Uw vrouwen en uw zonen

1 Koningen 20:1-12

1 Koning Benhadad van Aram riep al zijn troepen onder de wapenen. Met tweeëndertig andere koningen, uitgerust met paarden en wagens, rukte hij op tegen Samaria en omsingelde het. 2 Benhadad stuurde afgezanten naar de stad, naar koning Achab van Israël. 3 Ze moesten de volgende boodschap overbrengen: ‘Dit zegt Benhadad: “Uw goud en zilver komen mij toe, en uw mooiste vrouwen en flinkste zonen ook!”’ 4 De koning van Israël liet antwoorden: ‘Het is zoals u zegt, mijn heer en koning: ik behoor u toe met alles wat ik bezit.’ 5 De afgezanten kwamen opnieuw naar Achab toe en zeiden: ‘Dit zegt Benhadad: “Ik heb afgezanten naar u toe gestuurd met de boodschap dat u uw goud en uw zilver en uw vrouwen en uw zonen aan mij moet geven. 6 Welnu, morgen om deze tijd stuur ik mijn dienaren naar u toe. Zij zullen uw paleis en de huizen van uw dienaren doorzoeken en alles meenemen waaraan u waarde hecht.”’ 7 De koning van Israël riep alle oudsten van het land bij zich en zei: ‘Zoals u ziet heeft die Benhadad het slecht met ons voor. Hij had mijn vrouwen en zonen en mijn goud en zilver al opgeëist, en ik heb het hem niet geweigerd.’ 8 De oudsten en de andere Israëlieten zeiden tegen de koning: ‘Doe niet wat hij zegt, willig zijn eis niet in.’ 9 Hierop zei Achab tegen de afgezanten van Benhadad: ‘Zeg tegen mijn heer en koning: “Alles waar u mij de eerste keer om hebt gevraagd zal ik u geven, heer, maar op uw tweede eis kan ik niet ingaan.”’ De afgezanten vertrokken en brachten dit antwoord aan Benhadad over. 10 Daarop zond Benhadad de volgende boodschap: ‘De goden mogen met mij doen wat ze willen als er van Samaria genoeg stof overblijft om er alle soldaten die voor mij vechten een handvol van mee te geven.’ 11 De koning van Israël antwoordde: ‘Zeg hem dat wie zich opmaakt voor de strijd, niet moet juichen voor hij de wapens weer heeft afgelegd!’ 12 Benhadad zat met de andere koningen onder een dak van bladeren te drinken toen hij dit antwoord ontving, en onmiddellijk beval hij zijn aanvoerders hun stellingen tegenover de stad te betrekken. (NBV21)

Die Koning Achab wordt door de Bijbel als een zeer slechte koning afgeschilderd. Maar waarom eigenlijk? Als je dit verhaal goed leest zou je bijna gaan denken dat het een dappere onbaatzuchtige koning is. Als Benhadad met 32 andere koningen al het goud en zilver van de koning eist, en ook nog de mooiste vrouwen en flinkste zonen, dan geeft hij die direct. Maar als die Benhadad ook nog het goud en het zilver, en de vrouwen en zonen, van de dienaren van de Koning vraagt dan weigert hij. En voor die weigering overlegt hij netjes met de oudsten van het volk. Wat is daar nu zo slecht aan. De Koning zet alles van zichzelf in om de vrede te bewaren maar als het gaat om dat wat van anderen is dan zet hij de hielen in het zand. Mooi toch zou je zeggen. Maar dan lees je toch niet goed. Het gaat om goud, zilver, vrouwen en zonen, steeds in die volgorde. En wat staat er bij de God van Israël nu voorop? Het goud, het zilver?

Nee, zeker voor de God van Israël geldt: vrouwen en kinderen eerst. Je geeft een vrouw niet weg alsof het een voorwerp is, je laat je zonen niet in slavernij gaan. Je bezit een vrouw ook niet op de manier waarop die Heidense Koning een vrouw bezit. Man en vrouw worden één vlees, de Bijbel zegt het zo: vanaf het begin af zijn zij gelijk, samen door God geschapen, elkaar tot hulp en bijstand. Het is typisch de mannenmacht die in de geschiedenis vrouwen tot bezit wil degraderen, die vrouwenhandel normaal wil vinden en daar ruimte voor wil maken. Het is God een gruwel. Die gelijkheid van mannen en vrouwen is niet alleen bij Heidense volken met een lantaarntje te zoeken. Ook in Christelijke kerken is het geloof in de schepping van God vaak ver te zoeken als men vrouwen weert uit alle kerkelijke ambten, als men de stem van de vrouw niet even serieus neemt als die van de man.

Niet als orakel die geëxploiteerd wordt door de man, zoals door Paulus wordt veroordeeld, of als sexueel object, waar het in dit verhaal om gaat, maar als verkondiger van het goede nieuws van vrijheid. Verkondigend zoals Debora deed, zoals Hanna zong, zoals Ruth deed, zoals Ester deed, zoals zovelen in de Bijbel ons voor hebben gedaan. Juist vanwege die volgorde, goud, zilver, vrouwen en zonen en het zich niet verzetten tegen de volgorde en de behandeling van vrouwen en zonen wordt Achab in de Bijbel als zeer slechte koning neergezet. Daar mogen ook wij bij stilstaan als we het hebben over vrouwenhandel en prostitutie, als we het hebben over kinderporno en pedofilie, als we het hebben over jeugdzorg en het opsluiten van kinderen in gevangenissen. Zelfs in ons vreemdelingenbeleid gebeurd het nog dat kinderen in gevangenissen worden opgesloten, want o wee hun ouders mogen eens aan ons goud en zilver komen. Gelovigen in de God van Israël verzetten zich daartegen, met alles wat in hen is, ook vandaag.

Als een kind

Psalm 131

1 Een pelgrimslied van David. HEER, niet trots is mijn hart, niet hoogmoedig mijn blik, ik zoek niet wat te groot is voor mij en te hoog gegrepen. 2 Nee, ik ben stil geworden, ik heb mijn ziel tot rust gebracht. Als een kind, de borst ontwend, stil op de arm van zijn moeder, zo is mijn ziel in mij. 3 Israël, hoop op de HEER, van nu tot in eeuwigheid. (NBV21)

“Worden als een kind” was de titel van een boek van Ds. Okke Jager, een dominee die beroemd was geworden omdat hij de dingen zo eenvoudig kon zeggen. De titel komt niet uit het kleine psalmpje dat we vandaag met de kerk meezingen maar komt uit een verhaal van Jezus van Nazareth. Zijn leerlingen hadden eens gevraagd wat er nodig was om het Koninkrijk van God binnen te komen. Jezus had toen een kind in hun midden getrokken en vertelde hen dat ze moesten worden als een kind. Zonder pretenties, zonder oordelen over andere mensen, zonder goed en kwaad te kennen maar vanzelf het goede zoeken. Jezus greep dus terug op het versje dat hij waarschijnlijk in zijn jeugd had geleerd. De Psalm is een pelgrimslied. Het werd gezongen als de gelovigen optrokken naar Jeruzalem om daar een van de hoogfeesten te vieren. In het Evangelie naar Lucas lezen we hoe Jezus aan een dergelijke pelgrimsreis deelnam toen hij 12 jaar was, in Joodse termen, toen hij volwassen werd. In de Tempel waren ze verbaasd over alles wat hij al wist over de schriften. Hij had er in zijn jeugd dus kennelijk veel over geleerd.

De Psalmdichter gebruikt hier een woord dat in de vertaling van het Nederlands Bijbelgenootschap jammer genoeg is weggevallen. Hier heet het slechts als een kind op de arm van zijn moeder. Maar het is niet de baby die verzadigd in slaap valt nadat die van de borst van zijn moeder heeft gedronken. In de oorspronkelijke tekst staat hier een woord dat meestal vertaald wordt met gespeend. En dat betekent dat het van de speen af is, dat het niet meer drinkt van de borst van de moeder maar zelf kan eten. Als Izaäk van de borst af is dan richt Abraham een groot feest aan om de geboorte van deze zoon te vieren. Dan is het leven pas echt bereikt en niet meer afhankelijk van een en dezelfde persoon. Een kind dat gespeend is begint nieuwsgierig om zich heen te kijken en de anderen te herkennen als anderen, als medemensen. Het heeft nog verantwoordelijke ouders nodig omdat een kind dat gespeend is geen angst kent. En zo schets de dichter van deze psalm een beeld van een mens zonder angst omdat het vertrouwen mag op de God van Israël. Die immers zal een wereld scheppen waar alle angst voorbij is.

Het beeld dat de Psalmdichter hier schetst heeft nog een andere parallel in de Bijbel. Als Samuël gespeend is dan brengt zijn moeder Hanna hem naar de tent der ontmoeting, de Tabernakel en begint zijn opleiding tot profeet en priester. Hij wordt helemaal aan God gewijd. Als we dit kleine psalmpje op ons in laten werken dan lijkt het er op dat de dichter ons wil vertellen dat ook hij geheel aan God is gewijd. Wij zitten overigens nog wel met het Griekse begrip van het woord ziel. In de heidense Griekse voorstelling is er een scheiding tussen ziel en lichaam. De Bijbel kent die scheiding niet. De mens leeft, of de mens is dood. Het leven komt van de adem die God de mens heeft ingeblazen en volgens de Prediker keert die adem terug naar God zoals het lichaam terug keert naar de aarde waaruit God de mens heeft gevormd. Er is dus geen scheiding, dat kind dat zonder angst de wereld in kijkt heeft niet een innerlijke rust bereikt het is zoals kinderen zijn. Zo laat de dichter ons vandaag zingen dat wij ook kunnen zijn, zonder angst de wereld in kijkend. Dat gaat niet zonder het goede te zoeken, zelfs in het donkerste duister. Zelfs daar hoeven wij geen angst te kennen omdat de God van Israël bij ons is.

Je deel van het goede

Lucas 16:19-31

19 Er was eens een rijke man die gewoon was zich te kleden in purperen gewaden en fijn linnen en die dagelijks uitbundig feestvierde. 20 Een bedelaar die Lazarus heette, lag voor de poort van zijn huis, overdekt met zweren. 21 Hij hoopte zijn maag te vullen met wat er overschoot van de tafel van de rijke man; maar er kwamen alleen honden aanlopen, die zijn zweren likten. 22 Op zekere dag stierf de bedelaar, en hij werd door de engelen weggedragen om aan Abrahams hart te rusten. Ook de rijke stierf en werd begraven. 23 Toen hij in het dodenrijk, waar hij hevig gekweld werd, zijn ogen opsloeg, zag hij in de verte Abraham met Lazarus aan zijn zijde. 24 Hij riep: “Vader Abraham, heb medelijden met mij en stuur Lazarus naar me toe. Laat hem het topje van zijn vinger in water dopen om mijn tong te verkoelen, want ik lijd pijn in deze vlammen.” 25 Maar Abraham zei: “Kind, bedenk wel dat jij je deel van het goede al tijdens je leven hebt ontvangen, terwijl Lazarus niets dan ongeluk heeft gekend; nu vindt hij hier troost, maar lijd jij pijn. 26 Bovendien ligt er een wijde kloof tussen ons en jullie, zodat wie van hier naar jullie wil gaan dat niet kan, en ook niemand van jullie naar ons kan oversteken.” 27 Toen zei de rijke man: “Dan smeek ik u, vader, dat u hem naar het huis van mijn vader stuurt, 28 want ik heb nog vijf broers. Hij kan hen dan waarschuwen, zodat ze niet net als ik in dit oord van martelingen terechtkomen.” 29 Abraham zei: “Ze hebben Mozes en de Profeten: laten ze naar hen luisteren!” 30 De rijke man zei: “Nee, vader Abraham, maar als iemand van de doden naar hen toe komt, zullen ze tot inkeer komen.” 31 Maar Abraham zei: “Als ze niet naar Mozes en de Profeten luisteren, zullen ze zich ook niet laten overtuigen als er iemand uit de dood opstaat.”’ (NBV21)

Het verhaal van de rijke naamloze zoon van Abraham en de arme Lazarus is eeuwenlang misbruikt. De armen hoefde zich geen zorgen te maken want hun beloning kwam immers na de dood wel. Dat was toch ook zo gegaan met die arme Lazarus? Maar dat is dus misbruik maken van het verhaal en niet helemaal goed het verhaal lezen, of nog erger, het verhaal goed doorvertellen. Lazarus en de rijke man zijn op de eerste plaats broers. Allebei zijn ze immers zonen van Abraham, ze horen tot het volk Israël. De scene na de dood is dus niet een verhaal om ons te vertellen hoe het er na onze dood uit zou zien maar is bedoeld om ons te vertellen hoe het er voor onze dood hoort uit te zien. Armen en rijken zijn familie van elkaar. De eerste vraag die je je dus moet stellen is of je je arme broer of zuster op de stoep laat liggen als je rijk bent.

In het verhaal wordt vervolgens aandacht gevraagd voor de andere broers van de rijke man. Als Lazarus en de rijke man al broers zijn, dan zijn de andere broers alle andere mannen van het volk van Israël. Volgens het verhaal hebben die het voorbeeld van de arme Lazarus niet nodig want zij hebben de Leer van Mozes. Zij hebben dat verhaal over Mozes die het volk uit de slavernij leidde en in de Woestijn die richtlijnen kreeg die maakte dat je je naaste lief kan hebben als jezelf. Dat doen of je samen door de Woestijn trekt moet een voldoende houding zijn. Het volk had immers ontdekt dat je pas kunt overleven als je onvoorwaardelijk op elkaar kunt vertrouwen. Delen, zonder er zelf beter van te worden, delen met de ander alsof je het zelf bent is een voorwaarde voor het leven zelf. Dat zou ook in een rijk land, een land dat overvloeide van melk en honing, de manier zijn om ook daar te overleven.

Jezus van Nazareth en zijn volgelingen zouden dat uiteindelijk naar de hele wereld doortrekken. Overal en altijd is het willen delen met alle mensen op aarde de voorwaarde om de aarde leefbaar en de mensen levend te houden. Elke arme die sterft is immers een broer of zuster, elk kind dat sterft van armoede is een kind van ons allemaal. Daarom moet dit verhaal ons schrik aanjagen. Wij laten immers de armen van de wereld op de stoep van fort Europa liggen, of verdrinken in omringende zeeën en weigeren om onze onrechtvaardige tolmuren af te breken en hen de kans te geven op een eerlijk inkomen voor de arbeid die ze leveren. Het gaat niet om vreemden met een ander geloof en andere gewoonten, het gaat om onze broeders en zusters, kinderen van Adam, kinderen van onze God. Wat het goede is weten we nu wel, nu het delen nog.

Twee heren

Lucas 16:10-18

10 Wie betrouwbaar is in het geringste, is ook betrouwbaar als het om veel gaat, en wie oneerlijk is in het geringste, is ook oneerlijk als het om veel gaat. 11 Als jullie onbetrouwbaar blijken in de omgang met de valse mammon, wie zal jullie dan werkelijk belangrijke dingen toevertrouwen? 12 En als jullie onbetrouwbaar blijken met wat een ander toebehoort, wie zal jullie dan geven wat jullie zelf toekomt? 13 Geen enkele knecht kan twee heren dienen: hij zal de eerste haten en de tweede liefhebben, of hij zal juist toegewijd zijn aan de ene en de andere verachten. Jullie kunnen niet God dienen én de mammon.’ 14 De farizeeën, die geldzuchtig waren, hoorden dit alles aan en ze haalden honend hun neus voor Hem op. 15 Maar Jezus zei tegen hen: ‘U wilt bij de mensen voor rechtvaardig doorgaan, maar God kent uw hart. Wat bij de mensen in hoog aanzien staat, is een gruwel in de ogen van God. 16 De Wet en de Profeten gaan tot aan Johannes: sindsdien wordt het koninkrijk van God verkondigd, en iedereen wordt met klem genodigd binnen te komen. 17 Maar nog eerder vergaan hemel en aarde dan dat er ook maar één tittel van de wet wegvalt. 18 Wie zijn vrouw verstoot en met een ander trouwt, pleegt overspel, en ook wie trouwt met een vrouw die door haar man is verstoten, pleegt overspel. (NBV21)

De Mammon is een god, niet een god die bestaat maar wel een god die je kan dienen. Dan heeft die god een paar eigen wetten. Die god van het geld wil dat je spaart of leent. Je krijgt rente of je krijgt goederen en moet daarvoor rente betalen. Maar weggeven mag je het geld niet. Dienaren van de Mammon die delen met een ander worden bestraft met armoede of uitsluiting van de samenleving. Ze krijgen het verkeerde uiterlijk en kunnen dat niet meer herstellen, ze hebben niet de meest moderne keuken, niet het laatste model TV apparaat, niet de meest modieuze kleding, niet het laatste type auto. Hun kinderen krijgen niet de vakantie die ze toekomt en hebben ook niet de kleren aan van het merk dat in de mode is, laat staan dat die kinderen die nieuwste games kunnen delen met hun vriendjes en vriendinnetjes. De wetten van de Mammon zijn hard maar de beloning lijkt groot.

Het is schrikken. We zijn van huurhuizen naar koophuizen gegroeid. Iedereen moet een huis kopen, alleen de armen mogen in huurhuizen blijven wonen. Maar nu stijgen de prijzen, energie het meest. Waar betaal je dat van? Van leningen? Moet de staat voor je lenen? Of moeten we leren dat zorgen voor je zelf en niet voor je naaste niet het goede is. Het gevaar bestaat natuurlijk dat het Koninkrijk van die Jezus van Nazareth het over gaat nemen. Dat Koninkrijk waar die vieze in kameelharen kleding getooide Johannes toe opriep. Waar voor iedereen plaats is en waar sparen en lenen is vervangen door delen met elkaar zodat iedereen altijd te eten heeft. Waar mensen niet meer houden van jong en nieuw en hip maar houden van elkaar als van zichzelf. Geen cosmetische operaties meer, reizen per openbaar vervoer of samen een auto delen, kleding en goederen zo veel mogelijk hergebruiken, eerlijke lonen voor verbouwers en arbeiders ook in arme landen.

De Tittel en de Jota zijn de kleinste leestekens uit het Hebreeuwse schrift. Zelfs het allerkleinste van de richtlijn voor een menselijke samenleving mag niet wegvallen volgens Jezus van Nazareth. Dat betekent dat nergens en nooit iets afgedaan kan worden van de liefde voor de naaste. Die liefde drukt immers de liefde voor God uit die boven alles behoort te gaan. Niet om er zelf beter van te worden, niet om genade van God te verwerven, maar omdat de minsten het nodig hebben en we nu eenmaal niet te scheiden zijn van de liefde van Jezus van Nazareth. Daarom zijn partners in een levens en liefdesverband geen wegwerpartikelen die je kan inruilen als je er op uitgekeken bent. Natuurlijk als je samen tot de ontdekking komt dat samen verder gaan niet verstandig is dan moet je een weg vinden om uit elkaar te gaan. Maar wel samen, wel in liefde voor elkaar, je bent immers in elk geval de naaste van je eigen partner. En begin je een nieuwe relatie dan moet je er van verzekerd zijn dat ook je partner in liefde de nieuwe weg van vrijheid is ingeslagen.

De valse mammon

Lucas 16:1-9

1 Hij richtte zich ook tot zijn leerlingen: ‘Er was eens een rijke man die een rentmeester had en te horen kreeg dat de rentmeester zijn eigendommen verkwistte. 2 De rijke man riep de rentmeester bij zich en zei tegen hem: “Wat hoor ik over jou? Leg verantwoording af van je beheer, want je kunt niet langer rentmeester blijven.” 3 Toen zei de rentmeester bij zichzelf: Wat moet ik doen nu mijn heer mij het beheer afneemt? Werken op het land kan ik niet, en voor bedelen schaam ik me. 4 Maar ik weet al wat ik moet doen om ervoor te zorgen dat de mensen, wanneer ik van mijn beheerderstaak ben ontheven, mij bij hen thuis ontvangen. 5 Een voor een riep hij de schuldenaars van zijn heer bij zich. De eerste vroeg hij: “Hoeveel bent u mijn heer schuldig?” 6 “Honderd vaten olijfolie,” antwoordde de schuldenaar. De rentmeester zei tegen hem: “Hier is uw schuldbewijs, ga zitten en maak er gauw vijftig van.” 7 Daarna vroeg hij aan de volgende schuldenaar: “En u, hoeveel bent u schuldig?” “Honderd balen graan,” luidde het antwoord. De rentmeester zei: “Hier is uw schuldbewijs, maak er tachtig van.” 8 En de heer prees de oneerlijke rentmeester omdat hij slim had gehandeld. De kinderen van deze wereld gaan immers slimmer met elkaar om dan de kinderen van het licht. 9 Ook Ik zeg jullie: maak vrienden met behulp van de valse mammon, opdat jullie in de eeuwige tenten worden opgenomen wanneer de mammon er niet meer is. (NBV21)

Vandaag een verwarrend en misschien wel duister verhaal. Dat van die mammon kunnen we nog wel snappen. Dat je met de god van het geld vrienden moet maken om de armen te kunnen helpen is niet zo gek gedacht. De bank- en gironummers vliegen je immers om de oren. Elke charitatieve instelling heeft er wel één en bij rampen en calamiteiten wordt er snel een gironummer geopend. De BankGiroloterij pretendeert zelfs ons rijk te kunnen maken als we geld storten voor een goed doel. Ze worden we er zelf nog het rijkste van maar dat vinden ze dan ook een heel goed doel. Maar wat zijn die eeuwige tenten en waarom zou een rijke bezitter oneerlijk gedrag van zijn rentmeester goed praten? We moeten daarvoor een kijkje nemen in de Romeinse samenleving. Het Evangelie van Lucas heeft immers als opschrift dat het aan de Romein Theofilus is geschreven. Deze godenzoon, want dat betekent Theofilus, zou zelf wel eens rijk geweest kunnen zijn. Rijke Romeinen hadden vaak bezittingen op het platteland. Daar waren ze niet zelf aanwezig maar ze hadden slimme slaven die als rentmeester voor hen het beheer voerden. En deden ze dat niet goed dan werden ze landbouwslaven en die leefden niet lang.

Die rentmeesterslaven moesten vaak de boel wel een klein beetje voor de mal houden om zelf een goed leven te kunnen leiden. Romeinen hielden daar wel van, het bewees immers hoe slim ze waren en hoe goed ze voor hun meesters bezit konden zorgen. Zo ook in dit verhaal. Zelfs in onze tijd gaan bedrijven kapot aan onbetaalde uitstaande schulden. Als je dus de uitstaande schulden verminderd stijgt de waarde van het bezit. De hele financiële wereld zou in problemen kunnen komen als er teveel Nederlanders zijn die hun hypotheek niet kunnen betalen. Als die hypotheken nu eens zouden worden afgelost, als ze in elk geval zouden verdwijnen uit de boeken van de banken, dan wordt de boekhouding weer gezond. Dan worden de armen die de schulden niet meer konden betalen weer een beetje minder arm. De roep om de schulden van de armste landen kwijt te schelden is al heel oud en soms gaat ook daar iets van die schuld af omdat het wordt kwijtgescholden.

Zo worden de armen minder arm, het bezit meer waard en de slaaf blijft rentmeester. En dan die eeuwige tenten? Op het eind van de Bijbel staat dat God zijn tent op deze aarde zal spannen. Wat is er mooier dan in die tent te mogen wonen. De Statenvertaling verwees vroeger naar de Heilige Tent uit de Woestijn. Daar werd de richtlijn van eerlijk delen en je naaste liefhebben bewaard. Misschien niet zo’n rare gedachte bij dit verhaal. Als je zelf in nood bent denk ook dan aan anderen die het slecht hebben en probeer ze te helpen. De voedselbanken in Nederland zijn ook opgericht door mensen die de hulp zelf nodig hadden. Die tenten verwijzen ook naar het Loofhuttenfeest dat in het najaar wordt gevierd. In tenten van takken en bladeren is iedereen gelijk en merk je dat de een niet meer nodig heeft dan de ander. Van delen wordt je dan rijker want met hoe meer je bent hoe meer vreugde je beleefd. Dat delen mag ook voor ons elke dag opnieuw, ook vandaag weer.

Wat je werk opbrengt

Psalm 128

1 Een pelgrimslied. Gelukkig ieder die ontzag heeft voor de HEER en de weg gaat die Hij wijst: 2 je zult eten wat je werk opbrengt, geluk en voorspoed vallen je toe, 3 je vrouw als een vruchtbare wijnstok in het midden van je huis, je kinderen als jonge olijfbomen in een kring om je tafel. 4 Ja, zo wordt gezegend de man die ontzag heeft voor de HEER. 5 Ontvang de zegen van de HEER uit Sion. Je zult de voorspoed van Jeruzalem aanschouwen, alle dagen van je leven. 6 De kinderen van je kinderen zul je zien. Vrede over Israël! (NBV21)

Vandaag zingen we met de kerk een pelgrimslied mee. Een psalm die gezongen werd als mensen op pad gingen naar de Heilige Tent, later naar de Tempel, om daar de maaltijd te houden met de dienaren van de Heilige Tent, de armen, de vreemdelingen en met hun familie, zoals dat in het boek Deuteronomium was voorgeschreven. Je mag blij zijn met alles wat je toevalt en zeker als je mag eten van wat je werk opbrengt. Chronisch zieken en gehandicapten kunnen dat vaak niet meezingen, zeker niet als ze van jongs af aan arbeidsbeperkt zijn. Ook al zouden ze nog wat werk kunnen doen, werkgevers kijken wel uit om wrakken aan te nemen. Alle pleidooien van organisaties van gehandicapten om werkgevers te verplichten een zeker percentage van hun personeel uit gehandicapten te laten bestaan zijn eigenlijk altijd aan dovemans oren gericht. Zelfs in tijden van een zeer krappe arbeidsmarkt blijven er veel mensen langs de kant gezet worden.

De verplichting om een deel van het personeel uit arbeids beperkten te laten bestaan die in de wet is opgenomen is te gemakkelijk te ontduiken en een regering heeft zich over de handhaving van die regels nooit druk gemaakt. Die maakt liever goede sier met al het geld dat ze bespaard hebben door intensief in de uitkeringen te snijden. Want niet alleen zijn de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen fors omlaag geschroefd, daarnaast zijn er ook flinke zorgpremies ingevoerd en werd het  eigen risico in de zorg jaar na jaar verhoogd, zieken zijn te duur voor de rijken. Door dat eigen risico moet iedereen die medicijnen gebruikt of onder controle van een dokter staat elk jaar een fors bedrag extra voor de gezondheidszorg betalen. Nu de vraag naar goederen wegvalt en de winsten dreigen te dalen worden de uitkeringen weer verhoogd. De psalm gaat uit van het goede, gaat uit van de mensen die willen delen met een ander, die zorg hebben voor hun naaste, of zoals de psalm het zegt: die ontzag hebben voor de Heer.

Het is maar een kleine psalm die we vandaag zingen, maar die psalm is dan ook bedoeld voor kleine mensen. Mensen die bereid zijn de goddelijke richtlijnen uit de woestijn te volgen en daar te delen wat ze met hun eigen handen hadden verdient. Laten we meezingen. Want ook in onze dagen van zogenaamde crisissen, voor de jong gehandicapten, kan een volk pas echt overleven als het bereid is dat ontzag voor de Heer op te brengen. Wijsheid wordt dat op andere plaatsen in Bijbel genoemd. En dat ontzag voor de Heer blijkt altijd weer uit de zorg voor de armen, uit de bereidheid te zorgen voor zieken en gehandicapten, voor de weduwe en de wees en de vreemdeling, de mensen die langs de kant staan en hulp nodig hebben. In onze dagen overigens voor de minsten in de hele bewoonde wereld, tot aan de einden der aarde. Elke dag mogen we opnieuw beginnen op die manier deze psalm mee te zingen, door onze naaste lief te hebben als onszelf, ook vandaag weer.

Dan zal ik met u meegaan.

1 Koningen 19:9b-21

Toen richtte de HEER zich tot hem met de woorden: ‘Elia, wat doe je hier?’ 10 Elia antwoordde: ‘Ik heb me met volle overgave ingezet voor de HEER, de God van de hemelse machten, maar de Israëlieten hebben uw verbond met hen naast zich neergelegd, uw altaren verwoest en uw profeten gedood. Ik ben als enige overgebleven, en nu hebben ze het ook op mijn leven voorzien.’ 11 ‘Kom naar buiten,’ zei de HEER, ‘en treed hier op de berg voor Mij aan.’ En daar kwam de HEER voorbij. Er ging een grote, krachtige windvlaag voor de HEER uit, die de bergen spleet en de rotsen aan stukken sloeg, maar in die windvlaag bevond de HEER zich niet. Na de windvlaag kwam er een aardbeving, maar in die aardbeving bevond de HEER zich niet. 12 Na de aardbeving was er vuur, maar in dat vuur bevond de HEER zich niet. Na het vuur klonk het gefluister van een zachte bries. 13 Toen Elia dat hoorde, sloeg hij zijn mantel voor zijn gezicht. Hij kwam naar buiten en ging in de opening van de grot staan. Toen klonk een stem, die tegen hem zei: ‘Elia, wat doe je hier?’ 14 Elia antwoordde: ‘Ik heb me met volle overgave ingezet voor de HEER, de God van de hemelse machten, maar de Israëlieten hebben uw verbond met hen naast zich neergelegd, uw altaren verwoest en uw profeten gedood. Ik ben als enige overgebleven, en nu hebben ze het ook op mijn leven voorzien.’ 15 De HEER zei tegen Elia: ‘Keer terug en ga naar de woestijn van Damascus. Daar aangekomen moet je Hazaël tot koning van Aram zalven. 16 Jehu, de zoon van Nimsi, moet je zalven tot koning van Israël, en Elisa, de zoon van Safat, uit Abel-Mechola, moet je tot je eigen opvolger zalven. 17 Wie ontkomt aan het zwaard van Hazaël, zal gedood worden door Jehu. En wie ontkomt aan het zwaard van Jehu, zal gedood worden door Elisa. 18 Maar Ik zal in Israël zevenduizend mensen overlaten die niet voor Baäl hebben geknield en hem niet hebben gekust.’ 19 Elia ging weg van de Horeb. Toen hij Elisa, de zoon van Safat, aantrof was deze aan het ploegen. Ze waren aan het werk met twaalf span ossen; Elisa liep achter het twaalfde span. Elia liep op hem af en gooide zijn mantel over hem heen. 20 Meteen liet Elisa zijn ossen in de steek en rende achter Elia aan. ‘Laat mij afscheid nemen van mijn vader en moeder,’ zei hij, ‘dan zal ik met u meegaan.’ ‘Doe wat je wilt,’ zei Elia. ‘Ik dwing je nergens toe.’ 21 Elisa ging terug, slachtte zijn ossen, braadde het vlees op het hout van hun juk en bood het zijn knechten aan. Daarna ging hij met Elia mee als zijn dienaar. (NBV21)

Waar is God? Wanneer ontmoet je God? Is God in het lawaai van de massa, of in het vuur van een machtige toespraak of een intense praise song? Als je dit verhaal van Elia op je laat inwerken dan kom je tot de ontdekking dat God alleen in de zorg voor een goede samenleving te vinden is. Want pas in een zachte bries hoort Elia in het gefluister dat wat goed is voor Israël. Er moeten nieuwe koningen worden gezalfd, een voor de noordelijke buur en een voor de zuidelijke buur. Dat die noordelijke buur niet bij Israël hoort, dus geen aanbidder van de God van Israël is, doet niet ter zake. Ook door de politiek van vreemde heersers kan het plan van God met de wereld tot stand komen. De aanbidders van die vruchtbaarheidsgoden moeten de wereld uit. Al dat succesgedoe, al dat roepen om meer, om beter en om mooier moet tot zwijgen worden gebracht. Het gaat er om te delen van wat je hebt met de anderen.

Neem nu die Elisa, de opvolger van Elia. Dat is ook zo iemand. Hij wordt geroepen om met Elia mee te gaan en slacht zijn ossen, braadt ze op het hout van zijn ploeg en verdeeld het onder zijn knechten. Dan gaat hij niet mee als de rijke boer die de profeet zou kunnen sponsoren, maar als dienaar van de profeet. In dit verhaal zit God dus in de zorg voor de wereld, de zorg ook voor de minsten in de wereld. Want van dat streven naar winst en profijt, naar altijd maar meer en beter, worden de armsten het eerst het slachtoffer. Het zijn nu al de armsten in ons eigen land die de gevolgen ondervinden. De rijen voor de voedselbanken groeien, de aantallen daklozen nemen dag aan dag toe en mensen moeten kiezen tussen warm eten of warm zitten. En op de dag dat in Amerika gediscussieerd wordt of de echtgenote van een van de grootste oplichters in de geschiedenis 1 of 2 miljoen dollar mag houden sterven in datzelfde land opnieuw kinderen van de honger.

De regering mag dan wel een mooie begroting hebben gepresenteerd waarin het verlies aan koopkracht door de stijgende prijzen een klein beetje wordt goedgemaakt, het voorkomen van het maken van schulden is nog nauwelijks bestudeerd. De reclame voor meer consumeren blijft en of er dan schulden worden gemaakt is een eigen verantwoordelijkheid. Het zal er nog van komen dat kerken die nu actief zijn voor de voedselbanken en de schuldhulpmaatjes cursussen gaan organiseren over het verstandig en verantwoordelijk omgaan met je geld. En een overheid als dienaar, het ideaal beeld van een Elisa, is voor deze overheid zeker niet weggelegd. Geen woord in de troonrede over de slachtoffers van de toeslagenaffaire, geen woord over het aardbevingsbestendig maken van woningen in Noord Groningen. Er moeten nog veel ossen geslacht worden. Vandaag kunnen we er mee beginnen.

Sta op en eet wat

1 Koningen 19:1-9a

1 Achab vertelde Izebel alles wat Elia had gedaan, ook dat hij alle profeten ter dood had gebracht. 2 Toen liet Izebel Elia de volgende boodschap overbrengen: ‘De goden mogen met mij doen wat ze willen als u morgen om deze tijd niet hetzelfde lot ondergaat als zij.’ 3 Elia werd bang en vluchtte om zijn leven te redden. Bij Berseba in Juda aangekomen liet hij zijn knecht achter 4 en zelf trok hij één dagreis ver de woestijn in. Daar ging hij onder een bremstruik zitten, verlangend naar de dood, en zei: ‘Het is genoeg geweest, HEER. Neem mijn leven, want ik ben niet beter dan mijn voorouders.’ 5 Hij viel onder de bremstruik in slaap, maar er kwam een engel, die hem aanraakte en zei: ‘Sta op en eet wat.’ 6 Elia keek op en ontdekte naast zijn hoofd een brood, in gloeiende kooltjes gebakken, en een kruik water. Nadat hij had gegeten en gedronken ging hij weer onder de struik liggen. 7 Maar de engel van de HEER kwam terug, raakte hem opnieuw aan en zei: ‘Sta op en eet wat, anders is de reis te zwaar voor je.’ 8 Elia stond op, en toen hij had gegeten en gedronken liep hij, gesterkt door dit voedsel, veertig dagen en veertig nachten door de woestijn, tot hij bij de Horeb kwam, de berg van God. 9 Daar ging hij een grot binnen om er de nacht door te brengen. (NBV21)

Wat doe je als je iemand in de woestijn onder een stuik ziet liggen? Dan maak je wat te eten en te drinken klaar, En als iemand daarna weer gaat slapen dan doe je dat nog een keer want dan heeft iemand kennelijk last van uitputting. Dat is wat Elia overkomt als hij het niet meer ziet zitten. Hij heeft toch bewezen dat de God van Abraham, Izaäk en Jacob oneindig veel meer kan betekenen voor het volk dan de zogenaamde vruchtbaarheidsgoden van Kanaän. Maar in plaats van een erkenning voor die God wordt Elia met de dood bedreigt. Dat maakt hem moedeloos. En aan de geschiedenis hoef je ook je kracht niet te ontlenen want gelovigen zijn elkaar door de eeuwen heen te lijf gegaan en al eeuwen wordt er opgeroepen om met elkaar op de wereld te delen maar er gaan elke dag nog duizenden dood van de honger. Hoe kan Elia ontsnappen aan die wereld van dood en doodsdreiging.

In dit verhaal moet hij daarvoor uit dat land trekken zoals het volk Isaël ooit uit Egypte trok. Veertig dagen door de woestijn zoals zij ooit veertig jaar door de woestijn trokken. Dan kom je bij de berg waar God ooit dat gebod gaf van heb je naaste lief als jezelf. Elia kan dat pas als er iemand is die midden in de woestijn bereid is met hem te delen en hem zelfs te verzorgen en uit te rusten voor die reis. Iemand die zo zorgzaam is noemen we een engel, die brengt uitkomst, die laat zien hoe God het in onze wereld wil hebben. Wij noemen zo iemand voor de grap wel eens een engel, maar de Bijbel benoemd zulke mensen als engelen omdat wij ze zouden kunnen navolgen. Dat maakt immers ook voor ons zo’n reis mogelijk. Misschien een denkbeeldige reis uit een wereld van dood en eigenbelang. Een reis terug naar een samenleving waar de wet van heb uw naaste lief als uzelf geldt.

In die samenleving kom je de mensen tegen die in hun vrije tijd in de Fair Trade winkel staan, die buddy’s zijn van aidspatiënten, die op bezoek gaan bij gevangenen of brieven schrijven voor Amnesty International, die prostituees opvangen om hen weer het gevoel te geven dat ze mens zijn en geen voorwerp, die oud en weggeworpen gereedschap opknappen om te versturen naar landen waar geen gereedschap is en tal van andere warme menslievende mensen die hun capaciteiten en zichzelf inzetten oim hier op aarde al vast iets te laten zien van de toekomst wanneer de hemel op aarde gevestigd zal zijn. Al die mensen kunnen met hun liefde ons weer op weg en in beweging zetten. Zeker als we opnieuw teleurgesteld worden doordat groepen mensen tegen elkaar worden opgezet, als mensen hun zakken vullen als ze bedrijven failliet laten gaan en mensen werkloos worden, als we het onrecht zien dat in onze dagen in onze wereld gebeurt. Wij kunnen in beweging komen om de wereld de andere kant op te helpen, de kant van liefde, vrede en gerechtigheid, ook vandaag nog. Er is altijd een grot om in te schuilen.

 

Grijp de profeten

1 Koningen 18:30-46

30 Elia zei tegen de Israëlieten dat ze naar hem toe moesten komen. Toen ze bij hem waren komen staan, bouwde hij het verwoeste altaar van de HEER weer op. 31 Hij nam twaalf stenen, evenveel als het aantal stammen van Israël, de nakomelingen van de zonen van Jakob, tot wie de HEER had gezegd: ‘Israël is je nieuwe naam.’ 32 Met die twaalf stenen maakte hij een altaar ter ere van de HEER, en daaromheen liet hij een geul graven met een lengte van driehonderd el. 33 Hij stapelde het brandhout op, sneed de stier in stukken en legde die op de brandstapel. 34 Toen zei hij: ‘Vul vier kruiken met water en giet die over het offer en het brandhout uit.’ Toen dat gebeurd was, liet hij het nog een tweede en een derde keer doen. 35 Het water liep over het altaar heen en de geul eromheen kwam vol water te staan. 36 Toen het uur voor het graanoffer was aangebroken, trad de profeet Elia op het altaar toe en zei: ‘HEER, God van Abraham, Isaak en Israël, vandaag zal blijken dat U in Israël God bent, en dat ik U dien en dit alles in uw opdracht gedaan heb. 37 Geef mij antwoord, HEER, geef antwoord. Dan zal dit volk beseffen dat U, HEER, God bent en dat U het bent die hen tot inkeer brengt.’ 38 Het vuur van de HEER sloeg in en verteerde het brandoffer met brandhout, stenen, as en al; zelfs het water in de geul likte het op. 39 Alle Israëlieten zagen het, en allen wierpen zich voorover op de grond en riepen: ‘De HEER is God, de HEER is God!’ 40 Toen zei Elia tegen hen: ‘Grijp de profeten van Baäl; laat niet één van hen ontkomen!’ De profeten werden gevangengenomen, en Elia liet hen afdalen naar het dal van de Kison, waar hij hen ter dood liet brengen. 41 Tegen Achab zei Elia: ‘Ga nu wat eten en drinken, ik hoor het geruis van de stortregen al.’ 42 Achab ging iets eten en drinken en Elia ging naar de top van de Karmel. Daar ging hij gehurkt op de grond zitten, met zijn gezicht tussen zijn knieën. 43 Zijn knecht droeg hij op: ‘Ga jij eens kijken, de kant van de zee uit.’ De knecht ging kijken, maar toen hij terugkwam zei hij: ‘Er is niets te zien.’ Zeven keer stuurde Elia hem terug, 44 en toen de knecht voor de zevende keer was gaan kijken zei hij: ‘Er komt een klein wolkje uit zee opzetten, niet groter dan een handpalm.’ Daarop zei Elia: ‘Ga snel naar Achab en zeg hem dat hij zijn wagen moet inspannen en vertrekken, anders zal de regen hem de weg afsnijden.’ 45 In minder dan geen tijd werd de hemel verduisterd door wolken, stak de wind op en barstte er een enorme regenbui los. Achab reed in de richting van Jizreël. 46 Elia werd door de hand van de HEER gegrepen. Hij schortte zijn bovenkleed op en rende voor Achab uit, helemaal tot Jizreël. (NBV21)

Heerlijk als een verhaal vol symboliek zit. Stortregens vallen er op het einde die dreigen de koning weg te spoelen. Alsof de zondvloed van Noach weer gekomen is. Maar water speelt van begin af in dit verhaal een belangrijke rol. Zelfs in tijd van droogte zit Elia kennelijk niet zonder water. Hij giet zoveel water over het altaar heen dat zelfs de omringende goot vol water komt te staan. Van 12 stenen had hij immers dat altaar gebouwd, de 12 stenen die ook Israël hadden gevormd, van de eerste steen waarop Jacob had gedroomd af. Wij kennen alleen de Tabernakel die met het volk Israël meegevoerd werd door de woestijn en de Tempel die door Salomo in Jeruzalem werd gebouwd. Maar in de dagen van Elia waren er meer heiligdommen voor de God van Israël. één ervan was op de berg Karmel geweest maar dat heiligdom was vernietigd. Elia begint dan ook met dat heiligdom weer op te bouwen.

En als je dat weet komt ook die bliksemschicht niet meer als een verrassing. In het boek Leviticus wordt uitgebreid de wijding van de Tabernakel, de heilige Tent, beschreven. En ook daar was er een vuurflits komende uit het heiligdom die het brandoffer van een jonge stier aanstak en verteerde. Elia wordt hier dus als een Mozes voorgesteld, hij immers bevrijdde het volk Israël van de aanbidding van afgoden als Baäl en Asjera. En daarmee wordt dat wonderlijke volksverhaal over zelfontbranding of blikseminslag bij heldere hemel ineens een verhaal over de uittocht uit het land van de dood. Want de aanbidding van die afgoden loopt uit op de dood. Niet dat de vruchtbaarheid direct komt. Zeven keer moet de knecht van Elia gaan kijken of er al een wolk aankomt. Het is alsof de aarde eerst opnieuw geschapen moet worden voordat de mensen er weer van kunnen leven.

Maar komen doet het dat nieuwe leven en als je er niet door overspoeld wil worden dan moet je hard rennen. Zie je het voor je? De profeet met zijn jurk opgetrokken, vastgehouden met twee handen tot op zijn middel, en dan hart rennen voor de wagen met paarden van de Koning uit? Het zou een prachtig slot zijn voor de film over Elia en de priesters van Baäl en Asjera. Die priesters vinden de dood aan de voet van berg. Verder als dit zullen ze niet komen. Het klinkt wreed, moet dat nu helemaal dat bloedvergieten? Maar vergeet niet dat die priesters zichzelf met lansen staken en met messen opensneden. Een dergelijke godsdienst leidt tot de dood. Ook in onze dagen. Hoeveel slachtoffers zijn er al niet gevallen van plastische chirurgie die werd uitgevoerd alleen om een zogenaamd schoonheidsideaal te volgen. Het verhaal van Elia leert ons dat het volgen van dat soort idealen en bijbehorende afgoden leidt tot de dood. Het leven kiezen is delen, en het vereren van de God van heb-je-naaste-lief als jezelf. Ook vandaag de dag.

Begint u maar

1 Koningen 18:16-29

16 Obadja zocht Achab op en vertelde hem dat Elia eraan kwam. Achab ging Elia tegemoet, 17 en zodra hij hem in het oog kreeg riep hij uit: ‘Bent u daar eindelijk, u die Israël in het ongeluk stort?’ 18 Elia antwoordde: ‘Niet ik stort Israël in het ongeluk, dat doet u zelf, u en het koningshuis van uw vader, omdat u de geboden van de HEER naast u hebt neergelegd en de Baäls bent gaan vereren. 19 Welnu, laat heel Israël naar mij toe komen, op de Karmel. Laat alle vierhonderdvijftig profeten van Baäl bij me komen, en ook alle vierhonderd profeten van Asjera, die door Izebel aan het hof zijn opgenomen.’ 20 Achab stuurde boden naar alle stammen van Israël en liet ook alle profeten op de Karmel bijeenkomen. 21 Daar sprak Elia het volk als volgt toe: ‘Hoe lang blijft u nog op twee gedachten hinken? Als de HEER God is, volg Hem dan; is Baäl het, volg dan hem.’ De Israëlieten gaven geen antwoord. 22 Toen zei Elia: ‘Ik ben de enige profeet van de HEER die nog over is. De profeten van Baäl zijn met vierhonderdvijftig man. 23 Breng ons twee stieren. Zij mogen als eersten een stier uitkiezen. Laten ze die in stukken snijden en op een brandstapel leggen, maar ze mogen het hout niet aansteken. Ik zal de andere stier gereedmaken en op een brandstapel leggen, maar ik zal het hout niet aansteken. 24 U moet de naam van uw god aanroepen, en ik zal de naam van de HEER aanroepen. De god die antwoordt met vuur, is de ware God.’ Heel het volk stemde met dit voorstel in. 25 ‘Begint u maar, u bent met velen,’ zei Elia tegen de profeten van Baäl. ‘Kies maar een dier en maak het gereed voor het offer. Roep dan de naam van uw god aan, maar steek het hout niet in brand.’ 26 De profeten namen een van de twee beschikbare stieren en maakten die voor het offer gereed. De hele morgen lang riepen ze Baäl aan: ‘Baäl, geef ons antwoord!’ Maar het bleef stil en niemand gaf antwoord, hoe ze ook dansten en sprongen rond het altaar dat daar was opgericht. 27 Toen het middaguur aanbrak, begon Elia hen te honen: ‘Roep zo hard u kunt! Hij is toch een god? Hij is zeker in gepeins verzonken. Ik denk dat hij zich even moest afzonderen. Is hij soms op reis gegaan? Misschien slaapt hij, en moet u hem wekken!’ 28 De profeten riepen uit alle macht en brachten zichzelf, zoals hun gewoonte was, met zwaarden en lansen verwondingen toe tot het bloed over hun lijf stroomde. 29 In vervoering bleven ze schreeuwen, maar ook toen het middaguur allang voorbij was en het uur voor het graanoffer aanbrak, was er nog steeds geen enkele reactie gekomen: het bleef stil, niemand gaf antwoord.

Eigenlijk is het toch merkwaardig dat dit verhaal niet is verfilmd. We kennen verfilmingen van het Oude Testament genoeg. “Green Pastures”, met de schepping en het verhaal van Noach, Noah over Noach zelf, “Ten Commandments” over de uittocht uit Egypte en “Samson en Delila” over de Richter Simson, over Saul en David en nog veel meer. Maar dit verhaal over Elia op de Karmel is nooit verfilmd. En dat verhaal wordt toch zeer beeldend verteld. Zeven jaar is er droogte in het land geweest. Alle grond is dor en onvruchtbaar geworden. In de dagen van Elia hadden de volken van Kanaän daar vruchtbaarheidsgoden voor. Baäl en Asjera, een echtpaar. Op een paar plaatsen in de Bijbel wordt die Asjera overigens ook de vrouw van de God van Israel genoemd. Maar hier hoort ze bij de vruchtbaarheidscultus van Kanaän. Op de hoogste berg van Israël, de berg Karmel moest er aan die vruchtbaarheidsgoden geofferd worden.

Uit het hele land werden de priesters van Baäl en Asjera opgetrommeld. En daar begonnen de rites. De stieren werden klaargemaakt, waarschijnlijk met bloemenkransen versierd en dan met één haal van het rituele offermes gedood, in stukken gesneden en op het altaar gelegd. En dan moet er een wonder gebeuren, de god moet zijn eigen offer aan weten te steken. Vierhonderdvijftig priesters dansen in het rond, alleen dat al zou een prachtige filmscene opleveren, maar als dat niet helpt wordt het nog veel mooier, dan snijden ze elkaar en zichzelf met messen en lansen. Het bloed loopt alle kanten op. Dat is overigens minder vreemd dan het ons vandaag de dag lijkt. Zelfverminking was heel gewoon in dit soort vruchtbaarheidsrites en er zijn op de wereld nog veel streken waar gelovigen zichzelf of elkaar tot bloedens toe slaan of snijden als teken van aanbidding van hun God. Dat helpt dus niet. Al dat worship gezang, al die geheven handen, al die trance brengen geen genezing. De god van de vruchtbaarheid, de god van het succes, de god van de genezing op gebed zwijgt. Van de morgen tot de avond doen de priesters hun best.

Het is een opwekkingsbijeenkomst in de beste tradities. Maar die helpen dus niet. Een film hierover zou een groot succes worden denk ik. Net als die over Mozes die de Schelfzee splijt. Bij de studio’s in Hollywood kun je er nu met een studiotrein doorheen rijden. We houden met z’n allen van dit soort wonderen, eigenlijk kunnen we er geen genoeg van krijgen. Wonderdoeners, gebedsgenezers, instralers, geestenfluisteraars en andere moderne goochelaars verdienen er dikke boterhammen mee. Televisieprogramma’s er over trekken veel kijkers. Maar dat je kan overleven zoals die weduwe deed waar Elia vandaan kwam, door je laatste kruik meel met een ander te willen delen komt bij niemand op. Dat levert geen mooie filmscene’s op, dat levert alleen leven op. En met dat delen moeten we het ook vandaag weer doen, omdat we nu eenmaal van onze naaste willen houden als van onszelf, daar hoeft geen show en praise aan te pas te komen.