Exodus 35:27-35
27 De leiders van Israël brachten de onyxstenen voor de priesterschort en de edelstenen voor de borsttas, 28 evenals het reukwerk en de lampolie, de zalfolie en de reukoffers. 29 Alle Israëlieten, mannen zowel als vrouwen, die bereid waren iets af te staan voor de werkzaamheden waartoe de HEER Mozes opdracht had laten geven, brachten de HEER vrijwillig geschenken. 30 Mozes zei tegen de Israëlieten: ‘De HEER heeft zijn keuze laten vallen op Besaleël, de zoon van Uri, de zoon van Chur, uit de stam Juda. 31 Hij heeft hem vervuld met goddelijke geest, met wijsheid, vakmanschap en inzicht op allerlei gebied: 32 hij kan ontwerpen maken en ze uitvoeren in goud, zilver, koper en brons, 33 hij kan stenen snijden en zetten en hout bewerken en hij beheerst ook allerlei andere vaardigheden om ontwerpen uit te voeren. 34 De HEER heeft aan hem en aan Oholiab, de zoon van Achisamach, uit de stam Dan, ook de gave geschonken hun kennis over te dragen. 35 Hij heeft hun vakmanschap geschonken op allerlei gebied: zij hebben verstand van wol weven, van borduren met blauwpurperen, roodpurperen en karmozijnrode wol en van het weven van fijn linnen. Ze beheersen de technieken en maken zelf de ontwerpen. (NBV21)
Het conflict rond het Gouden Kalf en de behoefte aan religie heeft het voor het volk niet eenvoudiger gemaakt. Maar Mozes biedt een uitweg. Religie en volk gaan samenvallen. Niet nog een keer alles inleveren en wachten waar de priesters mee komen zoals bij het Gouden Kalf maar zelf aan het werk. Er zijn een paar mensen die er al om bekend stonden dat ze mooie ontwerpen konden maken, mooie spullen ook waar iedereen bewondering voor had. Die mensen krijgen de leiding. Ook zijn er ambachtslieden die de moeilijke technieken kennen die nodig zijn om de allermooiste zaken te maken. Ook zij krijgen een voorname rol.
Zo ontstaat een volk. Wij deden het met elkaar zullen ze later zeggen. De leiding zorgde voor de edelstenen van de priesters en de Hogepriester. Wat we hadden droegen we bij omdat het van ons was. Wij bouwden een huis voor onze God. In dat huis konden we God ontmoeten maar ook konden we laten zien dat we nog steeds dat verbond wilden nakomen. Voor het eerst wordt de groep slaven die uit Egypte waren ontsnapt een zelfstandige eenheid. Zeer afwijkend van wat ze in Egypte hadden meegemaakt. Die “goden” van goud en zilver hadden daar in Egypte, maar ook hier in de woestijn tot de dood geleid. Ze waren hardhandig gedwongen een andere weg in te slaan.
Ze werkten niet langer voor een koning, of een leidende groep individuen, ze werkten voor elkaar en daarmee ook voor zichzelf. Ze hadden richtlijnen voor wat wel bij zou dragen en wat hen af zou leiden. Ze waren geschapen naar het beeld en gelijkenis van God geloofden ze maar niemand leek meer op die God dan een ander. Elke bijdrage was evenveel waard, elke bijdrage maakte dat het doel van de vruchtbare samenleving kon worden bereikt. Niemand kon ook een eigendom van de religie claimen. Dat wat van God was, de ark van het verbond en zo, mocht door niemand worden aangeraakt. Speciale draagbomen maakte dragen mogelijk. Ook voor ons mag dit een waarschuwing zijn. Het heb uw naaste lief als uzelf zou kunnen betekenen dat de komst van een AZC niet een zaak is van bestuurders maar dat je een dergelijk onderkomen samen als bevolking moet bouwen. Probeer het maar eens.