Waarom kom je bij mij om raad?

1 Samuël 28:3-25

3 Samuel was inmiddels gestorven. Heel Israël had over hem gerouwd, en hij was begraven in Rama, zijn woonplaats. In diezelfde tijd had Saul in het hele land een verbod uitgevaardigd op het bezweren van geesten en het raadplegen van schimmen. 4 Toen nu de Filistijnen hun troepen hadden verzameld en waren opgerukt naar Sunem, waar ze hun kamp opsloegen, bracht ook Saul zijn leger op de been en hij sloeg zijn kamp op in het Gilboagebergte. 5 Maar toen hij het kamp van de Filistijnen zag, greep de angst hem bij de keel. 6 Hij raadpleegde de HEER, maar de HEER gaf geen antwoord: noch in dromen, noch door middel van orakelstenen, noch bij monde van profeten. 7 Daarom beval hij zijn dienaren om voor hem een geestenbezweerster op te sporen. ‘Daar wil ik naartoe gaan om antwoord te vinden op mijn vragen,’ zei hij. Toen zijn dienaren hem vertelden dat er in Endor nog een geestenbezweerster woonde, 8 vermomde hij zich door andere kleren aan te trekken en ging hij met twee dienaren op weg. Midden in de nacht kwamen ze bij de vrouw aan. ‘Wilt u voor mij de geest van een dode raadplegen?’ verzocht hij haar. ‘Ik zal u zeggen wie u moet oproepen.’ 9 Maar de vrouw antwoordde: ‘U weet toch wat Saul heeft gedaan: hij heeft een streng verbod uitgevaardigd op het bezweren van geesten en het raadplegen van schimmen. Waarom probeert u me in de val te lokken? Wilt u me soms de dood in jagen?’ 10 Maar Saul zwoer haar bij de HEER: ‘Zo waar de HEER leeft, er zal u geen kwaad overkomen.’ 11 ‘Wie moet ik dan voor u oproepen?’ vroeg ze. ‘Samuel,’ antwoordde Saul. 12 Zodra de vrouw Samuel zag, slaakte ze een ijselijke kreet. ‘Waarom hebt u me bedrogen?’ vroeg ze aan Saul. ‘U bent Saul zelf!’ 13 ‘Wees niet bang,’ stelde de koning haar gerust. ‘Maar zeg me, wat ziet u?’ ‘Ik zie een goddelijke gestalte uit de aarde oprijzen,’ antwoordde ze. 14 ‘Hoe ziet hij eruit?’ vroeg Saul. ‘Het is een oude man, gehuld in een mantel.’ Toen wist Saul dat het Samuel was, en hij knielde neer en boog diep voorover. 15 Samuel vroeg aan Saul: ‘Waarom heb je me opgeroepen en mijn rust verstoord?’ ‘Ik zie geen uitweg meer,’ antwoordde Saul. ‘Ik word aangevallen door de Filistijnen en God heeft me in de steek gelaten. Hij geeft geen antwoord meer op mijn vragen, noch bij monde van profeten, noch in dromen. Daarom heb ik u opgeroepen om u te vragen wat ik moet doen.’ 16 Maar Samuel zei: ‘Waarom kom je bij mij om raad? Je weet toch dat de HEER je verlaten heeft en zich nu tegen je heeft gekeerd. 17 De HEER heeft gedaan wat Hij bij monde van mij heeft voorzegd: Hij heeft het koningschap van je losgescheurd en aan iemand anders gegeven, aan David. 18 De HEER doet je dit nu aan omdat je destijds niet naar Hem geluisterd hebt en voor Hem geen wraak hebt genomen op de Amalekieten. 19 En om diezelfde reden zal Hij Israël samen met jou aan de Filistijnen uitleveren. Morgen zijn jij en je zonen hier bij mij, en het legerkamp van Israël zal in handen vallen van de Filistijnen.’ 20 Saul schrok zo van Samuels woorden dat hij languit op de grond viel: zijn krachten lieten hem in de steek, ook al omdat hij de hele dag en de hele nacht niets gegeten had. 21 De vrouw kwam naar hem toe en zag dat hij erg in de war was. ‘Ik heb aan uw verzoek voldaan, heer,’ zei ze. ‘Met gevaar voor eigen leven heb ik gedaan wat u me vroeg. 22 Doe dan nu ook wat ik u aanraad, heer. Laat me u iets te eten voorzetten, zodat u weer op krachten komt voordat u aan de terugreis begint.’ 23 Saul weigerde en zei dat hij niets wilde eten, maar zijn dienaren en ook de vrouw drongen aan en ten slotte gaf hij toe.Hij kwam overeind en ging op het bed zitten. 24 De vrouw had een mestkalf in huis, dat ze nu snel slachtte. Ook nam ze meel, kneedde het en bakte er ongedesemde broden van. 25 Nadat Saul en zijn dienaren gegeten hadden van het maal dat ze hun had voorgezet, vertrokken ze nog diezelfde nacht. (NBV21)

Saul wil weten wat hij moet doen nu David buiten zijn bereik is. Hij probeert op allerlei manieren antwoord van God te krijgen. Het staat er nogal terloops, hij kreeg geen antwoord, noch in dromen, noch door middel van orakelstenen, noch door profeten. Maar de hele religieuze gemeenschap van Israël komt hier voorbij. David had een priester met orakelstenen in zijn gevolg. De Priesters bij Saul kregen geen antwoord. En altijd waren er profeten, David had Gad, maar de profeten van Saul kregen geen boodschappen van de God van Israël voor hem. Heel lang is Saul als wat primitief en bijgelovig afgeschilderd omdat hij naar de vrouw in Endor ging waarvan werd gefluisterd dat ze contact zou hebben met de doden. Maar tegenwoordig is het heel gewoon je te laten bedriegen door geestenfluisteraars, sterrenwichelaars en zogenaamde paranormalen die boodschappen van gene zijde doorkrijgen. Saul is wat dat betreft een moderne buitenkerkelijke.

In tegenstelling tot zijn eigen wet die waarzeggen en bezweren van geesten verbood is Saul naar een geestenfluisteraarster gegaan, in ons taalgebruik staat ze bekend als de heks van Endor. Saul dwingt haar om de geest van Samuël op te roepen. Een Joodse verklaring zegt dat wie de geest van een dode oproept maar  niet  nodig heeft hem ziet maar wie hem nodig heeft hem hoort. Saul hoort dus nog eens wat Samuël eerder gezegd heeft, God is niet langer bij hem en hij zal sterven.  Saul valt flauw bij het horen van de woorden van Samuël, tenminste dat is de officiële lezing. Fijntjes merkt de schrijver van het eerste boek Samuël er op dat Saul ook de hele dag niet gegeten had, dan wil je in zulke omstandigheden wel flauw vallen. De “heks van Endor” krijgt medelijden met hem en geeft hem te eten. Ongezuurde broden, alsof Israël wacht op bevrijding van de slavernij, een gemest kalf, snel gebraden, offervlees bij uitstek.

Na ongezuurde broden te hebben gegeten en offervlees gaat Saul de nacht in. Jesaja zal zich deze woorden herinneren als hij schrijft dat een volk dat in duisternis wandelt een licht zal zien maar het niet zal aanvaarden. Wie zich dus bezig houdt met het Woord van de God van Israël, wie niet uit is op eigen eer en roem, eigen macht over anderen, maar zorgt voor de naasten als voor zichzelf, wie de ander liefheeft, die hoeft zich nooit in te laten met de schimmige wereld van paranormalen waarvan overigens het bedrog ook vaststaat al leven tv zenders er van. Gelukkig maar dat wij elke dag ons mogen bezig houden met de zorg voor de minsten om ons heen, met het werk dat God van ons vraagt, ook vandaag weer.

 

Zijn twee vrouwen

1 Samuël 27:1–28:2

1 Vandaag of morgen val ik natuurlijk toch in handen van Saul, dacht David bij zichzelf. Ik kan me dus maar beter in veiligheid brengen in het land van de Filistijnen. Dan zal Saul het opgeven om mij door heel Israël te achtervolgen en kan ik aan hem ontkomen. 2 Daarom vertrok hij met de zeshonderd man die bij hem waren naar de koning van Gat, Achis, de zoon van Maoch, 3 waar hij en zijn mannen met hun gezinnen hun toevlucht namen. David had zijn twee vrouwen bij zich: Achinoam uit Jizreël en Abigaïl, de vroegere vrouw van Nabal uit Karmel. 4 Toen Saul hoorde dat David naar Gat was gevlucht, gaf hij de achtervolging op. 5 David had aan Achis gevraagd: ‘Heer, wees zo goed mij een van de stadjes op het platteland ter beschikking te stellen om in te wonen. Wie ben ik, dat ik bij u in de koningsstad zou wonen?’ 6 Achis wees David Siklag toe, en zo komt het dat Siklag tot op de dag van vandaag aan de koningen van Juda behoort. 7 In de tijd dat David en zijn mannen op Filistijns grondgebied woonden, een jaar en vier maanden om precies te zijn, 8 trokken ze er geregeld op uit om de stammen te overvallen die woonden in het gebied van Telam tot aan Sur, waar Egypte begint: nu eens de Gesurieten, dan weer de Girzieten of de Amalekieten. 9 Wanneer David daar ergens toesloeg, liet hij geen man of vrouw in leven en nam alles mee: schapen, geiten, runderen, ezels, kamelen, en ook kleding. Als hij dan weer bij Achis kwam 10 en die hem vroeg: ‘Waar hebt u ditmaal een overval gepleegd?’, dan antwoordde David: ‘In de Negev, bij de Judeeërs,’ of: ‘Bij de familie van Jerachmeël,’ of: ‘Bij de Kenieten.’ 11 Hij liet niemand in leven en nam geen enkele gevangene mee naar Gat, want hij wilde voorkomen dat iemand aan Achis zou kunnen navertellen wat hij en zijn mannen hadden gedaan. Heel de tijd dat hij op Filistijns grondgebied woonde ging hij zo te werk. 12 Achis kreeg vertrouwen in hem en dacht bij zichzelf: Bij zijn landgenoten heeft hij het nu vast en zeker verbruid. Voortaan zal hij mij dienen. 1 En toen de Filistijnen hun troepen op de been brachten om tegen Israël ten oorlog te trekken, vroeg Achis aan David: ‘U begrijpt zeker wel dat u en uw mannen zich bij mij moeten aansluiten.’ 2 ‘Jazeker, heer,’ antwoordde David. ‘U zult eens zien wat ik zal doen.’ ‘Afgesproken,’ zei Achis, ‘dan stel ik u aan als mijn vaste lijfwacht.’ (NBV21)

Er was een tijd dat het verhaal dat we vandaag lezen met een glimlach werd verteld. Vooral aan kinderen werd het verhaal met een zekere bewondering voor David verteld. Het was ook niet niks. David vluchtte voor Saul naar de Filistijnen en hij kreeg onderdak in een eigen stadje in het gebied van Achis de Koning van Gat. Maar in plaats van Achis te helpen bij het vechten tegen Israël ging David vechten tegen de bondgenoten van de Filistijnen en hij betaalde de bescherming door Achis met de buit die hij had veroverd op die bondgenoten. Dat was toch een hele slimme oplossing van deze Koning van de Vrede. Tegenwoordig spreken we niet zo positief meer over het verhaal uit dit hoofdstuk. Natuurlijk, David hield Achis voor de gek en Achis vertrouwde de Judeese krijgsheer kennelijk blindelings. Maar moest David nu werkelijk iedereen uitroeien van die vijandige stammen? En moest de buit gespaard blijven? Het lijken geen pluspunten voor deze Koning.

Het verhaal verdient dus nadere studie. Het staat niet voor niets in de Bijbel en nog steeds als onderdeel van het verhaal over de tegenstelling tussen Saul, als koning zoals de Heidenen die hebben, en David de Koning naar Gods hart. Voert David dan soms toch geboden uit van de God van Israël? David had God niet geraadpleegd toen hij naar de Filistijnen vluchtte. Dat Saul zijn verbond met David had gebroken en opnieuw tegen hem was opgetrokken was genoeg reden. David had zich er wel uit gered maar zo kon het natuurlijk niet doorgaan. Het zou ook tot een gewapend treffen kunnen komen en kennelijk wilde David dat tot elke prijs vermijden. Hij ging naar Achis en kreeg als onderkomen de stad Siklag. Die stad wordt in het boek Jozua genoemd als een stad in Israël. Kennelijk dus ingelijfd door de Filistijnen en nu terug in Israël. Met vrouwen en kinderen mee vindt het legertje van krijgsheer David hier een veilig onderkomen. Dan trekt David op tegen de Gesurieten, de Girzieten of de Amelekieten. Die laatste kennen we maar die andere stammen zeggen ons weinig.

Het zijn echter bondgenoten van de Filistijnen die wonen in een gebied dat door Jozua niet meer werd veroverd. David maakt dus de verovering door Jozua van het beloofde land af. Ook deze stammen wilden niet delen met Israël maar alleen profiteren. De Amelakieten roeit hij overigens niet uit en dat zal hij later nog merken. De buit die veroverd wordt gebruikt hij niet voor zichzelf maar geeft hij aan Achis, anders dus als Saul die de buit voor zijn eigen leger bestemde en het beste voor zichzelf hield. Hij beschermde gelijk bondgenoten van Israël als de Kenieten en de familie van Jerachmeël. Zij wilden wel delen met Israël en mochten dus in Kanaän blijven wonen. Dat Achis gaat denken David te kunnen gebruiken in de strijd tegen Israël ligt aan hemzelf. Kennelijk is het verkrijgen van rijkdom al genoeg om iemand te vertrouwen en wordt aan de zorg voor mensen helemaal geen aandacht besteed. Daar mogen we dus van leren. Terwijl David, ook op de vlucht in vijandelijk gebied, blijft zorgen voor zijn eigen volk, blijken de Filistijnen alleen uit op materiële rijkdom. Ook aan ons de keuze, zorgen we voor mensen of zorgen we rijk te worden? Elke dag mogen we weer opnieuw kiezen, ook vandaag weer.

 

Om een vlo na te jagen

1 Samuël 26:13-25

13 David stak het ravijn over en een eind verder, op een bergtop aan de overkant, bleef hij staan, op veilige afstand van het kamp. 14 Daarvandaan begon hij de soldaten en Abner, de zoon van Ner, toe te schreeuwen. ‘Geef je nog antwoord, Abner!’ riep hij. Abner antwoordde: ‘Wie ben jij wel, dat je de koning durft te roepen?’ 15 Maar David riep tegen Abner: ‘En jij, wat ben jij voor een man? Zoals jij is er in Israël toch geen tweede? Waarom heb je dan niet gewaakt over je heer, de koning? Heb je niet gemerkt dat de koning, je heer, bijna door een van zijn onderdanen is gedood? 16 Je hebt je taak slecht vervuld. Zo waar de HEER leeft, jullie zijn ten dode opgeschreven, want jullie hebben niet gewaakt over je heer, zijn gezalfde. Kijk maar, waar zijn de speer en de waterkruik gebleven die aan zijn hoofdeind stonden?’ 17 Saul had Davids stem herkend en vroeg: ‘Is dat jouw stem die ik daar hoor, David, mijn zoon?’ ‘Ja, ik ben het, mijn heer en koning,’ antwoordde David. 18 En meteen vroeg hij: ‘Waarom jaagt mijn heer toch zijn dienaar achterna? Wat heb ik misdaan, waaraan heb ik me schuldig gemaakt? 19 Luister alstublieft naar wat ik u te zeggen heb, mijn heer en koning: Als het de HEER is die u tegen mij heeft opgezet, laat dan een geurig offer Hem vermurwen. Maar als u door mensen bent opgestookt, moge de HEER ze dan vervloeken omdat ze mij van zijn grondgebied verdrijven en zeggen dat ik maar andere goden moet gaan dienen. 20 Ik smeek u, voorkom toch dat mijn bloed in vreemde bodem vloeit, ver weg van de HEER. De koning van Israël is uitgetrokken om een vlo na te jagen, zoals men in de bergen jacht maakt op een patrijs.’ 21 Toen zei Saul: ‘Ik heb verkeerd gehandeld. Kom terug, David, mijn zoon. Ik wil je niet langer kwaad doen, want jij hebt vandaag mijn leven gespaard. Ja, ik ben dwaas geweest en heb ernstige fouten gemaakt.’ 22 Maar David zei: ‘Hier is uw speer, koning, laat een van uw mannen hem komen halen. 23 Wie rechtvaardig en trouw is, wordt door de HEER beloond; ik heb vandaag mijn hand niet tegen de gezalfde van de HEER willen opheffen, ofschoon Hij u aan mij had uitgeleverd. 24 Zoals ik vandaag uw leven gespaard heb, zo zal de HEER mijn leven sparen; Hij zal me redden uit alle nood.’ 25 Toen zei Saul tegen David: ‘Gezegend ben je, David, mijn zoon. Je zult volbrengen wat je te doen staat. Ik weet dat je het kunt.’ Daarop vervolgde David zijn weg en Saul keerde terug naar zijn woonplaats. (NBV21)

David was met een knecht het kamp van Koning Saul binnengeslopen  en had uit de tent waar Saul lag te slapen de speer en kruik gestolen. Elke zelfmoordterrorist kan een legerbasis binnenkomen en verwoesting aanrichten. Er is in al die eeuwen niets veranderd. Toch blijven ook wij op legers vertrouwen als het gaat om vrede en recht. Zolang dat zo is zijn ook vredesverdragen maar van een betrekkelijke waarde. Pas als er echt de wil is om samen te werken en samen te zorgen voor de minsten kan er echte vrede komen. Wij kunnen elke dag opnieuw met die zorg voor minsten beginnen en zo als David laten merken niet op macht voor onszelf uit te zijn maar op een wereld zonder tranen.

Niet dat het gesprek tussen David en Saul zonder problemen verloopt. Eerst komt de generaal van Saul, Abner aan het woord. Die stelt zich als de sterkste, op grond van zijn leger, boven David. Maar de sterkte van een leger maakt niet uit wie  de sterkste is. Dat leger heeft een taak en als die taak verwaarloosd wordt is de eerste de beste terrorist in staat de overwinning te behalen. David maakt dat duidelijk aan Abner. Saul hoort het aan en laat dat weten ook. David maakt daar gebruik van door duidelijk te maken dat hij alleen van de God van Israël afhankelijk wil zijn. En daar zit de pijn voor Saul. Die God had immers zijn handen van Saul afgetrokken.

Er blijft Saul niet anders over de zich te onderwerpen aan David. Hij erkent zijn fouten en hij erkent dat David hier het beste handelt, gezegend is door God en Saul zal opvolgen als Koning. David zelf blijft zijn handelen als onbeduidend aanduiden. Hij is slechts een vlo waarop de Koning met een grote legermacht vergeefs jacht maakt. Komen de beide kemphanen nu bij elkaar? Is het vergeven dat in dit gesprek doorklinkt nu een nieuw begin voor beide deelnemers aan het gesprek? Niks er van. Ze blijven wie ze zijn en al sluiten ze vrede met elkaar uiteindelijk gaan ze beiden hun eigen weg. Saul terug naar de hoofdstad en David verder de bergen in. Vrede sluiten is dus kennelijk belangrijker dan samen opnieuw beginnen.

 

Ik ga mee

1 Samuël 26:1-12

1 Enkele inwoners van Zif waren naar Gibea gegaan om Saul te vertellen: ‘Weet u wel dat David zich schuilhoudt op de Chachila, tegenover de Jesimon?’ 2 Onmiddellijk vertrok Saul met drieduizend man, die tot de beste soldaten van Israël behoorden, naar de woestijn van Zif om David te zoeken. 3 Op de Chachila aangekomen sloeg hij zijn kamp op langs de kant van de weg. David, die daar in de buurt verbleef, merkte dat Saul achter hem aan was gekomen 4 en stuurde verkenners uit. Zodra hij wist waar Saul zich precies bevond, 5 ging hij naar de plaats waar die zijn kamp had opgeslagen. Daar zag hij waar de slaapplaats was van Saul en zijn opperbevelhebber Abner, de zoon van
Ner. Saul lag in het midden van het kamp; daaromheen waren de soldaten gelegerd. 6 ‘Wie gaat er met me mee het kamp in, naar Saul?’ vroeg hij aan zijn metgezellen, de Hethiet Achimelech en Abisai, die een zoon van Seruja was en een broer van Joab. ‘Ik ga mee,’ antwoordde Abisai. 7 Gedekt door de duisternis slopen David en Abisai tussen de soldaten door. Daar, omringd door Abner en de soldaten, lag Saul te slapen, met zijn speer naast zijn hoofd in de grond gestoken. 8 ‘Vandaag heeft God je vijand aan je uitgeleverd,’ zei Abisai tegen David. ‘Laat mij hem met zijn eigen speer aan de grond nagelen. Eén gerichte stoot en het is met hem gedaan.’ 9 ‘Nee, dood hem niet,’ antwoordde David. ‘Niemand heft ongestraft zijn hand op tegen de gezalfde van de HEER. 10 Zo waar de HEER leeft, Hijzelf zal Saul treffen: hetzij doordat hij een natuurlijke dood sterft wanneer zijn tijd gekomen is, hetzij doordat hij ten oorlog trekt en sneuvelt. 11 De HEER verhoede dat ik mijn hand ophef tegen zijn gezalfde! Kom, pak de speer daar bij zijn hoofdeind, en de waterkruik, dan gaan we.’ 12 David nam de speer en de waterkruik mee die bij Sauls hoofdeind stonden, en zo verlieten ze het kamp. Niemand had iets gezien, niemand had iets gemerkt, niemand was wakker geworden. Ze lagen allemaal vast te slapen, want de HEER had hen in een diepe slaap gedompeld. (NBV21)

Gerechtvaardigde woede hoeft je dus niet tot doden te brengen. Dat is de les die David kan trekken uit de ontmoeting met Nabal en Abichaïl. En Abichaïl zal hem er ongetwijfeld aan herinnerd hebben als hij eenmaal met haar getrouwd is. Maar hoe zit het dan als iemand er op uit is jou te doden? Is dat geen reden om die vijand uit te schakelen? Hoe gaat een Koning naar Gods hart daar mee om? Als die vijand je toevalt en alleen en nietsvermoedend zich in jouw grot begeeft en dus aan jou is overgeleverd dan hoef je die vijand dus niet te doden. Dan kun je laten zien dat die vervolging eigenlijk overbodig is want dat die vijand niets van jou te vrezen heeft. Dat heeft David er toe gebracht om zich te beperken tot het afsnijden van een reep van de koningsmantel en de koning nog eens aan te spreken.

Maar helpt dat? Zijn de eden die die koning zweert, is het verbond met die koning, betrouwbaar? David had zijn taak gevonden. Samen met zijn legertje beschermde hij in de bergen en de woestijn de herders en boeren tegen diefstal en plundering. Met succes hebben we kunnen lezen in het verhaal van David en Abichaïl. Maar de inwoners van de Zifwoestijn hebben het nog steeds niet erg op met een krijgsheer als David, gezocht door de wettige koning en met een groeiend leger waar ze ook nog belasting aan moesten betalen. Moesten ze nu de wraak van de koning vrezen of de wraak van de krijgsheer David? Om dat uit te vinden gaan ze naar koning Saul en vertellen hem precies waar David verblijft.

Hijzelf zal Saul treffen. Als Saul dat goed vindt hebben ze verder niets te vrezen, als Saul kwaad wordt dan zal hij zijn woede richten op David en zijn leger. In beide gevallen zijn de inwoners van Zif goed af. Saul wordt inderdaad kwaad en verzamelt opnieuw een leger van drieduizend man en trekt op tegen de zeshonderd man van David. David was al verder de woestijn ingetrokken en heeft zijn reactie nu zelf in de hand. Hij zet verspieders uit en laat zich nauwgezet informeren over de bewegingen van het Koninklijk leger. Als de legerplaats is ontdekt en iedereen slaapt gaat David zelf met zijn neef Abisai op verkenning uit. Iedereen blijkt in diepe slaap verzonken. Zo komen de twee ongemerkt in de tent van de Koning die daar samen met zijn generaal Abner ligt te slapen. Opnieuw weigert David van de situatie ten eigen bate gebruik te maken. Hij steelt de waterkruik en de speer van Saul maar laat hem in leven.

 

Uit het hart komen boze gedachten

Matteüs 15:10-20

10 Nadat Hij de mensen bij zich geroepen had, zei Hij tegen hen: ‘Luister en kom tot inzicht. 11 Niet wat de mond in gaat maakt een mens onrein, maar wat de mond uit komt, dat maakt een mens onrein.’ 12 Daarop kwamen de leerlingen bij Hem en zeiden: ‘Weet U dat de farizeeën uw uitspraak gehoord hebben en dat ze die aanstootgevend vinden?’ 13 Hij antwoordde: ‘Elke plant die niet door mijn hemelse Vader is geplant, zal met wortel en al worden uitgerukt. 14 Laat ze toch, die blinde blindengeleiders! Als de ene blinde de andere leidt, vallen ze samen in een kuil.’ 15 Toen stelde Petrus de vraag: ‘Wilt U ons die uitspraak uitleggen?’ 16 Jezus zei: ‘Begrijpen ook jullie het dan nog steeds niet? 17 Zien jullie dan niet in dat alles wat de mond in gaat in de maag terechtkomt en in de beerput weer verdwijnt? 18 Wat daarentegen de mond uit gaat komt uit het hart, en die dingen maken een mens onrein. 19 Want uit het hart komen boze gedachten, moord, overspel, ontucht, diefstal, valse getuigenissen en laster. 20 Dát maakt een mens onrein, niet eten met ongewassen handen.’ (NBV21)

Een discussie is niet zo maar afgelopen als je de ander beschadigd hebt. De wet van het handen wassen staat wel degelijk in de Tora. De volgelingen van Jezus hadden een andere richtlijn van de Tora voorrang gegeven, de aren langs de kant van een graanakker waren bestemd voor de armen. Wij weten enkele eeuwen later dat dat handen wassen een heel verstandige regel is, het voorkomt ziekten. Maar de reinheid waar de Tora over spreekt heeft een ander doel, het moet voorkomen dat de samenleving in het volk verziekt raakt. De zogenaamde spijswetten, wat je wel en niet mag eten maken je heel erg bewust van het eten dat je nuttigt. Omdat je veel niet mag eten rijst ook de vraag of iedereen wel genoeg heeft en ook daarvoor mag je zorgen.

Jezus wijst er daarom op dat niet het eten zelf onrein maakt. Wat er boven in gaat komt er onder weer uit en wordt afgevoerd. Het gaat om de gezindheid, de mentaliteit waarmee je zaken als eten en drinken benaderd. Wordt de samenleving er beter of slechter van. Als de armen zwakker worden en minder voor zichzelf en hun naasten kunnen zorgen vanwege een al te gemakkelijke handtering van de sabbatswetten dan is die handtering fout. Jezelf beter vinden dan een ander is namelijk altijd fout. Oordelen over een ander is ook fout. Je mag best een ander herinneren aan verstandige handelingen maar die ander blijft de vrijheid houden anders te handelen als jij goed vindt.

Uitgaan van helpen in plaats van recht hebben is de mentaliteit die Jezus vraagt. Als je moet wachten op een smalle gracht omdat er iets uitgeladen moet worden, waarom dan niet even helpen met uitladen? Wel eens zien gebeuren? Heb je naaste lief als jezelf, jezelf niet vergeten lief te hebben en van binnenvetten wordt je maar dik, maar er is niets tegen af en toe een hand uit te steken, het is vaak vruchtbaarder dan een grote mond op te zetten. Dat is ook het bezwaar tegen die hele discussie over fatsoensnormen. Daarbij lijkt het er op dat de normen zelf belangrijker zijn dan de mensen en de pijn die verkeerde normen mensen kunnen aandoen. Onfatsoenlijk is het om kinderen die hier zijn opgegroeid en geworteld naar voor hen vreemde landen te sturen. Fatsoenlijk is om het recht van kinderen zwaarder te laten wegen. Rechters vinden dat al, nu de politiek nog.

 

Hun hart is ver van Mij

Matteüs 15:1-9

1 Toen kwamen er vanuit Jeruzalem farizeeën en schriftgeleerden naar Jezus. Ze vroegen Hem: 2 ‘Waarom overtreden uw leerlingen de tradities van onze voorouders? Ze wassen hun handen niet voor ze hun brood eten.’ 3 Hij antwoordde hun: ‘En waarom overtreedt u het gebod van God omwille van uw eigen traditie? 4 Want God heeft gezegd: “Toon eerbied voor uw vader en moeder,” en ook: “Wie zijn vader of moeder vervloekt, moet ter dood gebracht worden.” 5 Maar u leert: “Wie tegen zijn vader of moeder zegt: ‘Alles wat van mij is en voor u van nut had kunnen zijn, bestem ik tot offergave,’ 6 die hoeft zijn ouders geen eerbied te tonen.” Zo ontkracht u het woord van God omwille van uw eigen traditie. 7 Huichelaars! Hoe treffend is de profetie die Jesaja over u heeft uitgesproken: 8 “Dit volk eert Mij met de lippen, maar hun hart is ver van Mij; 9 tevergeefs vereren ze Mij, want wat ze onderwijzen zijn voorschriften van mensen.”’ (NBV21)

Iemand heeft eens gezegd dat de regels voor de anderen zijn en de uitzonderingen voor wie de regels hebben gemaakt. Multatuli schijnt eens gezegd te hebben dat principes regels zijn om dingen waar je een hekel aan hebt na te kunnen laten. Twee voorbeelden die laten zien dat het met de regels in alle samenlevingen nogal scheef kan toegaan. Jezus kwam dat tegen toen hij er op gewezen werd dat zijn volgelingen hardnekkige wetsovertreders waren. In het verhaal dat hierboven staat lijkt het of Jezus met dezelfde regels terugslaat. Wie vader en moeder niet eert moet ter dood worden gebracht, en dan niet schijnheilig dat wat van vader en moeder was, of voor vader en moeder bestemd, bestemmen voor het offer in de tempel.

In de Tora spelen de ouders een grote rol. Ze hebben zelfs de 10 geboden gehaald. Eert uw vader en uw moeder. Jezus wijst op een andere richtingwijzer uit de Tora, wie zijn vader en moeder vervloekt kan doodvallen. Zo ga je dus niet met je vader en moeder om, of ze er nu bij zijn of niet. Nooit moet iemand uit Israël vergeten van slaafgemaakte af te stammen. Zoals slaven worden behandeld wil je zelf niet behandeld worden, dus behandel je je ouders op de eerste plaats niet alsof ze slaven waren, zonder waarde met een leven dat net zo goed niet kan bestaan.
De Farizeën hebben een uitweg gevonden. Je ouders eren hoeft niks te kosten. Alles voor de Tempel.

Klinkt wel vroom maar je spaart je eigen bijdrage aan de tempeldienst uit en vader en moeder verhongeren evengoed wel. Daarmee is het ook het hart van de regels blootgelegd. De mensen zijn er niet voor de regels maar de regels zijn er voor de mensen. Veiligheid voor het land gaat bij ons voor alles, die veiligheid is voor iedereen, zorg is er voor individuen, mensen die niet werken, die anderen nodig hebben voor gewone zaken als toiletbeoek, stofzuigen, over straat gaan. Zeg nu zelf waar moeten we ons geld aan uitgeven. Wij zijn voorzichtig met politici, Jezus kon er harder over zijn. Zoals over de Farizeeën: “huichelaars”, zo scheld hij hun uit. Natuurlijk hoef je niet te zwijgen, maar vraag je steeds af of je iets oplost of dat je een probleem veroorzaakt.

 

Waarom heb je getwijfeld?

Matteüs 14:22-36

22 Meteen daarna gelastte Hij de leerlingen in de boot te stappen en alvast vooruit te gaan naar de overkant. Hij zou ook komen nadat Hij de mensen had weggestuurd. 23 Toen Hij hen weggestuurd had, ging Hij de berg op om er in afzondering te bidden. De nacht viel, en Hij was daar helemaal alleen. 24 De boot was intussen al vele stadiën van het vasteland verwijderd en werd, als gevolg van de tegenwind, door de golven geteisterd. 25 Tegen het einde van de nacht kwam Hij naar hen toe, lopend over het water. 26 Toen de leerlingen Hem op het water zagen lopen, raakten ze in paniek. Ze riepen: ‘Een geest!’ en schreeuwden het uit van angst. 27 Meteen sprak Jezus hen aan: ‘Houd moed! Ik ben het, wees niet bang!’ 28 Petrus antwoordde: ‘Heer, als U het bent, zeg me dan dat ik over het water naar U toe moet komen.’ 29 Hij zei: ‘Kom!’ Petrus stapte uit de boot en liep over het water naar Jezus toe. 30 Maar toen hij voelde hoe sterk de wind was, werd hij bang. Hij begon te zinken en schreeuwde het uit: ‘Heer, red me!’ 31 Meteen strekte Jezus zijn hand uit, Hij greep hem vast en zei: ‘Kleingelovige, waarom heb je getwijfeld?’ 32 Toen ze in de boot stapten, ging de wind liggen. 33 De leerlingen wierpen zich voor Hem neer en zeiden: ‘U bent werkelijk Gods Zoon!’ 34 Toen ze overgestoken waren, gingen ze aan land bij Gennesaret. 35 De mensen daar herkenden Hem en maakten zijn komst overal in de omgeving bekend, en men bracht allen die ziek waren bij Hem. 36 Die smeekten Hem alleen maar de zoom van zijn mantel te mogen aanraken. En iedereen die dat deed werd genezen. (NBV21)

Wie liep over het water? Jezus? Misschien wel, maar dat staat niet echt in het verhaal dat Matteüs ons vertelt. Petrus liep over het water toen Jezus hem toestond uit te stappen maar hij zonk weg toen hij bang werd van de storm. En over die storm ging het verhaal. Nu is het zeer eng om tijdens een storm in een klein bootje op een meer te varen, ook al is dat meer zo ondiep dat je er in zou kunnen lopen. De valwinden die in Israël zo af en toe aan de orde zijn maken het er niet beter op. Maar moet je dan bang zijn? Jezus lijkt de regel te handteren die later in ons land op brandvoorschriften in het grootwinkelbedrijf zouden verschijnen “Paniek is erger dan brand”. Dat was naar aanleiding van een grote brand in een warenhuis in Antwerpen. Daar brak zo’n geweldige paniek uit dat er meer mensen omkwamen door ongevallen ten gevolge van de paniek dan door de brand. Bij branden in discotheken geldt dat ook nog vaak, in paniek probeert iedereen de uitgang te bereiken en daarbij worden de zwaksten onder de voet gelopen.

Paniek en angst leiden altijd tot meer slachtoffers dan misschien nodig was geweest. Bij brand in hele hoge gebouwen springen er ook mensen uit ramen van verdiepingen beneden de brand, die mensen zouden wellicht gered hebben kunnen worden. De storm bezweren betekent dus ook heel vaak de paniek bezweren. Daarmee is het probleem van een brand of een storm niet opgelost maar het geeft wel de mogelijkheid samen naar een oplossing te zoeken. Je moet je dan natuurlijk niet van je voeten laten blazen zoals Petrus overkwam. Simon de rots zoals hij werd genoemd is niet zo standvastig als zijn bijnaam doet vermoeden. Hij bezwijkt in dit verhaal onder zijn angst voor de storm, later zal hij schijnbaar bezwijken onder de angst voor autoriteiten en die laatste angst kennen we allemaal wel eens. Veel mensen accepteren zaken in hun werk uit angst hun baan te verliezen of een promotie niet te krijgen. Zelfs het lidmaatschap van een vakbond wordt soms vermeden of verzwegen uit angst voor autoriteiten. En juist die vakbond kan de angst voor het onrecht doen overwinnen. De Nederlandse vakbeweging is vrijwel altijd uit op redelijk overleg en weet in individuele gevallen tot een uitstekende hulpverlening te komen.

Lid van de vakbond zijn is gemakkelijker dan over water lopen, maar soms vraagt het dezelfde standvastigheid en het voorkomt dat je in een onverwachte storm geen bescherming hebt. Zoek vandaag maar eens naar FNV of CNV en als je lid bent steek ze eens een hart onder riem. En als je echt een misstand in de samenleving of op je werk kent dan kun je altijd nog klokkenluider worden. Het is overigens niet aan te raden in je eentje klokkenluider te worden. De storm die zeker zal gaan opsteken als je misstanden aan de kaak stelt die men liever geheim had gehouden, of zelfs in stand wil houden, is zo sterk dat bij vergelijkbare stormen menig klokkenluider het hoofd heeft moeten buigen. Hulp van een vakorganisatie kan dan van beslissende betekenis zijn, evenals advies van betrouwbare vertrouwenspersonen. Juist in het verhaal van Jezus van Nazareth past dat je niet je mond houdt als mensen het slachtoffer worden van misstanden maar het verhaal over de storm laat zien dat je niet alleen op jezelf hoeft te vertrouwen, je mag het samen doen. En het verhaal leert ons die aan de kant staan ook om mensen die in een storm verzeild zijn geraakt, ook een maatschappelijke storm, de hand toe te steken.

 

We hebben hier niets

Matteüs 14:13-21

13 Toen Jezus hiervan hoorde, week Hij per boot uit naar een afgelegen plaats waar Hij alleen kon zijn. Maar de mensen kwamen het te weten, en vanuit de steden volgden ze Hem over land. 14 Toen Hij uit de boot stapte en de grote menigte zag, voelde Hij medelijden met hen en Hij genas hun zieken. 15 Bij het vallen van de avond kwamen de leerlingen naar Hem toe en zeiden: ‘Dit is een afgelegen plaats en het is al laat. Stuur de mensen weg, laat ze naar de dorpen gaan om eten voor zichzelf te kopen.’ 16 Maar Jezus zei: ‘Ze hoeven niet weg, geven jullie hun maar te eten.’ 17 Ze antwoordden Hem: ‘We hebben hier niets, alleen vijf broden en twee vissen.’ 18 Hij zei: ‘Breng ze Mij.’ 19 En nadat Hij de mensen opdracht had gegeven op het gras te gaan zitten, nam Hij de vijf broden en de twee vissen, keek omhoog naar de hemel, sprak het zegengebed uit en brak de broden; Hij gaf ze aan de leerlingen, en de leerlingen gaven ze door aan de mensen. 20 Iedereen at en werd verzadigd, en toen ze de stukken brood die over waren ophaalden, hadden ze twaalf manden vol. 21 Er hadden ongeveer vijfduizend mannen gegeten, vrouwen en kinderen niet meegeteld. (NBV21)

Geleerden zeggen het, het valt na te rekenen, er is voedsel genoeg op de aarde, en er kan nog zeer lange tijd voldoende voedsel verbouwd worden. Waarom dan die hongerende kinderen op de TV? Waarom dan die wanhopige smeekbeden om hulp van hulporganisaties? Waarom dan die eindeloze onderhandelingen bij de Wereld Handels Organisatie? Niet zo lang geleden is er weer een onderhandelingsronde mislukt. Dat heeft 3 oorzaken, de eerste is het weer. De ene zomer hebben we een overvloedige aardappeloogst in de Wieringermeer, de volgende zomer een gewone oogst, en soms rotten de aardappelen op het land weg voordat ze geoogst worden. De aardappels worden duur als de oogst is tegengevallen, maar wij schakelen rustig over op pasta en rijst. De tweede oorzaak is de verdeling. Die rijst komt niet uit Nederland maar uit verre landen, Indonesië of Suriname. Wij weten het te organiseren dat de rijst wordt bewerkt en hierheen vervoerd en omdat de rijst moet concurreren met aardappels en pasta hoeven we er niet te veel voor te betalen.

Het graan voor de pasta komt voor een groot deel uit Oekraïne, of uit landen waar ze met weinig mensen veel graan kunnen produceren, ook dat is goedkoop dus, en dus blijven de mensen die alleen rijst kunnen telen arm. Als daar de oogst eens wat tegenvalt is er direct een groot probleem. Wij zorgen dat iedereen die niet in de landbouw werkt toch meebetaalt aan onze boeren zodat de prijzen laag kunnen blijven, de concurrentie groot is en de armen arm blijven. Die subsidies staan wel ter discussie maar we weigeren er een eind aan te maken. De derde reden is onze invoerpolitiek. Rijst en graan, maar ook koffie en cacao zijn welkom als ze maar niet bewerkt zijn, dat geldt voor bijna alle grondstoffen uit de arme landen. Chocolade en gebrande koffie zijn niet welkom, daar rust een hoge invoerprijs op. Zodat wij kunnen blijven werken en de mensen die er van afhankelijk zijn arm blijven. En er dreigt zelfs een vierde reden bij te komen. Sommige producten uit de landbouw kunnen wij omvormen tot brandstof voor onze auto’s, biobrandstof noemen we dat. Je kunt die producten dan niet meer eten, en omdat wij ze zelf omvormen verdient er in de arme landen niemand wat aan.

Jezus van Nazareth gaf het voorbeeld hoe het anders kan. Het was even schrikken geweest na dat bericht over de stiekeme dood van neef Johannes, maar Jezus was zo populair dat de mensen hem achterna bleven gaan. En als mensen op stap gaan nemen ze als het even kan eten mee, een zakje brood, een visje, je ziet het bijna niet. Twaalf manden vol bleef er over, het leek de voedselbank wel die met overgebleven voedsel duizenden te eten geeft. Als je nu gewoon in groepen bij elkaar gaat zitten en alles deelt is er genoeg te eten, zoals Mozes in de woestijn al de mensen bij elkaar zette om met hun vertegenwoordigers te kunnen overleggen. Deden we dat gewoon op de hele wereld maar, dan hoefden we tijdens het diner niet meer op TV naar stervende kinderen te kijken. Dus maar bidden dus dat onze regering bij die onderhandelingen op de Wereld Handels Conferentie het been stijf houdt en blijft pleiten voor het afschaffen van landbouwsubsidies en het open gooien van onze markten voor producten uit arme landen. Vijf broden en twee vissen is genoeg om te delen en zuinig met fossiele brandstof kunnen we zelf alvast ook zijn.

 

Dat moet Johannes de Doper zijn

Matteüs 14:1-12

1 In die tijd hoorde ook Herodes, de tetrarch, over Jezus vertellen, 2 en hij zei tegen zijn hovelingen: ‘Dat moet Johannes de Doper zijn; hij is opgewekt uit de dood en daardoor beschikt hij over zulke wonderbaarlijke krachten.’ 3 Herodes had Johannes destijds laten arresteren en in de boeien laten slaan en hem in de gevangenis geworpen vanwege Herodias, de vrouw van zijn broer Filippus. 4 Johannes had namelijk tegen hem gezegd: ‘U mag haar niet tot vrouw nemen.’ 5 En hoewel hij hem wilde doden, deed hij dat niet uit vrees voor het volk, dat hem voor een profeet hield. 6 Toen Herodes een feest gaf ter gelegenheid van zijn verjaardag, danste de dochter van Herodias te midden van de aanwezigen, en dat viel bij Herodes in de smaak. 7 Daarom beloofde hij haar te geven wat ze maar zou vragen, en hij bezegelde die belofte met een eed. 8 Door haar moeder daartoe aangezet zei ze: ‘Breng me dan op een schaal het hoofd van Johannes de Doper.’ 9 Dit bedroefde de koning, maar omdat hij in het bijzijn van zijn gasten een eed gezworen had, beval hij dat men het haar zou brengen, 10 en hij gaf opdracht Johannes in de gevangenis te onthoofden. 11 Het hoofd werd op een schaal binnengebracht en aan het meisje gegeven, en zij bracht het naar haar moeder. 12 Zijn leerlingen kwamen het lijk halen, begroeven het en gingen daarna naar Jezus om het Hem te vertellen. (NBV21)

Er zijn mensen die de Bijbel graag als geschiedenisboekje lezen. Alle namen, feiten en jaartallen moeten kloppen met wat de moderne geschiedeniswetenschap ons vertelt. Als het niet klopt dan pakken ze de schaar en de lijmpot en verknippen de Bijbelteksten en plakken ze opnieuw in andere volgorde net zolang tot het klopt met de moderne geschiedeniswetenschap. Soms houden ze dan stukjes tekst over, soms zelfs blijken Bijbelse figuren in de geschiedenisboekjes niet terug te vinden te zijn. Dan moeten ze er maar uit zeggen sommigen van die zogenaamde Bijbelwetenschappers. De Bijbel is namelijk helemaal geen geschiedenisboekje, de Bijbel is een geloofsboek waarin mensen hebben opgeschreven wat ze hadden meegemaakt en wat ze te weten waren gekomen van de God van Israël. Vaak hadden ze die God in heel moeilijke omstandigheden ontmoet en had die God hen bevrijdt van die moeilijke omstandigheden. Maar evenzo vaak had die God hen niet beschermd tegen de problemen, tegen onderdrukking en slavernij, tegen marteling en moord. Vandaag lezen we een verhaal dat ook terug te vinden is in de geschiedenisboekjes.

Tenminste de namen en de feiten komen ook terug in een geschiedenisboek. Niet alle namen uit het verhaal van vandaag. Het geschiedenisboek is van Flavius Josephus. Die had deelgenomen aan de grote Judeese opstand die uitgelopen was op de verwoesting van de Tempel. Daarna was hij in dienst gekomen van de Romeinse Keizer en ter verdediging van het optreden van de Judeeërs had hij zijn geschiedenis van Israël geschreven. Daar komt dit verhaal van Johannes de Doper in voor. Die Tetrarch, viervorst, Herodes was dan wel Tetrarch van Judea, hij had zich zwaar vergrepen aan de Tora, de richtlijnen voor de menselijke samenleving. De scheiding van zijn eerste vrouw ging er nog mee door, hij had haar weggestuurd met een scheidingsbrief. Maar dan gaan hokken met de vrouw van je broer was toch wel zeer in strijd met wat er over geschreven stond in het boek Leviticus. Het was Herodes in Judea dan ook zeer kwalijk genomen. Johannes de Doper had zich rechtstreeks tot de Tetrarch gewend en hem dit voorgehouden. Johannes was zeer populair geweest schrijft Flavius Josephus en was dus gevangen genomen en later ter dood gebracht. Die Herodes was de zoon van de grote Koning Herodes onder wiens regering Jezus was geboren. Deze zoon werd geen koning maar een rang lager, Tetarch, Viervorst in het Nederlands.

In het verhaal van Flavius Josephus ontbreekt echter een Bijbelse figuur. Die Jezus van Nazareth. Die kon kennelijk hetzelfde aan wonderen doen als Johannes de Doper en was net zo populair. Dat vertelt het verhaal van Matteüs tenminste. Het verhaal van Matteüs gaat over Jezus van Nazareth, niet over Johannes de Doper en maar een klein beetje over Herodes. Geen woord over de hoofdpersoon van Matteüs bij Flavius Josephus. Volgens de Bijbelverhalen was Jezus van Nazareth een volgeling van Johannes de Doper geweest. Het optreden van Jezus begon nadat hij door Johannes gedoopt was. Het was Johannes die had opgeroepen om als je twee mantels had er een weg te geven aan iemand die er geen had. Nadat Johannes was vermoord door Herodes vluchtte Jezus naar Galilea. De aanhangers van Jezus van Nazareth volgden hem echter, ze lieten hem niet los ook niet in donkere tijden. Zo wordt de Bijbelse geschiedenis een ander soort geschiedenis. Hier gaat het niet om namen en feiten, maar om geloof. We hebben dan ook niet veel aan dat soort boekjes maar veel meer aan de boodschap van de Bijbel, heb je naaste lief als jezelf, daar mag je elke dag opnieuw mee beginnen.

 

Zij die goed nieuws verkondigen.

Romeinen 10:14-21

14 Maar hoe kunnen ze Hem aanroepen als ze niet in Hem geloven? En hoe kunnen ze in Hem geloven als ze niet over Hem hebben gehoord? En hoe kunnen ze over Hem horen zonder dat iemand Hem verkondigt? 15 En hoe kan iemand verkondigen als hij niet is uitgezonden? Het is zoals geschreven staat: ‘Welkom zijn zij die goed nieuws verkondigen.’ 16 Toch hebben slechts weinigen aan het evangelie gehoor gegeven, want Jesaja vraagt: ‘Heer, wie heeft geloofd wat wij hebben gezegd?’ 17 Dus door te luisteren komt men tot geloof, en wat men hoort is de verkondiging van Christus. 18 Maar dan is mijn vraag: hebben ze de boodschap soms niet gehoord? Natuurlijk wel, want er staat: ‘Hun roep klinkt over heel de aarde, hun woorden tot de uiteinden van de wereld.’ 19 Maar dan vraag ik weer: heeft Israël de boodschap niet begrepen? Welnu, allereerst zegt Mozes: ‘Ik zal jullie afgunstig maken op een volk dat geen volk is, Ik terg jullie met een volk zonder verstand.’ 20 En Jesaja zegt zelfs: ‘Ik heb me laten vinden door wie Mij niet zochten, Ik heb me bekendgemaakt aan wie niet naar Mij hebben gevraagd.’ 21 Maar over Israël zegt hij: ‘Heel de dag sta Ik met uitgestoken handen tegenover een ongehoorzaam en opstandig volk.’ (NBV21)

Met enige regelmaat voelen dagbladen zich geroepen eens een dag alleen goed nieuws te brengen. Mensen worden moe van de verhalen over armoede en geweld, over oorlog en dreiging met oorlog, over werkloosheid en ongelukken, over aardbevingen en bosbranden. Wat is dan het goede nieuws? Dat kan per krant heel verschillend zijn. Voor de één zal mooi weer goed nieuws zijn, voor de ander een bui regen die de planten op het veld eindelijk doet groeien. Voor Paulus was het Evangelie het goede nieuws, Lucas noemde dat ooit “de bevrijding van de armen”. Een van de handschriften, in het Grieks, waaruit wij de brief van Paulus aan de Romeinen kennen heeft het over de vrede die verkondigd zou mogen worden. Dat het kan, dat het nu kan beginnen en dat de liefde vol te houden is door de dood heen zoals Jezus van Nazareth ons heeft voorgeleefd is het goede nieuws.

Maar geloven van dat goede nieuws is niet eenvoudig, dat is maar voor weinigen weggelegd. Daar hadden de profeten al last van. Paulus citeert hier het eerste vers van Jesaja 53. En natuurlijk hebben mensen de boodschap gehoord. En natuurlijk hebben de mensen het begrepen. Iedereen weet dat het Christelijk geloof inhoud dat je je naaste liefhebt als jezelf, dat je deelt met de armen, dat je de hongerigen voedt, de zieken bezoekt en de naakten kleed. Maar dat zelf doen? Daaraan meedoen? Ja iets geven in een collecte of aan een televisie actie, dat kan nog. Maar de samenleving in de wereld zo veranderen dat iedereen genoeg te eten heeft, dat er overal gezondheidszorg is en overal een eerlijke berechting en menswaardige behandeling van gevangenen? Dat gaat ons te ver. Dat strijd met ons eigen belang. Daar hebben we het te druk voor met werken en genieten. Dan zouden we toch te veel moeten opgeven.

Jesaja had het al over een ongehoorzaam en opstandig volk en Jesaja zou nu hetzelfde kunnen zeggen. Lopen dan de kerken leeg omdat er te veel van de mensen wordt gevraagd? De meeste voorgangers durven al helemaal niets meer van de mensen te vragen. Die leggen de nadruk op persoonlijke groei, of persoonlijk behoud, of persoonlijke bevrijding van de zonden, daar komt geen naaste aan te pas laat staan de gemeenschap van heiligen. Samen staan voor het Koninkrijk van God, voor een nieuwe samenleving, voor de hemel op aarde is er in een tijd van individueel genot en persoonlijk succes niet meer bij. Dat het ook nog te maken kan hebben met de manier waarop ons volk is georganiseerd, de manier waarop alle volken samen doen kun je helemaal vergeten. We hebben het lezen van de Bijbel weer nodig om ons te herinneren waarom het ook al weer allemaal begonnen was. Het Evangelie, vrede en gerechtigheid, de bevrijding van de armen. Daar mogen we vandaag weer mee aan de slag, het is meer dan ooit nodig. Dat is het echte goede nieuws voor vandaag.