te houden met de hele familie, inclusief al het personeel en de slaven, de dienaren in de Tempel, de armen en de vreemdelingen uit hun stad of dorp. Het was daar dus een voortdurend feestgedruis want niemand liet zich graag zo’n feestelijke maaltijd ontgaan.

De Korachieten moesten er op letten dat alles goed bleef gaan, dat er geen beelden van afgoden de Tempel werden binnengesmokkeld bijvoorbeeld. In de Bijbel staan diverse voorbeelden van perioden waarin ook vreemde goden werden aanbeden in de Tempel. Zo’n kist met stenen platen die je niet eens mag zien spreekt natuurlijk niet erg aan. Dat je in de ogen van je naaste het beeld van God kunt zien wordt ook in onze dagen maar al te gemakkelijk vergeten. De psalm straalt een zekere onbezorgdheid uit. Zelfs de mus vindt een huis en de zwaluw een nest waarin ze haar jongen neerlegt, maak je dus geen zorgen voor de dag van morgen. Dat is zeker zo op een plaats waar altijd iedereen welkom is aan de maaltijd, waar iedereen altijd bereid is te delen. Veel en veel later zou Jezus van Nazareth deze Psalm aanhalen in een waarschuwing en geruststelling. De Zoon van de mensen heeft zelfs geen plaats om zijn hoofd neer te leggen vulde hij het citaat van de mus en de zwaluw aan.

Je wordt er niet rijk van als je onvoorwaardelijk de naaste liefhebt. Tegelijkertijd is het een geruststelling, nooit zal je immers iets ontbreken zingt een andere psalm. Zeker als je het aandurft met de minsten om te gaan, de mensen die buiten de samenleving gezet zijn. Als je niet bang bent, je angst weet te overwinnen zoals de Bijbel zegt, zul je merken dat vreemdelingen, illegalen en asielzoekers incluis, vaak verrassend gastvrij zijn. Ze horen bij de armsten in ons land, maar er is altijd een plek aan tafel. Het lijkt voor velen zelfs een eer te zijn een gast een maaltijd voor te zetten, zonder er overigens iets voor terug te verwachten. Wij mogen ons dat ook wel eens bedenken als we deze Psalm meezingen. En wie zijn of haar huis als een Tempel beschouwt mag vandaag de deur openzetten om een maaltijd te houden met de familie, de armen en de vreemdelingen.

 

De timmerman

Matteüs 13:47-58

47 Het is met het koninkrijk van de hemel ook als met een sleepnet dat in een meer werd geworpen en waarmee allerlei soorten vis werden gevangen. 48 Toen het net vol was, trok men het op de oever en ging men zitten om de goede vis in kuipen te doen; de slechte vis werd weggegooid. 49 Zo zal het gaan bij de voltooiing van deze wereld: de engelen zullen eropuit trekken en de kwaadwilligen van de rechtvaardigen scheiden, 50 en ze zullen hen in de vuuroven werpen, waar ze zullen jammeren en knarsetanden. 51 Hebben jullie dit alles begrepen?’ ‘Ja,’ antwoordden ze. 52 Hij zei hun: ‘Zo lijkt iedere schriftgeleerde die leerling in het koninkrijk van de hemel is geworden op de heer des huizes die uit zijn schatkamer nieuwe en oude dingen tevoorschijn haalt.’ 53 Toen Jezus deze gelijkenissen beëindigd had, verliet Hij die plaats. 54 Hij kwam aan in zijn vaderstad en gaf de inwoners onderricht in hun synagoge, zodat ze stomverbaasd waren en zeiden: ‘Hoe komt Hij aan die wijsheid en hoe kan Hij die wonderen doen? 55 Hij is toch de zoon van de timmerman? Maria is toch zijn moeder, en Jakobus, Josef, Simon en Judas, dat zijn toch zijn broers? 56 En wonen zijn zussen niet allemaal bij ons? Waar heeft Hij dat alles dan vandaan?’ 57 En ze namen aanstoot aan Hem. Maar Jezus zei tegen hen: ‘Een profeet wordt overal erkend behalve in zijn vaderstad en in zijn eigen familie.’ 58 En Hij verrichtte daar niet veel wonderen, vanwege hun ongeloof. (NBV21)

We spotten wel eens met de betekenis van Jezus. Als iemand doet of hij de wijsheid in pacht heeft, eigenwijs blijft doordrammen, dan zeggen we dat hij denkt dat hij Jezus is maar hij is slechts de zoon van een timmerman. Zo ging het met Jezus zelf ook toen hij op rondreis door het land in zijn eigen stad kwam. Waar haalt hij de wijsheid vandaan vroegen de mensen zich af, het is toch maar de zoon van Jozef en Maria. Er is echter een spreekwoord uit die tijd dat zegt dat niemand de schriften kent zoals een timmerman. Dat waren kennelijk slimme mensen die de Thora en de Profeten, wij noemen dat nu het Oude Testament, goed hadden bestudeerd. Jezus zette zichzelf in die traditie. Daar hoorden overigens ook de zogenaamde Farizeeën bij, ook zij bestudeerden de wet en de profeten, met dit verschil dat bij Jezus de wet er voor de mensen was en bij de Farizeeën soms de schijn werd gewekt dat de mensen er voor de wet zijn.

Nu is die houding een stuk gemakkelijker en voor machthebbers ook een stuk aantrekkelijker. Machthebbers bepalen hoe de wet moet worden toegepast en dus moet dat altijd zo dat hun macht er groter door wordt. Machthebbers die rechters kunnen benoemen zijn dan ook gevaarlijk. In de ontwikkeling van de democratie, trouwens lang voor de democratie bestond zoals wij die kennen, was er al de leer van de scheiding van de machten. Wie de wetten maakten moesten anderen zijn dan die de wetten uitvoerden en beiden behoorden niet tot de rechters die het nakomen van de wetten beoordeelden. Maar in de discussie tussen Jezus van Nazareth en de Farizeeën speelde een ander conflict een rol. Wij hebben wetten waar we ons allemaal onder alle omstandigheden altijd op dezelfde manier aan moeten houden. De Thora, de richtlijnen die het volk Israël had ontvangen voor de menselijke samenleving kan ook anders gelezen worden. Die Thora zet mensen in beweging om die ideale samenleving ook voor elkaar te krijgen en het oordeel is niet over mensen, maar over de samenleving, pas als mensen een samenleving vol onrecht en onderdrukking beter gaan vinden dan volgt een oordeel over die mensen.

Voor leerlingen van Jezus is daarom het voorgaan in de synagoge wat moeilijker, dan put je wel uit de oude geschriften maar laat je er een nieuw licht over schijnen, want voor dat koninkrijk heb je alles over. Voor dat Koninkrijk moeten mensen in beweging komen. Als een pot met goudstukken die je in een stuk grond vindt, eerst de grond kopen en dan de schat opgraven, of als de handelaar die eindelijk de langgezochte waardevolle parel vindt, alles wegdoen en zorg dat je die parel krijgt, of als de vissers die hun net vol hebben, ze zoeken echt de goede en de slechte vissen uit en nemen daar dan de tijd voor. Het gaat er dus om voortdurend bezig te zijn met de vraag of het gaat om anderen lief te hebben als jezelf of alleen om er zelf beter van te worden. En haal je mensen dan naar beneden, het is maar…. zeg maar de zoon van de timmerman, dan wordt het niks, dan wordt de wereld er niet beter van. Daar wist zelfs Jezus maar weinig wonderen te verrichten.

 

Jammeren en knarsetanden

Matteüs 13:36-46

36 Daarop stuurde Hij de mensen weg en ging naar huis. Zijn leerlingen kwamen bij Hem en vroegen: ‘Wilt U ons de gelijkenis van het onkruid op de akker uitleggen?’ 37 Hij antwoordde hun: ‘Hij die het goede zaad zaait is de Mensenzoon, 38 de akker is de wereld, het goede zaad dat zijn de kinderen van het koninkrijk; het onkruid dat zijn de kinderen van het kwaad, 39 de vijand die het zaait is de duivel, de oogst staat voor de voltooiing van deze wereld en de maaiers zijn de engelen. 40 Zoals het onkruid bijeengebracht wordt en in het vuur verbrand, zo zal het gaan bij de voltooiing van deze wereld: 41 de Mensenzoon zal zijn engelen eropuit sturen, en ze zullen uit zijn koninkrijk al wat ten val brengt en al wie onrecht pleegt bijeenbrengen 42 en in de vuuroven werpen; daar zullen ze jammeren en knarsetanden. 43 Dan zullen de rechtvaardigen in het koninkrijk van hun Vader stralen als de zon. Laat wie oren heeft goed luisteren! 44 Het is met het koninkrijk van de hemel als met een schat die verborgen lag in een akker. Iemand vond hem en verborg hem opnieuw, en in zijn vreugde verkocht hij alles wat hij had en kocht die akker. 45 Ook is het met het koninkrijk van de hemel als met een koopman die op zoek was naar mooie parels. 46 Toen hij een uitzonderlijk waardevolle parel vond, verkocht hij alles wat hij had en kocht die parel. (NBV21)

Je hebt de keus of je onkruid of graan wil zijn. Uiteindelijk krijgen beiden de kans op te groeien. maar als de dag van de oogst komt dan wordt het onkruid bijeen gebonden en in het vuur gegooid, verbrand. Jezus legt in het bovenstaande uit dat het met name geldt voor hen die de Thora hebben verkracht, mensen uitgebuit en vermoord en misdrijven tegen de menselijkheid hebben gepleegd. Sommige van die misdadigers weten dat ook zelf wel. Van de Nazi’s kon uiteindelijk maar een handjevol leiders worden berecht, de rest had er zelf een einde aan gemaakt en maar een enkeling wist te ontkomen. Tot op de dag van vandaag wordt op de ergste van die misdadigers jacht gemaakt tot in de verste hoeken van de aarde. Ook in Japan heeft zo’n berechting plaatsgevonden. Er waren bijzondere rechtbanken voor Rwanda en voor voormalig Joegoslavië zijn tribunalen nog aan het werk. En inmiddels hebben we een internationaal strafhof waar zelfs zittende machthebbers worden aangeklaagd.

Die berechtingen zelf zijn niet zonder betekenis. Lange tijd is er gedacht dat de berechtingen in Duitsland en Japan uitzonderingen zouden zijn. De vonnissen en de rechtszaken van vlak na de Tweede Wereldoorlog hebben de normen gezet voor wat wel en niet kan op het gebied van mensenrechten. De Verenigde Naties als organisatie is er een gevolg van maar ook de Veiligheidsraad, met de regel dat geen land een gewapend conflict mag beginnen zonder toestemming van de VN. Die toestemming is verleend om Korea te beschermen, die toestemming is verleend om Koeweit te bevrijden maar die toestemming werd niet gevraagd, dus ook niet verleend om Irak binnen te vallen. Nu is er ook wel een regel dat je je eigen land gewapenderhand mag verdedigen en daar beroepen Amerika en Engeland zich op maar dat is dubieus. Die bijzondere tribunalen, die inmiddels zijn opgericht, hebben ook geleid tot het inzicht dat berechting van internationale misdadigers, tegen criminelen die het ontstaan van een meer ideale wereldsamenleving in de weg staan, een meer permanent karakter moet hebben.

Daarom is er dus in Den Haag het internationale strafhof. Nog niet alle landen doen daar aan mee, Amerika houd zich er angstig buiten. Dat Amerikaanse beslissingen om oorlog te voeren of mensen zonder vorm van proces jarenlang gevangen te houden en te verhoren buiten de regels van internationale verdragen om, waardoor ze niet door een onafhankelijke rechtbank beoordeeld kunnen worden is duidelijk, maar dat die beslissingen en die acties ook niet goedgekeurd kunnen worden zou ten nadele van de Amerikanen kunnen zijn. Juist daar waar rechtvaardigheid wordt gedaan gaan rechtvaardigen stralen als de zon. We maken dus stappen vooruit naar een samenleving waarin uiteindelijk het onkruid wordt vernietigd. De keus tussen graan zijn of onkruid ligt daarom voor de hand, al is het niet eenvoudig je niet te laten verstikken.

 

Uitsluitend in gelijkenissen

Matteüs 13:24-35

24 Hij hield hun een andere gelijkenis voor: ‘Het is met het koninkrijk van de hemel als met een mens die goed zaad op zijn akker uitzaaide. 25 Terwijl de mensen sliepen, kwam zijn vijand giftig onkruid tussen het graan zaaien en vertrok weer. 26 Toen het jonge gewas opschoot en vrucht begon te dragen, kwam ook het onkruid tevoorschijn. 27 De knechten kwamen de heer des huizes vragen: “Heer, hebt u soms geen goed zaad op uw akker gezaaid? Waar komt dat onkruid dan vandaan?” 28 Hij antwoordde: “Dat is het werk van een vijand.” De knechten zeiden tegen hem: “Wilt u dat wij het onkruid weghalen?” 29 Hij antwoordde: “Nee, want dan zouden jullie met het onkruid ook het graan lostrekken. 30 Laat beide samen opgroeien tot aan de oogst, dan zal ik, wanneer het oogsttijd is, tegen de maaiers zeggen: ‘Haal eerst het onkruid weg, bind het in bundels bij elkaar en verbrand het. Breng dan het graan bijeen in mijn schuur.’”’ 31 Hij hield hun een andere gelijkenis voor: ‘Het koninkrijk van de hemel lijkt op een zaadje van de mosterdplant dat iemand in zijn akker zaaide. 32 Het is weliswaar het kleinste van alle zaden, maar het groeit uit tot de grootste onder de planten. Het wordt een boom, en de vogels van de hemel komen nestelen in de takken.’ 33 Hij vertelde hun een andere gelijkenis: ‘Het koninkrijk van de hemel lijkt op zuurdesem die een vrouw mengde met drie zakken meel tot alle meel doordesemd was.’ 34 Al deze dingen zei Jezus in gelijkenissen tot de menigte; Hij sprak uitsluitend in gelijkenissen tot hen. 35 Zo moest in vervulling gaan wat gezegd is door de profeet: ‘Ik open mijn mond om in gelijkenissen te spreken; Ik zal bekendmaken wat sinds de grondvesting van de wereld verborgen was.’ (NBV21)

De gelijkenissen tuimelen over elkaar heen in dit Bijbelgedeelte. Zo graag wilde Jezus van Nazareth duidelijk maken hoe het zit met de komst en de groei van dat Koninkrijk waar hij het steeds over heeft. Je denkt dat je het goede woord hebt verkondigd en dan zie je in een kerk de prachtige gewaden, de machthebbers, de show en je hoort dat de armen en hun bevrijding verdwijnen achter eigenbelang en eerzucht. Hoe kan dat toch? Dat is het kwade dat altijd het goede zal vergezellen, pas als het Koninkrijk er echt is zal het kwade ten onder gaan. Moet je dan wanhopen en maar ophouden met de vertellen over dat Koninkrijk van eerlijk delen waar de minsten de belangrijksten zijn en er voor iedereen een plaats is? Welnee. Het groeit vanzelf uit tot het mooiste en het grootste dat we ooit hebben gezien. Zoals dus die mosterdboom die wij niet meer in die vorm kennen maar die we ons best kunnen voorstellen.

Die gelijkenis met dat zuurdesem kunnen we ons misschien nog het beste voorstellen. Want wie wel eens brood bakt weet dat je van de gist maar een heel klein beetje nodig hebt om een heleboel lekker brood te kunnen bakken. Zuurdesem is net als gist en daar heb je eigenlijk nog minder van nodig. Zo kun je dus ook een ideale samenleving maken. Je hebt naar verhouding maar een paar mensen nodig die er echt in geloven, die het tot het bittere einde ook weten vol te houden. Deze vergelijking is van Jezus van Nazareth zelf. De vergelijking die er aan vooraf gaat is op dit moment eigenlijk nog veel actueler. Die van het zaad en het onkruid. Biologen zeggen dan direct dat onkruid niet bestaat. Alle planten hebben hun doel en bestemming. maar de boer zal zeggen dat dat mooi is, maar als je graan hebt gezaaid dan wil je ook dat er graan groeit en geen distels of papavers of andere struiken. Van graan moet die boer z’n huishouding draaiende houden. Jezus wijst er op dat het voor de boer geen zin heeft om het onkruid er uit te gaan trekken.

Lang hebben we gedacht dat we het onkruid wel konden vergiftigen maar daar komen we ook van terug. Uiteindelijk vergiftigen we onszelf daarmee. Laat het onkruid dus maar staan en verwijder het na het maaien. Het verwijderen van onkruid uit de samenleving nu heeft dus geen zin, en straffen moeten we maar aan de rechters overlaten, want dat wat verkeerd is moet benoemd worden en wie verkeerd doet verdient straf. Het enige wat we kunnen doen is bezig blijven voor een betere samenleving, dus moeten we steeds opnieuw mensen de kans geven opnieuw te beginnen maar dan op de goede weg. Jezus wijst daarbij op het mosterdzaadje, ongeveer het kleinste zaadje dat er is, maar het groeit uit tot een geweldige struik. We hebben daarom ook zelf de keus of we een mosterdzaadje willen zijn, als zuurdesem werken in onze stad, ons land, onze eigen wereld, of dat we onkruid willen zijn dat snel groeit, het grootste en het mooiste wil zijn maar dat het goede verstikt.

 

Die vrucht dragen

Matteüs 13:13-23

13 Dit is de reden waarom Ik in gelijkenissen tot hen spreek: omdat zij ziende blind en horende doof zijn en niets begrijpen. 14 In hen komt deze profetie van Jesaja tot vervulling: “Jullie zullen goed luisteren maar niets begrijpen, en jullie zullen goed kijken maar geen inzicht hebben. 15 Want het hart van dit volk is afgestompt, hun oren zijn doof en hun ogen houden zij gesloten. Met hun ogen willen ze niets zien, met hun oren niets horen, met hun hart niets begrijpen.Want anders zouden ze tot inkeer komen en zou Ik hen genezen.” 16 Gelukkig zijn jullie ogen omdat ze zien, en jullie oren omdat ze horen! 17 Want Ik verzeker jullie: vele profeten en rechtvaardigen hebben ernaar verlangd te zien wat jullie zien, maar ze kregen het niet te zien, en te horen wat jullie horen, maar ze kregen het niet te horen. 18 Hoor en begrijp dan nu de gelijkenis van de zaaier: 19 Bij ieder die het woord van het koninkrijk hoort maar het niet begrijpt, komt hij die het kwaad zelf is om te roven wat in hun hart is gezaaid; dit is het zaad dat op de weg gezaaid is. 20 Het zaad dat op rotsachtige grond is gezaaid, dat zijn zij die het woord horen en het meteen met vreugde aannemen. 21 Maar doordat het geen wortel schiet in hen, is dat van korte duur. Worden ze vanwege het woord verdrukt of vervolgd, dan komen ze meteen ten val. 22 Het zaad dat tussen de distels is gezaaid, dat zijn zij die het woord horen, maar bij wie de zorg om het dagelijks bestaan en de verleiding van de rijkdom het woord verstikken, zodat het zonder vrucht blijft. 23 Het zaad dat in goede grond is gezaaid, dat zijn zij die het woord horen en begrijpen. Zij zijn het die vrucht dragen, deels honderdvoudig, deels zestigvoudig, deels dertigvoudig.’ (NBV21)

Hoe krijg je het in die stomme koppen dat je van anderen moet houden als van jezelf. Dat het in het Koninkrijk met de wet van samen delen niet gaat om wie de eerste, de beste, de knapste, de sterkste of de rijkste is. Je legt het geduldig uit. Jezus gebruikt hele knappe voorbeelden. Gelijkenissen zijn die gaan heten. Maar hoe komt het toch dat als je dag in dag uit, jaar in jaar uit het meest voor hand liggende vertelt het toch niet altijd over komt. Niet altijd want soms, heel soms, willen mensen het best geloven. Voor Jezus van Nazareth maakte het eigenlijk niet zoveel uit. Het zorgen voor de minsten in de samenleving is niet vanzelfsprekend. Die zaaier kan er niets aan doen als het zaad op de weg valt en opgegeten wordt door de vogels, of als het op rotsige grond valt of verstikt wordt door de distels, maar wij kunnen dat wel.

Willen wij vruchtbare grond worden voor de boodschap van Jezus van Nazareth dan moeten we ons afwenden van wat ons meestal als goed voorgehouden wordt. Winst maken, succes behalen, persoonlijke groei nastreven, zelfs de groei van ons geloof opgeven. In Bijbelse termen heet dat bekering, een totale ommekeer in je leven. Dat is niet gemakkelijk. De distels van je omgeving kunnen dat eenvoudig verstikken. Want wie wil er nu geen succes behalen, winst maken en als persoon groeien? Geld verdienen, carrière maken, een stabiel en gezond mens zijn, is toch goed of niet? We houden zo gemakkelijk de ogen gesloten voor de minsten in de samenleving.

Juist het nastreven van al die door onze maatschappelijke omgeving opgelegde na te streven doelen houdt ons af van het voeden van de hongerigen, het kleden van de naakten, het troosten van de bedroefden, het bevrijden van de armen. Als horen en begrijpen nu eens voldoende was. Zo ingewikkeld was die gelijkenis van de zaaier toch niet. Iedereen heeft toch wel eens gehoord dat je je naast moet liefhebben als jezelf, en iedereen snapt natuurlijk ook wel dat het leven een stuk prettiger wordt als we allemaal niet tegen een ander doen wat we niet willen dat tegen ons wordt gedaan. Moet het eerlijk zijn dat je de een wel helpt en de ander niet? Zijn er ingewikkelde juridische redeneringen die je afhouden de mouwen op te stropen en kinderen een toekomst geven? Doorzie het. Een oud Joods spreekwoord luidt dat als je één leven redt je de hele wereld hebt gered. Vandaag is die ene dus genoeg, aan het werk.

De geheimen van het koninkrijk

Matteüs 13:1-12

1 Die dag verliet Jezus het huis en ging aan de oever van het meer zitten. 2 Er kwam een grote mensenmassa om Hem heen staan, en daarom ging Hij in een boot zitten, terwijl de menigte op de oever bleef. 3 Hij sprak in allerlei gelijkenissen tot hen: ‘Een zaaier ging eropuit om te zaaien. 4 Tijdens het zaaien viel een deel van het zaad op de weg, en er kwamen vogels die het opaten. 5 Een ander deel viel op rotsachtige grond, waar maar weinig aarde was, en het schoot meteen op omdat het niet diep in de grond kon doordringen; 6 en toen de zon opkwam verschroeide het, en doordat het geen wortel had droogde het uit. 7 Weer een ander deel viel tussen de distels, en toen die opschoten verstikten ze het. 8 Maar er viel ook zaad in goede grond, en dat droeg vrucht, deels honderdvoudig, deels zestigvoudig, deels dertigvoudig. 9 Laat wie oren heeft goed luisteren!’ 10 De leerlingen kwamen naar Hem toe en vroegen: ‘Waarom spreekt U in gelijkenissen tot hen?’ 11 Hij antwoordde: ‘Het is jullie gegeven de geheimen van het koninkrijk van de hemel te kennen, maar hun niet. 12 Want wie heeft, hem zal nog meer gegeven worden, en wel in overvloed; maar wie niets heeft, hem zal zelfs het laatste worden ontnomen. (NBV21)

De boodschap van Jezus moet heel eenvoudig geweest zijn. Heb je naaste lief als je zelf. Dat stond al in de Tora, het hart van de leer van Mozes. Met die richtlijn komt iedereen de woestijn door omdat je voortdurend op elkaar lees. Maar als het zo eenvoudig is waarom doet iedereen dat dan niet gewoon. Dat lees je in de gelijkenis over de zaaier. Wij herkennen dat niet meer zo. Voor ons is de zaaier uit de gelijkenis maar een verspiller van kostbaar zaaigoed. Bij ons is het land eerst mechanisch geploegd, met van die mooie rechte voren.

En als het dan even wil dan wordt er ook nog mechanisch gezaaid, met een speciaal zaaiapparaat achter een tractor. Op die manier hoeft er maar weinig verloren te gaan en ontstaat er een grote opbrengst, dus een groot rendement. Maar in de dagen van Jezus van Nazareth hadden ze al die automatisering niet. Wie het land vrij van stenen wilde hebben brak de rug, van zichzelf of van de familie. Wat verspilling van zaaigoed lijkt is ook bescherming van de gezondheid van de boer en diens familie. De gelijkenis gaat over de opbrengst. Er zijn altijd een heleboel redenen waarom mensen niet bezig zijn met hun naaste,

Maar waarom sprak Jezus van Nazareth zo vaak in gelijkenissen? Waarom niet gewoon gezegd dat je goed moet luisteren en gaan doen wat gezegd wordt, werken aan de bevrijding van de armen, de komst van het Koninkrijk van God? Dat de wereld er een stuk beter gaat uitzien als iedereen bezig is met de minsten, de naaste, de slachtoffers van hebzucht, onderdrukking en geweld is niet vanzelfsprekend. De stenen liggen er nog steeds, het onkruid is er ook en de weg is zelfs nodig. Die betere wereld is bijna een geheim. Een cadeau dat er pas is als je jarig bent. En volgens de Bijbel moet je alles willen opgeven dat het voor jou prettig maakt. Alles is lucht en leegte, alleen de liefde telt. Ga daar vandaag maar eens mee aan het werk.

 

Een verdorven en trouweloze generatie

Matteüs 12:38-50

38 Daarop reageerden enkele schriftgeleerden en farizeeën met een vraag: ‘Meester, we zouden graag een teken van U zien.’ 39 Hij antwoordde: ‘Dit is een verdorven en trouweloze generatie. Ze verlangt een teken, maar zal geen ander teken krijgen dan dat van de profeet Jona. 40 Want zoals Jona drie dagen en drie nachten in de buik van een grote vis zat, zo zal de Mensenzoon drie dagen en drie nachten in het binnenste van de aarde verblijven. 41 Op de dag van het oordeel zullen de Ninevieten samen met deze generatie opstaan en haar veroordelen; want zij waren na de prediking van Jona tot inkeer gekomen, en hier ziet u iemand die meer is dan Jona! 42 Op de dag van het oordeel zal de koningin van het Zuiden samen met deze generatie opstaan en haar veroordelen; want zij was van het uiteinde van de aarde gekomen om te luisteren naar de wijsheid van Salomo, en hier ziet u iemand die meer is dan Salomo! 43 Wanneer een onreine geest iemand verlaat, trekt hij door dorre oorden, op zoek naar een rustplaats. Maar als hij die niet vindt, 44 zegt hij: “Ik zal terugkeren naar mijn huis, dat ik verlaten heb.” En wanneer hij terugkeert, merkt hij dat het leegstaat, schoongemaakt is en op orde gebracht. 45 Dan gaat hij weg en haalt er zeven andere demonen bij, slechter dan hijzelf, en ze nemen daar blijvend hun intrek. En zo is de mens bij wie de demon intrekt er ten slotte veel slechter aan toe dan voorheen. Zo zal het ook gaan met deze verdorven generatie.’ 46 Terwijl Hij nog met de mensen in gesprek was, dienden zich buiten zijn moeder en zijn broers aan, omdat ze Hem wilden spreken. 47 Iemand zei tegen Hem: ‘Uw moeder en uw broers staan buiten, ze willen U spreken.’ 48 Hij antwoordde: ‘Wie is mijn moeder en wie zijn mijn broers?’ 49 Hij maakte een gebaar naar zijn leerlingen en zei: ‘Dat zijn mijn moeder en mijn broers. 50 Want ieder die de wil van mijn Vader in de hemel doet, is mijn broer en mijn zus en mijn moeder.’ (NBV21)

Het zal toch heel veel mensen worst zijn of die Jezus nu wel of niet bestaan heeft, of dat die God waar ze het maar steeds over hebben wel of niet bestaat. Het was vroeger een rotzooitje in de wereld, het is nu een rotzooitje in de wereld en het zal altijd wel een rotzooitje in de wereld blijven, daar helpt kennelijk geen lieve Heer Jezus of God in de Hemel tegen. En zo is het natuurlijk ook. Jezus en die God van hem zijn geen wonderbaarlijke tovenaars die alles wel even ten goede zullen keren. Zo zit het niet in elkaar, al willen de ongelovigen ons dat wel doen geloven. Hoe vaak hoor je niet dat het bewijs dat God niet bestaat ligt in het feit dat je nergens aan kunt wijzen dat God iets doet. In de tijd van Jezus al vroegen de leiders van het volk aan hem om een teken dat hij inderdaad van God was. Jezus kon zich er vreselijk over opwinden. Ongelovigen hadden het soms beter door dan de mensen die de leiding hadden in de Tempel, die dag en nacht zouden moeten studeren in de verhalen van Mozes en de profeten. Zelf geeft hij als voorbeeld het verhaal van Jona. Met veel moeite had God deze profeet in de heidense stad Nineve aan het preken gekregen, mensen bekeerd U, niet Uw winst, profijt of macht moet het uitmaken maar de liefde voor de zwakste in Uw samenleving. Toen ging Jona zitten wachten tot de stad zou vergaan. Dat zootje heidenen geloofde er immers niet in. Maar de bewoners van Nineve snapten het ineens en keerden hun samenleving om en die stad werd dus niet verwoest.

Nog zo’n voorbeeld geeft Jezus. De Koningin van het Zuiden, in ons spraakgebruik de Koningin van Sheba, ging naar Koning Salomo en luisterde naar de wijsheid van Salomo. Die wijsheid vind je terug in het boek Spreuken. Het begin van alle wijsheid is het ontzag voor God, dus het volgen van de Wet van heb je naaste lief als jezelf. Die inwoners van Nineve en die Koningin van het Zuiden hadden het door. Nu de machthebbers nog. Toch willen ook sommige gelovigen tekenen en wonderen zien. Ze trekken naar tenten en hallen om daar te geloven in wonderbaarlijke genezingen, in mensen die uit rolstoelen opstaan na vreselijke ziekten of tumoren die op raadselachtige wijze verdwijnen. Ze vergeten dat ook de tovenaars van de Farao van Egypte hun stokken in slangen konden veranderen. Het beste teken van het bestaan van God vind je als mensen voor elkaar gaan zorgen, als ze alles voor elkaar over hebben, desnoods zichzelf. Dat is het echte voorbeeld dat Jezus van Nazareth ons gegeven heeft. Als je dus een teken wilt zien, kijk dan eens in een spiegel en vraag je af of je werkelijk net zoveel van de armste en de minste in je stad houdt als van de mens die je in de spiegel ziet. En zo niet, dan valt er nog veel werk voor je te doen.

Stoppen met roken kan betekenen dat je gaat snoepen. Dat is dus de ene boze geest vervangen door de andere. Beter is na te gaan wanneer je rookt en waarom juist op dat moment. Als je de behoefte aan roken vervangt door een beter antwoord, die die behoefte bevredigd, kan het stoppen gemakkelijker worden. Verslavingen moeten overigens niet te licht worden opgenomen. Van de verslaving aan drugs is het bekend dat het soms wel zeven ontwenningskuren duurt voordat de verslaving achter iemand ligt. Jezus van Nazareth kende kennelijk de problemen die gepaard gaan met het afleren van slechte gewoonten. Bij hem ging het niet zozeer om het afwennen van verslavingen maar om gedrag waarbij je eerst om jezelf denkt en dan pas om anderen. Als je niet uitkijkt dan is je reactie op de zorg voor anderen dat je weer eens aan jezelf moet toekomen en dus met verdubbelde ijver de schade inhaalt en voor jezelf gaat zorgen. Daarom moet je ook jezelf in de gaten houden als je voor anderen in de weer bent. Het gaat er immers om van anderen te houden als van jezelf. Dat wat je jezelf gunt gun je ook aan anderen. Daarbij gaat zelfs je familie niet voor, de mensen met wie je samenwerkt voor een betere samenleving zijn je eerste familie. Bij sommige gesloten sekten wordt dit verhaal nog wel eens misbruikt om alle contact met de buitenwereld te verbreken. Als dat het geval is dan deugt die sekte niet. Jezus van Nazareth zorgde zelfs hangend aan het kruis nog voor zijn moeder, zijn broer Jacobus zou later nog de leider van de gemeente in Jeruzalem worden. Altijd staan de anderen voorop. Want voor je het weet heb je wel je slechte gewoonten afgeleerd maar komen er nog slechtere voor in de plaats. Dat is wat dit verhaal van Matteüs ons wil leren. Iedereen die de naaste liefheeft als zichzelf hoort bij de familie en alleen samen bouwen we aan de betere wereld die zal uitmonden in het Koninkrijk van God.

 

Iedereen die kwaadspreekt

Matteüs 12:22-37

22 Toen bracht men iemand bij Hem die bezeten was; hij was blind en kon niet spreken. Jezus genas hem, zodat hij kon spreken en zien. 23 Alle omstanders stonden versteld en zeiden: ‘Zou Híj de Zoon van David zijn?’ 24 Maar de farizeeën die dit hoorden, zeiden tegen elkaar: ‘Hij kan die demonen alleen maar uitdrijven dankzij Beëlzebul, de vorst der demonen.’ 25 Jezus wist wat ze dachten en zei tegen hen: ‘Elk koninkrijk dat innerlijk verdeeld is gaat te gronde, en geen enkele stad of gemeenschap die innerlijk verdeeld is zal standhouden. 26 Als Satan Satan uitdrijft, is hij innerlijk verdeeld. Hoe kan zijn koninkrijk dan standhouden? 27 En als Ik inderdaad dankzij Beëlzebul demonen uitdrijf, door wie drijven uw eigen mensen ze dan uit? Zij zullen dan ook uw rechters zijn! 28 Maar als Ik door de Geest van God demonen uitdrijf, dan is het koninkrijk van God bij u gekomen. 29 Trouwens, hoe kan iemand het huis van een sterke man binnengaan en zijn inboedel roven, als hij die man niet eerst heeft vastgebonden? Pas dan kan hij zijn huis leeghalen. 30 Wie niet met Mij is, is tegen Mij, en wie niet met Mij samenbrengt, drijft uiteen. 31 Daarom zeg Ik u: elke zonde en elke godslastering kan de mensen worden vergeven, maar wie de Geest lastert kan geen vergeving ontvangen. 32 En iedereen die kwaadspreekt van de Mensenzoon zal vergeving ontvangen. Maar wie kwaadspreekt van de heilige Geest zal geen vergeving ontvangen, noch in deze wereld, noch in de komende. 33 Wanneer een boom goed is, dan zijn ook zijn vruchten goed. Is een boom daarentegen slecht, dan zijn ook zijn vruchten slecht. Want aan de vruchten kent men de boom. 34 Addergebroed! Hoe kunt u iets goeds zeggen terwijl u zelf slecht bent? Waar het hart vol van is, daar loopt de mond van over. 35 Een goed mens haalt uit zijn schatkamer met goede dingen het goede tevoorschijn, terwijl een slecht mens uit zijn schatkamer met slechte dingen het slechte tevoorschijn haalt. 36 Ik zeg u: van elk nutteloos woord dat mensen spreken, zullen ze op de dag van het oordeel rekenschap moeten afleggen. 37 Want op grond van je woorden zul je worden vrijgesproken, en op grond van je woorden zul je worden veroordeeld.’ (NBV21)

In het verhaal van Matteüs over Jezus van Nazareth dat we hier lezen gaat het over de samenleving die we zouden moeten willen. Jezus haalde allerlei gekkigheid uit mensen en stelde ze daarmee in de gelegenheid weer gewoon mee te doen in de samenleving. Ze zagen het weer zitten en konden in gesprek met de anderen. Het boze er uit drijven noemden ze dat. Maar heb je niet de boze nodig om het kwade te verdrijven? Met dieven vangt men immers dieven? Het antwoord van Jezus is simpel. Als het boze het kwade verdrijft blijft er weinig kwaad in de wereld over. Zou het kwade zichzelf opheffen? Daar lijkt het niet op, het kwade is er altijd. Het is het goede dat het kwade uitdrijft. Elke partij die onderling ruzie maakt gaat ten onder, die bestrijdt zichzelf. Dat geld voor een stad, een land en elke mensengemeenschap, zelfs politieke partijen of bewegingen gaan daaraan ten onder.

Daarom is het belangrijk dat we elkaar vast houden, zoals politici in zaken van grote onderlinge verdeeldheid en de rampen die daaruit voorkomen graag plegen op te merken. Daarom is het ook belangrijk met elkaar in gesprek te gaan, elkaar op te zoeken. Daarom moeten we in onze eigen omgeving elke opmerking te lijf gaan waarmee anderen apart gesteld worden, uitgesloten worden van de samenleving. Erzijn politici die voortduren inhakken op de Islam. Wie met Moslims maaltijd heeft gehouden weet het tegendeel. Juist nu binnen de Moslim gemeenschap een toenemend aantal jongeren verleid worden mee te gaan vechten met extremistische organisaties, ze, de Christenen en Joden zouden Moslims haten, juist nu is samen werken geboden. En zouden we van buiten af bij dat gesprek niet moeten helpen. Ook onder de jongeren die naar Syrië of Irak gingen blijken jongeren te zijn die uitdrukkelijk als martelaar willen worden herinnerd. Aan ons om het niet zover te laten komen door hen martelaren te maken, want zoals Jezus zei, wie niet samenbrengt drijft uiteen. Dat samenbrengen is dus meer dan een bijzaak. Het is een hoofdzaak.

De geest waarin je de samenleving benadert, de geest waarin je de samenleving laat besturen is het belangrijkste waar je op moet letten. Je kunt God lasteren maar als je de Geest belastert waarin mensen mensen samen willen brengen dan is dat onvergeeflijk. We hoeven het misschien niet nog een keer te herhalen. Overtuigingen afwijzen in de hoop dat je daarmee de mensen niet kwetst die die overtuiging zijn toegedaan kan dus niet. Goede mensen letten op de goede dingen en kwade mensen zien alleen het kwade. Mensen die voortdurend afgeven op anderen zijn als adderengebroed, kinderen van slangen die alleen gif kunnen verspreiden. Natuurlijk moet je niet zwijgen over wat verkeerd is, maar samen het goede nastreven, samen zorgen dat jongeren een goede plek in de samenleving krijgen, dat vrouwen niet aangerand maar gerespecteerd worden en zonder bedreiging volwaardig mee kunnen doen, dat arbeiders een rechtvaardig loon krijgen, dat eigenaars van huizen die huizen ook goed onderhouden, dat kinderen die hier geworteld zijn hier een toekomst krijgen, dat is het opbouwen van het Koninkrijk van God

 

God, bevrijd ons

Psalm 79

1 Een psalm van Asaf. God, vreemde volken hebben uw land bezet, uw heilige tempel ontwijd en Jeruzalem in puin veranderd. 2 De lijken van uw dienaren lieten zij liggen als aas voor de vogels van de hemel, het vlees van uw getrouwen als voedsel voor de wilde dieren op aarde. 3 Hun bloed werd als water vergoten rond Jeruzalem-en niemand die hen begroef. 4 Gehoond worden wij door onze naburen, beschimpt en bespot door de volken rondom. 5 Hoe lang nog, HEER? Bent U voor eeuwig verbolgen? Hoe lang blijft uw woede branden? 6 Stort uw toorn uit over de volken die U niet kennen, over de koninkrijken die uw naam niet aanroepen, 7 want zij hebben Jakob verslonden en zijn woonplaats verwoest. 8 Reken ons de zonden van vroeger niet aan, toon erbarmen en haast u, want onze ellende is groot. 9 Help ons, God, bevrijd ons, tot eer van uw roemrijke naam, red ons en bedek onze zonden, omwille van uw naam. 10 Waarom mogen de volken zeggen: ‘Waar is nu hun God?’ Laat de volken weten, laat ons het zien, dat het bloed van uw dienaren wordt gewroken. 11 Laat het zuchten van uw geknechte volk U bereiken. Machtig is uw arm: houd in leven wie ten dode zijn gedoemd. 12 Straf de volken rondom ons zevenvoudig voor de smaad die zij U hebben aangedaan, Heer! 13 Wij zijn uw volk, de kudde die U hoedt, wij zullen U prijzen tot in eeuwigheid, van geslacht op geslacht verhalen van uw roem. (NBV21)

De Psalm die we vandaag met de Kerk meezingen bezingt het gevoel dat het volk Israël overkwam toen Jeruzalem verwoest werd, de Tempel afgebroken en het volk weggevoerd in ballingschap. Ook bij profeten als Jeremia en Jesaja kun je lezen dat de volken die rond Israël woonden zich vrolijk maakten over de ondergang van dat landje. Het landje dat zich zo hooghartig had opgesteld, dat bondgenootschappen had gesloten met de machtigste rijken van die tijd het laatste nog met Egypte dat hen nu in de steek had gelaten. Dat landje beriep zich altijd op een onzichtbare God waarvan niet eens beelden aanwezig waren in zijn Tempel. Ondertussen hadden ze wel andere goden geplaatst en aanbeden en vruchtbaarheidspalen voor Asjeera in de akkers gedreven.

In deze Psalm lijkt het volk berouw te krijgen van datgene wat ze verkeerd hebben gedaan en het lied loopt uit op het goede dat de God van Israël heeft gedaan en dat navolging verdient. Het is de God van Israël die de roem verdient. Het Joodse geloof en het Christelijke geloof maakt de gelovigen niet beter dan de mensen die zulk geloof niet aanhangen. Er is maar één God en die God roept op tot het goede, ondanks alle kwaad dat er in de wereld wordt gedaan. Kerken zetten vaak na rampen hun deuren open voor mensen die stilte en steun nodig hebben. De PKN kerken in Nederland organiseren extra collectes voor de hongerenden in Afrika voor voedselbanken en vluchtelingen uit Oekraïne. De kerken in Nederland zetten zelfs de deuren open voor gewortelde kinderen die hier van de heidenen niet mogen wonen.

Wie bezig is met de Bijbel hoort daarin de stem van de God die oproept om de lijdenden niet te vergeten. Vandaag zijn dat ook de nabestaanden van de aanslag op een onschuldig verkeersvliegtuig in de Oekraïne, de MH17, maar ook de hongerenden in Afrika en de slachtoffers van alle oorlogen en geweld. In Nederland ook de slachtoffers van de toeslagenaffaire, de boeren en de nazaten van slaaf gemaakten, de vluchtelingen en de vreemdelingen, kortom allen die niet behandeld worden zoals je zelf behandeld zou willen worden.. We zullen wegen moeten zoeken om in vrede te leven met mensen die anders geloven. In onze samenleving geven Moslims ons daarvoor een eerste kans. De Bijbel roept ons op men hen maaltijd te houden. Dat moeten we dan maar doen, niet omdat we beter zijn dan een ander, maar omdat we allemaal kinderen van die ene God zijn en kinderen horen elkaar niet uit te roeien maar elkaar te laten groeien, ook vandaag weer.