Een stel gewetenloze schurken

Rechters 8:33–9:6

33 Na de dood van Gideon begonnen de Israëlieten opnieuw achter de Baäls aan te lopen. Ze verhieven Baäl-Berit tot god 34 en vergaten de HEER, hun God, die hen had bevrijd van de hen omringende vijanden. 35 Ook bewezen ze de familie van Jerubbaäl niet de verschuldigde dankbaarheid voor al het goede dat hij, Gideon, voor Israël had gedaan. 1 Abimelech, de zoon van Jerubbaäl, ging naar Sichem, waar de familie van zijn moeder woonde, en zei tegen zijn ooms en zijn neven: 2 ‘Leg de burgers van Sichem de vraag voor wie ze liever als heerser hebben: de zeventig zonen van Jerubbaäl gezamenlijk of één man, die bovendien hun bloedverwant is.’ 3 Toen zijn ooms zijn vraag voorlegden aan de burgers van Sichem, spraken die hun voorkeur uit voor Abimelech, met als argument dat hij familie van hen was. 4 Ze gaven hem zeventig sjekel uit de tempel van Baäl-Berit. Met dat geld huurde Abimelech een stel gewetenloze schurken. 5 Daarmee ging hij naar Ofra, naar het huis van zijn vader, waar hij zijn broers, de zeventig zonen van Jerubbaäl, stuk voor stuk ter dood bracht op een en dezelfde steen. Alleen Jotam, de jongste, wist te ontkomen, want hij had zich verstopt. 6 Daarop kwamen de burgers van Sichem en Bet-Millo bij de eik bij het gedenkteken in Sichem bijeen en riepen Abimelech tot koning uit. (NBV21)

Sterke leiders hebben we nodig. We horen dat vandaag de dag ook nog wel. Wie heeft in het debat over de algemene beschouwingen de meeste leiderschap getoond, Klaver of Jetten ? Alsof het belangrijk is, of de inhoud niet belangrijker is. Uit wetenschappelijk onderzoek is gebleken dat inhoud inderdaad meestal niet belangrijk is. Aan de Universiteit van Nijmegen hebben ze, al weer lang geleden, een aantal mensen naar hun voorkeur gevraagd, vonden ze Wiegel of van Thijn beter. Vervolgens kregen de mensen een opname van beide politici te zien en werd er gevraagd wie er een beter verhaal had, Wiegel of van Thijn.

Het bleek dat de mensen die Wiegel beter hadden gevonden ook zijn verhaal beter vonden en mensen die van Thijn beter hadden gevonden vonden ook van Thijn beter. Wat de mensen niet echt door hadden was dat beide politici letterlijk hetzelfde verhaal hadden gehouden. “Een beter verhaal” was er dus helemaal niet. Door al die koningen door de eeuwen heen, en directeuren en minister-presidenten aangevuld met kapiteins en generaals zijn we er in gaan geloven dat je per se één mens als baas moet hebben. Eén baas die steunt op een meerderheid. In de VS lijkt het er soms op dat je net als Abimelech eerst de tegenstanders buiten spel zet om dan als sterke leider de meerderheid te veroveren. De Bijbel noemt dat een schurkenstreek. De Bijbel leert dat het zonder leiding ook zou kunnen, alleen wij willen dat niet.

De mensen van Sichem trappen er ook weer in. Wie wil er nu 70 bazen, één is beter, en het liefst één van het eigen volk. Abilmelech, zijn naam betekent immers al zoon van de koning. Joram, de jongste zoon van Gideon weet als enige te ontsnappen. Maar daar zullen we meer van horen. Ook al had Israël in de tijd van het boek Rechters geen democratie maar eerder een anarchie waar ieder deed wat goed was in eigen ogen toch was er van tijd tot tij een rechter, een leider, nodig die orde op zaken stelde en zorgde dat er niet willekeurig geplunderd kan worden. Net als een democratie een zwak stelsel. Maar net als democratie een stelsel dat een sterke betrokkenheid van iedereen vraagt. Ga dus aan politiek doen, anders komt er iemand als Abimelech aan de macht.

 

Als een schild

Psalm 5

1 Voor de koorleider. Bij fluitspel. Een psalm van David. 2 Hoor mijn woorden, HEER, sla acht op mijn klagen. 3 Luister naar mijn hulpgeroep, mijn koning en mijn God, tot U richt ik mijn bede. 4 In de morgen, HEER, hoort U mijn stem, in de morgen wend ik mij tot U en wacht. 5 U bent een God die zich niet verheugt in het kwaad, bij U is de misdaad niet welkom. 6 Gewetenlozen houden geen stand onder de blik van uw ogen. U haat allen die onrecht doen, 7 leugenaars richt U te gronde. U verafschuwt, HEER, wie bedriegt en bloed vergiet. 8 Maar ik mag door uw grote liefde uw huis binnengaan, van ontzag vervuld mij buigen naar uw heilige tempel. 9 Leid mij langs mijn belagers, HEER, door uw gerechtigheid, maak effen de weg die U mij wijst. 10 Onwaarheid komt uit hun mond, onheil huist in hun hart, een open graf is hun keel, gespleten is hun tong. 11 Laat hen boeten, God, laat hen in hun eigen valkuil lopen. Verstoot hen om hun grote wandaden, want ze zijn opstandig tegen U. 12 Er is vreugde bij allen die schuilen bij U, eeuwige jubel omdat U hen beschermt, wie uw naam beminnen juichen U toe! 13 U zegent de rechtvaardigen, HEER, als een schild beschut hen uw genade. (NBV21)

Vandaag zingen we een klaaglied met de kerk mee. Een lied dat zich laat begeleiden op de hobo, de klank daarvan komt nog het dichtst bij dat van de schalmei. De  psalm komt uit de bundel David, een verzameling liederen die ook door Koning David gedicht zouden kunnen zijn. Uiteindelijk had David zijn hele leven te maken met vijanden, tot in zijn eigen gezin toe. Hij maakte in zijn leven ook wel de nodige fouten maar weigerde ook vaak om misbruik te maken van omstandigheden die hem macht gaven over zijn vijanden. Daar waar de mogelijkheid tot vrede zich voordeed maakte hij daar maximaal gebruik van. Dat het achteraf niet hielp en zijn vijanden toch vijanden bleven deed daaraan niet af.

Al het goede bestaat uit drieën luidt het spreekwoord. Maar uit deze psalm blijkt dat ook het kwaad uit drieën kan bestaan. Drie maal vertelt de psalmist wat God niet kan hebben. Het kwaad maakt God niet blij, misdaad is niet welkom, God haat zelfs allen die onrecht doen. Geen wonder dan ook dat gewetenlozen niks moeten hebben van de God van Israël. Dus moeten ze ook niks hebben van mensen die steeds met die God komen aanzetten. Leugenaars laten zich niet zo maar ontmaskeren. Bloedvergieten wordt heel vaak goedgepraat als zogenaamde bescherming van de samenleving. Het blijft jammer dat mensen vaak toch zo gevoelig zijn voor het zoete spreken van de haatzaaiers.

De dichter weet echter ook hoe goed het is bij de God van Israël te zijn. In zijn vrije bewerking van deze Psalm besluit Huub Oosterhuis met de eerste regel van het zesde vers van ons volkslied: “Mijn schild ende betrouwen zijt Gij God”. De psalmist buigt dan ook voor de Tempel. “Daar woont hij zelf” zal de dominee zeggen maar in die Tempel staat geen beeld van die God. Het is een God die met je meetrekt dus als woning waar hij niet meer uit komt kun je de Tempel niet beschrijven. In die Tempel wordt wel het Woord van God bewaard. De richtlijnen voor de menselijke samenleving die het volk in de woestijn had ontvangen. Een richtlijn die je kan volgen als een licht op je pad. De weg die dat licht je brengt maakt dat je kan juichen. Dat licht mogen ook wij elke dag over onze weg laten schijnen.

 

Reine handen

Psalm 24

1 Van David, een psalm. Van de HEER is de aarde en alles wat daar leeft, de wereld en wie haar bewonen, 2 Hij heeft haar op de zeeën gegrondvest, op de stromen heeft Hij haar verankerd. 3Wie mag de berg van de HEER bestijgen, wie mag staan op zijn heilige plaats? 4 Wie reine handen heeft en een zuiver hart, zich niet inlaat met leugens en niet bedrieglijk zweert. 5 Zegen zal hij ontvangen van de HEER en recht verkrijgen van God, zijn redder. 6 Dat valt hun ten deel die U zoeken, die zich tot U wenden-het volk van Jakob. sela 7 Hef, o poorten, uw hoofden omhoog, verhef u, aloude ingangen: de koning vol majesteit wil binnengaan. 8 Wie is die koning vol majesteit? De HEER, machtig en heldhaftig, de HEER, heldhaftig in de strijd. 9 Hef, o poorten, uw hoofden omhoog, verhef ze, aloude ingangen: de koning vol majesteit wil binnengaan. 10 Wie is Hij, die koning vol majesteit? De HEER van de hemelse machten, Hij is de koning vol majesteit. sela (NBV21)

Begin november gedenkt de Kerk al heel lang dat er mensen zijn geweest waarvan je mag aannemen dat hun leven en hun gedrag iets vertelt over de bedoeling van Jezus van Nazareth met het Koninkrijk van God. Deze psalm hoort daarom eigenlijk bij die feestdag. De dag heet “Allerheiligen” maar de Roomse neiging tot afgoderij en mensverheerlijking heeft het begrip “Heiligen” in een verkeerd daglicht gesteld. Nog steeds hoor je in Roomse Kringen dat de zogenaamde Heiligen het gebed van de gelovigen tot God zouden kunnen versterken, dat zij voorspraak kunnen zijn voor de eenvoudige gelovigen. Zo is het niet, ze staan niet boven ons, niets staat er tussen ons en onze God. Maar er zijn altijd mensen in de geschiedenis die zich uitzonderlijk hebben gedragen. Moeder Theresa die in Calcutta de stervenden opnam in haar huis en hen verzorgde in hun laatste uren.

Martin Luther King die opstond tegen onrechtvaardige en gewelddadige discriminatie van zwarten en ondanks het geweld dat tegen hen werd gebruikt zijn volgelingen geweldloos verzet leerde bieden tot hij zelf door geweld om het leven kwam. Maar ook Nelson Mandela die ondanks een half leven in gevangenschap op Robbeneiland na zijn vrijlating vrede en verzoening bracht in een tot op het bot verscheurd en verdeeld Zuid Afrika. Jimmy Carter die zijn aanzien als ex president van de Verenigde Staten gebruikt om overal op de wereld democratische processen te begeleiden en hielp er voor te zorgen dat regeringen op vreedzame en democratische wijze aan de macht komen. Carter vroeg daarmee ook voortdurend aandacht voor de onrechtvaardige verdeling tussen arm en rijk. Het zijn de namen uit onze dagen van hen die we kennen en van hen aan wie we een voorbeeld kunnen nemen of die ons kunnen inspireren.

Majoor Bosschart was zo iemand die riep dat God dienen mensen dienen is en dat mensen dienen God dienen is. Zo zijn er nog ontelbaar veel meer van deze heiligen van wie wij de naam niet kennen. Wie reine handen heeft en een zuiver hart, zich niet inlaat met leugens en geen valse eed aflegt hoort er bij. En dan weten we wie bedoeld wordt. Eigenlijk wij dus allemaal. Want zijn we niet allemaal bezig te proberen het goede te doen en niet dan het goede. Zoeken we niet de naaste lief te hebben als onszelf en hongeren en dorsten we niet naar gerechtigheid, bij dag en bij nacht? Roepen we niet tegen het onrecht en tegen de onrechtmatige tolmuren die ons gevangen houden? Vertrouwen we er niet op dat uiteindelijk het recht zal zegevieren, dat Liefde op de aarde zal overwinnen, dat het Koninkrijk van God de aarde zal regeren? Daarom kunnen we zingen met de Psalm dat de stad van het recht de poorten mag openen om de Koning van de aarde binnen te laten. Alle Heiligen mogen daar binnen, en wij zullen volgen.

Wee jullie!

Matteüs 23:27-39

27 Wee jullie, schriftgeleerden en farizeeën, huichelaars, jullie lijken op witgepleisterde graven, die er vanbuiten wel fraai uitzien, maar vol liggen met doodsbeenderen en andere onreinheden. 28 Zo lijken ook jullie voor de mensen vanbuiten rechtvaardig, maar vanbinnen is het een en al huichelarij en wetsverachting. 29 Wee jullie, schriftgeleerden en farizeeën, huichelaars, jullie bouwen grafmonumenten voor de profeten en versieren de graven van de rechtvaardigen, 30 en jullie zeggen: “Als wij geleefd hadden in de tijd van onze voorouders, zouden wij ons niet zoals zij schuldig hebben gemaakt aan de moord op de profeten.” 31 Daarmee erkennen jullie zelf dat jullie kinderen zijn van hen die de profeten vermoord hebben. 32 Maak de maat van jullie voorouders dan maar vol! 33 Slangen zijn jullie, addergebroed, hoe denken jullie te kunnen ontkomen aan een veroordeling tot de Gehenna? 34 Daarom, luister! Ik stuur profeten en wijzen en schriftgeleerden naar jullie toe. Jullie zullen sommigen van hen doden, kruisigen zelfs, en anderen in jullie synagogen geselen en van stad tot stad vervolgen. 35 Zo zal al het onschuldige bloed dat op aarde is vergoten jullie worden aangerekend, vanaf het bloed van Abel, de rechtvaardige, tot het bloed van Zecharja, de zoon van Berechja, die jullie vermoord hebben tussen de tempel en het altaar. 36 Ik verzeker jullie: op deze generatie zal dit alles neerkomen. 37 Jeruzalem, Jeruzalem, jij die de profeten doodt en stenigt wie naar je toe zijn gestuurd! Hoe vaak heb Ik je kinderen niet bijeen willen brengen zoals een hen haar kuikens verzamelt onder haar vleugels, maar jullie hebben het niet gewild. 38 Jullie tempel wordt geheel aan zijn lot overgelaten. 39 Ik verzeker jullie: vanaf nu zullen jullie Mij niet meer zien, totdat je zult zeggen: “Gezegend Hij die komt in de naam van de Heer!”’ (NBV21)

Heidenen die zichzelf beter vonden dan de Joden hebben in het verhaal dat we vandaag lezen vaak aanleiding gevonden zogenaamd te bewijzen dat alle Joden niet zouden deugen. De religieuze elite van Israël werd fors aangepakt door Jezus. Maar dat de Joden van nature niet zouden deugen staat er niet en kan er ook niet bedoeld worden. Jezus van Nazareth was zelfs immers een Jood, een gelovige Jood en vervult van het Joodse ideaal van een voorbeeld volk dat alle volken zou brengen tot het eer bewijzen aan God door te zorgen voor de armen en voor de minsten. Maar in de loop van de geschiedenis zijn mensen altijd weer met elkaar de strijd aangegaan op leven en dood. Dat begon al bij Kaïn en Abel en dat gaat voor ons door tot op de huidige dag. Jezus van Nazareth laat die geschiedenis door gaan tot het verhaal van Zacharia, Zecharja vertaalt de Nieuwe Bijbelvertaling. Dat verhaal kun je teruglezen in 2 Kronieken, daar wordt hij overigens de zoon van Jojada genoemd en hij werd vermoord in de voorhof.

Vanaf die tijd was ook de voorhof van de Tempel niet meer de vrijplaats waar vervolgden een plek konden vinden om zich beschermd te weten tegen woedende moordenaars die al of niet wraak wilden nemen voor iets. Juist die bescherming van de armen, juist de bescherming tegen geweld zou Jeruzalem en de Tempel een zo unieke plaats in de samenleving hebben moeten geven dat ook bezetters er respect voor zouden hebben. Kerken hebben soms nog steeds die functie van vluchtplaats. In België vluchten mensen die geen papieren hebben en bedreigd worden met opsluiting en deportatie te worden vaak kerken in. Vrijwilligers en advocaten krijgen daardoor de kans en de tijd op een eerlijke wijze hun zaak te onderzoeken en het recht te verkrijgen dat mensen verdienen. InKampen wordt door de Open Hof kerk al bijna twee jaar asiel verleend aan een gezin waarvan de kinderen al ruim vijf jaar in Nederland verbleven, hier ook geboren waren, en daardoor zouden moeten blijven om geen schade op te lopen. Veel hier gewortelde kinderen bleken onterecht bedreigd te worden met uitzetting en hopen mede dankzij dat kerkasiel alsnog een verblijfsvergunning te krijgen..

Daarna hebben kerken ook opvangcentra opgezet voor asielzoekers die door een bureaucratische overheid in de knel dreigden te raken. Daar is uiteindelijk het generaal pardon aan te danken voor mensen die tussen twee wetten in de knel raakten. Kerkelijke leiders in Nederland en België hebben zich steeds verzet tegen de gedachte dat de Kerk, dat kerkgebouwen een vrijplaats zouden kunnen zijn waar mensen de tijd konden krijgen om met de overheid te onderhandelen over hun recht. In de Nederlandse wet staat de mogelijkheid wel, tijdens een godsdienstoefening mag een kerkgebouw niet binnengevallen worden en wanneer oefenen we meer in onze godsdienst dan wanneer een gemeente de armen onder haar vleugels neemt? Nu vragen kinderen de aandacht, hier geboren, hier naar school geweest en bedreigd met uitzetting naar een land dat ze niet kennen en waarvan ze de taal niet spreken. Net als in de dagen van Jezus van Nazareth nemen ook nu Kerkelijke Leiders een goede verhouding met de wereldlijke overheid vaak meer serieus dan de zorg voor de armen. Maar waarom zou ons dat tegen moeten houden?

Recht, barmhartigheid en trouw

Matteüs 23:13-26

13 Wee jullie, schriftgeleerden en farizeeën, huichelaars, jullie versperren de mensen de toegang tot het koninkrijk van de hemel. Zelf gaan jullie er niet binnen, maar jullie houden ook degenen die er willen binnengaan tegen. 14 15 Wee jullie, schriftgeleerden en farizeeën, huichelaars, jullie bereizen zee en land om één enkele proseliet te winnen, en wanneer je hem eenmaal voor je gewonnen hebt, wordt hij dankzij jullie iemand die voor de Gehenna bestemd is, meer nog dan jullie zelf. 16 Wee jullie, blinde leiders, jullie zeggen: “Wanneer iemand zweert bij de tempel, is dat niet geldig. Alleen wie zweert bij het goud van de tempel, is aan die eed gebonden.” 17 Dwaas zijn jullie en blind.
Wat is nu van meer waarde: het goud of de tempel die het goud geheiligd heeft? 18 Zo zeggen jullie ook: “Wanneer iemand zweert bij het altaar, is dat niet geldig. Alleen wie zweert bij de offergave die daarop ligt, is aan die eed gebonden.” 19 Blind zijn jullie. Wat is nu van meer waarde: de offergave of het altaar dat de offergave heiligt? 20 Wie dus zweert bij het altaar, zweert daarbij en bij alles wat daarop ligt. 21 En wie zweert bij de tempel, zweert daarbij en bij degene die hem bewoont. 22 En wie zweert bij de hemel, zweert bij de troon van God en bij Hem die daarop gezeten is. 23 Wee jullie, schriftgeleerden en farizeeën, huichelaars, jullie geven tienden van munt, dille en komijn, maar veronachtzamen wat in de wet zwaarder weegt: recht, barmhartigheid en trouw, terwijl men het een zou moeten doen zonder het andere te laten. 24 Blinde leiders zijn jullie, die uit hun drank de muggen ziften, maar een kameel wegslikken. 25 Wee jullie, schriftgeleerden en farizeeën, huichelaars, jullie reinigen de buitenkant van bekers en schalen, maar de binnenkant blijft vol roofzucht en onmatigheid. 26 Blinde farizeeër, reinig eerst de binnenkant van de beker, dan wordt de buitenkant vanzelf ook schoon. (NBV21)

Soms is het verfrissend zo’n scheldkanonnade te lezen tegen de leiders van het volk. Huichelaars, blinde leiders, dwazen, slangen, addergebroed, het kan niet op. Alles  wat de religieuze leiders hebben te melden komt neer op het uiterlijk vertoon en het belangrijkste wordt vergeten. In de Tweede Kamer barst er van tijd tot tijd een discussie los over fatsoenlijk taalgebruik. Ook in de campagne voor de verkiezingen van de gemeenteraden was die discussie te horen. Vroeger zei men nog dat iemand zich parlementair uitdrukte als kritiek in keurige taal was verwoord. Tegenwoordig lijkt de Tweede Kamer zich soms meer van Jezus van Nazareth aan te trekken. Ook daar worden ministers blinde leiders genoemd. Maar is dat terecht? Moet je zo spreken om de waarheid te zeggen? Gelukkig toch maar dat je dit soort schelders op Twitter kan blokkeren.

Het gaat hier in het verhaal van Matteüs om religieuze leiders die extra regels hebben gemaakt die je zou moeten volgen om God gehoorzaam te kunnen zijn. Leiders die sommige regels zo ingewikkeld hebben gemaakt dat niemand ze meer kan navolgen. En dan wordt het heil van God alleen nog bereikbaar voor een zeer klein exclusief clubje. Voor Jezus van Nazareth is dat soort gedrag een vloek. Wie mensen buitensluit van de samenleving en van God deugt niet, nooit niet. Daarom klinkt het hard en meedogenloos, slangen, addergebroed. Wat klinkt als bedoeld om mensen tot God te brengen brengt hen van God af. In de regels die veroordeeld worden  klinken dan ook geen mensen mee. Het gaat in die regels om de onderstreping van de rijkdom en de macht van de priesterkaste. Het goud van de Tempel, de offergave op het altaar. Maar wie zweert bij God zelf doet het kennelijk verkeerd. Het is de mentaliteit waarbij bezit en aanzien belangrijker zijn dan de liefde voor de mensen.

Het is de marktwerking waarin op alle terreinen van het leven de winst en het profijt moet worden getoond. Dat er mensen sterven door gebrek aan steriele operatiekamers en personeel doet in de zorg dan niet ter zake. Dat in de geestelijke gezondheidszorg mensen soms jaren in isoleercellen worden opgesloten omdat er te kort aan zorg is telt niet mee. Als de boekhouding maar klopt, als we maar minder hoeven te betalen voor de noodzakelijke zorgverzekeringen. Hoe vaak is ons voorgehouden dat de bonusregelingen bij banken en bedrijven een noodzakelijk onderdeel waren bij beloningssystemen. Tot de bankwereld ten onder ging aan onverantwoorde producten die slechts kort de winst leken te doen stijgen. Tot de bonussen zelf een molensteen werden die banken en instellingen de afgrond introkken. Het ziet er aan de buitenkant keurig uit, dure pakken met krijtstreepjes voor de bankiers en mantelpakjes of deftige broekpakken voor de dames. Ze zijn de uniformen geworden van roofzucht en onmatigheid. Bij de huidige regering is de vraag of de armen automatisch beveiligd tegen de hebzucht van de rijken? Of moeten we blijven schelden, ook al is het onfatsoenlijk? Volgens Jezus is het onfatsoenlijk als de rijken rijk blijven terwijl de armen steeds armer worden. De keus van het Kabinet zou fatsoenlijk moeten zijn, de rijken dragen extra de lasten mee.

Handel niet naar hun daden

Matteüs 23:1-12

1 Daarna richtte Jezus zich tot de menigte en tot zijn leerlingen 2 en zei:‘De schriftgeleerden en de farizeeën hebben plaatsgenomen op de stoel van Mozes. 3 Houd je dus aan alles wat ze jullie zeggen en handel daarnaar; maar handel niet naar hun daden, want ze doen zelf niet wat ze jullie voorhouden. 4 Ze bundelen alle voorschriften tot een zware last en leggen die de mensen op de schouders, terwijl ze zelf geen vinger uitsteken om die te verlichten. 5 Al hun daden zijn erop gericht om door de mensen gezien te worden. Ze verbreden immers hun gebedsriemen en maken de kwastjes aan hun kleren langer, 6 ze verlangen een ereplaats bij feestmaaltijden en in synagogen, 7 en hechten eraan op het marktplein eerbiedig begroet te worden en door de mensen rabbi genoemd te worden. 8 Jullie moeten je niet rabbi laten noemen, want jullie hebben maar één meester, en jullie zijn elkaars broeders en zusters. 9 En noem niemand op aarde vader, want jullie hebben maar één vader, de Vader in de hemel. 10 Laat je ook geen leraar noemen, want jullie hebben maar één leraar, de messias. 11 De belangrijkste onder jullie zal jullie dienaar zijn. 12 Wie zichzelf verhoogt zal worden vernederd, en wie zichzelf vernedert zal worden verhoogd. (NBV21)

Het is al weer een aantal jaren geleden dat vakbondsvrouw en politica Karin Adelmund werd gecremeerd. Zij kwam in 2005 plotseling te overlijden. Een hartaanval. Dat overkomt ons. Mensen zoals Karin Adelmund werken te hard en leven te ongezond. Ze was kamerlid voor de Partij van de Arbeid. Ze was staatssecretaris geweest en daarvoor ook vicevoorzitster van de FNV. Voor echt bewogen en betrokken mensen een uitermate ongezond leven. Want na een vergadering kunnen de brieven nog even getekend worden, en voordat vergaderingen beginnen kunnen de stukken nog even doorgenomen worden. En tijdens het eten kan er overlegd worden met de medewerkenden. En als je dan ’s avonds laat thuiskomt is er nog aandacht voor de andere gezinsleden. Van zo’n leven slijt je hart. Ontspannen, bewegen, lol, het schiet er allemaal te vaak en te veel bij in.

Karin Adelmund was een bewogen vrouw. Bewogen met de armsten in de samenleving, met mensen die door ziekte en handicap niet meer aan het arbeidsproces kunnen deelnemen. Voor die mensen stond ze op de bres. Bij het afscheid dat van haar genomen werd in de Amsterdamse Kerk de Duif sprak ook de toenmalige Minister President Balkenende. “Ze stond voor een goede zaak” was het thema van zijn toespraak. En bij het lezen van het bovenstaande Bijbelgedeelte kun je aan die toespraak denken. Dat wat Jezus van Nazareth over de Farizeeën en Schriftgeleerden zegt leek wel op maat gesneden voor Jan Peter de minister-president. Jan Peter had natuurlijk gelijk. Karin Adelmund stond zeker voor een goede zaak. De zorg voor zieken, gehandicapten, armen en zwakken. Een zorg die zo zorgvuldig door het eerste kabinet van Jan Peter werd afgebroken en wat voortgezet wordt door het huidige kabinet Jetten. Op de hoeken van de straten staan ze te pronken met hun goedheid de leiders als Jetten en Zegerius.

In de wereld van de economie stonden de voorspellers op. De ene econoom na de andere had de financiële crisis aan zien komen. Alleen de domme spaarders wisten het niet. Die hadden niet moeten vertrouwen op de toezichthouders die namens hen in de boeken hadden mogen kijken. Want je kunt toch nagaan dat als die toezichthouders iets verkeerd zien ze het niet kunnen vertellen, ze zouden maar schade aan kunnen richten. Dat je als minister president of als toezichthouder op banken dienaar bent van de armsten in de samenleving komt niet bij hen op. Het was iemand als Karin Adelmund die zich niet bekommerde om haar imago, maar zich openlijk bekommerde om de armsten. In deze dagen waar de leiders en toezichthouders in de financiële wereld de verantwoordelijkheid op gewone mensen afschuiven mogen we wel weer eens haar denken. En aan Jezus van Nazareth die het ons al had voorgeleefd. In zijn geest mogen wij er aan werken.

 

Zuiver en heilig

1 Tessalonicenzen 3:1-13

1-2 Omdat we het niet langer uithielden, besloten we Timoteüs naar u toe te sturen, onze broeder en Gods medewerker in de verkondiging van het evangelie van Christus. Zelf bleven we in Athene achter. Timoteüs moest u sterken en aanmoedigen in uw geloof, 3 zodat u zich niet uit het veld zou laten slaan door de tegenspoed die u ondervindt. U weet tenslotte zelf dat wij die moeten ondergaan. 4 Toen we bij u waren, hebben we u al gezegd dat ons tegenspoed te wachten stond; die is dan ook gekomen, zoals u ondervonden hebt. 5 Ik heb Timoteüs dus gestuurd omdat ik het niet langer kon uithouden. Ik wilde weten of uw geloof standhield, want ik was bang dat de verleider u had verleid en onze inspanningen voor niets waren geweest. 6 Maar nu is Timoteüs teruggekomen met het goede bericht over uw geloof en liefde. Hij heeft ons bovendien verteld met hoeveel respect u altijd over ons spreekt en hoe u er even vurig naar verlangt ons te zien als wij u. 7 Daardoor, broeders en zusters, zijn we over u gerustgesteld. In al onze nood en ellende voelen we ons gesterkt door uw geloof, 8 want nu opnieuw blijkt dat u standvastig bent in de Heer, leven we weer op. 9 Kunnen we God ooit genoeg voor u danken, voor alle vreugde die u ons schenkt ten overstaan van onze God? 10 Wij bidden dag en nacht met volle overgave dat we u weer zullen zien en kunnen aanvullen wat er nog aan uw geloof ontbreekt. 11 Mogen God, onze Vader, en onze Heer Jezus ons pad naar u leiden. 12 Moge de Heer uw liefde voor elkaar en ieder ander groter maken, zodat uw liefde even overvloedig wordt als onze liefde voor u. 13 Moge de Heer u door die liefde kracht geven, zodat u zuiver en heilig voor onze God en Vader zult staan wanneer onze Heer Jezus komt met al zijn heiligen. Amen. (NBV21)

Die jonge gemeenten hadden het niet gemakkelijk. Steeds kwamen er mensen langs die de baas wilden zijn en deden of zij de wijsheid in pacht hadden. Omdat de schrijvers van de brief zelf inmiddels elders aan het werk waren konden ze zelf niet naar Salonici terug gaan. Ze besloten Timoteüs te sturen om de gemeente een hart onder de riem te steken. En Timoteüs was teruggekomen met goede berichten. Het gaat goed met dat kleine groepje mensen van de weg, zo heette de beweging, in Tessalonica, Noord Griekenland, dat deel van Griekenland dat tot op de dag van vandaag Macedonië wordt genoemd. In dit oudste geschrift uit het Nieuwe Testament worden die goede berichten ook opgesomd. Ze willen elkaar graag weerzien, Paulus en zijn gezelschap en de groep gelovigen waar de brief aan gericht is. Maar waarom dan, wat is er zo bijzonder? Aan het eind blijkt het pas, de liefde voor elkaar en voor ieder ander groeit daar, die groeit zo groot dat die dezelfde afmetingen aanneemt als de liefde tussen zielsverwanten. De liefde voor elkaar is nog voor te stellen en dat die mensen van Paulus houden, omdat die ze tot de groep gemaakt heeft die ze zijn, is ook nog voorstelbaar maar hoe zit het met die “Liefde voor ieder ander”.

Er wordt zo gemakkelijk overheen gelezen maar in een stad als Tessalonica met vele tempels en vele religies is die Christelijke gemeente wel een heel erg vreemde club. Daar is geen godenbeeld. Ze hebben geen tempel en zijn ook niet van plan er één te bouwen, ze hebben geen Priesters die het exclusieve recht hebben tussen de gelovigen en de godheid te bemiddelen. De aanbidding van hun God gaat zelfs niet om henzelf. Ze zoeken geen eer en geen roem, ze maken geen reclame, ze pretenderen niet dat ze alles kunnen oplossen, ze helpen alleen maar. Ze tonen belangstelling voor zieken, voor slaven, voor armen, voor hongerigen, voor mensen die geen kleding hebben en zich niet kunnen tonen, voor vreemdelingen die geen thuis hebben, ze troosten de stervenden en de bedroefden. Onder mensen in nood en onder de armen van de stad groeit hun reputatie. Ze zijn eerlijk en nergens op uit. Het is als een godsdienst zonder God. Ze hebben niet alleen geen beeld om te aanbidden, ze mogen zelfs geen beeld van hun God maken, niet in steen, of hout, of edelmetaal of edelsteen, maar zelfs ook niet woord.

Alleen hun daden drukken uit wat hun geloof is, dat is die liefde voor ieder ander. Ze hebben zelfs hun vijanden lief. In de loop van de geschiedenis zijn wij veel van de positie van de gemeente in Tessalonica kwijt geraakt. Wij hebben onze kerkgebouwen, onze priesters en dominees, onze gerespecteerde plaats in de samenleving. Maar zijn we het zicht op de hongerigen en de dorstigen, de naakten en de ontheemden, de gevangenen en de zieken niet een beetje kwijtgeraakt? De vreemdelingen onder ons kunnen onweersproken en ongestraft apart worden gezet. Zelfs een bijbeltiendaagse over het thema vreemdelingen maakte niet de tongen los en zette niemand in beweging. Alleen de vluchtelingen die bijna lopend naar hier zijn gekomen en de reis over de Middellandse zee hebben overleefd werden massaal geholpen, maar mogen inmiddels op onze kosten wegrotten in helse kampen in Griekenland. Zou Paulus vandaag toch aan ons kunnen schrijven dat wat we vandaag lezen over de mensen in Salonici? Het respect voor kerken in de samenleving is zo ver gezonken dat een kerkasiel voor hier gewortelde kinderen inmiddels al twee jaar moet duren.

Onze hoop en vreugde

1 Tessalonicenzen 2:13-20

13 Wij danken God dan ook onophoudelijk dat u zijn woord, dat u van ons ontvangen hebt, niet hebt aangenomen als een boodschap van mensen, maar als wat het werkelijk is: het woord van God, dat werkzaam is in u, die gelooft. 14 Het is u, broeders en zusters, immers net zo vergaan als Gods gemeenten in Judea die Christus Jezus toebehoren. U hebt even zwaar onder uw stadsgenoten geleden als zij onder de Joden. 15 Die hebben de Heer Jezus en de profeten gedood en ons tot het uiterste vervolgd. Ze zijn God niet welgevallig en keren zich tegen alle mensen, 16 omdat ze ons beletten andere volken bekend te maken hoe ze kunnen worden gered. De maat van hun zonden raakt nu vol, en Gods veroordeling is ten volle over hen gekomen. 17 Broeders en zusters, nu wij voor korte tijd van u gescheiden zijn bent u wel uit het oog, maar niet uit het hart, en omdat we zo naar u verlangden hebben we ons alle moeite gegeven u te zien. 18 We stonden dan ook meer dan eens op het punt naar u toe te komen-ik, Paulus, niet in de laatste plaats-,maar Satan heeft het ons belet. 19 Want wie is onze hoop en vreugde? Wie is onze erekrans wanneer we voor Jezus, onze Heer, staan bij zijn komst? Wie anders dan u? 20 Ja, u bent onze eer en vreugde. (NBV21)

We lezen vandaag een stuk uit de Bijbel dat ons in de eerste plaats leert hoe gevaarlijk het is om teksten uit de Bijbel uit hun verband te halen en uit te leggen zonder de rest van de Bijbel er bij te betrekken. Als je dat namelijk niet doet dan lijkt het of Paulus hier alle Joden beschuldigd van Godsmoord omdat zij er toe hadden aangezet dat de Romeinen Jezus van Nazareth aan het kruis moesten nagelen. We laten zo buiten beschouwing was Paulus verder over Joden gezegd heeft en dat hij zelf Jood was, Dat zijn medeschrijvers ook Joden waren en dat, misschien nog het belangrijkste, een groot deel van de Christelijke gemeente Joods was. Dat we zo zijn gaan denken komt misschien omdat religieuze bewegingen in het algemeen al snel bij de borstkloppers gaan behoren, zij hebben de waarheid in pacht gekregen en de anderen moeten zich daarbij aanpassen. In Christelijke kerken wordt het nog al eens voorgesteld of de Christelijke kerk, die veel later uiteen zou vallen in kerkgenootschappen, zich van haar Joodse wortels afscheidde op het Pinksterfeest dat in het boek Handelingen werd beschreven.

Niets is minder waar. Het heeft waarschijnlijk eeuwen geduurd voor er een Rabbijns Jodendom en een Christendom als helder te onderscheiden religieuze stromingen waren ontstaan. Binnen het Jodendom zoals dat in de dagen van Paulus nog bestond woedde een felle discussie. Wie of wat was nu het ware Jodendom? Waren dat de vele messiassen die een gewelddadige opstand tegen de Romeinen preekten? In de Bijbel kennen we dan Bar Abbas als strijder tegen Romeinen en die werd verkozen boven de naar vrede strevende Jezus van Nazareth. Maar er waren ook Essenen die zelfs de woestijn introkken om maar niet besmet te worden met invloeden uit het Heidendom. Daarnaast en daartussen waren er Christenen die bijeen kwamen om uit de Griekse vertaling van de Hebreeuwse Bijbel te lezen, verhalen te vertellen over Jezus van Nazareth en waar ook Heidenen welkom waren om mee te doen.

Centraal stond bij deze jonge gemeenten een innerlijk Christendom, al je handelingen in de samenleving moesten in overeenstemming gebracht kunnen worden met de opdracht van God je naaste lief te hebben als jezelf. Op een andere plaats schrijft Paulus dat hij wil dat Gods opdracht in je hart gebeiteld zou worden. Hij grijpt daarbij ook terug op de profeten die hetzelfde al hadden geschreven. Zo waren de jonge Christelijke gemeenten klem komen te zitten tussen hun eigen Heidense omgeving die hen vroeg offers te blijven brengen aan de Heidense goden en de Joodse ijveraars die wilden dat bekeerde Heidenen alle regels uit de Tora naar de letter zouden uitvoeren. Wij leven al eeuwen na de scheiding die zich heeft voltrokken. Toch dienen we dezelfde God en wat we lezen in de Bijbel lezen we op basis van de Hebreeuwse Bijbel. Joden Godsmoordenaars noemen is dus zeer sterk te verwerpen. Als je dat doordenkt dan zou Jezus van Nazareth zelfmoord hebben gepleegd. Niet de Joden zijn verantwoordelijk voor het kwaad in de wereld, maar alle mensen, wij net zo goed en slecht als de anderen. Pas het volgen van de weg van de God van Israël in liefde kan ons daarvan bevrijden. God zij ons daartoe genadig.

 

Een dekmantel voor hebzucht

1 Tessalonicenzen 2:1-12

1 U weet zelf, broeders en zusters, dat ons bezoek aan u niet tevergeefs is geweest. 2 Ondanks de mishandelingen en beledigingen die wij, zoals u bekend is, in Filippi te verduren hadden, vonden we in vertrouwen op onze God de moed u bekend te maken met zijn evangelie. Daarvoor hebben we ons tot het uiterste ingespannen. 3 Onze oproep berust niet op een dwaling, op oneerlijkheid of bedrog. 4 Wij spreken alleen omdat God ons daartoe waardig heeft gekeurd en ons het evangelie heeft toevertrouwd-niet om mensen te behagen, maar God, die ons hart doorgrondt. 5 U weet dat we u nooit naar de mond hebben gepraat en dat onze woorden nooit een dekmantel voor hebzucht waren. God is onze getuige. 6 We hebben ook niet geprobeerd de gunst van mensen af te dwingen, niet bij u en niet bij anderen. 7 Hoewel we ons als apostelen van Christus hadden kunnen laten gelden, zijn we u tegemoet getreden met de tederheid van een voedster die haar kinderen koestert. 8 Vanuit die genegenheid voor u waren we niet alleen bereid u te laten delen in Gods evangelie, maar ook in ons eigen leven. Zo dierbaar was u ons geworden. 9 U herinnert u, broeders en zusters, hoe we ons hebben ingezet en ingespannen, hoe we dag en nacht hebben gewerkt om niemand van u tot last te zijn. Op die manier hebben we u het evangelie van God verkondigd. 10 U kunt getuigen, net als God zelf, hoe toegewijd, hoe oprecht en zuiver we bij u, die tot geloof gekomen bent, hebben geleefd. 11 U weet dat we voor ieder van u waren als een vader voor zijn kinderen. 12 We hebben u aangespoord en bemoedigd en u op het hart gedrukt zo te leven dat u eer bewijst aan de God die u roept tot zijn koninkrijk en luister. (NBV21)

Er is in Tessalonica een bloeiende gemeente ontstaan. Altijd zijn er mensen die van zo’n succes misbruik willen maken. Ze willen wel een graantje meepikken van het enthousiasme van de nieuw ontstane beweging. Ze willen zelfs wel boegbeeld worden van die nieuwe beweging, als het maar genoeg oplevert. In de dagen dat er nog kamerleden waren die partijgenoten voordroegen voor het burgermeesterschap gebeurde het wel dat een succesvolle kleine partij overspoeld werd door mensen die namens die partij wel ergens burgemeester wilden worden. Ze waren best bereid daarvoor lid te worden van die partij. Gelukkig maar dat tegenwoordig gemeenteraden de nieuwe burgemeester voordragen na een uitgebreide sollicitatieprocedure. Maar nieuwe partijen merken na een succes in verkiezingen telkens weer dat er mensen waren die zich hadden aangesloten om hun eigen belang te dienen. Het is dus heel wel denkbaar dat ook de nieuwe gemeente in Tessalonica werd bezocht door mensen die de gemeente wel wilden helpen maar die zichzelf eigenlijk nog het beste wilden helpen.

Het driemanschap dat de brief heeft geschreven roept nog eens in herinnering hoe ze zichzelf hadden opgesteld bij de ontwikkeling van de nieuwe gemeente. Paulus had er gewerkt, Timoteüs had er later een korte tijd gewerkt en Silvanus had in de omgeving gewerkt. Van Paulus is bekend dat hij zich er op voor liet staan riemensnijder of tentenbouwer te zijn en daarmee voor zijn eigen brood wist te zorgen. Nergens wilde hij afhankelijk zijn van de gemeente waarvoor hij werkte. Niet dat hij er op tegen was als apostelen door een gemeente in leven werden gehouden, sommige van die apostelen namen ook hun gezin mee, maar het moest niet het uitgangspunt zijn voor het werk in de gemeente. Voorgangers die rijk worden van hun werk in de gemeente waren voor de briefschrijvers dan ook ondenkbaar. Voor ons niet. Het succes dat sommige voorgangers hebben wordt afgemeten aan de bereidheid van gelovigen om hen geld te geven. Misschien moeten we in zulke gevallen zeggen dat hoe rijker een voorganger van zijn werk is geworden, hoe verder zijn boodschap van de Bijbel afstaat.

De brief was begonnen met het compliment dat de gemeente in Tessalonica een voorbeeld was voor andere gemeenten in de omgeving. Nu stellen de briefschrijvers zich als voorbeeld voor de leidinggevenden die zich bij de gemeente aandienen. Zijn die nieuwe leidinggevenden als vaders voor hun kinderen? Welke vader laat zijn kinderen voor zijn eigen inkomen en welvaart werken? Het gaat ook vandaag in de Christelijke gemeente niet om eer voor kerkleden of voorgangers. Het gaat nog steeds om de eer van de God van Israël. In Tessalonica hadden ze geleerd dat de God van Israël bij de armen en onmondigen was, dat het onderscheid tussen slaven en vrijen was weggevallen en dat het niet alleen mannen waren die in de gemeente mee mochten praten. Een gemeente als in Tessalonica liet zien dat die verwarrende samenleving met al die verschillende mensen die elkaar ook vaak niet konden verstaan, omgesmeed kon worden in een liefhebbende gemeenschap, waar mensen voor elkaar zorgden, waar hongerigen gevoed werden en zieken verzorgd. Die manier van gemeente zijn is zo aantrekkelijk dat uiteindelijk iedereen daaraan mee zal willen doen, ook vandaag nog.

 

Een voorbeeld

1 Tessalonicenzen 1:1-10

1 Van Paulus, Silvanus en Timoteüs. Aan de gemeente in Tessalonica, die toebehoort aan God, de Vader, en de Heer Jezus Christus. Genade zij u en vrede. 2 Wij danken God altijd voor u allen: wij noemen u onophoudelijk in onze gebeden 3 en brengen dan ten overstaan van onze God en Vader in herinnering hoeveel uw geloof tot stand brengt, hoe krachtig uw liefde is en hoe standvastig u blijft hopen op de komst van onze Heer Jezus Christus. 4 God heeft u lief, broeders en zusters. Wij weten dat Hij u heeft uitgekozen: 5 onze verkondiging aan u overtuigde immers niet alleen door onze woorden, maar ook door de overweldigende kracht van de heilige Geest. U weet hoeveel we voor u hebben betekend toen we in uw midden waren. 6 U hebt ons nagevolgd, en daarmee de Heer: onder zware beproevingen hebt u de boodschap van het evangelie ontvangen met de vreugde van de heilige Geest. 7 Zo bent u een voorbeeld geworden voor alle gelovigen in Macedonië en Achaje. 8 Want het woord van de Heer heeft zich vanuit uw gemeente niet alleen in Macedonië en Achaje verspreid, uw geloof in God vindt ook weerklank buiten die gebieden. Wij hoeven daarover niets te vertellen; 9 iedereen praat erover hoe wij door u zijn ontvangen en hoe u zich van de afgoden hebt afgewend om u tot God te keren-om Hem, de levende en ware God, te dienen 10 en om uit de hemel zijn Zoon te verwachten, die Hij uit de dood heeft doen opstaan: Jezus, die ons redt van het komende oordeel. (NBV21)

Vandaag beginnen we te lezen in de brief aan de Tessalonicenzen, de eerste brief die onder dit adres in het Nieuwe Testament is opgenomen. De Tessalonicenzen woonden in de stad die tegenwoordig Salonica heet, in Griekenland dus. Het moet een welvarende stad zijn geweest. Een havenstad op de route van Rome naar Turkije. Het begin van de brief is een begin zoals dat in vele brieven uit de eerste eeuw na het begin van de jaartelling is aangetroffen. Niet alleen brieven van Christelijke hand maar ook in veel andere brieven. De schrijvers worden genoemd en de geadresseerde wordt gegroet. Dan wordt de godheid gedankt dat de geadresseerde nog steeds in staat was de brief te lezen. Als schrijvers van de brief worden Paulus, Silvanus en Timoteüs genoemd. De brief is gericht aan de gemeente van God de vader en de Heer Jezus Christus. De term gemeente staat hier voor een samengeroepen vergadering van vrije burgers. Zulke vergaderingen werden regelmatig door een stadsbestuur bijeen geroepen om zaken te regelen en wetten vast te stellen.

Maar het gaat in deze brief niet om de burgers van een stad maar om de burgers van een nieuw Koninkrijk. De term “Heer” is immers de term waarmee de Romeinse keizers werden aangeduid. Het gaat hier dus om burgers van een ander rijk. Het rijk waar Jezus Christus de Heer van was. En dan is een vergadering van vrije burgers gelijk ook een bijzondere aanduiding. Het is namelijk helemaal niet gezegd dat de vrije burgers in het rijk van Christus ook gelijk vrije burgers in het Romeinse Rijk waren. Tessalonica was een stad met mensen uit zeer veel landen. Vrije mensen en slaven. Er was ook een synagoge in de stad. Aan de manier waarop over de gemeente wordt geschreven mag men afleiden dat de diversiteit in de stad ook weerspiegeld werd in de diversiteit van de gemeente. Daar waren slaven en vrijen dus gelijk, vrijgekocht door Jezus Christus heet het dan. Dat was revolutionair en riep begrijpelijkerwijs het nodige verzet op. De economie van het Romeinse Rijk was op slaven gebaseerd. Slaven konden tot hoge uitvoerende bestuurlijke functies komen. Soms werden ze als beloning voor bewezen diensten vrijgelaten. Maar een vrijgelaten slaaf was nooit een ondermijning van de maatschappelijke orde want een gelijkheid met vrijen ontstond er niet.

De termen die worden gebruikt om de gemeente in Tessalonica te beschrijven en die zijn ontleent aan de gebruikelijk politieke en bestuurlijke gang van zaken wijzen er al op dat er hier iets bijzonders gebeurde. Niet de bestaande samenleving was het voorbeeld dat moest worden gevolgd maar er was werkelijk iets nieuw gebeurd. In Tessalonica was een groep mensen verenigd die de liefde voor mensen voorop stelde. Zij volgde de God van Israël staat er, denk dan gerust aan de Tora, de regels voor de menselijke samenleving en zij schaarden zich onder het voorbeeld van Jezus van Nazareth. Die was hun Heer, die had dus de regels vastgesteld die door de gemeente in Tessalonica werden gevolgd. Of ze het verhaal over de Bergrede al kenden weten we niet, het staat niet in het gedeelte dat we vandaag lezen, maar dat de liefde centraal stond en ze een voorbeeld waren voor gemeenten die later waren ontstaan wijst er op dat er een voorbeeldgemeente was ontstaan waar de gezindheid die uit de Evangeliën spreekt een duidelijke prominente plaats had. Zo’n voorbeeld gemeente zou niet als slecht worden beoordeeld bij de wederkomst van Jezus. De vraag aan ons die hier wordt gesteld is natuurlijk of onze plaatselijke kerken ook zulke voorbeeldgemeenten zijn en hoe er over ons geoordeeld zou worden. Dat oordeel is niet aan ons, maar dat werken aan het worden van een lichtend licht in de samenleving is wel aan ons. Aan hen ligt de vraag voor hoeveel statushouders kunnen en willen ze huisvesten voor een korte periode.