Vernietigingswapens

Ezechiël 9:1-11

1 Toen hoorde ik Hem luid roepen: ‘Kom tevoorschijn, jullie die de stad gaan straffen, en neem je vernietigingswapens mee.’ 2 En ik zag hoe zes mannen uit de richting van de noordelijke bovenpoort kwamen, alle zes met een dodelijk wapen in hun hand. Er was ook nog een man bij hen in linnen kleren, die een schrijverskoker aan zijn gordel droeg. De mannen gingen naast het bronzen altaar staan. 3 De stralende verschijning van de God van Israël bewoog zich van de cherubs waarboven Hij troonde naar de ingang van de tempel, en Hij riep de in linnen geklede man met de schrijverskoker bij zich. 4 De HEER zei tegen hem: ‘Maak een ronde door Jeruzalem, en zet een merkteken op het voorhoofd van iedereen die jammert en klaagt om de gruwelijke dingen die er in de stad gebeuren.’ 5 Tegen de zes anderen hoorde ik Hem zeggen: ‘Ga achter hem aan, trek ook door de stad en dood iedereen. Wees onverbiddelijk en heb geen medelijden. 6 Oude mensen, jonge mannen en vrouwen, moeders en kinderen-jullie moeten ze allemaal ombrengen. Maar laat degenen die het merkteken dragen ongemoeid. Begin bij mijn heiligdom.’ En ze begonnen bij de zeventig oudsten, die voor de tempel stonden. 7 Hij zei tegen de mannen: ‘Dood alle mensen in de voorhoven zodat de tempel onrein wordt, en ga dan naar buiten!’ Ze gingen naar buiten en trokken moordend door de stad. 8 Terwijl zij moordend rondtrokken bleef ik achter, en ik wierp me voorover op de grond en schreeuwde: ‘Ach HEER, mijn God, gaat U, nu uw woede Jeruzalem treft, alle Israëlieten vernietigen die er nog zijn?’ 9 Hij antwoordde: ‘De schuld die het volk van Israël en Juda op zich heeft geladen is onmetelijk groot. Het land is vol bloed, de stad vol onrecht, want ze denken bij zichzelf: De HEER heeft het land verlaten, de HEER ziet ons niet. 10 Ik zal dan ook onverbiddelijk zijn en geen medelijden hebben; Ik zal hen voor hun daden laten boeten.’ 11 De in linnen geklede man met de schrijverskoker aan zijn gordel kwam terug en bracht verslag uit: ‘Ik heb gedaan wat U mij hebt bevolen.’ (NBV21)

De afgoderij waarover we gisteren gelezen hebben kan natuurlijk niet zonder gevolgen blijven. Als het volk de God van Israël niet meer als God wil hebben dan zal het moeten voelen en zien hoe het gaat met de goddelozen zoals die overal in de wereld te vinden zijn. Er komen zeven mannen waarvan er 6 een wapen en de zevende een schrijverskoker heeft. In zes dagen werd de chaos uit het begin van het Bijbelverhaal een mensenland en op de zevende kon men rusten. Als wij hier lezen dat de mannen naast het bronzen altaar staan dan heeft dat voor velen van ons geen bijzondere betekenis. Dat bronzen altaar was immers van Salomo? Maar ons was niet meer opgevallen dat koning Achaz dat bronzen altaar terzijde had geschoven en vervangen door een stenen altaar naar Assyrisch model. Het is duidelijk dat de zeven mannen weer terug willen keren naar de godsdienst zoals die was overeengekomen met de God van Israël. Moet het volk van Israël nu worden uitgeroeid? Is er nergens genade te vinden?

De Godsdienst van Israël is geen voor-wat-hoort-wat-geloof. De leer van Mozes is onuitvoerbaar voor mensen als ze wordt opgevat als opgelegde wetten, zoals de wereld opgelegde wetten kent. Maar de goddeloosheid kan niet zonder gevolgen blijven. Daar lijden mensen onder. Want goddeloosheid en afgoderij leiden tot onrecht en onderdrukking. De goden van deze wereld, de goden van winst en profijt en van de eerste de beste, beloven een directe bevrediging van de behoeften naar macht en welvaart. Daar houdt de God van Israël zich niet mee bezig. Die zoekt mensen die de hongerigen voeden, de dorstigen laven, de blinden laten zien en de doven laten horen, de gevangenen bezoeken en de armen recht verschaffen. Voordat er begonnen wordt met welke vernietiging dan ook moeten de zes mannen met vernietigingswapens eerst de stad in om de slachtoffers van het onrecht en de goddeloosheid op te zoeken. Die slachtoffers krijgen een merkteken en moeten gespaard blijven.

Wat is dit voor een God die jongeren, kinderen, mannen en vrouwen, ouderen en jongeren laat doden? Moet je dat zo maar nemen? Moet je zelfs blij zijn dat de dood het gevolg is van goddeloosheid en onrecht? Ezechiël meent van niet. Zo kan zijn God niet zijn! Hij schreeuwt het uit tegen die God en probeert God op andere gedachten te brengen. Dat is vergeefs, het is niet de God van Israël die het leed over de ongelovigen heeft veroorzaakt maar het zijn de ongelovigen zelf. Van de inwoners van Jeruzalem mag toch worden verwacht dat zij de herinnering hebben bewaart aan de leer van Mozes, die eerste vijf boeken van ons Oude Testament. Daar wordt toch worden opgeroepen recht te betrachten, je niet te verrijken ten koste van anderen. Daar wordt toch duidelijk dat het niet de eerste de beste is waar die God zich over ontfermt, maar de minste de zwakste de armste. Daar mag je toch van leren dat alles wat je hebt van God is gekregen om een wereld te scheppen waar alles wordt ingezet om de hongerigen te voeden en geweld en onderdrukking te voorkomen dan wel te bestrijden. Dat is een boodschap van God die we ook vandaag nog mogen horen en die ons in beweging mag zetten.

 

Ze vullen het land met geweld

Ezechiël 8:13-18

13 ‘Ik zal je nog meer van hun gruwelijke daden laten zien,’ zei Hij, 14 en Hij bracht me naar de ingang van de noordelijke poort van de tempel van de HEER. Daar zaten vrouwen die rouwden om de god Tammuz. 15 ‘Heb je het gezien, mensenkind?’ vroeg Hij mij.‘En nog gruwelijker dingen zal Ik je laten zien!’ 16 Hij bracht me naar de binnenhof van de tempel van de HEER. Bij de ingang, tussen de voorhal en het altaar, stonden ongeveer vijfentwintig mannen. Ze stonden met hun rug naar de tempel, met hun gezicht naar het oosten, en ze bogen zich in aanbidding neer voor de zon. 17 ‘Heb je het gezien, mensenkind?’ vroeg Hij mij. ‘En al deze afgodendienst waaraan het volk van Juda zich overgeeft is blijkbaar nog niet genoeg: ze vullen het land met geweld, ze beledigen Mij steeds opnieuw, zie hoe ze Mij minachten door een wijnrank onder hun neus te houden! 18 Ik zal mijn woede op hen koelen, Ik zal onverbiddelijk zijn en geen medelijden hebben, en al roepen ze nog zo hard om Mij, Ik zal niet naar hen luisteren.’ (NBV21)

Vandaag even nadenken over de gevolgen van de afgodendienst. We zeggen gemakkelijk dat het najagen van winst en profijt leidt tot de dood en dat is ook zo, maar je moet het tastbaar maken. Ezechiël laat het zien. En hij begint bij het misbruik van de Tempel. Daar zijn allerlei figuren en symbolen op de muren geschilderd en die worden aanbeden. De algemene naam die aan de afgodendienst in Israël wordt gegeven is vruchtbaarheidsdienst, bij ons heet dat het welvaartsgeloof. Vruchtbaarheid in Israël heeft ook te maken met Tempelprostitutie.

Nu bij de Noordelijke ingang van de Tempel hebben de vrouwen een oorverdovend treurlied aangeheven. Voor Tammoz, de vruchtbaarheidsgod die een half jaar in de onderwereld is en een half jaar kan zorgen voor groen en vruchtbaarheid. Hij moet weer  naar de onderwereld en daarom wordt getreurd. Ja dat zijn vrouwen, maar de mannen zijn toch wijzer? Die mannen blijken in de voorhof te staan, waar de offers aan de God van Israël werden gebracht. Die mannen buigen zich nu voor de zon, opdat de zon mag blijven opgaan als de zon een nacht rust heeft genomen. Dat God de zon heeft gemaakt zijn ze vergeten.

En het volk zelf? Het vult het land met geweld. Ach, ook toen al? En mocht dat volgens Ezechël niet van de God van Israël? Tegenwoordig zouden de Christenen voor Israël Ezechiël een antisemiet noemen. Een superantisemiet want hij probeert de oudsten van Israël, daar vertelt hij dit verhaal tegen, er van te overtuigen dat al die afgoderij, het najagen van winst en profijt, al dat geweld ook tegen buurvolken allemaal in strijd is met wat de God van Israël had afgesproken met het door die God gekozen volk. Het is nu niet anders dan toen. Het geweld tegen Gaza en Libanon is afgoderij en meer dan fout en te bestrijden. Israël hoort in vrede te leven en een voorbeeld te zijn van vrede en gerechtigheid. Daar moeten we Israël bij helpen.

 

De HEER ziet ons niet

Ezechiël 8:1-12

1 In het zesde jaar, op de vijfde dag van de zesde maand, toen ik in mijn huis zat met de oudsten van Juda tegenover me, werd ik opnieuw gegrepen door de hand van God, de HEER. 2 Dit is wat ik zag: een gedaante als van vuur. Vanaf wat zijn heupen leken te zijn naar beneden toe zag ik vuur, en naar boven toe een schittering, glanzend als wit goud. 3 Hij strekte iets uit dat de vorm had van een hand en pakte me bij mijn haren beet. In dit goddelijk visioen tilde de geest me op, tussen hemel en aarde, en bracht me naar Jeruzalem, naar de ingang van de noordelijke binnenpoort, waar het afgodsbeeld staat dat de jaloezie van de HEER doet ontvlammen. 4 Daar zag ik de stralende verschijning van de God van Israël, zoals ik die ook in het dal had gezien. 5 Hij zei tegen mij: ‘Mensenkind, kijk nu naar het noorden.’ Ik keek naar het noorden en zag daar bij de toegang van de poort naar het altaar het afgodsbeeld staan dat de jaloezie van de HEER doet ontvlammen. 6 ‘Mensenkind, zie je wat ze doen? Zie je hoe vreselijk het volk van Israël zich hier misdraagt en Mij uit mijn eigen heiligdom verdrijft? En je zult nog meer gruwelijks zien.’ 7 Hij bracht me naar de ingang van de tempelhof. In de muur was een gat. 8 Hij zei tegen me: ‘Mensenkind, kruip daar doorheen.’ Dat deed ik, en aan de andere kant kwam ik bij een deur. 9 ‘Ga naar binnen om te kijken naar de verschrikkelijke dingen die ze daar doen,’ zei Hij. 10 Toen ik binnen was en rondkeek, zag ik op de muren om me heen allerlei afbeeldingen van de afgoden van het volk van Israël, van kruipende beesten en andere dieren, stuk voor stuk onrein. 11 Zeventig oudsten van het volk van Israël, met in hun midden Jaäzanja, de zoon van Safan, stonden ervoor, ieder met zijn wierookschaal in de hand, en er steeg een wolk van wierook op. 12 Hij vroeg me: ‘Heb je gezien, mensenkind, wat de oudsten van het volk van Israël doen, daar in het duister, in die zaal vol afbeeldingen? De HEER ziet ons niet, denken ze, de HEER heeft het land verlaten.’ (NBV21)

Ezechiël is de profeet van het zien vandaag lezen we dat hij vuur zag, vurige tongen. Daar hebben wij zelfs een feest van: Het Pinksterfeest. Of dat voor ons echt een feest is moet maar blijken. Voor Ezechiël waren die vurige tongen geen feest. Hij zat met de oudsten van Juda in zijn huis. We weten dat de ballingen zich vaak afvroegen waarom God hun eigenlijk verlaten had. Aan het volk Israël was toch voor eeuwig het land Kanaän beloofd? Ezechiël was nu niet direct een profeet van toespraken, geen profeet die plechtig sprekend het woord van de Heer doorgaf. Hij was de profeet van de beeldverhalen. Hij zag iets en kon dat beeldend beschrijven. In het gesprek kreeg hij daarom een visioen. God greep hem en bracht hem terug naar Jeruzalem. Bij de noordelijke poort stond een afschuwelijk afgodsbeeld. Er stond zelfs een altaar voor.

Het volk wilde niet langer het volk van de God van Israël zijn maar koos voor andere goden. Maar ze hadden de Tempel toch nog die voor de God van Israël gebouwd was en waar het verbond tussen God en Israël werd bewaard? Nu God liet Ezechiël maar even in die Tempel rondkijken. Op de muren binnen in de Tempel hadden ze afbeeldingen aangebracht, niet zomaar afbeeldingen maar beelden van onreine dieren. Dat was niet voor het mooi maar dat was een godsdienst. De oudsten van het volk en de hogepriester stonden er voor met wierookschalen. Er werden reukoffers gebracht voor de dieren, die God van Israël had geen beeld en kon hen dus ook niet zien. Maar denk je dan als die hoge heren zich teruggetrokken hebben in een bijna geheime kamer in de Tempel zou het volk zelf niet het verbond met God bewaren? Ze dachten dat God het toch niet zou zien, God was immers uit Israël verdwenen?

Het is dus de afgodendienst die gemaakt heeft dat Israël goddeloos werd en dus niet meer beschermd. Is het in onze dagen anders? Wij zetten alles op zij voor de beste wielrenner van de wereld, wij organiseren wedstrijden voor de beste tatoeëerder, zanger of zangeres, dansers, kok, bakker, kledingontwerpsters en noem maar op. We noemen ze idolen en als we het nieuws geloven dan zijn ze belangrijker dan wat dan ook. Belangrijker dan slachtoffers van oorlog en geweld, belangrijker dan vluchtelingen die verdrinken, belangrijker dan de armen in Afrika die sterven van de honger. Zijn wij ook vergeten dat ook ons de boodschap is gebracht dat we geen andere goden nodig hebben dan de God van Israël, die zijn Zoon zond om de dood te overwinnen? Zijn we vergeten dat we geroepen zijn tot gerechtigheid, tot het voeden van de hongerigen, het laven van de dorstigen, het kleden van de naakten, het bezoeken van de gevangenen, het troosten van de bedroefden? Zou daar het nieuws niet mee moeten worden geopend? Ook in onze dagen klinkt het vaak dat God het toch niet ziet. Zijn ook wij die God vergeten? Een vraag waar ieder van ons elke dag weer een antwoord op kan geven. Ook vandaag weer.

 

Gruwelijk is hun onrecht

Psalm 53

1 Voor de koorleider. Op de wijs van De rietpijp. Een kunstig lied van David. 2 Dwazen denken: Er is geen God. Verdorven zijn ze, en gruwelijk is hun onrecht, geen van hen deugt. 3 God kijkt vanuit de hemel naar de mensen om te zien of er één verstandig is, één die God zoekt. 4 Allen zijn afgegleden, allen ontaard, geen van hen deugt, niet één. 5 Hebben ze dan geen inzicht, die kwaadstichters? Ze verslinden mijn volk of het brood is en God roepen ze niet aan. 6 Nog even, en hen overvalt een hevige angst, een angst als nooit tevoren. God zal het gebeente van je belagers verstrooien, lach maar om hen, want God heeft hen verworpen. 7 Ach, laat uit Sion redding komen voor Israël. Als God het lot van zijn volk ten goede keert, zal Jakob juichen, Israël zich verheugen. (NBV21)

De dwazen waarover in deze Psalm gezongen wordt zijn geen moderne atheïsten, zij die geloven dat God niet bestaat. Want die moderne ongelovigen geloven dus wel. Zij geloven in de rede, het menselijk verstand dat door hen vergoddelijkt wordt. Ze geloven dat een goed gebruik van het redelijk verstand ook het goede zal kunnen opleveren en dat het goede dan ook niet speciaal van buiten hoeft te worden voorgehouden. De dwazen waarover deze Psalm zingt zijn zij die al helemaal niet in het goede geloven als iets dat je zou moeten nastreven, als een maat voor het handelen van mensen. Je zou overigens de indruk kunnen krijgen van deze Psalm dat er helemaal geen gelovigen meer zijn. Er is niemand meer die het goede probeert te doen, laat staan dat er nog iemand is die op zoek is naar God.

Zo is het natuurlijk niet. Als iedereen doet waar die zelf zin in heeft en dat ook van iedereen goed vindt dan ontstaat er vanzelf een wereld vol oorlog en geweld. Dan regeert het recht van de sterkste en mag iedereen vol van angst zijn voor de sterkeren. Zelfs de sterken moeten bang zijn want er kan elk ogenblik iemand op staan die nog sterker is. Bewapening is dan het antwoord en als er meerderen zijn die elkaar kunnen bedreigen en zich kunnen bewapenen dan ontstaat vanzelf een wapenwedloop, tot grote vreugde van de rijken hebben we die nu ook weer terug. Een wedloop die alleen verliezers kent. We kennen de wedloop in het klein tussen zogenaamde criminelen en de politie. Die laatste schiet eerder en gerichter. Zelfs bij een eenvoudige verkeerscontrole schiet de politie gericht op hen die zich aan die controle willen onttrekken. Criminelen die doen alsof de wereld van hen is bewapenen zich met steeds zwaardere wapens waardoor de wedloop ontstaat.

En van een dergelijke wedloop afkomen is niet eenvoudig. Niemand wil een oorlog met kernwapens, maar het lukt de grote mogendheden maar heel gering om afspraken te maken over het beperken en vernietigen van bestaande kernwapens. De Psalm die we vandaag meezingen geeft op het eind toch de richting waar we naar een oplossing voor de geweldspiraal moeten zoeken. De redding moet komen van Sion zingt de Psalm. En op de berg Sion in Jeruzalem werd de Wet van de God van Israël bewaard. Dat was het centrum van de aarde waar alle volken zich naar zouden moeten richten. Daar was immers een heersende wet die ook zegt “Gij zult niet doden” en probeer maar eens oorlog te voeren met die wet als absolute richtlijn voor alle deelnemenden. De richtlijnen van de Berg Sion, de richtlijn van heb uw naaste lief als uzelf zal ook in onze dagen weer de heersende grondregel moeten worden, daar kunnen zelfs de moderne atheïsten geen bezwaar tegen hebben. We kunnen met die leefregel elke dag opnieuw beginnen, ook vandaag weer.

 

Waarom kom je bij mij om raad?

1 Samuël 28:3-25

3 Samuel was inmiddels gestorven. Heel Israël had over hem gerouwd, en hij was begraven in Rama, zijn woonplaats. In diezelfde tijd had Saul in het hele land een verbod uitgevaardigd op het bezweren van geesten en het raadplegen van schimmen. 4 Toen nu de Filistijnen hun troepen hadden verzameld en waren opgerukt naar Sunem, waar ze hun kamp opsloegen, bracht ook Saul zijn leger op de been en hij sloeg zijn kamp op in het Gilboagebergte. 5 Maar toen hij het kamp van de Filistijnen zag, greep de angst hem bij de keel. 6 Hij raadpleegde de HEER, maar de HEER gaf geen antwoord: noch in dromen, noch door middel van orakelstenen, noch bij monde van profeten. 7 Daarom beval hij zijn dienaren om voor hem een geestenbezweerster op te sporen. ‘Daar wil ik naartoe gaan om antwoord te vinden op mijn vragen,’ zei hij. Toen zijn dienaren hem vertelden dat er in Endor nog een geestenbezweerster woonde, 8 vermomde hij zich door andere kleren aan te trekken en ging hij met twee dienaren op weg. Midden in de nacht kwamen ze bij de vrouw aan. ‘Wilt u voor mij de geest van een dode raadplegen?’ verzocht hij haar. ‘Ik zal u zeggen wie u moet oproepen.’ 9 Maar de vrouw antwoordde: ‘U weet toch wat Saul heeft gedaan: hij heeft een streng verbod uitgevaardigd op het bezweren van geesten en het raadplegen van schimmen. Waarom probeert u me in de val te lokken? Wilt u me soms de dood in jagen?’ 10 Maar Saul zwoer haar bij de HEER: ‘Zo waar de HEER leeft, er zal u geen kwaad overkomen.’ 11 ‘Wie moet ik dan voor u oproepen?’ vroeg ze. ‘Samuel,’ antwoordde Saul. 12 Zodra de vrouw Samuel zag, slaakte ze een ijselijke kreet. ‘Waarom hebt u me bedrogen?’ vroeg ze aan Saul. ‘U bent Saul zelf!’ 13 ‘Wees niet bang,’ stelde de koning haar gerust. ‘Maar zeg me, wat ziet u?’ ‘Ik zie een goddelijke gestalte uit de aarde oprijzen,’ antwoordde ze. 14 ‘Hoe ziet hij eruit?’ vroeg Saul. ‘Het is een oude man, gehuld in een mantel.’ Toen wist Saul dat het Samuel was, en hij knielde neer en boog diep voorover. 15 Samuel vroeg aan Saul: ‘Waarom heb je me opgeroepen en mijn rust verstoord?’ ‘Ik zie geen uitweg meer,’ antwoordde Saul. ‘Ik word aangevallen door de Filistijnen en God heeft me in de steek gelaten. Hij geeft geen antwoord meer op mijn vragen, noch bij monde van profeten, noch in dromen. Daarom heb ik u opgeroepen om u te vragen wat ik moet doen.’ 16 Maar Samuel zei: ‘Waarom kom je bij mij om raad? Je weet toch dat de HEER je verlaten heeft en zich nu tegen je heeft gekeerd. 17 De HEER heeft gedaan wat Hij bij monde van mij heeft voorzegd: Hij heeft het koningschap van je losgescheurd en aan iemand anders gegeven, aan David. 18 De HEER doet je dit nu aan omdat je destijds niet naar Hem geluisterd hebt en voor Hem geen wraak hebt genomen op de Amalekieten. 19 En om diezelfde reden zal Hij Israël samen met jou aan de Filistijnen uitleveren. Morgen zijn jij en je zonen hier bij mij, en het legerkamp van Israël zal in handen vallen van de Filistijnen.’ 20 Saul schrok zo van Samuels woorden dat hij languit op de grond viel: zijn krachten lieten hem in de steek, ook al omdat hij de hele dag en de hele nacht niets gegeten had. 21 De vrouw kwam naar hem toe en zag dat hij erg in de war was. ‘Ik heb aan uw verzoek voldaan, heer,’ zei ze. ‘Met gevaar voor eigen leven heb ik gedaan wat u me vroeg. 22 Doe dan nu ook wat ik u aanraad, heer. Laat me u iets te eten voorzetten, zodat u weer op krachten komt voordat u aan de terugreis begint.’ 23 Saul weigerde en zei dat hij niets wilde eten, maar zijn dienaren en ook de vrouw drongen aan en ten slotte gaf hij toe.Hij kwam overeind en ging op het bed zitten. 24 De vrouw had een mestkalf in huis, dat ze nu snel slachtte. Ook nam ze meel, kneedde het en bakte er ongedesemde broden van. 25 Nadat Saul en zijn dienaren gegeten hadden van het maal dat ze hun had voorgezet, vertrokken ze nog diezelfde nacht. (NBV21)

Saul wil weten wat hij moet doen nu David buiten zijn bereik is. Hij probeert op allerlei manieren antwoord van God te krijgen. Het staat er nogal terloops, hij kreeg geen antwoord, noch in dromen, noch door middel van orakelstenen, noch door profeten. Maar de hele religieuze gemeenschap van Israël komt hier voorbij. David had een priester met orakelstenen in zijn gevolg. De Priesters bij Saul kregen geen antwoord. En altijd waren er profeten, David had Gad, maar de profeten van Saul kregen geen boodschappen van de God van Israël voor hem. Heel lang is Saul als wat primitief en bijgelovig afgeschilderd omdat hij naar de vrouw in Endor ging waarvan werd gefluisterd dat ze contact zou hebben met de doden. Maar tegenwoordig is het heel gewoon je te laten bedriegen door geestenfluisteraars, sterrenwichelaars en zogenaamde paranormalen die boodschappen van gene zijde doorkrijgen. Saul is wat dat betreft een moderne buitenkerkelijke.

In tegenstelling tot zijn eigen wet die waarzeggen en bezweren van geesten verbood is Saul naar een geestenfluisteraarster gegaan, in ons taalgebruik staat ze bekend als de heks van Endor. Saul dwingt haar om de geest van Samuël op te roepen. Een Joodse verklaring zegt dat wie de geest van een dode oproept maar  niet  nodig heeft hem ziet maar wie hem nodig heeft hem hoort. Saul hoort dus nog eens wat Samuël eerder gezegd heeft, God is niet langer bij hem en hij zal sterven.  Saul valt flauw bij het horen van de woorden van Samuël, tenminste dat is de officiële lezing. Fijntjes merkt de schrijver van het eerste boek Samuël er op dat Saul ook de hele dag niet gegeten had, dan wil je in zulke omstandigheden wel flauw vallen. De “heks van Endor” krijgt medelijden met hem en geeft hem te eten. Ongezuurde broden, alsof Israël wacht op bevrijding van de slavernij, een gemest kalf, snel gebraden, offervlees bij uitstek.

Na ongezuurde broden te hebben gegeten en offervlees gaat Saul de nacht in. Jesaja zal zich deze woorden herinneren als hij schrijft dat een volk dat in duisternis wandelt een licht zal zien maar het niet zal aanvaarden. Wie zich dus bezig houdt met het Woord van de God van Israël, wie niet uit is op eigen eer en roem, eigen macht over anderen, maar zorgt voor de naasten als voor zichzelf, wie de ander liefheeft, die hoeft zich nooit in te laten met de schimmige wereld van paranormalen waarvan overigens het bedrog ook vaststaat al leven tv zenders er van. Gelukkig maar dat wij elke dag ons mogen bezig houden met de zorg voor de minsten om ons heen, met het werk dat God van ons vraagt, ook vandaag weer.

 

Zijn twee vrouwen

1 Samuël 27:1–28:2

1 Vandaag of morgen val ik natuurlijk toch in handen van Saul, dacht David bij zichzelf. Ik kan me dus maar beter in veiligheid brengen in het land van de Filistijnen. Dan zal Saul het opgeven om mij door heel Israël te achtervolgen en kan ik aan hem ontkomen. 2 Daarom vertrok hij met de zeshonderd man die bij hem waren naar de koning van Gat, Achis, de zoon van Maoch, 3 waar hij en zijn mannen met hun gezinnen hun toevlucht namen. David had zijn twee vrouwen bij zich: Achinoam uit Jizreël en Abigaïl, de vroegere vrouw van Nabal uit Karmel. 4 Toen Saul hoorde dat David naar Gat was gevlucht, gaf hij de achtervolging op. 5 David had aan Achis gevraagd: ‘Heer, wees zo goed mij een van de stadjes op het platteland ter beschikking te stellen om in te wonen. Wie ben ik, dat ik bij u in de koningsstad zou wonen?’ 6 Achis wees David Siklag toe, en zo komt het dat Siklag tot op de dag van vandaag aan de koningen van Juda behoort. 7 In de tijd dat David en zijn mannen op Filistijns grondgebied woonden, een jaar en vier maanden om precies te zijn, 8 trokken ze er geregeld op uit om de stammen te overvallen die woonden in het gebied van Telam tot aan Sur, waar Egypte begint: nu eens de Gesurieten, dan weer de Girzieten of de Amalekieten. 9 Wanneer David daar ergens toesloeg, liet hij geen man of vrouw in leven en nam alles mee: schapen, geiten, runderen, ezels, kamelen, en ook kleding. Als hij dan weer bij Achis kwam 10 en die hem vroeg: ‘Waar hebt u ditmaal een overval gepleegd?’, dan antwoordde David: ‘In de Negev, bij de Judeeërs,’ of: ‘Bij de familie van Jerachmeël,’ of: ‘Bij de Kenieten.’ 11 Hij liet niemand in leven en nam geen enkele gevangene mee naar Gat, want hij wilde voorkomen dat iemand aan Achis zou kunnen navertellen wat hij en zijn mannen hadden gedaan. Heel de tijd dat hij op Filistijns grondgebied woonde ging hij zo te werk. 12 Achis kreeg vertrouwen in hem en dacht bij zichzelf: Bij zijn landgenoten heeft hij het nu vast en zeker verbruid. Voortaan zal hij mij dienen. 1 En toen de Filistijnen hun troepen op de been brachten om tegen Israël ten oorlog te trekken, vroeg Achis aan David: ‘U begrijpt zeker wel dat u en uw mannen zich bij mij moeten aansluiten.’ 2 ‘Jazeker, heer,’ antwoordde David. ‘U zult eens zien wat ik zal doen.’ ‘Afgesproken,’ zei Achis, ‘dan stel ik u aan als mijn vaste lijfwacht.’ (NBV21)

Er was een tijd dat het verhaal dat we vandaag lezen met een glimlach werd verteld. Vooral aan kinderen werd het verhaal met een zekere bewondering voor David verteld. Het was ook niet niks. David vluchtte voor Saul naar de Filistijnen en hij kreeg onderdak in een eigen stadje in het gebied van Achis de Koning van Gat. Maar in plaats van Achis te helpen bij het vechten tegen Israël ging David vechten tegen de bondgenoten van de Filistijnen en hij betaalde de bescherming door Achis met de buit die hij had veroverd op die bondgenoten. Dat was toch een hele slimme oplossing van deze Koning van de Vrede. Tegenwoordig spreken we niet zo positief meer over het verhaal uit dit hoofdstuk. Natuurlijk, David hield Achis voor de gek en Achis vertrouwde de Judeese krijgsheer kennelijk blindelings. Maar moest David nu werkelijk iedereen uitroeien van die vijandige stammen? En moest de buit gespaard blijven? Het lijken geen pluspunten voor deze Koning.

Het verhaal verdient dus nadere studie. Het staat niet voor niets in de Bijbel en nog steeds als onderdeel van het verhaal over de tegenstelling tussen Saul, als koning zoals de Heidenen die hebben, en David de Koning naar Gods hart. Voert David dan soms toch geboden uit van de God van Israël? David had God niet geraadpleegd toen hij naar de Filistijnen vluchtte. Dat Saul zijn verbond met David had gebroken en opnieuw tegen hem was opgetrokken was genoeg reden. David had zich er wel uit gered maar zo kon het natuurlijk niet doorgaan. Het zou ook tot een gewapend treffen kunnen komen en kennelijk wilde David dat tot elke prijs vermijden. Hij ging naar Achis en kreeg als onderkomen de stad Siklag. Die stad wordt in het boek Jozua genoemd als een stad in Israël. Kennelijk dus ingelijfd door de Filistijnen en nu terug in Israël. Met vrouwen en kinderen mee vindt het legertje van krijgsheer David hier een veilig onderkomen. Dan trekt David op tegen de Gesurieten, de Girzieten of de Amelekieten. Die laatste kennen we maar die andere stammen zeggen ons weinig.

Het zijn echter bondgenoten van de Filistijnen die wonen in een gebied dat door Jozua niet meer werd veroverd. David maakt dus de verovering door Jozua van het beloofde land af. Ook deze stammen wilden niet delen met Israël maar alleen profiteren. De Amelakieten roeit hij overigens niet uit en dat zal hij later nog merken. De buit die veroverd wordt gebruikt hij niet voor zichzelf maar geeft hij aan Achis, anders dus als Saul die de buit voor zijn eigen leger bestemde en het beste voor zichzelf hield. Hij beschermde gelijk bondgenoten van Israël als de Kenieten en de familie van Jerachmeël. Zij wilden wel delen met Israël en mochten dus in Kanaän blijven wonen. Dat Achis gaat denken David te kunnen gebruiken in de strijd tegen Israël ligt aan hemzelf. Kennelijk is het verkrijgen van rijkdom al genoeg om iemand te vertrouwen en wordt aan de zorg voor mensen helemaal geen aandacht besteed. Daar mogen we dus van leren. Terwijl David, ook op de vlucht in vijandelijk gebied, blijft zorgen voor zijn eigen volk, blijken de Filistijnen alleen uit op materiële rijkdom. Ook aan ons de keuze, zorgen we voor mensen of zorgen we rijk te worden? Elke dag mogen we weer opnieuw kiezen, ook vandaag weer.

 

Om een vlo na te jagen

1 Samuël 26:13-25

13 David stak het ravijn over en een eind verder, op een bergtop aan de overkant, bleef hij staan, op veilige afstand van het kamp. 14 Daarvandaan begon hij de soldaten en Abner, de zoon van Ner, toe te schreeuwen. ‘Geef je nog antwoord, Abner!’ riep hij. Abner antwoordde: ‘Wie ben jij wel, dat je de koning durft te roepen?’ 15 Maar David riep tegen Abner: ‘En jij, wat ben jij voor een man? Zoals jij is er in Israël toch geen tweede? Waarom heb je dan niet gewaakt over je heer, de koning? Heb je niet gemerkt dat de koning, je heer, bijna door een van zijn onderdanen is gedood? 16 Je hebt je taak slecht vervuld. Zo waar de HEER leeft, jullie zijn ten dode opgeschreven, want jullie hebben niet gewaakt over je heer, zijn gezalfde. Kijk maar, waar zijn de speer en de waterkruik gebleven die aan zijn hoofdeind stonden?’ 17 Saul had Davids stem herkend en vroeg: ‘Is dat jouw stem die ik daar hoor, David, mijn zoon?’ ‘Ja, ik ben het, mijn heer en koning,’ antwoordde David. 18 En meteen vroeg hij: ‘Waarom jaagt mijn heer toch zijn dienaar achterna? Wat heb ik misdaan, waaraan heb ik me schuldig gemaakt? 19 Luister alstublieft naar wat ik u te zeggen heb, mijn heer en koning: Als het de HEER is die u tegen mij heeft opgezet, laat dan een geurig offer Hem vermurwen. Maar als u door mensen bent opgestookt, moge de HEER ze dan vervloeken omdat ze mij van zijn grondgebied verdrijven en zeggen dat ik maar andere goden moet gaan dienen. 20 Ik smeek u, voorkom toch dat mijn bloed in vreemde bodem vloeit, ver weg van de HEER. De koning van Israël is uitgetrokken om een vlo na te jagen, zoals men in de bergen jacht maakt op een patrijs.’ 21 Toen zei Saul: ‘Ik heb verkeerd gehandeld. Kom terug, David, mijn zoon. Ik wil je niet langer kwaad doen, want jij hebt vandaag mijn leven gespaard. Ja, ik ben dwaas geweest en heb ernstige fouten gemaakt.’ 22 Maar David zei: ‘Hier is uw speer, koning, laat een van uw mannen hem komen halen. 23 Wie rechtvaardig en trouw is, wordt door de HEER beloond; ik heb vandaag mijn hand niet tegen de gezalfde van de HEER willen opheffen, ofschoon Hij u aan mij had uitgeleverd. 24 Zoals ik vandaag uw leven gespaard heb, zo zal de HEER mijn leven sparen; Hij zal me redden uit alle nood.’ 25 Toen zei Saul tegen David: ‘Gezegend ben je, David, mijn zoon. Je zult volbrengen wat je te doen staat. Ik weet dat je het kunt.’ Daarop vervolgde David zijn weg en Saul keerde terug naar zijn woonplaats. (NBV21)

David was met een knecht het kamp van Koning Saul binnengeslopen  en had uit de tent waar Saul lag te slapen de speer en kruik gestolen. Elke zelfmoordterrorist kan een legerbasis binnenkomen en verwoesting aanrichten. Er is in al die eeuwen niets veranderd. Toch blijven ook wij op legers vertrouwen als het gaat om vrede en recht. Zolang dat zo is zijn ook vredesverdragen maar van een betrekkelijke waarde. Pas als er echt de wil is om samen te werken en samen te zorgen voor de minsten kan er echte vrede komen. Wij kunnen elke dag opnieuw met die zorg voor minsten beginnen en zo als David laten merken niet op macht voor onszelf uit te zijn maar op een wereld zonder tranen.

Niet dat het gesprek tussen David en Saul zonder problemen verloopt. Eerst komt de generaal van Saul, Abner aan het woord. Die stelt zich als de sterkste, op grond van zijn leger, boven David. Maar de sterkte van een leger maakt niet uit wie  de sterkste is. Dat leger heeft een taak en als die taak verwaarloosd wordt is de eerste de beste terrorist in staat de overwinning te behalen. David maakt dat duidelijk aan Abner. Saul hoort het aan en laat dat weten ook. David maakt daar gebruik van door duidelijk te maken dat hij alleen van de God van Israël afhankelijk wil zijn. En daar zit de pijn voor Saul. Die God had immers zijn handen van Saul afgetrokken.

Er blijft Saul niet anders over de zich te onderwerpen aan David. Hij erkent zijn fouten en hij erkent dat David hier het beste handelt, gezegend is door God en Saul zal opvolgen als Koning. David zelf blijft zijn handelen als onbeduidend aanduiden. Hij is slechts een vlo waarop de Koning met een grote legermacht vergeefs jacht maakt. Komen de beide kemphanen nu bij elkaar? Is het vergeven dat in dit gesprek doorklinkt nu een nieuw begin voor beide deelnemers aan het gesprek? Niks er van. Ze blijven wie ze zijn en al sluiten ze vrede met elkaar uiteindelijk gaan ze beiden hun eigen weg. Saul terug naar de hoofdstad en David verder de bergen in. Vrede sluiten is dus kennelijk belangrijker dan samen opnieuw beginnen.

 

Ik ga mee

1 Samuël 26:1-12

1 Enkele inwoners van Zif waren naar Gibea gegaan om Saul te vertellen: ‘Weet u wel dat David zich schuilhoudt op de Chachila, tegenover de Jesimon?’ 2 Onmiddellijk vertrok Saul met drieduizend man, die tot de beste soldaten van Israël behoorden, naar de woestijn van Zif om David te zoeken. 3 Op de Chachila aangekomen sloeg hij zijn kamp op langs de kant van de weg. David, die daar in de buurt verbleef, merkte dat Saul achter hem aan was gekomen 4 en stuurde verkenners uit. Zodra hij wist waar Saul zich precies bevond, 5 ging hij naar de plaats waar die zijn kamp had opgeslagen. Daar zag hij waar de slaapplaats was van Saul en zijn opperbevelhebber Abner, de zoon van
Ner. Saul lag in het midden van het kamp; daaromheen waren de soldaten gelegerd. 6 ‘Wie gaat er met me mee het kamp in, naar Saul?’ vroeg hij aan zijn metgezellen, de Hethiet Achimelech en Abisai, die een zoon van Seruja was en een broer van Joab. ‘Ik ga mee,’ antwoordde Abisai. 7 Gedekt door de duisternis slopen David en Abisai tussen de soldaten door. Daar, omringd door Abner en de soldaten, lag Saul te slapen, met zijn speer naast zijn hoofd in de grond gestoken. 8 ‘Vandaag heeft God je vijand aan je uitgeleverd,’ zei Abisai tegen David. ‘Laat mij hem met zijn eigen speer aan de grond nagelen. Eén gerichte stoot en het is met hem gedaan.’ 9 ‘Nee, dood hem niet,’ antwoordde David. ‘Niemand heft ongestraft zijn hand op tegen de gezalfde van de HEER. 10 Zo waar de HEER leeft, Hijzelf zal Saul treffen: hetzij doordat hij een natuurlijke dood sterft wanneer zijn tijd gekomen is, hetzij doordat hij ten oorlog trekt en sneuvelt. 11 De HEER verhoede dat ik mijn hand ophef tegen zijn gezalfde! Kom, pak de speer daar bij zijn hoofdeind, en de waterkruik, dan gaan we.’ 12 David nam de speer en de waterkruik mee die bij Sauls hoofdeind stonden, en zo verlieten ze het kamp. Niemand had iets gezien, niemand had iets gemerkt, niemand was wakker geworden. Ze lagen allemaal vast te slapen, want de HEER had hen in een diepe slaap gedompeld. (NBV21)

Gerechtvaardigde woede hoeft je dus niet tot doden te brengen. Dat is de les die David kan trekken uit de ontmoeting met Nabal en Abichaïl. En Abichaïl zal hem er ongetwijfeld aan herinnerd hebben als hij eenmaal met haar getrouwd is. Maar hoe zit het dan als iemand er op uit is jou te doden? Is dat geen reden om die vijand uit te schakelen? Hoe gaat een Koning naar Gods hart daar mee om? Als die vijand je toevalt en alleen en nietsvermoedend zich in jouw grot begeeft en dus aan jou is overgeleverd dan hoef je die vijand dus niet te doden. Dan kun je laten zien dat die vervolging eigenlijk overbodig is want dat die vijand niets van jou te vrezen heeft. Dat heeft David er toe gebracht om zich te beperken tot het afsnijden van een reep van de koningsmantel en de koning nog eens aan te spreken.

Maar helpt dat? Zijn de eden die die koning zweert, is het verbond met die koning, betrouwbaar? David had zijn taak gevonden. Samen met zijn legertje beschermde hij in de bergen en de woestijn de herders en boeren tegen diefstal en plundering. Met succes hebben we kunnen lezen in het verhaal van David en Abichaïl. Maar de inwoners van de Zifwoestijn hebben het nog steeds niet erg op met een krijgsheer als David, gezocht door de wettige koning en met een groeiend leger waar ze ook nog belasting aan moesten betalen. Moesten ze nu de wraak van de koning vrezen of de wraak van de krijgsheer David? Om dat uit te vinden gaan ze naar koning Saul en vertellen hem precies waar David verblijft.

Hijzelf zal Saul treffen. Als Saul dat goed vindt hebben ze verder niets te vrezen, als Saul kwaad wordt dan zal hij zijn woede richten op David en zijn leger. In beide gevallen zijn de inwoners van Zif goed af. Saul wordt inderdaad kwaad en verzamelt opnieuw een leger van drieduizend man en trekt op tegen de zeshonderd man van David. David was al verder de woestijn ingetrokken en heeft zijn reactie nu zelf in de hand. Hij zet verspieders uit en laat zich nauwgezet informeren over de bewegingen van het Koninklijk leger. Als de legerplaats is ontdekt en iedereen slaapt gaat David zelf met zijn neef Abisai op verkenning uit. Iedereen blijkt in diepe slaap verzonken. Zo komen de twee ongemerkt in de tent van de Koning die daar samen met zijn generaal Abner ligt te slapen. Opnieuw weigert David van de situatie ten eigen bate gebruik te maken. Hij steelt de waterkruik en de speer van Saul maar laat hem in leven.

 

Uit het hart komen boze gedachten

Matteüs 15:10-20

10 Nadat Hij de mensen bij zich geroepen had, zei Hij tegen hen: ‘Luister en kom tot inzicht. 11 Niet wat de mond in gaat maakt een mens onrein, maar wat de mond uit komt, dat maakt een mens onrein.’ 12 Daarop kwamen de leerlingen bij Hem en zeiden: ‘Weet U dat de farizeeën uw uitspraak gehoord hebben en dat ze die aanstootgevend vinden?’ 13 Hij antwoordde: ‘Elke plant die niet door mijn hemelse Vader is geplant, zal met wortel en al worden uitgerukt. 14 Laat ze toch, die blinde blindengeleiders! Als de ene blinde de andere leidt, vallen ze samen in een kuil.’ 15 Toen stelde Petrus de vraag: ‘Wilt U ons die uitspraak uitleggen?’ 16 Jezus zei: ‘Begrijpen ook jullie het dan nog steeds niet? 17 Zien jullie dan niet in dat alles wat de mond in gaat in de maag terechtkomt en in de beerput weer verdwijnt? 18 Wat daarentegen de mond uit gaat komt uit het hart, en die dingen maken een mens onrein. 19 Want uit het hart komen boze gedachten, moord, overspel, ontucht, diefstal, valse getuigenissen en laster. 20 Dát maakt een mens onrein, niet eten met ongewassen handen.’ (NBV21)

Een discussie is niet zo maar afgelopen als je de ander beschadigd hebt. De wet van het handen wassen staat wel degelijk in de Tora. De volgelingen van Jezus hadden een andere richtlijn van de Tora voorrang gegeven, de aren langs de kant van een graanakker waren bestemd voor de armen. Wij weten enkele eeuwen later dat dat handen wassen een heel verstandige regel is, het voorkomt ziekten. Maar de reinheid waar de Tora over spreekt heeft een ander doel, het moet voorkomen dat de samenleving in het volk verziekt raakt. De zogenaamde spijswetten, wat je wel en niet mag eten maken je heel erg bewust van het eten dat je nuttigt. Omdat je veel niet mag eten rijst ook de vraag of iedereen wel genoeg heeft en ook daarvoor mag je zorgen.

Jezus wijst er daarom op dat niet het eten zelf onrein maakt. Wat er boven in gaat komt er onder weer uit en wordt afgevoerd. Het gaat om de gezindheid, de mentaliteit waarmee je zaken als eten en drinken benaderd. Wordt de samenleving er beter of slechter van. Als de armen zwakker worden en minder voor zichzelf en hun naasten kunnen zorgen vanwege een al te gemakkelijke handtering van de sabbatswetten dan is die handtering fout. Jezelf beter vinden dan een ander is namelijk altijd fout. Oordelen over een ander is ook fout. Je mag best een ander herinneren aan verstandige handelingen maar die ander blijft de vrijheid houden anders te handelen als jij goed vindt.

Uitgaan van helpen in plaats van recht hebben is de mentaliteit die Jezus vraagt. Als je moet wachten op een smalle gracht omdat er iets uitgeladen moet worden, waarom dan niet even helpen met uitladen? Wel eens zien gebeuren? Heb je naaste lief als jezelf, jezelf niet vergeten lief te hebben en van binnenvetten wordt je maar dik, maar er is niets tegen af en toe een hand uit te steken, het is vaak vruchtbaarder dan een grote mond op te zetten. Dat is ook het bezwaar tegen die hele discussie over fatsoensnormen. Daarbij lijkt het er op dat de normen zelf belangrijker zijn dan de mensen en de pijn die verkeerde normen mensen kunnen aandoen. Onfatsoenlijk is het om kinderen die hier zijn opgegroeid en geworteld naar voor hen vreemde landen te sturen. Fatsoenlijk is om het recht van kinderen zwaarder te laten wegen. Rechters vinden dat al, nu de politiek nog.

 

Hun hart is ver van Mij

Matteüs 15:1-9

1 Toen kwamen er vanuit Jeruzalem farizeeën en schriftgeleerden naar Jezus. Ze vroegen Hem: 2 ‘Waarom overtreden uw leerlingen de tradities van onze voorouders? Ze wassen hun handen niet voor ze hun brood eten.’ 3 Hij antwoordde hun: ‘En waarom overtreedt u het gebod van God omwille van uw eigen traditie? 4 Want God heeft gezegd: “Toon eerbied voor uw vader en moeder,” en ook: “Wie zijn vader of moeder vervloekt, moet ter dood gebracht worden.” 5 Maar u leert: “Wie tegen zijn vader of moeder zegt: ‘Alles wat van mij is en voor u van nut had kunnen zijn, bestem ik tot offergave,’ 6 die hoeft zijn ouders geen eerbied te tonen.” Zo ontkracht u het woord van God omwille van uw eigen traditie. 7 Huichelaars! Hoe treffend is de profetie die Jesaja over u heeft uitgesproken: 8 “Dit volk eert Mij met de lippen, maar hun hart is ver van Mij; 9 tevergeefs vereren ze Mij, want wat ze onderwijzen zijn voorschriften van mensen.”’ (NBV21)

Iemand heeft eens gezegd dat de regels voor de anderen zijn en de uitzonderingen voor wie de regels hebben gemaakt. Multatuli schijnt eens gezegd te hebben dat principes regels zijn om dingen waar je een hekel aan hebt na te kunnen laten. Twee voorbeelden die laten zien dat het met de regels in alle samenlevingen nogal scheef kan toegaan. Jezus kwam dat tegen toen hij er op gewezen werd dat zijn volgelingen hardnekkige wetsovertreders waren. In het verhaal dat hierboven staat lijkt het of Jezus met dezelfde regels terugslaat. Wie vader en moeder niet eert moet ter dood worden gebracht, en dan niet schijnheilig dat wat van vader en moeder was, of voor vader en moeder bestemd, bestemmen voor het offer in de tempel.

In de Tora spelen de ouders een grote rol. Ze hebben zelfs de 10 geboden gehaald. Eert uw vader en uw moeder. Jezus wijst op een andere richtingwijzer uit de Tora, wie zijn vader en moeder vervloekt kan doodvallen. Zo ga je dus niet met je vader en moeder om, of ze er nu bij zijn of niet. Nooit moet iemand uit Israël vergeten van slaafgemaakte af te stammen. Zoals slaven worden behandeld wil je zelf niet behandeld worden, dus behandel je je ouders op de eerste plaats niet alsof ze slaven waren, zonder waarde met een leven dat net zo goed niet kan bestaan.
De Farizeën hebben een uitweg gevonden. Je ouders eren hoeft niks te kosten. Alles voor de Tempel.

Klinkt wel vroom maar je spaart je eigen bijdrage aan de tempeldienst uit en vader en moeder verhongeren evengoed wel. Daarmee is het ook het hart van de regels blootgelegd. De mensen zijn er niet voor de regels maar de regels zijn er voor de mensen. Veiligheid voor het land gaat bij ons voor alles, die veiligheid is voor iedereen, zorg is er voor individuen, mensen die niet werken, die anderen nodig hebben voor gewone zaken als toiletbeoek, stofzuigen, over straat gaan. Zeg nu zelf waar moeten we ons geld aan uitgeven. Wij zijn voorzichtig met politici, Jezus kon er harder over zijn. Zoals over de Farizeeën: “huichelaars”, zo scheld hij hun uit. Natuurlijk hoef je niet te zwijgen, maar vraag je steeds af of je iets oplost of dat je een probleem veroorzaakt.