Tentpin en een hamer

Rechters 4:11-24

11 In de buurt van Kedes had een zekere Cheber zijn tenten opgeslagen bij de eik in Saänannim. Deze Cheber was een Keniet die zich had afgescheiden van zijn stamgenoten, nakomelingen van Mozes’ schoonvader Chobab. 12 Sisera kreeg bericht dat Barak de Tabor op gegaan was. 13 Daarom riep hij zijn soldaten onder de wapenen en trok met al zijn negenhonderd ijzeren strijdwagens en zijn hele leger vanuit Charoset-Haggojim op naar het dal van de Kison. 14 Debora spoorde Barak aan: ‘Vooruit! Vandaag levert de HEER Sisera aan u uit. Hij zal voor u uit gaan.’ Toen kwam Barak de Tabor af met tienduizend man achter zich aan. 15 Op het moment dat de manschappen van Sisera Barak zagen verschijnen, zaaide de HEER paniek onder hen en ontstond er grote verwarring. Sisera sprong van zijn wagen en maakte zich uit de voeten. 16 Barak achtervolgde de strijdwagens en de soldaten tot in Charoset-Haggojim. Alle soldaten van Sisera sneuvelden; niet een bleef er in leven. 17 Sisera vluchtte te voet naar de tent van Jaël, de vrouw van de Keniet Cheber, want hij wist dat de familie van Cheber op goede voet stond met koning Jabin van Hasor. 18 Jaël kwam hem tegemoet en zei: ‘Kom binnen, heer, kom binnen. Wees niet bang.’ Hij ging bij haar de tent binnen en zij verborg hem onder een deken. 19 ‘Geef me wat water te drinken,’ vroeg hij, ‘ik heb zo’n dorst.’ Jaël opende een melkzak, gaf hem te drinken en dekte hem weer toe. 20 Toen zei hij: ‘Ga in de tentopening staan. Als er dan iemand komt vragen of er een man bij u is, moet u zeggen: “Nee, er is hier niemand.”’ 21 Jaël nam een tentpin en een hamer en sloop de tent binnen. Ze sloeg, terwijl hij daar uitgeput in slaap lag, de tentpin dwars door zijn hoofd de grond in, zodat hij stierf. 22 Op dat moment kwam Barak eraan, op jacht naar Sisera. Jaël ging hem tegemoet en zei: ‘Kom, ik zal u de man laten zien die u zoekt.’ Barak ging met haar naar binnen-en daar lag Sisera, dood, met de tentpin door zijn hoofd. 23 Zo bracht God koning Jabin van Kanaän in zijn strijd met de Israëlieten een zware nederlaag toe. 24 Daarna wist Israël koning Jabin steeds verder terug te dringen, totdat ze hem hadden vernietigd. (NBV21)

Tienduizenden Nederlanders hebben het wel eens in een zomer gedaan. Tentharingen de grond ingeslagen, op campings, overal in Europa. Hier lezen we in de Bijbel nog een keer over tentharingen. Over de tentharing van Jaël. Dat was nog familie van de vrouw van Mozes. Die was immers getrouwd met de dochter van de priester van Midian, toen hij uit Egypte was gevlucht, nadat hij een Egyptenaar had doodgeslagen. De schoonfamilie van Mozes, dat waren dus eigenlijk vreemdelingen,  Maar ze hadden zich gevoegd bij het volk Israël toen dat het beloofde land was binnengetrokken en hadden een verbond met Jabin gesloten, de koning waar Barak en Deborah tegen ten strijde waren getrokken. Aan welke kant zou de familie staan?  Aan welke kant staan de vreemdelingen die met je meegegaan zijn?

Aan de goede kant dus want de zorg van een vrouw zegt niet alles. Die Jaël mag water schenken en op de uitkijk staan, maar aan haar wordt niet gevraagd welke kant ze kiest. Mannen vergeten vrouwen naar waarde te schatten, je naaste liefhebben als jezelf betekent voor mannen dat vrouwen als gelijkwaardig dienen te worden behandeld. Jaël laat dat zien want vroeger zouden ze zeggen dat ze haar mannetje staat, tegenwoordig hebben we de Bijbel toch wat nauwkeurige leren lezen en weten we dat ze gewoon aan de goede kant is gaan staan. Want die “tentpin” is in de oorspronkelijke tekst vrouwelijk en betekent iets als “doorboorde” het wordt ook wel voor “vrouw” zelf gebruikt. Die Jaël gooit haar vrouwelijke wapens in de strijd en niet tevergeefs. Jaël wordt daarmee het scharnierpunt in de strijd tegen koning Jabin en uiteindelijk weet Israël deze koning te verslaan.

En Israël heeft nog steeds geen koning en geen regering. Barak is er met een leger op uit, gestuurd door Deborah, die rechter was en gewoon spreekuur hield waar de mensen haar rechtsgeschillen kwamen voorleggen. Geen glazen plafond dat de beide vrouwen weerhield van het spelen van een hoofdrol in de geschiedenis. Vrouwen hebben tegenwoordig nog wel eens het gevoel tegen een glazen plafond aan te lopen. Dat is dus niet nodig, een tentharing en een hamer zijn voldoende om dat glazen plafond te doorbreken. En dat wantrouwen in vreemdelingen? Als ze met je meetrekken, als ze zich als medeburger gedragen dan is dat wantrouwen beschamend. Nog steeds wordt het opsluiten van Amerikaanse burgers van Japanse afkomst na de aanval op Pearl Harbour als een schandaal beschouwd. We moeten ons dus hoeden voor het oordelen en veroordelen alleen op grond van afkomst, een goede bondgenote zou gemakkelijk verspeeld kunnen worden.

 

Aan een vrouw.

Rechters 4:1-10

1 Na de dood van Ehud deden de Israëlieten weer wat slecht is in de ogen van de HEER. 2 Daarom leverde de HEER hen uit aan koning Jabin van Kanaän, die regeerde in Hasor. De bevelhebber van diens leger heette Sisera; hij had zijn legerkamp in Charoset-Haggojim. 3 Jabin beschikte over negenhonderd ijzeren strijdwagens en heerste met harde hand over Israël, wel twintig jaar lang. Daarom riepen de Israëlieten de HEER te hulp. 4 In die tijd was de profetes Debora degene die Israël als rechter leidde; zij was de vrouw van Lappidot. 5 Ze hield zitting onder de Deborapalm tussen Rama en Betel, in het bergland van Efraïm, en daar kwamen de Israëlieten haar hun rechtsgeschillen voorleggen. 6 Debora liet Barak, de zoon van Abinoam, afkomstig uit Kedes in Naftali, bij zich komen en zei tegen hem: ‘De HEER, de God van Israël, gebiedt u: “Trek met tienduizend man uit de stammen Naftali en Zebulon op naar de Tabor. 7 Dan zal Ik Jabins bevelhebber Sisera met al zijn strijdwagens en soldaten laten optrekken tot in het dal van de Kison en hem aan je uitleveren.”’ 8 ‘Als u meegaat, zal ik gaan,’ antwoordde Barak, ‘maar als u niet meegaat, ga ik niet.’ 9 ‘Goed,’ zei Debora, ‘ik zal met u meegaan. Maar let wel, u zult geen eer behalen aan deze veldtocht, want de HEER zal Sisera uitleveren aan een vrouw.’ Zo besloot Debora met Barak mee te gaan naar Kedes. 10 Barak riep de mannen van Zebulon en Naftali onder de wapenen in Kedes en trok op aan het hoofd van tienduizend man. Debora ging met hem mee. (NBV21)

Na de dood van Ehud was Deborah de volgende rechter zegt hoofdstuk vier van het boek Rechters. Echte Bijbelkenners weten dat we nu een Rechter vergeten. Samgar, die sloeg zeshonderd Filistijnen dood met een osseprik. Een boer die aan het ploegen was en de ossen aanspoorde met een puntige stok. Met diezelfde puntige stok bevrijdde hij het volk van een machtige roversbende. Een verhaal dat maar één vers in de Bijbel kreeg, Rechters 3:31, want de Bijbel houdt nu eenmaal niet van mannetjesputters. Wel van vrouwen in dit soort verhalen. Lang is er beweerd dat de Bijbelse orde zou zijn dat mannen werken en regeren en de macht hebben en dat vrouwen thuis zitten en voor man en kinderen zorgen. Niets is minder waar. Die orde is uitermate on-Bijbels. Bijbels is Deborah de zingende vrouw die Rechter was toen Jabin met zijn 900 strijdwagens het volk onderdrukte.

Barak mocht met een leger uit de stammen van Naftali en Zebulon er tegen ten strijde trekken, maar Barak kenden de Bijbelse orde en keek wel uit, zonder Deborah ging hij niet op pad. Zij wees de richting aan en hij en zijn mannen hadden maar te volgen. En jawel het hele leger van krijgsoverste Sisera werd verslagen. Waarom tot op vandaag de dag mannen doen alsof vrouwen niet als zij aan de samenleving zouden kunnen deelnemen is een raadsel. Er zijn kerken, protestantse en natuurlijk ook de Rooms Katholieke zogenaamde kerk, die vrouwen zeker niet als moderne rechters, of richters, als dominees of pastoors zouden toelaten. Bij hen geen Paus, Bisschop, ouderling of Predikant die tegen een door God gezonden Deborah zouden zeggen, we gaan niet zonder U. Het is tegen de natuurlijke orde zou een kardinaal zeggen. Natuurlijk is dat tegen de natuurlijke orde, het is volgens Gods orde, die is uiteindelijk niet van deze wereld maar van een andere wereld, een heel andere orde dus.

Die bevrijdende orde, die mensen bevrijd van onderdrukking moet nog steeds bevochten worden. Zeker zolang vrouwen worden buitengesloten, onderdrukt, thuis opgesloten, met eerwraak bedreigd en niet mee mogen doen aan de samenleving en de democratie. Zich zelfs niet mogen kleden zoals ze willen, als ze tenminste hun gezicht willen bedekken. Denk niet dat alleen binnen de Islam minderheden vrouwen onderdrukken en als voorwerp beschouwen. Dat komt binnen de Rooms Katholieke en Gereformeerde traditie net zo goed voor. Ook in de economie staan vrouwen nog te veel en te vaak op het tweede plan, kunnen ze de echte top niet bereiken. De twee stammen van Zebulon en Naftali waren niet genoeg voor een blijvende bevrijding. Maar er zijn door de hele geschiedenis, tot op de dag van vandaag, meer vrouwen als Deborah, Goddank.

 

Wonderbaarlijk is het

Matteüs 21:33-46

33 Luister naar een andere gelijkenis. Er was eens een landheer die een wijngaard aanlegde en hem omheinde. Hij groef er een kuil voor de wijnpers en bouwde een uitkijktoren. Toen verpachtte hij hem aan wijnbouwers en ging op reis. 34 Tegen de tijd van de druivenoogst stuurde hij zijn knechten naar de wijnbouwers om zijn vruchten in ontvangst te nemen. 35 Maar de wijnbouwers grepen de knechten, ze mishandelden er een, doodden een ander en stenigden een derde. 36 Daarna stuurde de landheer andere knechten, een grotere groep dan eerst, maar met hen deden ze hetzelfde. 37 Ten slotte stuurde hij zijn zoon naar hen toe, met de gedachte: Voor mijn zoon zullen ze wel ontzag hebben. 38 Maar toen de wijnbouwers de zoon zagen, zeiden ze onder elkaar: “Dat is de erfgenaam! Kom op, laten we hem doden en zo zijn erfenis opstrijken,” 39 en ze grepen hem vast, gooiden hem de wijngaard uit en doodden hem. 40 Wanneer nu de eigenaar van de wijngaard komt, wat moet hij dan met die wijnbouwers doen?’ 41 Ze antwoordden: ‘Hij moet die ellendelingen een ellendige dood laten sterven en de wijngaard verpachten aan andere wijnbouwers, die de vruchten wel aan hem afdragen wanneer het daar de tijd voor is.’ 42 Daarop zei Jezus tegen hen: ‘Hebt u dit nooit in de Schriften gelezen: “De steen die de bouwers afkeurden is de hoeksteen geworden. Dankzij de Heer is dit gebeurd, wonderbaarlijk is het om te zien.” 43 Daarom zeg Ik u: het koninkrijk van God zal u worden ontnomen, en gegeven worden aan een volk dat het wel vrucht laat dragen. 44 Wie over die steen struikelt, valt te pletter, en degene op wie die steen valt, wordt vermorzeld.’ 45 Toen de hogepriesters en de farizeeën zijn gelijkenissen hoorden, begrepen ze dat Hij over hen sprak. 46 Ze wilden Hem graag gevangennemen, maar ze waren bang voor de reactie van de menigte, die Hem voor een profeet hield. (NBV21)

Het is duidelijk, je kunt wel doen of je de wijsheid in pacht hebt maar pas aan de vruchten kun je herkennen of het waar is. Jezus van Nazareth citeert hier Psalm 118. Over de steen die was weggeworpen maar die tot hoeksteen werd. Voor ons een vreemd beeld maar wie wel eens een muurtje heeft opgezet zonder cement, of op vakantie een muur van natuursteen heeft gezien, zal het misschien snappen. Je hebt dan te maken met de onregelmatigheid van de stenen. Niet alles past. Maar juist op de hoeken kan de meest onregelmatig gevormde steen het best passen en daarmee de belangrijkste steen vormen. En onregelmatig gevormd is de leer van Jezus van Nazareth. Niet de harde werkers, niet de mooi gekleden, niet de beste praters, niet de best gesneden pakken of de mooiste hoedjes bepalen het koninkrijk van God maar de minsten, de armen, de hoeren en de tollenaars.

Wie de blinden en de bedelaars langs de weg ziet, wie de hongerenden voedt en de naakten kleed. Juist in deze dagen van financiële crisis, dagen waarin de positie van de rijksten in de wereld versterkt wordt, juist in deze dagen is de zorg voor de armsten in Afrika van meer dan groot belang. Als we het werkelijk weten op te brengen de welvaart die wij delen ook te delen met de armen in Afrika dan brengen we iets van Koninkrijk van God op aarde. Nu, in deze dagen, komt het er op aan. Nu zelfs de meest verstokte aanbidder van de vrije markt en de goden van winst en profijt tot de ontdekking komt dat er in elke samenleving ook iets van samen delen moet zijn. Juist nu zal duidelijk moeten zijn dat delen met de armsten in de wereld voorop moet staan en niet de sluitpost moet worden van de internationale welvaart. Maar denk niet dat iemand met de eer voor het delen kan wegkomen.

Denk aan het verhaal dat Jezus van Nazareth vertelt over de werkers in de wijngaard. Op het moment dat de wijngaard opbrengst gaat vertonen steken ze die opbrengst in eigen zak. De heer van wijngaard, de Liefde zelf, wordt buitengesloten. In onze samenleving gebeurt hetzelfde. Zelfs de redding van het financiële systeem dreigt ten goede te komen aan de bazen van de banken en hen nog rijker te maken. Waarom dus niet de bonussen voor de top van de banken wereldwijd bestemmen voor microkredieten voor de armsten in de wereld. Zodat ook zij zich kunnen ontwikkelen en niet alleen delen in de welvaart maar er zelfs aan kunnen bijdragen. Want ook in de dagen van financiële crisis blijft de tegenstelling tussen landen waar overgewicht het belangrijkste probleem is en landen waar de honger het belangrijkste probleem is.

 

De wil van zijn vader

Matteüs 21:23-32

23 Toen Hij naar de tempel was gegaan en daar onderricht gaf, kwamen de hogepriesters en de oudsten van het volk naar Hem toe. Ze vroegen Hem: ‘Op grond van welke bevoegdheid doet U die dingen? En wie heeft U die bevoegdheid gegeven?’ 24 Jezus gaf hun ten antwoord: ‘Ik zal u ook een vraag stellen, en als u Mij daarop antwoord geeft, zal Ik u zeggen op grond van welke bevoegdheid Ik die dingen doe. 25 In wiens opdracht doopte Johannes? Kwam die opdracht van de hemel of van mensen?’ Ze overlegden met elkaar: ‘Als we zeggen: “Van de hemel,” dan zal Hij tegen ons zeggen: “Waarom hebt u hem dan niet geloofd?” 26 Maar als we zeggen: “Van mensen,” dan krijgen we het volk over ons heen, want iedereen houdt Johannes voor een profeet.’ 27 Dus gaven ze Jezus als antwoord: ‘We weten het niet.’ Daarop zei Hij tegen hen: ‘Dan zeg Ik u ook niet op grond van welke bevoegdheid Ik die dingen doe. 28 Wat denkt u van het volgende? Iemand had twee zonen. Hij zei tegen de een: “Jongen, ga vandaag in de wijngaard aan het werk.” 29 De zoon antwoordde: “Ik wil niet,” maar later bedacht hij zich en ging alsnog. 30 Tegen de ander zei de man precies hetzelfde. Die antwoordde: “Ja, vader,” maar ging niet. 31 Wie van de twee heeft nu de wil van zijn vader gedaan?’ Ze zeiden: ‘De eerste.’ Daarop zei Jezus: ‘Ik verzeker u: de tollenaars en de hoeren zullen het koninkrijk van God eerder binnengaan dan u. 32 Want Johannes bewandelde de weg van de gerechtigheid toen hij naar u toe kwam. U geloofde hem niet, de tollenaars en de hoeren wel. En ook al zag u dat, u hebt u niet bedacht en hem alsnog geloofd. (NBV21)

In de Protestantse Kerk Nederland mag je niet zomaar preken. Daar gaat een hele procedure aan vooraf en je moet officieel toestemming hebben van de synode, het hoogste bestuur van de Kerk. Eigenlijk verlangen ze dat je eerst theologie hebt gestudeerd aan een universiteit en zeker de Bijbel in het Grieks en Hebreeuws kunt lezen en vertalen. Zo iemand als Jezus van Nazareth zou in een Protestantse Kerk hier in Nederland niet zomaar op de kansel kunnen klimmen. Ook in zijn dagen was er al de vraag op grond waarvan hij deed wat hij deed. Hij was immers geen Priester of Leviet. Die oefenden officieel op grond van de Bijbelse voorschriften het toezicht op genezingen en de toepassing van de wet uit. Dan komt er zo’n prediker en die geneest en brengt mensen die zich hadden buitengesloten weer op de goede weg. Dat schept maar wanorde en verwarring.

Maar Jezus van Nazareth wijst op een andere kant van hetzelfde verhaal. In zijn optreden is ook de roep om anders te gaan leven. Om weer rekening te houden met de richtlijnen voor de menselijke samenleving, je naaste lief te hebben als jezelf. Eigenlijk is het de taak van iedereen om jezelf en om elkaar aan die liefdeswet te houden. In de traditie van het volk Israël waren er door de geschiedenis heen steeds mensen opgestaan die het volk tot de orde hadden moeten roepen, die weer hadden gewezen op die Wet en hoe die toe te passen in de dagelijkse werkelijkheid en in de politieke actualiteit. Profeten werden ze genoemd en in de dagen dat Jezus van Nazareth met zijn optreden was begonnen was er de Profeet Johannes geweest die bij de Jordaan mensen het rituele bad had laten ondergaan dat de Bijbelse wetten voorschreef om weer rein te worden, weer zonder vuiligheid en zo dat je die richtlijn van je naaste liefhebben weer ongestoord kon uitvoeren. Dopen noemde hij dat en daar was heel het volk voor uitgelopen.

Dat reinigingsbad moest je zelf nemen, daar kwam geen Priester of Leviet aan te pas. Tot die reiniging of omkeer oproepen was de taak van iedere gelovige. Niet dat Priesters en Levieten, Farizeeën en Schriftgeleerden dat de mensen voorhielden, dat zou hun macht en positie maar aantasten. Daarom gaven ze maar geen antwoord als ze naar de plaats in de Bijbelse wetten wordt gevraagd. Jezus van Nazareth wijst maar eens op de profeten die de mensen voor hadden gehouden dat ieder die kwaad had gedaan elk moment berouw kon hebben en met het goede kon beginnen. Ieder die bleef bij het kwaad kon doodvallen. Johannes was er mee begonnen en Jezus van Nazareth ging er mee door. Wij ook? In de Protestantse Kerk Nederland worden we daartoe in elk geval opgeroepen, en hier ook elke dag weer. Heb je naaste lief als jezelf en begin er gewoon nu mee.

 

Kom van je plaats

Matteüs 21:10-22

10 Toen Hij Jeruzalem binnenging, raakte de hele stad in rep en roer. ‘Wie is die man?’ wilde men weten. 11 Uit de menigte werd geantwoord: ‘Dat is Jezus, de profeet uit Nazaret in Galilea.12 Jezus ging de tempel binnen en joeg iedereen weg die daar iets kocht of verkocht. Hij gooide de tafels van de geldwisselaars en de stoelen van de duivenverkopers omver 13 en riep hun toe: ‘Er staat geschreven: “Mijn huis moet een huis van gebed zijn,” maar jullie maken er een rovershol van!’ 14 Toen kwamen er in de tempel blinden en verlamden naar Hem toe, en Hij genas hen. 15 De hogepriesters en de schriftgeleerden zagen welke wonderen Hij verrichtte en hoorden hoe de kinderen in de tempel ‘Hosanna voor de Zoon van David!’ riepen, en ze waren hoogst verontwaardigd. 16 Ze vroegen Hem: ‘Hoort U wat ze zeggen?’ En Jezus antwoordde hun: ‘Jazeker! Hebt u dan nooit gelezen: “Door de mond van kinderen en zuigelingen hebt U zich lof laten toezingen”?’ 17 Zo liet Hij hen staan, en Hij ging de stad uit, naar Betanië, waar Hij de nacht doorbracht. 18 Toen Hij vroeg in de morgen naar de stad terugkeerde, kreeg Hij honger. 19 Langs de weg zag Hij een vijgenboom staan. Hij liep ernaartoe, maar er zaten alleen maar bladeren aan. Daarop zei Hij tegen de boom: ‘Nooit ofte nimmer zul je meer vrucht dragen!’ Ogenblikkelijk verdorde de vijgenboom. 20 Toen de leerlingen dat zagen, vroegen ze verbaasd: ‘Hoe kan het dat die vijgenboom zo plotseling verdord is?’ 21 Jezus antwoordde: ‘Ik verzeker jullie: als jullie geloven zonder te twijfelen, kun je niet alleen teweegbrengen wat er met die vijgenboom gebeurd is, je kunt zelfs tegen die berg zeggen: “Kom van je plaats en stort je in zee,” en het zal gebeuren. 22 Alles waar jullie in gebed om vragen zul je ontvangen, als je maar gelooft.’ (NBV21)

Jezus was in Jeruzalem. Zo hoorde het, ieder die bij het volk Israël hoorde moest jaarlijks naar Jeruzalem om in de Tempel te laten zien dat je bereid was te delen wat je was toegevallen, door offers te brengen en een maaltijd te houden met het Tempelpersoneel, familie, je personeel en je slaven en de vreemdelingen die bij je hoorde. Als je van ver kwam mocht je je bezit te gelde maken en in Jeruzalem kopen wat hiervoor nodig was. Dat had een hele industrie in het leven geroepen, aan al die bezoekers werd flink verdient. Het maakte het offeren tot een religie, van delen was geen sprake meer. Jezus maakte daar dus een einde aan, tot schrik van de autoriteiten die er van mee profiteerden. De gewone man, en zeker de armen werden er blij van. Kinderen brachten dat onder woorden. Jezus had al uit Psalm 8 geleerd dat die manier waarop kinderen naar hun wereld kijken je het dichtst bij God kan brengen.

En als de mensen iets te grote woorden lijken te gebruiken om hem aan te duiden dan wijst hij al die knappe geleerden op die Psalm. Maar dan het vervolg. Jezus bracht de nacht door in een armoedig dorpje. Eten wilde hij uit de natuur langs de weg. Maar de vijgenboom had geen vijgen. Gewoon kijken naar een dode boom en dan niet verbaasd zijn dat ook de bladeren er af vallen hebben we verleerd. Gewoon beginnen aan het verwijderen van ook de zwaarste obstakels als dat nodig is durven we niet meer. Het gaat er dus uitdrukkelijk niet om om godsdienst en religie te verbinden met geld en verdienste. Overal in de Bijbel klinkt de oproep dat iedereen moet kunnen meedoen en als er mensen zijn die daar moeite mee hebben of te weinig bezitten om mee te doen dan moet je delen, dan moet je samen delen als gemeenschap.

Dan kunnen kerken soms een uitkomst bieden. Voor de eigen kerk, voor de kosten van de dienst en het kerkgebouw wordt vaak pas bij de uitgang gecollecteerd. En in Protestantse Kerken krijg je vaak het gevoel dat je niet hoeft te geven, het mag, het is welkom, maar als je niet hebt dan ben je er zelf niet minder welkom om. En twijfel? Mag je dan niet twijfelen aan het bestaan van God? Aan de waarheid van de Bijbel? Aan de boodschap van Jezus van Nazareth? Waar twijfel je dan aan? Aan de wetenschappelijke houdbaarheid van de stellingen die je door een kerk worden voorgehouden? Daar mag je best aan twijfelen, al die zekerheden zijn maar betrekkelijk. Of twijfel je aan de zin van het leven als je leven ingericht is op de zorg voor de minsten. Daar is geen twijfel over mogelijk, dode dingen blijven dood en zijn zinloos, alle genot en lust is uiteindelijk leeg, maar de zorg voor de minsten, het opstaan van mensen die geen stap meer verder kunnen, het inzicht dat mensen krijgen die het niet meer zien zitten, dat geeft een rijkdom die onbetaalbaar is, daar hoef je nooit aan te twijfelen, ook vandaag niet.

 

Over de vorsten

Ezechiël 19:1-14

Ezechiël 19:1-14

1 Zing nu over de vorsten van Israël dit klaaglied: 2 “Eens was je moeder een krachtige leeuwin! Door leeuwen omringd bracht zij haar welpen groot. 3 Een van haar welpen koos zij uit. Hij werd een sterke leeuw, hij leerde zijn prooi te vangen, ook mensen verslond hij. 4 De volken hoorden over hem en vingen hem in een valkuil; ze voerden hem met haken mee, tot in Egypte. 5 Toen zij zag dat haar wachten vergeefs en haar hopen zinloos was, koos zij weer een van haar welpen uit en maakte van hem een sterke leeuw. 6 Trots liep hij rond tussen de leeuwen, hij leerde zijn prooi te vangen, ook mensen verslond hij. 7 Hij verwoestte hun paleizen, legde elke stad in puin. Als zijn gebrul weerklonk werd het land stil, en huiverde. 8 De volken uit de landen rondom vielen hem aan, ze trokken netten om hem heen en vingen hem in een valkuil. 9 Ze deden hem een halster om en voerden hem met haken mee, in een net sleepten ze hem naar Babel, naar de koning. Op de bergen van Israël verstomde zijn gebrul. 10 Je moeder was als een wijnstok, net als jij aan het water geplant, die vrucht droeg en vele takken had, want er was water in overvloed. 11 Zijn takken werden sterk, machtig als een heersersstaf. Eén klom er op tot hoog in de wolken, van verre zichtbaar met zijn vele bladeren. 12 Toen werd de wijnstok in woede uitgerukt en op de aarde neergeworpen; de oostenwind verschroeide zijn druiven, zijn takken werden afgerukt en verdroogden, de sterkste werd door het vuur verteerd. 13 Nu staat hij in de woestijn, in een droog en dorstig land. 14 Uit zijn stam sloeg het vuur dat zijn twijgen en druiven verteerde, de sterkste tak is weg, zijn heersersstaf heeft hij verloren.”’ (Dit is een klaaglied, en zo wordt het nog steeds gezongen.( NBV21)

Vandaag lezen we een klaaglied dat in het boek van de profeet Ezechiël opduikt. Het zou gemakkelijk zijn om nu een verhaaltje te beginnen over het verdriet dat goede mensen kan overkomen. Op het ene moment gaat het je goed en voel je je sterk en dan veranderen de omstandigheden en raak je alles kwijt en je zou werkelijk niet weten wat je er aan zou moeten doen. Maar dat zou erg gemakkelijk zijn. Dit klaaglied gaat over een volk. Een volk waaruit sterke leiders voortkwamen. Leiders die indruk maakten op andere volken. Zo veel indruk dat die andere volken die leiders onschadelijk kwamen maken. Wij noemen het een klaaglied maar we lopen daarmee de kans de werkelijke betekenis een beetje uit het oog te verliezen. Wij klagen wat af in onze dagen nietwaar. Een klaaglied in de Bijbel is een lied dat gezongen wordt bij een begrafenis, een rouwlied, er is iets of iemand die dierbaar was, die geliefd werd gestorven. Hier is het rijk Juda gestorven. In Genesis 49 wordt Juda al omschreven als een leeuw, een sterke leeuw die wijnstokken bezit. Dat beeld vind je hier terug. Een soort beeld dat ook wij wel kennen want ook wij zingen af en toe dat we de leeuw niet in zijn hempie willen laten staan.

In het lied wordt gezongen over een moeder leeuw die kleine leeuwen groot brengt. Daaruit komen minstens twee sterke leeuwen voort die brullend rondgaan en overal gevreesd worden, iedereen wordt bang van die brulapen. De volken om Juda heen komen dan ook in actie en zo wordt de eerste leeuw naar Egypte gebracht als gevangene. Nogal vernederend zo wordt hier beschreven want een haak door de neus of de bovenlip kennen we niet van de leeuwenjacht maar wel uit de oorlogen waarbij de overwonnen, liefst de overwonnen koning of generaal, met een haak door de neus of de bovenlip achter de strijdwagen van de Koning of de winnende generaal in optocht werd getoond aan het winnende volk. Een pijnlijke vernedering. Bijbelgeleerden zijn dan ook op zoek gegaan naar die koningin-moeder en de twee koningszonen waarover dit rouwlied zou kunnen gaan. In het boek 1 Koningen zou je ze misschien tegen kunnen komen. De vrouw van Koning Josia zorgt er na zijn dood voor dat haar zoon koning wordt en die koning wordt gevangen en naar Egypte gebracht. Ze zorgde er vervolgens voor dat een andere zoon koning werd en die werd naar Babel in ballingschap gebracht.

Maar Ezechiël noemt deze personen niet. En die Koningin-moeder is ook geen wijnstok die aan levend water is gepland zoals het rouwlied zingt, verwijzend naar de Psalmen waar het dan over de rechtvaardigen gaat. En dat juist Ezechiël hier geen namen noemt moet ons te denken geven. Die profeet neemt over het algemeen geen blad voor de mond en noemt volken, stammen, rijken en koningen bij naam en toenaam. Maar hier in dit rouwlied gaat het over volken die dit kan overkomen. Het is een rouwlied en het zal een rouwlied worden staat er als laatste regel. Dat betekent dat ook wij moeten uitkijken. Kennen wij de zogenaamde sterke die zich als brulapen op de borst kloppen en zich beter achten dan wie dan ook? Die niet bekend staan om hun liefde voor de armen, om hun rechtvaardigheid, om de bescherming van de weduwe en de wees. We herkennen ze uit de geschiedenis en uit onze eigen dagen. Altijd weer treden er mensen op als leiders van volken en gemeenschappen die het gelijk onvoorwaardelijk aan hun kant hebben. Ezechiël wijst ons er op dat een dergelijke houding, dat het gebrul en gebral leidt tot de dood, tot de dood van volken en gemeenschappen, tot ballingschap voor de armen en de zwakken. En ballingen, vluchtelingen noemen we ze vandaag, zijn er in overvloed op de wereld. Tijd om niet langer de leeuwen te volgen maar de God van Israël, daar kunnen we vandaag nog mee beginnen.

 

 

Inzicht en inkeer

Ezechiël 18:21-32

21 Als een slecht mens zich afkeert van de zonden die hij heeft begaan, zich houdt aan al mijn bepalingen en handelt naar recht en gerechtigheid, zal hij zeker in leven blijven en niet sterven. 22 De misdaden die hij heeft begaan zullen hem niet worden aangerekend; vanwege zijn rechtvaardige daden zal hij in leven blijven. 23 Denken jullie dat Ik het toejuich als een slecht mens sterven moet? -spreekt God, de HEER. Nee, Ik wil dat hij tot inkeer komt en in leven blijft. 24 En een goed mens die zich niet langer rechtvaardig gedraagt maar onrecht doet en alle wandaden begaat van een slecht mens-moet die in leven blijven? Al zijn goede daden zullen niet meer tellen; omdat hij Mij ontrouw is geworden en zonden heeft begaan, zal hij sterven. 25 Nu zeggen jullie: “De weg van de Heer is onrechtvaardig!” Maar luister, Israëlieten! Ben Ik het die onrechtvaardig is? Zijn het niet juist júllie wegen die onrechtvaardig zijn? 26 Een goed mens die zich niet langer rechtvaardig gedraagt maar onrecht begaat, zal sterven; hij sterft omdat hij onrecht heeft begaan. 27 Een slecht mens die zich afkeert van zijn goddeloze levenswijze en voortaan handelt naar recht en gerechtigheid, zal in leven blijven. 28 Als hij tot inzicht en inkeer is gekomen en niet langer misdaden begaat, zal hij zeker in leven blijven en niet hoeven sterven. 29 De Israëlieten zeggen: “De weg van de Heer is onrechtvaardig!” Ben Ik onrechtvaardig, Israëlieten? Zijn het niet juist júllie wegen die onrechtvaardig zijn? 30 Volk van Israël, Ik zal ieder van jullie beoordelen naar de weg die hij gaat! -spreekt God, de HEER. Kom tot inkeer; bega geen misdaden meer, anders brengen die jullie ten val. 31 Breek met het zondige leven dat jullie hebben geleid, en vernieuw je hart en je geest. Want waarom zouden jullie sterven, volk van Israël? 32 De dood van een mens geeft Me geen vreugde-spreekt God, de HEER. Kom tot inkeer en leef! (NBV21)

Het is glashelder wat Ezechiël ons voorhoudt. Doe het goede of val dood. Iedereen die het goede doet zal leven en iedereen die het kwade doet kan doodvallen. En als je het kwade hebt gedaan en je hebt berouw en je wilt voortaan het goede doen? Dan kies je voor het leven en dan zal je leven. En als je altijd het goede hebt gedaan maar dat geef je op en je leeft voortaan alleen voor jezelf? Dan kun je doodvallen, dan ben je voor de gemeenschap, dus ook voor de gemeenschap van God met de mensen, van nul en generlei waarde. Zijn nu de goede mensen altijd goed en de kwade mensen altijd kwaad? Als je Ezechiël leest niet. Die roept iedereen op tot inkeer te komen en te leven. In kerktaal noemen we dat genade. Ook al doe je verkeerd, als je dat inziet en het voortaan anders wil gaan doen dan mag je weer mee doen, dan krijg je genade. Eigenlijk horen we dat in onze samenleving dan ook toe te passen. De doodstraf is daarbij helemaal uit de boze. Iemand aan wie de doodstraf is voltrokken kan immers nooit meer antwoorden op de oproep van Ezechiël tot inkeer te komen en te kiezen voor het leven.

In ons land geldt dat ook een beetje voor een levenslange gevangenisstraf. Die is ook echt levenslang en alleen onder zeer bijzondere omstandigheden kan de Koning gratie verlenen. Gratie is een ander woord voor genade. Er is nu een regel dat de rechter na verloop van tijd, een lange tijd, nog eens te laten kijken naar de rechtvaardigheid van een gevangenisstraf tot de dood er op volgt. Soms kan dat niet anders, maar vaker nog zeggen mensen als ze het individuele geval kennen dat genoeg genoeg is en dat als iemand lang gestraft is geweest en tot inkeer is gekomen de straf onmenselijk wordt. En als God vergeeft wie zijn wij dan om dat onmogelijk te maken. Bij een TBS is het al geregeld. Daar moet een rechter elke twee jaar een oordeel vellen over verlenging van de maatregel. Soms maken TBS gestelden het de rechter moeilijk door te vragen hen te laten zitten. Ze zijn tot het inzicht gekomen dat hun daden absoluut verkeerd waren maar zijn bang terug te vallen in hun oude fouten, de verleidingen niet te kunnen weerstaan en vragen om voortzetting van de bescherming.

Het aller moeilijkst hebben het de mensen die na een afzienbare straf weer vrij komen en weer aan onze samenleving moeten deelnemen. In plaats van hen te waarderen om hun inkeer blijft onze samenleving hen de fouten uit het verleden nadragen. Zelfs half weg huizen, half weg tussen gevangenis en samenleving, als die van de stichting Exodus kunnen nauwelijks een plaats vinden in buurten en wijken. Laat staan dat ex gedetineerden zelf een woning kunnen vinden waar ze een nieuw leven in eerlijkheid kunnen beginnen. Er wordt met veel professionele en vrijwillige hulp de nodige steun en begeleiding geboden. Vanuit de kerken zijn er vaak veel vrijwilligers te vinden die mensen willen helpen op het rechte pad te blijven en een leven te leiden waarmee ze een nuttige bijdrage aan de samenleving kunnen bieden. Maar onze samenleving kent maar weinig genade, weinig kansen op een nieuwe start. Eigenlijk vraagt Ezechiël ons dus vandaag ook eens na te gaan hoe het zit in onze gemeente met de acceptatie van Exodus en de arbeidsplaatsen voor ex-gedetineerden in het bedrijf waar we werken.

Hij buit niemand uit

Ezechiël 18:10-20

10 Maar stel, hij krijgt een gewelddadige zoon, een moordenaar, die alles doet 11 wat zijn vader nooit heeft gedaan. Hij neemt wel deel aan de offermaaltijden op de bergen en maakt de vrouw van een ander onrein; 12 wie misdeeld en arm is buit hij uit, hij steelt en geeft wat hij als onderpand heeft gekregen niet terug; hij vereert de afgoden, misdraagt zich gruwelijk, 13 vraagt rente vooraf en toeslag achteraf-moet zo iemand in leven blijven? Nee, hij zal niet in leven blijven: na zoveel wandaden zal hij zeker sterven, hij heeft zelf de dood over zich afgeroepen. 14 En ook hij krijgt weer een zoon, en deze zoon ziet alle overtredingen die zijn vader begaan heeft. Hij ziet ze allemaal, maar volgt ze niet. 15 Aan de offermaaltijden op de bergen neemt hij niet deel, de afgoden van de Israëlieten vereert hij niet en ook maakt hij de vrouw van een ander niet onrein; 16 hij buit niemand uit, hij vraagt geen onderpand wanneer hij iets uitleent en hij besteelt niemand. Hij deelt zijn voedsel met al wie honger heeft, wie naakt is geeft hij kleren, 17 wie misdeeld is doet hij geen kwaad, hij vraagt vooraf geen rente, noch toeslag achteraf. Hij leeft naar mijn regels en houdt zich aan mijn bepalingen. Zo iemand zal zeker in leven blijven, en niet sterven vanwege de zonden van zijn vader. 18 Maar zijn vader-die een uitbuiter is geweest, die anderen bestolen heeft en zijn eigen familie heeft benadeeld-,zijn vader zal sterven, vanwege zijn eigen zonden. 19 “Maar,” vragen jullie, “waarom hoeft de zoon niet te boeten voor de zonden van zijn vader?” Die zoon heeft gehandeld naar recht en gerechtigheid, hij heeft zich aan al mijn bepalingen gehouden en ze nageleefd, dus zal hij zeker in leven blijven! 20 Iemand die zondigt zal sterven, maar een zoon hoeft niet te boeten voor de zonden van zijn vader, en een vader hoeft niet te boeten voor de zonden van zijn zoon; wie rechtvaardig is wordt als een rechtvaardige behandeld, en een slecht mens wordt voor zijn slechte daden gestraft. (NBV21)

Die Ezechiël zou vandaag de dag onder ons kunnen leven. De vragen van ontspoorde jongeren en de verantwoordelijkheid voor hen. En de zorg en verantwoordelijkheid voor kinderen van criminelen spelen volop in de maatschappelijke discussie. Heeft Ezechiël ons daarbij iets te zeggen? Wis en waarachtig wel! Jongeren die alles doen wat God verboden heeft, een uitdrukking die ook in onze taal gemeengoed is geworden, plaatsen zichzelf buiten de samenleving, ze zijn “dood” in de taal van Ezechiël, op straat zeggen we dan dat ze kunnen doodvallen. Maar als ze als criminelen zelf kinderen hebben, moeten we die dan de misdaden van hun ouders aanrekenen? Nee natuurlijk niet zegt Ezechiël. En doen we dat ook niet? De zorg voor kinderen van gevangenen ontbreekt helemaal. Het komt voor dat tieners met broertjes en zusjes in de basisschoolleeftijd thuis de verantwoording voor opvoeding en huishouding op zich moeten nemen als de hen verzorgende ouders wegens een misdrijf in de cel beland zijn.

Niemand vraagt naar ze en de zorg voor zulke kinderen is bij ons niet geregeld. Het is alsof ze zelf ook kunnen doodvallen en dat was niet de bedoeling. We hebben met elkaar dus een grote verantwoordelijkheid voor kinderen in onze omgeving. We moeten er allereerst zoveel mogelijk aan doen om te voorkomen dat ze ontsporen. Zorgen dat ze niet spijbelen, dat er goed onderwijs gegeven wordt in onze wijken en buurten, dat er buiten schooltijden iets te doen is, dat ouders tijd krijgen en tijd hebben om door te brengen met hun kinderen en dat kinderen van ouders die niet goed voor ze kunnen zorgen opgevangen worden. Omdat we al die zorg aan instellingen voor Jeugdzorg overlaten is het geen wonder dat het mis gaat. Van Marokkanen kunnen we daarbij nog wel wat leren.

Als er in een buurt overlast van Marokkaanse jongens dreigt blijken Marokkaanse buurtvaders daar een uitstekend recept voor te hebben. Ze gaan twee aan twee de wijk in en spreken hun zonen aan op hun wangedrag daar waar dat plaats vindt. Ze doen dat zonder angst. Het is jammer dat dat beperkt blijft tot Marokkaanse buurtvaders. We zouden zulke ouders, want waarom alleen vaders, vaak kunnen gebruiken. En waarom alleen ouders, grootouders, buren en vrienden mag natuurlijk ook. Waarom laten we de veiligheid in de buurten alleen over aan een overbelaste politie. Waarom steken zo weinig mensen de handen uit de mouwen als het gaat om het opbouwen van een samenleving waarin voor iedereen plaats is en niemand bang hoeft te zijn. Ezechiël sprak niet alleen tegen de autoriteiten in zijn samenleving, hij had het tegen iedereen, ook tegen ons vandaag.

 

Hij buit niemand uit

Ezechiël 18:1-9

1 De HEER richtte zich tot mij: 2 ‘Waarom gebruiken jullie in Israël toch het spreekwoord: Als de ouders onrijpe druiven eten, krijgen de kinderen stompe tanden? 3 Zo waar Ik leef-spreekt God, de HEER -,nooit meer mag iemand bij jullie in Israël dit spreekwoord in de mond nemen! 4 Weet dat alle mensenlevens Mij toebehoren: zowel het leven van de ouders als dat van hun kinderen ligt in mijn hand, en alleen wie zondigt zal sterven. 5 Stel, iemand is rechtvaardig, hij handelt naar recht en gerechtigheid. 6 Aan de offermaaltijden op de bergen neemt hij niet deel en hij vereert de afgoden van het volk van Israël niet; hij maakt de vrouw van een ander niet onrein door haar te onteren en met een vrouw die ongesteld is heeft hij geen gemeenschap; 7 hij buit niemand uit, geeft de schuldenaar zijn onderpand terug en besteelt niemand. Hij deelt zijn brood met al wie honger heeft, wie naakt is geeft hij kleren; 8 hij vraagt geen rente wanneer hij geld uitleent of toeslag wanneer hij het terugkrijgt; hij begaat geen onrecht en geeft een eerlijk oordeel bij onderlinge geschillen; 9 hij houdt zich aan mijn bepalingen en leeft werkelijk naar mijn regels. Zo iemand is rechtvaardig en zal zeker in leven blijven-spreekt God, de HEER. (NBV21)

Bij alle discussies over de jeugdzorg hoor je dat bij ons ook wel eens vertellen, als de ouders kwaad doen straft God de kinderen. Maar God straft niet en zeker niet hen die het kwaad niet bedreven hebben zegt Ezechiël. Eigenlijk roept hij mensen op om op te houden met elkaar te beschuldigen. Als je geen kwaad hebt gedaan ben je ook niet verantwoordelijk voor het onheil. Alleen als je kwaad gedaan hebt dan zet je jezelf buiten de gemeenschap, in Bijbelse termen: dan kun je sterven. Maar als je mensen tot hun recht laat komen dan zal je dat niet overkomen en zeker je kinderen niet. Het soort rare spreekwoorden dat een volk kan ontwikkelen moet je maar vergeten zo roept de profeet ook ons toe. Want we weten er wat van. Als er hangjongeren zijn die de kans krijgen van kwaad tot erger te vervallen dan “weigeren de ouders hen op te voeden”. Als alleenstaande moeders niet werken maar voor hun kinderen die naar de basisschool gaan zorgen dan overtreden ze de wet. Of er kinderopvang is of niet, die moeders moeten werken.

Op tienerwerk bezuinigen we, tieners mogen ook de meest gewelddadige films op tv zien, geweldsspelletjes op hun computer spelen en rondhangen op straten waar volwassenen vrolijk alle snelheidsregels met hun auto’s aan hun laars lappen. Als ze dan ook nog elkaar opzoeken en in groepjes bij elkaar schuilen dan wordt iedereen bang en hebben we een probleem. Sinds het eind van de jaren 50 van de vorige eeuw horen we al van die problemen. We hadden de pleiners en de dijkers, de nozems en de hippies en nu hebben we de hangjongeren en de Marokkaantjes. In de jaren 20 van de vorige eeuw hadden ze vergelijkbare problemen in de Verenigde Staten, vooral met emigranten uit Italië. De problemen daar bleken achteraf de voedingsbodem voor de maffia. Begin jaren 60 bij de komst van de eerste gastarbeiders werd daar ook hier voor gewaarschuwd.

Wat een verrassing dat, nu, nadat we jaar in jaar uit alle waarschuwingen hebben genegeerd, er een probleem is. Wie schaft ons goede raad? Wellicht Ezechiël vandaag. Hij roept ons op ons aan de wetten van fatsoen en recht te houden. Weg met geweld en vrouwenhandel. En wat betreft het recht wordt het tijd er alles aan te doen om mensen tot hun recht te laten komen en een echte plaats te geven in onze samenleving. Dat betekent dat niemand, ouders en leerkrachten niet, het meer moet pikken dat er van school gespijbeld wordt. Ook als Uw eigen kinderen niet spijbelen, ook als je klasgenoten spijbelen, pik het niet van anderen.  Het idee dat je niet voor elkaar hoeft te zorgen is het begin van de ellende in veel wijken en steden. Laat mensen tot hun recht komen en geeft ze het goede voorbeeld. Dat gold in de dagen van Ezechiël dat geldt vandaag de dag niet anders.

 

Halleluja!

Psalm 113

1 Halleluja! Loof, dienaren van de HEER, loof de naam van de HEER. 2 De naam van de HEER zij geprezen van nu tot in eeuwigheid. 3 Van waar de zon opkomt tot waar zij ondergaat zij geloofd de naam van de HEER. 4 Verheven boven alle volken is de HEER, verheven boven de hemel zijn luister. 5 Wie is gelijk aan de HEER, onze God, die hoog daarboven zijn woning heeft, 6 die zijn oog richt naar beneden, wie in de hemel en op de aarde? 7 Hij verheft uit het stof wie berooid is, uit het vuil tilt Hij op wie alles ontbeert. 8 Hij laat hem wonen bij hooggeplaatsten, bij de hoogsten van zijn volk. 9 De onvruchtbare vrouw laat Hij wonen in het huis, een vrolijke moeder van kinderen. Halleluja! (NBV21)

Vandaag zingen we een Halleluja psalm mee. Nu betekent Halleluja iets als Loof de Heer. Het onvertaald laten van deze uitroep heeft in Christelijke kringen tot veel misverstanden geleid. Als je nu maar hard en vaak genoeg Halleluja roept, eventueel onderstreept met zwaaiende handen, dan zou je pas getuigenis afleggen van je geloof. De Psalm die we vandaag lezen laat zien dat het een misverstand is. De Evangelist Matteüs vertelt ons dat deze psalm een van de liederen was die gezongen werd bij de intocht van Jezus in Jeruzalem. Niet hoog te paard reed deze Koning zijn hoofdstad binnen , maar tussen de mensen op een ezel. Het is dus bij uitstek een lied voor de gewone mensen. Niet de machtigen op deze aarde, de wereldleiders, de G7 of G20 leiders hebben het op aarde uiteindelijk voor het zeggen maar de God van Israël. In de Hebreeuwse grondtekst staat waar in de vertaling HEER staat de naam van die God. Die spreken we uit eerbied nooit uit maar die betekent iets als “Ik zal er zijn”.

En waar is die God dan wel te vinden. Bij die “machtigen”? Aan de hoven van vorsten of in de paleizen van presidenten? Daar moet je die God in de eerste plaats niet zoeken. Maria en Hanna zongen het in het Nieuwe en Oude Testament: “Machtigen zal hij van de troon stoten”. De Psalm geeft het adres om de God van Israël te zoeken. Die is niet ver weg. Die huist niet in huizen die bewaakt moeten worden met beveiligers of militairen. Die God is bij hen die in het stof liggen, bij hen die berooid zijn, die in het vuil liggen. In arme landen vindt je ze op de vuilnishopen naast de grote steden. Voor ons ondenkbaar maar daar wonen mensen die zich in leven houden door te wroeten in het afval dat uit de steden is opgehaald. Daar is de God van Israël te vinden. Die God steekt op een gammele rubberboot de Middellandse Zee over omdat zijn kinderen gevlucht zijn voor honger, armoede en oorlogsgeweld. Die God zoekt naar zijn kinderen die bedolven zijn onder het puin van aardbevingen en kampeert met de overlevenden in ontoereikende tentjes. Het is daarom dat zijn gelovigen een gezin in een kerk hebben opgenomen.

Die Paleizen en voorname landgoederen worden door die God opengezet om de armen en berooiden een woning te geven. Om moeders weer de vreugde te geven hun kinderen in vrede en veiligheid te zien opgroeien. Onze asielzoekerscentra zijn de voorhoven van onze rijke wijken waar de vluchteling, ook de vluchteling voor honger en armoede, een woning dient te vinden. De Psalm is dus niet een lied om vrolijk de lof van God te zingen maar deze Psalm is een lied van opstand. Wie het goed vindt wat deze God op aarde voor zijn kinderen doet komt in opstand tegen de bestaande samenleving. Zolang er nog honger op de wereld is, zolang er nog bommen vallen op onschuldige burgers, zolang mensen in wanhoop met hun dood het door hun gevoelde onrecht bestrijden, zolang blijven zijn gelovigen de lof van de God zingen die een eind kan maken aan de ellende van de huidige samenleving. En hoe maakt die God daar een einde aan? Door zijn gelovigen mee te geven dat ze hun naaste lief moeten hebben als zichzelf, allen zijn immers uit het stof van de aarde gevormd. Hij roept zijn volgelingen op op te staan tegen het onrecht en de onrecht bedrijvende machtigen te verdrijven. Tijd dus om niet alleen Halleluja te zingen maar om Halleluja ook echt te gaan doen, elke dag opnieuw.