Niet uit geldingsdrang of eigenwaan

Filippenzen 1:27-2:11

27 Hier gaat het om: blijf leven in overeenstemming met het evangelie van Christus, zodat ik kan zien als ik bij u kom, of als ik niet kom over u kan horen, dat u één van geest bent en eensgezind strijdt voor het geloof in het evangelie. 28 Laat u op geen enkele manier door uw tegenstanders angst aanjagen, want als u standvastig blijft, is dat een teken van God: voor hen dat ze ten onder gaan, voor u dat u wordt gered. 29 Aan u is de genade geschonken niet alleen in Christus te geloven, maar ook omwille van Hem te lijden. 30 U voert dezelfde strijd die u mij vroeger hebt zien voeren en die ik, zoals u hoort, nog steeds voer. 1 Nu u door Christus zozeer bemoedigd wordt en liefdevol getroost, nu er onder u zo’n grote verbondenheid met de Geest is, zoveel hartelijk medeleven, 2 maak mij dan volmaakt gelukkig door eensgezind te zijn, één in liefde, één in streven, één van geest. 3 Handel niet uit geldingsdrang of eigenwaan, maar acht in alle nederigheid de ander belangrijker dan uzelf. 4 Heb niet alleen uw eigen belangen voor ogen, maar ook die van de ander. 5 Laat onder u de gezindheid heersen die Christus Jezus had. 6 Hij, die de gestalte van God had, maakte er geen aanspraak op aan God gelijk te zijn, 7 maar deed afstand van zijn positie en nam de gestalte aan van een dienaar. Hij werd gelijk aan de mensen, en als mens verschenen 8 heeft Hij zich vernederd en werd gehoorzaam tot in de dood-de dood aan het kruis. 9 Daarom heeft God Hem hoog verheven en Hem de naam geschonken die elke naam te boven gaat, 10 opdat in de naam van Jezus elke knie zich zal buigen, in de hemel, op de aarde en onder de aarde, 11 en elke tong zal belijden: ‘Jezus Christus is Heer,’ tot eer van God, de Vader. (NBV21)

Paulus wordt lyrisch als hij het over de nieuwe manier van leven van de mensen van de Weg heeft. Hij gaat er zelfs van zingen. Samen strijd je voor het geloof in een nieuwe samenleving. Voor de mensen in Filippi was dat een samenleving waarin elk leven telde, waarin elk mens mocht meedoen. Waar er geen onderscheid meer was tussen slaven en vrijen. Dat was al zo volstrekt revolutionair dat slavenhouders en slavenhandelaren er tegen in geweer kwamen. En soms ook slaven zelf, want goede slaven hadden soms ook een goed leven en werden door hun heer beschermd. Zelf verantwoordelijkheid op je nemen is dan beangstigend. Maar in de gemeente van Christus gaat het daar nu juist om. Daar ben je de hoeder van elke broeder en zuster, daar is altijd de ander belangrijker dan je zelf. Voor veel mensen is de aandacht en de liefde die men krijgt binnen een gemeente, de warmte die er tussen mensen hoort te heersen, weldadig. Zeker als je in een samenleving leeft waar onverschilligheid naar elkaar de boventoon voert.

De Geest van Jezus van Nazareth is dat je zelfs in een drukke menigte nog de blinde bedelaar langs de kant van de weg ziet zitten en je hand weet uit te steken. Paulus doet een hartstochtelijk beroep op de gemeente in Filippi om samen op die manier te gaan leven. Niet om er zelf belangrijker of beter van te worden, maar omdat het leven voor alle mensen er beter van wordt.Dan wordt het zingen. En de beelden die Paulus hier kiest, misschien heeft hij het lied zelf geschreven, vindt je ook terug bij de profeet Jesaja als die schrijft over de lijdende knecht des Heren. Jezus van Nazareth stierf de dood van een Romeinse slaaf die in opstand was gekomen. Een uiterst pijnlijke en langzame marteldood. Maar de manier waarop Jezus van Nazareth die dood heeft ondergaan was zo hoog verheven boven alles wat mensen hadden opgebracht dat het goddelijk werd.

Toen Jezus van Nazareth gevangen werd liet hij zijn volgelingen hun zwaarden opbergen, hij ging geen enkele strijd aan met zijn rechters. Hij onderging zijn martelingen zwijgend. Hij gaf aandacht en zorg aan misdadigers die met hem werden gekruisigd. En hij zorgde zelfs voor de verzorging van zijn moeder die dit alles moest aanzien. Hij bad om vergeving voor hen die hem kruisigden. Zo had God gewild dat onder alle omstandigheden de mens de naaste liefheeft als zichzelf. Als dat kan in die kruisiging dan moeten wij het zeker onder onze omstandigheden kunnen volhouden. Ook al verklaard de wereld ons voor gek en worden we op alle manieren uitgedaagd eerst voor onszelf te zorgen. Door mee te zingen met Paulus over de knecht van God die de slavendood aan het kruis onderging terwijl hij de mensen lief bleef hebben worden we ons bewust hoezeer wij mensen lief kunnen hebben. En liefhebben kunnen we elke dag, ook vandaag weer.

 

In alle openheid spreken

Filippenzen 1:12-26

12 U moet weten, broeders en zusters, dat wat mij is overkomen er juist toe bijdraagt dat het evangelie wordt verspreid. 13 Het is iedereen in het Romeinse hoofdkwartier en alle anderen duidelijk geworden dat ik gevangenzit omwille van Christus. 14 Bovendien durven de meeste broeders en zusters, omdat ze door mijn gevangenschap vertrouwen in de Heer hebben gekregen, de boodschap nu nog onbevreesder te verkondigen. 15 Sommigen doen dat weliswaar uit afgunst en rivaliteit, maar anderen verkondigen Christus met goede bedoelingen. 16 Zij doen het uit liefde, in het besef dat ik de taak heb het evangelie te verdedigen. 17 De eersten daarentegen verkondigen Christus uit geldingsdrang, met onzuivere bedoelingen, in de veronderstelling dat ze zo mijn gevangenschap verzwaren. 18 Maar wat dan nog! Wat telt is dat Christus verkondigd wordt. Of het nu uit valse of oprechte motieven gebeurt-dát het gebeurt verheugt me. En mijn vreugde is blijvend, 19 omdat ik weet dat dit alles door uw gebed en de hulp van de Geest van Jezus Christus tot mijn redding leidt. 20 Het is mijn stellige hoop en verwachting dat ik mij nergens voor zal hoeven te schamen. Integendeel, ik zal net als altijd in alle openheid spreken, zodat Christus ook bij alles wat ik nu meemaak zal worden geëerd, of ik nu in leven blijf of moet sterven. 21 Want voor mij is leven Christus en sterven winst. 22 Als ik blijf leven, kan ik vruchtbaar werk doen, maar toch weet ik niet wat ik zou kiezen. 23 Ik word naar twee kanten getrokken: enerzijds verlang ik ernaar te sterven en bij Christus te zijn, want dat is het allerbeste; 24 anderzijds is het meer in uw belang dat ik blijf leven. 25 Omdat ik hiervan overtuigd ben, weet ik dat ik inderdaad voor u behouden zal blijven, zodat uw geloof groter en vreugdevoller wordt. 26 Wanneer ik bij u terugkeer, hebt u des te meer reden om u op Christus Jezus te beroemen. (NBV21)

Geleerden nemen aan dat Paulus de brief aan de gemeente in Filippi heeft geschreven toen hij gevangen zat in Efeze. Daar werd hij met de dood bedreigd en zou hij uiteindelijk maar op het nippertje kunnen ontsnappen. Maar zelfs tijdens de gevangenschap blijkt Paulus te zorgen voor zijn metgezellen. Uit Filippi had men Epafroditus gestuurd om Paulus te helpen. Maar die werd behoorlijk ziek en kon het werk niet volhouden. Paulus stuurde hem terug met de brief waaruit we ook vandaag lezen. In het gedeelte van vandaag gaat het met name over de invloed die de dood op ons heeft. Paulus toont eigenlijk aan dat de dood helemaal geen invloed hoeft te hebben op ons handelen. Hij zit gevangen maar heeft iedereen in het gerechtsgebouw, Romeinse hoofdkwartier wordt hier vertaald, er van overtuigd dat hij een boodschap heeft te verspreiden die alle mensen ten goede komt. Maar als het iemand als Paulus, een vreemdeling in Efeze, lukt om zelfs het Romeinse hof onder indruk te brengen, dan kan dat Evangelie kennelijk ongestoord verkondigd worden. Dat doen zijn volgelingen dan ook.

En weer steekt de eigenwaan de kop op. In elke gemeenschap zijn er mensen die zichzelf geweldig belangrijk vinden. Die vinden dat zij degenen zijn die met kop en schouders boven iedereen moeten uitsteken. Overal ontmoet Paulus mensen die hem maar als zwak en onbeduidend afschilderen. Nu kun je, in de positie van Paulus, met zulke mensen in de strijd gaan en Paulus waarschuwt in verschillende brieven uitgebreid voor zulke lieden, maar als ze het goede doen dan zijn ze welkom. Ook al vertegenwoordigt iemand het kwade, met kwade motieven, dan nog is men welkom als men het goede doet. Dat is een boodschap die ook in onze dagen wel eens vaker gehoord mag worden. Als we het hebben over de regel die Jezus van Nazareth ons gegeven heeft dat we een ander niet moeten aandoen wat wij niet willen dat ons aangedaan wordt dan is dat niet exclusief alleen iets voor mensen die geloven in Jezus van Nazareth als bevrijder van het kwade in deze wereld.

In elke godsdienst komen we dezelfde regel tegen en samen met mensen van allerlei verschillende godsdiensten kun je dus het goede doen voor de armen en de minsten in deze wereld, zonder je eigen dienst aan de God van Israël op te geven. Voor Paulus is de oorlog om de verkondiging dus al bij voorbaat gewonnen, als de boodschap maar verkondigd wordt. Hetzelfde geld voor de angst voor de dood. Als je sterft kom je bij Jezus van Nazareth gelooft Paulus, als je leeft kun je aan zijn koninkrijk werken. Beide is winst. En dat mag ook voor ons gelden. Elke dag opnieuw mogen we weer gaan werken aan dat Koninkrijk, hoezeer we dat de dagen er voor ook hebben verwaarloosd. Ook vandaag mogen we daar weer aan werken door het goede te doen en niet dan het goede.

 

Heiligen

Filippenzen 1:1-11

1 Van Paulus en Timoteüs, dienaren van Christus Jezus. Aan alle heiligen in Filippi, die één zijn met Christus Jezus, en aan de leiders en dienaren van de gemeente. 2 Genade zij u en vrede van God, onze Vader, en van de Heer Jezus Christus. 3 Ik dank mijn God altijd wanneer ik aan u denk, 4 telkens wanneer ik voor u allen bid. Dat doe ik vol vreugde, 5 omdat u vanaf de eerste dag tot nu toe hebt bijgedragen aan de verspreiding van het evangelie. 6 Ik ben ervan overtuigd dat Hij die dit goede werk bij u begonnen is, het ook zal voortzetten tot het voltooid is op de dag van Christus Jezus. 7 Het spreekt vanzelf dat ik zo over u denk, want u allen ligt me na aan het hart. U hebt immers allen deel aan de genade die mij geschonken is nu ik gevangenzit en de waarheid van het evangelie verdedig. 8 God kan getuigen dat ik naar u allen verlang met de genegenheid van Christus Jezus. 9 Ik bid dat uw liefde steeds meer aan inzicht en fijnzinnigheid wint,10 zodat u kunt onderscheiden waar het op aankomt. Dan zult u op de dag van Christus zuiver en onberispelijk zijn, 11 vol van de vruchten van de gerechtigheid, die u dankt aan Jezus Christus, tot lof en eer van God. (NBV21)

Vandaag beginnen we weer te lezen in de brief van Paulus aan de gemeente in Filippi. Paulus had een goede band met deze gemeente, dat blijkt ook wel uit het gedeelte dat we vandaag lezen. Filippi was een stad gesticht door de Romeinen. Het was een legerplaats maar het was ook de woonplaats van voorname Romeinen die door de keizer verbannen waren omdat ze tegenstanders van de keizer waren. Een Romeinse legerplaats betekende ook een gemeenschap die sterk leunde op slavenarbeid en die haar cultuur aan de inwoners van het omringende land dwingend oplegde. In die plaats was een gemeente ontstaan van mensen die de steun voor hun leven vonden in de Joodse Leer, met name in het heb Uw naaste lief als Uzelf. Binnen hun gemeenschap was het onderscheid tussen slaven en vrijen, mannen en vrouwen, Grieken,. Romeinen en Joden, ouderen en jongeren, weggevallen. Ze rekenden er op dat er een wereld zou komen waarin geen dood meer zou zijn en alle tranen gewist zouden worden. Aan die gemeente schreef Paulus deze brief en hij begint met te schrijven dat hij elke dag voor hen bid.

Nu kun je elke zondag in elke kerk nog steeds de voorbeden voor mensen ver weg en dichtbij horen. Waarom bidden we eigenlijk in de kerk voor mensen die we niet kennen. Van Paulus kunnen we leren dat bidden ook een middel is om je liefde voor de ander te laten groeien. Bij de voorbeden in de kerk moet je je afvragen wat je zou willen voor die mensen waarvoor je voorbede doet. Je komt er dan achter dat er veel zaken zijn waar je zelf aan kunt bijdragen. Voedsel voor de hongerigen, onderdak voor de daklozen, een veilige plek voor vervolgden en vluchtelingen en vrede in je eigen huis. Maar ook steun en aandacht voor hen die een geliefde verloren. Steun en aandacht voor hen die iemand het gevaar in sturen om onze veiligheid of de veiligheid van anderen te verzekeren. Bidden is dus niet zozeer omhoog kijken naar een God die het allemaal voor elkaar zou moeten boksen, maar is om je heen kijken of je de naaste die je zou moeten liefhebben als jezelf niet vergeet.

Daarom durft Paulus er ook zo uitgebreid over te schrijven. Op deze manier wordt zijn gebed een voorbeeld voor de gemeente in Filippi. En dat voorbeeld wordt nu wij het lezen een voorbeeld voor ons. Want die voorbede hoeft natuurlijk niet alleen in de kerken gedaan worden. Daar kunnen we oefenen. Daar kunnen voorgangers niet alleen voorgaan in gebed maar het ons ook voordoen. Zodat we leren thuis elke dag ons af te vragen wie we extra zouden moeten liefhebben om Jezus van Nazareth na te volgen in zijn zorg en aandacht voor de zwaksten en de minsten onder ons. Dan kunnen wij ook groeien in de liefde. Elke dag weer een beetje groeien, ook vandaag weer, als we naast het bidden ook het werken weten op te brengen.

 

Zonder vrees.

Psalm 112

1 Halleluja! Gelukkig de mens die ontzag heeft voor de HEER en grote liefde voor zijn geboden. 2 Zijn nageslacht geniet aanzien in het hele land, de oprechten worden gezegend. 3 Rijkdom en weelde bewonen zijn huis, en zijn rechtvaardigheid houdt stand, voor altijd. 4 Hij straalt voor de oprechten als licht in het duister, genadig, liefdevol en rechtvaardig. 5 Goed gaat het wie genadig is en vrijgevig, wie zijn zaken eerlijk behartigt. 6 De rechtvaardige komt nooit ten val, men zal hem eeuwig gedenken. 7 Voor slechte tijding vreest hij niet, zijn hart is gerust: hij vertrouwt op de HEER. 8 Standvastig is zijn hart en zonder vrees. Aan het eind ziet hij zijn vijanden verslagen. 9 Gul deelt hij uit aan de armen, zijn rechtvaardigheid houdt stand, voor altijd, hij zal stijgen in aanzien en eer. 10 Kwaadwilligen zien het met ergernis aan, ze verbijten zich en verliezen de moed, al hun plannen gaan op in rook. (NBV21)

Vandaag zingen we een vrolijk lied mee met de Kerk van alle tijden. Een echt Joods lied dat zich leent om gezongen te worden bij feestdagen. Dit soort liederen leent zich ook uitstekend voor een optocht van mensen die samen naar een doel op weg zijn. En dat doel zou er vandaag, zo aan het eind van de zomer, ook bij ons kunnen zijn. We vieren immers dat we een goede oogst hebben gehad en de vakbonden leggen hun looneisen op tafel omdat de winsten weer stijgen. Tijd om te delen met hen die achterblijven.

Het volk Israël kende drie zogenaamde pelgrimsfeesten. Dan moest het volk optrekken naar Jeruzalem om daar met de familie, de knechten en dienstmeiden, de slaven en slavinnen, de armen uit het dorp en de vreemdelingen die bij hen woonden en de levieten bij de Tempel een maaltijd houden. De drie feesten waren het Pesachfeest als de gerst oogst was binnengehaald, het Wekenfeest, wanneer de tarweoogst werd binnengehaald en het Loofhuttenfeest als de rest van de oogst was binnen gehaald. Die Pelgrimsreis kennen we van Jezus van Nazareth als hij gezeten op een ezel naar het Pesachfeest in Jeruzalem ging.

De menigte zwaaiden met palmtakken en zongen onder meer deze Psalm. Het Wekenfeest kennen wij als Pinksteren, vijftig dagen na Pasen. En als het Pinksterverhaal wordt gelezen dan klinken de namen van al die landen van waaruit mensen naar Jeruzalem waren getrokken om dit feest te vieren, ieder hoorde het verhaal in de eigen taal. Vandaag zingen we dus met de Pelgrims mee en mogen we ons voorbereiden op het laatste en grootste feest. Hoewel van Jezus heel uitdrukkelijk wordt vcrteld dat hij het loofhuttenfeest vierde heeft dat feest de christelijke kalender niet gehaald. Maar wij hebben Prinsjesdag, ook dan gaat het om delen. Dan gaat het om vrede, het afzien van de herbewapening, welkom heten aan vreemdelingen en zorgen voor de minsten, de zwaksten in de samenleving.

 

Alleen zijzelf worden gered.

Ezechiël 14:12-23

12 De HEER richtte zich tot mij: 13 ‘Stel, mensenkind, dat een heel land tegen Mij zondigt door Mij ontrouw te worden en dat Ik mijn hand tegen dat land ophef, de broodvoorraad vernietig zodat het volk honger lijdt, en dat Ik mens en dier uitroei, 14 en stel dat de volgende drie mannen in dat land wonen: Noach, Daniël en Job, dan zullen zij met hun rechtvaardigheid alleen zichzelf redden-spreekt God, de HEER. 15 Stel dat Ik wilde dieren in dat land laat rondwaren, zodat het ontvolkt raakt en een woestenij wordt waar uit angst voor die dieren niemand doorheen durft te trekken, 16 en die drie mannen wonen daar, dan geldt, zo waar Ik leef, het volgende-spreekt God, de HEER: zelfs hun zonen en dochters kunnen ze niet redden, alleen zijzelf worden gered, en het land wordt een woestenij. 17 Of als Ik dat land ten prooi geef aan geweld en zeg dat er een zwaard in dat land moet rondgaan om mens en dier uit te roeien, 18 en die drie mannen wonen daar, dan geldt, zo waar Ik leef, het volgende-spreekt God, de HEER: zelfs hun zonen en dochters kunnen ze niet redden, alleen zijzelf worden gered. 19 Of Ik stuur in mijn dodelijke woede de pest naar dat land om mens en dier uit te roeien, 20 en Noach, Daniël en Job wonen daar, dan geldt, zo waar Ik leef, het volgende-spreekt God, de HEER: niet één zoon of dochter zullen ze kunnen redden, hun rechtvaardigheid redt alleen henzelf. 21 Dit zegt God, de HEER: Dit alles geldt des te meer nu Ik mijn vier zwaarste straffen-het zwaard, de honger, de wilde dieren en de pest-op Jeruzalem loslaat om er mens en dier uit te roeien! 22 Toch zullen er mensen zijn die daaraan ontkomen: er zullen zonen en dochters uit de stad worden weggevoerd en naar jullie toe komen. Wanneer jullie zien wat zij hebben gedaan, zullen jullie je kunnen verzoenen met het lot dat Jeruzalem heeft getroffen en begrijpen waarom Ik de stad heb gestraft. 23 Wanneer jullie hun misdaden zien zal dat jullie troosten, omdat jullie dan zullen begrijpen dat Ik alles wat Ik met de stad heb gedaan, niet zonder reden heb gedaan-zo spreekt God, de HEER.’ (NBV21)

Jezus van Nazareth heeft ons opgeroepen om zoutend zout in de samenleving te zijn. Zoals het zout in het brood niet meer terug te vinden is maar wel degelijk de smaak van het brood bepaalt zouden ook de gelovigen in het Koninkrijk van de God van Israël in de samenleving de liefde voor de naaste moeten laten zien zodat die samenleving al de smaak krijgt van het Koninkrijk. De vraag die het boek Ezechiël vandaag aan ons stelt is of dat voldoende is. Als het handjevol gelovigen nu recht en vrede brengt en zorgt voor de minsten in de samenleving, wordt die samenleving daardoor dan alvast een beetje het Koninkrijk van God? Het antwoord dat Ezechiël krijgt is een keihard nee. Rechtvaardigen in de samenleving zijn geen garantie voor het goede van die samenleving zelf, ze zijn geen keurmerk dat maakt dat je je veilig aan een dergelijke samenleving kan overgeven.

In het verhaal dat we vandaag lezen worden drie namen genoemd. Het heeft lang geduurd voordat geleerden wisten over wie Ezechiël het nu eigenlijk had en nog zijn alle geleerden het er niet helemaal over eens. Noach en Job kennen we uit de Bijbel. Noach kwam uit Mesopetamië en Job uit Edom. Maar die Daniël dan? De Daniël uit de Bijbel had geen kinderen en de vraag is of hun rechtvaardigheid hun kinderen had kunnen redden. Nu is het woord “kinderen”dat hier wordt gebruikt ook van toepassing op alle jongeren van het land, de toekomst dus, de bloei van de natie, maar ook daarvan is bij de Bijbelse Daniël geen sprake. Er is echter een verhaal gevonden over een koning Daniël in Syrie die bekend stond als een wijs en rechtvaardig vorst. Hij had een zoon die zich tegen de goden had verzet en daardoor de dood had gevonden. De drie rechtvaardigen hadden dus met hun rechtvaardigheid zelfs hun kinderen niet kunnen redden. Ezechiël heeft het dus over drie niet Israëlische rechtvaardigen, in het kwade is Israël dus niet het voorbeeld voor de volken.

Het verhaal loopt uit op de mededeling dat de ballingen uitgebreid zullen worden met een nieuwe groep ballingen. De eerste ballingschap had de achterblijvers niet op andere gedachten gebracht, ze waren afgoden blijven nalopen, ze waren kinderoffers blijven brengen. Jeruzalem zou daarom nu helemaal verwoest worden en de inwoners zouden de dood vinden. Het handjevol dat overbleef was bedoeld om de ballingen rond Ezechiël duidelijk te maken wat er fout was gegaan. Wij leren er van dat we er niet komen als we goed blijven doen zonder ons te verzetten tegen het kwade. We zullen iedereen mee moeten krijgen in een eerlijke handel met de armsten in de wereld, met het houden van maaltijden met de vreemdelingen onder ons, met de zorg voor daklozen, vluchtelingen, kinderen, zieken en de ouden van dagen die zelf niet meer kunnen zorgen. Elke dag kunnen we gelukkig opnieuw roepen dat mensen moeten opstaan tegen het kwade en het goede moeten gaan doen, niets dan het goede, ook vandaag kan dat weer.

Ik zal hun God zijn

Ezechiël 14:1-11

1 Een aantal van de oudsten van Israël kwam bij me, en toen ze tegenover mij hadden plaatsgenomen 2 richtte de HEER zich tot mij: 3 ‘Mensenkind, deze mannen koesteren hun afgoden en hebben niets anders voor ogen dan wat hen ten val brengt. Moet Ik me dan door hen laten raadplegen? 4 Zeg tegen hen: “Dit zegt God, de HEER: Elke Israëliet die bij een profeet komt en intussen zijn afgoden koestert en niets anders voor ogen heeft dan wat hem ten val brengt, zal Ik het antwoord geven dat hij met zijn afgoderij verdient. 5 Ik zal het volk van Israël laten voelen dat het zich met al zijn afgoderij van Mij heeft afgewend.” 6 Zeg daarom tegen het volk van Israël: “Dit zegt God, de HEER: Kom terug bij Mij, keer die afgoden van jullie de rug toe en houd op met je gruwelijk gedrag! 7 Alle Israëlieten en ook de vreemdelingen die in Israël leven, ieder die zich van Mij heeft afgewend, ieder die zijn afgoden koestert, die niets anders voor ogen heeft dan wat hem ten val brengt en dan toch naar een profeet gaat om Mij te raadplegen, die zal Ik, de HEER, zelf antwoorden. 8 Ik zal me tegen hem keren en hem tot een afschrikwekkend voorbeeld maken, Ik zal hem uit mijn volk verwijderen. Dan zullen jullie beseffen dat Ik de HEER ben. 9 Als de profeet zich tot een antwoord laat verleiden zal dat zijn omdat Ik, de HEER, hem daartoe heb verleid. Ik zal mijn hand tegen hem opheffen en hem vernietigen; hij zal geen deel meer uitmaken van mijn volk Israël. 10 De profeet is even schuldig als wie hem raadpleegt; beiden zullen hun straf niet ontlopen. 11 Dan zal het volk van Israël zich niet meer van Mij afkeren, en ze zullen niet meer onrein worden door hun wandaden. Dan zullen zij mijn volk zijn en Ik zal hun God zijn-zo spreekt God, de HEER.”’ (NBV21)

Het werkt. Ezechiël heeft de opdracht eerst het volk Israël te laten zien waar het mee bezig is. En werkelijk, hij trekt de aandacht. De oudsten van het volk komen naar Ezechiël toe. Maar Ezechiël is geen waarzegger, geen toekomstvoorspeller, ook geen bemiddelaar met een God die boos is en die straffen stuurt. Ezechiël spreekt in Gods naam over dat wat de mensen doen. Daarom staat Ezechiël voor een dilemma, moet hij de oudsten van het volk te woord staan of weer weg sturen? De oplossing ligt in het zeggen wat hij ziet. Het volk was in ballingschap gestuurd omdat ze afgoden waren gaan aanbidden. En dat aanbidden van afgoden hadden ze nog steeds niet losgelaten. Daarom kan Ezechiël namens God zeggen: vlieg op met heel je afgodentroep.

Kan God trouwens iemand verleiden om verkeerd te doen? In het gedeelte dat we vandaag lezen zou je denken van wel. De profeet zou immers door God verleid kunnen worden om verkeerde dingen te zeggen? Dat komt dan door het niet willen loslaten van afgoden. Dan gaat de profeet in de geest van de afgoden profeteren en lopen de zaken verkeerd af voor het volk. Er staan in de Bijbel wel meer voorbeelden waarbij profeten namens God de verkeerde dingen zeggen, omdat het verkeerde gevraagd wordt. Dan wordt er niet naar recht en gerechtigheid gevraagd, maar naar overwinningen in oorlogen die niet nodig zijn en alleen maar leed en ellende brengen. In dit gedeelte wordt gedreigd dat ook de profeet gestraft zal worden. Het is een excuus om niet in te gaan op de vragen van de oudsten.

Kennen we in onze dagen ook het dilemma van de profeet die de boodschap moet brengen aan dienaren van afgoden? Het moet haast wel. Ook in onze dagen worden discussies gevoerd over onderwerpen waar je het gewoon niet over moet hebben. Vreemdelingenbeleid bijvoorbeeld, in dit gedeelte worden de vreemdelingen weer eens betrokken als behorende tot het volk zelf. Hebben we het over de minsten en proberen we daar recht voor te krijgen, recht te doen aan mensen in de knel, de onderliggenden, of hebben we het over de belangen van de rijken, van de gevestigden, de bovenliggenden? Dat is wat je voortdurend moet afvragen. Antwoord geven op vragen hoe de rijken beschermd moeten worden of hoe de positie van de bovenliggenden versterkt kunnen worden zijn antwoorden aan afgodendienaars. Gelukkig kunnen we elke dag opnieuw een andere weg inslaan, de Weg van de God van Israël, ook vandaag weer.

 

Omdat u halsstarrig bent

Matteüs 19:1-15

1 Toen Jezus deze rede beëindigd had, verliet Hij Galilea en ging Hij langs de overkant van de Jordaan naar Judea. 2 Grote massa’s mensen volgden Hem, en Hij genas hen ter plekke. 3 Toen kwamen er farizeeën op Hem af om Hem op de proef te stellen. Ze vroegen: ‘Mag een man zijn vrouw om willekeurig welke reden verstoten?’ 4 Hij zei: ‘Hebt u niet gelezen dat de schepper de mens bij het begin mannelijk en vrouwelijk heeft gemaakt? 5 En dat Hij gezegd heeft: “Daarom zal een man zich losmaken van zijn vader en moeder en zich hechten aan zijn vrouw, en die twee zullen één lichaam zijn”? 6 Ze zijn dus niet langer twee, maar één. Wat God heeft verbonden, mag een mens niet scheiden.’ 7 Toen vroegen ze Hem: ‘Waarom heeft Mozes dan voorgeschreven haar een scheidingsbrief te geven en haar zo te verstoten?’ 8 Hij antwoordde: ‘Omdat u halsstarrig bent, daarom heeft Mozes u toegestaan uw vrouw te verstoten. Maar dat is niet vanaf het begin zo geweest. 9 Ik zeg u dit: een man die om een andere reden dan ontucht zijn vrouw verstoot en met een ander trouwt, pleegt overspel.’ 10 Hierop zeiden zijn leerlingen: ‘Als het met de verhouding tussen man en vrouw zo gesteld is, kun je maar beter niet trouwen.’ 11 Hij zei tegen hen: ‘Niet iedereen kan deze kwestie begrijpen, alleen degenen aan wie het gegeven is. 12 Er zijn mannen die niet trouwen omdat ze onvruchtbaar geboren zijn, andere omdat ze door mensen onvruchtbaar gemaakt zijn, en er zijn mannen die niet trouwen omdat ze zichzelf onvruchtbaar gemaakt hebben met het oog op het koninkrijk van de hemel. Laat wie bij machte is dit te begrijpen het begrijpen!’ 13 Daarop brachten de mensen kinderen bij Hem; ze wilden dat Hij hun de handen zou opleggen en zou bidden. Toen de leerlingen hen berispten, 14 zei Jezus: ‘Laat die kinderen, houd ze niet tegen, want het koninkrijk van de hemel behoort toe aan wie is zoals zij.’ 15 En nadat Hij hun de handen had opgelegd, trok Hij weer verder. (NBV21)

De vraag of het geoorloofd is te scheiden heeft vele mensen eeuwenlang gevangen gehouden. Jezus zegt hier heel duidelijk dat je het aan God moet overlaten. Of eigenlijk dus de zaak moet bekijken vanuit de liefde voor mensen. En mensen gevangen houden hoort niet bij de liefde zoals die in het verhaal van de Bijbel wordt geleerd. Daar hoort een bevrijdende liefde bij. Of mensen wel of niet mogen scheiden en hertrouwen is dus niet een zaak die aan enig mens, laat staan aan enige kerk, ter beoordeling is. Het enige wat telt is dat mensen elkaar serieus nemen, als gelijkwaardig zien. Het verbod op homoseksuele relaties van mannen en vrouwen is dan ook volgens dit verhaal een onchristelijk verbod. De manier waarop mannen en vrouwen bij elkaar zouden moeten horen voorschrijven op godsdienstige gronden hoort bij de afgodendienst. Er op letten dat mensen elkaar niet als lustobject gaan zien, elkaar exploiteren, uitbuiten of macht, ook op seksueel gebied, over elkaar uitoefenen hoort bij het verhaal van Jezus.

Mensen doen de moeilijkste dingen om maar het hemelse te bereiken. Er zijn mannen die niet trouwen omdat ze onvruchtbaar zijn en dat weten. Ze vinden het nobel als ze niet met een vrouw trouwen om haar geen nageslacht te ontzeggen, tegelijk is daar veel tegen in te brengen. Anderen zijn gecastreerd of hebben zichzelf gecastreerd. Ook daar is veel tegen te zeggen maar Jezus roept op om er begrip voor te hebben of het anders maar te laten. Er zijn mannen en vrouwen die niet trouwen vanwege godsdienstige redenen, dat wordt overigens nergens gevraagd. We moeten maar doen als de kinderen. Die nemen de wereld zoals die op hen afkomt. En dat is een houding die veel vruchtbaarder is dan alles maar te beoordelen en te veroordelen.

De volwassenen die het meest afhankelijk zijn wonen dan ook in de wijken met de goedkoopste woningen. Maar in goedkopere wijken moet je in de nacht uitkijken voor mensen die op straat lopen, je kunt niet zien of ze van hun werk of uit de kroeg komen. Huisartsen en verloskundigen hebben daar soms last van. Je kunt aan hen het gezag niet zien dat afstraalt van een geüniformeerde politieagent. . Mensen met minder opleiding kunnen hun emoties ook vaak moeilijker onder woorden brengen. Dat maakt beroepen aL Huisartsen, ambulancepersoneel, brandweerlieden, politieagentenextra zwaar. Moeilijker nog wordt het als de emoties onder woorden worden gebracht in een taal die je niet verstaat en waarvan je door de spannende situatie ook niet de tijd hebt om die te proberen te verstaan. Dat mensen die onder die omstandigheden toch proberen hulp te verlenen extra beloond worden moet gewaardeerd worden. Toch vraagt juist Jezus van Nazareth om te worden als de kinderen en te zorgen dat van hen het goede uit kan gaan, te zegenen noemt Matteüs dat. Let maar eens op spelende kinderen, als er een kind is dat even niet kan meekomen dan wordt er vaak een hand uitgestoken om de ander te helpen, daar een voorbeeld aan nemen schept een betere wereld.

 

Vergeving schenken

Matteüs 18:21-35

21 Daarop kwam Petrus bij Hem staan en vroeg: ‘Heer, als mijn broeder of zuster tegen mij zondigt, hoe vaak moet ik dan vergeving schenken? Tot zevenmaal toe?’ 22 Jezus antwoordde: ‘Niet tot zevenmaal toe, zeg Ik je, maar tot zeventig maal zeven. 23 Daarom is het met het koninkrijk van de hemel als met een koning die afrekening wilde houden met zijn dienaren. 24 Toen hij daarmee begonnen was, bracht men iemand bij hem die hem tienduizend talent schuldig was. 25 Omdat hij niets kon terugbetalen, gaf zijn heer bevel dat de man samen met zijn vrouw en kinderen en alles wat hij bezat verkocht moest worden, zodat de schuld kon worden ingelost. 26 Toen wierp de dienaar zich aan de voeten van zijn heer en smeekte hem: “Heb geduld met mij, ik zal u alles terugbetalen.” 27 Zijn heer kreeg medelijden, hij liet hem vrij en schold hem de geleende som kwijt. 28 Toen deze dienaar naar buiten ging, trof hij daar een van zijn mededienaren, die hem honderd denarie schuldig was. Hij greep hem bij de keel en zei: “Betaal me alles wat je me schuldig bent!” 29 Toen wierp deze zich voor hem neer en smeekte hem: “Heb geduld met mij, ik zal je terugbetalen.” 30 Maar hij wilde daar niet van weten, integendeel, hij liet hem gevangenzetten tot hij de hele schuld zou hebben afbetaald. 31 De andere dienaren hadden gezien wat er gebeurde. Ze waren zeer ontdaan en gingen naar hun heer om hem alles te vertellen. 32 Daarop liet de heer hem bij zich roepen en hij zei tegen hem: “Je bent een slechte dienaar. Heel die schuld heb ik je kwijtgescholden, omdat je me erom smeekte. 33 Had jij dan geen medelijden moeten hebben met je mededienaar, zoals ik medelijden had met jou?” 34 En zijn heer was zo kwaad dat hij hem in handen van de folteraars gaf tot hij de hele schuld zou hebben terugbetaald. 35 Zo zal mijn hemelse Vader ook ieder van jullie behandelen die zijn broeder of zuster niet van harte vergeeft.’ (NBV21)

Zeven is het heilige getal in de Bijbel. Het is het getal van de volheid. Vader, zoon en heilige geest en de vier windstreken van de aarde. Dan heb je alles wel gehad. Het is ook het getal van de schepping, na zes dagen was alles af en op de zevende dag kon God er van genieten. Zeventig maal zeven is dus oneindig veel. Elk jaar worden de aanslagen van de elfde september 2001 in Amerika herdacht. Vier vliegtuigen vlogen zich daar te pletter. Niemand heeft ooit gezegd waarom of waarvoor. Geestverwanten van de daders spraken over een straf, een straf voor de pogingen van Amerika een wereldheerschappij te vestigen. Een heerschappij waar de Amerikaanse opvatting van Christendom zou heersen over de Islam. Een heerschappij waar Israël onder toezicht van Amerika zou mogen bepalen wat er met de Palestijnen gebeurd. Een heerschappij waar Amerika bepaalt hoeveel armen er nog in de wereld mogen zijn. Waar Amerika bepaald wat we eten en drinken, welke films we kijken en welke muziek we beluisteren. Waar Amerika ook bepaalt welke regeringen we mogen kiezen.

Waren dan de aanslagen van de elfde september de manier om het Amerikaanse volk wakker te schudden en hen van hun verderfelijke weg af te brengen? Volgens de Bijbel niet. Vergeven van het kwade is volgens de Bijbel de weg. Vergeven dat is soms heel erg moeilijk. Hoe kun je de daders van de elfde september vergeven voor het onmetelijke leed dat ze hebben aangericht. Hoe kon Saddam Hoessein vergeven worden voor de gasmoord die hij liet plegen op onschuldige Koerden. Hoe kan Bush vergeven worden voor de weigering het verdrag van Kyoto te tekenen zodat de aarde zover kon opwarmen dat een orkaan van kracht 4, bijna 5, over New Orleans kon razen. Dit oneindig vergeven komt na de verhalen over het verloren schaap dat wordt gezocht en de afgedwaalde die aangesproken wordt, desnoods met een hele groep en gevraagd wordt zich te bekeren. Als dat allemaal nog niet lukt dan volgt vergeven. Vergeven is dus niet zand er over en alles blijft bij het oude alleen we hebben het er niet meer over.

Als je een oneindig aantal malen moet vergeven dan moet je ook een oneindig aantal malen proberen de situatie te veranderen, het kwaad weg te nemen. Vergeven zou dus kunnen zijn dat we er voor zorgen dat de verschillen tussen arm en rijk worden opgeheven, zodat niemand ooit meer een reden heeft zo kwaad, bang, of hebzuchtig te worden dat vele anderen er dood aan gaan of er jarenlang onder moeten lijden. Dat ook allochtone jongeren een toekomst krijgen die begint met een goede kans op de arbeidsmarkt. Dat moslims ook mogen geloven wat hen is geleerd zonder dat ze voortdurend door zogenaamde politici voor oud vuil worden uitgemaakt. Dat soort vergeven gaat niet van de ene op de andere dag. Het is het soort vergeven dat de wereld bijna niet kent. Zoveel liefde voor mensen dat ook de kwaadste mens aangesproken wordt en het gedrag vergeven kan worden als de verandering daar is. Dat soort vergeven kan vandaag beginnen, het begint bij ons die vragen of onze schulden kunnen worden vergeven zoals wij ook aan anderen hun schuld vergeven.

 

Deze geringe mensen

Matteüs 18:10-20

10 Waak ervoor ook maar een van deze geringe mensen te verachten. Want Ik zeg jullie: hun engelen in de hemel aanschouwen onophoudelijk het gelaat van mijn hemelse Vader. 11 12 Wat denken jullie? Als iemand honderd schapen bezit en een daarvan dwaalt af, zal hij er dan niet negenennegentig in de bergen achterlaten en op weg gaan om het afgedwaalde dier te zoeken? 13 Als hij het vindt, dan zal hij zich, dat verzeker Ik jullie, over dat ene meer verheugen dan over de negenennegentig andere die niet afgedwaald waren. 14 Zo is het ook bij jullie Vader in de hemel: Hij wil niet dat een van deze geringe mensen verloren gaat. 15 Als je broeder of zuster tegen je zondigt, moet je die persoon onder vier ogen daarop aanspreken. Als hij luistert, heb je hem teruggewonnen. 16 Luistert hij niet, haal er dan een of twee anderen bij, want een aanklacht is rechtsgeldig met een verklaring van ten minste twee getuigen. 17 Als hij ook naar hen niet luistert, leg het dan voor aan de gemeente. Weigert hij ook naar de gemeente te luisteren, behandel hem dan als een heiden of een tollenaar. 18 Ik verzeker jullie: alles wat jullie op aarde bindend verklaren zal ook in de hemel bindend zijn, en alles wat jullie op aarde ontbinden zal ook in de hemel ontbonden zijn. 19 Ik verzeker het jullie nogmaals: als twee van jullie hier op aarde eensgezind om iets vragen, wat het ook is, dan zal mijn Vader in de hemel het voor hen laten gebeuren. 20 Want waar twee of drie mensen in mijn naam samen zijn, ben Ik in hun midden.’(NBV21)

Als het gaat om de verhouding tussen God en mensen is er tegenwoordig de vraag waarom God de aarde laat beven, gletsjers laat afbreken en mensen in gevaar laat brengen. In het boek Job wordt duidelijk dat dat toch een verkeerde vraag is, natuurrampen gebeuren nu eenmaal en de goede vraag is hoe wij er zelf mee omgaan. Jezus geeft in het bovenstaande verhaal het beeld van de herder mee. Afgezien van de grote stille heide in Drenthe en op een incidenteel verdwaald stukje natuur kennen wij de herder met schaapskudden vaak niet meer. Maar dat je bij echt liefhebben alles uit de kast haalt om dat wat je dierbaar is terug te vinden kunnen we ons nog wel voorstellen. In Nepal zullen mensen nog lang onder het puin blijven zoeken naar geliefden, ook als zeggen deskundigen dat iedereen is overleden ze blijven zoeken. In ons eigen land gaat dat precies hetzelfde. Vluchtelingen willen meer contact met Nederlanders om goed te kunnen inburgeren heeft Vluchtelingenwerk ontdekt. Heel veel Nederlanders willen daar graag bij helpen. Geen enkel vluchtelingencentrum heeft eigenlijk gebrek aan vrijwilligers, vooral afkomstig uit de kerken.

Maar de Nederlandse overheid ontmoedigt het. De mogelijkheid om de taal te leren wordt beperkt, de mogelijkheid om aan de samenleving ook echt te leren deelnemen wordt bijna ontnomen. In plaats van alles uit de kast te halen om ook de minsten er bij te betrekken worden ze wegbezuinigd. Een paar uur les en U zoekt het maar uit. We zullen het dus zelf moeten doen, organisaties genoeg waar je je bij kunt aansluiten om de armen in de samenleving te helpen. Maar dan ben je bezig in een kerk of een organisatie en dan gaan mensen zich vervelend gedragen, ze stelen uit de kas of ze willen de baas spelen zonder daarvoor aangesteld te zijn, of ze doen niet wat ze hadden beloofd. In het stuk dat we vandaag lezen worden ook een aantal praktische tips gegeven, die voor elke groep van waarde kunnen zijn, maar waar bijna nooit de hand aan wordt gehouden. Als iemand zich niet aan de groepsregels houdt praat daar dan eerst eens rustig onder vier ogen over. Snapt iemand dan dat er wat aan de hand is en gaat er wat aan te doen dan heb je niet alleen een probleem opgelost maar ook problemen voorkomen. Zo niet, probeer het dan nog eens met een paar andere groepsleden er bij. Je kunt het toch verkeerd hebben uitgelegd of niet de juiste toon hebben getroffen. Ook dan geldt dat als er geluisterd wordt de zaak kan worden opgelost en verdere problemen voorkomen.

Duidelijk is dat je hier iemand aanspreekt alsof je zelf aangesproken wordt. Wij kennen dat bijna niet meer. Nee het zijn gelijk bazen en machthebbers die zich willen laten gelden, tegen wie we ja en zo is het moeten zeggen. Iemand helpen zich aan de regels te houden, daar wat voor over hebben is er meestal niet bij. Toch kunnen mensen die dit bijbelstuk kennen heel ver gaan. Ergens in Nederland was een kerkelijke gemeente waartoe iemand hoorde die heel erg de regels geschonden had. Hij kon niet van kinderen afblijven. Die kerkelijke gemeente heeft toen besloten een groep te vormen die met hem in gesprek ging, en met zijn gezin. Achteraf kun je zeggen dat als hij had geluisterd dan was zijn probleem opgelost en waren problemen voor anderen voorkomen. Dit voorbeeld had dan niet opgeschreven kunnen worden want niemand zou het geweten hebben. Hij luisterde echter niet en ondanks alle pogingen ging het gruwelijk mis. We weten dat omdat het laatste advies uit dit Bijbelgedeelte is de zaak voor de gemeenschap te brengen. Ook dan krijgt iemand nog een kans, Jezus bekeerde Tollenaars en hielp Heidenen te over. Maar het is duidelijk, mensen kunnen zich buiten de gemeenschap plaatsen, als ze niet luisteren. De boodschap is dus dat je moet blijven proberen de ander te bereiken, en schakel uiteindelijk gerust de anderen uit de groep er bij in, iedereen mag helpen.

 

Wee de wereld

Matteüs 17:24–18:9

24 Toen ze in Kafarnaüm waren aangekomen, kwamen de inners van de tempelbelasting bij Petrus en vroegen: ‘Draagt uw meester de dubbeldrachme niet af?’ 25 Hij antwoordde: ‘Zeker wel!’ Toen hij thuiskwam, was Jezus hem voor met de vraag: ‘Wat denk je, Simon: van wie innen de heersers op aarde tol of belasting? Van hun eigen kinderen of van anderen?’ 26 Op zijn antwoord: ‘Van anderen,’ zei Jezus tegen hem: ‘Dan zijn de kinderen dus vrijgesteld. 27 Maar laten we hen niet voor het hoofd stoten; ga naar het meer, werp een vishaak uit en pak de vis die je het eerst bovenhaalt. Als je zijn bek opent, zul je een vierdrachmenstuk vinden. Betaal hen daarmee voor ons allebei.’ 1 Op dat moment kwamen de leerlingen Jezus vragen: ‘Wie is eigenlijk de grootste in het koninkrijk van de hemel?’ 2 Hij riep een kind bij zich, zette het in hun midden neer 3 en zei: ‘Ik verzeker jullie: als je niet verandert en wordt als een kind, dan zul je het koninkrijk van de hemel zeker niet binnengaan. 4 Wie zichzelf vernedert en wordt als dit kind, die is de grootste in het koninkrijk van de hemel. 5 En wie in mijn naam één zo’n kind ontvangt, die ontvangt Mij. 6 Maar wie een van de geringe mensen die in Mij geloven ten val brengt, die kan maar beter met een molensteen om zijn nek in zee geworpen worden en in de diepte verdrinken. 7 Wee de wereld met haar valstrikken. Want dat er valstrikken zijn is onvermijdelijk, maar wee de mens die de valstrik zet! 8 En als je hand of je voet je ten val brengt, hak hem dan af en werp hem weg: je kunt beter verminkt of kreupel het leven binnengaan dan in het bezit van twee handen of twee voeten in het eeuwige vuur geworpen worden. 9 Brengt je oog je ten val, ruk het dan uit en werp het weg: je kunt beter met één oog het leven binnengaan dan in het bezit van twee ogen in het vuur van de Gehenna geworpen worden. (NBV21)

Er zijn mensen in Groningen die al jaren angstig naar bed gaan omdat hun huis onveilig is verklaard en met een eerstvolgende aardbeving kan instorten. Maar toen een verantwoordelijk politicus werd gevraagd wat hij nu het ergste vond antwoordde hij dat het ergste van al die Groningse problemen was dat de dividendbelasting niet was afgeschaft. Rijken en machtigen die alleen om rijken en machtigen geven zijn ook nu dichtbij. De kans dat zij gaan meedoen aan het Koninkrijk van God is wel zeer klein zegt Jezus van Nazareth. Belastingen komen, zo leren we uit bovenstaand Bijbelverhaal, uit de arbeid van gewone mensen. Simon, bijgenaamd Petrus, was visser, dus moest hij vissen toen de vraag kwam of ze wel belasting. De idealisten die de wereld echt willen verbeteren worden nog al eens naïef genoemd. En ook nu gaat de strijd bij ons tussen miljarden voordeel voor de rijken of korten of de kosten van zieken en werklozen.

Jezus illustreert dat met een verhaal over dagloners. Alle dagloners waren belangrijk voor het binnenhalen van de oogst. Alle dagloners hadden hetzelfde loon nodig om de dag met hun gezin door te komen. Alle dagloners kregen dan ook hetzelfde loon. Bij ons gaat de discussie over de prijzen in de supermarkt. Die zijn voor iedereen evenveel gestegen krijgt dan ook iedereen eenzelfde compensatie? Nee natuurlijk niet. Iedereen krijgt een percentage van het loon en dat percentage bij een laag loon levert een lager bedrag op dan hetzelfde percentage bij een hoog loon. Zij die al rijk zijn worden dus nog rijker. Maar verzet je er niet tegen. Een beetje kinderlijk en wereldvreemd krijg je te horen. Alles achter je laten, compleet de mening van de omgeving daar te laten en je volledig richten op wat de minsten nodig hebben is nog niet zo gemakkelijk. Jezus gaat fel over te keer over het onrecht en de hypocretie in zijn dagen.

Geen softe woorden om der lieve vrede wil nee afhakken en weggooien is het oordeel over die delen van de samenleving die onderdrukken en uitbuiten. Dat klinkt hard. Als je bij ons zulke harde woorden over anderen zegt wordt je van alle kanten op de vingers getikt. Zulke harde oordelen zouden onchristelijk zijn. Maar de Christus bij uitstek, Jezus van Nazareth, scheldt te pas en te onpas zijn tegenstanders uit. Of maar duidelijk mag worden waar je staat, waar het fout gaat. In dit verhaal gaat het om mensen die kinderen van het geloof afhouden. Wie zou dat tegenwoordig nog willen? In Kampen worden kinderen beschermd tegen uitzending naar een voor hen vreemd land, die kinderen dreigen niet te worden uitgezet, maar gedeporteerd, ze zijn nooit in dat land geweest. Wie daar de schuld van heeft doet niet ter zake. Dat is ook waar Jezus hier op doelt. Stel de zorg voor die kinderen voorop, zij kunnen zichzelf niet voorop zetten. In Kampen kunnen we dat laten zien, ga er eens langs.