Hij leert hun zijn paden te gaan

Psalm 25

1 Van David. Naar U, HEER, gaat mijn verlangen uit, 2 mijn God, op U vertrouw ik, maak mij niet te schande, laat mijn vijanden niet triomferen. 3 Zij die op U hopen worden niet beschaamd, beschaamd worden zij die U achteloos verraden. 4 Maak mij, HEER, met uw wegen vertrouwd, leer mij uw paden te gaan. 5 Wijs mij de weg van uw waarheid en onderricht mij, want U bent de God die mij redt, op U blijf ik hopen, elke dag weer. 6 Denk aan uw barmhartigheid, HEER, aan uw liefde door de eeuwen heen. 7 Denk niet aan de zonden uit mijn jeugd, maar denk met liefde aan mij, HEER, omwille van uw goedheid. 8 Goed en rechtvaardig is de HEER: Hij wijst zondaars de weg, 9 wie nederig zijn leidt Hij in het rechte spoor, Hij leert hun zijn paden te gaan. 10 Liefde en trouw zijn de weg van de HEER voor wie de wetten van zijn verbond onderhouden. 11 Vergeef mij, HEER, mijn grote schuld, omwille van uw naam. 12 Aan wie in ontzag voor Hem leven, leert de HEER de rechte weg te kiezen. 13 Hun leven verloopt in voorspoed en hun kinderen zullen het land bezitten. 14 De HEER is een vriend van wie Hem vrezen, Hij maakt hen vertrouwd met zijn verbond. 15 Ik houd mijn oog gericht op de HEER, Hij bevrijdt mijn voeten uit het net. 16 Keer u tot mij en wees mij genadig, ik ben alleen en ellendig. 17 Mijn hart is vol van angst, bevrijd mij uit mijn benauwenis. 18 Zie mij in mijn nood, in mijn ellende, vergeef mij al mijn zonden. 19 Zie met hoevelen mijn vijanden zijn, hoe ze mij dodelijk haten. 20 Behoed mij en bevrijd mij, maak mij niet te schande, want ik schuil bij U. 21 Onschuld en oprechtheid mogen mij bewaren, op U is mijn hoop gevestigd. 22 God, verlos Israël, verlos het van al zijn angsten. (NBV21)

Voor wie het Hebreeuws kan lezen is dit een leuke Psalm. Elk vers begint met de volgende letter uit het Hebreeuwse alfabet. Net zoiets als de coupletten van het Wilhelmus de naam Willem van Nassov vormen met hun eerste letters, maar dan in deze Psalm met het Hebreeuwse ABC. Het volgen van de wil van God is volgens de dichter van deze Psalm kennelijk een abc’tje. Maar vertalingen doen veel van de schoonheid van de Psalm verdwijnen. De mooiste is waarschijnlijk de vertaling van de Naardense Bijbel die spreekt van het geven van je hele ziel en zaligheid aan de Ene. En dat enthousiasme kan aanspreken zeker als je leest over het vertrouwen dat die hoop op de Ene niet beschaamd zal worden. Daarvoor moet je zoals deze Psalm zegt de wegen van God leren, met name de armen mogen die wegen leren. Het is de weg van alvast gaan beginnen te leven alsof het licht is gekomen, alsof dat Koninkrijk van recht en vrede er al is. Dat klinkt een beetje belachelijk en daarom de wens van de dichter om niet uitgelachen te worden. Delen met elkaar, zorgen voor de zwakke, voor de weduwe en de wees, voor de vreemdeling in ons midden.

In het verhaal van God mag iedereen meedoen en iedereen die echt meedoet roept op om je aan te sluiten. De Psalm spreekt in dit verband van goedheid en rechtvaardigheid. Je blijft niet onverschillig omdat God het je wel zal vergeven. Je hoopt op vergeving omdat je elk moment opnieuw de Weg mag gaan waartoe de Bijbel oproept. De pijn die je hebt veroorzaakt door de mensen langs de kant van de weg te laten liggen, de pijn die je hebt veroorzaakt door mensen geen recht te doen, die pijn voel je zelf als je je realiseert waar het in het leven echt om gaat. Er wordt in het tweede deel van deze Psalm een belangrijk punt aangeraakt. Onze God leert ons de juiste keuzes te maken. Als we tot God bidden heeft het dus geen zin voor alle arme en zielige mensen te bidden en God te vragen daar iets aan te doen maar God vraagt of jij wil leren daar iets aan te doen. En zeg nu niet dat je niet de hele wereld op je nek kunt nemen want met je plaatselijke kerk kom je een heel eind door samen diaconie te bedrijven, in je eigen woonplaats en met Kerk in Actie in de hele bewoonde wereld.

De pijn die je hebt veroorzaakt door de mensen langs de kant van de weg te laten liggen, de pijn die je hebt veroorzaakt door mensen geen recht te doen, die pijn voel je zelf als je je realiseert waar het in het leven echt om gaat. Maar juist omdat je op de Weg van het goede mag terugkeren wordt die pijn geheeld en gaat de vreugde overheersen. Want dan weet je dat mensen toch recht zal worden gedaan, als jij het niet zorgt God wel dat ze gehoord worden en dat er mensen zijn die horen. De dichter van deze Psalm zinspeelt weer op de oude belofte uit het boek Jozua, aan iedere familie die het land kwijt raakt zal het land na 50 jaar weer worden teruggegeven. Ook armen, mensen die vastgelopen zijn in onze samenleving, die aan de kant van de weg zijn geraakt mogen weer op nieuw hun plaats in de samenleving in nemen. Daarom mag je er op vertrouwen dat de kinderen van de armen weer het land zullen bezitten. De armoede is geen natuurverschijnsel, je hoeft niet te wachten op een volgend leven om het te bestrijden. De opheffing uit de armoede, de bevrijding van de armen, kan vandaag nog beginnen, daar mag je met heel je ziel en zaligheid aan werken.

Een golf van paniek

1 Samuël 14:16-23a

16 De mannen van Saul die bij Gibea in Benjamin op de uitkijk stonden, zagen wat er gebeurde: er ontstond een golf van paniek en de menigte rende heen en weer. 17 Daarop beval Saul de mannen die bij hem waren: ‘Laat iedereen aantreden en zoek uit wie er ontbreekt.’ Het bleek dat Jonatan en zijn wapendrager er niet waren. 18 ‘Breng de ark van God hier,’ zei Saul tegen Achia. De ark van God bevond zich namelijk op dat moment in het kamp van de Israëlieten. 19 Maar terwijl Saul met Achia sprak, zwol het rumoer in het kamp van de Filistijnen nog aan en daarom trok hij zijn bevel weer in. 20 Saul en zijn mannen verzamelden zich en stortten zich in de strijd. De verwarring was zo groot dat de Filistijnen het zwaard tegen elkaar opnamen. 21 Zelfs de Hebreeën die zich al jaren eerder bij de Filistijnen hadden aangesloten en aan hun kant meevochten, bedachten zich en kozen nu de kant van de Israëlieten onder Saul en Jonatan. 22 En toen de Israëlieten die zich in het bergland van Efraïm schuilhielden hoorden dat de Filistijnen op de vlucht sloegen, zetten ook zij de achtervolging in, en ze bleven hen op de hielen zitten. 23 Zo schonk de HEER Israël die dag de overwinning. (NBV21)

Heel langzaam wordt duidelijk hoe Saul de samenwerking met de God van Israël op de verkeerde manier hanteert. Voor ons mag hierdoor heel langzaam duidelijk worden waar we op moeten letten als geweld aan de orde is. In onze samenleving lijkt die vraag niet meer ter discussie te staan. Onze samenleving zelf wordt steeds gewelddadiger. Steekpartijen en schietincidenten nemen toe. Maar ook de roep om toepassing van geweld neemt toe. Eenzelfde roep als de Filistijnen hadden. Kom maar op hadden ze geroepen toen Jonathan en zijn wapendrager de berg hadden beklommen waar de Filistijnen hun wachtpost met heiligdom hadden gevestigd. Ze waren in de pan gehakt. En neemt het geweld tegen de politie in onze dagen nu toe omdat het geweld nu eenmaal toeneemt of neemt het geweld toe omdat ook onze politie sneller geneigd is geweld te gebruiken en zelfs bij een verkeersovertreding tot schieten over kan gaan?

Het is een vraag die niet eenvoudig te beantwoorden is maar wel wat vaker gesteld mag worden. De mannen van Saul worden in dit verhaal wakker met een merkwaardig gezicht op de vijand. Die vijand rent in paniek en verwarring rond in hun legerplaats. Saul moet zelfs onderzoeken wie er van zijn kant mist. Dat blijken Jonathan en zijn wapendrager te zijn. Gelet op de paniek zou er een kans kunnen zijn dat het leger van Saul de overwinning behaald. Maar daarvoor is de hulp van de God van Israël nodig. Dus laat Saul de Ark komen, het enige heilige voorwerp dat nog een beetje lijkt op een godenbeeld uit een Tempel en ook die Ark had lang in een Heiligdom gestaan.

De Ark bleek niet nodig. Toen Saul en zijn mannen zich in de strijd hadden gestort merkten ze dat de Filistijnen elkaar aan het afmaken waren. Alle soldaten van Israël zetten de achtervolging in. De Hebreeën, die met de Filistijnen mee hadden gevochten, kozen de kant van de overwinnaars en de soldaten die zich hadden verstopt in de bergen kwamen te voorschijn en deden ook mee. Nu de overwinning hen geschonken was wilde Saul er desondanks een heilige oorlog van maken. Hij verbood de soldaten die dag te eten, een vastendag moest het worden. Waarom een vastendag? Moest er eten worden gespaard om te delen? Weer trekt Saul het heilige van de oorlog en de overwinning naar zich toe. Laten wij er ons voor hoeden.

 

We jullie weleens leren!

1 Samuël 14:4-15

4 Aan weerszijden van het ravijn dat Jonatan wilde oversteken om bij de Filistijnse wachtpost te komen, staken twee rotspieken uit: de Boses in het noorden, tegenover Michmas, en de Senne in het zuiden, tegenover Gibea. 5 6 Jonatan zei tegen zijn wapendrager: ‘Laten we oversteken naar de wachtpost van die onbesnedenen. Misschien is de HEER op onze hand. Hij kan immers evengoed met weinigen voor een overwinning zorgen als met velen.’ 7 ‘Doe wat uw hart u ingeeft,’ antwoordde de wapendrager. ‘Ik volg u op de voet.’ 8 ‘Luister,’ zei Jonatan, ‘we steken over en zorgen dat de soldaten ons zien. 9 Misschien zeggen ze tegen ons: “Halt! Verroer je niet tot we bij jullie zijn!” Dan blijven we staan en gaan we niet naar ze toe. 10 Maar als ze zeggen: “Kom maar op!”, dan klimmen we naar boven, want dat is voor
ons het teken dat de HEER ze aan ons uitlevert.’ 11 Ze zorgden er dus voor dat de bezetting van de Filistijnse wachtpost hen tweeën in het oog kreeg. De Filistijnen zeiden tegen elkaar: ‘Kijk, de Hebreeën komen uit hun holen tevoorschijn.’ 12 En de soldaten van de wachtpost riepen naar Jonatan en zijn wapendrager: ‘Kom maar op, dan zullen we jullie weleens leren!’ ‘Volg mij,’ zei Jonatan tegen zijn wapendrager, ‘de HEER heeft ze aan Israël uitgeleverd!’ 13 Jonatan klom op handen en voeten naar boven, met zijn wapendrager achter zich aan. Waar hij kwam, vielen de Filistijnen neer, en zijn wapendrager gaf hun de genadestoot. 14 Bij dit eerste treffen doodden Jonatan en zijn wapendrager twintig man. Dit alles speelde zich af op een terrein half zo groot als een span ossen in één dag kan ploegen. 15 Er ging een siddering door het kamp in het veld en door de bezetting van de wachtpost, en ook de stoottroepen rilden van schrik. De aarde beefde, en alle Filistijnen sidderden van angst voor God.(NBV21)

De Hebreeuwse Bijbel laat ons in het verhaal van vandaag zien hoe onvruchtbaar de wens tot geweld is. Daar wordt je uiteindelijk zelf het slachtoffer van. Beter is het recht van de zwakste tot uitgangspunt te nemen. Dat recht is recht op leven en dat moet beschermd worden zoals Jonathan deed. Zorgen dat de plunderingen van de oorgst stoppen. Ook wij kunnen de inzet van geweld daaraan afmeten en dan is het verhaal van Saul en Jonathan geen verhaal uit een ver en primintief verleden maar een hulp om onze Weg met de God van Israël op de juiste manier te gaan. Israël was een volk van ongewapende strijders. Niemand had een zwaard of een speer. Er was immers geen smid meer in Israel.

Daar gingen de Filistijnen in de fout. Zij doen of ook hun verstand in hun wapen zit. Iemand zonder wapen kan immers geen gevaar betekenen. Nu waren in Israël ook stenen uit een beek of rivier gevaarlijke wapens in handen van slingeraars. David had er eens een reus mee overwonnen. En in een heel volk zijn er altijd uitzonderingen, Jonathan en zijn vader hadden nog wel een zwaard en dat hadden zee kunnen weten. Vertrouwen op wapens is dus niet erg slim. Dat was toen zo, dat is natuurlijk nog steeds zo. Onze raketten en drones raken op. We sturen ze weg en de meeste blijven ook weg nadat ze schade hebben aangericht.

Jonathan maakt gebruik van de hoogmoed van de Filistijnen. Maar hij leunt niet eenzijdig op zijn God. Of zijn God hem helpt of zijn handelen goed keurt blijkt achteraf. Jonathan opent twee mogelijkheden. De Filistijnen houden rekening met de mogelijke kracht en moed van Israël ook zonder wapens, of de Filistijnen vertrouwen op hun wapens als almachtig. Dat laatste doen ze dus. Maar dat eerste had een uitweg geboden. Niemand kan de God van Israël voor zijn karretje spannen. Dat kon toen niet, dat kan nu ook niet. Niet inzake oorlog, niet inzake ziekte en genezing. Roepen dat iemand moet genezen in de naam van Jezus, of God is bedrog plegen, is het verzoeken van God. De Bijbel leert ons anders, leert ons vertrouwen op mensen, die doen goed of die doen kwaad. Wij zoeken het goede, niet anders dan het goede, elke dag opnieuw.

Geen smid te vinden.

1 Samuël 13:15b–14:3

15 Daarop verliet Samuel Gilgal en ging naar Gibea in Benjamin. 16 Saul monsterde de mannen die bij hem waren gebleven. Het waren er zeshonderd. Saul en zijn zoon Jonatan waren met hun toepen gelegerd bij Gibea in Benjamin; de Filistijnen hadden hun kamp opgeslagen bij Michmas. 17 De stoottroepen van de Filistijnen rukten uit in drie richtingen: één naar Ofra in Sual, 18 één naar Bet-Choron en één naar de grensstrook waar je over de Hyenavallei heen uitkijkt op de woestijn. 19 In die tijd was in heel Israël geen smid te vinden. De Filistijnen wilden namelijk voorkomen dat de Hebreeën zwaarden of speren zouden maken. 20 Alle Israëlieten moesten hun ploegscharen, hakken, bijlen en sikkels bij de Filistijnen laten slijpen. 21 Dit kostte twee derde sjekel voor ploegscharen en hakken, en een derde sjekel voor bijlen en ossenprikken. 22 Bij het uitbreken van de oorlog beschikte dus geen van de soldaten van Saul en Jonatan over een zwaard of een speer, alleen Saul zelf en zijn zoon Jonatan. 23 Een eenheid van de Filistijnen had de wacht betrokken op de bergpas bij Michmas. 1 Op zekere dag zei Jonatan, de zoon van Saul, tegen zijn wapendrager: ‘Laten we oversteken naar de Filistijnse wachtpost daar aan de overkant.’ Maar hij vertelde niet aan zijn vader wat hij van plan was. 2 Saul bivakkeerde onder de granaatappelboom bij Migron, even buiten Gibea. Hij had zeshonderd soldaten bij zich. 3 De functie van priester werd bekleed door Achia, de zoon van Achitub. Achitub was een broer van Ichabod, die de zoon was van Pinechas, de zoon van Eli, de priester van de HEER in Silo. Niemand wist dat Jonatan weg was. (NBV21)

Vandaag een deel dat vertelt wat er gebeurt als je wel op de God van Israël vertrouwt. Saul heeft nog maar 600 soldaten over. Twee maal zoveel als Gideon nodig had om de Filistijnen te verslaan. Gideon wordt niet voor niets genoemd want de elite van de Filistijnen rukt op naar Ofra, de geboorteplaats van Gideon. Verder komt deze plaatsnaam in de Bijbel niet voor. Saul had dus niet gewacht op Samuël. In deze versie van het verhaal is hij zelfs niet naar Gilgal gegaan zoals Samuël had gezegd. Maar Jonathan, de zoon van Saul, vertrouwt op de God van Israël. Aan priesters hadden ze niet veel. De priester die dienst deed was een broer van Ichabod staat er. Die Ichabod werd geboren op de dag dat de twee zonen van Eli werden gedood op het slachtveld en Eli zijn nek brak. De moeder van Ichabod stierf van schrik in het kraambed.

Jonathan ging zelf op pad vertrouwend op de God van Israël. Als de vijand alleen uit was op vechten en onderdrukken dan had de vijand bijvoorbaat al verloren. Als de vijand bereid was tot overleg en er op uit was levens te sparen dan moest je vooral daar niet tegenin gaan. Uiteindelijk hadden de Filistijnen er al voor gezorgd dat men in Israël zelf geen wapens kon smeden om oorlog te voeren. Het volk Israël was daardoor veroordeeld om het gebod van “Gij zult niet doden” te volgen. Maar het land leeg laten roven door de Filistijnen was ook niet goed. Daarom was de vraag hoe ver de Filistijnen zich van de geboden van de God van Israël hadden verwijderd. Dat bleek al snel, ze waren er op uit om te doden, om te vechten tegen dat eigenwijze volk van Israël. .

De Hebreeuwse Bijbel laat ons in het verhaal van vandaag zien hoe onvruchtbaar de wens tot geweld is. Er zijn altijd andere wegen lom je recht te halen. Van geweld wordt je uiteindelijk zelf het slachtoffer van. Beter is het recht van de zwakste tot uitgangspunt te nemen. Dat recht is recht op leven en dat moet beschermd worden zoals Jonathan deed. Zorgen dat de plunderingen van de oogst stoppen. Ook wij kunnen de inzet van geweld daaraan afmeten en dan is het verhaal van Saul en Jonathan geen verhaal uit een ver en primitief verleden maar een hulp om onze Weg met de God van Israël op de juiste manier te gaan. Ook vandaag weer en juist in deze dagen is een zicht op geweldloosheid meer dan nodig. Bij elke oorlog zijn de armsten, de zwaksten, de ongewapenden de eerste slachtoffers. Voor hen dienen wij dus als eerste te zorgen, als het moet net zo stiekum als Jonathan.

Stralend als de zon

Spreuken 4:10-27

10 Mijn zoon, luister, neem mijn woorden aan, ze vermeerderen de jaren van je leven. 11 Ik heb je de weg van de wijsheid gewezen, op rechte paden heb ik je gevoerd. 12 Je zult onbelemmerd voortgaan, nergens zul je struikelen, al ga je nog zo snel. 13 Laat mijn onderricht niet los, houd het vast, vergeet het nooit, het is je leven. 14 Ga niet het pad van goddelozen, bewandel niet de weg van wie boosaardig zijn. 15 Mijd hun weg, betreed hem niet, ga eraan voorbij, loop door. 16 Zij rusten niet voor ze kwaad hebben gedaan; wanneer ze anderen niet ten val brengen, kunnen ze de slaap niet vatten. 17 Ze voeden zich met goddeloosheid, bedrinken zich aan geweld. 18 Het pad van de rechtvaardigen is stralend als de zon, die opkomt, hoger klimt, totdat de dag zijn licht verspreidt. 19 Maar de weg van de goddelozen is duisternis; ze struikelen, en weten niet waarover. 20 Mijn zoon, heb aandacht voor mijn woorden, geef aan mijn uitspraken gehoor. 21 Houd ze steeds voor ogen, bewaar ze in het diepste van je hart. 22 Ze zijn het leven voor wie ze aanvaarden, sterken heel het lichaam als een medicijn. 23 Van alles waarover je waakt, waak vooral over je hart, het is de bron van je leven. 24 Neem nooit leugens in de mond, laat geen bedrog over je lippen komen. 25 Je moet elk mens recht in de ogen kunnen zien, nooit je ogen hoeven neerslaan. 26 Weet welke weg je wilt inslaan, dan loop je met vaste tred. 27 Wijk niet af naar rechts, wijk niet af naar links, wijk alleen uit voor het kwaad. (NBV21)

We lezen nog steeds in de lessen van de wijsheid. We weten inmiddels dat met het onderricht de leer van de Thora wordt bedoeld. In de Christelijke manier ging het meer om het oefenen. Oorspronkelijk waren Joden en Christenen samen maar toen Christenen zich op last van de Keizer van Rome losmaakten van de Joden en een eigen godsdienst gingen vormen kwam de Heidense manier van godsdienst vaak op de voorgrond. In de Heidense manier van denken staat het offer centraal, daarmee moet de God worden gevoed of gunstig gestemd. Het heeft een paar eeuwen geduurd voordat gelovigen er achter kwamen dat dat offer niet elke dag te herhalen is. Dat komt ook omdat die God van Israël niet gunstig gestemd hoeft te worden, die heeft de mensen al lief en nu wij nog. Het gedeelte van het boek Spreuken dat we vandaag lezen beschouwd het bijna als een sport. Als je de sport van liefhebben van je naaste beoefend kun je niet struikelen. Al je handelen stem je af op de liefde voor de minste, op elke situatie laat je het licht schijnen van de Thora, hoe kan ik hier de minste liefhebben als mijzelf. Doe je dat niet dan struikel je, soms zelfs zonder te weten hoe en waarom. Je moet je dus niet begeven bij de goddelozen, de mensen die menen dat eigenliefde wel genoeg is, die vinden dat iedereen zelf moet zorgen voor zijn eigen geluk en als je pech hebt of ongeluk je treft dan ben je daar ook zelf verantwoordelijk voor. Wie echter gelooft dat er een wereld mogelijk is zonder tranen, zonder oorlog en geweld, zoekt het bij de Liefde, de Liefde overwint alles en de Liefde is de grootste.

Het God lief met heel je hart en met heel je verstand staat ergens anders in de Bijbel geschreven en Jezus van Nazareth voegt er de tekst uit Leviticus aan toe over het heb je naaste lief als jezelf waardoor dat de manier wordt waarop je van de God van Israël kan houden. Geen wonder dus dat de Spreukendichter ons vandaag oproept om vooral over je hart te waken. Er staat niet voor niets geschreven dat waar je hart is ook je schat zal zijn. En het symbool dat wij bij uitstek hanteren voor de liefde tussen mensen is het hart. Al dat leren, dat lernen, van het onderricht dat wijsheid brengt, het onderricht van de Thora, de eerste vijf boeken van de Bijbel, de leer van Mozes, zou er op kunnen wijzen dat het in de Bijbel gaat om het gebruiken van je verstand. Het lijkt er op alsof je hart er niet meer aan te pas komt, maar niets is minder waar. Het leren van de Thora is het leren de Thora te beoefenen, uiteindelijk de Thora te vervullen. Het gaat dus om te leren hoe te handelen in het leven, hoe merk je de zwaksten op, hoe steek je een hand uit, wat is hulp eigenlijk? Het gaat bij het leren handelen juist niet om het gebruiken van het verstand. Het vermijden van het kwaad en het doen van het goede en niets dan het goede moet vanzelf gaan. Dat is niet een van boven opgelegde houding maar komt van binnenuit. Naar de liefde is het hart immers ook de zetel van het leven en de tekst zou ook vertaald kunnen worden als hoe lang je leeft hangt af van hoe goed je voor je hart weet te zorgen. Nu is de Bijbel toch al geneigd om liefhebben van de naaste te verbinden met een lang leven, met het weer gaan leven ja zelfs met het uit de dood opstaan, uit een doods bestaan weer tot leven komen.

Allemaal begrippen die in dit stukje uit Spreuken mee mogen gaan klinken. In het begin van het gedeelte dat we vandaag lezen wordt er de nadruk op gelegd dat de leer van Mozes van vader op zoon wordt doorgegeven. Rabbijnen hadden hier uit afgeleid dat vrouwen die manier van handelen al van nature hadden. Te meer ook omdat de wijsheid die hier onderwezen wordt zelf als vrouw wordt afgebeeld. De zorg van de moeder is natuurlijk ook een goed voorbeeld van natuurlijke zorg, een moeder voelt aan hoeveel zorg en hulp haar kinderen nodig hebben. De vader moet dat zelf leren en weer aanleren aan zijn zonen. Van een meer vooraanstaande positie van mannen is hier dus geen sprake, integendeel, de domme mannen hebben altijd weer nog veel te leren over liefde voor de naaste en over de zorg voor de minsten. Maar is schemert nog een ander gevolg door. Het onderwijs van vader op zoon zoals hier beschreven wordt is het onderwijs van elke vader aan elke zoon, van generatie op generatie. Het is dus het onderwijs voor een heel volk.

 

Luister naar de lessen

Spreuken 4:1-9

1 Zonen, luister naar de lessen van je vader, wees vol aandacht en kom tot begrip. 2 Wat ik je leer is waardevol, sla dus mijn onderricht niet in de wind. 3 Zelf was ik mijn vaders beminde zoon, mijn moeders lieveling. 4 Mijn vader leerde mij: ‘Laat je hart mijn woorden bewaren, handel naar mijn richtlijnen, dan gaat het je goed. 5 Streef naar wijsheid, zoek naar inzicht, wijk niet af van wat ik zeg, vergeet het niet. 6 Verlaat de wijsheid niet, dan beschermt ze je, heb haar lief, dan behoedt ze je. 7 Het begin van wijsheid is dat je wijsheid zoekt, inzicht najaagt met alles wat je bezit. 8 Acht de wijsheid hoog, dan geeft ze je aanzien, ze strekt je tot eer wanneer je haar omhelst. 9 Ze legt een sierlijke krans om je hoofd, schenkt je een prachtige kroon.’ (NBV21)

Vandaag trekken we het leerhuis in, de plaats waar gelovigen onderzoeken hoe de richtlijnen voor de menselijke samenleving in de praktijk te brengen. Dat leren van de wijsheid van God staat centraal in het geloof van Joden en Christenen. In de praktijk van Christelijke kerken is het begrip leren een beetje ondergesneeuwd. Dat komt door de vertaling van het begrip Thora. Dat wordt meestal vertaald met Wet, soms ook met geboden en hier in dit gedeelte vertaalt de Nieuwe Bijbelvertaling net als de Naardense Bijbel met richtlijnen. In Hebreeuwse commentaren wordt Thora ook vertaald met lering, leer, of onderwijs en een zin als “handel naar mijn richtlijnen” of “onderhoud mijn geboden” zou ook vertaald kunnen worden met “blijf oefenen in mijn onderricht”. Het begin van de Wijsheid die je moet leren is immers het inzicht. Inzicht in hoe de wereld in elkaar zit en waar je op moet letten. In de Bijbel is dat dus niet het nadoen van anderen, of het voldoen aan verwachtingen, zelfs niet de verwachtingen die een God zou kunnen hebben van jou als gelovige.

Het inzicht dat de eerste vijf boeken van de Bijbel, de boeken die de leer van Mozes in zich dragen, is dat de wereld bestaat uit heersers en slaven en dat de slaven bevrijdt moeten worden. Dat wat men heeft is niet door eigen verdienste verworven maar is altijd een geschenk van God. God geeft aan de goeden en aan de slechten en het leren is bedoeld om aan de kant van de goeden komen te staan. Leren hoe je rijk moet worden, hoe je lang zou kunnen leven, hoe je gelukkig zou kunnen worden heeft dus geen zin. Het gaat er om te leren te delen van wat je hebt met hen die het nodig hebben. Het gaat er om te leren mensen te bevrijden van de slavernij waarin zij verstrikt zijn geraakt. Slavernij van een godsdienst of ideologie die hen dwingt dingen te doen of te laten of in het ergste geval zelfs anderen te doden of te verwonden. Slavernij van werken en consumeren zodat er geen tijd meer overblijft om te delen, om anderen te laten genieten van jouw talenten, om samen een samenleving op te bouwen waar plaats is voor iedereen.

Dat wat je in de Bijbel te leren krijgt is niks nieuws. Het wordt van vader op zoon en van moeder op dochter doorgegeven. In dit gedeelte zijn vaders en grootvaders aan het woord. God mag als Vader worden aangesproken, Onze Vader en iedereen leert dat Ons staat voor alle mensen in de wereld met wie je samen mag bidden. Maar juist in dit gedeelte uit het boek Spreuken leren we dat God ook als een moeder voor ons zorgt. De wijsheid is onze moeder leren we, die we lief moeten hebben ons hele leven lang. Een moeder weet wat haar kinderen nodig heeft. Joodse Rabbijnen hebben wel eens opgemerkt dat moeders eigenlijk helemaal niet steeds hoeven te leren, te lernen noemen ze dat als het gaat om het je eigen maken van de leer van Mozes, want moeders kennen en kunnen die leer al van nature, ze nemen hun kinderen niet alles uit handen, ze proberen de zorg voor anderen voor te leven, ze straffen en berispen als kinderen afwijken van hetgeen ze geleerd hebben en ondanks dat alles voor zichzelf willen houden. Zo leert God ons ook en dat leren, of lernen, moeten we ons hele leven blijven doen. Ons eigen maken dat we mogen delen. Daarom zijn er in veel kerken ook leerhuizen, om samen te leren van de leer van Mozes.

 

Bedachtzaamheid en tact

Spreuken 3:21-35

21 Mijn zoon, streef naar bedachtzaamheid en tact, verlies die nooit uit het oog. 22 Ze zullen een bron van leven voor je zijn, een sieraad om je hals. 23 Je zult veilig je weg kunnen gaan, nergens zul je struikelen. 24 Je hoeft niet bang te zijn wanneer je slapen gaat, je slaap zal vredig zijn. 25 En wees niet bang voor plotseling onheil, voor de rampspoed die goddelozen overkomt. 26 Je kunt vertrouwen op de HEER, Hij beschermt je tegen hinderlagen. 27 Onthoud een ander niet waarop hij recht heeft, terwijl je het hem geven kunt. 28 Zeg nooit tegen je medemens: ‘Ga weg, kom morgen maar terug,’ terwijl je hebt wat je hem schuldig bent. 29 Behandel hem niet zo schandalig terwijl hij zijn vertrouwen in je heeft gesteld. 30 Maak geen ruzie met iemand die je geen kwaad berokkend heeft. 31 Wees niet jaloers op iemand die geweld gebruikt, volg hem beslist niet na, 32 want de HEER verafschuwt wie dat dwaalspoor gaat, maar wie rechtschapen is geeft Hij zijn vertrouwen. 33 De HEER vervloekt het huis van goddelozen, maar de woning van rechtvaardigen zegent Hij. 34 Met spotters drijft Hij de spot, maar verdrukten schenkt Hij zijn gunst. 35 Wijzen verwerven eer, dwazen torsen schande. (NBV21)

Er wordt nog wel eens gezegd dat de Bijbel van alles verbiedt dat mensen gewoon een aangenaam leven kan bezorgen. Dat is dus niet waar. Natuurlijk waarschuwt de Bijbel voor van alles dat mensen schade kan berokkenen. Als de Bijbel vandaag geschreven zou worden dan zou je er een waarschuwing tegen het roken in vinden, dat brengt nu eenmaal de kans op hartziekten en longkanker. Zo staan er ook de nodige waarschuwingen in de Bijbel tegen het overmatig gebruik van alcoholhoudende dranken. Vandaag lezen we daar weer een aantal van. Maar het begint met een waarschuwing tegen het gebruik van een hoer. Let op, prostitutie wordt hier niet veroordeeld. Maar prostitutie past niet in de manier waarop de Bijbel wil dat we met mensen omgaan. Samen een partnerschap vormen dat stormen kan weerstaan is er met een hoer niet bij. In zo’n relatie beschouwen mensen elkaar als object waar je van kan profiteren. En Spreuken waarschuwt dat er dus ook van de gebruiker geprofiteerd kan worden en dat die alleen van nut is zolang er geprofiteerd kan worden. Ook het overmatig gebruik van alcohol houdende drank, wijn in Bijbelse taal, maakt dat de mens geen mens meer is, maar een zielig hoopje wanhoop.

Het maakt de mens snel boos, altijd aan het klagen, snel gewond en met rood omrande troebele ogen. Dat is iemand die van de vroege morgen tot de late avond alcoholhoudende drank nuttigt. In onze dagen noemen we niet alleen de wijn maar ook sterke drank en bier. Eigenlijk verzet het boek Spreuken zich al tegen het comazuipen. Het ontmenselijkt je. Als je in coma ligt of overmatig dronken bent kan niemand je meer een plezier doen, kan ook niemand meer van jou genieten. Je doet een ander en jezelf dus zeer tekort. En bovendien geniet je eigenlijk helemaal niet meer van de drank die je zoveel onheil brengt. Je wordt er zeeziek van, iedereen die wel eens dronken is geweest zal dit herkennen. Zelfs een pak slaag voel je niet meer omdat alcohol verdoofd en dat kan zeker niet ongevaarlijk zijn en om te herstellen van de kater heb je eigenlijk weer een nieuw glas alcohol nodig. Nu kun je elk individu veroordelen die te veel drank gebruikt maar onze samenleving maakt het gebruik van drank nu eenmaal tot een gewoonte die de illusie van rijkdom en vrolijkheid geeft.

Bij elk staatsdiner hoort immers een forse hoeveelheid wijn, elke feestelijke gelegenheid van de rijken wordt opgeluisterd door het nuttigen van de nodige hoeveelheid drank. Elke feestelijke gelegenheid van de overheid ook wordt rijkelijk besprenkeld met alcohol. Misschien dat we onze overheid eens kunnen vragen het gebruik van alcohol te matigen zodat minder mensen in verleiding worden gebracht. Het boek Spreuken hoort bij de zogenaamde wijsheidsliteratuur. In Spreuken gaat het dus om de Wijsheid en het begin van de Wijsheid is het volgen van God door het betrachten van gerechtigheid. Al het andere is uitwerking van die geboden. Basis van de samenleving hoort de zorg voor elkaar te zijn. Zo lang we weten dat er mensen zijn voor wie het nuttigen van alcohol een ziekte is zullen we mensen niet die alcohol moeten voorzetten. Dat is de wijsheid die we bij het lezen van de Bijbel tegenkomen. Dat lezen mogen we dag in dag uit ook zelf weer doen, elke dag opnieuw, ook vandaag.

 

Vergeet mijn lessen niet

Spreuken 3:1-20

1 Mijn zoon, vergeet mijn lessen niet, houd in je hart mijn richtlijnen vast. 2 Ze vermeerderen de dagen van je leven, geven je vele jaren van geluk. 3 Mogen liefde en trouw je nooit verlaten, wind ze om je hals, schrijf ze in je hart. 4 God en de mensen zullen je genegen zijn en je zult waardering ondervinden. 5 Vertrouw op de HEER met heel je hart, steun niet op eigen inzicht. 6 Denk aan Hem bij alles wat je doet, dan baant Hij voor jou de weg. 7 Wees niet eigenzinnig, maar heb ontzag voor de HEER en ga het kwaad uit de weg. 8 Het zal je sterken als een medicijn, het verkwikt je lichaam. 9 Eer de HEER met al je rijkdom, met het beste van de oogst. 10 Graan zal je voorraadschuren vullen, je kuipen lopen over van wijn. 11 Mijn zoon, een berisping van de HEER mag je nooit terzijde schuiven, zijn bestraffing moet je zonder afschuw ondergaan, 12 want de HEER straft wie Hij liefheeft, als een vader die van zijn kinderen houdt. 13 Gelukkig de mens die wijsheid ontdekt, de mens die inzicht wint. 14 Wijsheid levert meer op dan zilver, geeft meer profijt dan goud, 15 is kostbaarder dan edelstenen. Alles wat je ooit zou kunnen wensen valt bij de wijsheid in het niet. 16 Met haar ene hand schenkt ze een lang leven, eer en rijkdom geeft ze met haar andere hand. 17 De wegen van de wijsheid zijn lieflijk, al haar paden vredig. 18 Ze is een levensboom voor wie haar omhelst, wie haar omarmt, mag zich gelukkig prijzen. 19 De HEER heeft de aarde met wijsheid gegrondvest, de hemel met inzicht gevestigd. 20 Door zijn kennis brak het water los uit de diepte en druppelt er dauw uit de wolken. (NBV21)

Over welke lessen hebben we het hier? Dat je je naaste moet liefhebben als jezelf is dan het meest eenvoudige antwoord. Maar zelfs schriftgeleerden stelden dan de vraag wie mijn naaste is. Jezus van Nazareth geeft dan het verhaal over de Barmhartige Samaritaan als antwoord. En de clou van dat verhaal is dat je naaste degeen is die jou als naaste nodig heeft, het slachtoffer langs de kant van de weg waar jij naast durft te gaan liggen om zo de naaste te worden van dat slachtoffer. Zo moet je dus ook volgens de Spreukendichter gaan leven. Voortdurend bedacht zijn op de aanwezigheid van de God van Israël en die God is altijd bij de minsten in de samenleving, bij de slachtoffers van uitbuiting en geweld, bij de mensen die buiten de samenleving worden gezet, bij de mensen die anderen nodig hebben om te kunnen overleven. Daar zul je dus gevoelig voor moeten worden. Je kunt niet de hele wereld op je nek nemen, je kunt zeker niet gaan liggen naast alle mensen langs de kant van de weg, maar een oude Joodse wijsheid zegt dat wie één mens redt de hele wereld redt.

Het is ook niet zo vreemd om voortdurend bedacht te zijn op je naaste. Een mens kan helemaal niet alleen bestaan. Elk mens heeft gezelschap nodig. Bij de schepping van mensen kwam God al tot de ontdekking dat het niet goed zou zijn als de mens alleen zou zijn, daarom scheidde hij de mens in een mannelijk en vrouwelijk wezen. Dat wil dus nog niet zeggen dat man en vrouw de enige combinatie is die mogelijk is, het is de enige combinatie voor de voortplanting maar het religieuze vruchtbaarheidsstreven wordt door de Bijbel streng afgewezen en mensen beoordelen op hun vruchtbaarheid is uit den boze. Rachel had 2 kinderen en Lea 10 toch was Rachel de favoriet en werden er net zo gemakkelijk slavinnen ingeschakeld om het voortbestaan van de dynastie te verzekeren. Sara kreeg pas kinderen toen ze oud was en het krijgen van kinderen voor haar ongeloofwaardig was, het maakte het geloof in een God die toch wel voor je zorgt mogelijk.

Toch kun je soms tot de ontdekking komen dat je de verkeerde mens hebt geholpen. Dat je mensen afhankelijk van je hebt gemaakt of dat je mensen hebt geholpen waarvan je had kunnen weten dat die helemaal geen hulp nodig hadden maar dat die alleen maar van jou wilden profiteren. Je loopt daar tegenop. De Spreukendichter raad je aan je daar niet door te laten versomberen. Het zijn misschien waarschuwingen van God die je helpen het goede pad te gaan, weer te gaan liggen naast de slachtoffers langs de kant van de weg, je weer af te vragen hoe het is om opgesloten te worden in een gevangenis zonder misdrijf te hebben begaan maar alleen maar omdat je uit een land komt dat je niet meer terug wil nemen. Onrecht bestaat ook in onze dagen in allerlei vormen. Nog steeds worden er kinderen in de gevangenis gezet die niets verkeerd hebben gedaan, nog steeds kunnen mensen hun gezin niet te eten geven omdat machtige deurwaarders zich niet aan de regels voor loonbeslag wensen te houden. Elke dag kunnen we dus de weg gaan van de Heer, door onze stem tegen onrecht te verheffen, elke dag mag dat opnieuw.

 

Zijn geloof verloor hij niet

Romeinen 4:13-25

13 Immers, niet door de wet ontvingen Abraham en zijn nageslacht de belofte dat ze de wereld zouden erven, maar door de rechtvaardigheid die het geloof schenkt. 14 Als men op grond van het naleven van de wet erfgenaam zou zijn, zou het geloof zijn betekenis hebben verloren en de belofte zijn ontkracht. 15 De wet leidt er namelijk toe dat God straft; zonder wet is er ook geen overtreding. 16 Maar de belofte berust op geloof, omdat ze een geschenk van God moest zijn. Want zo is ze van kracht voor heel het nageslacht, niet alleen voor hen die de wet hebben maar ook voor wie delen in het geloof van Abraham, die de vader is van ons allen. 17 Er staat immers geschreven: ‘Ik maak je de vader van vele volken.’ En hij is dit ten overstaan van God, die de doden levend maakt en in het leven roept wat niet bestaat. In Hem stelde hij zijn vertrouwen. 18 Zelfs toen alle hoop vervlogen was, bleef Abraham hopen en geloven dat hij de vader van vele volken zou worden, zoals hem was beloofd: ‘Zo talrijk zullen je nakomelingen zijn.’ 19 Hij was al ongeveer honderd jaar oud, maar zijn geloof verzwakte niet als hij dacht aan zijn uitgeleefde lichaam en aan Sara’s dode schoot. 20 Hij twijfelde niet aan Gods belofte; zijn geloof verloor hij niet, integendeel, hij werd erin gesterkt en bewees zo eer aan God. 21 Hij was ervan overtuigd dat God bij machte was te doen wat Hij had beloofd, 22 en dat geloof werd hem als rechtvaardigheid toegerekend. 23 De woorden ‘dat werd hem toegerekend’ zijn niet alleen voor hem opgeschreven, 24 maar ook voor ons, want ook wij zullen als rechtvaardigen worden aangenomen omdat we ons vertrouwen stellen in Hem die Jezus, onze Heer, uit de dood heeft opgewekt: 25 Hij die werd prijsgegeven om onze zonden en werd opgewekt omwille van onze rechtvaardiging. (NBV21)

De brief van Paulus aan de Romeinen bracht de Duitse monnik Maarten Luther er in 1517 toe zijn stellingen te formuleren en aan de slotkapel van Wittenberg te spijkeren om een academische discussie uit te lokken. Het was het begin van het Protestantisme en een kerkhervorming die tot op vandaag de dag bestaat. Maar waar ging die discussie over en is die ook vandaag nog relevant? Bron van de discussie was de passage uit de brief aan de Romeinen die we vandaag lezen. “Rechtvaardiging door het geloof alleen” heet het in oude termen. Alleen als we vasthouden aan de droom van de rechtvaardige wereld dan zullen we die wereld ook in bezit krijgen schrijft Paulus. Het is de droom van Martin Luther King die blanke en zwarte kinderen hand in hand ziet lopen in een vruchtbaar land waar iedereen bij mag horen en alle kinderen gelijke kansen hebben om zich te ontwikkelen.

Het is de droom waar Barack Obama op hamerde in zijn eerste race naar de presidentsverkiezingen in Amerika. Het was de droom waaraan Abraham vast hield toen hij de belofte had een vader van vele volkeren te worden. Die droom van Abraham begon met één zoon. In de dagen van Maarten Luther was er de zogenaamde Roomse Kerk die beweerde dat zij alleen de rechtvaardiging kon verschaffen. Niet het geloof, het vertrouwen, op het uitkomen van die droom maar de beslissing van de Kerk. Daarvoor kon zelfs de kerk worden omgekocht. Als je genoeg betaalde kreeg je zelfs meer rechtvaardiging. Die kerk had verzonnen dat er een vagevuur zou zijn waar elke zonde uitgebrand zou moeten worden. Hoe meer je betaalde hoe korter je in dat vagevuur zou hoeven te blijven. Maarten Luther ontdekte dat het allemaal leugen en bedrog was. Paulus had immers geschreven dat alleen het geloof tot rechtvaardiging leidt en dat alleen God die rechtvaardiging kon geven. Daar komt geen kerk aan te pas.

Juist als je gelooft in de komst van de rechtvaardige samenleving, waar honger en dorst zijn gestild, waar tranen zijn gedroogd, waar blinden zien en lammen lopen kun je niet wachten om er mee te beginnen. Dat je soms moe wordt van al die mensen die het goede in kwaad veranderen door het goede in eigen winst en profijt om te zetten wordt je vergeven als je blijft vasthouden aan die droom. Elk moment mag je er weer opnieuw mee beginnen, niet omdat rechtvaardiging van jezelf het doel zou kunnen of moeten zijn maar omdat je het niet kan hebben dat ergens op de wereld nog een mens lijdt onder onrechtvaardigheid. Omdat we het niet kunnen hebben dat we onze samenleving zo inrichten dat niet iedereen mee kan doen en mee in onze rijkdom kan delen. Daarom slaan we ook vandaag weer de hand aan de ploeg, daar is nog rechtvaardiging genoeg voor. En we nemen ons voor het ook het komende jaar vol te houden.

De mens wiens onrecht is vergeven

Romeinen 4:1-12

1 Wat moeten wij nu zeggen over Abraham, de stamvader van ons volk? Wat heeft hij ondervonden? 2 Indien hij rechtvaardig verklaard zou zijn op grond van zijn daden, dan had hij zich daarop kunnen laten voorstaan. Maar niet tegenover God, 3 want wat zegt de Schrift? ‘Abraham vertrouwde op God, en dat werd hem als rechtvaardigheid toegerekend.’ 4 Iemand die werkt, krijgt zijn loon niet als een gunst maar als een recht. 5 Maar als iemand zelf niets inbrengt, maar wel zijn vertrouwen stelt in Hem die de schuldige vrijspreekt, dan wordt zijn vertrouwen hem als rechtvaardigheid toegerekend. 6 Zo prijst ook David de mens gelukkig die, zonder eigen inbreng, door God rechtvaardig wordt verklaard: 7 ‘Gelukkig de mens wiens onrecht is vergeven, wiens zonden zijn bedekt; 8 gelukkig de mens wiens zonde de Heer niet telt.’ 9 Prijzen deze woorden alleen besneden mensen gelukkig of ook onbesnedenen? We zagen al dat Abrahams vertrouwen hem als rechtvaardigheid werd toegerekend. 10 Maar in welke omstandigheden gebeurde dat? Was hij toen besneden of onbesneden? Dat laatste: het gebeurde toen hij nog niet besneden was. 11 Het teken van de besnijdenis ontving hij later, om te bezegelen dat hij, als onbesnedene, rechtvaardig was door zijn geloof. Zo werd hij de vader van alle onbesnedenen die geloven, opdat ook zij als rechtvaardigen aangenomen zouden worden. 12 En hij werd eveneens de vader van hen die besneden zijn, althans van hen die zich niet alleen hebben laten besnijden maar ook onze vader Abraham volgen in het geloof dat hij als onbesnedene bezat. (NBV21)

Joden en Moslims beschouwen zich als kinderen van Abraham. Ze zijn immers besneden. De mannenmacht is overgegaan op de ene Heer en als teken daarvan is hun mannelijkheid ingekort. In een oorlog was het ooit de gewoonte de voorhuid van de verslagen soldaten af te snijden als teken van buit en de grote van de overwinning. De besnedenen werden door hun besnijdenis onoverwinnelijk. Maar hoe moet het dan met de Heidenen die zich bij de Weg van Jezus van Nazareth aansluiten? Die besnijdenis was in de dagen van Paulus een belangrijk onderwerp. De discussie was in Rome opgelaaid na de terugkeer van Judeeërs die eerst verbannen waren geweest. Die werden geconfronteerd met een groot aantal Heidenen die zich ineens aan de Wet van de Liefde, van heb je naaste lief als jezelf, gingen houden. Moesten die Heidenen dan niet ook besneden worden? Volgens Paulus, daarin gesteund door de andere Apostelen, hoefde dat niet.

We spreken over Judeeërs omdat pas enkele eeuwen later de gelovigen uit Israël die Jezus van Nazareth niet erkenden gedwongen werden een eigen religie te vormen. Zij schreven de Talmoed en sindsdien kennen we naast het Christendom met veel stromingen ook het Jodendom met veel stromingen. Paulus probeert te onderbouwen dat de Heidenen uit de beweging van de Weg, de beweging van Christenen, zich niet hoeven te laten besnijden met het verhaal van Abraham. Die liet zich uiteindelijk besnijden toen hij in Kanaän een plaats had gevonden. Maar die was al op weg gegaan gedreven door een ervaring dat er een andere manier van leven mogelijk moest zijn als hij in Ur en later in Haran had ervaren. Een andere God had hem geroepen. Niet een God die bij een plaats of een land hoorde, maar een God die met hem meetrok en hem medemenselijkheid en erbarmen voorhield. Een God ook die niet vroeg om je zoon te offeren maar genoegen nam met een schaap, dat je vervolgens zelf mocht opeten. Het besef dat je het met die nieuwe manier van geloven moet wagen werd Abraham tot gerechtigheid aangerekend.

Abraham had geen beeld van die nieuwe God, had geen tempel, en aanbidden was er ook niet bij. Toch had die God onverwacht voor vruchtbaarheid gezorgd. Toen alle hoop op vruchtbaarheid verloren scheen was de zorg voor de vreemdelingen die langskwamen uitgelopen op nieuw leven, op een eigen zoon voor Abraham en Sara als begin van een groot volk. Zo zijn in de ogen van Paulus, Judeeërs, Joden, Moslims en gelovige Heidenen allemaal kinderen van Abraham. Die besnijdenis doet daarbij niet terzake. Het gaat om mensen die hun naaste lief hebben als zichzelf. Om mensen die bereid zijn te delen met de hongerigen, de naakten te kleden, de zieken te verzorgen, de armen te bevrijden. In dat Rome met zijn vele slaven viel het onderscheid tussen Jood en Heiden weg, maar ook het onderscheid tussen slaaf en vrije, tussen man en vrouw, tussen arme en rijke. In die nieuwe gemeenschap van mensen van de Weg van Jezus van Nazareth waren geen vreemdelingen meer, alleen nog broeders en zusters. Gaan wij nog steeds diezelfde weg als kinderen van Abraham, samen met onze broeders en zusters?