Met eigen ogen

2 Petrus 1:12-21

12 Daarom zal ik u hieraan blijven herinneren, hoewel u dit alles wel weet en gegrondvest bent in de waarheid die u hebt leren kennen. 13 Maar het lijkt me goed u wakker te houden door het telkens opnieuw onder uw aandacht te brengen zolang ik in deze aardse tent verblijf. 14 Ik weet dat mijn tent binnenkort zal worden afgebroken-dat heeft onze Heer Jezus Christus mij te kennen gegeven-, 15 en ik doe er mijn uiterste best voor dat u zich dit alles ook na mijn heengaan steeds weer voor de geest zult kunnen halen. 16 Toen wij u de glorierijke komst van onze Heer Jezus Christus verkondigden, baseerden wij ons niet op vernuftige verzinsels-integendeel, wij hebben met eigen ogen zijn grootheid gezien. 17 Want Hij ontving van God, de Vader, eer en luister toen de stem van de majesteitelijke luister tegen Hem zei: ‘Dit is mijn geliefde Zoon, in Hem vind Ik vreugde.’ 18 Die stem hebben wij zelf uit de hemel horen klinken toen wij met Hem op de heilige berg waren. 19 Ons vertrouwen in de woorden van de profeten is daardoor alleen maar toegenomen. U doet er goed aan uw aandacht daar steeds op gericht te houden, als op een lamp die in een donkere ruimte schijnt, totdat de dag aanbreekt en de morgenster opgaat in uw hart. 20 Besef daarbij vooral dat geen enkele profetie uit de Schrift een eigenmachtige uitleg toelaat, 21 want nooit is een profetie voortgekomen uit menselijk initiatief: mensen die namens God spraken werden daartoe altijd gedreven door de heilige Geest. (NBV21)

Moet waarheid worden gelegitimeerd? Kun je de waarheid bewijzen? Is waarheid niet dat wat wij voelen dat klopt? Maken we dus eigenlijk niet zelf uit wat waarheid is? De schrijver van deze brief vindt van niet. De Waarheid komt van buiten ons en de hoogste waarheid komt van God. Dat Jezus van Nazareth is verschenen aan ons berust niet op verzinsels. Allen die geloven zullen zeggen dat ze daarvan het onomstotelijk bewijs hebben meegemaakt. Petrus zou zeggen dat ze het van God zelf hebben gehoord toen ze op de berg waren waar ook Mozes en Elia verschenen om met Jezus te praten. Dat wat we weten is dat de liefde ons kan leiden. Als een lamp op onze pad. Niet de angst, niet de angst voor een komend einde van de geschiedenis of welk onheil ons ook wordt voorgehouden. De Bijbel roept voortdurend niet bang en bevreesd te zijn. God is met ons alle dagen van ons leven. Volgens de briefschrijver is er eigenlijk een bijzondere verantwoordelijkheid voor gelovigen.

Die gelovigen komen samen in de gemeente en die gemeente moet al een afspiegeling zijn van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde waar alle tranen gedroogd zijn. Door dat te laten zien worden mensen gewezen op de God van Liefde. Iedereen kent de kerken als plaatsen van naastenliefde. Natuurlijk zijn er veel leden van kerken die gewone mensen zijn en die ook gewoon in de fout kunnen gaan. Maar samen vormen die kerkelijke gemeenschappen toch plaatsen waar veel goeds uit gaat. Er is daar zorg voor de armen te vinden. Veel vrijwilligers in maatschappelijke organisaties zijn leden van een kerk. Je komt ze tegen bij daklozenopvang, in zieken- en verpleegtehuizen, in gevangenissen, bij voedselbanken en sportverenigingen voor jongeren. De coronatijd legde zelfs een heel bijzondere verantwoording op kerkelijke gemeenschappen. Samen zouden ze graag de last delen van de coronamaatregelen, samen zouden ze graag zorgen dat alle leden van de gemeente ook gevaccineerd kunnen worden.

Veel kerken zijn blij hun kerkgebouwen en zalen ter beschikking te kunnen stellen van het middelbaar en voortgezet onderwijs. De Protestantse Kerken in Nederland hebben toen afgezien van het samenkomen op zondag. Vanuit kerken en zalen werden kerkdiensten op Kerkdienstgemist.nl of Kerkomroep.nl gezet. Iedereen kan daar naar kijken en daardoor deel nemen aan de gemeenschap van gelovigen. Soms viert men zelfs op deze manier de gezamenlijke maaltijd ter herinnering aan de dood en opstanding van Jezus van Nazareth. God heeft ons medici, gezondheidswerkers en vaccins gegeven. Als we roep van het Bijbelgedeelte van vandaag volgen dan stelt de Liefde van God ons in staat medemensen te beschermen, medemensen te laten behandelen en hopelijk genezen en medemensen immuun te maken voor corona. Elke dag opnieuw is dat de opdracht van onze God.

Met zelfbeheersing

2 Petrus 1:1-11

1 Van Simeon Petrus, dienaar en apostel van Jezus Christus. Aan allen die dankzij de rechtvaardigheid van onze God en redder Jezus Christus hetzelfde kostbare geloof hebben ontvangen als wij. 2 Genade zij u en vrede, in overvloed, door de kennis van God en van Jezus, onze Heer. 3 Zijn goddelijke macht heeft ons alles geschonken wat nodig is voor een vroom leven, door de kennis van Hem die ons geroepen heeft door zijn majesteit en wonderbaarlijke kracht. 4 Hiermee zijn ons kostbare, rijke beloften gedaan, opdat u zou ontkomen aan het verderf dat de wereld beheerst als gevolg van de begeerte, en opdat u deel zou krijgen aan de goddelijke natuur. 5 Span daarom al uw krachten in om uw geloof te verrijken met deugdzaamheid, uw deugdzaamheid met kennis, 6 uw kennis met zelfbeheersing, uw zelfbeheersing met volharding, uw volharding met vroomheid, 7 uw vroomheid met liefde voor uw broeders en zusters, en uw liefde voor uw broeders en zusters met liefde voor allen. 8 Als u deze eigenschappen in overvloed bezit, is uw kennis van onze Heer Jezus Christus niet nutteloos maar vruchtbaar. 9 Wie ze niet bezit is kortzichtig, ja blind, en vergeet dat hij van zijn vroegere zonden gereinigd is. 10 Span u  daarom des te meer in, broeders en zusters, om uw roeping en uitverkiezing waar te maken. Als u dit alles doet, komt u nooit ten val 11 en zal u onbelemmerd toegang worden verleend tot het eeuwige koninkrijk van onze Heer en redder Jezus Christus. (NBV21)

Aan het eind van het Nieuwe Testament, net voor het bekende boek Openbaring, staat een aantal kleine briefjes die worden toegeschreven aan apostelen. Er zijn er drie van Johannes, twee van Petrus en 1 van Judas. Ze zijn zo klein dat je ze zelden in hun geheel te lezen krijgt. Vandaag beginnen we aan de brief die 2 Petrus genoemd wordt. Omdat de eerste regel zegt dat de brief van Simeon Petrus afkomstig is nam men altijd aan dat de brief kwam van de apostel Petrus die in de Evangelieverhalen voorkomt. Simeon is dan het Hebreeuwse origineel van het Griekse Petrus, beiden betekenen rots. Regels uit die briefjes worden soms nog wel eens misbruikt door predikers die hun eigen fantasieën bewezen willen zien in de Bijbel. Zij pretenderen op grond van hun vermeend geloof in Jezus van Nazareth kennis te hebben die anderen ontgaan is.

Zo gaat er een blaadje rond waarin iemand beweert dat vaccinatie tegen het coronavirus het begin is van het eind der tijden. De Bijbel zelf zegt dat wie beweert het eind der tijden te kennen liegt, niemand weet wanneer het eind der tijden daar is, zelfs de Zoon niet zegt Jezus van Nazareth. Dat blaadje is van groot gevaar overigens. Het pretendeert Christendom te prediken daar waar het alleen verwarring zaait, in het eerste boek Petrus staat dat de verwarrer rondgaat als een briesende leeuw, de schrijver van dat valse blaadje gedraagt zich als die briesende leeuw. Vaccins zijn een geschenk van God, net als de wetenschap. Juist die hoofdstuk uit dit kleine briefje benadrukt dat. We weten dat volgen van Jezus liefde schenken is. Dat is de kennis waar wij op kunnen bouwen. Met die kennis maken we geen gebruik van anderen om onze lusten te bevredigen, Dat levert ons al die eigenschappen op die in dit hoofdstuk beschreven staan.

Vaccins gebruiken we dus niet om verdeeldheid te zaaien. Niet om verschil te maken tussen jong en oud, tussen weerbaar en kwetsbaar, tussen arm en rijk. De vaccins ontvangen we in dankbaarheid en het is aan ons om ook de armsten in de wereld en de meest kwetsbaren mee te laten profiteren van het geschenk dat God ons in die vaccins heeft geschonken. Pas met die liefde wordt ook de kennis over medische behandelingen vruchtbaar. Het is daarom jammer dat de leiding van de Kerken in Nederland, het moderamen van de PKN, de Bisschoppenconferentie van de Roomse Kerk, niet krachtig stelling nemen tegen de opvattingen in het blaadje dat menigeen in verwarring kan brengen en daardoor ook in gevaar voor eigen of andermans gezondheid. De liefde van Christus geeft ons in om ons te houden aan de beschermende regels van het coronaregiem en zo veel mogelijk mensen het mogelijk te maken zich te laten vaccineren. Dit geldt dus ook voor alle andere vaccinaties.

Het land van de levenden

Psalm 27

1 Van David. De HEER is mijn licht, mijn behoud, wie zou ik vrezen? Bij de HEER is mijn leven veilig, voor wie zou ik bang zijn? 2 Kwaadwilligen kwamen op mij af om mij levend te verslinden, mijn vijanden belaagden mij, maar zij struikelden, zij vielen. 3 Al trok een leger tegen mij op, mijn hart zou onbevreesd zijn, al woedde er een oorlog tegen mij, nog zou ik mij veilig weten. 4 Ik vraag aan de HEER één ding, het enige wat ik verlang: wonen in het huis van de HEER alle dagen van mijn leven, om de liefde van de HEER te aanschouwen, Hem te ontmoeten in zijn tempel. 5 Hij laat mij schuilen onder zijn dak op de dag van het kwaad, Hij verbergt mij veilig in zijn tent, Hij tilt mij hoog op een rots. 6 Daarom heft zich mijn hoofd fier boven de vijanden rondom mij, ik wil offers brengen in zijn tent, Hem juichend offers brengen, ik wil zingen en spelen voor de HEER. 7 Hoor mij, HEER, als ik tot U roep, wees genadig en antwoord mij. 8 Mijn hart zegt U na: ‘Zoek mijn nabijheid!’ Uw nabijheid, HEER, wil ik zoeken, 9 verberg uw gelaat niet voor mij, wijs uw dienaar niet af in uw toorn. U bent mij altijd tot hulp geweest, verstoot mij niet, verlaat mij niet, God, mijn behoud. 10 Al verlaten mij vader en moeder, de HEER neemt mij liefdevol aan. 11 Wijs mij uw weg, HEER, leid mij op een effen pad, bescherm mij tegen mijn vijanden, 12 lever mij niet uit aan mijn belagers. Valse getuigen staan tegen mij op en dreigen met geweld. 13 Mag ik niet verwachten de goedheid van de HEER te zien in het land van de levenden? 14 Wacht op de HEER, wees dapper en vastberaden, ja, wacht op de HEER. (NBV21)

Thuis mogen we van het dagelijks leesrooster van het Nederlands Bijbelgenootschap dat we hier volgen weer zingen. En we zingen één van die lofzangen die de leerlingen gezongen zouden kunnen hebben toen ze vol vreugde naar Jeruzalem waren teruggekeerd nadat Jezus van Nazareth was opgenomen in de hemel. Het lied loopt voor ons dus vooruit op Pasen toen de vrouwen een leeg graf vonden nadat ze op de dag er voor, de Sabbat, onze zaterdag, de voorgeschreven rust in acht hadden genomen. Wij zingen een Psalm van David mee. De Heilige Tent heeft hem er kennelijk toe gebracht zich te beseffen dat hij geen enkele angst meer hoeft te hebben voor zijn vijanden. Als hij doet wat er in de richtlijnen staat die in die Heilige Tent worden bewaard, zorgen voor de armen, de zieken, de zwakken, de weduwen en de wees, als koning recht en gerechtigheid betrachten, dan is er in het land niets aan de hand.

Het is niet om straks na de dood in een eventuele hemel al dat geluk te verdienen maar het gaat er om hier en nu dat geluk te verwerven, in het land van de levenden. Bijgelovige Christenen spreken dezer dagen nog al eens over de hemel, en of je wel geloofd dat je daar na je dood terecht komt en dat er dan ook nog een streng oordeel staat te wachten over alles waar je verkeerd hebt gedaan in je leven. Het enige wat de Bijbel er over zegt is dat het leven een einde kent, dat je adem van God komt en na het einde van het leven weer naar God terugkeert. Hoe, wat en waar staat er niet bij en soms lijkt het wel of het ook helemaal niet belangrijk is. Wat belangrijk is is hoe het met levende mensen gaat. Met Pasen zal dat klinken als aan de vrouwen bij het graf wordt gevraagd wat ze kwamen doen, de levenden soms zoeken bij de doden ? Het heeft geen zin.

Ons gaat het om de levenden, de armen in Zuid Soedan, de hongerenden in Somalië, de zieken in Zuid-Afrika, de kinderen met Aids, de gevangenen in China, de kinderarbeiders in India en Indonesië, de vluchtelingen uit het Midden Oosten, vrouwen en kinderen in de Gaza strook, de burgers in de Oekraïne en al die andere broeders en zusters van ons, veraf en dichtbij, die worden uitgebuit, uitgehongerd, geknecht en vernederd en beroofd van de meest elementaire mensenrechten. Dat is het land van de levenden waarin wij leven en waar wij een klein stukje van wat we verstaan onder hemel op die aarde zouden moeten kunnen laten zien. Ook als we een dag vrij zijn van arbeidsverplichtingen zouden we daaraan mee kunnen werken. In Wereldwinkels, met Fair Trade, met FSC hout en met datgene wat ons beschikbaar staat. Dan staan we vandaag al op tegen alle dood in de wereld.

Deze stad

Jeremia 17:19-27

19 Dit zei de HEER tegen mij: ‘Ga in de Volkspoort staan, die de koningen van Juda plegen te gebruiken, en in de andere poorten van Jeruzalem. 20 Verkondig daar: Koningen van Juda, inwoners van Juda en Jeruzalem, jullie die door deze poorten naar binnen gaan, luister naar de woorden van de HEER. 21 Dit zegt de HEER: Als je leven je lief is, wacht je er dan voor om op sabbat goederen door de poorten van Jeruzalem naar binnen te brengen 22 en om uit jullie huizen goederen naar buiten te brengen. Verricht ook verder geen enkele bezigheid en vier de sabbat als heilige dag zoals Ik jullie voorouders geboden heb. 23 Maar zij luisterden niet, schonken Mij geen gehoor; zij waren halsstarrig en ongehoorzaam en lieten zich niet terechtwijzen. 24 Als jullie wel naar Mij luisteren-spreekt de HEER -en op sabbat geen goederen door de poorten van deze stad naar binnen brengen, de sabbat als heilige dag vieren en niet werken, 25 dan zullen Davids troonopvolgers voor altijd door de poorten van deze stad naar binnen gaan, gezeten op paarden of rijdend op wagens en vergezeld van hun raadsheren, evenals de inwoners van Juda en Jeruzalem. Dan zal deze stad altijd bewoond blijven. 26 En uit de steden van Juda, de omgeving van Jeruzalem, het stamgebied van Benjamin, het heuvelland, het bergland en de Negev zal men brandoffers, vredeoffers, graanoffers, dankoffers en wierook naar de tempel van de HEER brengen. 27 Maar als jullie geen gehoor geven aan mijn gebod om de sabbat als heilige dag te vieren, als jullie op die dag goederen door de poorten van Jeruzalem naar binnen blijven brengen, zal Ik de poorten in vlammen doen opgaan, en zal vuur de burchten van Jeruzalem verteren-en niemand die het zal blussen.’ (NBV21)

De jonge Leviet Jeremia moet om te beginnen maar eens in de poort van de stad gaan zitten. Voor ons is dat een rare plaats maar voor het volk Israël was het de plaats waar recht werd gesproken. Oude en wijze mensen en priesters die geen dienst hadden verzamelden zich daar. In onze dorpen hebben we vaak ook van die plekken. Op het marktplein, op de boulevard, bij een sluis daar staat vaak een bankje dat spottend de leugenbank wordt genoemd. In het oosten van het land heb je soms een karakteristiek dorpsplein dat de “Brink” genoemd word. Dat plein was in vroeger dagen de plaats waar de oudsten van het dorp of de regio bijeen kwamen om recht te spreken. Bij het volk Israël was die verzamelplek bij de poort een heel belangrijke. Daar legde je je geschillen voor en daar ging Jeremia dus zitten.

Het eerste dat hem opviel was dat de Sabbat geen andere dag was dan de andere. De stroom goederen die de stad inkwam bleef even groot. Onder de goddelijke richtlijnen uit de woestijn zou je verwachten dat op die ene dag in de week het rustig zou zijn. Dan zouden mensen en dieren rust kunnen nemen en zouden de mensen zich met andere zaken dan winst en profijt kunnen bezig houden. Niets was er meer van te merken. Jeremia roept op om terug te keren naar de goede gewoonten. Als iedereen alleen voor zichzelf leeft, alleen voor zichzelf zorgt dan kom je altijd op een dag in de problemen. Wij kennen dat ook. In de meeste steden zijn brandweerlieden vrijwilligers. Vanouds de winkeliers en de ambachtslieden, zij kunnen hun werk onderbreken om een brand te blussen. Sinds de winkeliers en ambachtslieden niet meer in de binnensteden wonen en ook op zondag moeten werken wordt het steeds moeilijker om vrijwilligers te vinden.

Als we doorgaan met de zogenaamde 24 uurs economie is er straks niemand meer om een brand te blussen. Jeremia herhaalt zijn waarschuwing meerdere malen. Hij weet dat iedereen een nieuwe kans verdient. Wij weten dat ook. Ons systeem van TBS maakt dat ook bij de ergste misdrijven mensen de kans krijgen zich radicaal en grondig te veranderen. Ze hoeven dat niet alleen en eenzaam te doen, ze krijgen er alle hulp bij. Het systeem staat eigenlijk altijd ter discussie, het kan immers altijd beter en we willen terecht risico’s vermijden. Maar mensen een nieuwe kans geven blijft het uitgangspunt. Dat zal zelfs het uitgangspunt moeten zijn bij een levenslange gevangenisstraf. Het is dus ook niet te laat terug te keren naar de zondagsrust. Dat is niet religieus of alleen voor kerkgangers. Het bevrijdt iedereen van de voortdurende dwang van produceren en consumeren. We werken om te leven en we leven niet om te werken. En leven doen we alleen samen, als iedereen vrij is.

 

Een struik in een dorre vlakte.

Jeremia 17:1-18

1 De zonde van de Judeeërs staat geschreven met een ijzeren stift, met een diamanten punt staat ze gegrift in hun hart en op de hoorns van hun altaren. 2 Ook hun kinderen houden hun altaren en Asjerapalen in ere, bij bladerrijke bomen en op hoge heuvels, 3 op de bergen in het veld. Jullie rijkdom, schatten en offerhoogten laat Ik plunderen, om de zonden die jullie overal hebben begaan. 4 Het land dat Ik je schonk, zul je moeten verlaten, Ik maak je de slaaf van je vijanden in een onbekend land. Want het vuur van mijn toorn is ontstoken en zal altijd blijven woeden. 5 Dit zegt de HEER: Vervloekt wie op een mens vertrouwt, wie zijn kracht ontleent aan stervelingen, wie zich afkeert van de HEER. 6 Hij is als een struik in een dorre vlakte, hij merkt de komst van de regen niet op. Hij staat in een steenwoestijn, in een verzilt en verlaten land. 7 Gezegend wie op de
HEER vertrouwt, wiens toeverlaat de HEER is. 8 Hij is als een boom geplant aan water, zijn wortels reiken tot in de rivier. Hij merkt de komst van de hitte niet op, zijn bladeren blijven altijd groen. Tijden van droogte deren hem niet, steeds weer draagt hij vrucht. 9 Niets is zo onbetrouwbaar als het hart, onverbeterlijk is het, wie zal het kennen? 10 Ik, de HEER, ben het die het hart doorgrondt, die nieren toetst, die ieder naar zijn levenswandel beloont, aan ieder geeft wat hij verdient. 11 Zoals een patrijs eieren uitbroedt die ze niet heeft gelegd, zo is een mens die op oneerlijke wijze rijkdom verwerft. In de bloei van zijn leven verliest hij alles, als zijn einde komt, blijkt zijn dwaasheid.’ 12 ‘Een luisterrijke troon, hoogverheven vanaf het begin, dat is ons heiligdom. 13 HEER, bron van Israëls hoop, wie U verlaten, zullen te schande staan, wie van U weggaan, zullen in het stof worden geschreven, want ze hebben de HEER, de bron van levend water, verlaten. 14 Genees mij, HEER, dan zal ik gezond zijn, red mij, dan zal ik veilig zijn. U wil ik altijd loven. 15 Ze zeggen tegen mij: “Wat komt er uit van de woorden van de HEER?” 16 Ik ben U, mijn herder, nooit ontvlucht, naar een onheilsdag heb ik nooit uitgezien. U weet wat over mijn lippen komt, al mijn woorden zijn U bekend. 17 Word niet mijn ondergang-niet U! U bent toch mijn toevlucht in tijden van nood? 18 Laat mijn achtervolgers te schande staan-niet mij! Laat hen ten onder gaan-niet mij! Breng onheil over hen, tref hen, tref hen dodelijk.’ (NBV21)

In de dagen van Jeremia had het volk ook de mode van de vele goden gevolgd. Zozeer zelfs dat de God van Israël via Jeremia had laten weten dat die God zijn handen van het volk had afgetrokken. Die God had zijn richtlijnen te geven. Houd van je naaste zoals je van jezelf. Samen delen, alles voor elkaar overhebben, voor elkaar door het vuur gaan. Een hartinfarct komt onverwacht. Chronisch hartfalen en hartritme stoornissen spelen altijd onverwacht op. Maar in de dagen van Jeremia werd er iets heel anders bedoeld als men het heeft over het hart. Wij zeggen tegenwoordig dat het gaat om waar je je zinnen op hebt gezet. Staan ze op rijkdom, hoe dan ook en met alle middelen, of staan ze op gerechtigheid, voor iedereen. Het is God die weet waar men de zinnen op heeft gezet. Als we God volgen dan weten wij dat ook best. Zij die de God van Israël volgen hebben hun zinnen gezet op recht en gerechtigheid, ze hongeren en dorsten er naar. Zij die de weg van de God van Israël niet volgen gaat het om klatergoud, om goud en zilver dat vergaat. Zelfs gestolen goed gedijt niet. Die ongelovigen maken het de jonge profeet Jeremia niet gemakkelijk. Hij heeft nog weet van die tent die het volk in de woestijn had gemaakt.

Met goud en zilver bekleed. In het centrum stond een houten kist met goud bekleed, daarop gevleugelde figuren, de cherubs, en er in de stenen tabletten met de woorden die het volk op weg hadden gezet. Jeremia kwam uit een geslacht van priesters en hij was voorbestemd om dienst te gaan doen in de tempel in Jeruzalem. De tempel was na de intocht in het beloofde land gebouwd door koning Salomo. In de tijd van Jeremia was dat al weer lang geleden. In die tempel stond ook de tafel met het brood voor de priesters, stond ook het wasbekken en de altaren die al in de woestijn waren gemaakt. Al die zaken herinnerden aan de spelregels waartoe het volk zich had verplicht. Geen andere goden aanbidden, niet vergeten dat je van slaven afstamt, mekaar niet voor gek houden in processen, niet altijd maar meer willen hebben dan een ander, niet je eigen ideeën gemakkelijk voorzien van het etiket “Gods Wil”, kortom van je naaste houden als van jezelf en recht en gerechtigheid nastreven. Maar wat levert het op werd Jeremia voor de voeten gegooid, heb je er wat aan, kom je er verder mee in de wereld.

Jeremia krijgt het er benauwd van. Het gaat helemaal niet om aanzien en eer in de wereld. Het gaat helemaal niet om het afdwingen van vruchtbaarheid, profijt en winst. Juist als je niet die richtlijnen uit de woestijn volgt sta je voor gek. Dan kunnen negatieve etiketten als egoïst gemakkelijk op je geplakt worden. Dan droogt de bron van goede ideeën op, dan wordt het leven stoffig omdat het alleen nog maar gaat om het stoffelijke. Dan gaat het niet meer om samen, maar om alleen voor jezelf. Uiteindelijk sterf je dan ook alleen. Slobodan Milosovic was daarvan een schrijnend voorbeeld. Hoeveel hij ook dacht voor zijn volk te betekenen, hij stierf in een cel en van zijn volk rouwde er bijna niemand. Door zijn eigen volk boven anderen te stellen kwam hij uiteindelijk op de onderste ladder van het aanzien in de wereld. Niets en niemand kon hem daar meer van redden. De weg van Jeremia, van het volk Israël en voor ons van Jezus van Nazareth is een betere weg. Die weg voert naar een koninkrijk met een luisterrijke troon. Die troon staat in het hart gegrift en zet ons dagelijks op weg naar onze naaste, die heeft dat verdiend.

De beker van bevrijding

Psalm 116

1 De HEER heb ik lief, Hij hoort mijn stem, mijn smeken, 2 Hij luistert naar mij, ik roep Hem aan, mijn leven lang. 3 Banden van de dood omknelden mij, angsten van het dodenrijk grepen mij aan, ik voelde angst en pijn. 4 Toen riep ik de naam van de HEER: ‘HEER, red toch mijn leven!’ 5 De HEER is genadig en rechtvaardig, onze God is een God van ontferming, 6 de HEER beschermt de eenvoudigen, machteloos was ik en Hij heeft mij bevrijd. 7 Kom weer tot rust, mijn ziel, de HEER heeft naar je omgezien. 8 Ja, U hebt mijn leven ontrukt aan de dood, mijn ogen gedroogd van tranen, mijn voeten voor struikelen behoed. 9 Ik mag wandelen in het land van de levenden onder het oog van de HEER. 10 Ik bleef vertrouwen, ook al zei ik: ‘Ik ben diep ongelukkig.’ 11 Al te snel dacht ik: Geen mens die zijn woord houdt. 12 Hoe kan ik de HEER vergoeden wat Hij voor mij heeft gedaan? 13 Ik zal de beker van bevrijding heffen, de naam aanroepen van de HEER 14 en mijn geloften aan de HEER inlossen in het bijzijn van heel zijn volk. 15 Kostbaar in de ogen van de HEER is het leven van zijn getrouwen. 16 Ach HEER, ik ben uw dienaar, uw dienaar ben ik, de zoon van uw dienares: U hebt mijn boeien verbroken. 17 U wil ik een dankoffer brengen. Ik zal de naam aanroepen van de HEER 18 en mijn geloften aan de HEER inlossen in het bijzijn van heel zijn volk, 19 in de voorhoven van het huis van de HEER, binnen uw muren, Jeruzalem. Halleluja! (NBV21)

Vandaag zingen we met de kerk een danklied mee. We zingen tenminste op het eind dat we een dankoffer willen brengen. Maar waar zijn we dan wel zo dankbaar voor. We hebben immers geleerd dat geloven in de God van Israël geen verzekering is tegen rampspoed en ongeluk. Dat kan je evengoed overkomen, maar waar moet je dan dankbaar voor zijn. Deze psalm schetst dat heel nauwkeurig. Geloof in de God van Israël bevrijdt je van de angst voor de dood. Ieder mens sterft immers, daar hoef je niet bang voor te zijn. Wat er eventueel na de dood staat te gebeuren weten we niet. In het boek van de wording van de mens, in Genesis, staat dat de mens de levensadem van God heeft gekregen en dat die levensadem terugkeert naar God als de mens sterft. Dat is een hele geruststelling. Verder gaat het er in het leven om je naaste lief te hebben als jezelf en dus te werken aan een samenleving waarin alle mensen meetellen en waar van alle mensen gehouden wordt.

Die liefde en die samenleving hangen niet van ons als individuele mensen af, dat werk erven we van onze voorouders die er ooit mee begonnen zijn en we mogen het doorgeven aan de kinderen en kleinkinderen die na ons komen. In die geschiedenis leven we dus eeuwig als we mee doen aan dat bouwen aan wat wel genoemd wordt het koninkrijk van God. Angst voor de dood hoeven we dus niet meer te hebben. En de bevrijding van de angst voor de dood maakt dat we kunnen leven alsof we eeuwig leven. Ondanks alle tegenslagen die we kunnen tegenkomen blijven we dag aan dag weer opnieuw werken aan dat nieuwe Koninkrijk, in de vaste overtuiging dat het komt. Ja zelfs op één en dezelfde dag kunnen we er weer duizend keer aan beginnen. Dat doen komt omdat we ook geloven dat het voor elk van ons elke dag ook afgelopen kan zijn. Er is geen tijd om de komst van het Koninkrijk uit te stellen. Wie het lijden van de mensen in de wereld beschouwt wil er zelfs geen moment mee wachten.

De God van Israël is een God van ontferming en daarom ontfermen wij ons over de mensen die ontferming nodig hebben. De vluchtelingen, mensen die van haard en huis verdreven zijn, de hongerigen, de armen, de zwakken, de zieken en zij die hun naasten verloren hebben, de gevangenen, de mensen die vernederd en geknecht worden, de weduwen en de wezen. Daarvoor mogen zorgen maakt je dankbaar, dat zorgen maakt dat het leven zin krijgt, want je leeft niet langer alleen, je schenkt het leven aan hen die de dood onder ogen zagen. Daarom heffen we de beker van de bevrijding, de beker die we niet alleen drinken maar delen met ieder die dat nodig heeft, daarom brengen we een dankoffer, het brood dat we breken en delen met een ieder die honger heeft. Dat maakt dat de hele wereld de Tempel wordt waar de Wet van heb uw naaste lief als uzelf wordt gevierd. Ook vandaag.

Een bronzen muur

Jeremia 1:13-19

13 De HEER richtte zich opnieuw tot mij: ‘Wat zie je?’ Ik zei: ‘Ik zie een gloeiend hete kookpot, die vanuit het noorden overhelt.’ 14 Toen zei de HEER: ‘Vanuit het noorden zal onheil over alle inwoners van dit land worden uitgestort. 15 Ik roep de volken van alle koninkrijken uit het noorden op-spreekt de HEER. Ze zullen dit land binnenvallen en hun tronen voor de poorten van Jeruzalem zetten, rondom de muren en om alle andere steden van Juda. 16 Ik zal de Judeeërs vonnissen voor al het kwaad dat ze hebben gedaan. Ze hebben Mij verlaten, wierook gebrand voor andere goden en geknield voor wat ze zelf gemaakt hebben. 17 Jij, Jeremia, maak je gereed en zeg hun alles wat Ik je opdraag. Laat je door hen geen angst aanjagen, anders zal Ik jou angst aanjagen in hun bijzijn. 18 Ik maak je nu tot een vestingstad en een ijzeren zuil, tot een bronzen muur om stand te houden tegen het hele land: de koningen en leiders van Juda, de priesters en het volk. 19 Ze zullen je bestrijden, maar je niet overwinnen, want Ik zal je terzijde staan en je redden-spreekt de HEER.’ (NBV21)

Jeremia zag, als hij goed keek, zag hij niets dan dreiging groeien voor zijn land en zijn volk. De richtlijn van de God van Israël, het heb Uw naaste lief als Uzelf, was vergeten. Overal werd afgodendienst bedreven. En rondom klonterden de volken samen tot machtige rijken. Vooral in het noorden werd de dreiging voor kleine volkjes als Juda steeds groter. Dat kon nooit goed aflopen. Er zou een dag komen dat Israël, dat zelfs Juda, niet meer zou bestaan en dat vreemde volken zouden heersen over Jeruzalem. Een volk dat geen respect meer kan afdwingen door te zorgen voor de minsten en de zwaksten in zijn samenleving zal behandeld worden net als alle andere volken die bezetters kennen en vreemde heersers. Het beeld van de overhellende pot kokend water op een vlammend vuur zegt genoeg. Als je je door de wind van het noorden laat verwarmen dan zul je bij het noorden moeten horen.

Die windstreken moet je dus niet zo letterlijk nemen maar als je meegaat in een cultuur van haat en eigenwaan dan zul je overheerst worden door een cultuur die je vreemd is en die haat zaait en van eigenwaan druipt. Het is de jonge Jeremia angstig te moede als hij beseft dat hij deze boodschap van onheil en ondergang moet brengen aan zijn volk en vooral aan de leiders van zijn volk. Maar de God van Israël maakt hem sterk, een vestingstad, een ijzeren zuil, een bronzen muur. Hij kan tegenstand verwachten maar uiteindelijk zal hij onverslaanbaar blijken. Het zijn beelden die in scherp contrast lijken te staan met het beeld uit het begin van dit hoofdstuk. Een bronzen muur tegenover een bloeiende amandeltwijg, een ijzeren zuil tegenover ons sneeuwklokje. Maar dat contrast is maar schijn.

Zoals de amandeltwijg en het sneeuwklokje een geweldige kracht in zich moeten hebben om tegen de winterkou in toch tot bloei te komen zo schuilt in de jonge Jeremia, en dus in alle jongeren, een geweldige kracht als ze de mensen op roepen om de weg van de wereld te verlaten en de Weg van de God van Israël te volgen. Niet langer zal vruchtbaarheid, zullen winst en profijt, voorop moeten staan, maar de zorg voor de minsten op aarde zal het handelen van mensen en volken moeten bepalen. Ja de zorg voor de aarde zelf moet centraal staan. Delen zal het werkwoord moeten zijn dat hebben verdrijft. Niet de prachtigste technologische uitvindingen die de mode van vandaag bepalen maar het voeden van de hongerigen en het kleden van de naakten zullen de wereldwijde aandacht moeten hebben. Als dat gebeurd zal ook bij ons onweerstaanbaar de lente aanbreken, dwars tegen alle winterkou in. We kunnen er vandaag nog mee beginnen.

Verzamelen!

Jeremia 1:4-12

4 Laat je besnijden voor de HEER, ontdoe je van de voorhuid van je hart, inwoners van Juda en Jeruzalem. Anders slaat zijn toorn uit als een vuur, een brand die niet te blussen is, vanwege jullie kwalijke praktijken. 5 Maak bekend in Juda, laat horen in Jeruzalem, beveel: “Blaas de ramshoorn in het land!” Roep luid: “Verzamelen! Verschans je in je vestingsteden. 6 Wijs met de strijdvaan naar Sion! Vlucht, blijf niet staan!” Want Ik breng onheil uit het noorden, en grote rampspoed! 7 Zoals een leeuw uit het struikgewas springt, zo doemt een vernietiger van volken op, rukt de vijand op uit zijn gebied. Hij maakt je land tot een woestenij. Je steden vallen in puin, worden ontvolkt. 8 Hul je daarom in het zwart, weeklaag, barst uit in jammerklachten. Onstuitbaar is de brandende toorn van de HEER. 9 Op die dag-spreekt de HEER – ontzinkt de koning en de leiders alle moed. De priesters zijn ontzet, de profeten verbijsterd.’ 10 Ik zei: ‘HEER, mijn God, U hebt Jeruzalem en dit volk misleid: wij zouden in vrede leven, toch staat het zwaard ons op de keel!’ 11 ‘Dan zeg Ik Juda en Jeruzalem: Vanuit de kale heuvels in de woestijn waait een verzengende wind naar mijn volk. Geen wind om het koren te wannen, 12 Ik stuur een woeste wind. Nu, ja nú vel Ik mijn oordeel over hen. (NBV21)

Jeremia is vaak de profeet van de wanhoop. Hij gelooft rotsvast in de God van Israël die het volk had uitgekozen en zou beschermen maar hij ziet voortdurend het tegendeel. Hij ziet ook dat het volk de weg van de God van Israël heeft verlaten. Dat de leer van Mozes eigenlijk niet meer wordt onderwezen. Dat de offers in de Tempel eerder zijn om de God van Israël om te kopen dan om te laten zien hoe het volk willen delen, met aandacht voor de minsten in de samenleving. Het lijkt er op dat het volk van Israël eigenlijk helemaal niet meer bij dat volk willen horen. Jongens worden niet meer besneden en de reinheid van vrouwen wordt verwaarloosd. Daarom de oproep om je weer te laten besnijden. Dat kan als jongetje maar Abraham en Mozes werden op latere leeftijd besneden. Zonder die besnijdenis blijft er geen volk Israël over en heeft straks ook die God geen volk meer dat hem eer bewijst. Het is alsof die God niet bij dat volk hoort, zoals een reiziger wel te gast is en mee mag eten en mag blijven slapen maar dan weer verder reist omdat hij er niet bij hoort.

Het antwoord van de God van Israël is dat het volk zelf afgedwaald is van de God van Israël, niet God laat het volk in de steek, het volk laat die God in de steek, heeft die God al lang geleden in de steek gelaten door andere goden achterna te lopen. Ophouden met het recht doen aan de weduwe en de wees heeft gevolgen. De goden van vruchtbaarheid en voorspoed voorrang geven boven de God van Israël, van delen met de zwaksten en de minsten, is lang nadien nog te merken. En ook wij mogen ons daar zorgen over gaan maken. Talloze gehandicapten die afhankelijk zijn van een beschermde werkomgeving zijn op straat komen te staan. Ze zullen ons als een molensteen om onze hals gaan hangen. Het miljard dat bezuinigd wordt op ontwikkelingssamenwerking zal niet alleen voor ontelbare hongerdoden gaan zorgen het zal zich ook tegen ons keren. Het zal een voedingsbodem worden voor haat en wrok.

Jonge mensen zullen zich genoodzaakt zien van onze rijkdom te komen halen als wij hen geen toekomst willen geven en niet willen delen. Dat zijn geen dreigingen, zo gaan die zaken. In ons eigen land zijn Oost Groningen en Limburg leeggelopen omdat wij het werk en de rijkdom eenzijdig concentreren in de Randstad. Zo zal het ook gaan met arme delen van Europa en met Afrika. Nu zijn de eerste sporen ervan al te merken. Maar net als het volk van Jeremia dat doof bleef voor de waarschuwingen toen het nog kon, blijven ook onze bestuurders doof en gedogen ze slechts dat de ene groep in de samenleving opgehitst wordt tegen de andere. Ze stellen ondertussen wel de woonsubsidie voor de rijken veilig. Alleen samen met mensen die ook geloven in de wereld zonder honger en geweld kan dat tij gekeerd worden. Dan moeten allen opstaan en stem geven aan de armen en aan het werk gaan voor dat Koninkrijk van de God van Israël, vandaag kan het nog.

Uit de diepte

Psalm 130

1 Een pelgrimslied. Uit de diepte roep ik tot U, HEER, 2 Heer, hoor mijn stem, wees aandachtig, luister naar mijn roep om genade. 3 Als U de zonden blijft gedenken, HEER, Heer, wie houdt dan stand? 4 Maar bij U is vergeving, daarom eert men U met ontzag. 5 Ik zie uit naar de HEER, mijn ziel ziet uit naar Hem en verlangt naar zijn woord, 6 mijn ziel verlangt naar de Heer, meer dan wachters naar de morgen, meer dan wachters uitzien naar de morgen. 7 Israël, hoop op de HEER! Bij de HEER is genade, bij Hem is bevrijding, altijd weer. 8 Hij zal Israël bevrijden uit al zijn zonden. (NBV21)

Soms lijkt het er op dat de samenstellers van het Oecumenisch leesrooster een soort toekomstvoorspellers zijn. Gisteren werd de dood van Navalny in Rusland bekend. De oorlog in de Oekraïne kent tegenslagen. En Israël dreigt met een zeer bloedige aanval op een stad in Gaza. Nog afgezien van alle andere oorlogen, onderdrukte volken en schendingen van mensenrechten op de wereld. Niets is minder waar. We leven in de tijd naar Pasen toe waarin de Kerk vanouds meer oog probeert te krijgen voor het lijden in de wereld. In het Latijn staat boven deze Psalm “De Profundis” en voor vele begrafenissen hebben componisten naar aanleiding van deze Psalm de mooiste muziek gecomponeerd. De psalm staat bekend als een inktzwarte psalm. De Latijns Amerikaanse dichter Ernesto Cardenal heeft eens een eigen versie van deze psalm gemaakt. Die begint “Uit de diepten, o Heer, roep ik tot U, ‘s nachts roep ik mijn cel- in het concentratiekamp, in de folterkamer- in het uur van de duisternis- het uur der ondervraging, hoor mijn stem, mijn S.O.S.”

Zo zingt de psalm ook mee met de lijdenden van onze dagen. En dan geeft ook deze psalm, net als de psalm uit de Bijbel, hoop. De Psalm verkondigt bevrijding ook aan de mensen die het meest te lijden hebben van onderdrukking. Het is overigens ook een pelgrimslied. Elk jaar moesten de Israëlieten een paar keer naar Jeruzalem om daar maaltijd te houden met de dienaren van de Tempel, de vreemdelingen, de armen en hun familie. Dat was een offermaaltijd die de hoop op de bevrijding levend kon houden. Want wie het land ook had bezet, hoeveel er ook geroofd was, hoe groot ook de kans dat je tot armoede verviel en in slavernij moest gaan, altijd was er de belofte dat aan de ellende een eind zou komen. Van die hoop kon je dag en nacht leven. Als wachters op de muren van de stad die dag en nacht uitkijken en de hele donkere nacht uitkijken naar het morgenrood dat weer het daglicht brengt.  Ook als je zelf fouten hebt gemaakt die je in de ellendige situatie hebben gebracht dan nog weet je dat als je oprecht berouw hebt van die fouten en je zo verandert hebt dat je die fouten eenvoudigweg niet opnieuw zou kunnen maken dan weet je dat God genadig is en dat je opnieuw mag beginnen.

Daarom komen mensen bij elkaar om tegen het wrede bewind in Rusland op te komen. Daarom komen mensen op straat om steun te betuigen aan de bedreigde Palestijnen. Daarom bestrijden we antisemitisme. Daarom klinkt in ons land gelukkig dezer dagen ook opnieuw het verzet tegen een echt levenslange gevangenisstraf. Dan heeft het zin je te veranderen, dan heeft het zin weer mens te worden, dan kan je op het eind van het leven weer mee doen met de mensen. Het zingen van deze Psalm is nooit vrijblijvend, maar altijd bedoeld als bevrijding. We kijken dus in deze 40 dagen naar al die situaties waarin mensen gevangen zitten. Gevangen in verkeerde informatie. Gevangen in machten die zich onaantastbaar achten. Gevangen in onrechtvaardige handelssystemen. Gevangen in de bescherming van de rijken waardoor eerlijk delen wordt tegengehouden. We weten dat 40 dagen niet genoeg zijn,. maar als er iemand uit de dood kan opstaan kan ook de wereld worden veranderd. Daar beginnen we mee door deze Psalm te zingen.

U hebt alles gemaakt

Jeremia 14:17-22

17 Zeg tegen hen: Laten mijn ogen vloeien van tranen, nacht en dag. Ogen, kom niet tot rust, want mijn volk is deerlijk verwond, niet te helen is zijn letsel. 18 Als ik naar de akkers ga, zie ik ze liggen, geveld door het zwaard. Als ik de stad in ga, zie ik ze liggen, uitgeteerd door de honger. Zelfs profeten, zelfs priesters komen terecht in een onbekend land.’ 19 ‘Hebt U Juda verworpen, hebt U van de Sion een afkeer gekregen? Waarom hebt U ons zo hard geslagen dat er geen genezing voor ons is? Wij hoopten op vrede, maar vrede bleef uit, wij verwachtten genezing, maar angst overviel ons. 20 HEER, wij bekennen onze schuld, en de schuld van onze voorouders: wij hebben tegen U gezondigd. 21 Maar verstoot ons toch niet, doe het niet, omwille van uw naam. Ontluister uw troon toch niet, denk aan uw verbond met ons, verbreek het niet. 22 Brengen die nietige goden van andere volken soms regen, of schenkt de hemel buien uit zichzelf? U, de HEER, onze God, doet dat toch? Wij vestigen onze hoop op U, want U hebt alles gemaakt.’ (NBV21)

Hoe breng je een boodschap over, met name de vraag hoe je de boodschap van God overbrengt is hier de vraag. Dat is dus niet alleen door Zijn woord te spreken. Maar je moet het laten zien. De profeet moet hier gaan zitten huilen en tegen het volk zeggen van kijk eens hoe ik huil. En dat huilen is niet voor niks. Er is oorlog geweest en er is alle aanleiding om je de slachtoffers aan te trekken. Dat was het volk Israël niet gewend. God had hen steeds beschermd, maar het volk had liever vertrouwd op sterke bondgenoten en kijk nu eens wat daar het gevolg van is. Niet meer op God vertrouwen maar je afhankelijk maken van wisselende politieke omstandigheden maakt dat er alleen angst overblijft, en doden.

Want waar zijn nu die prachtige leiders die zo mooi konden offeren, zo fraai konden zingen in de Tempel, die op de hoeken van de straten riepen wat het volk zo graag wilde horen. De Priesters en Profeten dwalen radeloos rond. Dit is een land dat ze niet kennen, hier weten ze geen raad mee en kunnen ook geen raad geven. De Priesters hadden aan zichzelf laten offeren, de Profeten hadden de onaantastbaarheid van het volk en haar welvaart gepredikt. En wie niet deelde in die welvaart had dat aan zichzelf te danken. Wie ziek was moest ervaren hoeveel dat eigenlijk kost en wie weduwe geworden was kon uit werken gaan. God had de armen veroordeeld riepen ze.

Jeremia roept op schuld te bekennen. De God van Israël had immers opgeroepen een volk te vormen waarin gezorgd werd voor de armen, waar de weduwe en de wees voorop staat. Daar had die God alles voor gegeven. Niet om de een rijk en de ander arm maar om een volk te krijgen waarin delen voorop staat. Pas als er voor elkaar gezorgd wordt is een land onoverwinnelijk. Dan heb je geen macht en geen dwang meer nodig. Wie heeft deelt vanzelf. Wie offert aan God laat zien dat er dankbaar wordt gedeeld en dat uit het delen de vreugde ontstaat. Alles wat we hebben, alles wat we weten, alles wat we mogen maken krijgen we van God, hebben we uit liefde gekregen om het in liefde door te geven. Dat is vandaag niet anders. Ook onze armen hebben het niet aan zichzelf te wijten, ook de armen en hongerigen elders op aarde hebben dat niet zelf gedaan. Als we rijk zijn dan delen we, dan delen we alles elke dag opnieuw.