Hebreeën 8:7-13
7 Zou het eerste verbond zonder gebreken zijn geweest, dan was er geen ruimte geweest voor een tweede. 8 Maar God berispt zijn volk met de woorden: ‘De dag zal komen-spreekt de Heer-dat Ik een nieuw verbond zal sluiten met het volk van Israël en met het volk van Juda. 9 Niet een verbond zoals Ik dat sloot met hun voorouders toen Ik hen bij de hand nam om hen weg te leiden uit Egypte, want aan dat verbond zijn ze niet trouw gebleven. Daarom heb Ik me niet langer om hen bekommerd-spreekt de Heer. 10 Maar dit is het verbond dat Ik in de toekomst met het volk van Israël zal sluiten-spreekt de Heer: In hun verstand zal Ik mijn wetten leggen en in hun hart zal Ik ze neerschrijven. Dan zal Ik hun God zijn en zij zullen mijn volk zijn. 11 Volksgenoten zullen elkaar niet meer hoeven te onderwijzen, men zal elkaar niet meer hoeven te zeggen: “Ken de Heer!”, want allen zullen Mij kennen, van klein tot groot. 12 Ik zal hun wandaden vergeven en aan hun zonden zal Ik niet meer denken.’ 13 Op het moment dat Hij spreekt over een nieuw verbond heeft Hij het eerste al als verouderd bestempeld. En wat veroudert en verjaart, is de teloorgang nabij. (NBV21)
Hoe bewijs je nu dat je echt hoort bij de mensen van de Weg die door Jezus van Nazareth is gewezen? Hoe laat je zien dat je niet alleen have en goed over hebt voor de beweging maar zelfs je eigen leven. In de eerste christengemeenten werd dit zo letterlijk genomen dat sommigen zelfs verlangden naar de marteldood door de Romeinen om maar te laten zien hoe offerbereid ze waren. Dat werd overigens door de leiders van de gemeenschappen bestreden. Het opofferen gaat om het afzien van geweld, het afzien van het streven naar rijkdom, in onze dagen zouden we zeggen het bestrijden van bonussen ook al zijn ze voor jezelf.
Het boek van de profeet Jeremia heeft diepe indruk gemaakt. De Wet in je verstand schrijven betekent dat je voortdurend herinnerd wordt aan dat gebod van heb je naaste lief als jezelf. In een samenleving vol geweld is dat niet gemakkelijk, in een samenleving die gebouwd is op slavenarbeid voert het direct tot conflicten. Maar die kennen we ook in onze samenleving. De vraag waarom leden van raden van bestuur meer dan twintig keer zoveel moeten verdienen dan de laagste lonen in hun bedrijf, bank of instelling wordt nog maar nauwelijks gesteld. Aan de vraag naar rechtvaardige handelsverhoudingen lijken we al helemaal niet meer toe te komen. Bij ons is die Wet nog lang niet in het hart geschreven. Daar is nog heel wat voor nodig, daar moeten wij nog hard aan werken.
Bij ons wordt dan gepleit voor de dialoog, laten we in gesprek gaan over de vraag hoe we samenleving willen inrichten. Maar met mensen die zich laten leiden door angst, de angst dat alles wat ze kennen en waar ze op vertrouwen zal verdwijnen valt moeilijk een dialoog op gang te brengen. Ze vinden vaak dat ze niet gehoord worden en heen en weer praten bevestigd dat alleen. Dan gaat het om het luisteren. Zoals de God van Mozes had geluisterd. Het gekerm en geklaag van zijn volk dat in slavernij in Egypte woonde had die God zeer wel gehoord en dat volk moest daarvan bevrijd worden. Wij denken ook eenmaal in het jaar aan slachtoffers van een moorddadig regiem. Maar gaan wij dan op pad om slachtoffers van oorlog en geweld, van onderdrukking en ontmenselijking te bevrijden? Dat is de vraag die vandaag ook door de schrijver van deze brief wordt gesteld.