Onder het juk van onderdrukkers

Rechters 2:6-23

6 Toen Jozua de volksvergadering had ontbonden, waren de Israëlieten eropuit getrokken om het land in bezit te nemen, elke stam het gebied dat hun was toegewezen. 7 Zolang Jozua leefde, had het volk de HEER gediend. Ook na zijn dood waren ze de HEER blijven dienen zolang er oudsten waren die met eigen ogen hadden gezien welke machtige daden de HEER voor Israël had verricht. 8 Jozua, de zoon van Nun, de dienaar van de HEER, was gestorven toen hij honderdtien jaar oud was. 9 Hij was begraven in het gebied dat hem was toegewezen: in Timnat-Cheres in het bergland van Efraïm, ten noorden van de Gaäs. 10 Toen ook zijn generatiegenoten met hun voorouders waren verenigd, kwam er een volgende generatie, die niet vertrouwd was met de HEER en wat Hij voor Israël had gedaan. 11 De Israëlieten begonnen te doen wat slecht is in de ogen van de HEER: ze gingen de Baäls dienen. 12 Ze keerden de HEER de rug toe, de God van hun voorouders, die hen uit Egypte had geleid, en begonnen achter andere goden aan te lopen die werden vereerd door de volken waartussen ze woonden. Door voor die vreemde goden neer te knielen krenkten ze de HEER. 13 Ze keerden Hem de rug toe om Baäl en de Astartes te dienen. 14 Toen ontstak de HEER in woede tegen de Israëlieten. Hij leverde hen uit aan roversbenden en aan de hen omringende vijanden, zodat ze daartegen geen stand meer hielden. 15 Telkens als ze iets tegen hun vijanden ondernamen, keerde de HEER zich tegen hen, zoals Hij hun gezegd en gezworen had. Steeds weer kregen de Israëlieten het zwaar te verduren. 16 Dan liet de HEER een rechter optreden om het volk te leiden en het te bevrijden van de roversbenden. 17 Maar ook naar hun rechters luisterden ze niet; ze gaven zich af met andere goden en bogen zich voor hen neer. Binnen de kortste keren dwaalden ze weer af van de weg die hun voorouders waren gegaan: die hadden de geboden van de HEER gehoorzaamd, maar zij niet. 18 Steeds wanneer de HEER een rechter liet optreden, stond Hij die bij. Want wanneer het volk zuchtte onder het juk van onderdrukkers, kreeg de HEER medelijden en verloste Hij hen van hun vijanden zolang die rechter leefde. 19 Maar wanneer de rechter dan stierf, verviel het volk van kwaad tot erger. Meer nog dan de generatie voor hen liepen ze achter andere goden aan om die te dienen en bogen ze zich voor hen neer. Ze weigerden hardnekkig hun kwalijke praktijken op te geven. 20 De HEER ontstak in woede tegen Israël en zei: ‘Dit volk overtreedt de regels van het verbond die Ik hun voorouders heb opgelegd en het luistert niet naar Mij. 21 Ik zal daarom geen enkel volk meer verdrijven dat nog in het land woonde toen Jozua stierf.’ 22-23 De HEER had die volken namelijk in het land laten blijven en ze niet onmiddellijk verdreven omdat Hij de Israëlieten op de proef wilde stellen. Hij had ze niet aan Jozua uitgeleverd, omdat Hij wilde zien of de Israëlieten zich net als hun voorouders zouden houden aan de weg die Hij hun had gewezen of niet. (NBV21)

Na de Tweede Wereldoorlog wisten de mensen het zeker, net als na de Eerste Wereldoorlog. Er zou nooit meer oorlog komen. En na de Tweede Wereldoorlog werd ook besloten dat er nooit meer een dictator of een dictatoriale regering de kans zou krijgen om grote groepen inwoners af te slachten zoals dat in de Tweede Wereldoorlog was gebeurd. En vluchtelingen die om wat voor redenen dan ook werden vervolgd zouden niet meer teruggestuurd of geweigerd worden zoals voor de Tweede Wereldoorlog gebeurde, maar zouden moeten worden opgevangen en beschermd. De mensen die de Tweede Wereldoorlog hadden meegemaakt hebben het lang volgehouden hun idealen uit te dragen en te verwezenlijken. Maar net als bij het volk Israël gaat met het verstrijken der jaren de herinnering verloren. En dan komen er andere goden dan de God van Liefde en Bevrijding die de aandacht van de mensen opeisen. De “goden van goud en beloften” noemde Huub Oosterhuis ze eens. De god van de olie is tegenwoordig erg belangrijk, net als de god van het eigen gelijk. En vergeet niet de god van het fundamentalisme, die eigen godsdienst stelt boven de mensen in plaats van ten dienste van mensen.

Er worden weer oorlogen gevoerd zonder de Verenigde Naties, er zijn weer groepen mensen afgeslacht om wie ze waren. Homoseksuelen worden weer opgehangen. Vluchtelingen worden geweigerd en teruggestuurd naar landen met onderdrukking en vervolging. En politici in Nederland zetten de ene bevolkingsgroep tegen de andere op. We weten wel dat het allemaal verkeerd zal aflopen, dat wie haat zaait ook haat zal oogsten. We weten ook wel dat we ons weer aan de wetten van liefde en gerechtigheid zouden moeten houden, maar we zijn vergeten wat we er voor moeten doen. In elk geval klinkt in deze passage uit het boek Rechters een waarschuwing die we in onze zak mogen steken. Altijd als het mis gaat met de samenleving, of mis dreigt te gaan, zijn er steeds weer opnieuw mensen die de goede weg wijzen. Die uitleggen wat de Wet van de Woestijn in een concrete situatie inhoudt en hoe die toegepast moet worden. Die Wet werd ooit door het volk Israel ontdekt in de Sinaï woestijn en het hart van die wet is dat je je naaste lief moet hebben als jezelf. Het volk Israel kreeg in het beloofde land, waar dit boek Rechters over gaat, Rechters, of met een oud woord Richteren.

Niet dat dat nu veel hielp, even ja, maar als de rust weer was hersteld, of de roversbenden waren verdreven, verviel men weer in de oude kwalen. Een paar jaar geleden is er zo’n richter uit onze tijd vermoord. Broeder Roger Schutz uit Taizé. Hij stichtte een broederschap dwars over grenzen van kerken en landen heen in een tijd dat de volken van Europa tegen elkaar te hoop liepen en er verschrikkelijke dingen met mensen gebeurden. Hij wees de weg in de richting van verzoening, en hij wees de weg aan jonge mensen hoe in een nieuwe na oorlogse samenleving ook werkelijk samen geleefd kon worden. De hulp aan de armsten in de wereld speelde daarbij een zeer belangrijke rol. In het gedeelte dat we vandaag hebben gelezen staat dat er steeds weer nieuwe Rechters kwamen, kennelijk gaat dat tot in onze dagen door. Dat geeft hoop en zet ons wellicht ook vandaag nog in beweging in de richting van het rijk waarin iedereen meetelt. Per slot van rekening mogen we er elke dag telkens opnieuw mee beginnen, de weg te volgen van de Wet van Liefde en Rechtvaardigheid, ook vandaag mag dat weer.

Gejammer

Rechters 1:22–2:5

22 Ook de nakomelingen van Jozef rukten op, naar Betel, en de HEER stond hen bij. 23 Ze stuurden verkenners naar Betel, dat vroeger Luz heette. 24 Toen de verkenners een man uit de stad zagen komen, zeiden ze tegen hem: ‘Als u ons wijst hoe we in de stad kunnen komen, zullen wij u goed behandelen.’ 25 De man wees hun hoe ze de stad konden binnenkomen. Ze doodden alle inwoners, maar lieten de man met heel zijn familie in leven. 26 Hij trok naar het land van de Hethieten. Daar bouwde hij een stad die hij Luz noemde, en die zo heet tot op de dag van vandaag. 27 De stam Manasse heeft zich niet meester gemaakt van Bet-San en Taänach en de omliggende dorpen. Ze verdreven ook de inwoners van Dor, Jibleam en Megiddo en de omliggende dorpen niet; in dit gebied handhaafden de Kanaänieten zich. 28 Toen de Israëlieten sterker werden, legden ze de Kanaänieten herendienst op, maar ze verdreven hen niet. 29 De stam Efraïm heeft de inwoners van Gezer niet verdreven; de Kanaänieten daar bleven in hun midden wonen. 30 De stam Zebulon heeft de inwoners van Kitron en Nahalol niet verdreven; de Kanaänieten bleven in hun midden wonen en werden gedwongen tot herendienst. 31 De stam Aser heeft de inwoners van Akko en Sidon niet verdreven en Achlab, Achzib, Chelba, Afek en Rechob niet veroverd; 32 de Aserieten vestigden zich te midden van de Kanaänieten die er woonden en verdreven hen niet. 33 De stam Naftali heeft de inwoners van Bet-Semes en Bet-Anat niet verdreven; ze vestigden zich te midden van de Kanaänieten die er woonden en dwongen hen tot herendienst. 34 De stam Dan werd door de Amorieten teruggedrongen tot in het bergland en kreeg geen kans naar de laagvlakte af te dalen. 35 De Amorieten handhaafden zich in Har-Cheres, Ajjalon en Saälbim, maar toen de nakomelingen van Jozef sterker werden, dwongen zij hen tot herendienst. 36 Het gebied van de Amorieten reikte tot aan de Schorpioenenpas, tot aan Sela en verder. 1 De engel van de HEER kwam uit Gilgal naar Bochim. Daar zei Hij: ‘Ik heb jullie uit Egypte geleid naar het land dat Ik jullie voorouders onder ede had beloofd. Ik heb gezegd dat Ik mijn verbond met jullie nooit zou verbreken. 2 Maar jullie mochten geen verdragen sluiten met de inwoners van dit land en hun altaren moesten jullie afbreken. Maar jullie hebben niet geluisterd naar wat Ik heb gezegd. Hoe hebben jullie dat kunnen doen? 3 Ik heb jullie toch gewaarschuwd dat Ik de inwoners van dit land niet voor jullie zou verdrijven, en dat zij jullie in hun netten zouden verstrikken en hun goden jullie ondergang zouden worden?’ 4 Toen de engel van de HEER deze woorden tot de Israëlieten had gesproken, barstte het volk in gejammer uit. 5 Ze noemden die plaats Bochim en brachten er offers aan de HEER. (NBV21)

De deling van het land Palestina zal nog wel even in het nieuws blijven, er wordt per slot van rekening al sinds 1948 om gevochten. En dan is het goed eens terug te lezen hoe het ook al weer ging, dat delen van het land toen het volk Israël er binnentrok en er ook al Palestijnen woonden. Nu is de Bijbel geen geschiedenisboek, net zomin als het een natuurkundeboek, of een biologieboek, of een aardrijkskundeboek is. De verhalen die in de Bijbel staan gaan over de toepassing van de Wet van de Woestijn, het hart van de Joodse religie die volgens het verhaal van het volk Israël in de Sinaï woestijn was ontdekt. Die Wet heeft als hart de boodschap: “Je moet God liefhebben boven alles en het tweede daaraan gelijk is je naaste liefhebben als jezelf”. Is dat dan terug te vinden bij de manier waarop dat volk uit de woestijn bezit nam van het beloofde land? Lees zelf maar.

In de eerste plaats is er dus geen sprake van een koning of generaal, zelfs nog niet van een Rechter of Richter. Niemand is er baas en niemand oefent macht uit om te laten gebeuren wat men wil laten gebeuren. Er zijn bestaande volken en de stammen van Israël die hun plek willen innemen. Soms verzetten mensen zich, die willen de rijkdom niet delen, die mensen worden bevochten. Zo is er een man uit de plaats die men “huis van brood” noemt, Beth-El in de Statenvertaling, Betel in de Nieuwe Bijbel Vertaling. Die man hielp de nakomelingen van Jozef. Jacob had volgens het verhaal op zijn vlucht naar zijn oom Laban de steen waarop hij had geslapen met olie gezalfd en de naam Betel gegeven. De dorpsgenoten van de man erkenden dat niet, die dorpsgenoten werden dus verslagen en de man en zijn familie werden gespaard. Hij vluchtte wel naar het buitenland staat er dan.

Maar van veel stammen en volken staat er dat ze gingen samenwonen. Soms moesten mensen nog wel tot hulp worden gedwongen maar veel vechten hoefde eigenlijk niet. Samenwonen van verschillende volken kan dus wel. Het zal niet gemakkelijk gaan, er ontstaan voortdurend spanningen, maar als je werkelijk samen wil delen dan moet het gaan zegt dit verhaal ons. Het volk Israël liet ook de vreemde goden bestaan in het land waarin ze gingen wonen, en dat zouden ze weten ook. Wij maakten supermarkten waar je vrij in en uit kon lopen, en dus zonder betalen van alles mee kon nemen. Winkeldiefstal was dus een van de eerste grootstedelijke problemen waar we tegen aanliepen. Vervolgens moesten er poortjes komen en labels en mensen die met beveiliging zijn belast. We blijven de illusie handhaven van een open winkel met goederen die voor het grijpen liggen maar doen er alles aan om de goederen ongrijpbaar te maken.

We maakten onze auto’s zo snel dat ze sneller konden rijden dan eigenlijk mocht, en dus gingen er mensen dood aan snelheidsovertreders. Dus komen er nu snelheidsbegrenzers op de markt en blaaspijpjes die de motor blokkeren als je teveel hebt gedronken. Voor bromfietsen worden zelfs opvoersets verkocht, en dus gaan er kinderen dood aan bromfietsongelukken en moeten jongeren helmen op en rijbewijzen halen. We schijnen ongebondenheid te vaak te verwarren met vrijheid. Als iedereen nu maar alles mag dan wordt iedereen gelukkig. Het heeft heel lang geduurd voordat Paulus opschreef dat alles weliswaar geoorloofd is maar niet alles goed is voor een mens. De maat van de liefde voor mensen, en zeker de liefde voor zwakke mensen is nog steeds niet onze richtlijn. Maar wellicht zijn onze voedselbanken de altaren van deze tijd waarop de welvaartsmaatschappij offers brengt aan de God van liefde, zoals het volk Israël ook ging offeren toen ze was gewaarschuwd. Dat offeren van Israël was immers delen met armen en vreemdelingen in een maaltijd.

 

Zij wonen er tot op de dag van vandaag samen

Rechters 1:1-21

1 Na de dood van Jozua raadpleegden de Israëlieten de HEER: ‘Wie van ons moet als eerste de strijd aanbinden met de Kanaänieten?’ 2 De HEER antwoordde: ‘Juda moet als eerste oprukken; hun geef Ik het land in handen.’ 3 Toen zeiden de Judeeërs tegen de stam Simeon, hun broeders: ‘Trek met ons op naar het grondgebied dat ons door het lot is toegewezen en bind samen met ons de strijd aan tegen de Kanaänieten. Daarna zullen wij op onze beurt met u meegaan naar het grondgebied dat u door het lot is toegewezen.’ Hierop ging Simeon met hen mee. 4 Juda rukte op, en de HEER leverde de Kanaänieten en Perizzieten aan hen uit; bij Bezek versloegen ze er tienduizend. 5 Ze kwamen daar tegenover Adonibezek te staan, bonden de strijd met hem aan en versloegen de Kanaänieten en Perizzieten. 6 Adonibezek sloeg op de vlucht, maar na een achtervolging kregen ze hem te pakken en hakten hem zijn duimen en zijn grote tenen af. 7 Adonibezek riep uit: ‘Ik heb aan mijn hof wel zeventig koningen van wie ik de duimen en grote tenen heb afgehakt en die zich in leven houden met de kruimels onder mijn tafel. God vergeldt mij nu wat ik hun heb aangedaan!’ Hij werd naar Jeruzalem gebracht, en daar is hij gestorven. 8 De Judeeërs deden een aanval op Jeruzalem en veroverden de stad. Ze doodden alle inwoners en lieten de stad in vlammen opgaan. 9 Toen trokken ze verder om de strijd aan te binden tegen de Kanaänieten die in het bergland woonden, in de Negev en in het heuvelland. 10 Eerst vielen ze de Kanaänieten in Hebron aan, dat toen nog Kirjat-Arba heette. Daar versloegen ze Sesai, Achiman en Talmai. 11 Vervolgens trokken ze op tegen Debir, dat toen nog Kirjat-Sefer heette. 12 Kaleb beloofde: ‘Wie Kirjat-Sefer verovert zal ik mijn dochter Achsa tot vrouw geven.’ 13 Otniël, een zoon van Kalebs jongere broer Kenaz, veroverde de stad en kreeg Achsa tot vrouw. 14 Bij haar aankomst spoorde Achsa hem aan om aan haar vader een stuk vruchtbaar land te vragen. Toen ze van haar ezel was afgestegen, vroeg Kaleb haar wat ze verlangde. 15 ‘Geef me toch een geschenk waar ik wat aan heb,’ antwoordde ze. ‘U hebt me dit dorre stuk land gegeven, geef me dan ook bronnen.’ Hierop gaf Kaleb haar zowel de hoog- als de laaggelegen bronnen. 16 Vanuit de Palmstad waren met de Judeeërs ook de Kenieten, stamgenoten van de schoonvader van Mozes, opgetrokken naar het zuidelijke deel van de woestijn van Juda. Zij vestigden zich te midden van de bewoners van het gebied rond Arad. 17 Samen met de stam Simeon versloegen de Judeeërs vervolgens de Kanaänieten in Sefat en vernietigden de stad. Sindsdien heet die stad Chorma. 18 Ook veroverden de Judeeërs het hele gebied van Gaza, het hele gebied van Askelon en het hele gebied van Ekron. 19 Met de hulp van de HEER maakte Juda zich meester van het bergland, maar het lukte niet om de bewoners van de laagvlakte te verdrijven, want die beschikten over ijzeren strijdwagens. 20 Hebron werd, overeenkomstig de woorden van Mozes, toegewezen aan Kaleb, die de drie zonen van Enak uit de
stad verdreef. 21 Maar de Jebusieten in Jeruzalem werden door de stam Benjamin niet verdreven; zij wonen er tot op de dag van vandaag samen met de Benjaminieten. (NBV21)

We beginnen vandaag te lezen in het  boek Rechters. We beginnen bij het begin. Onder leiding van Jozua is het volk Israël het land binnengetrokken en heeft men het land veroverd en nog net onder leiding van Jozua verdeeld onder de stammen en de families van Israël. Het dagelijks leesrooster van het Nederlands Bijbelgenootscchap, dat we van dag tot dag volgen in de nieuwe Bijbelvertaling is al lang geleden vastgesteld. Toch valt op dat de actualiteit steeds terug te vinden is in het te lezen bijbelgedeelte. Gaat het nieuws over de Gazastrook, vandaag lezen we over de verovering van Gaza, en het land Israel. In het Bijbelboek dat in de nieuwe vertaling Rechters heet, vroeger heette dat voor Protestanten, Richteren. Dominee Ousoren, die de Naardense Bijbelvertaling heeft verzorgd, noemt het boek nog steeds Richteren. En de Naardense Bijbel is wel een heel letterlijke vertaling van de oorspronkelijke Hebreeuwse en Griekse teksten.

Rechters geeft het misschien toch wel goed weer. De richtlijnen voor de menselijke samenleving moesten worden toegepast in het land overvloeiende van melk en honing en iemand moet bij geschillen over de uitleg van de spelregels dan recht spreken. In de Engelse vertalingen heet dit boek dan ook Judges en dat betekent Rechters. Maar Richter geeft het ook goed aan, naast het gericht dat wordt geveld, een oude manier van zeggen dat er een vonnis is, zit er ook het woord richting geven in. Welke richting gaat het volk in. In dit eerste stuk gaat het over het delen van het land. De oorspronkelijke bewoners willen het niet delen, er is genoeg rijkdom, ook voor dat volk uit de woestijn kwam, maar delen is er niet bij.

Alleen de Jebusieten zijn bereid hun stad Jeruzalem te delen en dat wordt dan ook door de stam van de Benjaminieten aanvaard. Delen van het land speelt er vandaag ook nog een rol. Al in 1948 hebben de Verenigde Naties besloten het land Palestina te verdelen tussen de Joden en de Palestijnen, Nederland gaf bij de stemming nog de doorslag. De Palestijnen wilden dat niet, het was immers hun land en die Joden kwamen er alleen maar omdat ze in Europa bijna allemaal vermoord waren. Beide partijen hebben zich decenia geleden mopperend neergelegd bij de deling van het gebied maar voeren dat nog steeds niet uit, integendeel. Na al die jaren ook voor ons tijd om die stem van toen werkelijkheid te doen geven, en te zorgen dat ook de Palestijnen nu een eerlijke kans op een onafhankelijk land krijgen. Met werk, een bestuur en een rechtvaardige plaats onder de volken. Israël kan immers alleen in vrede leven als het bereid is vrede te sluiten met de Palestijnen. Anders gaat het net als in dit Bijbelhoofdstuk en blijft het oorlog.

Niet uit geldingsdrang of eigenwaan

Filippenzen 1:27-2:11

27 Hier gaat het om: blijf leven in overeenstemming met het evangelie van Christus, zodat ik kan zien als ik bij u kom, of als ik niet kom over u kan horen, dat u één van geest bent en eensgezind strijdt voor het geloof in het evangelie. 28 Laat u op geen enkele manier door uw tegenstanders angst aanjagen, want als u standvastig blijft, is dat een teken van God: voor hen dat ze ten onder gaan, voor u dat u wordt gered. 29 Aan u is de genade geschonken niet alleen in Christus te geloven, maar ook omwille van Hem te lijden. 30 U voert dezelfde strijd die u mij vroeger hebt zien voeren en die ik, zoals u hoort, nog steeds voer. 1 Nu u door Christus zozeer bemoedigd wordt en liefdevol getroost, nu er onder u zo’n grote verbondenheid met de Geest is, zoveel hartelijk medeleven, 2 maak mij dan volmaakt gelukkig door eensgezind te zijn, één in liefde, één in streven, één van geest. 3 Handel niet uit geldingsdrang of eigenwaan, maar acht in alle nederigheid de ander belangrijker dan uzelf. 4 Heb niet alleen uw eigen belangen voor ogen, maar ook die van de ander. 5 Laat onder u de gezindheid heersen die Christus Jezus had. 6 Hij, die de gestalte van God had, maakte er geen aanspraak op aan God gelijk te zijn, 7 maar deed afstand van zijn positie en nam de gestalte aan van een dienaar. Hij werd gelijk aan de mensen, en als mens verschenen 8 heeft Hij zich vernederd en werd gehoorzaam tot in de dood-de dood aan het kruis. 9 Daarom heeft God Hem hoog verheven en Hem de naam geschonken die elke naam te boven gaat, 10 opdat in de naam van Jezus elke knie zich zal buigen, in de hemel, op de aarde en onder de aarde, 11 en elke tong zal belijden: ‘Jezus Christus is Heer,’ tot eer van God, de Vader. (NBV21)

Paulus wordt lyrisch als hij het over de nieuwe manier van leven van de mensen van de Weg heeft. Hij gaat er zelfs van zingen. Samen strijd je voor het geloof in een nieuwe samenleving. Voor de mensen in Filippi was dat een samenleving waarin elk leven telde, waarin elk mens mocht meedoen. Waar er geen onderscheid meer was tussen slaven en vrijen. Dat was al zo volstrekt revolutionair dat slavenhouders en slavenhandelaren er tegen in geweer kwamen. En soms ook slaven zelf, want goede slaven hadden soms ook een goed leven en werden door hun heer beschermd. Zelf verantwoordelijkheid op je nemen is dan beangstigend. Maar in de gemeente van Christus gaat het daar nu juist om. Daar ben je de hoeder van elke broeder en zuster, daar is altijd de ander belangrijker dan je zelf. Voor veel mensen is de aandacht en de liefde die men krijgt binnen een gemeente, de warmte die er tussen mensen hoort te heersen, weldadig. Zeker als je in een samenleving leeft waar onverschilligheid naar elkaar de boventoon voert.

De Geest van Jezus van Nazareth is dat je zelfs in een drukke menigte nog de blinde bedelaar langs de kant van de weg ziet zitten en je hand weet uit te steken. Paulus doet een hartstochtelijk beroep op de gemeente in Filippi om samen op die manier te gaan leven. Niet om er zelf belangrijker of beter van te worden, maar omdat het leven voor alle mensen er beter van wordt.Dan wordt het zingen. En de beelden die Paulus hier kiest, misschien heeft hij het lied zelf geschreven, vindt je ook terug bij de profeet Jesaja als die schrijft over de lijdende knecht des Heren. Jezus van Nazareth stierf de dood van een Romeinse slaaf die in opstand was gekomen. Een uiterst pijnlijke en langzame marteldood. Maar de manier waarop Jezus van Nazareth die dood heeft ondergaan was zo hoog verheven boven alles wat mensen hadden opgebracht dat het goddelijk werd.

Toen Jezus van Nazareth gevangen werd liet hij zijn volgelingen hun zwaarden opbergen, hij ging geen enkele strijd aan met zijn rechters. Hij onderging zijn martelingen zwijgend. Hij gaf aandacht en zorg aan misdadigers die met hem werden gekruisigd. En hij zorgde zelfs voor de verzorging van zijn moeder die dit alles moest aanzien. Hij bad om vergeving voor hen die hem kruisigden. Zo had God gewild dat onder alle omstandigheden de mens de naaste liefheeft als zichzelf. Als dat kan in die kruisiging dan moeten wij het zeker onder onze omstandigheden kunnen volhouden. Ook al verklaard de wereld ons voor gek en worden we op alle manieren uitgedaagd eerst voor onszelf te zorgen. Door mee te zingen met Paulus over de knecht van God die de slavendood aan het kruis onderging terwijl hij de mensen lief bleef hebben worden we ons bewust hoezeer wij mensen lief kunnen hebben. En liefhebben kunnen we elke dag, ook vandaag weer.

 

In alle openheid spreken

Filippenzen 1:12-26

12 U moet weten, broeders en zusters, dat wat mij is overkomen er juist toe bijdraagt dat het evangelie wordt verspreid. 13 Het is iedereen in het Romeinse hoofdkwartier en alle anderen duidelijk geworden dat ik gevangenzit omwille van Christus. 14 Bovendien durven de meeste broeders en zusters, omdat ze door mijn gevangenschap vertrouwen in de Heer hebben gekregen, de boodschap nu nog onbevreesder te verkondigen. 15 Sommigen doen dat weliswaar uit afgunst en rivaliteit, maar anderen verkondigen Christus met goede bedoelingen. 16 Zij doen het uit liefde, in het besef dat ik de taak heb het evangelie te verdedigen. 17 De eersten daarentegen verkondigen Christus uit geldingsdrang, met onzuivere bedoelingen, in de veronderstelling dat ze zo mijn gevangenschap verzwaren. 18 Maar wat dan nog! Wat telt is dat Christus verkondigd wordt. Of het nu uit valse of oprechte motieven gebeurt-dát het gebeurt verheugt me. En mijn vreugde is blijvend, 19 omdat ik weet dat dit alles door uw gebed en de hulp van de Geest van Jezus Christus tot mijn redding leidt. 20 Het is mijn stellige hoop en verwachting dat ik mij nergens voor zal hoeven te schamen. Integendeel, ik zal net als altijd in alle openheid spreken, zodat Christus ook bij alles wat ik nu meemaak zal worden geëerd, of ik nu in leven blijf of moet sterven. 21 Want voor mij is leven Christus en sterven winst. 22 Als ik blijf leven, kan ik vruchtbaar werk doen, maar toch weet ik niet wat ik zou kiezen. 23 Ik word naar twee kanten getrokken: enerzijds verlang ik ernaar te sterven en bij Christus te zijn, want dat is het allerbeste; 24 anderzijds is het meer in uw belang dat ik blijf leven. 25 Omdat ik hiervan overtuigd ben, weet ik dat ik inderdaad voor u behouden zal blijven, zodat uw geloof groter en vreugdevoller wordt. 26 Wanneer ik bij u terugkeer, hebt u des te meer reden om u op Christus Jezus te beroemen. (NBV21)

Geleerden nemen aan dat Paulus de brief aan de gemeente in Filippi heeft geschreven toen hij gevangen zat in Efeze. Daar werd hij met de dood bedreigd en zou hij uiteindelijk maar op het nippertje kunnen ontsnappen. Maar zelfs tijdens de gevangenschap blijkt Paulus te zorgen voor zijn metgezellen. Uit Filippi had men Epafroditus gestuurd om Paulus te helpen. Maar die werd behoorlijk ziek en kon het werk niet volhouden. Paulus stuurde hem terug met de brief waaruit we ook vandaag lezen. In het gedeelte van vandaag gaat het met name over de invloed die de dood op ons heeft. Paulus toont eigenlijk aan dat de dood helemaal geen invloed hoeft te hebben op ons handelen. Hij zit gevangen maar heeft iedereen in het gerechtsgebouw, Romeinse hoofdkwartier wordt hier vertaald, er van overtuigd dat hij een boodschap heeft te verspreiden die alle mensen ten goede komt. Maar als het iemand als Paulus, een vreemdeling in Efeze, lukt om zelfs het Romeinse hof onder indruk te brengen, dan kan dat Evangelie kennelijk ongestoord verkondigd worden. Dat doen zijn volgelingen dan ook.

En weer steekt de eigenwaan de kop op. In elke gemeenschap zijn er mensen die zichzelf geweldig belangrijk vinden. Die vinden dat zij degenen zijn die met kop en schouders boven iedereen moeten uitsteken. Overal ontmoet Paulus mensen die hem maar als zwak en onbeduidend afschilderen. Nu kun je, in de positie van Paulus, met zulke mensen in de strijd gaan en Paulus waarschuwt in verschillende brieven uitgebreid voor zulke lieden, maar als ze het goede doen dan zijn ze welkom. Ook al vertegenwoordigt iemand het kwade, met kwade motieven, dan nog is men welkom als men het goede doet. Dat is een boodschap die ook in onze dagen wel eens vaker gehoord mag worden. Als we het hebben over de regel die Jezus van Nazareth ons gegeven heeft dat we een ander niet moeten aandoen wat wij niet willen dat ons aangedaan wordt dan is dat niet exclusief alleen iets voor mensen die geloven in Jezus van Nazareth als bevrijder van het kwade in deze wereld.

In elke godsdienst komen we dezelfde regel tegen en samen met mensen van allerlei verschillende godsdiensten kun je dus het goede doen voor de armen en de minsten in deze wereld, zonder je eigen dienst aan de God van Israël op te geven. Voor Paulus is de oorlog om de verkondiging dus al bij voorbaat gewonnen, als de boodschap maar verkondigd wordt. Hetzelfde geld voor de angst voor de dood. Als je sterft kom je bij Jezus van Nazareth gelooft Paulus, als je leeft kun je aan zijn koninkrijk werken. Beide is winst. En dat mag ook voor ons gelden. Elke dag opnieuw mogen we weer gaan werken aan dat Koninkrijk, hoezeer we dat de dagen er voor ook hebben verwaarloosd. Ook vandaag mogen we daar weer aan werken door het goede te doen en niet dan het goede.

 

Heiligen

Filippenzen 1:1-11

1 Van Paulus en Timoteüs, dienaren van Christus Jezus. Aan alle heiligen in Filippi, die één zijn met Christus Jezus, en aan de leiders en dienaren van de gemeente. 2 Genade zij u en vrede van God, onze Vader, en van de Heer Jezus Christus. 3 Ik dank mijn God altijd wanneer ik aan u denk, 4 telkens wanneer ik voor u allen bid. Dat doe ik vol vreugde, 5 omdat u vanaf de eerste dag tot nu toe hebt bijgedragen aan de verspreiding van het evangelie. 6 Ik ben ervan overtuigd dat Hij die dit goede werk bij u begonnen is, het ook zal voortzetten tot het voltooid is op de dag van Christus Jezus. 7 Het spreekt vanzelf dat ik zo over u denk, want u allen ligt me na aan het hart. U hebt immers allen deel aan de genade die mij geschonken is nu ik gevangenzit en de waarheid van het evangelie verdedig. 8 God kan getuigen dat ik naar u allen verlang met de genegenheid van Christus Jezus. 9 Ik bid dat uw liefde steeds meer aan inzicht en fijnzinnigheid wint,10 zodat u kunt onderscheiden waar het op aankomt. Dan zult u op de dag van Christus zuiver en onberispelijk zijn, 11 vol van de vruchten van de gerechtigheid, die u dankt aan Jezus Christus, tot lof en eer van God. (NBV21)

Vandaag beginnen we weer te lezen in de brief van Paulus aan de gemeente in Filippi. Paulus had een goede band met deze gemeente, dat blijkt ook wel uit het gedeelte dat we vandaag lezen. Filippi was een stad gesticht door de Romeinen. Het was een legerplaats maar het was ook de woonplaats van voorname Romeinen die door de keizer verbannen waren omdat ze tegenstanders van de keizer waren. Een Romeinse legerplaats betekende ook een gemeenschap die sterk leunde op slavenarbeid en die haar cultuur aan de inwoners van het omringende land dwingend oplegde. In die plaats was een gemeente ontstaan van mensen die de steun voor hun leven vonden in de Joodse Leer, met name in het heb Uw naaste lief als Uzelf. Binnen hun gemeenschap was het onderscheid tussen slaven en vrijen, mannen en vrouwen, Grieken,. Romeinen en Joden, ouderen en jongeren, weggevallen. Ze rekenden er op dat er een wereld zou komen waarin geen dood meer zou zijn en alle tranen gewist zouden worden. Aan die gemeente schreef Paulus deze brief en hij begint met te schrijven dat hij elke dag voor hen bid.

Nu kun je elke zondag in elke kerk nog steeds de voorbeden voor mensen ver weg en dichtbij horen. Waarom bidden we eigenlijk in de kerk voor mensen die we niet kennen. Van Paulus kunnen we leren dat bidden ook een middel is om je liefde voor de ander te laten groeien. Bij de voorbeden in de kerk moet je je afvragen wat je zou willen voor die mensen waarvoor je voorbede doet. Je komt er dan achter dat er veel zaken zijn waar je zelf aan kunt bijdragen. Voedsel voor de hongerigen, onderdak voor de daklozen, een veilige plek voor vervolgden en vluchtelingen en vrede in je eigen huis. Maar ook steun en aandacht voor hen die een geliefde verloren. Steun en aandacht voor hen die iemand het gevaar in sturen om onze veiligheid of de veiligheid van anderen te verzekeren. Bidden is dus niet zozeer omhoog kijken naar een God die het allemaal voor elkaar zou moeten boksen, maar is om je heen kijken of je de naaste die je zou moeten liefhebben als jezelf niet vergeet.

Daarom durft Paulus er ook zo uitgebreid over te schrijven. Op deze manier wordt zijn gebed een voorbeeld voor de gemeente in Filippi. En dat voorbeeld wordt nu wij het lezen een voorbeeld voor ons. Want die voorbede hoeft natuurlijk niet alleen in de kerken gedaan worden. Daar kunnen we oefenen. Daar kunnen voorgangers niet alleen voorgaan in gebed maar het ons ook voordoen. Zodat we leren thuis elke dag ons af te vragen wie we extra zouden moeten liefhebben om Jezus van Nazareth na te volgen in zijn zorg en aandacht voor de zwaksten en de minsten onder ons. Dan kunnen wij ook groeien in de liefde. Elke dag weer een beetje groeien, ook vandaag weer, als we naast het bidden ook het werken weten op te brengen.

 

Zonder vrees.

Psalm 112

1 Halleluja! Gelukkig de mens die ontzag heeft voor de HEER en grote liefde voor zijn geboden. 2 Zijn nageslacht geniet aanzien in het hele land, de oprechten worden gezegend. 3 Rijkdom en weelde bewonen zijn huis, en zijn rechtvaardigheid houdt stand, voor altijd. 4 Hij straalt voor de oprechten als licht in het duister, genadig, liefdevol en rechtvaardig. 5 Goed gaat het wie genadig is en vrijgevig, wie zijn zaken eerlijk behartigt. 6 De rechtvaardige komt nooit ten val, men zal hem eeuwig gedenken. 7 Voor slechte tijding vreest hij niet, zijn hart is gerust: hij vertrouwt op de HEER. 8 Standvastig is zijn hart en zonder vrees. Aan het eind ziet hij zijn vijanden verslagen. 9 Gul deelt hij uit aan de armen, zijn rechtvaardigheid houdt stand, voor altijd, hij zal stijgen in aanzien en eer. 10 Kwaadwilligen zien het met ergernis aan, ze verbijten zich en verliezen de moed, al hun plannen gaan op in rook. (NBV21)

Vandaag zingen we een vrolijk lied mee met de Kerk van alle tijden. Een echt Joods lied dat zich leent om gezongen te worden bij feestdagen. Dit soort liederen leent zich ook uitstekend voor een optocht van mensen die samen naar een doel op weg zijn. En dat doel zou er vandaag, zo aan het eind van de zomer, ook bij ons kunnen zijn. We vieren immers dat we een goede oogst hebben gehad en de vakbonden leggen hun looneisen op tafel omdat de winsten weer stijgen. Tijd om te delen met hen die achterblijven.

Het volk Israël kende drie zogenaamde pelgrimsfeesten. Dan moest het volk optrekken naar Jeruzalem om daar met de familie, de knechten en dienstmeiden, de slaven en slavinnen, de armen uit het dorp en de vreemdelingen die bij hen woonden en de levieten bij de Tempel een maaltijd houden. De drie feesten waren het Pesachfeest als de gerst oogst was binnengehaald, het Wekenfeest, wanneer de tarweoogst werd binnengehaald en het Loofhuttenfeest als de rest van de oogst was binnen gehaald. Die Pelgrimsreis kennen we van Jezus van Nazareth als hij gezeten op een ezel naar het Pesachfeest in Jeruzalem ging.

De menigte zwaaiden met palmtakken en zongen onder meer deze Psalm. Het Wekenfeest kennen wij als Pinksteren, vijftig dagen na Pasen. En als het Pinksterverhaal wordt gelezen dan klinken de namen van al die landen van waaruit mensen naar Jeruzalem waren getrokken om dit feest te vieren, ieder hoorde het verhaal in de eigen taal. Vandaag zingen we dus met de Pelgrims mee en mogen we ons voorbereiden op het laatste en grootste feest. Hoewel van Jezus heel uitdrukkelijk wordt vcrteld dat hij het loofhuttenfeest vierde heeft dat feest de christelijke kalender niet gehaald. Maar wij hebben Prinsjesdag, ook dan gaat het om delen. Dan gaat het om vrede, het afzien van de herbewapening, welkom heten aan vreemdelingen en zorgen voor de minsten, de zwaksten in de samenleving.

 

Alleen zijzelf worden gered.

Ezechiël 14:12-23

12 De HEER richtte zich tot mij: 13 ‘Stel, mensenkind, dat een heel land tegen Mij zondigt door Mij ontrouw te worden en dat Ik mijn hand tegen dat land ophef, de broodvoorraad vernietig zodat het volk honger lijdt, en dat Ik mens en dier uitroei, 14 en stel dat de volgende drie mannen in dat land wonen: Noach, Daniël en Job, dan zullen zij met hun rechtvaardigheid alleen zichzelf redden-spreekt God, de HEER. 15 Stel dat Ik wilde dieren in dat land laat rondwaren, zodat het ontvolkt raakt en een woestenij wordt waar uit angst voor die dieren niemand doorheen durft te trekken, 16 en die drie mannen wonen daar, dan geldt, zo waar Ik leef, het volgende-spreekt God, de HEER: zelfs hun zonen en dochters kunnen ze niet redden, alleen zijzelf worden gered, en het land wordt een woestenij. 17 Of als Ik dat land ten prooi geef aan geweld en zeg dat er een zwaard in dat land moet rondgaan om mens en dier uit te roeien, 18 en die drie mannen wonen daar, dan geldt, zo waar Ik leef, het volgende-spreekt God, de HEER: zelfs hun zonen en dochters kunnen ze niet redden, alleen zijzelf worden gered. 19 Of Ik stuur in mijn dodelijke woede de pest naar dat land om mens en dier uit te roeien, 20 en Noach, Daniël en Job wonen daar, dan geldt, zo waar Ik leef, het volgende-spreekt God, de HEER: niet één zoon of dochter zullen ze kunnen redden, hun rechtvaardigheid redt alleen henzelf. 21 Dit zegt God, de HEER: Dit alles geldt des te meer nu Ik mijn vier zwaarste straffen-het zwaard, de honger, de wilde dieren en de pest-op Jeruzalem loslaat om er mens en dier uit te roeien! 22 Toch zullen er mensen zijn die daaraan ontkomen: er zullen zonen en dochters uit de stad worden weggevoerd en naar jullie toe komen. Wanneer jullie zien wat zij hebben gedaan, zullen jullie je kunnen verzoenen met het lot dat Jeruzalem heeft getroffen en begrijpen waarom Ik de stad heb gestraft. 23 Wanneer jullie hun misdaden zien zal dat jullie troosten, omdat jullie dan zullen begrijpen dat Ik alles wat Ik met de stad heb gedaan, niet zonder reden heb gedaan-zo spreekt God, de HEER.’ (NBV21)

Jezus van Nazareth heeft ons opgeroepen om zoutend zout in de samenleving te zijn. Zoals het zout in het brood niet meer terug te vinden is maar wel degelijk de smaak van het brood bepaalt zouden ook de gelovigen in het Koninkrijk van de God van Israël in de samenleving de liefde voor de naaste moeten laten zien zodat die samenleving al de smaak krijgt van het Koninkrijk. De vraag die het boek Ezechiël vandaag aan ons stelt is of dat voldoende is. Als het handjevol gelovigen nu recht en vrede brengt en zorgt voor de minsten in de samenleving, wordt die samenleving daardoor dan alvast een beetje het Koninkrijk van God? Het antwoord dat Ezechiël krijgt is een keihard nee. Rechtvaardigen in de samenleving zijn geen garantie voor het goede van die samenleving zelf, ze zijn geen keurmerk dat maakt dat je je veilig aan een dergelijke samenleving kan overgeven.

In het verhaal dat we vandaag lezen worden drie namen genoemd. Het heeft lang geduurd voordat geleerden wisten over wie Ezechiël het nu eigenlijk had en nog zijn alle geleerden het er niet helemaal over eens. Noach en Job kennen we uit de Bijbel. Noach kwam uit Mesopetamië en Job uit Edom. Maar die Daniël dan? De Daniël uit de Bijbel had geen kinderen en de vraag is of hun rechtvaardigheid hun kinderen had kunnen redden. Nu is het woord “kinderen”dat hier wordt gebruikt ook van toepassing op alle jongeren van het land, de toekomst dus, de bloei van de natie, maar ook daarvan is bij de Bijbelse Daniël geen sprake. Er is echter een verhaal gevonden over een koning Daniël in Syrie die bekend stond als een wijs en rechtvaardig vorst. Hij had een zoon die zich tegen de goden had verzet en daardoor de dood had gevonden. De drie rechtvaardigen hadden dus met hun rechtvaardigheid zelfs hun kinderen niet kunnen redden. Ezechiël heeft het dus over drie niet Israëlische rechtvaardigen, in het kwade is Israël dus niet het voorbeeld voor de volken.

Het verhaal loopt uit op de mededeling dat de ballingen uitgebreid zullen worden met een nieuwe groep ballingen. De eerste ballingschap had de achterblijvers niet op andere gedachten gebracht, ze waren afgoden blijven nalopen, ze waren kinderoffers blijven brengen. Jeruzalem zou daarom nu helemaal verwoest worden en de inwoners zouden de dood vinden. Het handjevol dat overbleef was bedoeld om de ballingen rond Ezechiël duidelijk te maken wat er fout was gegaan. Wij leren er van dat we er niet komen als we goed blijven doen zonder ons te verzetten tegen het kwade. We zullen iedereen mee moeten krijgen in een eerlijke handel met de armsten in de wereld, met het houden van maaltijden met de vreemdelingen onder ons, met de zorg voor daklozen, vluchtelingen, kinderen, zieken en de ouden van dagen die zelf niet meer kunnen zorgen. Elke dag kunnen we gelukkig opnieuw roepen dat mensen moeten opstaan tegen het kwade en het goede moeten gaan doen, niets dan het goede, ook vandaag kan dat weer.

Ik zal hun God zijn

Ezechiël 14:1-11

1 Een aantal van de oudsten van Israël kwam bij me, en toen ze tegenover mij hadden plaatsgenomen 2 richtte de HEER zich tot mij: 3 ‘Mensenkind, deze mannen koesteren hun afgoden en hebben niets anders voor ogen dan wat hen ten val brengt. Moet Ik me dan door hen laten raadplegen? 4 Zeg tegen hen: “Dit zegt God, de HEER: Elke Israëliet die bij een profeet komt en intussen zijn afgoden koestert en niets anders voor ogen heeft dan wat hem ten val brengt, zal Ik het antwoord geven dat hij met zijn afgoderij verdient. 5 Ik zal het volk van Israël laten voelen dat het zich met al zijn afgoderij van Mij heeft afgewend.” 6 Zeg daarom tegen het volk van Israël: “Dit zegt God, de HEER: Kom terug bij Mij, keer die afgoden van jullie de rug toe en houd op met je gruwelijk gedrag! 7 Alle Israëlieten en ook de vreemdelingen die in Israël leven, ieder die zich van Mij heeft afgewend, ieder die zijn afgoden koestert, die niets anders voor ogen heeft dan wat hem ten val brengt en dan toch naar een profeet gaat om Mij te raadplegen, die zal Ik, de HEER, zelf antwoorden. 8 Ik zal me tegen hem keren en hem tot een afschrikwekkend voorbeeld maken, Ik zal hem uit mijn volk verwijderen. Dan zullen jullie beseffen dat Ik de HEER ben. 9 Als de profeet zich tot een antwoord laat verleiden zal dat zijn omdat Ik, de HEER, hem daartoe heb verleid. Ik zal mijn hand tegen hem opheffen en hem vernietigen; hij zal geen deel meer uitmaken van mijn volk Israël. 10 De profeet is even schuldig als wie hem raadpleegt; beiden zullen hun straf niet ontlopen. 11 Dan zal het volk van Israël zich niet meer van Mij afkeren, en ze zullen niet meer onrein worden door hun wandaden. Dan zullen zij mijn volk zijn en Ik zal hun God zijn-zo spreekt God, de HEER.”’ (NBV21)

Het werkt. Ezechiël heeft de opdracht eerst het volk Israël te laten zien waar het mee bezig is. En werkelijk, hij trekt de aandacht. De oudsten van het volk komen naar Ezechiël toe. Maar Ezechiël is geen waarzegger, geen toekomstvoorspeller, ook geen bemiddelaar met een God die boos is en die straffen stuurt. Ezechiël spreekt in Gods naam over dat wat de mensen doen. Daarom staat Ezechiël voor een dilemma, moet hij de oudsten van het volk te woord staan of weer weg sturen? De oplossing ligt in het zeggen wat hij ziet. Het volk was in ballingschap gestuurd omdat ze afgoden waren gaan aanbidden. En dat aanbidden van afgoden hadden ze nog steeds niet losgelaten. Daarom kan Ezechiël namens God zeggen: vlieg op met heel je afgodentroep.

Kan God trouwens iemand verleiden om verkeerd te doen? In het gedeelte dat we vandaag lezen zou je denken van wel. De profeet zou immers door God verleid kunnen worden om verkeerde dingen te zeggen? Dat komt dan door het niet willen loslaten van afgoden. Dan gaat de profeet in de geest van de afgoden profeteren en lopen de zaken verkeerd af voor het volk. Er staan in de Bijbel wel meer voorbeelden waarbij profeten namens God de verkeerde dingen zeggen, omdat het verkeerde gevraagd wordt. Dan wordt er niet naar recht en gerechtigheid gevraagd, maar naar overwinningen in oorlogen die niet nodig zijn en alleen maar leed en ellende brengen. In dit gedeelte wordt gedreigd dat ook de profeet gestraft zal worden. Het is een excuus om niet in te gaan op de vragen van de oudsten.

Kennen we in onze dagen ook het dilemma van de profeet die de boodschap moet brengen aan dienaren van afgoden? Het moet haast wel. Ook in onze dagen worden discussies gevoerd over onderwerpen waar je het gewoon niet over moet hebben. Vreemdelingenbeleid bijvoorbeeld, in dit gedeelte worden de vreemdelingen weer eens betrokken als behorende tot het volk zelf. Hebben we het over de minsten en proberen we daar recht voor te krijgen, recht te doen aan mensen in de knel, de onderliggenden, of hebben we het over de belangen van de rijken, van de gevestigden, de bovenliggenden? Dat is wat je voortdurend moet afvragen. Antwoord geven op vragen hoe de rijken beschermd moeten worden of hoe de positie van de bovenliggenden versterkt kunnen worden zijn antwoorden aan afgodendienaars. Gelukkig kunnen we elke dag opnieuw een andere weg inslaan, de Weg van de God van Israël, ook vandaag weer.

 

Omdat u halsstarrig bent

Matteüs 19:1-15

1 Toen Jezus deze rede beëindigd had, verliet Hij Galilea en ging Hij langs de overkant van de Jordaan naar Judea. 2 Grote massa’s mensen volgden Hem, en Hij genas hen ter plekke. 3 Toen kwamen er farizeeën op Hem af om Hem op de proef te stellen. Ze vroegen: ‘Mag een man zijn vrouw om willekeurig welke reden verstoten?’ 4 Hij zei: ‘Hebt u niet gelezen dat de schepper de mens bij het begin mannelijk en vrouwelijk heeft gemaakt? 5 En dat Hij gezegd heeft: “Daarom zal een man zich losmaken van zijn vader en moeder en zich hechten aan zijn vrouw, en die twee zullen één lichaam zijn”? 6 Ze zijn dus niet langer twee, maar één. Wat God heeft verbonden, mag een mens niet scheiden.’ 7 Toen vroegen ze Hem: ‘Waarom heeft Mozes dan voorgeschreven haar een scheidingsbrief te geven en haar zo te verstoten?’ 8 Hij antwoordde: ‘Omdat u halsstarrig bent, daarom heeft Mozes u toegestaan uw vrouw te verstoten. Maar dat is niet vanaf het begin zo geweest. 9 Ik zeg u dit: een man die om een andere reden dan ontucht zijn vrouw verstoot en met een ander trouwt, pleegt overspel.’ 10 Hierop zeiden zijn leerlingen: ‘Als het met de verhouding tussen man en vrouw zo gesteld is, kun je maar beter niet trouwen.’ 11 Hij zei tegen hen: ‘Niet iedereen kan deze kwestie begrijpen, alleen degenen aan wie het gegeven is. 12 Er zijn mannen die niet trouwen omdat ze onvruchtbaar geboren zijn, andere omdat ze door mensen onvruchtbaar gemaakt zijn, en er zijn mannen die niet trouwen omdat ze zichzelf onvruchtbaar gemaakt hebben met het oog op het koninkrijk van de hemel. Laat wie bij machte is dit te begrijpen het begrijpen!’ 13 Daarop brachten de mensen kinderen bij Hem; ze wilden dat Hij hun de handen zou opleggen en zou bidden. Toen de leerlingen hen berispten, 14 zei Jezus: ‘Laat die kinderen, houd ze niet tegen, want het koninkrijk van de hemel behoort toe aan wie is zoals zij.’ 15 En nadat Hij hun de handen had opgelegd, trok Hij weer verder. (NBV21)

De vraag of het geoorloofd is te scheiden heeft vele mensen eeuwenlang gevangen gehouden. Jezus zegt hier heel duidelijk dat je het aan God moet overlaten. Of eigenlijk dus de zaak moet bekijken vanuit de liefde voor mensen. En mensen gevangen houden hoort niet bij de liefde zoals die in het verhaal van de Bijbel wordt geleerd. Daar hoort een bevrijdende liefde bij. Of mensen wel of niet mogen scheiden en hertrouwen is dus niet een zaak die aan enig mens, laat staan aan enige kerk, ter beoordeling is. Het enige wat telt is dat mensen elkaar serieus nemen, als gelijkwaardig zien. Het verbod op homoseksuele relaties van mannen en vrouwen is dan ook volgens dit verhaal een onchristelijk verbod. De manier waarop mannen en vrouwen bij elkaar zouden moeten horen voorschrijven op godsdienstige gronden hoort bij de afgodendienst. Er op letten dat mensen elkaar niet als lustobject gaan zien, elkaar exploiteren, uitbuiten of macht, ook op seksueel gebied, over elkaar uitoefenen hoort bij het verhaal van Jezus.

Mensen doen de moeilijkste dingen om maar het hemelse te bereiken. Er zijn mannen die niet trouwen omdat ze onvruchtbaar zijn en dat weten. Ze vinden het nobel als ze niet met een vrouw trouwen om haar geen nageslacht te ontzeggen, tegelijk is daar veel tegen in te brengen. Anderen zijn gecastreerd of hebben zichzelf gecastreerd. Ook daar is veel tegen te zeggen maar Jezus roept op om er begrip voor te hebben of het anders maar te laten. Er zijn mannen en vrouwen die niet trouwen vanwege godsdienstige redenen, dat wordt overigens nergens gevraagd. We moeten maar doen als de kinderen. Die nemen de wereld zoals die op hen afkomt. En dat is een houding die veel vruchtbaarder is dan alles maar te beoordelen en te veroordelen.

De volwassenen die het meest afhankelijk zijn wonen dan ook in de wijken met de goedkoopste woningen. Maar in goedkopere wijken moet je in de nacht uitkijken voor mensen die op straat lopen, je kunt niet zien of ze van hun werk of uit de kroeg komen. Huisartsen en verloskundigen hebben daar soms last van. Je kunt aan hen het gezag niet zien dat afstraalt van een geüniformeerde politieagent. . Mensen met minder opleiding kunnen hun emoties ook vaak moeilijker onder woorden brengen. Dat maakt beroepen aL Huisartsen, ambulancepersoneel, brandweerlieden, politieagentenextra zwaar. Moeilijker nog wordt het als de emoties onder woorden worden gebracht in een taal die je niet verstaat en waarvan je door de spannende situatie ook niet de tijd hebt om die te proberen te verstaan. Dat mensen die onder die omstandigheden toch proberen hulp te verlenen extra beloond worden moet gewaardeerd worden. Toch vraagt juist Jezus van Nazareth om te worden als de kinderen en te zorgen dat van hen het goede uit kan gaan, te zegenen noemt Matteüs dat. Let maar eens op spelende kinderen, als er een kind is dat even niet kan meekomen dan wordt er vaak een hand uitgestoken om de ander te helpen, daar een voorbeeld aan nemen schept een betere wereld.