Wat zijn dat voor steden

1 Koningen 9:10-28

10 Twintig jaar had Salomo besteed aan deze twee bouwwerken, de tempel voor de HEER en het koninklijk paleis. 11 Koning Chiram van Tyrus had hem daarvoor ceders, cipressen en goud geleverd zo veel hij maar wilde. Na afloop van die twintig jaar schonk koning Salomo Chiram twintig steden in Galilea. 12 Maar toen Chiram uit Tyrus kwam om de steden die Salomo hem gegeven had te bekijken, was hij niet tevreden 13 en hij beklaagde zich: ‘Wat zijn dat voor steden die u me gegeven hebt, waarde vriend?’ Hij noemde die streek Eres-Kabul, en zo heet het daar tot op de dag van vandaag. 14 In totaal had Chiram honderdtwintig talent goud aan koning Salomo geleverd. 15 Salomo liet de bouw van de tempel, het paleis, het Millobolwerk en de stadsmuur van Jeruzalem uitvoeren als herendienst, evenals de bouwwerkzaamheden in Hasor, Megiddo en Gezer. 16 De farao, de koning van Egypte, was indertijd tegen Gezer opgetrokken, had de stad ingenomen en in de as gelegd en alle Kanaänieten die er woonden gedood, en toen zijn dochter met Salomo trouwde, had hij haar deze stad als bruidsschat meegegeven. 17 Salomo had Gezer weer opgebouwd. Ook versterkte hij Laag-Bet-Choron, 18 Baälat, Tamar in de woestijn van Juda 19 en alle steden waar hij zijn voorraden opsloeg en zijn wagens en paarden stalde. Hij bouwde wat hij maar wilde, in Jeruzalem, in de Libanon of waar ook in zijn rijk. 20-21 Salomo legde aan alle bevolkingsgroepen die niet tot het volk van Israël behoorden herendienst op, dat wil zeggen aan de Amorieten, Hethieten, Perizzieten, Chiwwieten en Jebusieten die nog in het land woonden omdat de Israëlieten er niet in waren geslaagd ze te vernietigen. Deze maatregel geldt tot op de dag van vandaag. 22 De Israëlieten zelf werden door Salomo niet verplicht tot herendienst; zij deden dienst als soldaten, hofdienaars, legeraanvoerders, adjudanten en bevelhebbers van de wagenmenners en de ruiterij. 23 Vijfhonderdvijftig opzichters hielden voor Salomo toezicht op het werk en hadden de leiding over het werkvolk. 24 Zodra de dochter van de farao van de Davidsburcht was verhuisd naar de vertrekken die Salomo voor haar in het paleis had laten bouwen, begon hij aan de bouw van het Millobolwerk. 25 Nadat hij de tempel voltooid had, bracht Salomo driemaal per jaar brandoffers en vredeoffers op het altaar dat hij voor de HEER had laten maken; ook brandde hij wierook bij het altaar van de HEER. 26 Koning Salomo had ook een vloot laten bouwen, in Esjon-Geber bij Elat, aan de kust van de Rode Zee, in Edom. 27 Chiram stuurde ervaren zeelieden met Salomo’s vloot mee om de bemanning bij te staan. 28 De vloot voer naar Ofir, van waar ze vierhonderdtwintig talent goud voor koning Salomo meebrachten. (NBV21)

Er zijn mensen die denken dat Salomo niet meer gedaan heeft dan de Tempel bouwen en een mooi Paleis. Maar dan wordt Salomo toch wel onderschat. Of al die bouwwerken die Salomo liet uitvoeren wel even wijs waren wordt betwijfeld. Vooral ook omdat hij het volk Israël voor niks liet werken aan niet geringe projecten. Maar na de bouw van de Tempel en het Paleis, die 20 jaar had geduurd, moest er eerst afgerekend worden met de leveranciers van hout en goud. Koning Chiram van Tyrus had bij het begin van de Tempelbouw Salomo net zoveel bomen en goud beloofd als Salomo nodig zou hebben. Tyrus grensde aan Galilea dus besloot Salomo 20 steden uit Galilea aan Koning Chiram te schenken. Maar die steden bevallen de Koning niet. Hij noemde de streek het land van ijzer, dat had hij gekregen voor al het goud. Overigens had Chiram tijdens de hele bouwperiode grote hoeveelheden graan en ander voedsel gekregen. Salomo echter had nu een deel van het land dat God aan het volk had geschonken weggeven aan een Heidense Koning.

Maar Salomo had nog meer laten doen. Hij begon met het werk van vader David af te maken. Hij begon met de Millo, dat is de muur rond Jeruzalem. Zijn nazaten van een aantal generaties verder zouden nog veel nut aan deze muur beleven. Verder liet Salomo versterkingen aanbrengen in een aantal strategisch belangrijke steden als Hasor, Meggido en Geser. Bij de inname van het land Kanaän zoals in de boeken van Jozua en Rechters is beschreven waren de Kanaänitische bewoners met rust gelaten. Toen Salomo zo hard aan het bouwen was had Egypte de stad ingenomen en alle bewoners ter dood gebracht. Dit kleine oorlogje was beëindigd met een vredesverdrag. Als teken daarvan trouwde Salomo met de dochter van de Farao. Als bruidsschat kreeg zij de stad Gezer mee. Salomo aanvaarde het feit dat dit deel van het land niet als gegeven door de God van Israël werd beschouwd maar als gegeven door de Farao van Egypte.

Niet alles wat Salomo liet bouwen wordt met naam en toenaam genoemd. Er zijn schatsteden en wagensteden genoemd die voor de beveiliging van het land en het innen van belasting bestemd moeten zijn geweest. Salomo bouwde ook een havenstad en vormde een sterke vloot. Koning Chiram van de havenstad Tyrus stuurde een aantal ervaren zeelieden om de zeelieden van Salomo op te leiden. Salomo kon zo veel bouwen omdat hij zijn arbeiders niet betaalde. Herendiensten noemde hij dat maar het was gewoon wat wij tegenwoordig slavernij werd genoemd. Maar alles wat gebouwd werd was ter ere van de God van Israël. Zelfs het weggeven van het land dat God had gegeven was ter ere van die God. Ondertussen had Salomo een klein legertje gevormd dat toezicht hield op de bouw. En Salomo zelf was zeer vroom. Drie maal per jaar ging hij naar de Tempel om daar uitgebreid te offeren. Daarom kwam hij tegemoet aan de richtlijn uit het boek Deuteronomium. De manier waarop dit verhaal verteld wordt is ook een waarschuwing aan ons. Regeerders die de buitenkant zo mooi willen maken en daar het volk in mee proberen te slepen moeten diep gewantrouwd worden. In hun ogenschijnlijk zo fraaie beleid schuilen zeer rotte plekken die veel later tot rampspoed kunnen leiden. Het weglachen door de leider van de kritiek helpt dan niet meer.

Ik zal alles ter harte nemen

1 Koningen 9:1-9

1 Toen Salomo de bouw van de tempel voor de HEER en van het koninklijk paleis voltooid had, en ook al zijn andere bouwplannen ten uitvoer had gebracht, 2 verscheen de HEER hem een tweede keer, zoals Hij hem ook in Gibeon was verschenen. 3 De HEER zei tegen Salomo: ‘Ik heb het smeekgebed dat je tot Mij gericht hebt gehoord. Ik heb de tempel die je gebouwd hebt tot heilige plaats gemaakt, om er voor altijd mijn naam te laten wonen. Niets van wat daar gebeurt zal Me ontgaan; Ik zal alles ter harte nemen. 4 En wat jezelf betreft, als jij Mij met heel je hart oprecht toegewijd blijft, zoals je vader David dat was, als je alles doet wat Ik je opdraag en je altijd houdt aan mijn bepalingen en rechtsregels, 5 zal Ik ervoor zorgen dat jouw koninklijke troon in Israël nooit wankelt, zoals Ik je vader David heb beloofd toen Ik hem zei dat er altijd een van zijn nakomelingen op de troon van Israël zou zitten. 6 Maar mochten jullie of je nakomelingen je van Mij afwenden en je niet houden aan de geboden en bepalingen die Ik jullie heb opgelegd, en in plaats daarvan andere goden gaan vereren en voor hen neerknielen, 7 dan zal Ik de Israëlieten verdrijven van het grondgebied dat Ik hun gegeven heb en wil Ik niets meer weten van deze tempel, die Ik voor mijn naam heb geheiligd. Israël zal dan bij alle volken het mikpunt worden van hoon en spot, 8 en van deze tempel zal alleen een puinhoop overblijven, zodat ieder die er voorbijkomt zal huiveren en sissen van afschuw. En wie zich afvraagt waarom de HEER zo tegen dit land en deze tempel is opgetreden, 9 zal als antwoord krijgen: “Omdat ze zich hebben afgewend van de HEER, hun God, die hun voorouders uit Egypte heeft geleid, en zich aan andere goden hebben vastgeklampt. Ze zijn andere goden gaan vereren en hebben voor hen neergeknield, en daarom heeft de HEER hun al deze rampspoed bezorgd.”’ (NBV21)

Hoe zit dat nu met die droom van Salomo. Toen hij pas koning was verscheen God in een droom en toen had hij aan God gevraagd om vrede en een rechtvaardig Koning te mogen zijn. Nu was er een schitterende Tempel en een indrukwekkend paleis en nu. Het gewone leven van alledag brengt allemaal schijnbaar kleine zorgen. De energie is duur en de prijs van boodschappen stijgt. Is dat nu meer of minder reden om te delen met de allerarmsten, om gastvrij te zijn voor slachtoffers van geweld en onderdrukking, van uitbuiting en slavernij. Salomo staat aan een nieuwe fase in zijn leven en nu komt God opnieuw om zijn verbond met Salomo te bevestigen. Een verbond dat God ook al met David had gesloten. Als de Koningen van Israël de leer van Mozes tot hun beleid maakten dan bleven er heel lang koningen uit het huis van David op de troon. Maar als er wordt afgeweken van de leer van Mozes, als andere goden de boventoon gaan voeren dan is het snel afgelopen met dat huis en dan loopt het volk de kans in ballingschap te moeten.

De mensen die in Babel vele eeuwen later bezig waren de oude verhalen over God en zijn volk te verzamelen zodat de leer van Mozes weer tot leven gebracht zou worden. Zij wisten hoe het af zou lopen. Zij hadden zich al eens afgevraagd of die Egyptische prinses met haar eigen paleis in het gebouwencomplex van Salomo niet de kiem geweest was. Later immers zou hij wel duizend vreemde prinsessen tot zijn vrouw hebbe genomen en elk van hen toegestaan de eigen heidense godsdienst te blijven uitvoeren. Aan Salomo was in elk geval niet alles te verwijten. Hijzelf bleef trouw aan de leer van Mozes. Vrede en Recht stonden voorop. Hij was ook de Koning van de wijsheid. De leer over God waarbij elk aspect van het leven in verband werd gebracht met de richtlijnen voor de menselijke samenleving. De liefde staat daarbij centraal. Maar ook dat het allemaal niet altijd serieus hoeft te zijn. Je kunt immers beter op de hoek van een dak wonen dan in één huis met een kijvende vrouw.

Het volk heeft zich achteraf wel afgevraagd hoe het zover was gekomen dat ze in ballingschap waren geraakt. Zo moeilijk was dat niet. Zelfs de Heidense volken hadden het doorgehad. Als het volk van Israël zich afwendde van de God van Israël dan werd het een klein zwak volkje. De ondergang van een dergelijk volk werd dan onafwendbaar. Het was een boodschap over de betrouwbaarheid van die God die het volk alleen door haar eigen ontrouw zou kunnen brengen. God had het al tegen Salomo gezegd. Minder duidelijk werd hoe het toch kon dat zelfs de leer van Mozes vergeten was. Dat een Koning die schitterende Tempel eens wilde onderhouden toen een bouwvakker in de muur van de Tempel een boekrol vond. Het bleek een toespraak van Mozes te zijn die zijn leer nog eens duidelijk samenvatte. Wij kennen dat als het boek Deuteronomium. Daar begint het “Heb God lief boven alles” staat er. En wie dan ook de andere boeken over de leer van Mozes gaat lezen komt in Leviticus de uitleg tegen. “Heb je naaste lief als jezelf” Jezus zou die twee kernuitspraken samen voegen zodat ook wij Heidenen door Christus daarmee aan de gang kunnen. Elke dag opnieuw.

Geprezen zij de HEER

1 Koningen 8:54-66

4 Tijdens dit hele smeekgebed lag Salomo geknield voor het altaar van de HEER, met zijn handen ten hemel geheven. Toen hij zijn gebed tot de HEER beëindigd had, 55 stond hij op en sprak met luide stem zijn zegen uit over de gemeenschap van Israël: 56 ‘Geprezen zij de HEER, die zijn volk Israël rust heeft gegeven, zoals Hij heeft beloofd. Niet één van de beloften die Hij bij monde van zijn dienaar Mozes heeft gedaan, is onvervuld gebleven. 57 Moge de HEER, onze God, ons bijstaan, zoals Hij onze voorouders heeft bijgestaan. Moge Hij zich om ons blijven bekommeren en ons niet in de steek laten. 58 Moge Hij ervoor zorgen dat wij Hem toegenegen en gehoorzaam blijven en ons houden aan de geboden, voorschriften en rechtsregels die Hij onze voorouders heeft gegeven. 59 Moge mijn smeekgebed dag en nacht bij de HEER, onze God, zijn en moge Hij zijn dienaar en zijn volk Israël recht verschaffen, telkens als dat nodig is. 60 Dan zullen alle volken op aarde beseffen dat de HEER God is, Hij alleen. 61 Blijf de HEER, onze God, met hart en ziel toegedaan door zijn voorschriften te volgen en u aan zijn geboden te houden, zoals u dat nu ook doet.’ 62 Met alle Israëlieten droeg de koning offers op aan de HEER. 63 Om de tempel in te wijden bracht hij met de Israëlieten een vredeoffer aan de HEER, waarvoor tweeëntwintigduizend runderen en honderdtwintigduizend schapen en geiten werden geslacht. 64 De koning wijdde die dag het midden van het voorplein van de tempel van de HEER, zodat de offers daar konden worden opgedragen, want het bronzen altaar, dat in de nabijheid van de HEER stond, was te klein voor alle brandoffers, graanoffers en het vet van de geslachte dieren. 65 Zo vierde Salomo bij die gelegenheid feest ten overstaan van de HEER, onze God, samen met de Israëlieten, die in groten getale bijeen waren gekomen uit het hele land, vanaf Lebo-Hamat tot aan de wadi die de grens met Egypte vormt. Het feest duurde zeven dagen en nog eens zeven, samen veertien dagen. 66 Daarna stuurde de koning het volk naar huis terug, en nadat ze hem geluk hadden gewenst, ging ieder naar zijn woonplaats, opgewekt en verheugd om al het goede dat de HEER voor zijn dienaar David en zijn volk Israël gedaan had. (NBV21)

In de afgelopen dagen hebben we gelezen over het gebed dat Salomo uitsprak toen de Tempel die hij had laten bouwen werd ingewijd als centrale plaats in de godsdienst van Israël. God zelf had met een wolk bezit genomen van deze Tempel, maar het was duidelijk dat de God van Israël niet aan de Tempel gebonden was noch aan enig ander door mensen gebouwd huis. Het gebed om ontferming van Israël was tegelijk ook een hernieuwing van het verbond. Als Israël een volk werd dat leeft volgens de richtlijnen voor de menselijke samenleving die hun voorouders op de Horeb hadden ontvangen en waarvan de hoofdregels in de Ark in de Tempel het hart van de Tempel vormen dan zorgt de God van Israël voor vrede en welvaart. En als het volk er van is afgeweken maar zich bekeerd dan zal God dat vergeven en opnieuw voor de welvaart en de vrede zorgen.

Wat Salomo rest is het goede dat met het sluiten van het verbond werd geschapen over te brengen aan het volk. Dat gebeurt door het uitspreken van een zegen. Niet langer is de Koning geknield, onderworpen aan zijn God, maar nu staat de vorst van Israël met uitgestrekt armen voor het volk. Hij begint met een lof aan God. In de NBG21 staat nog: “geprezen zij de HEER” maar in het Hebreeuws staat de gebruikelijke formulering : “Gezegend zij de Heer” Alles wat in het gebed is gezegd wordt herhaald. Als het volk zich aan de richtlijnen houdt dat zorgt God voor vrede en welvaart. Alle volken op aarde mogen daar aan mee doen. En hoe zie je dan dat er wordt gereageerd. Het volk kan niet in een wolk in de Tempel gaan wonen. Maar het volk kan doen wat de Leer van Mozes vraagt: offeren. Laat zien dat je niet hecht aan het bezit dat God je gegeven heeft.

Er worden duizenden dieren geofferd. Dat was een feest voor het volk! Van de offerdieren werd het vet en sommige delen verbrand zodat God kon ruiken dat het menens wat de rest van het vlees was voor hen die offerden. Voor het hele volk dus. Dat offeren werd dus een oefening in het delen. Bij de Tempel zou de richtlijn uit Deuteronomium gestalte krijgen, Elke familie hield jaarlijks een maaltijd bij de Tempel samen met de priester en levieten, de familieleden, de meiden en de knechten, de tot slaaf gemaakten, de armen uit het dorp en de vreemdelingen die daar woonden. Twee feesten werden er gevierd, dus was het twee weken feest. Eerst het feest van de inwijding van de Tempel en daarna het Loofhuttenfeest waarin het volk herdacht hoe het door de woestijn naar dit beloofde land was getrokken. Dat afzien van gehechtheid aan bezit en het besef dat alles wat ons toevalt uit de hand van de Heer afkomstig is speelt ook in onze dagen een grote rol. Juist nu moeten hongerigen gevoed worden, naakten gekleed en vluchtelingen gastvrij ontvangen. Aan het werk dus, dat is een feest op zich.

 

Vergeef uw volk

1 Koningen 8:44-53

44 Wanneer uw volk op uw bevel ten strijde trekt tegen de vijand en zij tot U bidden in de richting van de stad die U hebt uitgekozen en van de tempel die ik voor uw naam heb gebouwd, 45 luister dan vanuit de hemel naar hun bidden en smeken en verschaf hun recht. 46 Wanneer ze tegen U zondigen – er is immers geen mens die niet zondigt – en U hen uit woede uitlevert aan vijanden die hen gevangennemen en meevoeren naar hun land, hetzij ver weg of dichtbij, 47 en wanneer ze dan in hun ballingsoord tot inkeer komen en zich in dat vreemde land smekend tot U wenden en belijden dat ze hebben gezondigd, dat ze verkeerd hebben gedaan en slecht hebben gehandeld, 48 wanneer ze zich in het land van de vijanden die hen gevangen hebben genomen weer met hart en ziel aan U toewijden en tot U bidden in de richting van het land dat U aan hun voorouders hebt gegeven, van de stad die U hebt uitgekozen en van de tempel die ik voor uw naam heb gebouwd, 49 luister dan vanuit de hemel, uw woonplaats, naar hun bidden en smeken en verschaf hun recht. 50 Vergeef uw volk alle zonden en misstappen die het tegen U begaan heeft en wek het mededogen op van degenen die hen als gevangenen hebben weggevoerd. 51 Zij zijn uw volk, HEER, mijn God, uw eigen volk, dat U uit die smeltoven van Egypte hebt weggeleid. 52 Wees opmerkzaam op de smeekbeden van uw dienaar en van uw volk Israël en luister naar hen wanneer ze U maar roepen. 53 U hebt hen immers van alle andere volken op aarde onderscheiden om uw volk te zijn, zoals U bij monde van uw dienaar Mozes hebt gezegd toen U onze voorouders uit Egypte wegleidde.’ (NBV21)

Salomo was een vooruitziend man. Hij beschrijft al bij de opening van de Tempel hoe het met het volk zal gaan. Afvalligheid, verkeerde bondgenootschappen, achterna lopen van vreemde goden, gevolgd door een ballingschap, bekering en terugkeer met herbouw van de Tempel. Je kunt natuurlijk zeggen dat Salomo het misschien helemaal niet over de ballingschap in Babel heeft gehad. Maar we vergeten dan dat de eindredactie van de Hebreeuwse Bijbel juist in Babel heeft plaatsgevonden. Een tekst als deze is dan een hele steun voor de ballingen. Als Salomo God al heeft durven vragen om vergeving van de zonden van het volk, het meer zal de terugkeer tot de leer van Mozes betere vooruitzichten brengen.

In de Hebreeuwse Bijbel komen soms woordspelingen voor die voor ons niet te vertalen zijn. In dit gedeelte wordt gespeeld met de woorden “gevangen nemen” en “terugkeren”. Elke ballingschap heeft al de mogelijkheid tot terugkeer in zich. Elke gevangenschap heeft de mogelijkheid van bevrijding in zich. Het is niet zo vreemd dus dat Salomo God herinnert aan de bevrijding uit de slavernij in Egypte die uiteindelijk heeft geleid tot de bouw van de schitterende Tempel van Salomo. Daarmee is de Tempel ook het symbool van bevrijding geworden. Het volgen van de leer van Mozes, die bewaard wordt in hart van de Tempel, levert uiteindelijk het meest kostbare en schitterende gebouw op.

Salomo vraagt God naar het volk te luisteren als zij Hem weer aanroepen en smeken om verlichting van hun situatie. Hij zinspeelt op het argument dat Mozes gebruikte toen God het volk wilde vernietigen vanwege de aanbidding van het gouden kalf. Mozes wees God er toen op dat de bevrijding uit Egypte ook een voorbeeld voor alle volken was. Als je als volk bij de eerste de beste tegenslag vernietigd wordt maakt het volgen van de goddelijke richtlijnen voor de menselijke samenleving er niet aantrekkelijker op. Salomo was er van overtuigd dat iedereen wel eens afdwaalt van de leer van Mozes. Maar elke afdwaling heeft ook de bekering in zich. Ook voor ons is dat het geval. Wat er nu allemaal aan oorlog, geweld, onderdrukking en uitbuiting aan de hand is staat wel heel erg ver van het Koninkrijk van God af. Verlies niet de moed, mensen die leven vanuit de liefde voor de naaste en dat laten zien kunnen uiteindelijk de aanleiding voor bekering zijn. Houd moed.

 

Hun leven lang ontzag

1 Koningen 8:33-43

33 Wanneer uw volk Israël door de vijand is verslagen omdat het tegen U gezondigd heeft, en wanneer zij dan naar U terugkeren, uw naam prijzen en tot U in deze tempel bidden en smeken, 34 luister dan vanuit de hemel, vergeef uw volk Israël wat het heeft misdaan en breng hen terug naar het grondgebied dat U aan hun voorouders hebt gegeven. 35 Wanneer de hemel gesloten blijft en er geen regen valt omdat het volk tegen U gezondigd heeft, en wanneer zij dan een gebed richten naar deze tempel, uw naam prijzen en zich afkeren van hun zonden, omdat U hen antwoord geeft, 36 luister dan vanuit de hemel en vergeef uw dienaren, uw volk Israël, wat ze hebben misdaan. Wijs hun de juiste levensweg en laat het regenen op uw land, dat U uw volk als grondgebied gegeven hebt. 37 Wanneer er in het land hongersnood of pest uitbreekt, wanneer het gewas wordt getroffen door korenbrand, meeldauw of vraatzuchtige sprinkhanen, wanneer het volk in eigen land door de vijand bedreigd wordt, wanneer er kortom bij enige ramp of ziekte 38 ook maar iemand van uw volk Israël een smeekgebed tot U richt en zijn handen heft in de richting van deze tempel – ieder onder de druk van het leed dat hem persoonlijk treft –, 39 luister dan vanuit de hemel, uw woonplaats, en vergeef hem. Grijp in en geef hem wat hem toekomt, want U weet wat er in hem omgaat. U alleen immers kunt de mens doorgronden. 40 Dan zullen ze in het land dat U aan onze voorouders hebt gegeven hun leven lang ontzag voor U tonen. 41 Ook wanneer een vreemdeling, die niet tot uw volk Israël behoort en die uit een ver land hierheen is gekomen om uw naam eer te bewijzen 42 – want ook daar is de faam van uw sterke hand en opgeheven arm doorgedrongen –, wanneer een vreemdeling hierheen komt en een gebed richt naar deze tempel, 43 luister dan vanuit de hemel, uw woonplaats, en doe wat hij U vraagt. Dan zullen alle volken op aarde uw naam leren kennen en ontzag voor U tonen, zoals uw volk Israël dat doet, en zij zullen weten dat uw naam verbonden is aan deze tempel, die ik heb gebouwd. (NBV21)

Fouten maken hoort bij het leven. Fouten hebben wel gevolgen. Zeker als een volk als Israël fouten maakt in het nakomen van het verbond met de God van Israël. Het hebben van zo’n schitterende Tempel zal volgens Salomo niet leiden tot een foutloos handelen van het volk. En als het volk denkt de God van Israël niet meer nodig te hebben dan doet die God ook niets meer. Dan komen er vijanden van wie verloren wordt. Dan blijven de regens uit en droogt de grond op. Salomo vraagt daarom of God opnieuw met het volk wil beginnen als het volk inziet wat er fout is en naar de Tempel komt om van God te vragen op een nieuwe manier met elkaar te beginnen. Het is uitdrukkelijk niet een vraag of God de fouten door de vingers wil zien of zand er over als het volk er om vraagt. Vergeving is samen op een nieuwe manier opnieuw beginnen.

Er staan in dit gebed wel zeven verschillende smeekbeden. Maar steeds valt het woord terugkeren. Terugkeren van het volk, of het terugkeren van individuen naar het leven met de richtlijnen voor de menselijke samenleving, leven naar het verbond dat God met het volk heeft gesloten. Dat terugkeren moet niet door God worden gedaan, God immers laat nooit varen wat zijn hand is begonnen. Nee, dat terugkeren is een zaak van hen die dachten het ook wel zonder die God te kunnen. Dat moet ook niet voor de vorm, de fraaie gebeden of grote offers, dat moet oprecht van binnenuit komen. Salomo roept hier God op om zijn vermogen de mens te doorgronden te gebruiken. Daarmee wordt het natuurlijk ook een waarschuwing. Een terugkeren naar de leer van Mozes moet echt en oprecht zijn. God ziet het hart.

Israël heeft overigens niet het alleenrecht op de richtlijnen voor de menselijke samenleving. Israël was als slavenvolk uitgekozen om een licht te zijn voor alle andere volken op de wereld. Als zo’n slavenvolk welvarend en machtig wordt door het nakomen van een verbond met de God van Israël dan valt ook voor andere volken te overwegen zo te gaan leven. Vreemdelingen horen dus zeer uitdrukkelijk bij de vraag of bij een schreeuw van hulp met een beroep op de God van Israël ook de vreemdelingen gehoord mogen worden. Uit de Hebreeuwse tekst blijkt dat niet alleen de vreemdelingen bedoeld worden die altijd al in Israël wonen en die hetzelfde moeten worden behandeld als de Israëlieten, maar ook de vreemdelingen die gevlucht zijn naar Israël. Gevlucht vanwege honger, oorlog, onderdrukking of vervolging. Daarom moeten wij misschien ook eens beginnen die vluchtelingen te behandelen alsof ze tot ons eigen volk horen.

 

Spreek recht over uw dienaren

1 Koningen 8:22-32

22 Toen wendde Salomo zich naar het altaar van de HEER, ten aanschouwen van de verzamelde Israëlieten, hief zijn handen ten hemel 23 en zei: ‘HEER, God van Israël, er is geen god zoals U, noch boven in de hemel, noch beneden op de aarde. U houdt u aan het verbond en blijft trouw aan uw dienaren die U met heel hun hart toegewijd zijn. 24 U hebt u gehouden aan wat U uw dienaar, mijn vader David, hebt beloofd. U hebt het niet bij woorden gelaten, maar U bent vandaag uw belofte daadwerkelijk nagekomen. 25 Daarom vraag ik U, HEER, God van Israël, of U zich ook wilt blijven houden aan wat U uw dienaar, mijn vader David, hebt beloofd, namelijk dat U zijn nakomelingen de troon van Israël nooit zult ontzeggen, zolang wij tenminste op het rechte pad blijven door U toegewijd te zijn, zoals ook hij U toegewijd was. 26 Welnu, God van Israël, moge de belofte die U uw dienaar, mijn vader David, hebt gedaan, bewaarheid worden. 27 Zou God werkelijk op aarde kunnen wonen? Zelfs de hoogste hemel kan U niet bevatten, laat staan dit huis, dat ik voor U heb gebouwd. 28 HEER, mijn God, hoor het smeekgebed van uw dienaar aan en luister naar de verzuchtingen die ik vandaag tot U richt. 29 Wees dag en nacht opmerkzaam op wat er gebeurt in deze tempel, de plaats waarvan U zelf hebt gezegd dat daar uw naam zal wonen, en verhoor het gebed dat ik naar deze tempel richt. 30 Luister naar de smeekbeden die uw dienaar en uw volk Israël naar deze tempel richten, luister naar ons vanuit de hemel, uw woonplaats, luister en schenk ons vergeving. 31 Wanneer iemand een ander kwaad heeft gedaan en deze van hem eist dat hij een vervloeking over zichzelf uitspreekt, en wanneer hij dan naar uw altaar in deze tempel komt om zichzelf te vervloeken, 32 luister dan vanuit de hemel en grijp in. Spreek recht over uw dienaren, verklaar de boosdoener schuldig en geef hem zijn verdiende straf, maar spreek de onschuldige vrij en herstel hem in zijn recht. (NBV21)

Vandaag lezen we een gebed. Het langste gebed dat er in de Hebreeuwse Bijbel te vinden is. Het moet dus ook wel een belangrijk gebed zijn. Het wordt dan ook door de Koning uitgesproken in de Tempel van de God van Israël, de centrale plaats om die God te aanbidden. In dit gebed probeert Salomo onder woorden te brengen wat er nu van de Tempel verwacht mag worden. Die richtlijnen voor de menselijke samenleving, de leer van Mozes is duidelijk niet beperkt tot een centrale plaats van ontmoeting met de Eeuwige. De richtlijnen bestudeer je, die spijker je aan de deur en je draagt ze op je arm gebonden.

Maar die richtlijnen gaan er ook van uit dat je fouten kunt maken. Dat hoort natuurlijk niet maar het is in het dagelijks leven onvermijdbaar. Als je die fouten herkent, of er op gewezen wordt, dat zul je ze voortaan vermijden. Maar als je fouten gemaakt hebt met de richtlijnen voor de menselijke samenleving dan heb je ook een stukje verbond met de God van Israël gebroken en zul je moeten laten zien dat je dat weer goed wil maken. Dat kan in de Tempel, daar kun je een offer brengen, een deel van je bezit delen met degene die je dat bezit heeft geschonken en Salomo vraagt daar de hulp van God bij.

Salomo gooit geen problemen over de schutting bij God. Misoogsten, droogte, dreiging van oorlog daar moet je zelf oplossingen voor zoeken, de leer van Mozes geeft daarvoor veel aanknopingspunten. Maar als er macht over mensen worden uitgeoefend dan kan het verkeerd gaan. Dan kan de machtige de zwakke aan zich binden door deze een fout aan te praten. In sommige kerken ben je altijd zondaar en kan de voorganger alleen je daarvoor veroordelen. Salomo vraagt God om in de Tempel recht te doen aan mensen. Daar is er maar één machtig, God zelf, en God kan recht spreken over mensen en mensen tot hun recht laten komen. Als je wat fout doet dan weet je dat best. Een fout laten aanpraten is een aanslag op jouw integriteit. Oordeel dus niet over een ander, en veroordeel al helemaal niet. Volgens Lucas heeft Jezus dat zo gezegd.

Toen iedereen was gaan staan

1 Koningen 8:12-21

12 Toen sprak Salomo: ‘HEER, U hebt gezegd dat U in een donkere wolk wilde wonen. 13 Welnu, ik heb voor U een vorstelijk huis gebouwd, dat voor altijd uw woning kan zijn.’ 14 Hierna keerde de koning zich om en zegende de gemeenschap van Israël. Toen iedereen was gaan staan, 15 zei hij: ‘Geprezen zij de HEER, de God van Israël, die het niet bij woorden heeft gelaten maar zijn belofte aan mijn vader David daadwerkelijk is nagekomen. Hij heeft gezegd: 16 “Nooit, vanaf de dag dat Ik mijn volk Israël uit Egypte heb weggeleid, heb Ik een van de steden van Israëls stammen uitgekozen om er een tempel te laten bouwen waar mijn naam zou wonen. Wel heb Ik David gekozen om mijn volk Israël te regeren.” 17 Toen mijn vader David het plan opvatte om een tempel te bouwen voor de naam van de HEER, de God van Israël, 18 zei de HEER tegen hem: “Je hebt er goed aan gedaan een huis te willen bouwen voor mijn naam. 19 Toch zul jij de tempel niet bouwen. Je zoon, die uit jou zal voortkomen, die zal voor mijn naam een huis bouwen.” 20 En de HEER heeft zijn woord gestand gedaan. Ik ben mijn vader David opgevolgd en zit nu op de troon van Israël, zoals de HEER heeft beloofd. En ik heb voor de naam van de HEER, de God van Israël, een tempel gebouwd 21 als verblijfplaats voor de ark, die het verbond bevat dat de HEER met onze voorouders sloot toen Hij hen uit Egypte wegleidde.’(NBV21)

De bouw van de schitterende Tempel in Jeruzalem is het hoogtepunt van een lang bevrijdingsverhaal. Aan Abraham was beloofd dat die de vader zou worden van vele volken. Zijn directe afstammelingen zouden wonen in de vruchtbare vlakten van Kanaän. Maar zijn directe afstammelingen werden tot slaafgemaakten. In Egypte nog wel, het land waar de dood werd aanbeden. Het leven zou volgens de Egyptenaren de voorbereiding zijn op de dood. De God van Abraham, Izaäk en Jacob had zijn volk iets anders voor gehouden. Het leven was er om samen te leven. Die God had uiteindelijk de slaafgemaakten bevrijd, tot volk gemaakt en met dat volk een verbond gesloten.

De God van Israël woont in een donkere wolk. Niemand kan dus aanwijzen waar die God is en hoe die God er uit ziet. Niemand kan macht over die God uitoefenen, die God gaat elk verstand te boven. Nu is een God in of als een donkere wolk niet zo vreemd. De oppergod van Babel, Mardoek, was de god van het onweer en de wolken met onweer zijn de meest donkere wolken die we kennen. De God van Israël had zich echter ook aan zijn mensen geopenbaard. Die hadden mogen zien wat het belangrijkste van die God was: barmhartig, rechtvaardig en genadig. Dat blijkt uit de bevrijding en de bouw van de Tempel, zo zegent Salomo het volk van die God voor de Tempel waar niet een beeld van die God staat maar de richtlijnen voor de menselijke samenleving werden bewaard.

Waar die Tempel staat is overigens maar een indirecte keuze van God. Het was David die Jeruzalem tot hoofdstad van Israël had gemaakt. Strategisch gelegen tussen het Noorden en het Zuiden. David had vrede gebracht over Israël. God had hem tot Koning gekozen en hij was de Koning naar Gods hart geworden. In die hoofdstad had David de Tent der Ontmoeting met die bijzondere Ark centraal gesteld. Maar een vast gebouw, een Tempel kon pas na David, als de vrede voor lange tijd verzekerd was. De Tabernakel had langs diverse steden en plaatsen gezworven. De Ark was zelfs gebruikt om overwinningen in een oorlog af te dwingen, tevergeefs. Nu was het huis van David het Koningshuis en de godsdienst van de God van Israël de centrale godsdienst. Voor gelovigen is niet het beeld van God centraal maar de richtlijnen voor de menselijke samenleving. Die richtlijnen zijn tot op vandaag het centrale in het geloof in de God van Israël.

De twee stenen platen

1 Koningen 8:1-11

1 Daarna liet koning Salomo de oudsten van Israël, de stamhoofden, allen die aan het hoofd van een familie stonden, in Jeruzalem bij zich komen om de ark van het verbond met de HEER over te brengen vanuit de Davidsburcht, de bergvesting op de Sion. 2 Alle Israëlieten kwamen in de maand etanim, de zevende maand, voor het feest naar koning Salomo.
3 Toen alle oudsten van Israël aanwezig waren, namen de priesters de ark op. 4 De ark van de HEER, de ontmoetingstent en de bijbehorende gewijde voorwerpen werden gedragen door de priesters en de Levieten. 5 Koning Salomo hield met de Israëlieten, die zich met hem rond de ark verzameld hadden, een offerplechtigheid waarbij zo veel schapen, geiten en runderen werden geofferd dat hun aantal niet vast te stellen was. 6 De priesters brachten de ark van het verbond met de HEER naar zijn nieuwe plaats in de achterste zaal van de tempel, het allerheiligste, en zetten hem neer onder de vleugels van de cherubs, 7 zodat de gespreide vleugels van de cherubs zich beschermend over de ark en zijn draagbomen uitstrekten. 8 Deze draagbomen staken een stuk uit, en vanuit het heilige, de grote zaal, kon men de uiteinden ervan alleen zien wanneer men vlak voor de toegang tot de achterzaal stond; van verder weg waren ze niet te zien. Ze bevinden zich daar tot op de dag van vandaag. 9 De ark bevat niets anders dan de twee stenen platen die Mozes er op de Horeb in heeft gelegd, de platen waarop is vastgelegd wat de HEER voor de Israëlieten heeft bepaald tijdens hun tocht uit Egypte. 10 Zodra de priesters uit het heiligdom naar buiten kwamen, vulde een wolk de tempel van de HEER. 11 De priesters konden hun dienst niet meer verrichten, want de majesteit van de HEER vulde de hele tempel.(NBV21)

In de eerste hoofdstukken van het boek 1 Koningen hebben we nauwkeurig en uitgebreid kunnen volgen hoe de Tempel van Salomo werd gebouwd en tot stand kwam. In de achtste maand was de bouw van de Tempel klaar staat er dan. Maar het in gebruik nemen van een Tempel van de machtigste God op aarde neemt nog al wat tijd in beslag. In het gedeelte van vandaag, dat zal gaan over dat in gebruik nemen van de Tempel, staat dat Koning Salomo de regering, de stamhoofden, de familiehoofden heeft uitgenodigd om het feest bij te wonen waarbij de Ark overgebracht zou worden van de Tent der Ontmoeting bij het paleis van wijlen Koning David, naar de nieuwe Tempel.

In die Tempel zou dus geen beeld van de God van Israël komen te staan. Het maken van beelden van een God was in de leer van Mozes zeer uitdrukkelijk verboden. Mensen leggen God niet vast en deze God verschijnt aan mensen op de manier waarop die mensen die God nodig hebben. We hebben het over een Ark die moet worden overgebracht. Wij denken dan aan de ark van Noach, of aan het biezen mandje waarin Mozes werd gered, die heten in het Hebreeuws met hetzelfde woord dat wij vertalen als Ark. Maar voor deze Ark gebruikt het Hebreeuws een ander woord. Het is een kist van accaciahout, gedekt door cherubs die met hun vleugels de ark beschermden en waaraan ringen zaten die met de draagstokken verhinderden dat de Ark zou worden aangeraakt.

Die Ark werd het centrum van de Tempel van Salomo. In die Ark lagen de twee stenen platen met daarop de tien hoofdregels van de leer van Mozes die God daar zelf had ingegrift. De regels voor de menselijke samenleving werden daarmee het centrum van de Tempel. Daar ging het om. Dat maakte die Tempel zo heilig dat zelfs de Priesters er niet meer konden werken. Een wolk vulde de Tempel, de majesteit van de Heer. Er waren nauwelijks woorden om het gebeurde onder woorden te brengen, wie zou die Goddelijke regels kunnen houden. De Tempel heeft de eeuwen niet doorstaan. Verschillende keren werd een nieuwe Tempel gebouwd. Maar de herinnering aan die goddelijke regels ging niet verloren. Toen het volk werd verspreid over het Romeinse Rijk riep Paulus op de richtlijnen maar in je hart te beitelen. Die oproep is er ook voor ons. Ook wij moeten blijven werken aan de menselijke samenleving die God voor ons bedoelde.

Gepolijst brons.

1 Koningen 7:40-51

40 Chiram maakte nog andere bekkens, scheppen en offerschalen, en daarmee was het werk dat koning Salomo hem voor de tempel van de HEER had opgedragen voltooid: 41 de twee zuilen met de twee bolvormige kapitelen erop, het vlechtwerk waarmee die kapitelen op de zuilen waren omhuld, 42 de vierhonderd granaatappels die in twee rijen aan het vlechtwerk om de bolvormige kapitelen op elk van de zuilen hingen, 43 de tien onderstellen en de tien spoelbekkens daarop, 44 de Zee, waarvan er maar één was, met de twaalf runderen eronder, 45 en de potten, scheppen en offerschalen. Al deze voorwerpen die Chiram in opdracht van koning Salomo voor de tempel van de HEER had gemaakt, waren van gepolijst brons. 46 De koning liet ze gieten in de Jordaanvlakte, tussen Sukkot en Saretan, waar volop vette klei te vinden was. 47 De hoeveelheid materiaal die in al deze voorwerpen was verwerkt, was zo groot dat koning Salomo ervan afzag ze te laten wegen: het gewicht aan brons was te groot om het te kunnen bepalen. 48 Ook voor het interieur van de tempel van de HEER liet Salomo allerlei voorwerpen maken: het met een laag goud bedekte altaar en de tafel voor het toonbrood, 49 de vergulde kandelaars die voor de achterste zaal stonden, vijf aan de linkerkant en vijf aan de rechterkant, met gouden bloemversieringen, gouden lampen en gouden snuiters, 50 de vergulde schotels, messen, offerschalen, kommen en vuurbakken. Ook het beslag van de deuren die toegang gaven tot de achterzaal van de tempel, het allerheiligste, was van goud, evenals het beslag van de deuren die toegang gaven tot de tempel zelf. 51 Toen al het werk dat koning Salomo aan de tempel van de HEER had laten verrichten voltooid was, liet hij de wijgeschenken van zijn vader David naar de tempel overbrengen. Hij borg het goud en zilver en de andere voorwerpen in de schatkamer van de tempel van de HEER. (NBV21)

Als die voorwerpen die Chiram voor de offerdienst in de voorhof van de Tempel had gemaakt schitterden aan je ogen. Alles was van brons. Gepolijst en dat betekent niet alleen gereinigd, je zag er elke smet op en moest dus voortdurend schoon gemaakt worden. Maar het weerspiegelde de zon ook maximaal. De windrichtingen die in het verhaal worden genoemd staan er niet voor niks. Bepaalde plaatsen ontvingen nu eenmaal meer zon dan andere. En voor de Grote Zee was het maar goed dat die op een schaduwrijke plaats was neergezet. De Priesters konden zich nu eenmaal niet in kokend water wassen en een bronzen wasbekken in de volle zon zetten zou het water tot grote hitte kunnen verwarmen.

Het maken van al die bronzen voorwerpen was een reusachtig werk. Voor de inrichting van de Tempel kwamen daar ook nog gouden en vergulde versieringen bij. Alles in de Tempel was van goud. Er was overigens zoveel brons gegoten dat het gewicht van alle brons in de Tempel niet meer te wegen was. Voor het gieten van al dat brons was een hele industrie ontstaan. In een gebied waar veel klei was. Er werden voor de voorwerpen mallen gemaakt van klei, daar werd het brons ingegoten en als het afgekoeld was werd de klei er om heen weggehakt. Het was geen wonder dat de bouw van de Tempel van Salomo wel zeven jaar duurde.

En toen de Tempel klaar was? Toen bleek er nog iets te ontbreken. De Tempelschat. Koning David had van de buit van alle veroveringen steeds een deel apart gezet voor de God van Israël. Wijgeschenken waren er zo verzameld. En ieder die een grote meevaller had zette een gedeelte opzij voor de God van Israël. Niet langer werden de wijgeschenken bewaard in een gedeelte van de Tent der Ontmoeting maar Salomo liet de vele gouden en zilveren, en andere voorwerpen naar de Tempel overbrengen. Wat wij er van leren? Sinds Jezus van Nazareth is ons lichaam de Tempel van God, daar wordt zijn Woord bewaard, de richtlijnen voor de menselijke samenleving. Die Tempel verdient een goede verzorging. Dat lichaam wordt immers ingezet voor de zorg voor de armsten onder ons, de weduwen, de wezen en de vreemdelingen. Daar mogen we elkaar dus ook op aanspreken.

 

Geen cirkel

1 Koningen 7:27-39

27 Chiram maakte ook tien bronzen onderstellen voor verrijdbare spoelbekkens, elk vier el lang, vier el breed en drie el hoog. 28 Deze onderstellen bestonden uit panelen die in een lijstwerk waren gevat. 29 De panelen en het lijstwerk waren versierd met leeuwen, runderen en cherubs. Boven en onder deze reliëfs waren festoenen van drijfwerk. 30 Elk onderstel had vier bronzen wielen aan bronzen assen. Aan de vier hoekstijlen bevonden zich steunpunten, die tussen de festoenen gemonteerd waren. Hierop rustten de dragers van het spoelbekken. 31 Deze schraagden een bronzen ring van meer dan een el hoog en met een doorsnede van anderhalve el. Deze ring was gegraveerd. Daaromheen zaten de panelen van het onderstel, die een vierhoek vormden, geen cirkel. 32 De vier wielen waren onder aan de zijkanten van het onderstel gemonteerd. Ze waren elk anderhalve el hoog. 33 De wielen waren gemaakt als wagenwielen, met velgen, spaken en naven, die evenals de ophanging van gegoten brons waren gemaakt. 34 Op de hoekpunten rustten dus de vier dragers, die aan het onderstel vastzaten. 35 Boven op het onderstel was een ronde opstaande rand van een halve el hoog. Aan de bovenkant van de panelen zaten handgrepen. 36 Op de handgrepen en de panelen van het onderstel graveerde Chiram cherubs, leeuwen en palmetten met festoenen ertussen. 37 De tien onderstellen waren alle op dezelfde manier gegoten en hadden dezelfde maat en vorm. 38 Vervolgens maakte hij tien bronzen bekkens, elk met een inhoud van veertig bat en een middellijn van vier el: voor elk van de tien onderstellen een spoelbekken. 39 Vijf van de onderstellen werden aan de zuidkant van de tempel geplaatst, en vijf aan de noordkant. De Zee kreeg een plaats schuin voor de tempel, aan de zuidoostkant. (NBV21)

Er moeten naast de Grote Zee voor de priesters ook spoelbekkens komen voor alles wat er bij de offers, dat is de slacht, komt kijken. Het bloed was heilig en tot elke prijs moest worden voorkomen dat de slacht van offerdieren een bloedige aangelegenheid zou worden. Daar is water voor nodig. Waterleidingen zoals wij hebben hadden ze nog niet. Grote, verrijdbare wasbekkens waren er voor nodig. Dat kunnen heel lelijke ontsierende voorwerpen zijn. Niet in de Tempel voor de God van Israël. Daar was het mooiste nog niet mooi genoeg. Edelsmid Chiram uit Tyrus ging dus aan her werk met het maken van deze wasbekkens, die zowel functioneel als mooi moesten worden.

De omvang en de uitvoering van de wasbekkens worden nauwkeurig beschreven. Ze waren gegoten in brons. In de dagen van Salomo straalde brons rijkdom en welvaart uit. De tien wasbekkens waren van onder tot boven niet alleen van brons gemaakt maar ook met brons versierd. De wielen waren groot als wagenwielen. Met velgen, spaken en naven. Het leken wel strijdwagens zoals de Farao die ooit had gebruikt. Van onder tot boven bleven spoelbekkens een wonder voor het oog. Een bronzen onderstel droeg de panelen van het spoelbekken. De panelen konden worden verwijderd, er zaten handvaten aan. Maar de panelen, de handvaten, de hoeken, alles was versierd op een manier zoals ook de binnenkant van de Tempel was versierd.

Het belang van de spoelbekkens moet niet worden onderschat. Reinheid was een centraal begrip in de dienst in de Tempel. Alles moest schoon zijn van vreemde smetten vrij. De schoonheid, de prachtige versieringen onderstreepten deze vrijheid. Aan elke kant van de Tempel stonden vijf van deze spoelbekkens. We moeten niet vergeten dat het offeren uiteindelijk lopende bandwerk zou worden. Er waren kamers voor de priesters gebouwd, daar konden ze zich verschonen. In de Grote Zee konden de priesters, maar soms misschien ook wel gelovigen, zich wassen. En alles wat met het offeren te maken had kon voortdurend gereinigd worden. De Gibeonieten waren niet voor niets ook als waterdragers aangesteld. Wij hebben nog wel eens problemen met de reinheid. Corona noodzaakte tot een aantal extra maatregelen die ons vreemd voorkwamen. Maar wie wast de deurkrukken? We mogen wel eens net zo veel acht slaan op de reinheid van onze gebouwen en woningen als Chiram in de Tempel van de God van Israël deed.