Wees niet langer toornig

Exodus 31:18–32:14

18 Nadat de HEER dit alles op de Sinai tegen Mozes had gezegd, gaf Hij hem de twee platen van het verbond, de stenen platen, door Gods vinger beschreven. 1 Toen het volk merkte dat Mozes lang wegbleef en maar niet van de berg af kwam, verdrongen ze zich om Aäron en eisten van hem: ‘Maak een god voor ons die voor ons uit kan gaan, want wat er gebeurd is met die Mozes, die ons uit Egypte heeft geleid, weten we niet.’ 2 Aäron antwoordde: ‘Neem dan uw vrouwen, zonen en dochters hun gouden oorringen af en breng die bij mij.’ 3 Hierop deden alle Israëlieten zonder aarzelen hun gouden oorringen af en gaven die aan Aäron. 4 Alles wat ze hem brachten smolt hij om en hij goot er een beeld van in de vorm van een stierkalf. Het volk riep uit: ‘Israël, dit is je god, die je uit Egypte heeft geleid!’ 5 Toen Aäron zag wat er gebeurde, bouwde hij een altaar voor het beeld en kondigde hij aan dat er de volgende dag een feest voor de HEER zou zijn. 6 De volgende morgen vroeg brachten ze brandoffers en vredeoffers. Ze gingen zitten om te eten en te drinken, en stonden daarna op om uitbundig feest te vieren. 7 De HEER zei tegen Mozes: ‘Ga terug naar beneden, want jouw volk, dat je uit Egypte hebt geleid, misdraagt zich. 8 Nu al zijn ze afgeweken van de weg die Ik hun gewezen heb. Ze hebben een stierenbeeld gemaakt, hebben daarvoor neergeknield, er offers aan gebracht en gezegd: “Israël, dit is je god, die je uit Egypte heeft geleid!”’ 9 De HEER zei verder tegen Mozes: ‘Ik weet hoe onhandelbaar dit volk is. 10 Houd Mij niet tegen: mijn brandende toorn zal hen verteren. Maar uit jou zal Ik een groot volk laten voortkomen.’ 11 Mozes probeerde de HEER, zijn God, milder te stemmen: ‘Wilt U dan uw toorn laten ontbranden tegen uw eigen volk, HEER, dat U met sterke hand en grote macht uit Egypte hebt bevrijd? 12 Wilt U dat de Egyptenaren zeggen: “Hij heeft hen bevrijd om hen in het ongeluk te storten, om hen in het bergland te doden en van de aarde weg te vagen”? Wees niet langer toornig en zie ervan af onheil over uw volk te brengen! 13 Denk toch aan uw dienaren Abraham, Isaak en Israël, aan wie U onder ede deze belofte hebt gedaan: “Ik zal jullie zo veel nakomelingen geven als er sterren aan de hemel zijn, en het hele gebied waarvan Ik gesproken heb zal Ik hun voor altijd in bezit geven.”’ 14 Toen zag de HEER ervan af zijn volk te treffen met het onheil waarmee Hij gedreigd had.(NBV21)

Het is zo verleidelijk. Een beeld maken van God. Mensen hebben houvast nodig. En alleen die regel dat je je naaste liefhebt is toch een beetje vaag. Ook al worden de voornaamste regels in stenen platen gegraveerd je blijft je toch afvragen waar het vandaan komt. Hebben mensen als Mozes dat zelf verzonnen? Niemand heeft ooit die God gezien waar hij over sprak. Ja, een brandende braambos, daar had hij over verteld, maar dat was geen beeld van zijn God, alleen een belofte. En dus staat de wereld vol beelden die aanbeden worden. Midden in de woestijn maakt ook het volk van Israël zo’n beeld. Een beeld dat volgens hen past bij de God die hen uit de slavernij heeft bevrijd, een beeld ook van een God die ze nodig zullen hebben. Het wordt een kalf, onschuldig en zwak aan de ene kant, maar met een belofte vol van leven en vruchtbaarheid.

In het verhaal van Exodus staat vervolgens een dialoog van Mozes met God, een God die zich kwaad maakt en Mozes die God nog eens wijst waar het allemaal om te doen was, en God die dan berouw krijgt van de kwaadheid. Zelfs Bijbelboekenschrijvers ontkomen er niet aan in woorden een beeld van God te scheppen. Ook bij de fundamentalistische ongelovigen kom je dat tegen. Het TV programma “God bestaat niet” zat vol met beelden van God. Het was dan ook opgenomen in een Rooms Katholieke kerk, waar vanouds tegemoet wordt gekomen aan de behoefte van een beeld van God door beelden van heiligen te plaatsen, die weliswaar niet God zijn maar toch aangeroepen kunnen worden. De makers van het programma hebben wel door hun aanpak het grootste gelijk van de wereld. De God waar dat programma het over heeft, of de goden, die bestaat of bestaan inderdaad niet. Zodra je een beeld van God maakt zit je fout.

Hoe verleidelijk het ook is. Het enige houvast dat we hebben is de regel dat het om de zwakste mensen gaat. En de belofte dat de God van Israël daar te vinden is. Het is de betekenis van het lege graf waar met Pasen over wordt gesproken. De dood is overwonnen. Ook de dood van armoede, van geweld, van onderdrukking. Niet langer zijn het natuurwetten waar je niks aan kunt veranderen. Maar dat kan alleen met de wet van de rechtvaardige verdeling en voor die wet hebben we tegenwoordig parlementen nodig die we zelf kiezen. Het verhaal van het gouden kalf leert ons daarom dat als we werkelijk de armoede achter ons willen laten, tot geschiedenis willen laten worden we niet moeten blijven bij een popconcert voor een goed doel, maar actief moeten worden en mensen moeten laten stemmen voor rechtvaardig delen, het liefst in de hele wereld.

 

Met al het goede

Hebreeën 13:17-24

17 Gehoorzaam uw leiders en schik u naar hen, want zij waken over uw leven en zullen daarvan ook rekenschap moeten afleggen. Zorg ervoor dat zij hun taak met vreugde kunnen vervullen, zodat ze geen reden tot klagen hebben: dat zou u zeker niet ten goede komen. 18 Bid voor ons. We zijn ervan overtuigd dat ons geweten zuiver is, omdat we er op elk terrein naar streven het goede te doen. 19 Toch vraag ik dringender dan ooit om uw gebed, zodat ik des te eerder bij u zal worden teruggebracht. 20 Moge de God van de vrede, die onze Heer Jezus, de machtige herder van de schapen, door het bloed van het eeuwig verbond uit het dodenrijk heeft weggeleid, 21 u toerusten met al het goede, zodat u zijn wil kunt doen. Moge Hij in ons datgene tot stand brengen wat Hem welgevallig is, door Jezus Christus, aan wie de eer toekomt, tot in alle eeuwigheid. Amen. 22 Ik vraag u dringend, broeders en zusters, ontvankelijk te zijn voor deze woorden van bemoediging, ook al heb ik u maar beknopt geschreven. 23 Wist u dat onze broeder Timoteüs is vrijgelaten? Als hij snel genoeg komt, zullen wij u samen kunnen bezoeken. 24 Groet al uw leiders en alle heiligen. De gelovigen uit Italië laten u groeten. (NBV21)

Soms lijken die teksten uit zo’n brief aan de Hebreeën nogal taai en duister. Maar dat valt bij nader lezen toch we mee. De belofte die hier boven staat geeft hoop. De nieuwe stad, de stad met alleen maar het goede, die komt. We hoeven niet te blijven zitten met een samenleving waar de wet van rechtvaardigheid, liefde en vrede niet geldt. Voor de komst van die stad zijn niet allerlei rare rituelen nodig. Klankschalen, ingewikkelde lichaamsoefeningen, gekleurde stenen, wierook en andere geuren, latijnse formules, ze brengen de nieuwe stad geen milimeter of minuut dichterbij. De offers die in de heilige tent in de woestijn werden gebracht waren voor de priesters. Wat er over bleef werd buiten de stad verbrand. De kruisiging van Jezus lijkt daarmee op een offer. Eindelijk is iemand door de dood heengegaan en trouw gebleven aan het volgen van de richtlijnen uit de leer van Mozes. Het kan, het gebeurt en Jezus is nog steeds dezelfde, hij leeft.

Ook voor ons geeft dat hoop, ook in onze samenleving is eerlijk delen een reeële mogelijkheid. We hoeven het niet te pikken dat de rijken rijker en de armen armer worden. De brief aan de Hebreeën beveelt ons aan te blijven luisteren naar wat er in de Bijbel wordt verteld. Dag in dag uit hebben we dat nodig. Deel het met anderen, vertel het door, en vooral: ga er naar leven. Dat dag in dag uit vertellen gebeurt natuurlijk ook door voorgangers van gemeenten. Veel mensen denken dat die alleen op Zondag vertellen over wat ze in de Bijbel lezen maar de kerkdienst is maar een deel van hun werk. De brief aan de Hebreeën vraagt aan de lezers om er voor te zorgen dat die voorgangers hun werk met vreugde kunnen vervullen. Dat kan natuurlijk door een oude wijsheid van de markt te volgen, hebt U kritiek zeg het ons, vindt U het goede zeg het anderen. Bij voorgangers gebeurt het nog al te vaak dat de kritiek luidkeels in de gemeente wordt besproken terwijl datgene wat goed is verzwegen lijkt te worden. Maar voorgangers doen dus meer dan alleen optreden in kerkdiensten.

Door de week bezoeken ze gemeenteleden die bezoek nodig hebben. Ze leiden huwelijksdiensten, ze leiden begrafenisdiensten. Ze leven mee met mensen in nood. Ze vertellen jongeren over de kerk waar die jongeren groot in worden in de hoop dat die jongeren mee verantwoordelijkheid gaan dragen als ze volwassen worden. En voorgangers worden blij als ze om zich heen een actieve gemeente hebben die bereid zijn ouderen te bezoeken, zieken te troosten, bedroefden op te vangen, hongerenden te voeden, gevangenen te bezoeken en noem maar op. Je hoeft als gelovige het werk voor de naaste niet alleen te doen, je doet het altijd als deel van een gemeenschap. Daar wilde de schrijver van deze brief niet voor niets weer heen. Zorg dus ook vandaag voor een gemeenschap waar een schrijver als die van de brief aan de Hebreeën graag weer naar terug zou willen.

 

Nooit zal Ik u verlaten

Hebreeën 13:1-16

1 Houd de onderlinge liefde in stand 2 en houd de gastvrijheid in ere, want zo hebben sommigen zonder het te weten engelen ontvangen. 3 Bekommer u om de gevangenen alsof u samen met hen gevangenzat, en om de mishandelden alsof u zelf mishandeld werd. 4 Houd het huwelijk in ere, in alle omstandigheden, en houd het echtelijk bed zuiver, want ontuchtplegers en echtbrekers zal God veroordelen. 5 Laat uw leven niet beheersen door geldzucht, neem genoegen met wat u hebt. Hij heeft immers zelf gezegd: ‘Nooit zal Ik u afvallen, nooit zal Ik u verlaten,’ 6 zodat we vol vertrouwen kunnen zeggen: ‘De Heer is mijn helper, ik heb niets te vrezen. Wat zouden mensen mij kunnen doen?’ 7 Denk aan uw leiders, die het woord van God aan u hebben verkondigd, neem een voorbeeld aan hun geloof en kijk vooral goed hoe hun levenswandel eindigt. 8 Jezus Christus blijft dezelfde, gisteren, vandaag en tot in eeuwigheid! 9 Laat u niet misleiden door allerlei vreemdsoortige leerstellingen; we doen er goed aan ons te laten sterken door genade, niet door spijzen waar de aanhangers van die stellingen in het geheel geen baat bij hadden. 10 Wij hebben een altaar waarvan zij die in de tent dienstdoen niet mogen eten. 11 De offerdieren, waarvan het bloed door de hogepriester het heiligdom wordt binnengedragen voor het reinigingsoffer, worden buiten het kamp verbrand. 12 Daarom heeft ook Jezus, om met zijn eigen bloed het volk te heiligen, buiten de stadspoort geleden. 13 Laten we dus het kamp verlaten, ons bij Hem voegen en delen in zijn vernedering. 14 We hebben hier immers geen blijvende stad, wij kijken juist verlangend uit naar de stad die komt. 15 Laten we met Jezus’ tussenkomst voortdurend aan God een dankoffer brengen: het huldebetoon van lippen die zijn naam belijden. 16 En houd de liefdadigheid en de onderlinge solidariteit in ere, want dat zijn offers waarin God behagen schept. (NBV21)

Vandaag een gedeelte uit de Bijbel dat een rare beroemdheid heefdt. Vers 8, over heden en gisteren dezelfde, hangt bij aartsconservatieven in grote letters geschilderd aan de muur. Aangezien Jezus van Nazareth hun alles is staat er volgens hen dus in de Bijbel dat alles altijd hetzelfde moet blijven en dat het geijver voor een andere, een betere wereld afbreuk doet aan het Christendom. Ze zouden beter de eerste zeven verzen van dit laatste hoofdstuk van de Hebreeënbrief in grote letters aan de muur hangen. Voor elke dag een vers. Dan zouden ze begrijpen dat onder alle veranderde omstandigheden de liefde van Christus ons nog steeds uitdaagt om aan het werk te gaan. Die uitdaging tot een leven van liefde verandert niet. De problemen van onderlinge liefde veranderen. Hoe organiseer je nu in een wereld van individuen datop tijd opgemerkt wordt dat er iemand aan het afhaken is, iemand aan het ziek worden is? Binnen de arbeidsmarkt met thuiswerken en electronische contacten is dat toch een probleem geworden.

Hetzelfde geldt voor de gastvrijheid. We kennen natuurlijk het verhaal van Abraham die een aantal vreemdelingen die uit de woestijn op kwamen dagen te eten en te drinken gaf. Dat bleken niet alleen engelen te zijn, boodschappers van God die kwamen vertellen dat Sara zwanger zou worden, maar daar bleek de Heer zelf bij te zijn die beloofde Sodom niet te vernietigen als er nog vijf rechtvaardigen gevonden zouden worden. Maar als er bij ons vreemdelingen komen opdagen dan nemen we ze zeker niet op als boodschappers van onmenselijke situaties waarvoor iedereen op de vlucht zou slaan. De schrijnende armoede waaronder miljoenen op aarde moeten leven weten wij aardig buiten de deur te houden onder het motto dat zij die de schrijnende armoede weten te ontvluchten bij ons komen profiteren van onze welvaart. Het gemeste lam wordt bij ons niet geslacht voor vreemdelingen uit de woestijn, zelfs kinderen die hier al jaren wachten op onze gastvrijheid mogen hier niet blijven.

Ook het huwelijk is bij ons niet heilig. We sluiten huwelijken die bestemd zijn voor wederzijdse lustbevrediging en als de lust bevredigd is weer net zo snel uit elkaar vallen als ze gesloten werden. We hebben daar zelfs speciale spoedprocedures voor. Lust en welvaart drijven ons handelen in dit leven. Geld is het allerbelangrijkste. Een dag in de week waarop we samen vrij zijn van de slavernij van produceren en consumeren is tot een vloek geworden. Zeven dagen per week zult ge vierentwintig uur per dag consumeren en produceren lijkt het eerste gebod te zijn geworden. Vertrouwen op een God die we niet zien maar toch voor ons zorgt is een geestelijke stoornis lijkt het wel. En soms veranderd een huwelijk in een gevangenis. De sterkste heeft het voor het zeggen, tegenspraak wordt beantwoord met geweld. Niemand let er op. We bemoeien ons niet met elkaar. Het gebeurt achter dichte muren, als buiten de stad. Dat samen leven ook samen voor elkaar zorgen betekent is verdwenen. Alleen een handjevol gelovigen die het verhaal horen en hebben geloofd blijft aan die droom vasthouden. Elke dag mag dat weer opnieuw. Ook vandaag nog.

 

Een verterend vuur!

Hebreeën 12:14-29

14 Streef ernaar in vrede te leven met allen en leid een heilig leven; wie dat niet doet zal de Heer niet zien. 15 Zorg ervoor dat niemand zich de genade van God laat ontgaan, dat er geen giftige kiem opschiet die onrust veroorzaakt en met zijn bitterheid velen besmet, 16 en dat niemand ontucht pleegt of het heilige zozeer minacht als Esau, die voor één enkel bord eten zijn eerstgeboorterecht verkocht. 17 U weet immers dat hij daarna, toen hij alsnog de zegen wilde verkrijgen, afgewezen werd; hij kon het niet meer ongedaan maken, ook al smeekte hij er in tranen om. 18 U bent niet, zoals het volk destijds, iets tastbaars genaderd, geen allesverzengend vuur, dreigende duisternis en woeste wind, 19 geen bazuingeschal en stemgedonder. Toen het volk die stem hoorde, smeekte het dat er geen woord meer tot hen zou worden gesproken, 20 omdat wat hun werd opgelegd ondraaglijk was: ‘Zelfs een dier dat de berg aanraakt, moet gestenigd worden!’ 21 Zo schrikbarend was de verschijning dat Mozes uitriep: ‘Ik sidder van angst!’ 22 Nee, u bent de Sionsberg genaderd, de stad van de levende God, het hemelse Jeruzalem, en duizenden engelen die in vreugde bijeen zijn, 23 de gemeenschap van eerstgeborenen, die in de hemel ingeschreven zijn; u bent God genaderd, de rechter van allen, en de geesten van de rechtvaardigen, die tot volmaaktheid gekomen zijn, 24 de bemiddelaar van een nieuw verbond, Jezus, en het gesprenkelde bloed dat krachtiger spreekt dan dat van Abel. 25 Let op dat u Hem die spreekt niet afwijst. Want als zij al niet ontkomen zijn toen ze degene afwezen die hen op aarde onderrichtte, dan kunnen wij, wanneer we ons afkeren van degene die dat vanuit de hemel doet, helemaal niet ontkomen. 26 Destijds deed zijn stem de aarde beven, nu heeft Hij deze belofte gedaan: ‘Nog eenmaal zal Ik de aarde doen beven, en niet alleen de aarde maar ook de hemel.’ 27 Met dat ‘nog eenmaal’ wordt bedoeld dat wat geschapen is, wankelt en verdwijnt, zodat alleen blijft wat onwankelbaar is. 28 Laten we dankbaar zijn omdat we een onwankelbaar koninkrijk ontvangen; zo kunnen we God dienen zoals het Hem behaagt, met eerbied en ontzag. 29 Onze God is een verterend vuur! (NBV21)

In 2004 verscheen de Nieuwe Bijbelvertaling, in 2021 verscheen een verbetering en die vertaling is het die wij hier in onze dagelijkse column volgen. Die Nieuwe Bijbelvertaling heeft in 2005 de publieksprijs van het CPNB gewonnen. Elk jaar kiest een jury van boekverkopers een vijftal boeken en iedereen mag op het internet stemmen op een boek. Dat hoeft dan niet een door de jury gekozen boek te zijn. De NS sponsert de verkiezing en in de trein wordt er reclame voor gemaakt. In 2005 was het aantal stemmers meer dan twee maal zo groot dan in 2004. Dat was niet zo vreemd want op het internet was hard campagne gevoerd voor het stemmen op de Nieuwe Bijbelvertaling. De uitgave was een succes. Heel veel mensen hebben een exemplaar aangeschaft. De Bijbel blijft per slot van rekening een boeiend boek.

Maar de vraag is natuurlijk ook of veel mensen het verbond aan willen gaan waar het bovenstaande hoofdstuk uit de brief aan de Hebreeën over spreekt. Het aangaan van dat verbond gaat niet zomaar. Dat is een uiterst belangrijke gebeurtenis en het vraagt nogal wat. Centraal in dat verbond staan nog steeds die richtlijnen uit de woestijn. Heb je naaste lief als jezelf, de wet van eerlijk delen en rechtvaardigheid. Een richtlijn die vrede brengt. Een richtlijn ook die je niet even een beetje kunt nakomen maar die je moet volgen met heel je hart en heel je verstand. Voortdurend bij alles wat je doet moet je je bewust zijn die richtlijn te volgen. Dat lukt bijna niemand, dat lukt eigenlijk nooit iemand helemaal. Gelukkig niet anders zou het een verdrietige zaak worden. Stel immers dat het iemand lukt en jou niet, ga je mooi af, Nee omdat het niemand lukt mag je er elke dag, ja elk moment opnieuw mee beginnen. Als je dan echt die richtlijn wil volgen, je aan het verbond wilt houden, zul je merken dat het je niet onverschillig kan laten.

“Het komt nu even niet uit” is nooit een geldig excuus. Bezuinigen op de zorg voor armen, zieken, en gevangenen is voor een overheid dan ook een doodzonde. In de Nieuwe Bijbelvertaling hebben we de richtlijnen voor de menselijke samenleving weer in onze eigen taal, de taal van alledag. De schrijver van de Hebreeën brief wijst op de profeten die in het verleden zijn geweest en die de mensen in de actuele politieke situatie konden wijzen op wat God met de wereld wil. Zij werden vaak afgewezen, maar als de mensen die hen afwezen daarvan berouw kregen dan konden die mensen toch weer de Weg van de God van Israël gaan. Wij hebben die richtlijnen op schrift. Naast de vertaling zelf is er het dagelijks leesrooster dat we hier ook volgen. Elke dag een klein stukje lezen en er over nadenken maakt dat je op die Weg kan blijven, dat is nodig ook want afwijken van die weg betekent dat het zeer slecht zal gaan met het land. We zien dat om ons heen aan voedselbanken die nodige zijn geworden, aan vluchtkerken die nodig zijn geworden, aan mantelzorg dat nodig is geworden. Het bewegen van de rijken tot het gaan van de Weg van de God van Israël is telkens weer een bijna onmenselijke taak. Daar mogen we dus elke dag opnieuw aan beginnen, ook vandaag weer.

 

Kies rechte paden

Hebreeën 12:1-13

1 Nu wij door zo’n menigte geloofsgetuigen omringd zijn, moeten ook wij elke last van ons afwerpen, evenals de zonde waarin we steeds weer verstrikt raken, en vastberaden de wedstrijd lopen die voor ons ligt. 2 Laten we daarbij de blik gericht houden op Jezus, de grondlegger en voltooier van ons geloof: met de vreugde voor ogen die voor Hem in het verschiet lag, heeft Hij het kruis verdragen en de schande ervan aanvaard, en heeft Hij zijn plaats ingenomen aan de rechterzijde van de troon van God. 3 Laat tot u doordringen hoe Hij standhield toen de zondaars zich zo tegen Hem verzetten, opdat u niet de moed verliest en het opgeeft. 4 U hebt in uw strijd tegen de zonde uw leven nog niet op het spel gezet. 5 Kennelijk bent u de bemoediging vergeten die tot u als tot kinderen wordt gericht: ‘Mijn zoon, je mag een vermaning van de Heer nooit terzijde schuiven en nooit opgeven als je door Hem terechtgewezen wordt, 6 want de Heer berispt wie Hij liefheeft, straft elk kind waarvan Hij houdt.’ 7 Houd vol, het betreft hier immers een leerschool, God behandelt u als zijn kinderen. Welk kind wordt niet door zijn vader berispt? 8 Maar als u die leerschool niet doorloopt zoals alle anderen vóór u, dan bent u geen kinderen, maar bastaards. 9 Daar komt nog bij dat wij voor onze aardse vaders, door wie we werden opgevoed, respect hadden; hoeveel te meer zullen we ons dan niet onderwerpen aan het gezag van de Vader van alle geesten, en dan leven? 10 Onze aardse vaders berispten ons maar voor korte tijd en naar eigen goeddunken, maar Hij berispt ons voor onze eigen bestwil, om ons te laten delen in zijn heiligheid. 11 Een vermaning lijkt op het moment zelf geen vreugde te brengen, slechts verdriet, maar wie erdoor gevormd is plukt er op den duur de vruchten van: een leven in vrede en gerechtigheid. 12 Hef daarom uw slappe handen op, strek uw knikkende knieën, 13 en kies rechte paden, zodat een voet die gekneusd is niet verder ontwricht raakt, maar juist geneest. (NBV21)

Het is een leerschool zegt de brief aan de Hebreeën. Eerlijk delen en je naaste liefhebben als jezelf gaat niet vanzelf. Er is ook een zekere dapperheid voor nodig. Soms om te zeggen wat je vindt, zoals sommige politici dapper moeten zijn om vol te houden, soms om om te gaan met wie je vindt dat je mee om moet gaan. De omgang tussen allochtonen en autochtonen is niet vanzelfsprekend, ook dat is een leerschool. Je kunt nog lelijk worden aangekeken op het meevieren van het suikerfeest of het uitnodigen van ongelovigen bij de viering van het suikerfeest. De mythe van de scheiding tussen culturen en godsdiensten wordt graag in stand gehouden. En of je nu allochtoon of autochtoon bent je wordt op de omgang met iemand van de andere cultuur soms lelijk aangesproken. Wat dat betreft is er niet zo heel veel verschil met de tijd waarin de brief aan de Hebreeën werd geschreven.

Paulus eerst en Petrus daarna ook, betrokken de Heidenen in het verhaal van Jezus, en als die mee wilden doen met een nieuwe samenleving zonder slavernij, rijk en arm, man en vrouw, Jood en Heiden, gelovige en ongelovige, dan werden ze opgenomen in de gemeente. Joden konden daar lelijk op worden aangekeken. zij hoorden niet met de onreine heidenen om te gaan, ze werden dan afvalligen van hun geloof. Alsof het ineens om een andere God ging, alsof de woorden die hen in het leven voortdreven niet ontleend waren aan de richtlijnen die het volk door de woestijn naar het beloofde land hadden gedreven. De zaak bleef gevoelig liggen. Toen Paulus van zijn laatste reis in Jeruzalem terugkeerde moest hij van Jacobus, de leider van de gemeente in Jeruzalem, in de Tempel bewijzen dat hij nog steeds Jood was. De samenwerking die Paulus en Petrus hadden bevorderd heeft wel het Christendom opgeleverd zoals wij dat nog steeds kennen.

Een geloof in een wereld zonder geweld en onderdrukking, een wereld van recht en gerechtigheid waarin iedereen zonder onderscheid mag meedoen. En meedoen betekent dus ook zeggen mogen wat je vindt en gehoord kunnen worden. De vrijheid van meningsuiting lijkt soms hoog in ons morele vaandel te staan. We moeten ongeremd anderen kunnen uitmaken voor alles wat mooi en lelijk is. Als die anderen het zelfde doen moeten ze opgesloten worden of tenminste monddood gemaakt. Een dominee mag gerust zijn vrouwelijke gemeenteleden voorhouden dat volgens het Nieuwe Testament vrouwen hun hoofd gedekt moeten houden, een Iman mag in geen geval zijn vrouwelijke gelovigen voorhouden dat het binnen de Islam gewoonte is geworden dat vrouwen hun hoofd gedekt houden. Of die vrouwen dat overigens doen moeten ze zelf weten. De vrijheid van meningsuiting is ook dat iedereen recht heeft om zich in kleding en gedrag zo te uiten als men wil. We zullen moeten leren leven in een wereld van gerechtigheid en vrede. Angst is daarbij de slechtste raadgever. Sta dus op tegen verdeeldheid brengen en anderen verketteren. Ga in gesprek en heb zelfs de vijanden lief.

 

Door dat geloof

Hebreeën 11:23-40

23 Door hun geloof konden Mozes’ ouders hem na zijn geboorte drie maanden verborgen houden. Ze zagen dat het een mooi kind was en waren niet bang voor het bevel van de koning. 24 Door zijn geloof weigerde Mozes, toen hij volwassen werd, aangesproken te worden als zoon van een dochter van de farao. 25 Liever werd hij even slecht behandeld als het volk van God dan dat hij vluchtig voordeel had bij de zonde; 26 omdat hij uitzag naar de beloning waardeerde hij de smaad van Christus hoger dan de schatten van Egypte. 27 Door zijn geloof verliet hij Egypte zonder angst voor de woede van de koning; hij volhardde, als zag hij de Onzienlijke. 28 Door zijn geloof liet hij het pesachfeest vieren, en de deurposten met bloed besprenkelen opdat de doodsengel Israëls eerstgeborenen geen haar zou krenken. 29 Door hun geloof konden de Israëlieten door de Rode Zee trekken als over droog land; toen de Egyptenaren dat ook probeerden werden zij verzwolgen. 30 Door dat geloof vielen de muren van Jericho toen het volk er zeven dagen lang omheen getrokken was. 31 Door haar geloof ontving de hoer Rachab de verkenners gastvrij in haar huis en is ze niet met de ongehoorzame inwoners van haar stad omgekomen. 32 Wat valt hier nog aan toe te voegen? De tijd ontbreekt me om te vertellen over Gideon en Barak, Simson en Jefta, David en Samuel, en over de profeten, 33 die door hun geloof koninkrijken overwonnen, gerechtigheid lieten gelden, en kregen wat hun beloofd was; die leeuwen de muil toeklemden, 34 aan vuur de laaiende kracht ontnamen en ontkwamen aan de houw van het zwaard; die in zwakheid kracht ontvingen, in de oorlog machtige helden werden en vijandelijke legers op de vlucht joegen. 35 Vrouwen kregen hun doden terug doordat die uit de dood opstonden. Anderen werden gemarteld tot de dood erop volgde en wilden van geen vrijlating weten, omdat ze uitzagen naar een betere opstanding. 36 Weer anderen kregen te maken met bespotting en geseling, zelfs met arrestatie en gevangenschap. 37 Ze werden gestenigd of doormidden gezaagd, of stierven door een moordend zwaard. Ze zwierven rond in schapenvachten of geitenvellen, berooid, vernederd en mishandeld. 38 Ze doolden door verlaten oorden en berggebieden en verscholen zich in grotten en holen onder de grond. Ze waren voor de wereld te goed. 39 Al deze mensen, die van oudsher om hun geloof geprezen worden, hebben de belofte niet in vervulling zien gaan 40 omdat God voor ons iets beters had voorzien, en Hij hen niet zonder ons de volmaaktheid wilde laten bereiken. (NBV21)

Er zijn van die feestdagen in de traditie van de kerk die soms aan slijtage onderhevig zijn maar bij tijd en wijle toch weer populair worden. Zo hebben we in november “allerzielen” dat de laatste jaren een steeds grotere belangstelling krijgt. Op allerzielen worden alle mensen herdacht die overleden zijn. Niet iedereen is immers een voorbeeld, al noemt het stuk uit Hebreeën dat we vandaag lezen nog een flink aantal boeiende voorbeelden, maar iedereen is wel een mens en daarom het herdenken waard. Rond allerzielen worden ook bezoeken gebracht aan begraafplaatsen of muren met urnen. In Rooms Katholieke kerken vinden vaak vieringen plaats en in Protestantse Kerken gebeurt dat op een van de zondagen voor of na allerzielen, of op de zondag voor de eerste advent. Dan worden vaak de namen nog eens genoemd van hen die in het afgelopen jaar overleden zijn.

Een feestdag die vlak bij allerzielen wordt gevierd is de dankdag voor gewas en arbeid. Als alle oogst binnen is en verwerkt dan wordt het tijd daar samen God voor te danken. De dankdag voor gewas en arbeid lijkt met haar vreugde in tegenstelling te zijn met de droefenis van allerzielen. Toen we bijna allemaal nog werkten in de landbouw en veeteelt was het nu het moment om de oogst te tellen. De oogst is niet alleen binnengehaald maar ook opgeborgen voor de winter. Het vee is geslacht en het vlees geconserveerd voor de komende tijd. Het zal nog maar een paar weken duren en de eerste armen komen langs met een lichtje en een lied over Sint Maarten. Tijd om te denken aan het rijk van eerlijk delen en zorgen voor elkaar. Daarin mag je dankbaar zijn voor de tijd die je het leven mocht delen met hen die gestorven zijn.

Iedereen heeft ook goede herinneringen aan hen die gestorven zijn en die herinneringen geven mee vorm aan het goede dat er nu nog in het leven is. Daarmee worden dierbaren die overleden zijn ook voorbeelden die inspireren om het Rijk van God mee vorm te geven. En als de schrijver van de brief aan de Hebreeën terugkijkt in de geschiedenis van Israël dan zijn er voortdurend momenten te zien waarop het volk weer het volk van de God van Israël kon zijn en weer verder kon. Zo is het ook voor ons goed om af en toe achterom te kijken naar onze eigen geschiedenis en de momenten te benoemen waarop we, misschien zelfs ongedacht, weer verder konden met ons leven. Dan zullen we merken dat de doden ons niet vasthouden maar ons kracht kunnen geven om vooruit te kijken. De liefde die wij van onze geliefden ontvingen maakt dat we mogen blijven geloven aan de Liefde en de mogelijkheid liefde te verspreiden. En daartoe roept de Bijbel ons elke dag opnieuw op, ook vandaag weer.

 

Bij hoorngeschal

Psalm 47

1 Voor de koorleider. Van de Korachieten, een psalm. 2 Klap in de handen, o volken, juich God toe met jubelzang: 3 geducht is de HEER, de Allerhoogste, machtige koning van heel de aarde. 4 Volken dwong Hij voor ons op de knieën, naties legde Hij aan onze voeten. 5 Hij koos voor ons een eigen land, de trots van Jakob, het volk dat Hij liefheeft. sela 6 Onder gejuich steeg God omhoog, de HEER steeg op bij hoorngeschal. 7 Zing voor God, zing een lied, zing voor onze koning, zing Hem een lied: 8 God is koning van heel de aarde.Zing een feestelijk lied. 9 God heerst als koning over de volken, God zetelt op zijn heilige troon. 10 De vorsten van de volken zijn bijeen in het gevolg van Abrahams God. Zijn schildwachten zijn ze op aarde. Hoog is Hij verheven. (NBV21)

Het zijn vreemde dagen in deze tijd. Onze bewegingen en contacten met anderen worden bepaald door elektronica. We weten dat Jezus van Nazareth ons in de steek liet, om ons op eigen benen te zetten. Vandaag zingen met de kerk een lied mee, een psalm. Een psalm van de Korachieten. Dat waren dienaren van de Tempel en zij hadden als bijzondere taak de drempels, ofwel de ingang, van de Tempel te bewaken. zij maakten dus uit wie er wel en wie er niet de Tempel in Jeruzalem binnen mocht. Ze hadden die taak overigens al sinds het volk door de woestijn trok en de Heilige Tent had gebouwd om het verbond met hun God te bewaren. In deze psalm zingen ze dat iedereen van de hele wereld welkom is. De vorsten van alle volken zijn immers bijeen in het gevolg van Abraham en de kinderen van Abraham vormen het volk Israël dat de Tempel als centraal heiligdom heeft.

Het is daarmee een psalm die ongetwijfeld een rol heeft gespeeld in de discussie onder de volgelingen van Jezus van Nazareth na Pinksteren. We kunnen in het boek Handelingen lezen dat al heel snel Grieken, Samaritanen en Romeinse bezetters bij de nieuwe beweging werden betrokken en dat dat nogal veel onrust veroorzaakte. We lezen dat Barnabas naar Antiochië werd gestuurd omdat daar alle deuren werden open gezet en de leerlingen voor het eerst christenen werden genoemd, zo wordt dat ten minste meestal vertaald. C hristenen hebben geleerd, en de Joden wisten het altijd al, dat alle volken van de wereld onder de heerschappij van God, onder de macht van Liefde, zijn gesteld. Alle mensen zijn zusters en broeders, alle mensen horen bij elkaar. Als je die regel niet volgt dan weten we uit de vorige eeuw maar al te zeer waar dat op kan uitlopen.

We zien het vandaag in Gaza. Bij ons stelt op een kwade dag zo’n lafhartige broekenpisser, die zich in de Tweede Kamer van angst overschreeuwt, opnieuw voor om de zogenaamde vreemdelingen in ons land op een vlot te zetten de Noordzee op met de opdracht terug te gaan naar het land van hun voorvaderen. We vieren elke zondag de bevrijding van die angst. Velen hebben hun leven overgehad voor de vrijheid die we nu hebben en die we moeten zien door te geven aan toekomende generaties. Voor de gelovigen in de God van Israël betekent dat zijn richtlijnen voor de menselijke samenleving vasthouden, maaltijd houden dus met de armen maar ook met de vreemdelingen en dan die God loven voor de vrijheid die zijn richtlijnen ons allemaal schenken.

 

Altijd de minste willen zijn

1 Petrus 5:1-14

1 Ik doe een beroep op de oudsten onder u. Als uw mede-oudste en als ooggetuige van Christus’ lijden, en omdat ik evenals u zal delen in de luister die binnenkort zal worden geopenbaard, vraag ik u: 2 Hoed de kudde van God waarvoor u de verantwoordelijkheid hebt, houd goed toezicht-niet gedwongen maar vrijwillig, zoals God dat wil, en niet om er zelf beter van te worden maar met belangeloze toewijding. 3 Stel u niet heerszuchtig op tegenover de kudde die aan u is toevertrouwd, maar geef het goede voorbeeld. 4 Dan zult u wanneer de hoogste herder verschijnt deel krijgen aan zijn luister, de lauwerkrans die nooit verwelkt. 5 En u, jongeren, moet van uw kant het gezag van de oudsten erkennen. Overigens, in de omgang met elkaar moet ieder van u altijd de minste willen zijn, want God keert zich tegen hoogmoedigen, maar aan nederigen schenkt Hij zijn genade. 6 Onderwerp u dus nederig aan Gods grote macht, dan zal Hij u op de bestemde tijd verheffen. 7 Leg de last van uw zorgen op Hem, want u ligt Hem na aan het hart. 8 Wees waakzaam, wees op uw hoede, want uw vijand, de duivel, zwerft rond als een brullende leeuw, op zoek naar een prooi. 9 Stel u tegen hem teweer, gesterkt door uw geloof, in het besef dat uw broeders en zusters, waar ook ter wereld, hetzelfde lijden moeten doorstaan. 10 Maar al moet u nog korte tijd lijden, God, de bron van alle genade, die u geroepen heeft om in Christus deel te krijgen aan zijn eeuwige luister, Hij zal u sterk en krachtig maken, zodat u staande zult blijven en niet zult wankelen. 11 Hem komt de macht toe, tot in eeuwigheid. Amen. 12 Met de hulp van Silvanus, die ik als een betrouwbare broeder beschouw, heb ik u deze korte brief geschreven, om u moed in te spreken en om u er nadrukkelijk van te verzekeren dat het werkelijk de genade van God is die u staande houdt. 13 Uw mede-uitverkorenen in Babylon en mijn zoon Marcus groeten u. 14 Groet elkaar met een kus als teken van uw onderlinge liefde. Vrede zij met u allen, die één bent met Christus. (NBV21)

Er zijn toch maar weinig kerkleiders, oudsten zeg maar, die in de loop van de geschiedenis deze passage uit 1 Petrus hebben gelezen. Zelfs de zich opvolger van Petrus noemende Paus kun je er toch niet van verdenken dat hij zich op hetzelfde niveau stelt als de parochiebesturen binnen zijn kerk. In de Protestantse kerken gaat het misschien wat minder hiërarchisch toe maar ook daar dwingt men bij tijd en wijle voorgangers en kerkenraden tot zaken die men niet wil. En toch is de briefschrijver geheel in de lijn met het verhaal van Jezus van Nazareth. Hij citeert zelfs het boek Spreuken als hij spreekt over God die de hoogmoedigen weerstaat maar de nederigen genade geeft. En dat U na aan Zijn hart ligt leest U al in Psalm 55. Zo vreemd is deze omkering van waarden dus niet. In de wereld zijn de machthebbers hoogverheven, in de gemeenschap met Jezus van Nazareth zijn het de dienaren, de minsten, die de macht hebben en de dienst uitmaken. Zo hoort het ook in de kerk te gaan, juist als voorbeeld voor de wereld. Maar we zijn hardleers en zo gaat het dus meestal niet.

Die oudsten die door studie kennis hebben verworven over de Bijbel, die vanuit het hart van het verhaal uitleg kunnen geven en het licht van de Bijbel kunnen laten schijnen over de samenleving zodat we aan de slag kunnen in het Koninkrijk van God, verdienen onze aandacht. Als zij in staat zijn zich als dienaren op te stellen verwerven zij vanzelf gezag. Soms lijken ze roependen in de woestijn. Maar als we zelf van tijd tot tijd terugkeren tot het lezen van de Bijbel dan zullen we merken dat ze het aanhoren meer dan waard zijn, meer als die kerkleiders en oudsten die zich voornaam voordoen, met prachtige gewaden en een grote omhaal van woorden, waar veel aan religie te beleven valt, maar die niets weten te doen voor de armen in de wereld en van rechtvaardigheid geen weet hebben. Ieder van ons kan overigens de oudsten van de eigen gemeente helpen door zelf de minste te willen zijn. In iedere kerk en in iedere gemeente is altijd zoveel werk dat handen meer zeggen dan kritiek. Daarin kan zelfs het geringste kerklid het voorbeeld zijn voor de leiders, ook vandaag. Je moet waakzaam blijven want de lasteraar gaat rond als en brullende leeuw. Vanouds wordt hier “duivel” vertaald.

Maar lasteraar is eigenlijk een betere vertaling en als je niet in de duivel geloofd is die vertaling misschien ook wel gelijk een betere waarschuwing. In de tijd dat deze brief werd geschreven gingen er vele vooroordelen over de Christenen rond. Ze zouden een ezel aanbidden, ze zouden kinderen offeren, ze zouden mensenvlees eten en noem maar op. De waarschuwing uit deze brief is dus niet een vroom praatje om je niet in te laten met een geestelijke tegenstander van God. Die tegenstanders zijn al lang overwonnen, maar wat mensen in de strijd kunnen brengen tegen het idee dat slaafgemaakten moeten worden vrijgelaten, afgoden afgezworen en rijkdom eerlijk gedeeld is onuitputtelijk. Daarvoor moeten we zelfs tot in onze tijd uitkijken. Het voorbeeld van Jezus van Nazareth, de oproep van Johannes de doper een mantel weg te geven als je er twee hebt aan iemand die er geen heeft, mag niet in het publieke debat terecht komen. Hongeren en dorsten naar gerechtigheid mag achter de eigen voordeur maar moet niet onze samenleving beïnvloeden, dat hoor je van tegenstanders. Elke dag moeten we laten zien dat we nu juist een woord voor de wereld hebben, ook vandaag weer.

Draag uw lot

1 Petrus 4:12-19

12 Geliefde broeders en zusters, wees niet verbaasd over de vuurproef die u ondergaat; er overkomt u niets uitzonderlijks. 13 Hoe meer u deel hebt aan Christus’ lijden, des te meer moet u zich verheugen, en des te uitbundiger zal uw vreugde zijn wanneer zijn luister geopenbaard wordt. 14 Als u gehoond wordt omdat u de naam van Christus draagt, prijs u dan gelukkig, want dat betekent dat de Geest van God in al zijn luister op u rust. 15 Laat niemand van u moeten lijden omdat hij een moordenaar is, een dief, misdadiger of onruststoker. 16 Maar als u lijdt omdat u christen bent, schaam u dan niet en draag uw lot tot Gods eer. 17 Besef goed dat de tijd van het oordeel is aangebroken. Dat oordeel begint bij Gods eigen mensen. Als het bij ons begint, hoe zal het dan aflopen met hen die weigeren het evangelie van God te gehoorzamen? 18 Als de rechtvaardige al ternauwernood gered wordt, hoe zal het dan gaan met de goddeloze en de zondaar? 19 Daarom moeten allen die lijden omdat God dat wil, het goede blijven doen en hun leven in handen leggen van de trouwe schepper. (NBV21)

Dit gedeelte heeft veel verzetsstrijders in de Tweede Wereldoorlog gesteund. Het was niet gemakkelijk in verzet te komen tegen de Duitse bezetter. Uiteindelijk nam ook maar een klein deel van de bevolking daadwerkelijk deel aan het verzet. Verraad lag altijd op de loer. Martelingen, gevangenis, executie wachtten hen die gepakt waren. Maar de christelijke opdracht is altijd en onder alle omstandigheden het goede blijven doen. Onderduikadressen zoeken, bonnen zoeken, mensen beschermen, dat was de kern van het verzet. Dat gold ook voor de mensen van de slaventrail. De organisatie die in de negentiende eeuw slaafgemaakten in Noord Amerika hielp ontsnappen naar Canada. Velen van hen waren Christenen, ze waren vaak niet zwart, maar blank en hielpen vanuit eigen overtuiging. Ook zij liepen vaak gevaar voor hun eigen leven. Dat gold ook voor mensen die de Apartheid bestreden in Zuid-Afrika. De blanken onder hen verloren familie, vrienden en kennissen in de blanke maatschappij alleen omdat zij in anders gekleurde mensen hun broeders en zusters herkenden. Maar ook zij konden niet anders dan het goede te blijven doen en niet dan het goede.

In onze dagen lijkt het veel veiliger om het goede te doen. Maar zij die zich openlijk uitspreken voor samen leven en samen maaltijd houden met de vreemdelingen in ons land kunnen haatmails en geweld verwachten. Niet van een fanatieke religieuze minderheid maar van grote groepen Nederlanders die van delen nooit gehoord schijnen te hebben. De briefschrijver citeert een tekst uit het boek Spreuken, het elfde hoofdstuk vers 31, waar het gaat over de rechtvaardige die met moeite wordt gered en waar de schrijver van het boek zich afvraagt hoe het dan de goddeloze en de zondaar zal vergaan. Die vraag moeten we in onze samenleving dus ook stellen als het gaat om die tallozen die zich afzetten tegen een samenleving waarin mensen van verschillende afkomst en overtuiging vreedzaam naast elkaar kunnen leven. Een samenleving waarin we bereid zijn te delen met de armsten in de wereld omdat die armsten onze broeders en zusters zijn. Die tallozen in ons land zal het Evangelie moeten worden voorgehouden. Niet door enkelingen maar door allen die in God geloven, niet af en toe maar onophoudelijk.

Juist in een land waar zovelen er trots op lijken te zijn dat ze “God in hun hart hebben gesloten, of nog erger “Jezus in hun hart hebben”, wat dat dan ook zou mogen betekenen, mag je toch verwachten dat de roep om liefde tot de naaste onophoudelijk klinkt. Daar mag je van mensen die zich Christelijk noemen verwachten dat ze zich niet op de rijken richten. En niet die rijken middeninkomens toedichten. Zich dus niet verzetten tegen inkomensnivellering maar zich richten op de armen in eigen land en de armsten in de wereld. Je mag van hen verwachten dat ze kinderen die hier zijn geboren als hun eigen kinderen beschouwen en niet langer als vreemdelingen. Als mensen zeggen dat ze hun leven hebben toevertrouwd aan hun Schepper waarom doen dan zo weinig mensen iets voor de vreemdelingen in ons land en tegen de vreemdelingenhaat? Waarom wachten wij met het bekeren van de mensen om ons heen tot de Weg van Jezus van Nazareth? Een vraag om vandaag een antwoord op te vinden, een antwoord dat die mensen van het verzet uit de geschiedenis gevonden hadden in de Bijbel.

 

Wees helder van geest

1 Petrus 4:1-11

1 Nu dan, omdat Christus tijdens zijn leven op aarde heeft geleden, moet u zich wapenen met dezelfde gezindheid als Hij. Immers, wie in zijn aardse leven geleden heeft, heeft afstand genomen van de zonde. 2 Dan laat u zich gedurende de rest van uw leven niet meer leiden door menselijke verlangens maar door Gods wil. 3 U hebt al genoeg tijd verspild aan allerlei zaken waarin de heidenen plezier hebben: losbandigheid, wellust, dronkenschap, bras- en slemppartijen en verwerpelijke afgodendienst. 4 Zij vinden het vreemd dat u niet langer meedoet aan hun liederlijke uitspattingen en ze spreken daarom kwaad over u. 5 Maar ze zullen zich daarvoor moeten verantwoorden tegenover Hem die zich gereedhoudt om recht te spreken over levenden en doden. 6 Ook aan de doden is het evangelie verkondigd, opdat ook zij, al ondergaan ze zoals alle mensen het oordeel over hun aardse bestaan, bij God in de geest kunnen leven. 7 Het einde van alles is nabij. Kom daarom tot bezinning en wees helder van geest, zodat u kunt bidden. 8 Heb elkaar vóór alles innig lief, want liefde bedekt tal van zonden. 9 Wees gastvrij voor elkaar, zonder te klagen. 10 Laat ieder van u de gave die hij van God gekregen heeft, gebruiken om de anderen te helpen, zoals het goede beheerders van Gods veelsoortige gaven betaamt. 11 Voert u het woord, laten het dan Gods woorden zijn die u spreekt. Helpt u anderen, doe dat dan vanuit de kracht die God u geeft. Want zo doet u alles tot eer van God, dankzij Jezus Christus, aan wie alle eer en macht toekomt, tot in alle eeuwigheid. Amen. (NBV21)

Je ziet de dominee op zondag toch echt niet op het Kerkhof de preek houden. Zo’n dominee zou door de kerkenraad snel naar een psychiater worden verwezen. Een beroep op 1 Petrus 4 vers 6 zal die dominee niet helpen. De schrijver van deze brief moet dus iets anders bedoelen dan dat er ook op het kerkhof moet worden gepreekt op zondag. Het moderne begrip van comazuipen maakt ons misschien duidelijk waar het hier om gaat. De Statenvertaling en de Naardense Bijbel hebben het tenminste ook over wijnzuiperijen waar de Nieuwe Bijbelvertaling het heeft over bras- en slemppartijen. Wie zich daaraan overgeeft is zichzelf niet. En als je er zelfs van in coma raakt dan lijk je dood. Ja als je stomdronken bent dan ben je eigenlijk al dood. Gelovigen weten best van drinken en feestvieren. Maar gelovigen hebben zoveel ontzag voor mensen dat ze dat zonder alcohol ook heel goed kunnen en zich er voor hoeden om hun eigen persoonlijkheid te verliezen. Voortdurend zijn ze immers gericht op het welzijn van anderen. Anderen zijn nooit voorwerpen waarmee je je eigen lust kunt bevredigen. En meedoen met feesten omdat het zo hoort, omdat je er een idool mee eert, een moderne afgod mee aanbidt is er al helemaal niet bij.

Christenen worden daarom nogal eens uitgemaakt voor saaie pieten. Dat hebben ze ook wel een beetje aan zichzelf te danken. Ze doen vaak net of ze niet mee mogen doen. Maar Paulus had al geschreven dat alles geoorloofd is. Het gaat er dan ook niet om dat ze niet mogen, maar dat ze niet willen. Zo gaan we immers niet met elkaar en met anderen om. Daar is niks saais aan, want samen genieten is ook voor christenen het hoogste goed. Wijn behoort zelfs bij de maaltijd die het hoogste is wat de christelijke gemeenschap kan bereiken, de maaltijd waarbij je alles deelt, tot jezelf toe. De wijn staat dan voor het levensvocht, voor het bloed dat bij alle levenden door de aderen stroomt. Van dat leven blijf je af zegt de Bijbel. Wijn kan je dus aansterken, bemoedigen, verwarmen, weer leven geven, maar wijn zal je nooit mogen bedwelmen, van het bewuste leven mogen beroven. Daarom kan de schrijver van de Petrusbrief zeggen dat ook aan doden de boodschap van bevrijding is verkondigd. Het succes van de verspreiding van het geloof in Jezus van Nazareth heeft in de eerste eeuwen van onze jaartelling de mensen doen geloven dat het einde van de wereld nabij was. Als iedereen zou geloven dan zou het einde immers echt komen? Dat laatste blijft waar maar we zijn inmiddels tot de ontdekking gekomen dat het einde van de wereld nog ver weg is want het zal nog wel even duren voordat iedereen echt gaat geloven.

Voor ieder van ons als mens blijft het toch zaak om te doen alsof het einde nabij is. We leven immers maar kort en hebben dus relatief weinig tijd om mensen te winnen voor het Koninkrijk van God. Daarom blijft het verhaal van de Bijbel belangrijk ook al moeten we de vermaningen voor het einde der tijden niet al te letterlijk nemen voor onze tijd. Zo’n oproep om gastvrij voor elkaar te zijn bijvoorbeeld mag ons best weer eens aan het denken zetten. Elk zomer zwermen veel Nederlanders uit over de wereld en elke herfst komen ze terug met verhalen over de enorme gastvrijheid die er in andere landen heerst. Zelfs binnen ons land zijn er verhalen over de grote verschillen in gastvrijheid tussen de verschillende provincies. Nu zal het gericht zijn op de verdienste uit toerisme wel mee een bron zijn van gastvrijheid maar toch is de een gemakkelijker in het ontvangen van vreemdelingen dan de ander. En juist in het ontvangen van vreemdelingen kan de gelovige zich onderscheiden van de ongelovige. Het ontvangen van de rijke vreemdeling uit een aan ons verwante cultuur is niet moeilijk, zeker niet als die vreemdeling een taal spreekt die we tenminste nog een klein beetje kunnen verstaan. Maar de arme vreemdeling, uit een ander continent, met niet alleen een onverstaanbare taal maar ook een onbegrijpelijk geloof en een totaal onbekende cultuur en leefwijze. Die gastvrij weten te ontvangen, die recht weten te doen in je eigen samenleving, dat is pas getuigen van een geloof in het verhaal van Jezus. Zeker als je kinderen in het nauw gaat opvangen in een Kerk, daar kunnen we overigens al anderhalf jaar dagelijks aan meedoen.