In Hem vind Ik vreugde

Matteüs 12:1-21

1 In die tijd liep Jezus op sabbat eens door de korenvelden. Zijn leerlingen hadden honger en begonnen aren te plukken en ervan te eten. 2 Toen de farizeeën dat zagen, zeiden ze tegen Hem: ‘Kijk, uw leerlingen doen iets dat op sabbat niet mag.’ 3 Hij antwoordde: ‘Hebt u niet gelezen wat David deed toen hij en zijn metgezellen honger hadden, 4 hoe hij het huis van God binnenging en er met hen van de toonbroden at, terwijl noch hij noch zijn mannen daarvan mochten eten, alleen de priesters? 5 En hebt u niet in de wet gelezen dat de priesters die op sabbat in de tempel dienstdoen en zo de sabbat ontwijden, onschuldig zijn? 6 Ik zeg u: hier gaat het om iets groters dan de tempel! 7 Als u begrepen had wat bedoeld wordt met: “Barmhartigheid wil Ik, geen offers,” dan zou u geen onschuldigen hebben veroordeeld. 8 Want de Mensenzoon is heer over de sabbat.’ 9 Hij trok weer verder en kwam in hun synagoge. 10 Daar stond iemand met een misvormde hand. Omdat ze Jezus wilden aanklagen, vroegen ze: ‘Is het toegestaan iemand op sabbat te genezen?’ 11 Hij antwoordde: ‘Stel dat u maar één schaap hebt en dat valt op sabbat in een kuil, wie van u zou het niet vastgrijpen en het er weer uit halen? 12 En is een mens niet veel meer waard dan een schaap? Daaruit volgt dat we op sabbat goed mogen doen.’ 13 Toen zei Hij tegen de man: ‘Steek uw hand uit.’ Hij stak hem uit en zijn hand genas en was weer even gezond als de andere. 14 De farizeeën vertrokken en overlegden hoe ze Hem uit de weg konden ruimen. 15 Jezus wist dat en week uit naar elders. Grote massa’s mensen volgden Hem, en Hij genas hen allen. 16 Hij verbood hun uitdrukkelijk bekend te maken wie Hij was. 17 Zo moest in vervulling gaan wat gezegd is door de profeet Jesaja: 18 ‘Hier is mijn dienaar, Hem heb Ik uitgekozen, Hem heb Ik lief, in Hem vind Ik vreugde. Ik zal Hem vervullen met mijn Geest, Hij zal alle volken het oordeel aanzeggen. 19 Hij zal niet twisten of schreeuwen, op straat wordt zijn stem niet gehoord. 20 Het geknakte riet breekt Hij niet af noch dooft Hij de kwijnende vlam, totdat Hij in het oordeel zegeviert. 21 Op zijn naam zullen alle volken hun hoop vestigen.’ (NBV21)

In de wereldbeweging voor internationale gerechtigheid klinkt het tegenwoordig van: “Wij willen geen liefdadigheid maar gerechtigheid.” Het had uit de Bijbel kunnen komen. De vraag is altijd wat je voorop zet: wetten, regels en fatsoen, of mensen. En als je mensen voorop stelt, gaat het dan alleen om je eigen mensen, je eigen volk, of zet je de armsten, de zwaksten in de wereld voorop. Matteüs vertelt daar een verhaal over dat gaat over de leerlingen die op de Sabbat, de dag dat je niet werken mag, toch zorgen voor hun eten, dat mocht dus niet. Die formele opstelling wijst Jezus af. Het gaat om de mensen niet om de regels. En daar moeten machthebbers het mee doen. Niet dat je nu ineens mag werken op de Sabbat, of bij ons de zondagsrust moet worden afgeschaft. De grootste uitvinding van Israël was nu eenmaal die Sabbat. Mensen leven niet bij werken alleen, mensen moeten samen kunnen komen en zich bezig houden met Liefde en met wat dat kan betekenen in hun dagelijks leven. Dat geldt niet alleen voor de Joden, dat geldt ook voor ons.

Om die liefde draaide het immers. De Tora kent naast het Sabbatsgebod nog een regel. Bij de oogst moet je het graan aan de rand van de akkers laten staan voor de armen. En nergens staat dat de armen op de Sabbat honger moeten lijden. De discipelen waren arm en hadden honger. Zij werkten dus niet echt maar maakten gebruik van de wetten voor hen. En er zijn ook altijd uitzonderingen, David wordt genoemd en zelfs de Priesters mogen werken op de Sabbat. In hoeverre je op grond van je geloof de wet mag overtreden is dus geen vraag maar soms een plicht. We kennen allemaal het gezegde dat als het kalf verdronken is men de put dempt. In het bovenstaande Bijbelstuk gaat het over een schaap dat in een kuil valt. Maar iemand genezen op de Sabbat? Jezus deed het. De autoriteiten van zijn tijd vonden het maar niks, zo openlijk de wet overtreden en, zo vertelt Matteüs, ze maakten plannen om Jezus uit de weg te ruimen. In de geschiedenis is er in de naam van “geloof” al heel wat bloed vergoten. Jezus van Nazareth zou er zelf een slachtoffer van worden. Later ook veel van zijn volgelingen.

Maar ook in dit deel van het verhaal vluchtte Jezus van Nazareth voor de autoriteiten uit zijn tijd. Was dat “genezen” dan zijn werk? Dat “genezen” kan ook vertaald worden met dienen, hij diende hen allen. Dat sluit ook aan bij het citaat dat Matteüs gebruikt uit het boek van de profeet Jesaja om duidelijk te maken wat Jezus van Nazareth eigenlijk aan het doen was. Jezus van Nazareth was aan het recht verkondigen. Het vasthouden aan hun unieke overtuiging dat delen met elkaar en zorg voor de minsten de grootste kans op overleving betekenden zouden in de geschiedenis steeds weer het volk van de overheersers bevrijden. In die overtuiging ging ook Jezus van Nazareth te werk. Het geknakte riet is weinig meer waard, een kwijnende vlam geeft niet meer voldoende licht, maar Jezus van Nazareth doet de zwakken weer recht. Zo werd hij de vervulling van de Wet van heb Uw naaste lief als Uzelf, de vervulling van een profetie als die van Jesaja. Maar hij riep ons op hem na te volgen, vandaag en morgen en elke dag opnieuw

Eenvoudige mensen

Matteüs 11:16-30

16 Waarmee zal Ik deze generatie vergelijken? Ze lijkt op kinderen die op het marktplein zitten en elkaar toeroepen: 17 “Toen we voor jullie op de fluit speelden, wilden jullie niet dansen, toen we een klaaglied zongen, wilden jullie niet rouwen.” 18 Want toen Johannes kwam, en niet at en dronk, zei men: “Hij is door een demon bezeten.” 19 Nu is de Mensenzoon gekomen, Hij eet en drinkt wel, en nu zegt men: “Kijk toch eens, wat een veelvraat, wat een dronkaard, die vriend van tollenaars en zondaars.” Maar de Wijsheid wordt door heel haar optreden in het gelijk gesteld.’ 20 Daarop maakte Hij de steden waar bijna al zijn wonderen hadden plaatsgevonden, het verwijt dat ze niet tot inkeer waren gekomen: 21 ‘Wee Chorazin, wee Betsaïda, want als in Tyrus en Sidon de wonderen waren gebeurd die bij jullie gebeurd zijn, dan zouden de inwoners van die steden zich allang in een boetekleed gehuld en met stof bedekt hebben en tot inkeer gekomen zijn. 22 Ik zeg jullie: op de dag van het oordeel zal het lot van Tyrus en Sidon draaglijker zijn dan dat van jullie. 23 En jij, Kafarnaüm, dacht jij tot in de hemel verheven te worden? In het dodenrijk zul je afdalen! Want als in Sodom de wonderen waren gebeurd die bij jou gebeurd zijn, dan was het tot op de huidige dag blijven bestaan. 24 Ik zeg je dat op de dag van het oordeel het lot van Sodom draaglijker zal zijn dan dat van jou.’ 25 In die tijd zei Jezus ook: ‘Ik loof U, Vader, Heer van hemel en aarde, omdat U deze dingen voor wijzen en verstandigen verborgen hebt gehouden, maar ze aan eenvoudige mensen hebt onthuld. 26 Ja, Vader, zo heeft het U behaagd. 27 Alles is Mij toevertrouwd door mijn Vader. Niemand kent de Zoon behalve de Vader, en niemand kent de Vader behalve de Zoon, en iedereen aan wie de Zoon het wil openbaren. 28 Kom allen bij Mij, jullie die vermoeid zijn en onder lasten gebukt gaan, Ik zal jullie rust geven. 29 Neem mijn juk op je en leer van Mij: Ik ben zachtmoedig en nederig van hart. Dan zullen jullie werkelijk rust vinden, 30 want mijn juk is zacht en mijn last is licht.’ (NBV21)

Een paar keer per jaar komen de leiders van de 9 rijkste landen bij elkaar, ze noemen zich de G9. Ze kunnen niet zeggen dat ze het niet hebben geweten, de Verenigde Naties hebben het besloten, miljoenen hebben het geroepen: laat ons geschiedenis van “armoede” maken, dan maken we samen geschiedenis. Dan leren onze achterkleinkinderen dat in de eenentwintigste eeuw de mensheid zo verstandig was geworden dat het niet meer werd gepikt dat er elke 3 seconden een kind stierf aan armoede. Maar lijken deze leiders op de kinderen die op het marktplein spelen en elkaar toeroepen dat ze als het goed gaat niet willen dansen en als het slecht gaat niet willen rouwen? Jezus wijst op de wonderen die kunnen gebeuren, als je zoveel mensen in beweging ziet komen, iedere keer weer rond de G9 bijeenkomsten, dan kun je niet achter blijven dan wil je meedoen in de beweging tegen de armoede. Gerechtigheid heeft iets dwingends er valt niet aan te ontkomen. Toch zul je merken dat er omheen gedraaid zal worden. In de dagen van Jezus waren de dorpen waar de zendelingen van Jezus, de Apostelen, heen gegaan waren hardnekkig, volgens Jezus waren de steden van de heidenen meer bereid de richtlijnen voor de menselijke samenleving te gaan volgen dan de dorpen die juist door het volgen van die richtlijnen waren ontstaan.

Die dorpen, waaronder Kafernaüm, het dorp waar Jezus zijn toevlucht had gezocht, konden afdalen tot in het diepst van het dodenrijk, die dorpen konden doodvallen. In onze dagen zou dat voor de wereldleiders kunnen gelden als ze de onrechtvaardige tariefmuren in stand houden en met enorme landbouwsubsidies de oneerlijke concurrentie op de wereldmarkten in stand blijven houden. Maar het lijkt wel of er steeds nieuwe excuses gezocht worden voor uitstel van het eerlijk delen. Als het goed gaat in de wereld en er door de rijke landen meer en meer verdient wordt dan groeien nieuwe economieën als India en China te hard en moet er gematigd worden. Dat de armen in India en China nog helemaal niet meedoen in de nieuw verworven rijkdom blijft buiten beschouwing. Dat de hongerenden in de wereld moeten wachten op voeding tot de auto’s in de rijke landen vrolijk en goedkoop rijden op biobrandstof is het omkeren van de wereld zelf, zoals de bodem onder Sodom werd omgekeerd, lijken we dat nu zelf te gaan doen. Hoogste tijd voor gerechtigheid. Op zich is het allemaal niet zo ingewikkeld wat er nodig is, we zoeken een God die het voor elkaar maakt. Waar is God? We weten het niet. Wat kan God? We weten het niet. Zo eenvoudig is het. Zoals een beroemd Zwitsers theoloog in de vorige eeuw al schreef, als we God zeggen weten we niet wat we zeggen en voor wie gelooft is het zeker dat we dat niet weten. Daarom moet je niet vragen naar God maar naar wat er met de minsten gebeurd. Eenvoudige mensen, die niet zo veel gestudeerd hebben, die hard moeten werken om te overleven, zij weten waar het op aan komt. Komt het naar je toe of wordt het van je afgenomen.

En daar waar alle mensen tellen, waar iedereen belangrijk is, waar niemand beter is dan een ander, waar liefde voor alle mensen de norm is, daar komt het voor gewone mensen zeker naar je toe. In de gewone wereld is dat nu juist bijna nergens het geval. Daar moet je je mond houden en doen wat zogenaamd belangrijke mensen zeggen. Dat blijkt bijvoorbeeld vaak bij de jaarlijkse herdenking van de afschaffing van de slavernij, en de herdenking dus van het leed van de slaven. Daar zijn veel afstammelingen van slaven bij aanwezig. Een deel van die afstammelingen komt uit Suriname maar kunnen die hun familie over laten komen? Bejaarde ooms en tantes, of grootouders voor wie ze eigenlijk moeten zorgen? Nee dus, keurig Nederlands spreken, hard werken of anders terugkeren dat is het beleid. Andere afstammelingen van slaven komen van de Antillen, dat beleid is nog duidelijker, aanpassen of oprotten. Er zijn zelfs politieke partijen die ongestraft kunnen oproepen de eilanden en de bijbehorende mensen maar te verkopen. Slaven werden gehaald, door Nederlandse handelaren, uit Afrika. Tegen de sprekers en spreeksters bij de jaarlijkse herdenking is herhaaldelijk luid en niet mis te verstaan geprotesteerd. Mijn juk is zacht, mijn last is licht zei Jezus. Wij denken dan aan het juk van het melkmeisje met haar twee emmertjes. Maar slaven en hun afstammelingen denken aan het juk van de ossen voor de ploeg, als de os het niet trekt mogen slaven het proberen. Het beeld dat Jezus van Nazareth gebruikt doet vermoeden dat hij dat juk mee op zich neemt. Daarom is zijn juk zacht, gewerkt moet er worden, maar als we zijn voorbeeld willen volgen dan nemen we het juk van de slaven van vandaag mee op ons en werken we schouder aan schouder met hen aan de rechtvaardige samenleving, aan het koninkrijk van God.

 

Wie oren heeft

Matteüs 11:2-15

2 Toen Johannes in de gevangenis over het optreden van de messias hoorde, stuurde hij enkele van zijn leerlingen naar Hem toe 3 met de vraag: ‘Bent U degene die komen zou of moeten we een ander verwachten?’ 4 Jezus antwoordde: ‘Zeg tegen Johannes wat jullie horen en zien: 5 blinden zien en verlamden lopen, mensen die onrein zijn door een huidziekte worden gereinigd en doven horen, doden worden opgewekt en aan armen wordt het goede nieuws bekendgemaakt. 6 Gelukkig is degene die aan Mij geen aanstoot neemt.’ 7 Toen ze weer vertrokken, begon Jezus met de mensen over Johannes te spreken: ‘Waar zijn jullie in de woestijn naar gaan kijken? Naar het wuiven van het riet in de wind? 8 Wat zijn jullie dan gaan zien? Een mens die rijk gekleed ging? Welnee, wie rijk gekleed is verkeert in koninklijke kringen. 9 Maar wat zijn jullie dan wel gaan zien? Een profeet? Jazeker, zeg Ik jullie, en zelfs meer dan een profeet. 10 Hij is degene over wie geschreven staat: “Let op, Ik zend mijn bode voor Je uit, hij zal een weg voor Je banen.” 11 Ik verzeker jullie: onder allen die uit een vrouw geboren zijn is nooit iemand verschenen die groter was dan Johannes de Doper; maar in het koninkrijk van de hemel is de kleinste nog groter dan hij. 12 Sinds de dagen van Johannes de Doper wordt het koninkrijk van de hemel door geweld bedreigd en proberen geweldenaars het aan zich te onderwerpen. 13 Want alle profetieën van de Profeten en de Wet reiken tot de dagen van Johannes. 14 En voor wie het wil aannemen: hij is Elia, die komen zou. 15 Laat wie oren heeft goed luisteren! (NBV21)

Er zijn mensen die graag Jezus als voorbeeld nemen en vandaag vragen we ons af of we daar ook wat aan hebben. Om de strijd tegen de armoede altijd bij ons te dragen is er zelfs eens een wit polsbandje ingevoerd. Soms zou je willen dat alle polsbandjes vervangen worden door een regenboogpolsbandje, dat herinnert ons aan de strijd tegen kanker, tegen aids, tegen zinloos geweld, tegen armoede en tegen alle andere slechte dingen in de wereld. Maar het eerste witte polsbandje werd ooit uitgereikt aan CDA politicus Jan Peter Balkenende. Dat Jan komt van Johannes, die immers het stof van de mensen afspoelde om ze op een nieuwe manier te laten beginnen, dat Peter komt van Petrus, de Simon die als zendeling door Jezus er op uit was gestuurd om de boodschap te brengen dat de slaaf gelijk was aan zijn meester en die C in het CDA komt van Christus wat in het Grieks gezalfde betekent en de titel was die men aan Jezus had gegeven. Je mag dan ook van een eerste minister of fractievoorzitter uit het CDA verwachten dat er iets verandert aan de armoede. Aan Jezus werd dat ook gevraagd, wat brengt u te weeg?

Hij zei alleen dat ze moesten kijken, blinden zagen weer licht, lammen leerden lopen, doden werden opgewekt en aan de armen werd goed nieuws verkondigd. Als je naar de huidige samenleving kijkt dan zie je daar toch nog weinig van. Natuurlijk de gezondheidszorg heeft wonderen verricht en bereid zich voor op nog meer wonderen na coronatijd. Maar het aantal werklozen neemt hand over hand toe zonder dat iemand plannen maakt voor de toekomst. De rijen voor de voedselbanken worden elke dag groter. De polsbandjes zijn uit de samenleving verdwenen maar daarmee kennelijk ook het verlangen structureel iets aan de samenleving te veranderen. Er zijn mensen die zoveel geld hebben dat huizen voor mensen met minder geld zo duur worden dat het aantal daklozen toeneemt en afzien van huurverhogingen is voor die rijken geen sprake. Kinderen hier geboren of langer dan 5 jaar hier woonachtig zijn nog steeds onzeker over hun toekomst, zij zijn geworteld maar hebben honder duizend noodkreten aan het parlement nodig om hen te laten blijven.. Wie kijkt naar onze samenleving ziet van alles maar bijna niets van dat wat Jezus wilde laten zien.

Sinds Johannes opriep om juist die weg te gaan en het stof van het oude leven af te spoelen wordt dat Koninkrijk met geweld bedreigd. Het gaat zelfs zover dat mensen het zich willen toe eigenen en wie was het ook al weer die een beperking van de hypotheekrenteaftrek, waardoor de meeste subsidie in ons land bij de rijkste mensen terecht komt, onbespreekbaar heeft verklaard? Jezus neemt het zeer op voor Johannes, hoe verschillend ze ook zijn beiden gaat het om de mensen lopend op de weg van de dood zich naar het leven te laten keren. Want de dag dat armen bevrijd worden zal komen, brandend als een oven. Johannes was, net als de profeet Elia, daar een wegbereider voor. Toen Jezus uiteindelijk afscheid nam van zijn leerlingen, nadat hij was gekruisigd en opgestaan, op de berg waar hij zijn interpretatie van de leefregels voor de mensen had gegeven, gaf hij zijn leerlingen de opdracht zijn boodschap over de hele wereld te verspreiden, tot de aarde voltooid zal zijn staat er. Als de aarde voltooid is zal de aarde goed zijn staat er geschreven. Er is dus nog veel werk aan de winkel, want de armen worden nog steeds armer en onrecht en geweld zijn overal te vinden.

 

De kreten van de rechtvaardigen

Psalm 34

1 Van David, toen hij zich aan het hof van Abimelech als een krankzinnige voordeed en pas wegging toen deze hem verjoeg. 2 De HEER wil ik prijzen, elk uur van de dag, mijn mond is altijd vol van zijn lof. 3 Laat mijn leven een loflied zijn voor de HEER, de nederigen zullen het met vreugde horen. 4 Roem met mij de grootheid van de HEER, sluit u aan om zijn naam te verheffen. 5 Ik zocht de HEER en Hij gaf antwoord, Hij heeft mij van alle angst bevrijd. 6 Wie naar Hem opzien, stralen van vreugde, schaamte zal hun gezicht niet kleuren. 7 In mijn verdrukking riep ik tot de HEER, Hij heeft geluisterd en mij uit de nood gered. 8 De engel van de HEER waakt over wie Hem vrezen, en bevrijdt hen. 9 Proef en geniet de goedheid van de HEER, gelukkig de mens die bij Hem schuilt. 10 Vromen, heb ontzag voor de HEER: wie Hem vreest lijdt geen gebrek. 11 Jonge leeuwen lopen hongerig rond, wie de HEER zoekt, ontbreekt het aan niets. 12 Kom, kinderen, luister naar mij, ik leer je ontzag voor de HEER. 13 Hebben jullie het leven lief, wil je goede jaren genieten? 14 Behoed dan je tong voor het kwaad, je lippen voor woorden van bedrog. 15 Mijd het kwade, doe wat goed is, streef naar vrede, jaag die na. 16 Het oog van de HEER rust op de rechtvaardigen, zijn oor luistert naar hun hulpgeroep. 17 Toornig ziet de HEER wie kwaad doen aan, Hij wist hun namen op aarde uit. 18 De HEER hoort de kreten van de rechtvaardigen, Hij bevrijdt hen uit de nood. 19 Gebroken mensen is de HEER nabij, Hij redt wie zwaar wordt getroffen. 20 Al blijft de rechtvaardige niets bespaard, de HEER zal hem steeds weer bevrijden. 21 Hij waakt zelfs over zijn beenderen, niet één ervan wordt verbrijzeld. 22 Een slecht mens komt om door eigen kwaad, wie een rechtvaardige haat zal boeten. 23 De HEER redt het leven van zijn dienaren, nooit zal boeten wie schuilt bij Hem. (NBV21)

Elk jaar op 1 november is er de Rooms Katholieke feestdag van Allerheiligen Dat van die heiligen lijkt typisch voor de Rooms Katholieke kerk. Vroeger dachten ze dat je aan gestorven christenen kon vragen om voor de gelovigen te bidden tot God. Dat gebeurt in de Rooms Katholieke Kerk nog wel maar de Protestanten hebben na Maarten Luther geleerd dat je ook rechtstreeks tot God kunt bidden. Net als David deed, toen hij weer eens ontsnapt was, zoals verteld wordt in de Psalm die we vandaag meezingen. Maar met dat bidden tot de Heiligen hebben Protestanten ook een andere kant van de Rooms Katholieke Heiligen weggegooid en dat is het voorbeeld dat vele van die Heiligen kunnen hebben. Zo vieren we ook in november het feest van Sint Maarten, die zijn mantel in tweeën sneed en de helft aan een bedelaar gaf. Vandaag zou je veel van dit soort verhalen moeten vertellen. In sommige Protestantse Kerken wordt in november ook de dankdag voor gewas en arbeid gevierd. Zoals kinderen op het feest van Sint Maarten zingend langs de deuren gaan en snoep krijgen zo moeten we op de Dankdag voor gewas en arbeid, het oogstfeest, stilstaan bij de honger in de wereld en de voedselbanken in ons eigen land. Het is bij uitstek het feest van delen en van bevrijding van honger en onderdrukking.

Het zijn de Heiligen die ons zijn voorgegaan, die altijd de droom van de rechtvaardige samenleving, waar liefde heerst, levend hebben gehouden. Soms ten koste van hun eigen leven. Die Heiligen hebben we ook vandaag de dag nog, denk maar aan mensen als Martin Luther King en Rosa Parks, aan Alan Boesak en Nelson Mandela en aan al die ontelbare mensen die honger en onrecht in de wereld bestrijden en ons blijven wakker houden. Aan hen denken betekent vandaag ook met die armen delen van onze overvloed. In de overtuiging van Protestanten kan iedereen behoren tot de Heiligen die wij gedenken. Uiteindelijk zullen alle heiligen, alle gelovigen, mee kunnen doen in de nieuwe wereld die ons wacht. Geloven in die nieuwe wereld betekent dat je er niet op kunt wachten tot die wereld komt en dat je er alvast mee gaat beginnen. Delen met de armen, je in dienst stellen van de mensen die dat nodig hebben. Dat kunnen we leren van de mensen die ons zijn voorgegaan, misschien je eigen ouders of grootouders zelfs, dat kunnen we leren uit de verhalen over Jezus van Nazareth die de liefde tot de naaste zelfs door de dood heen droeg.

Je mag aan die nieuwe wereld werken terwijl je de Psalm van vandaag meezingt. Volgens het opschrift schreef David deze Psalm toen hij zich als een gek aanstelde aan het hof van Abimelech en niet ophield tot deze hem verjoeg. Al zingend werken voor de armen wordt ook vandaag nog als gek bestempeld, gelovigen lijden aan massa psychose schreef iemand nog niet zo lang geleden. Je inzetten voor een ander, zonder te letten op je eigenbelang, is in deze dagen van “meer en altijd maar meer” onnatuurlijk dwaas en gek. Vandaag met postkoetsen meer dan honderd duizend kaarten in liturgische kleding naar Tweede Kamerleden brengen is zo gek. Maar geloven in de God van Israël en in de Weg van Jezus van Nazareth betekent dat je gelooft dat er op geen andere manier een nieuwe wereld zal komen waarin alle tranen gedroogd zullen zijn. De Psalm van vandaag geeft vele voorbeelden van de richtingwijzers die langs de weg staan, vrede, gerechtigheid, bevrijdt van angst, zonder gebrek, het leven liefhebbend, zonder bedrog. Geweld is uitgesloten. Gewortelde kinderen zijn hier al thuis, daar hoort geen zwaar vuurwerk bij, maar psalmgezang. Daar mogen we vandaag van leren, zo mogen we heiligen worden die de weg van onze voorouders voortzetten, daar mogen we vandaag opnieuw mee beginnen.

 

Bij mij bent u veilig.

1 Samuël 22:6-23

6 Saul zat met zijn speer in zijn hand onder de tamarisk op de heuvel bij Gibea, met al zijn dienaren om zich heen. Toen hij hoorde dat David en zijn mannen waren gesignaleerd, 7 zei hij tegen zijn dienaren: ‘Mannen van Benjamin, luister. Heeft de zoon van Isaï u allemaal soms akkers en wijngaarden beloofd? Verwacht u dat hij u zal aanstellen als bevelhebber over duizend of honderd man? 8 Waarom spant u anders tegen mij samen? Niemand heeft me ingelicht dat mijn zoon een verbond heeft gesloten met de zoon van Isaï. Niemand van u bekommert zich om mij. En niemand heeft me laten weten dat het nu al zover is dat mijn zoon mijn dienaar heeft opgestookt om me te belagen.’ 9 Onder de dienaren van Saul bevond zich ook de Edomiet Doëg. Hij nam het woord en zei: ‘Ik heb de zoon van Isaï in Nob gezien; hij ging naar Achimelech, de zoon van Achitub. 10 Die heeft voor hem de HEER geraadpleegd en hem niet alleen leeftocht gegeven, maar ook het zwaard van de Filistijn Goliat.’ 11 Daarop ontbood de koning de priester Achimelech, de zoon van Achitub, en al zijn familieleden die priester waren in Nob. Toen ze aan de koning werden voorgeleid, 12 zei Saul: ‘Zoon van Achitub, luister.’ ‘Jawel, mijn heer,’ antwoordde Achimelech, 13 en Saul vroeg: ‘Waarom hebt u met de zoon van Isaï tegen mij samengespannen door hem brood en een zwaard te geven en God voor hem te raadplegen, zodat hij nu in het geheim een opstand tegen mij voorbereidt?’ 14 ‘Maar koning,’ antwoordde Achimelech, ‘wie van al uw dienaren zou men beter kunnen vertrouwen dan David? Hij is uw eigen schoonzoon en de commandant van uw lijfwacht, en hij staat in hoog aanzien aan uw hof. 15 Het is toch niet de eerste keer dat ik voor hem God geraadpleegd heb? Integendeel! Ik smeek u, leg dit mij en mijn familie niet ten laste, want ik wist van dit alles niets maar dan ook niets af.’ 16 Maar de koning zei: ‘Sterven zult u, Achimelech, u en heel uw familie.’ 17 En hij beval de koninklijke garde die naast hem stond: ‘Sla toe, dood de priesters van de HEER, want ze hebben David geholpen, en hoewel ze wisten dat hij voortvluchtig was, hebben ze mij niet ingelicht.’ Maar de dienaren van de koning weigerden hun hand op te heffen tegen de priesters van de HEER. 18 Daarom zei de koning tegen Doëg: ‘Doet u het dan. Sla toe en steek de priesters neer.’ En de Edomiet Doëg sloeg toe en stak de priesters eigenhandig neer. Zo doodde hij die dag vijfentachtig mannen die het linnen priesterhemd droegen. 19 Ook alle inwoners van de priesterstad Nob werden gedood: alle mannen en vrouwen, alle kinderen en zuigelingen, en ook de levende have: runderen, ezels en schapen. 20 Eén zoon van Achimelech, de zoon van Achitub, wist echter te ontkomen en zocht zijn toevlucht bij David. Zijn naam was Abjatar. 21 Toen hij aan David vertelde dat Saul de priesters van de HEER had laten vermoorden, 22 zei David tegen hem: ‘Toen ik die dag in Nob merkte dat de Edomiet Doëg er ook was, was ik er al bang voor dat hij Saul zou inlichten. Ik ben dus de oorzaak van de dood van al uw familieleden. 23 Blijf voortaan bij mij en wees niet bang. Wie u naar het leven staat, krijgt met mij te doen. Bij mij bent u veilig.’ (NBV21)

Hoezeer je optreden en handelen vol zijn van goede bedoelingen en hoezeer je ook het goede nastreeft en niet dan het goede, je handelen kan de meest ongewenste en onbedoelde vreselijke gevolgen hebben. Dat blijkt uit het verhaal van vandaag. Daar lezen we wat de gevolgen waren van het bezoek dat David bracht aan het heiligdom in de Priesterstad Nob. Van de Hogepriester kreeg hij het toonbrood uit het heiligdom en het zwaard dat hij op Goliat had veroverd. Hij had dat zwaard geschonken aan het heiligdom als bewijs dat de God van Israël het mogelijk had gemaakt dat Goliat werd gedood. Wij zullen die gevolgen gemakkelijk in de schoenen schuiven van Saul maar David is zich blijkens het slot van het gedeelte van vandaag er zeer wel bewust van dat die gevolgen begonnen met zijn vraag om hulp.

Saul zit weer in zijn eigen huis in Gibea. Hij beklaagd zich er over dat er eigenlijk niemand onder zijn dienaren is die partij voor hem kiest en hem onvoorwaardelijk steunt in zijn strijd tegen David. Alleen Doëg uit Edom wil hem wel helpen. Dat Doëg uit Edom komt is natuurlijk niet toevallig. Edom is het volk dat afstamt van Esau de broer van Jacob en zo ontstaat een oorlog tussen broeders. Het was ook niet toevallig dat de ouders van David ondergebracht werden in Moab. De vader van David, Isaï, was immers een kleinzoon van Ruth de Moabitische. David had dus nog verre verwanten in Moab wonen. Edom wordt in dit verhaal het werktuig van het kwade in Saul. Hoewel de hogepriester Abimelech zich beroept op de bekende vooraanstaande positie van David moeten hij en alle priesters uit Nob sterven. Doëg is de enige die dit wil doen. Zelfs de hele stad wordt uitgemoord. Alleen Abjatar ontsnapt en zo krijgt David een profeet, Gad, en een priester, Abjatar, in zijn gevolg. Zijn positie wordt er alleen maar sterker door.

Opmerkelijk is dus dat David het uitmoorden van alle priesters en de stad Nob zelf voor zijn rekening neemt. Hij was tot Koning van Israël gezalfd maar net zo min als Saul had David die positie gezocht. Er was ook geen sprake van dat hij er op uit was om Saul van de troon te stoten. Het was Saul die in hem een rivaal had gezien en hem wilde doden. Toch is de houding van David niet zonder belang. Als er in de Tweede Wereldoorlog een actie door verzetsmensen moest worden ondernomen speelden de represailles van de bezetter vaak een rol. Hoeveel onschuldige slachtoffers was een verzetsdaad waard? Dat het de bezetter was die het kwaad bedreef gaf zelden de doorslag. Ook ons eigen gedrag wordt vaak ter discussie gesteld. Hoeveel geketende kinderen zijn onze kleren waard, kinderen die gedwongen worden die kleren te maken? In de dagen van de Apartheid was het uitpersen van Outspan sinasappels het uitbuiten van arbeiders in Zuid Afrika. Zijn wij bereid om net als David de gevolgen van ons handelen op ons te nemen? Dat kan als we elke dag opnieuw beginnen recht en gerechtigheid te vragen in onze samenleving. Dat kan en dat mag elke dag opnieuw.

 

Allerlei mensen

1 Samuël 21:11–22:5

11 Nog diezelfde dag zette David zijn vlucht voor Saul voort, tot hij bij Achis kwam, de koning van Gat. 12 De hovelingen van Achis zeiden tegen hun vorst: ‘Is dat niet David, de koning van het land? Is dat niet degene over wie ze triomfantelijk hebben gezongen: “Saul versloeg ze bij duizenden, David bij tienduizenden”?’ 13 Deze woorden ontgingen David niet, en hij werd doodsbang voor Achis. 14 Daarom deed hij net alsof hij gek was: toen ze hem beetpakten, ging hij als een waanzinnige tekeer, kraste tekens op de deuren van de poort en kwijlde in zijn baard. 15 ‘Zien jullie niet dat die man gek is?’ zei Achis tegen zijn hovelingen. ‘Waarom brengen jullie hem bij mij? 16 Heb ik hier soms geen gekken genoeg, dat jullie hem bij me brengen om tegen me tekeer te gaan? Wat moet die kerel in mijn paleis?’ 1 David ging weer weg uit Gat en vond een veilig heenkomen in een grot bij Adullam. Toen zijn broers en zijn overige familieleden dat hoorden, voegden ze zich daar bij hem. 2 Ook allerlei mensen die in moeilijkheden zaten, schulden hadden of verbitterd waren, sloten zich bij hem aan. David werd hun aanvoerder; het was een groep van ongeveer vierhonderd man. 3 Van daaruit bezocht hij de koning van Moab in Mispe en vroeg hem: ‘Sta mijn vader en moeder alstublieft toe om naar uw grondgebied uit te wijken tot ik weet wat God met mij voorheeft.’ 4 Zo bracht hij zijn ouders onder bij de koning van Moab, en daar bleven ze zolang David zich in zijn schuilplaats in de bergen verschanst hield. 5 Maar de profeet Gad zei tegen David: ‘Blijf niet in de bergen, maar ga naar het land van Juda.’ Daarop trok David naar het Cheretbos. (NBV21)

David vluchtte verder, maar ja verder was naar het land van de Filistijnen en je moet wel gek zijn om je daar veilig te voelen. Gekke Filistijnen waren er genoeg zegt de grap uit dit verhaal. David zoekt dus een schuilplaats in de bergen waar grotten beschutting brengen. Daar voegen zijn broers bij hem en de armen die slachtoffer waren van de onderdrukking en het onrecht van Saul. Het zal niet de plaats zijn waar David moet blijven. Wij moeten nog steeds leren dat de wetten van de Hebreeuwse Bijbel allereerst bedoeld zijn om mensen een menswaardig leven te bezorgen.

Als Jezus van Nazareth op de vingers getikt wordt omdat zijn leerlingen op de Sabbat korenaren malen tussen hun handen beroept hij zich op het gedeelte dat we vandaag uit het verhaal van David hebben gelezen. Ook Jezus van Nazareth had immers geen plaats om zijn hoofd ter ruste te leggen? Wij moeten dus ook niet zomaar iemand bij de deur, onze landsgrenzen, wegsturen die hier om eten komt en een veilig bestaan. Misschien sturen we David of Jezus zelf weg. Gelukkig dat we ook met onze gastvrijheid elke dag opnieuw mogen beginnen.

De regels voor de menselijke samenleving uit de Leer van Mozes zeggen ook dat je je vader en moeder moet eren. Dat betekent niet dat je altijd naar ze moet luisteren maar wel dat je ze serieus moet nemen, maar vooral ook dat je ze goed verzorgt. David brengt zijn ouders onder bij een vijandige koning. Die koning was gelijk een vijand minder, David zal wel uitkijken om die koning aan te vallen. Zorg voor de ouderen neem in de Bijbel een grote plaats in, daar mogen wij nog wel eens wat van leren. David moet daarom niet in vijandig gebied blijven maar naar zijn eigen land, het land door God geschonken. Zo mogen wij trouwens ook naar ons land kijken.

 

Gewijd brood

1 Samuël 21:2-10

2 David begaf zich naar Nob, naar de priester Achimelech. Deze kwam hem geschrokken tegemoet en vroeg: ‘Waarom bent u alleen, waarom is er niemand bij u?’ 3 ‘Orders van de koning,’ antwoordde David. ‘De koning heeft me belast met een opdracht waarvan niemand iets mag weten. Mijn mannen wachten op me op een afgesproken plek. 4 Maar nu ter zake: wat hebt u in voorraad? Geef me vijf broden, of wat u anders in huis hebt.’ 5 ‘Gewoon brood heb ik niet,’ antwoordde de priester. ‘Ik kan u wel gewijd brood geven, maar alleen als uw mannen geen omgang met een vrouw hebben gehad.’ 6 ‘Wij hebben zoals gewoonlijk de verplichting op ons genomen om ons van de omgang met vrouwen te onthouden,’ antwoordde David. ‘Altijd als ik er met mijn mannen op uit trek zijn wij en alles wat we bij ons hebben gewijd, zelfs als het een gewone onderneming betreft. Dus vandaag zijn we zeker gewijd.’ 7 Daarop gaf de priester hem gewijd brood, want hij had geen ander brood dan het toonbrood uit het heiligdom van de HEER, dat om de zoveel dagen wordt ververst. 8 Er bevond zich daar op die dag ook een dienaar van Saul, een zekere Doëg uit Edom, de opzichter van Sauls herders. Hij was daar vanwege een of andere verplichting aan de HEER. 9 ‘Hebt u hier misschien ook een speer of een zwaard?’ vroeg David aan Achimelech. ‘Ik heb niet eens mijn zwaard en mijn andere wapens kunnen meenemen, zoveel haast was er bij de opdracht van de koning.’10 ‘Ik heb hier het zwaard van de Filistijn Goliat, die u in de Terebintenvallei verslagen hebt,’ antwoordde de priester. ‘Daar hangt het, achter het priestergewaad, gewikkeld in een doek. Als u wilt kunt u het meenemen. Een ander wapen is hier niet.’ ‘Zoals dit is er geen tweede,’ zei David. ‘Geef het mij.’ (NBV21)

In het boek Deuteronomium worden in hoofdstuk 23 de regels gegeven voor soldaten die toch in oorlog zijn. Het gebod waar ze zich aan te houden hebben is het “Gij zult niet doden”, maar iedereen snapt dat je over het algemeen geen oorlog of veldslag kan winnen zonder een tegenstander te doden of te verwonden. Eigenlijk moeten soldaten dus bestraft worden voor het overtreden van een van de grondregels voor een menselijke samenleving. Dat zou echter niet eerlijk zijn als ze er op uit trokken om het volk te beschermen tegen een gewelddadige vijand en zo deden wat de God van Israël van hen verwachtte. De regels gaan er daarom vanuit dat God zelf de legerplaats bezoekt om de soldaten te redden van die straf.

De legerplaats is daarom een heilige plaats, net als de Tempel of bij ons de Kerk. De legerplaats moet schoon zijn en netjes en bevrediging van lusten is er niet bij. Deze regels spelen in het verhaal van vandaag een grote rol. David is op de vlucht voor Saul. De ruzie tussen Saul en zijn zoon Jonathan heeft voldoende duidelijk gemaakt dat Saul er op uit is David te doden. Maar David wil leven. Hij weet dat er in Nob een heiligdom was voor de God van Israël. En aan de hogepriester van dat heiligdom Achimelech vroeg hij om eten. Het enige eten dat er was was het brood voor de God van Israël. Hij liegt de priester daarom voor dat hij in opdracht van de Koning op reis was en geen tijd had gehad voedsel en wapens mee te nemen.

Ook brood moet gedeeld worden en om te tonen dat men bereid was zelfs het brood te delen was er in het Heiligdom een tafel waarop steeds verse broden werden gezet voor de God van Israël. Niet om die God te voeden maar om ze te laten zien, toonbroden werden ze genoemd. Alleen de priesters mochten ze eten als ze ververst zouden worden. Maar levensgevaar breekt de wetten van de Tora. Het leven van een mens is altijd belangrijker. En als de soldaten en David zich houden aan de overige regels van de Tora dan is het toegestaan de broden te eten. Het zwaard van de reus Goliat geeft aan hoeveel kracht David van God heeft gekregen, want ook dat kwam niet van hemzelf. Het “Gij zult niet doden” en de regels uit Deuteronomium gelden overigens ook vandaag nog voor de soldaten van Israël, maar wie ziet toe dat ze zich er aan houden?

 

Doe het goede

Psalm 37:25-40

25 Ooit was ik jong, nu ben ik oud, en nooit zag ik dat een rechtvaardige werd verlaten, nooit zag ik zijn kinderen zoeken naar brood; 26 hij is vol mededogen en leent uit, elke dag, en zijn nageslacht is een bron van zegen. 27 Mijd het kwade en doe het goede, en je zult voor eeuwig wonen in het land, 28 want de HEER heeft gerechtigheid lief, wie Hem trouw zijn, verlaat Hij niet. Zij blijven voor eeuwig behouden, maar het nageslacht van zondaars wordt verdelgd. 29 De rechtvaardigen zullen het land bezitten en het bewonen, hun leven lang. 30 De mond van de rechtvaardige spreekt wijsheid, zijn tong spreekt gerechtigheid, 31 hij draagt de wet van God in zijn hart en zijn voeten struikelen niet. 32 De zondaar loert op de rechtvaardige en zoekt een kans om hem te doden, 33 maar de HEER laat zijn dienaar niet los: wordt hij aangeklaagd, vrijspraak zal volgen. 34 Vestig je hoop op de HEER en blijf op de weg die Hij wijst, Hij zal je aanzien geven en grondbezit, je zult beleven dat zondaars worden verdelgd. 35 Ik heb een zondaar gezien, een uitbuiter, hij groeide uit als een woekerende laurier; 36 op een dag was hij verdwenen, ik zocht hem en ik vond hem niet. 37 Zie de onschuldigen, kijk naar de oprechten: wie vredelievend zijn hebben de toekomst. 38 Maar zondaars worden verdelgd, er is geen toekomst voor een slecht mens. 39 De rechtvaardigen vinden redding bij de HEER, Hij is hun toevlucht in tijden van nood. 40 De HEER heeft hen altijd geholpen en bevrijd, Hij bevrijdt hen ook nu van de zondaars, Hij redt hen, want zij schuilen bij Hem.(NBV21)

Levenservaring, daar gaat het om. Niet steeds opnieuw het wiel uitvinden en ook de volgende generaties daarvoor behoeden. Wie het gedeelte van vandaag uit Psalm 37 leest zal zich realiseren dat de technologische veranderingen in de wereld de verhoudingen tussen mensen en de verhouding tussen de mensen en hun God nog steeds niet echt veranderd hebben. Wie mensen tot hun recht wil laten komen, wie onrecht bestrijd en vrede sticht weet dat er altijd voor zijn nageslacht zal worden gezorgd. In onze samenleving krijgt een steeds kleiner aantal mensen een steeds groter deel van het gezamenlijk bezit. We zullen dus opnieuw het eerlijk delen moeten leren waar de Psalmdichter voor pleit. Natuurlijk gebeurd het uitlenen niet meer op het dorpsplein. We hebben daar tegenwoordig Oikocredit voor die kleine leningen verzorgd voor mensen die daarmee een start kunnen maken. Zij stelt ons in de gelegenheid daaraan mee te doen.

Het is een mooie belofte dat de rechtvaardigen het land zullen bezitten, hun hele leven lang. We merken er niet zo veel van. Het zijn de schreeuwers die meester zijn in het schelden die de boventoon voeren. Het lijkt er op alsof zij alles voor het zeggen hebben. Dat de rechtvaardige wijsheid spreekt en zijn tong gerechtigheid is nauwelijks te bespeuren. Als rechters anders rechtspreken dan de eerste emotie hen ingeeft dan deugen de rechters niet. Kansen om in onze samenleving opnieuw te beginnen zijn er nauwelijks. Een organisatie als Exodus, die ex-gedetineerden begeleid in hun uittocht uit de criminaliteit en hen probeert te leiden naar onze samenleving van zorgen voor elkaar en respect voor de ander, merkt dat het etiket “crimineel” een zwaardere straf is die langer moet worden verdragen als welke rechtvaardige celstraf dan ook. Steun aan Exodus, niet alleen met geld, is dan ook zeer hard nodig.

Maar de Psalm is ook een lied van bevrijding. In het eerste deel werden we al bevrijd van de ergernis voor hen die kwaad doen, in het tweede deel ontdekten we dat onze God de bedrijvers van het kwaad uitlacht en dat wij dat dus ook mogen doen. De Psalmdichter weet dat de onrechtvaardigen, de uitbuiters en onderdrukkers, verdwijnen. De toekomst is nog steeds aan de vredestichters. Als op mensen een beroep wordt gedaan om te kiezen tussen vrede en geweld dan kiezen de mensen voor de vrede en tegen het geweld. Daar wordt misbruik van gemaakt. Als we maar bang genoeg worden dat met de komst van vreemdelingen het geweld ons boven het hoofd hangt dan kiezen we voor de schijnvrede van uitsluiting. We vergeten dan dat alleen de God van Israël boven ons hoofd hangt en dat we dus niet moeten uitsluiten maar vreemdelingen moeten opnemen alsof ze al bij ons hoorden. Bij God schuilen als we angstig zijn is altijd nog het beste, dat zal helpen de vrede te bewaren.

 

Wind je niet op

Psalm 37:1-24

1 Van David. Erger je niet aan slechte mensen, wees niet jaloers op wie kwaad doen, 2 zij verdorren snel als gras, zij verwelken als het jonge groen. 3 Vertrouw op de HEER en doe het goede, bewoon het land en leef er veilig. 4 Zoek je geluk bij de HEER, Hij zal geven wat je hart verlangt. 5 Leg je leven in de handen van de HEER, vertrouw op Hem, Hij zal dit voor je doen: 6 het recht zal dagen als het morgenlicht, de gerechtigheid stralen als de middagzon. 7 Blijf kalm en wacht op de HEER, erger je niet aan wie slaagt in het leven, aan wie met listen te werk gaat. 8 Wind je niet op, laat je woede varen, erger je niet, dat brengt maar onheil. 9 Slechte mensen worden verdelgd, wie hopen op de HEER, zullen het land bezitten. 10 Nog even, en verdwenen is de zondaar, je kijkt waar hij is, maar vindt hem niet. 11 Wie nederig zijn, zullen het land bezitten en gelukkig leven in overvloed en vrede. 12 De zondaar belaagt de rechtvaardige met een grijns op zijn gezicht. 13 Maar de Heer lacht hem uit en ziet de dag al van zijn ondergang. 14 Zondaars trekken hun zwaard en spannen hun boog, om zwakken en armen te doden, om af te slachten wie eerlijk hun weg gaan. 15 Maar het zwaard dringt in hun eigen hart en hun bogen worden gebroken. 16 Beter het weinige dat een rechtvaardige heeft dan de rijkdom van talloze zondaars. 17 De macht van de zondaars wordt gebroken, maar de HEER zal de rechtvaardigen steunen. 18 De HEER trekt zich het lot van onschuldigen aan, hun bezit blijft voor eeuwig behouden. 19 Zij worden niet teleurgesteld in kwade dagen, in tijden van hongersnood worden zij verzadigd. 20 De zondaars zullen ten onder gaan, de vijanden van de HEER verdwijnen als bloemen in het veld, verdwijnen als rook. 21 De zondaar vraagt te leen en brengt niet terug, de rechtvaardige geeft, uit mededogen. 22 Gods gezegenden zullen het land bezitten, de vervloekten worden verdelgd. 23 Wie de HEER welgevallig is, mag zijn weg gaan met vaste tred. 24 Al komt hij ten val, hij blijft niet liggen, want de HEER richt hem op.(NBV21)

Vandaag lezen we een hoogst actuele psalm. Want ergeren aan slechte mensen dat doen we tegenwoordig dag in dag uit. En als er mensen zijn die de mensen waar ze zich aan ergeren op hun vingers tikken dan ergeren we ons daar weer aan en zo kunnen we door gaan. Je hoeft op al die mensen die zich ergeren niet jaloers te zijn. De psalm zegt dat ze verdorren als gras, ze verwelken als het jonge groen. Soms duurt dat helaas een poosje en blijft je ergernis bestaan. De boodschap is dat je je niet hoeft te ergeren. Je mag er om lachen. Ook dat zal niet helpen maar het helpt je zelf, het helpt je van dat vervelende gevoel van ergernis af. Het maakt het gemakkelijker je ergernis te benoemen, want bang voor wat de Psalmist de zondaar of onrechtvaardige noemt hoef je niet meer te zijn. God zelf lacht ze ook uit, waarom wij gelovigen in God dan niet. God beloofd ook dat ze aan hun eigen onrecht te gronde zullen gaan. De pijlen die ze afsteken zullen in hun eigen hart terechtkomen. En zeg nu eerlijk, wie wil als asociaal bekend staan, wie wil de straffen van justitie die daar bij horen ondergaan.

Nu is het leggen van je leven in de handen van de Heer minder vrijblijvend als het klinkt. God heeft een aantal richtlijnen gegeven die je beter kunt volgen als de weg die je door de wereld wordt gewezen. Paulus heeft ooit gezegd dat je het kwade met het goede moet bestrijden. Als je jezelf ergert kun je je afvragen hoe je van die ergernis af kan komen. Je kunt iemand aanspreken op ergerlijk gedrag. Je kunt je aansluiten bij mensen die bezig zijn de ergernis de wereld uit te helpen, als we allemaal willen dat een slechte situatie ten goede wordt gekeerd dan zal dat op den duur ook gebeuren. De richtingwijzers van de wereld zullen moeten omgevormd worden tot de richtingwijzers van God. Maar kwaad worden zal daarbij niet helpen. Toorn brengt twist voort, zegt het boek Spreuken, en stapelt dwaasheid op dwaasheid. In het gedeelte dat we vandaag lezen klinken de zaligsprekingen uit het boek Matteüs voor. Als Jezus van Nazareth volgens het verhaal van Matteüs als Mozes op een berg zijn leer ontvouwd dan begint hij met het citeren van de psalmen. Hij prijst de zachtmoedigen gelukkig, zij zullen de aarde beërven.

En daar geeft de Psalm je een sterk wapen in de hand. In plaats van je steeds met dat kwade bezig te houden kun je er ook naar streven steeds het goede te doen. We kennen het rijtje wel, de hongerigen voeden, de dorstigen laven, de naakten kleden, de gevangenen bezoeken, de vreemdelingen in je midden opnemen, vrede te stichten en te zorgen voor de minsten. Verdien je daar wat mee? Wordt de wereld er beter van? Levert het ook nog wat op? Welnee, zelfs niet de genade van de God van Israël. Maar het maakt je leven een stuk eenvoudiger. Je wordt gewaardeerd om wat je doet, mensen kunnen je niet om ver werpen en als je valt hoef je alleen nog een beroep te doen op de beloften van God, het zal goedkomen belooft God, en je hebt weer een nieuwe toekomst waar je aan mag werken. Paulus zegt het niet voor niets, doe het goede en niet dan het goede. Het verhaal zegt ook dat je het kwade kunt bestrijden door het goede te doen, dat mag dus ook vandaag weer.

 

Ik kom een wig drijven

Matteüs 10:34–11:1

34 Denk niet dat Ik gekomen ben om op aarde vrede te brengen. Ik ben niet gekomen om vrede te brengen, maar het zwaard. 35 Want Ik kom een wig drijven tussen een man en zijn vader, tussen een dochter en haar moeder en tussen een schoondochter en haar schoonmoeder; 36 huisgenoten worden elkaars vijanden! 37 Wie meer van zijn vader of moeder houdt dan van Mij, is Mij niet waard, en wie meer houdt van zijn zoon of dochter dan van Mij, is
Mij niet waard. 38 Wie niet zijn kruis op zich neemt en Mij volgt, is Mij niet waard. 39 Wie zijn leven probeert te behouden zal het verliezen, maar wie zijn leven verliest omwille van Mij, die zal het behouden. 40 Wie jullie ontvangt, ontvangt Mij, en wie Mij ontvangt, ontvangt Hem die Mij gezonden heeft. 41 Wie een profeet ontvangt omdat het een profeet is, zal als een profeet beloond worden, en wie een rechtvaardige ontvangt omdat het een rechtvaardige is, zal als een rechtvaardige beloond worden. 42 En wie een van deze geringe mensen een beker koel water te drinken geeft alleen omdat het een leerling van Mij is, Ik verzeker jullie: die zal zeker beloond worden.’ 1 Dit waren de instructies die Jezus aan de twaalf leerlingen gaf. Toen Hij zijn rede beëindigd had, vertrok Hij om zijn verkondiging voort te zetten en onderricht te geven in de steden. (NBV21)

Polarisatie, dat is het duidelijk stellen van tegenstellingen, was een aantal decennia geleden populair, maar werd even hard veroordeeld als aangehangen. Het lijkt er op dat hier ook Jezus van Nazareth aan bewuste polarisatie doet. We zien Jezus van Nazareth altijd als de grote vredebrenger. “Vrede op aarde en in mensen een welbehagen”, daarmee begint toch voor veel mensen het leven van Jezus van Nazareth. En zij herinneren zich zijn uitspraak dat allen die het zwaard zullen opnemen door het zwaard zullen vergaan. Toch begint de Bijbelpassage van vandaag met de belijdenis dat Jezus van Nazareth niet is gekomen om vrede te brengen maar het zwaard. Dat hij een wig drijft tussen mensen en dat hij waarschuwt dat de eigen huisgenoten de vijanden van de mensen zijn. Een ieder wordt hier op eigen verantwoordelijkheid aangesproken. Niet de familiebanden bepalen of je bij het Koninkrijk hoort, niet of je goed voor je eigen familie zorgt of gehoorzaam bent aan je familie maar of je de Weg gaat van Jezus van Nazareth.

De profeet en de rechtvaardige worden geringe mensen genoemd, maar als je ze een beker water geeft, alleen een beker koel water, dan pas hoor je er bij en zal je beloond worden. Dat is het goede nieuws. Het hangt niet en nooit niet van anderen af. Wat de mensen er ook van mogen zeggen, zorgen voor de minsten in de samenleving staat altijd, onder alle omstandigheden voorop. Moet je dan ruzie maken met je familie? Kan er alleen maar oorlog zijn met de mensen die je het meest na staan? Komt hier de aversie tegen schoonmoeders in veel moppen vandaan? Nee zeker niet. Maar veel jonge vrouwen doen zoals ze denken dat hun schoonmoeder wil dat ze doen. Ze verliezen zichzelf daarbij vaak. Als hun schoonmoeder een keer op visite komt verandert de zelfbewuste jonge huisvrouw in een zenuwachtig wrak. Pas als iemand daar een keer met de schoonmoeder over begint blijkt dat die zich nergens van bewust is en zelfs de eigen persoon, de eigen gewoonten en oplossingen van de schoondochter zou willen zien.

Zo gaat het ook vaak tussen vaders en zonen en tussen moeders en dochters. En als het over opvattingen en geloofszaken gaat kan het nog erger. Dan slaan vaders, vooral oudere vaders, maar ook vaak moeders, hun kinderen dood met Bijbelteksten, dan wordt er niet meer geluisterd naar elkaar, dan wordt het eigen godsbeeld opgedrongen. En juist Bijbelteksten in het Nederlands, soms zelfs geciteerd uit een vertaling die eeuwen geleden werd gemaakt, kunnen zo gemakkelijk uit hun verband gerukt zijn en zo gemakkelijk een anti-Bijbelse opvatting weergeven. Vertalen is immers stamelend en stotterend herhalen wat er in de oorspronkelijke taal staat. Kinderen horen daartegen in opstand te komen, zij horen te eisen dat er een werkelijk gesprek over opvattingen en geloofszaken mogelijk is. God verschijnt aan mensen zoals mensen de God van Israël nodig hebben, dat kan voor kinderen anders zijn dan voor hun ouders. Dat is namelijk ook het goede nieuws waar de leerlingen mee op pad zijn gestuurd, dat er voor iedereen plaats is in het Koninkrijk van Jezus van Nazareth, als men wil delen, als men voor de minsten op de wereld een beker koel water over heeft.