Voor jullie een teken

Ezechiël 12:8-20

8 De volgende morgen richtte de HEER zich tot mij: 9 ‘Mensenkind, hebben die opstandige Israëlieten je niet gevraagd wat je aan het doen was? 10 Zeg tegen hen: “Dit zegt God, de HEER: Over de vorst in Jeruzalem gaat deze profetie en over alle Israëlieten die er wonen.” 11 Zeg hun: “Wat ik deed is voor jullie een teken: wat ik gedaan heb, zal ook met hen gebeuren. Dit zegt God, de HEER: Zij zullen als gevangenen in ballingschap gaan.12 Hun vorst zal ook een last op zijn schouders laden en naar buiten gaan als het helemaal donker is. Ze zullen een gat in de stadsmuur maken om hem door te laten, en hij zal zijn gezicht bedekken, want hij zal zijn land niet meer terugzien. 13 Ik zal mijn net over hem uitspreiden en hem daarin vangen, en dan breng Ik hem naar Babel in het land van de Chaldeeën. Daar zal hij sterven zonder dat land te kunnen zien. 14 Zijn getrouwen, zijn lijfwacht en al zijn troepen zal Ik in alle windrichtingen verstrooien en met getrokken zwaard achtervolgen. 15 Wanneer Ik hen verstrooi onder vreemde volken en verspreid over verre landen, zullen ze beseffen dat Ik de HEER ben. 16 Enkelen zal Ik sparen. Zij zullen aan het zwaard, de honger en de pest ontkomen, want ze moeten de volken waar ze terechtkomen vertellen over al hun gruwelijke daden. Dan zullen ze beseffen dat Ik de HEER ben.”’ 17 De HEER richtte zich tot mij: 18 ‘Mensenkind, als je brood eet moet je beven, als je water drinkt moet je sidderen van angst. 19 Zeg dan tegen je volksgenoten: “Dit zegt God, de HEER, over de inwoners van Jeruzalem die in Israël zijn achtergebleven: Ook zij zullen vol angst hun brood eten en in wanhoop hun water drinken, want om de gewelddaden van zijn bewoners wordt het land van zijn rijkdommen beroofd. 20 De steden waar nu nog mensen wonen, zullen veranderen in ruïnes en het land wordt een woestenij. Dan zullen jullie beseffen dat Ik de HEER ben.”’ (NBV21)

Het is bijna niet te geloven. Tijden lang klinken de waarschuwingen dat het verkeerd zal gaan maar niemand die er acht op slaat zo lang het maar goed gaat. Voor de God van Israël is het of dat volk voortdurend in opstand is tegen de richting die ze waren overeengekomen in het Verbond. Die “opstandige Israëlieten” laten zich dan ook vertalen als “Huize Opstand” Dat verzet regeert. Jeruzalem wordt belegerd. De Koning heeft een verdrag gesloten met Babel, hij betaald een behoorlijke schatting, maar wat doet die verdragsbreker, hij laat een gat in de muur slaan en samen met zijn medewerkers probeert hij de kostbaarheden van het paleis er uit te smokkelen en in veiligheid brengen. Lukken doet dat niet. Ezechiël laat het nog eens zien. Op deze manier komt iedereen in ballingschap. Wordt de rest achtervolg en zal iedereen aan geweld ten onder gaan.

Internationaal recht is dus wel heel belangrijk voor iedereen op de wereld. Dat recht ligt vast in verdragen en uitspraken van rechtbanken die internationaal erkend zijn. Het is de uiterste bescherming voor mensen die zelf niets in te brengen hebben in hoe volken met elkaar om gaan. Verdragsbreuk en hebzucht zijn de grootste bedreigingen voor de veiligheid in de wereld. Merkwaardig dus ook dat ook onze bestuurders dat niet willen inzien en willen regeren met voordelen voor de rijksten en de wapenindustrie. Het zal de ondergang van onze beschaving betekenen laat Ezechiël ons zien. Want zelfs de achterblijvers, de mensen die niet anders kunnen dan gewoon doorgaan met hun werk en pogingen om te overleven, zullen uiteindelijk te onder gaan.

Ezechiël laat aan de oudste van Israël, de vertegenwoordigers van de ballingen zien waar de woestenij van hun land vandaan is gekomen. God had hen een land beloofd overvloeiende van melk en honing, maar ze hadden het verspeeld. Ze waren gaan doen wat de volken om hen heen deden. Zoals wij mee gaan doen aan de wapeenwedloop. Een wedloop die bijvoorbaat verloren is. Wij kochten onlangs drones die bij levering onbruikbaar bleken omdat ze al verouderd waren. Je hoort er maar weinig over omdat onze bestuurders niet willen zien dat je met wapens geen vrede brengt. Vrede komt van de Liefde zoals God die ons geschonken heeft. Zelfs de dood van zijn Zoon als volstrekt onschuldige heeft de Liefde van God niet uit de wereld weten te krijgen. Steeds weer staan mensen op om zich druk te maken over het recht van de armen, om ook de minsten recht te doen en mee te laten doen. Ook vandaag weer.

 

Zorg dat ze zien

Ezechiël 12:1-7

1 De HEER richtte zich tot mij: 2 ‘Mensenkind, je woont te midden van een opstandig volk. Het heeft ogen om te kijken maar het ziet niets, en oren om te horen maar het luistert niet, opstandig als het is. 3 Pak daarom bij elkaar wat je nodig hebt om in ballingschap te gaan, mensenkind, en vertrek bij daglicht, zodat iedereen het kan zien; ze moeten zien dat je vanuit je woonplaats in ballingschap gaat, ergens anders heen. Misschien dat ze dan, hoe opstandig ze ook zijn, hun ogen gaan gebruiken. 4 Breng alles wat je als balling nodig hebt overdag naar buiten, en ga zelf ’s avonds naar buiten alsof je in ballingschap gaat. Zorg ervoor dat ze kunnen zien wat je doet. 5 Zorg dat ze zien hoe je een gat in de muur van je huis maakt om je bezittingen naar buiten te brengen. 6 Zorg dat ze zien hoe je alles op je schouders laadt en wegdraagt als het helemaal donker is. Je moet je gezicht bedekken, zodat je het land om je heen niet meer kunt zien. Wat je doet zal een teken zijn voor het volk van Israël.’ 7 Ik deed wat mij was opgedragen. Overdag bracht ik alles naar buiten wat ik nodig had om in ballingschap te gaan en ’s avonds maakte ik met mijn handen een gat in de muur. Toen het helemaal donker was, laadde ik alles op mijn schouders en droeg het weg terwijl het volk toekeek. (NBV21)

Sinds de jaren 60 van de vorige eeuw kennen we zogenaamde ludieke acties. Mensen die samen een toneelstukje opvoeren, op straten of pleinen, om daarmee de aandacht te vestigen op misstanden in de samenleving. We denken nog wel eens dat het toen is uitgevonden. Maar ver voor het begin van onze jaartelling was er al de profeet Ezechiël die toneelstukjes opvoerde omdat zijn volk weigerde om de ellende van mensen onder ogen te zien en te luisteren naar de klaagzangen van de onderdrukten. Hardhorend en ziende blind waren ze. Zelfs hun ballingschap namen ze als een vanzelfsprekende zaak, de vervreemding van hun God namen ze op de koop toe. Ezechiël wordt geroepen om daar iets tegen te doen. Spreken en schrijven helpt niet, daarom een toneelstukje.

Je bezittingen moet je dragen, moet je naar buiten dragen. In je huis zit een gat in de muur. Alle bescherming tegen vijanden is weggevallen. Je moet in het duister vertrekken, dan weet je tenminste niet waar je bent en waar je heengaat. Dat is de ballingschap. Wij raken gewend aan dat soort beelden. Elke dag zwerven overal op de wereld mensenmenigten over wegen en paden met hun bezittingen op hun rug of op gammele wagens, hongerend en zoekend naar een plek waar het veilig zal zijn en waar weer voedsel en drinken is. We noemen ze vluchtelingen, ontheemden, en zorgen dat er in ons land geen plaats voor hen is. Af en toe bereiken die beelden ons, vooral als er teveel mensen tegelijk op de vlucht geslagen zijn. Dan organiseren we een aktie om medelijden te tonen. Maar elke aktie opnieuw blijkt dat we gewend raken aan de beelden van vluchtelingen die in ballingschap gaan.

De 40 dagen voor Goede Vrijdag zijn er in de kerk bijvoorbeeld om ons te bezinnen op het lijden van de mensen. Op het slechte dat ons overkomt maar dat ons niet hoeft te overkomen. We leven in een economische crisis, een crisis waarin de rijken rijker worden en de armen de gevolgen van de crisis moeten dragen. De wapenhandel in de wereld neemt toe, angst maakt zelfs herbewapening nodig zegt men. Dat betekent dat we er ook in de toekomst verzekerd van kunnen zijn dat er vluchtelingen zullen zijn. Natuurlijk kunnen we helpen, de Stichting Vluchteling is het kanaal bij uitstek om vluchtelingen te helpen. Maar voorkomen kunnen we ook, te beginnen met het bestrijden van de wapenhandel. Niet verkopen van de overbodig geworden wapens en tanks van onze krijgsmacht, niet steeds maar nieuwe wapens kopen die verouderd zijn als ze in gebruik worden genimen, maar wapens omsmeden tot landbouwmachines, ploegscharen en zo. We kunnen dat als we oog krijgen voor de ballingen en het geroep om gerechtigheid horen van de slachtoffers. Vandaag kunnen we er alvast mee beginnen.

 

Een nieuwe geest

Ezechiël 11:14-25

14 Daarna richtte de HEER zich weer tot mij: 15 ‘Mensenkind, het zijn je broeders, je eigen broeders, je verwanten en alle andere Israëlieten tegen wie de inwoners van Jeruzalem zeggen: “Blijf waar je bent, ver verwijderd van de HEER, want aan ons is het land in eigendom gegeven!” 16 Zeg daarom: “Dit zegt God, de HEER: Al heb Ik hen weggevoerd naar verre volken en hen over vele landen verstrooid, Ikzelf was daar voor hen een heiligdom, hoe pover ook.” 17 Zeg daarom: “Dit zegt God, de HEER: Ik zal jullie weghalen bij die volken, Ik zal jullie bijeenbrengen uit de landen waarover jullie verstrooid zijn en jullie het land van Israël geven. 18 Dan zullen zij daarheen gaan en alle afschuwelijke afgoden uit het land verwijderen. 19 Dan zal Ik hun een ander hart geven en een nieuwe geest; Ik zal hun versteende hart uit hun lichaam halen en hun er een levend hart voor in de plaats geven. 20 Dan zullen ze zich houden aan mijn bepalingen en mijn regels naleven. Zij zullen mijn volk zijn en Ik zal hun God zijn. 21 Maar wie met heel zijn hart aan deze gruwelijkheden vasthoudt, zal Ik laten boeten voor zijn wangedrag-zo spreekt God, de HEER.”’ 22 De cherubs spreidden hun vleugels uit, de wielen stonden naast hen en de stralende verschijning van de God van Israël bevond zich boven hen. 23 De verschijning van de HEER steeg op vanuit de stad, en verplaatste zich naar de berg aan de oostkant. 24 In het visioen dat God mij had gegeven, tilde de geest mij weer op en werd ik naar de ballingen in het land van de Chaldeeën gebracht. Daar verliet het visioen mij, 25 en ik vertelde de ballingen alles wat de HEER mij had laten zien. (NBV21)

De gruwelen die Ezechiël gezien heeft en waarover we de afgelopen tijd hebben gelezen kunnen alleen gevoelens van spijt en afkeer oproepen. De goddeloosheid van de bewoners van Jeruzalem, van de regeerders en de rijken maken het zeer begrijpelijk dat de God van Israël zijn handen van zijn volk had afgetrokken. Maar hoe moet het nu verder? Moeten ze zich maar bij de ballingschap neerleggen en opgaan in het land van de Chaldeeën? Uit Jeruzalem krijgen ze berichten dat ze daar niet meer welkom zijn, de achtergebleven bewoners van de stad redden zichzelf wel en zitten niet te wachten op brave ballingen die weer terug willen naar de oude tijden met een Tempel zonder godenbeeld en een godsdienst van delen met elkaar en vooral met de minsten in de samenleving. Daar zit je dan treurend aan de rivieren van Babel, Psalm 137 zingt ons daarover toe. Zo kwamen de oudsten van Juda, de oudsten van de ballingen naar Ezechiël om te vragen hoe het verder moest. Ezechiël weet dat dus niet gewoon omdat het een intelligente vent is, maar hij luistert naar het woord van God. En Ezechiël is de profeet van het zien.

Hij ziet nog eens hoe het allemaal verkeerd is gegaan, waar de fouten zijn gemaakt die geleid hebben tot de ballingschap en de berichten die ook in zijn dagen naar de ballingen werden gestuurd. Maar het zien van de fouten brengt hem ook op het zien van wat een goede afloop zou kunnen zijn. Die God immers laat nooit varen het werk dat zijn hand is begonnen. Ooit was Abram uit het Ur der Chaldeeën vertrokken om het met die God te wagen en ook in de ballingschap gedragen ze zich als kinderen van Abram. Ze mogen daarom rekenen op terugkeer naar Jeruzalem. Ze mogen zich houden aan de leer van Mozes en de richtlijnen voor de menselijke samenleving die ooit in het midden van de woestijn aan het volk waren gegeven. Hun handelen zal weer in de Geest van God mogen zijn. Ze zullen weer het volk van de God van Israël mogen zijn en de volken laten zien wat er gebeurt als je het met die God waagt en ophoudt de zelfgemaakte idolen achterna te lopen. Dan worden de hongerigen gevoed en de minsten recht gedaan.

Dan wordt de aarde weer zo gebruikt dat God ziet dat het goed is, de aarde is voor de eeuwigheid en niet voor één mensenleven. Ook wij moeten soms terug naar het verleden om voor het heden te leren. Het was nog niet zo heel lang geleden dat roken werd aangeprezen vanwege het gezond makende karakter. Niemand zal nu nog pleiten voor het vrijgeven van roken. Zo weten we dat gasvelden leeg raken, Groningers kunnen ons er alles over vertellen, ook de aardolie raakt dus eens op. Alleen de zon zal blijven schijnen overdag en in de nacht de maan. De wind zal blijven waaien en de regen blijven vallen. We zullen onze samenleving dus zo moeten inrichten dat we generaties lang dankbaar mogen blijven van dat wat God ons gegeven heeft en niet verwoesten en verkwisten wat ook in de toekomst op aarde nodig zal zijn. Dan mogen we ons weer richten naar Jeruzalem en de richtlijnen voor de menselijke samenleving die God ook ons heeft gegeven, want ook wij mochten zijn Geest ontvangen.

 

Ik zal je straffen.

Ezechiël 11:1-13

1 De geest tilde me weer op en bracht me naar de oostelijke poort van de tempel van de HEER. Daar zag ik vijfentwintig mannen staan, met in hun midden Jaäzanja, de zoon van Azzur, en Pelatja, de zoon van Benaja, twee leiders van het volk. 2 De HEER zei tegen mij: ‘Mensenkind, dit zijn de mannen die in deze stad onheil willen stichten en slechte raad geven. 3 Ze zeggen: “Hier hoeven voorlopig geen huizen te worden gebouwd! In deze stad horen wij thuis als vlees in een pot.” 4 Daarom moet je tegen hen
profeteren, mensenkind.’ 5 Opnieuw werd ik overweldigd door de geest van de HEER, die mij opdroeg te zeggen: ‘Dit zegt de HEER: Israëlieten, Ik hoor wat jullie zeggen, Ik weet wat er in jullie hoofd opkomt. 6 Jullie hebben de dood van velen in deze stad veroorzaakt en de straten met lijken gevuld. 7 Daarom-dit zegt God, de HEER: De mensen die jullie hebben gedood, die zijn het vlees in de pot, maar jullie zal Ik uit de stad verdrijven. 8 Jullie vrezen het zwaard? Met het zwaard zal Ik jullie treffen-spreekt God, de HEER. 9 Ik zal jullie uit de stad verdrijven, Ik zal vreemdelingen over je laten heersen, Ik zal je straffen. 10 Door het zwaard zullen jullie omkomen, waar je ook bent in Israël zal Ik je straffen. Dan zullen jullie beseffen dat Ik de HEER ben. 11 De stad zal jullie pot niet zijn, en jullie zullen het vlees niet zijn: tot aan de grenzen van Israël zal Ik je straffen. 12 Jullie zullen weten dat Ik de HEER ben. Jullie hebben je niet aan mijn bepalingen gehouden en mijn regels niet nageleefd, maar geleefd naar de regels van de volken om je heen.’ 13 Terwijl ik nog aan het profeteren was stierf Pelatja, de zoon van Benaja. Ik wierp me voorover en schreeuwde: ‘Ach HEER, mijn God, gaat U nu ook de rest van het volk nog vernietigen?’ (NBV21)

De hoge heren van het dorp. Wij hebben geleerd tegen ze op te kijken en hoe meer we tegen ze op kijken hoe meer succes ze hebben. Elke dag weer vertellen de media ons tegen wie het meest wordt opgekeken, tegen de een omdat die zogenaamd zegt waarop het staat, tegen de ander omdat die zo integer is, tegen een derde omdat die zoveel ervaring heeft. Ezechiël heeft dat ook. Toen de oudsten van Juda hem in zijn ballingschap kwamen opzoeken kreeg hij visioenen. Over een van die visioenen lezen we vandaag. Niet zomaar een visioen, nee het gaat over belangrijke mensen, de hoge heren van Jeruzalem. Onder aanvoering van de twee leiders van het volk. Soms vraag je je bij dit soort leiders af of het woord leider met een ei of een ij geschreven moet worden. Van de leiders in dit Bijbelgedeelte wordt verteld dat er geen huizen hoeven worden gebouwd in de stad. Een stad in oorlog waar tallozen jammeren over de ellende die ze meemaken.

In de stad horen die leiders thuis als vlees in een pot, dat vinden ze tenminste zelf. Ze sudderen en genieten van de warmte en de heerlijke geuren die rond hen opstijgen. Waarom zou je anderen dat ook gunnen? Dan moet je maar belasting betalen voor mensen die er toch misbruik van maken, dan zit je met lawaai, verkeersopstoppingen en verdelingsproblemen. Nee hun eigen geluk is hun genoeg, als zij het maar goed hebben. De God van Israël maakt andere keuzes. Voor die God zijn het de mensen die jammeren om het onrecht en de ellende die het goede zijn dat de stad bevat. Die leiders hebben de straten gevuld met lijken. De mensen die zich daarom druk maken en de slachtoffers mogen in de stad blijven, die zelfvoldane leiders moeten er uit. Het was dan ook de elite van Jeruzalem die als eerste in ballingschap werd weggevoerd. De oudsten van Juda worden er nog eens aan herinnerd.

Het blijft gaan om de geboden van de God van Israël zoals die in de leer van Mozes zijn opgenomen. Heb God lief boven alles en je naaste als jezelf. Als je die geboden houdt dan wordt je een dienaar, een dienaar van iedereen die onrecht wordt aangedaan, dan ben jij er voor om mensen tot hun recht te laten komen en onophoudelijk het onrecht aan de kaak te stellen. Maar de leiders uit het gedeelte dat we vandaag lezen doen als de volken om Israël heen. Zij moeten het goed hebben, zij mogen gezien worden. Zij vertegenwoordigen het volk, eigenlijk zijn ze zelf goden die door het volk aanbeden moeten worden. Zulke leiders hebben wij ook wel. Hoe mooier hun show er uit ziet hoe beter. Wat de gevolgen zijn voor de slachtoffers van oorlog en geweld doet niet ter zake. Voor de God van Israël kunnen zulke leiders doodvallen. Ezechiël neemt dat eigenlijk niet letterlijk, dat moeten wij ook maar niet doen. Als er iemand van die leiders sterft schreeuwt Ezechiël het uit. Wie er ook sterft, wij mogen er verdriet om hebben, hoe slecht ze ook zijn.

Steek me dood

1 Samuël 31:1-13

1 Ondertussen leverden de Filistijnen slag met de Israëlieten. Het leger van Israël sloeg op de vlucht en velen sneuvelden in het Gilboagebergte. 2 De Filistijnen drongen tot bij Saul en zijn zonen door en doodden zijn drie zonen Jonatan, Abinadab en Malkisua. 3 Toen richtte de strijd zich in alle hevigheid tegen Saul zelf. De Filistijnse boogschutters hadden hem al onder schot, en Saul werd zo bang 4 dat hij zijn wapendrager beval: ‘Trek je zwaard en steek me dood, want ik wil niet dat die onbesnedenen me doorboren en zich op me gaan uitleven.’ Maar de wapendrager schrok ervoor terug en weigerde. Toen nam Saul zelf zijn zwaard en stortte zich erin. 5 Toen de wapendrager zag dat Saul dood was, stortte ook hij zich in zijn zwaard en samen met hem vond hij de dood. 6 Zo sneuvelden Saul, zijn drie zonen, zijn wapendrager en al zijn manschappen op een en dezelfde dag. 7 Toen het tot de Israëlieten aan de overkant van de Jordaan en aan de overkant van de vallei van Jizreël doordrong dat het leger van Israël was gevlucht en dat Saul en zijn zonen gesneuveld waren, verlieten zij hun steden en vluchtten weg. De Filistijnen trokken hun steden binnen en namen ze in bezit. 8 De volgende dag kwamen de Filistijnen op het slagveld terug om de gesneuvelden te plunderen. Daar, op de Gilboa, vonden ze de lijken van Saul en zijn drie zonen. 9 Ze sloegen Sauls hoofd af en ontdeden hem van zijn wapenrusting, en lieten in hun hele land boden rondgaan om het nieuws van de overwinning in de tempels van hun goden en aan het hele volk bekend te maken. 10 Sauls wapenrusting kreeg een plaats in de tempel van Astarte en zijn lichaam werd aan de stadsmuur van Bet-San genageld. 11 Toen de inwoners van Jabes in Gilead hoorden wat er was gebeurd, en wat de Filistijnen met Saul hadden gedaan, 12 besloten ze om de lijken van de stadsmuur van Bet-San weg te halen. Alle weerbare mannen gingen mee. Ze liepen de hele nacht, namen de lichamen van Saul en zijn zonen mee naar Jabes en verbrandden ze daar. 13 Hun gebeente begroeven ze aan de voet van de tamarisk in Jabes, en daarna vastten ze zeven dagen. (NBV21)

Terwijl David achter de Amalekieten aanzat die zijn vrouwen en kinderen en de vrouwen en kinderen van zijn soldaten hadden geroofd ontbrandde in Israël de strijd tussen de legers van de Filistijnen en van Israël. De Filistijnen waren door Sauls keuze van het slagveld diep in Israël binnengedrongen. Geen wonder dat het leger van Israël de schrik om het hart sloeg toen het geweldige leger van de Filistijnen, met haar afdelingen van honderd en haar afdelingen van duizend, eenmaal tot de aanval was overgegaan. Het eerste aanvalsdoel van de Filistijnen was het kamp van koning Saul zelf. Een militaire strategie die ook nu nog wel wordt gehanteerd, schakel de bevelhebber uit, zorg dat de legerleider geen leiding meer kan geven, en de oorlog is al bijna gewonnen. Eerst werden de drie zonen van Saul gedood. Jonatan, de speciale vriend en bondgenoot van David, en de broers van Jonatan Abinadab en Malkisua. Dan volgt een strijd tegen Koning Saul zelf. Hij werd omringt door Filistijnse boogschutters. Tegen een regen van goedgerichte pijlen is zelfs een wapenrusting van brons of ijzer niet bestand.

Saul heeft dus alle reden om bang te worden. Hem was immers door de waarzegster in Endor aangezegd dat hij en zijn familie de dood zouden vinden in de strijd die op handen was. Nu waren zijn zonen al gestorven en ook hij zou voorzeker de dood vinden. Maar beter door de vlucht in de dood nemen dan je door de vijand te laten doden. Daarom vroeg hij zijn wapendrager om hem te doden. Die weigerde het bevel van de Koning. Een gezalfde op last van de God van Israël breng je nu eenmaal niet ter dood. Saul stortte zich daarop maar in zijn eigen zwaard. De wapendrager pleegde daarop ook zelfmoord. De schrijver van het eerste boek Samuël beschrijft dit nauwkeurig. De Filistijnen mogen ook achteraf niet de geschiedenis van Israël ingaan als koningsmoordenaars. Het zal duidelijk zijn dat de Filistijnen de overwinning en de dood van Saul wel op hun eigen rekening hebben geschreven. Nadat het hele volk de woestijn was ingevlucht roofden ze alles leeg, hakten het hoofd van Saul af en namen zijn wapenrusting mee.

Het hele land mocht feest vieren vanwege de grote overwinning die de Filistijnen hadden behaald. De wapenrusting kreeg een plaats in een tempel van Astarte, de vruchtbaarheidsgodin en zijn lijk werd aan de stadsmuur gespijkerd. De inwoners van Jabes waren hierover zo ontsteld dat ze alle overgebleven mannen verzamelden, een hele nacht doormarcheerden, de lijken van Saul en zijn zonen in beslag namen, cremeerden en begroeven onder de centrale boom van de stad. Zo kwam er een einde aan de Koning die het volk aan Samuël had gevraagd, een koning zoals ook de heidenen hun koningen hadden. Telkens weer als wij leiders van kerk, stad, provincie of land moeten kiezen worden we door de Bijbel opgeroepen aan Saul en David terug te denken. Voor wie kiezen we, voor een koning die uit is op eer en glorie, of een koning die uit is op bescherming en zorg voor de minsten in de samenleving. Die zorg mogen we ook zelf verrichten, elke dag opnieuw, zodat we een goede keuze maken als het er op aankomt.

 

Samen delen.

1 Samuël 30:16-31

16 De Egyptenaar leidde David naar het kamp van de Amalekieten. Daar zaten ze, in groepjes verspreid, te eten en te drinken. Ze deden zich tegoed aan de rijke buit die ze in het land van de Filistijnen en in Juda hadden vergaard. 17 De volgende dag overviel David hen en bestookte hen van de vroege ochtend tot de late avond. Niemand ontkwam, op vierhonderd jongemannen na, die op hun dromedarissen wegvluchtten. 18 David maakte de Amalekieten alles afhandig wat ze hadden weggeroofd; ook zijn beide vrouwen bevrijdde hij. 19 Niet het minste of geringste van de buit ontbrak: alle kinderen waren er nog en alles wat ze verder maar hadden meegenomen. Alles werd door David mee teruggevoerd. 20 Hij legde beslag op hun schapen, geiten en runderen; die werden meegevoerd, voor hun eigen vee uit. ‘Dit is Davids buit,’ zo zeiden ze. 21 Toen David weer terugkwam in het dal van de Besor, werden hij en zijn mannen opgewacht door de tweehonderd man die daar waren achtergebleven omdat ze te moe waren om met hem mee te gaan. Hij ging naar hen toe en begroette hen hartelijk. 22 Onder de mannen die met David waren meegegaan, was echter een aantal kwaadwillige lieden, die zeiden: ‘Omdat zij niet met ons zijn meegegaan, krijgen ze niets van wat wij hebben buitgemaakt. Ze kunnen hun eigen vrouwen en kinderen terugkrijgen en dan moeten ze maar gaan.’ 23 Maar David zei: ‘Nee, mannen, geen sprake van. Het gaat hier om een geschenk van de HEER: Hij heeft ons gespaard en de bende die ons had overvallen aan ons uitgeleverd. 24 Denken jullie dat iemand het met jullie eens is? Nee, degenen die hebben deelgenomen aan de strijd krijgen evenveel als degenen die zijn achtergebleven om de spullen te bewaken: ze moeten de buit samen delen.’ 25 En zo gebeurde het voortaan. Deze regel, die door David is ingesteld, geldt in Israël tot op de dag van vandaag. 26 Terug in Siklag stuurde David een deel van de buit aan de oudsten van Juda, zijn vrienden. ‘Hier is voor u een geschenk uit de buit die wij op de vijanden van de HEER veroverd hebben,’ luidde de boodschap. 27 Het betrof de oudsten van Betuel, Ramot-Negev en Jattir, 28 Aroër, Sifmot, Estemoa 29 en Rachal, van de steden van de Jerachmeëlieten en de Kenieten, 30 van Chorma, Bor-Asan, Atach 31 en Hebron, kortom van alle plaatsen die David en zijn mannen tijdens hun omzwervingen hadden aangedaan. (NBV21)

Het verslaan van de Amelakieten was eenvoudig. Ze hadden zo veel buit meegenomen dat ze zich bij de eerste gelegenheid al te goed deden aan al het eten en drinken dat ze op het leger van David hadden buit gemaakt. David zou immers met zijn leger mee doen in de oorlog tussen de Filistijnen en Israël? Dat David met zijn leger terug zou keren naar Siklag was niet bij ze opgekomen. De oorlog tussen Filistijnen en Israël was een grote oorlog waarin elke strijder welkom was. David veroverde dus de laffe Amelakieten en sloeg ze dood. Behalve 400 jonge soldaten die er op hun kamelen vandoor gingen. Ook al wil God dat, het kwaad is door mensen nooit helemaal uit te roeien en God had uitdrukkelijk bevolen alle Amelakieten te doden.

Als vrouwen en kinderen zijn bevrijd, het bezit van een ieder is veilig gesteld en extra buit is veroverd delen ook de soldaten die niet hebben meegevochten mee. Zo stel je ook voor de toekomst de achterhoede en de aanvoer van voedsel, wapens en munitie veilig. Het wordt een regel die voor elk leger van Israël in de toekomst zal gelden. Door het op deze manier te vertellen kan die regel niet meer ter discussie staan en vaak zal het gebeuren dat strijders die met gevaar voor eigen leven gevochten hebben teleurgesteld kijken naar de buit die ook de achterblijvers ten goede komt. En natuurlijk zal een Koning ook de politiek niet vergeten. David stuurt een deel van de buit naar de oudsten van Juda en naar de stammen die verbonden waren met Juda en die nu slachtoffer geworden waren van de Amalekieten.

Niemand wordt vergeten en iedereen mag meedoen. Pas door echt te delen wordt je sterk. Dat is eigenlijk de boodschap die van het handelen van de Koning naar Gods hart uitgaat. Dat mogen wij ons ook aantrekken, als de raden van commissarissen  bonussen en bovenmatige beloningen toekennen aan de hoogste leiding van een bedrijf dat de lager betaalden op straat zet om winst veilig te stellen. Het niemand vergeten en iedereen mee laten doen mag ook daar gaan gelden. De herbewapening laten betalen door de zieken, gehandicapten en werklozen is natuurlijk helemaal uit den boze, dat nooit. Wij kunnen dat laten zien door voor de minsten te zorgen, elke dag opnieuw, ook vandaag weer.

 

Te uitgeput

1 Samuël 30:1-15

1 Drie dagen later kwamen David en zijn mannen bij Siklag aan. Tijdens hun afwezigheid hadden de Amalekieten een plundertocht ondernomen in de Negev; ook Siklag hadden ze overvallen. Ze hadden de stad in de as gelegd 2 en de vrouwen, van jong tot oud, als gevangenen weggevoerd. Er was niemand gedood, maar ze hadden de vrouwen op hun tocht meegevoerd. 3 Toen David en zijn mannen bij Siklag aankwamen en zagen dat de stad in de as was gelegd en dat hun vrouwen en kinderen waren weggevoerd, 4 begonnen ze luidkeels te jammeren, tot ze geen kracht meer hadden om te huilen. 5 Ook de beide vrouwen van David waren verdwenen: Achinoam uit Jizreël en Abigaïl, de vroegere vrouw van Nabal uit Karmel. 6 David kreeg het zwaar te verduren, want zijn mannen waren zo verbitterd over het verlies van hun kinderen dat ze hem dreigden te stenigen. Daarom zocht hij steun bij de HEER, zijn God. 7 Hij vroeg de priester Abjatar, de zoon van Achimelech, om met het priestergewaad bij hem te komen. Abjatar kwam met het priestergewaad 8 en David raadpleegde de HEER: ‘Moet ik deze bende achtervolgen? Zal ik ze inhalen?’ ‘Ja,’ antwoordde de HEER. ‘Achtervolg hen; je zult ze zeker inhalen en de gevangenen bevrijden.’ 9 David ging met zijn zeshonderd mannen op weg. Bij het dal van de Besor gekomen hielden de achterblijvers halt, 10 tweehonderd man die te uitgeput waren om het dal over te steken. Met
vierhonderd man zette David de achtervolging voort. 11 Onderweg vonden ze een Egyptenaar, die bij David werd gebracht. Ze gaven hem wat te eten en te drinken. 12 Toen hij een plak gedroogde vijgen en twee plakken rozijnen gegeten had, kwam hij weer op krachten; hij had namelijk drie dagen en drie nachten niets gegeten of gedronken. 13 Daarna vroeg David hem bij wie hij hoorde en waar hij vandaan kwam, en hij antwoordde: ‘Ik ben een Egyptenaar, de slaaf van een Amalekiet. Toen ik drie dagen geleden ziek werd, heeft mijn meester me achtergelaten. 14 We waren op plundertocht in de Negev en hebben overvallen gepleegd op de Keretieten, de Judeeërs en de Kalebieten; en Siklag hebben we in de as gelegd.’ 15 ‘Kun jij me de weg wijzen naar jullie bende?’ vroeg David. ‘Jawel,’ antwoordde de Egyptenaar, ‘maar zweer me dan bij God dat u me niet zult doden of aan mijn meester uitleveren.’(NBV21)

Dat was maar een laf zootje, die bende van de Amalekieten. Die stelden zich niet op voor de strijd zoals normale vijanden deden, zoals Israël dat zelf ook deed, maar die vielen altijd in de rug aan, op de zwakste plekken. Zo gebeurde dat ook in deze oorlog. Terwijl de Filistijnen en Israël met grote legers posities tegen over elkaar hadden ingenomen waren de Amelekieten op rooftocht uitgegaan. Daarbij waren ze gestuit op een stadje waar alleen maar vrouwen en kinderen woonden, Siklag, de stad van David en zijn mannen. Voor getrainde krijgers was een stadje met alleen maar vrouwen en kinderen een gemakkelijk te veroveren buit.  En een rijke buit. Je kon de mooiste vrouwen voor jezelf uitzoeken en de rest, de kinderen ook, verkopen als slaaf.

Amalekieten worden in de Bijbel altijd als voorbeeld gesteld van laf optreden. In de woestijn hadden ze de vermoeide Israëlieten in de rug aangevallen. De God van Israël had het volk uiteindelijk opgedragen een eeuwig durende wraak op de Amelekieten te zweren. Maar het verhaal staat ook nog in het teken van de tegenstelling tussen een Koning zoals de Heidenen hebben en een Koning naar Gods hart. Die Koning zoals de Heidenen hebben was verlaten door de God van Israël.  Saul bleef geen andere weg dan in de nacht naar een waarzegster gaan om nog eens van de Geest van Samuël te horen dat hij en zijn familie de dood in de oorlog zouden vinden. Voor de Koning naar Gods hart lonkt een andere weg. David en zijn manschappen zijn in één klap alles kwijtgeraakt, vrouwen, kinderen, huis en bezit.

De stad is platgebrand. Samen rouwen ze zoals gewoon was, huilen tot er geen tranen meer waren. Dan stelt een deel de aanvoerder verantwoordelijk. Die had hen steeds meegenomen op zijn avonturen. Net als Saul krijgt David het benauwd. Maar waar Saul geen antwoorden krijgt van de God van Israël, krijgt David die antwoorden wel via de priestermantel van Abjatar en de dobbelstenen die daarin zaten. En zo gaat men achter de Amalekieten aan. Het leven van mensen telt bij de Amalekieten niet. De slaaf die ziek werd is achtergelaten om te sterven van de honger. Bij David tellen mensenlevens wel. Zelfs vermoeide soldaten krijgen een plek en een taak in het geheel van zijn leger. Bij David gaat het om zorg voor mensen. Daar mogen wij een voorbeeld aan nemen. Gaat het bij ons om eerst voor ons zelf te zorgen en dan pas voor anderen? Het lijkt er op, zeker als kinderen aankloppen omdat ze zo lang op ons antwoord moesten wachten. Laten we luisteren naar voorbeelden als David.

 

Een goede zaak

1 Samuël 29:1-11

1 De Filistijnen hadden zich verzameld in Afek; de Israëlieten lagen in de buurt van de bron bij Jizreël. 2 De Filistijnse stadsvorsten hielden troepenschouw. De manschappen trokken in afdelingen van honderd en duizend voorbij. In de achterste gelederen liepen David en zijn mannen met het leger van Achis mee. 3 ‘Wat doen die Hebreeën hier?’ vroegen de Filistijnse bevelhebbers zich af. ‘U kent David toch wel, de vroegere dienaar van Saul, de koning van Israël,’ zei Achis. ‘Het is nu al meer dan een jaar geleden dat hij naar mij is overgelopen, en al die tijd heb ik niets op hem aan te merken gehad.’ 4 Maar de Filistijnse bevelhebbers waren woedend en zeiden tegen hem: ‘Stuur die man terug naar de woonplaats die u hem hebt toegewezen. Onder geen beding mag hij met ons ten strijde trekken. Stel dat hij zich tegen ons keert in het gevecht! Hij zou zijn heer toch nergens een groter plezier mee doen dan met de hoofden van onze mannen? 5 Dit is toch die David over wie ze triomfantelijk gezongen hebben: “Saul versloeg ze bij duizenden, David bij tienduizenden!”’ 6 Toen riep Achis David bij zich en zei tegen hem: ‘Zo waar de HEER leeft, ik ben ervan overtuigd dat u te vertrouwen bent. Ik vind het een goede zaak dat u aan mijn veldtochten meedoet, want vanaf de dag dat u naar mij toe bent gekomen tot nu toe heb ik niets op u aan te merken gehad. Maar de andere stadsvorsten moeten niets van u hebben. 7 Ga daarom terug naar huis. Ga in vrede, en doe niets waar de Filistijnse stadsvorsten aanstoot aan zouden kunnen nemen.’ 8 ‘Wat heb ik dan misdaan, heer?’ riep David uit. ‘Waarom mag ik niet deelnemen aan de strijd tegen de vijanden van mijn heer en koning? Al die tijd dat ik bij u in dienst ben, hebt u toch nooit iets op me aan te merken gehad?’ 9 ‘Nee, ik weet het,’ antwoordde Achis. ‘Ik voor mij vertrouw u alsof u door God zelf gestuurd was, maar onze bevelhebbers zijn er fel op tegen dat u met ons ten strijde trekt. 10 Morgenochtend vroeg moet u vertrekken, en de soldaten van uw heer die met u zijn meegekomen ook. Morgenochtend vroeg, zodra het licht wordt, moet u gaan.’ 11 De volgende morgen vroeg ging David met zijn mannen terug naar het land van de Filistijnen. De Filistijnen zelf trokken op naar Jizreël. (NBV21)

Zo staat David dus op het punt met zijn legertje mee te gaan vechten in het leger van de Filistijnen. Het zijn de Filistijnen die hem echter beschermen tegen het plegen van broedermoord. De stadsvorsten van de Filistijnen nemen voor de slag tegen Israël eerst een parade af. Alle troepen marcheren langs hen heen. Het is een keurige parade van een echt beroepsleger. Afdelingen van honderd en afdelingen van duizend marcheren zoals het hoort. Helemaal achteraan komt het guerrillaleger van David. De mannen die zijn gevlucht voor Saul. De broers en andere familieleden van David zijn er ook bij. Zij vormen de lijfwacht van Achis de koning van Gad. De stadsvorsten van de Filistijnen zijn hoogst verbaasd als ze deze formidabele tegenstander achter aan hun eigen leger zien marcheren. Er ontstaat een discussie. De Filistijnse bevelhebbers gaan in discussie met Koning Achis. Wat zijn dat voor mensen, die Hebreeërs? Al eerder hadden Hebreeërs met hen meegevochten.

Maar toen Saul en later ook David hun duizenden en tienduizenden versloegen waren de Hebreeërs overgelopen naar het leger van Israël. Nu liepen de Hebreeërs weer mee in de parade die aan de slag vooraf ging. Achis legt het nog een keertje uit. Het is al meer dan een jaar geleden dat David met zijn mannen was overgelopen naar Achis en daar had die koning ruim een jaar het nodige plezier van gehad. maar de Filistijnse bevelhebbers waren David helemaal niet vergeten. Dit moet een list zijn. Als dit legertje hen in de rug gaat aanvallen dan nemen ze de hoofden van de soldaten straks mee naar hun eigen koning. Die Saul had ze verslagen bij duizenden maar David bij tienduizenden. Niet langer zijn het de vrouwen van Israël die het zingen, nu zingen de Filistijnen het ook. Achis kan niet anders dan David terugsturen naar de stad die hij hem gegeven had. Met excuses en nog eens de verzekering dat David zeker te vertrouwen is. Met de verzekering ook dat Achis nooit iets aan te merken heeft gehad op David.

Met de erkenning dus ook dat Achis zoveel buit kreeg dat hij zich nooit had afgevraagd waar de krijgsgevangenen waren gebleven. David had immers iedereen gedood zodat niemand had kunnen vertellen wat David eigenlijk gedaan had, bondgenoten van Achis en de Filistijnen in de pan gehakt. David verdedigt zich dus nu maar weer eens. Niet met het argument dat hij de vijanden van Archis al eerder had aangevallen maar met het argument dat Argis nooit iets op hem aan te merken had gehad. Maar dat kon dus niet de doorslag geven. Zo werd David beschermd tegen het plegen van broedermoord, hij ging met zijn mannen terug naar het land van de Filistijnen en de Filistijnen zelf trokken op naar de vlakte van Jizreëel in Israël. Later zou men zeggen dat de God van Israël had geholpen, maar dat staat dus niet in de Bijbel. Wat er staat is dat als we blijven geloven in die betere wereld die de God van Israël heeft beloofd het ook in moeilijke situaties wel goed zal komen met zijn plan. Daar mogen we dus elke aan blijven werken, ook vandaag weer.

 

Omwille van u

Romeinen 11:25-36

25 Er is, broeders en zusters, een goddelijk geheim dat ik u niet wil onthouden, omdat ik wil voorkomen dat u op uw eigen inzicht afgaat. Een deel van Israël is onbuigzaam geworden, en dat blijft zo totdat de andere volken voltallig zijn toegetreden. 26 Dan zal heel Israël worden gered, zoals ook geschreven staat: ‘De redder zal uit Sion komen, en wentelt dan de schuld af van Jakobs nageslacht. 27 Dit is mijn verbond met hen, wanneer Ik hun zonden wegneem.’ 28 Omwille van u zijn ze Gods vijanden geworden door het evangelie af te wijzen, maar toch blijven ze Gods geliefden omwille van de aartsvaders, die Hij heeft uitgekozen. 29 De genade die God schenkt neemt Hij nooit terug, wanneer Hij iemand roept maakt Hij dat niet ongedaan. 30 Zoals u God eens ongehoorzaam was, maar door hun ongehoorzaamheid nu Gods barmhartigheid hebt ondervonden, 31 zo zijn ook zij nu ongehoorzaam om door de barmhartigheid die u ondervonden hebt, ook zelf barmhartigheid te ondervinden. 32 Want God heeft ieder mens uitgeleverd aan de ongehoorzaamheid, opdat Hij voor ieder mens barmhartig kan zijn. 33 Hoe onuitputtelijk zijn Gods rijkdom, wijsheid en kennis, hoe ondoorgrondelijk zijn oordelen en hoe onbegrijpelijk zijn wegen. 34 Wie kent de gedachten van de Heer, wie was ooit zijn raadsman? 35 Wie heeft Hem iets gegeven dat door Hem moest worden terugbetaald?’ 36 Alles is uit Hem ontstaan, alles is door Hem geschapen, alles heeft in Hem zijn doel. Hem komt de eer toe tot in eeuwigheid. Amen. (NBV21)

En dan te bedenken dat er in de geschiedenis van het Christendom mensen waren die het Oude Testament maar wilden afschaffen omdat het volk Israël afgedaan zou hebben. Niets is minder waar. Paulus schrijft hier dat er zich binnen zijn volk een scheiding heeft voltrokken zodat aan alle Heidenen het Evangelie verkondigd zal worden. En als alle Heidenen, wij dus, zullen geloven en het heb Uw naaste lief als Uzelf in de praktijk zullen brengen dan zal ook het volk waar Paulus uit voortkomt zich bekeerd blijken te hebben. Wat belangrijker is, is hier nog eens te lezen dat wat God begonnen is hij ook zal afmaken. Zorgen om al die jonge mensen die de kerk verlaten hoeven we dus niet te hebben. We moeten ons zorgen maken over de taal die we in de kerken spreken, over de vormen die we hanteren. Soms klinkt de muziek wel erg hedendaags en op jongeren afgestemd maar de taal waarin gesproken wordt is de taal van negentiende-eeuwse opwekkingsbewegingen en zeker niet de eenentwintigste-eeuwse taal van de liefde.

Geen wonder dat ondanks de mooie muziek en ondanks de goede sfeer mensen na verloop van tijd ook daar afhaken. Ondertussen zijn de gemeenschappen van gelovigen wel uit de samenleving, uit het publieke domein, verdwenen. Slechts af en toe en dan nog mondjesmaat vind je christenen terug. Gelukkig meestal bij de armsten en de zwaksten in de samenleving. Bij de voedselbanken en wereldwinkels, in de asielzoekerscentra, in het geven van vrijwillige taallessen aan vreemdelingen, bij telefonische hulpdiensten, in bezoekgroepen voor gevangenen, in ziekenhuizen en verpleegtehuizen sjouwend met de patiënten en bewoners. Binnen in de kerken hoor je daar vaak weinig over, zelf komen die christenen al helemaal niet aan het woord en dat is jammer. Zij hebben verhalen over hoe God werkt in deze tijd. Zij hebben verhalen over hoe het licht van God schijnt in de ogen van mensen die zij de hand hebben mogen toesteken. Die verhalen houden het verhaal over de God van Abraham, Izaäk en Jacob levend.

Wie zoekt naar het verhaal over het bestaan van God moet daar zijn oor te luisteren leggen. Dat bestaan gaat alle verstand te boven, dat bestaan beantwoord aan geen van de criteria die daar in wetenschap en filosofie voor ontwikkeld zijn, dat bestaan is alleen te vinden in de onbaatzuchtige liefde die mensen ondanks zichzelf hebben voor hun naaste. Die mensen die daarin geloven en daaraan vasthouden zijn van dag tot dag dankbaar dat ze dat mogen doen en ervaren, iets anders krijgen ze er niet voor terug. Ze weten dat ze de Liefde van God er niet mee verdienen. Soms zijn de mensen die ze helpen zelfs kwaad op ze, soms wordt er misbruik van hun goedheid gemaakt. Nog niet zo lang geleden is een dergelijke vrijwilliger zelfs tijdens het werk vermoord. Maar ze hebben de verhalen over hun God, ze hebben die nodig om het vol te houden, om door te zetten. Die verhalen zijn begonnen in de Bijbel en aan die verhalen mogen we ze leren herkennen, en ze worden verteld tot op de dag van vandaag. Een kwestie van luisteren, ook vandaag weer.

 

Zodat ik geënt kon worden

Romeinen 11:13-24

13 En tegen u, afkomstig uit die andere volken, zeg ik: Het is waar dat ik een apostel voor de heidense volken ben, maar ik schat mijn taak juist dáárom zo hoog 14 omdat ik hoop afgunst bij mijn volksgenoten op te wekken en een deel van hen te redden. 15 Als God, toen zij afvallig werden, de wereld met zich heeft verzoend, zal Hij zeker, wanneer zij opnieuw aangenomen worden, leven schenken uit de dood! 16 Als een klein deel van het deeg aan God gewijd is, is al het andere deeg het ook; als de wortel heilig is, zijn de takken het ook. 17 En als nu sommige takken van de edele olijfboom zijn afgebroken en u, loten van een wilde olijfboom, tussen de overgebleven takken bent geënt en mag delen in de vruchtbaarheid van de wortel, 18 dan moet u zich niet boven de takken verheffen. Als u dat doet, moet u goed bedenken dat niet u de wortel draagt, maar de wortel u. 19 Maar nu zult u tegenwerpen: ‘Die takken zijn toch afgebroken zodat ik geënt kon worden?’ 20 Zeker, ze zijn afgebroken vanwege hun ongeloof en u dankt uw plaats aan uw geloof. Wees daarom echter niet hoogmoedig, maar heb ontzag voor God: 21 als Hij de oorspronkelijke takken al niet heeft gespaard, zou Hij u dan wel sparen? 22 Weet dat God goed is én streng. Hij is streng voor wie gevallen zijn, maar goed voor u-als u tenminste trouw blijft aan zijn goedheid, want anders wordt ook u afgekapt. 23 En als de Israëlieten niet volharden in hun ongeloof, zullen ook zij worden geënt, want God is bij machte hen opnieuw te enten. 24 Immers, als u die van nature een tak van de wilde olijfboom bent, tegen de natuur in op de edele olijfboom bent geënt, hoeveel eerder zullen zij die er van nature bij horen dan niet op hun eigen boom worden geënt! (NBV21)

Voor ons Heidenen is het geloof in Jezus van Nazareth de eerste voorwaarde, hem na te volgen is immers gelijk aan het dienen van de God van Abraham, Izaäk en Jacob. Het je naaste lief hebben als jezelf is immers die God liefhebben boven alles. Maar dat gebod van heb je naaste lief als jezelf is een gebod dat ook de Joden hebben te volgen. Het was een Joods religieus leider die dit gebod als samenvatting van de hele Tora gaf op de vraag van Jezus van Nazareth wat het belangrijkste gebod is. Terugkijkend op de geschiedenis past het de Christenheid schuld te bekennen tegenover de Joden. We zullen begrip moeten opbrengen voor het ongeduld dat soms spreekt uit het Nieuwe Testament. De Joodse schrijvers daarvan hadden de ontdekking die ze hadden gedaan, dat de liefde van God zich ook uithoudt door de dood heen en dat je werk voor de betere wereld geen beloning hoeft omdat het al vaststaat dat die betere wereld er komt, graag samen met alle Joden uitgedragen onder de Heidenen. Maar kennelijk heeft God een scheiding in stand gehouden om ook de Christenen te toetsen in hun gevoel voor broederschap.

We moeten dus ook voor God schuld belijden want van broederschap is geen sprake. Antisemitisme is in onze wereld aanwezig tot op de dag van vandaag en zelfs in ons parlement gaan soms stemmen op om de ontkenning van de grootste moord op Joden in de geschiedenis, de Holocaust, niet langer strafbaar te stellen. Die Holocaust zou ons ver moeten drijven van elke neiging in ons land een onderscheid te maken tussen mensen op grond van hun geloof of afkomst. Mensen horen alleen beoordeeld te worden op hun daden tegenover anderen. Goed heet dan goed, kwaad heet dan kwaad. Maar het kwaad van het maken van onderscheid op grond van geloof en afkomst krijgt meer en meer aanhang. De volgers van Jezus van Nazareth zullen moeten inzien dat bestrijding daarvan heel hard nodig is, ze komen anders in de positie die de vervolgers van Joden door de eeuwen heen hadden en die de Christenheid zo’n zwarte rand hebben gegeven. Dat nooit, aan het werk dus tegen discriminatie en angst voor de Islam.

Gelukkig zijn er nog een heleboel mensen buiten de kerk die eigenlijk wel hun naaste lief zouden willen hebben als zichzelf. Als we die nu eens kunnen overtuigen van het feit dat dat samen veel gemakkelijker gaat dan alleen, en dat dat in die kerk bij hun in de buurt eigenlijk ook nog wel zo leuk kan zijn. Misschien moeten we ze eens meevragen, uitnodigen, zodat ze geënt kunnen worden door God. Juist in de kerk worden we geïnspireerd dat werk aan die wereld van God vol te houden, zoals Paulus dat volhield ondanks alle keren dat hij in de gevangenis zat en vervolgd werd. Ondanks de tegenwerking die hij kreeg van zijn volksgenoten en soms zelfs van zijn geloofsgenoten. En in de kerk worden vragen gesteld bij wat je goed denkt te doen. Doe je dat voor jezelf? Om later een beter plaatsje te verdienen? Of doe je dat ondanks jezelf, wetend dat het niets oplevert. Die vragen zijn elke dag opnieuw belangrijk.