Ik zal je straffen.

Ezechiël 11:1-13

1 De geest tilde me weer op en bracht me naar de oostelijke poort van de tempel van de HEER. Daar zag ik vijfentwintig mannen staan, met in hun midden Jaäzanja, de zoon van Azzur, en Pelatja, de zoon van Benaja, twee leiders van het volk. 2 De HEER zei tegen mij: ‘Mensenkind, dit zijn de mannen die in deze stad onheil willen stichten en slechte raad geven. 3 Ze zeggen: “Hier hoeven voorlopig geen huizen te worden gebouwd! In deze stad horen wij thuis als vlees in een pot.” 4 Daarom moet je tegen hen
profeteren, mensenkind.’ 5 Opnieuw werd ik overweldigd door de geest van de HEER, die mij opdroeg te zeggen: ‘Dit zegt de HEER: Israëlieten, Ik hoor wat jullie zeggen, Ik weet wat er in jullie hoofd opkomt. 6 Jullie hebben de dood van velen in deze stad veroorzaakt en de straten met lijken gevuld. 7 Daarom-dit zegt God, de HEER: De mensen die jullie hebben gedood, die zijn het vlees in de pot, maar jullie zal Ik uit de stad verdrijven. 8 Jullie vrezen het zwaard? Met het zwaard zal Ik jullie treffen-spreekt God, de HEER. 9 Ik zal jullie uit de stad verdrijven, Ik zal vreemdelingen over je laten heersen, Ik zal je straffen. 10 Door het zwaard zullen jullie omkomen, waar je ook bent in Israël zal Ik je straffen. Dan zullen jullie beseffen dat Ik de HEER ben. 11 De stad zal jullie pot niet zijn, en jullie zullen het vlees niet zijn: tot aan de grenzen van Israël zal Ik je straffen. 12 Jullie zullen weten dat Ik de HEER ben. Jullie hebben je niet aan mijn bepalingen gehouden en mijn regels niet nageleefd, maar geleefd naar de regels van de volken om je heen.’ 13 Terwijl ik nog aan het profeteren was stierf Pelatja, de zoon van Benaja. Ik wierp me voorover en schreeuwde: ‘Ach HEER, mijn God, gaat U nu ook de rest van het volk nog vernietigen?’ (NBV21)

De hoge heren van het dorp. Wij hebben geleerd tegen ze op te kijken en hoe meer we tegen ze op kijken hoe meer succes ze hebben. Elke dag weer vertellen de media ons tegen wie het meest wordt opgekeken, tegen de een omdat die zogenaamd zegt waarop het staat, tegen de ander omdat die zo integer is, tegen een derde omdat die zoveel ervaring heeft. Ezechiël heeft dat ook. Toen de oudsten van Juda hem in zijn ballingschap kwamen opzoeken kreeg hij visioenen. Over een van die visioenen lezen we vandaag. Niet zomaar een visioen, nee het gaat over belangrijke mensen, de hoge heren van Jeruzalem. Onder aanvoering van de twee leiders van het volk. Soms vraag je je bij dit soort leiders af of het woord leider met een ei of een ij geschreven moet worden. Van de leiders in dit Bijbelgedeelte wordt verteld dat er geen huizen hoeven worden gebouwd in de stad. Een stad in oorlog waar tallozen jammeren over de ellende die ze meemaken.

In de stad horen die leiders thuis als vlees in een pot, dat vinden ze tenminste zelf. Ze sudderen en genieten van de warmte en de heerlijke geuren die rond hen opstijgen. Waarom zou je anderen dat ook gunnen? Dan moet je maar belasting betalen voor mensen die er toch misbruik van maken, dan zit je met lawaai, verkeersopstoppingen en verdelingsproblemen. Nee hun eigen geluk is hun genoeg, als zij het maar goed hebben. De God van Israël maakt andere keuzes. Voor die God zijn het de mensen die jammeren om het onrecht en de ellende die het goede zijn dat de stad bevat. Die leiders hebben de straten gevuld met lijken. De mensen die zich daarom druk maken en de slachtoffers mogen in de stad blijven, die zelfvoldane leiders moeten er uit. Het was dan ook de elite van Jeruzalem die als eerste in ballingschap werd weggevoerd. De oudsten van Juda worden er nog eens aan herinnerd.

Het blijft gaan om de geboden van de God van Israël zoals die in de leer van Mozes zijn opgenomen. Heb God lief boven alles en je naaste als jezelf. Als je die geboden houdt dan wordt je een dienaar, een dienaar van iedereen die onrecht wordt aangedaan, dan ben jij er voor om mensen tot hun recht te laten komen en onophoudelijk het onrecht aan de kaak te stellen. Maar de leiders uit het gedeelte dat we vandaag lezen doen als de volken om Israël heen. Zij moeten het goed hebben, zij mogen gezien worden. Zij vertegenwoordigen het volk, eigenlijk zijn ze zelf goden die door het volk aanbeden moeten worden. Zulke leiders hebben wij ook wel. Hoe mooier hun show er uit ziet hoe beter. Wat de gevolgen zijn voor de slachtoffers van oorlog en geweld doet niet ter zake. Voor de God van Israël kunnen zulke leiders doodvallen. Ezechiël neemt dat eigenlijk niet letterlijk, dat moeten wij ook maar niet doen. Als er iemand van die leiders sterft schreeuwt Ezechiël het uit. Wie er ook sterft, wij mogen er verdriet om hebben, hoe slecht ze ook zijn.

Steek me dood

1 Samuël 31:1-13

1 Ondertussen leverden de Filistijnen slag met de Israëlieten. Het leger van Israël sloeg op de vlucht en velen sneuvelden in het Gilboagebergte. 2 De Filistijnen drongen tot bij Saul en zijn zonen door en doodden zijn drie zonen Jonatan, Abinadab en Malkisua. 3 Toen richtte de strijd zich in alle hevigheid tegen Saul zelf. De Filistijnse boogschutters hadden hem al onder schot, en Saul werd zo bang 4 dat hij zijn wapendrager beval: ‘Trek je zwaard en steek me dood, want ik wil niet dat die onbesnedenen me doorboren en zich op me gaan uitleven.’ Maar de wapendrager schrok ervoor terug en weigerde. Toen nam Saul zelf zijn zwaard en stortte zich erin. 5 Toen de wapendrager zag dat Saul dood was, stortte ook hij zich in zijn zwaard en samen met hem vond hij de dood. 6 Zo sneuvelden Saul, zijn drie zonen, zijn wapendrager en al zijn manschappen op een en dezelfde dag. 7 Toen het tot de Israëlieten aan de overkant van de Jordaan en aan de overkant van de vallei van Jizreël doordrong dat het leger van Israël was gevlucht en dat Saul en zijn zonen gesneuveld waren, verlieten zij hun steden en vluchtten weg. De Filistijnen trokken hun steden binnen en namen ze in bezit. 8 De volgende dag kwamen de Filistijnen op het slagveld terug om de gesneuvelden te plunderen. Daar, op de Gilboa, vonden ze de lijken van Saul en zijn drie zonen. 9 Ze sloegen Sauls hoofd af en ontdeden hem van zijn wapenrusting, en lieten in hun hele land boden rondgaan om het nieuws van de overwinning in de tempels van hun goden en aan het hele volk bekend te maken. 10 Sauls wapenrusting kreeg een plaats in de tempel van Astarte en zijn lichaam werd aan de stadsmuur van Bet-San genageld. 11 Toen de inwoners van Jabes in Gilead hoorden wat er was gebeurd, en wat de Filistijnen met Saul hadden gedaan, 12 besloten ze om de lijken van de stadsmuur van Bet-San weg te halen. Alle weerbare mannen gingen mee. Ze liepen de hele nacht, namen de lichamen van Saul en zijn zonen mee naar Jabes en verbrandden ze daar. 13 Hun gebeente begroeven ze aan de voet van de tamarisk in Jabes, en daarna vastten ze zeven dagen. (NBV21)

Terwijl David achter de Amalekieten aanzat die zijn vrouwen en kinderen en de vrouwen en kinderen van zijn soldaten hadden geroofd ontbrandde in Israël de strijd tussen de legers van de Filistijnen en van Israël. De Filistijnen waren door Sauls keuze van het slagveld diep in Israël binnengedrongen. Geen wonder dat het leger van Israël de schrik om het hart sloeg toen het geweldige leger van de Filistijnen, met haar afdelingen van honderd en haar afdelingen van duizend, eenmaal tot de aanval was overgegaan. Het eerste aanvalsdoel van de Filistijnen was het kamp van koning Saul zelf. Een militaire strategie die ook nu nog wel wordt gehanteerd, schakel de bevelhebber uit, zorg dat de legerleider geen leiding meer kan geven, en de oorlog is al bijna gewonnen. Eerst werden de drie zonen van Saul gedood. Jonatan, de speciale vriend en bondgenoot van David, en de broers van Jonatan Abinadab en Malkisua. Dan volgt een strijd tegen Koning Saul zelf. Hij werd omringt door Filistijnse boogschutters. Tegen een regen van goedgerichte pijlen is zelfs een wapenrusting van brons of ijzer niet bestand.

Saul heeft dus alle reden om bang te worden. Hem was immers door de waarzegster in Endor aangezegd dat hij en zijn familie de dood zouden vinden in de strijd die op handen was. Nu waren zijn zonen al gestorven en ook hij zou voorzeker de dood vinden. Maar beter door de vlucht in de dood nemen dan je door de vijand te laten doden. Daarom vroeg hij zijn wapendrager om hem te doden. Die weigerde het bevel van de Koning. Een gezalfde op last van de God van Israël breng je nu eenmaal niet ter dood. Saul stortte zich daarop maar in zijn eigen zwaard. De wapendrager pleegde daarop ook zelfmoord. De schrijver van het eerste boek Samuël beschrijft dit nauwkeurig. De Filistijnen mogen ook achteraf niet de geschiedenis van Israël ingaan als koningsmoordenaars. Het zal duidelijk zijn dat de Filistijnen de overwinning en de dood van Saul wel op hun eigen rekening hebben geschreven. Nadat het hele volk de woestijn was ingevlucht roofden ze alles leeg, hakten het hoofd van Saul af en namen zijn wapenrusting mee.

Het hele land mocht feest vieren vanwege de grote overwinning die de Filistijnen hadden behaald. De wapenrusting kreeg een plaats in een tempel van Astarte, de vruchtbaarheidsgodin en zijn lijk werd aan de stadsmuur gespijkerd. De inwoners van Jabes waren hierover zo ontsteld dat ze alle overgebleven mannen verzamelden, een hele nacht doormarcheerden, de lijken van Saul en zijn zonen in beslag namen, cremeerden en begroeven onder de centrale boom van de stad. Zo kwam er een einde aan de Koning die het volk aan Samuël had gevraagd, een koning zoals ook de heidenen hun koningen hadden. Telkens weer als wij leiders van kerk, stad, provincie of land moeten kiezen worden we door de Bijbel opgeroepen aan Saul en David terug te denken. Voor wie kiezen we, voor een koning die uit is op eer en glorie, of een koning die uit is op bescherming en zorg voor de minsten in de samenleving. Die zorg mogen we ook zelf verrichten, elke dag opnieuw, zodat we een goede keuze maken als het er op aankomt.

 

Samen delen.

1 Samuël 30:16-31

16 De Egyptenaar leidde David naar het kamp van de Amalekieten. Daar zaten ze, in groepjes verspreid, te eten en te drinken. Ze deden zich tegoed aan de rijke buit die ze in het land van de Filistijnen en in Juda hadden vergaard. 17 De volgende dag overviel David hen en bestookte hen van de vroege ochtend tot de late avond. Niemand ontkwam, op vierhonderd jongemannen na, die op hun dromedarissen wegvluchtten. 18 David maakte de Amalekieten alles afhandig wat ze hadden weggeroofd; ook zijn beide vrouwen bevrijdde hij. 19 Niet het minste of geringste van de buit ontbrak: alle kinderen waren er nog en alles wat ze verder maar hadden meegenomen. Alles werd door David mee teruggevoerd. 20 Hij legde beslag op hun schapen, geiten en runderen; die werden meegevoerd, voor hun eigen vee uit. ‘Dit is Davids buit,’ zo zeiden ze. 21 Toen David weer terugkwam in het dal van de Besor, werden hij en zijn mannen opgewacht door de tweehonderd man die daar waren achtergebleven omdat ze te moe waren om met hem mee te gaan. Hij ging naar hen toe en begroette hen hartelijk. 22 Onder de mannen die met David waren meegegaan, was echter een aantal kwaadwillige lieden, die zeiden: ‘Omdat zij niet met ons zijn meegegaan, krijgen ze niets van wat wij hebben buitgemaakt. Ze kunnen hun eigen vrouwen en kinderen terugkrijgen en dan moeten ze maar gaan.’ 23 Maar David zei: ‘Nee, mannen, geen sprake van. Het gaat hier om een geschenk van de HEER: Hij heeft ons gespaard en de bende die ons had overvallen aan ons uitgeleverd. 24 Denken jullie dat iemand het met jullie eens is? Nee, degenen die hebben deelgenomen aan de strijd krijgen evenveel als degenen die zijn achtergebleven om de spullen te bewaken: ze moeten de buit samen delen.’ 25 En zo gebeurde het voortaan. Deze regel, die door David is ingesteld, geldt in Israël tot op de dag van vandaag. 26 Terug in Siklag stuurde David een deel van de buit aan de oudsten van Juda, zijn vrienden. ‘Hier is voor u een geschenk uit de buit die wij op de vijanden van de HEER veroverd hebben,’ luidde de boodschap. 27 Het betrof de oudsten van Betuel, Ramot-Negev en Jattir, 28 Aroër, Sifmot, Estemoa 29 en Rachal, van de steden van de Jerachmeëlieten en de Kenieten, 30 van Chorma, Bor-Asan, Atach 31 en Hebron, kortom van alle plaatsen die David en zijn mannen tijdens hun omzwervingen hadden aangedaan. (NBV21)

Het verslaan van de Amelakieten was eenvoudig. Ze hadden zo veel buit meegenomen dat ze zich bij de eerste gelegenheid al te goed deden aan al het eten en drinken dat ze op het leger van David hadden buit gemaakt. David zou immers met zijn leger mee doen in de oorlog tussen de Filistijnen en Israël? Dat David met zijn leger terug zou keren naar Siklag was niet bij ze opgekomen. De oorlog tussen Filistijnen en Israël was een grote oorlog waarin elke strijder welkom was. David veroverde dus de laffe Amelakieten en sloeg ze dood. Behalve 400 jonge soldaten die er op hun kamelen vandoor gingen. Ook al wil God dat, het kwaad is door mensen nooit helemaal uit te roeien en God had uitdrukkelijk bevolen alle Amelakieten te doden.

Als vrouwen en kinderen zijn bevrijd, het bezit van een ieder is veilig gesteld en extra buit is veroverd delen ook de soldaten die niet hebben meegevochten mee. Zo stel je ook voor de toekomst de achterhoede en de aanvoer van voedsel, wapens en munitie veilig. Het wordt een regel die voor elk leger van Israël in de toekomst zal gelden. Door het op deze manier te vertellen kan die regel niet meer ter discussie staan en vaak zal het gebeuren dat strijders die met gevaar voor eigen leven gevochten hebben teleurgesteld kijken naar de buit die ook de achterblijvers ten goede komt. En natuurlijk zal een Koning ook de politiek niet vergeten. David stuurt een deel van de buit naar de oudsten van Juda en naar de stammen die verbonden waren met Juda en die nu slachtoffer geworden waren van de Amalekieten.

Niemand wordt vergeten en iedereen mag meedoen. Pas door echt te delen wordt je sterk. Dat is eigenlijk de boodschap die van het handelen van de Koning naar Gods hart uitgaat. Dat mogen wij ons ook aantrekken, als de raden van commissarissen  bonussen en bovenmatige beloningen toekennen aan de hoogste leiding van een bedrijf dat de lager betaalden op straat zet om winst veilig te stellen. Het niemand vergeten en iedereen mee laten doen mag ook daar gaan gelden. De herbewapening laten betalen door de zieken, gehandicapten en werklozen is natuurlijk helemaal uit den boze, dat nooit. Wij kunnen dat laten zien door voor de minsten te zorgen, elke dag opnieuw, ook vandaag weer.

 

Te uitgeput

1 Samuël 30:1-15

1 Drie dagen later kwamen David en zijn mannen bij Siklag aan. Tijdens hun afwezigheid hadden de Amalekieten een plundertocht ondernomen in de Negev; ook Siklag hadden ze overvallen. Ze hadden de stad in de as gelegd 2 en de vrouwen, van jong tot oud, als gevangenen weggevoerd. Er was niemand gedood, maar ze hadden de vrouwen op hun tocht meegevoerd. 3 Toen David en zijn mannen bij Siklag aankwamen en zagen dat de stad in de as was gelegd en dat hun vrouwen en kinderen waren weggevoerd, 4 begonnen ze luidkeels te jammeren, tot ze geen kracht meer hadden om te huilen. 5 Ook de beide vrouwen van David waren verdwenen: Achinoam uit Jizreël en Abigaïl, de vroegere vrouw van Nabal uit Karmel. 6 David kreeg het zwaar te verduren, want zijn mannen waren zo verbitterd over het verlies van hun kinderen dat ze hem dreigden te stenigen. Daarom zocht hij steun bij de HEER, zijn God. 7 Hij vroeg de priester Abjatar, de zoon van Achimelech, om met het priestergewaad bij hem te komen. Abjatar kwam met het priestergewaad 8 en David raadpleegde de HEER: ‘Moet ik deze bende achtervolgen? Zal ik ze inhalen?’ ‘Ja,’ antwoordde de HEER. ‘Achtervolg hen; je zult ze zeker inhalen en de gevangenen bevrijden.’ 9 David ging met zijn zeshonderd mannen op weg. Bij het dal van de Besor gekomen hielden de achterblijvers halt, 10 tweehonderd man die te uitgeput waren om het dal over te steken. Met
vierhonderd man zette David de achtervolging voort. 11 Onderweg vonden ze een Egyptenaar, die bij David werd gebracht. Ze gaven hem wat te eten en te drinken. 12 Toen hij een plak gedroogde vijgen en twee plakken rozijnen gegeten had, kwam hij weer op krachten; hij had namelijk drie dagen en drie nachten niets gegeten of gedronken. 13 Daarna vroeg David hem bij wie hij hoorde en waar hij vandaan kwam, en hij antwoordde: ‘Ik ben een Egyptenaar, de slaaf van een Amalekiet. Toen ik drie dagen geleden ziek werd, heeft mijn meester me achtergelaten. 14 We waren op plundertocht in de Negev en hebben overvallen gepleegd op de Keretieten, de Judeeërs en de Kalebieten; en Siklag hebben we in de as gelegd.’ 15 ‘Kun jij me de weg wijzen naar jullie bende?’ vroeg David. ‘Jawel,’ antwoordde de Egyptenaar, ‘maar zweer me dan bij God dat u me niet zult doden of aan mijn meester uitleveren.’(NBV21)

Dat was maar een laf zootje, die bende van de Amalekieten. Die stelden zich niet op voor de strijd zoals normale vijanden deden, zoals Israël dat zelf ook deed, maar die vielen altijd in de rug aan, op de zwakste plekken. Zo gebeurde dat ook in deze oorlog. Terwijl de Filistijnen en Israël met grote legers posities tegen over elkaar hadden ingenomen waren de Amelekieten op rooftocht uitgegaan. Daarbij waren ze gestuit op een stadje waar alleen maar vrouwen en kinderen woonden, Siklag, de stad van David en zijn mannen. Voor getrainde krijgers was een stadje met alleen maar vrouwen en kinderen een gemakkelijk te veroveren buit.  En een rijke buit. Je kon de mooiste vrouwen voor jezelf uitzoeken en de rest, de kinderen ook, verkopen als slaaf.

Amalekieten worden in de Bijbel altijd als voorbeeld gesteld van laf optreden. In de woestijn hadden ze de vermoeide Israëlieten in de rug aangevallen. De God van Israël had het volk uiteindelijk opgedragen een eeuwig durende wraak op de Amelekieten te zweren. Maar het verhaal staat ook nog in het teken van de tegenstelling tussen een Koning zoals de Heidenen hebben en een Koning naar Gods hart. Die Koning zoals de Heidenen hebben was verlaten door de God van Israël.  Saul bleef geen andere weg dan in de nacht naar een waarzegster gaan om nog eens van de Geest van Samuël te horen dat hij en zijn familie de dood in de oorlog zouden vinden. Voor de Koning naar Gods hart lonkt een andere weg. David en zijn manschappen zijn in één klap alles kwijtgeraakt, vrouwen, kinderen, huis en bezit.

De stad is platgebrand. Samen rouwen ze zoals gewoon was, huilen tot er geen tranen meer waren. Dan stelt een deel de aanvoerder verantwoordelijk. Die had hen steeds meegenomen op zijn avonturen. Net als Saul krijgt David het benauwd. Maar waar Saul geen antwoorden krijgt van de God van Israël, krijgt David die antwoorden wel via de priestermantel van Abjatar en de dobbelstenen die daarin zaten. En zo gaat men achter de Amalekieten aan. Het leven van mensen telt bij de Amalekieten niet. De slaaf die ziek werd is achtergelaten om te sterven van de honger. Bij David tellen mensenlevens wel. Zelfs vermoeide soldaten krijgen een plek en een taak in het geheel van zijn leger. Bij David gaat het om zorg voor mensen. Daar mogen wij een voorbeeld aan nemen. Gaat het bij ons om eerst voor ons zelf te zorgen en dan pas voor anderen? Het lijkt er op, zeker als kinderen aankloppen omdat ze zo lang op ons antwoord moesten wachten. Laten we luisteren naar voorbeelden als David.

 

Een goede zaak

1 Samuël 29:1-11

1 De Filistijnen hadden zich verzameld in Afek; de Israëlieten lagen in de buurt van de bron bij Jizreël. 2 De Filistijnse stadsvorsten hielden troepenschouw. De manschappen trokken in afdelingen van honderd en duizend voorbij. In de achterste gelederen liepen David en zijn mannen met het leger van Achis mee. 3 ‘Wat doen die Hebreeën hier?’ vroegen de Filistijnse bevelhebbers zich af. ‘U kent David toch wel, de vroegere dienaar van Saul, de koning van Israël,’ zei Achis. ‘Het is nu al meer dan een jaar geleden dat hij naar mij is overgelopen, en al die tijd heb ik niets op hem aan te merken gehad.’ 4 Maar de Filistijnse bevelhebbers waren woedend en zeiden tegen hem: ‘Stuur die man terug naar de woonplaats die u hem hebt toegewezen. Onder geen beding mag hij met ons ten strijde trekken. Stel dat hij zich tegen ons keert in het gevecht! Hij zou zijn heer toch nergens een groter plezier mee doen dan met de hoofden van onze mannen? 5 Dit is toch die David over wie ze triomfantelijk gezongen hebben: “Saul versloeg ze bij duizenden, David bij tienduizenden!”’ 6 Toen riep Achis David bij zich en zei tegen hem: ‘Zo waar de HEER leeft, ik ben ervan overtuigd dat u te vertrouwen bent. Ik vind het een goede zaak dat u aan mijn veldtochten meedoet, want vanaf de dag dat u naar mij toe bent gekomen tot nu toe heb ik niets op u aan te merken gehad. Maar de andere stadsvorsten moeten niets van u hebben. 7 Ga daarom terug naar huis. Ga in vrede, en doe niets waar de Filistijnse stadsvorsten aanstoot aan zouden kunnen nemen.’ 8 ‘Wat heb ik dan misdaan, heer?’ riep David uit. ‘Waarom mag ik niet deelnemen aan de strijd tegen de vijanden van mijn heer en koning? Al die tijd dat ik bij u in dienst ben, hebt u toch nooit iets op me aan te merken gehad?’ 9 ‘Nee, ik weet het,’ antwoordde Achis. ‘Ik voor mij vertrouw u alsof u door God zelf gestuurd was, maar onze bevelhebbers zijn er fel op tegen dat u met ons ten strijde trekt. 10 Morgenochtend vroeg moet u vertrekken, en de soldaten van uw heer die met u zijn meegekomen ook. Morgenochtend vroeg, zodra het licht wordt, moet u gaan.’ 11 De volgende morgen vroeg ging David met zijn mannen terug naar het land van de Filistijnen. De Filistijnen zelf trokken op naar Jizreël. (NBV21)

Zo staat David dus op het punt met zijn legertje mee te gaan vechten in het leger van de Filistijnen. Het zijn de Filistijnen die hem echter beschermen tegen het plegen van broedermoord. De stadsvorsten van de Filistijnen nemen voor de slag tegen Israël eerst een parade af. Alle troepen marcheren langs hen heen. Het is een keurige parade van een echt beroepsleger. Afdelingen van honderd en afdelingen van duizend marcheren zoals het hoort. Helemaal achteraan komt het guerrillaleger van David. De mannen die zijn gevlucht voor Saul. De broers en andere familieleden van David zijn er ook bij. Zij vormen de lijfwacht van Achis de koning van Gad. De stadsvorsten van de Filistijnen zijn hoogst verbaasd als ze deze formidabele tegenstander achter aan hun eigen leger zien marcheren. Er ontstaat een discussie. De Filistijnse bevelhebbers gaan in discussie met Koning Achis. Wat zijn dat voor mensen, die Hebreeërs? Al eerder hadden Hebreeërs met hen meegevochten.

Maar toen Saul en later ook David hun duizenden en tienduizenden versloegen waren de Hebreeërs overgelopen naar het leger van Israël. Nu liepen de Hebreeërs weer mee in de parade die aan de slag vooraf ging. Achis legt het nog een keertje uit. Het is al meer dan een jaar geleden dat David met zijn mannen was overgelopen naar Achis en daar had die koning ruim een jaar het nodige plezier van gehad. maar de Filistijnse bevelhebbers waren David helemaal niet vergeten. Dit moet een list zijn. Als dit legertje hen in de rug gaat aanvallen dan nemen ze de hoofden van de soldaten straks mee naar hun eigen koning. Die Saul had ze verslagen bij duizenden maar David bij tienduizenden. Niet langer zijn het de vrouwen van Israël die het zingen, nu zingen de Filistijnen het ook. Achis kan niet anders dan David terugsturen naar de stad die hij hem gegeven had. Met excuses en nog eens de verzekering dat David zeker te vertrouwen is. Met de verzekering ook dat Achis nooit iets aan te merken heeft gehad op David.

Met de erkenning dus ook dat Achis zoveel buit kreeg dat hij zich nooit had afgevraagd waar de krijgsgevangenen waren gebleven. David had immers iedereen gedood zodat niemand had kunnen vertellen wat David eigenlijk gedaan had, bondgenoten van Achis en de Filistijnen in de pan gehakt. David verdedigt zich dus nu maar weer eens. Niet met het argument dat hij de vijanden van Archis al eerder had aangevallen maar met het argument dat Argis nooit iets op hem aan te merken had gehad. Maar dat kon dus niet de doorslag geven. Zo werd David beschermd tegen het plegen van broedermoord, hij ging met zijn mannen terug naar het land van de Filistijnen en de Filistijnen zelf trokken op naar de vlakte van Jizreëel in Israël. Later zou men zeggen dat de God van Israël had geholpen, maar dat staat dus niet in de Bijbel. Wat er staat is dat als we blijven geloven in die betere wereld die de God van Israël heeft beloofd het ook in moeilijke situaties wel goed zal komen met zijn plan. Daar mogen we dus elke aan blijven werken, ook vandaag weer.

 

Omwille van u

Romeinen 11:25-36

25 Er is, broeders en zusters, een goddelijk geheim dat ik u niet wil onthouden, omdat ik wil voorkomen dat u op uw eigen inzicht afgaat. Een deel van Israël is onbuigzaam geworden, en dat blijft zo totdat de andere volken voltallig zijn toegetreden. 26 Dan zal heel Israël worden gered, zoals ook geschreven staat: ‘De redder zal uit Sion komen, en wentelt dan de schuld af van Jakobs nageslacht. 27 Dit is mijn verbond met hen, wanneer Ik hun zonden wegneem.’ 28 Omwille van u zijn ze Gods vijanden geworden door het evangelie af te wijzen, maar toch blijven ze Gods geliefden omwille van de aartsvaders, die Hij heeft uitgekozen. 29 De genade die God schenkt neemt Hij nooit terug, wanneer Hij iemand roept maakt Hij dat niet ongedaan. 30 Zoals u God eens ongehoorzaam was, maar door hun ongehoorzaamheid nu Gods barmhartigheid hebt ondervonden, 31 zo zijn ook zij nu ongehoorzaam om door de barmhartigheid die u ondervonden hebt, ook zelf barmhartigheid te ondervinden. 32 Want God heeft ieder mens uitgeleverd aan de ongehoorzaamheid, opdat Hij voor ieder mens barmhartig kan zijn. 33 Hoe onuitputtelijk zijn Gods rijkdom, wijsheid en kennis, hoe ondoorgrondelijk zijn oordelen en hoe onbegrijpelijk zijn wegen. 34 Wie kent de gedachten van de Heer, wie was ooit zijn raadsman? 35 Wie heeft Hem iets gegeven dat door Hem moest worden terugbetaald?’ 36 Alles is uit Hem ontstaan, alles is door Hem geschapen, alles heeft in Hem zijn doel. Hem komt de eer toe tot in eeuwigheid. Amen. (NBV21)

En dan te bedenken dat er in de geschiedenis van het Christendom mensen waren die het Oude Testament maar wilden afschaffen omdat het volk Israël afgedaan zou hebben. Niets is minder waar. Paulus schrijft hier dat er zich binnen zijn volk een scheiding heeft voltrokken zodat aan alle Heidenen het Evangelie verkondigd zal worden. En als alle Heidenen, wij dus, zullen geloven en het heb Uw naaste lief als Uzelf in de praktijk zullen brengen dan zal ook het volk waar Paulus uit voortkomt zich bekeerd blijken te hebben. Wat belangrijker is, is hier nog eens te lezen dat wat God begonnen is hij ook zal afmaken. Zorgen om al die jonge mensen die de kerk verlaten hoeven we dus niet te hebben. We moeten ons zorgen maken over de taal die we in de kerken spreken, over de vormen die we hanteren. Soms klinkt de muziek wel erg hedendaags en op jongeren afgestemd maar de taal waarin gesproken wordt is de taal van negentiende-eeuwse opwekkingsbewegingen en zeker niet de eenentwintigste-eeuwse taal van de liefde.

Geen wonder dat ondanks de mooie muziek en ondanks de goede sfeer mensen na verloop van tijd ook daar afhaken. Ondertussen zijn de gemeenschappen van gelovigen wel uit de samenleving, uit het publieke domein, verdwenen. Slechts af en toe en dan nog mondjesmaat vind je christenen terug. Gelukkig meestal bij de armsten en de zwaksten in de samenleving. Bij de voedselbanken en wereldwinkels, in de asielzoekerscentra, in het geven van vrijwillige taallessen aan vreemdelingen, bij telefonische hulpdiensten, in bezoekgroepen voor gevangenen, in ziekenhuizen en verpleegtehuizen sjouwend met de patiënten en bewoners. Binnen in de kerken hoor je daar vaak weinig over, zelf komen die christenen al helemaal niet aan het woord en dat is jammer. Zij hebben verhalen over hoe God werkt in deze tijd. Zij hebben verhalen over hoe het licht van God schijnt in de ogen van mensen die zij de hand hebben mogen toesteken. Die verhalen houden het verhaal over de God van Abraham, Izaäk en Jacob levend.

Wie zoekt naar het verhaal over het bestaan van God moet daar zijn oor te luisteren leggen. Dat bestaan gaat alle verstand te boven, dat bestaan beantwoord aan geen van de criteria die daar in wetenschap en filosofie voor ontwikkeld zijn, dat bestaan is alleen te vinden in de onbaatzuchtige liefde die mensen ondanks zichzelf hebben voor hun naaste. Die mensen die daarin geloven en daaraan vasthouden zijn van dag tot dag dankbaar dat ze dat mogen doen en ervaren, iets anders krijgen ze er niet voor terug. Ze weten dat ze de Liefde van God er niet mee verdienen. Soms zijn de mensen die ze helpen zelfs kwaad op ze, soms wordt er misbruik van hun goedheid gemaakt. Nog niet zo lang geleden is een dergelijke vrijwilliger zelfs tijdens het werk vermoord. Maar ze hebben de verhalen over hun God, ze hebben die nodig om het vol te houden, om door te zetten. Die verhalen zijn begonnen in de Bijbel en aan die verhalen mogen we ze leren herkennen, en ze worden verteld tot op de dag van vandaag. Een kwestie van luisteren, ook vandaag weer.

 

Zodat ik geënt kon worden

Romeinen 11:13-24

13 En tegen u, afkomstig uit die andere volken, zeg ik: Het is waar dat ik een apostel voor de heidense volken ben, maar ik schat mijn taak juist dáárom zo hoog 14 omdat ik hoop afgunst bij mijn volksgenoten op te wekken en een deel van hen te redden. 15 Als God, toen zij afvallig werden, de wereld met zich heeft verzoend, zal Hij zeker, wanneer zij opnieuw aangenomen worden, leven schenken uit de dood! 16 Als een klein deel van het deeg aan God gewijd is, is al het andere deeg het ook; als de wortel heilig is, zijn de takken het ook. 17 En als nu sommige takken van de edele olijfboom zijn afgebroken en u, loten van een wilde olijfboom, tussen de overgebleven takken bent geënt en mag delen in de vruchtbaarheid van de wortel, 18 dan moet u zich niet boven de takken verheffen. Als u dat doet, moet u goed bedenken dat niet u de wortel draagt, maar de wortel u. 19 Maar nu zult u tegenwerpen: ‘Die takken zijn toch afgebroken zodat ik geënt kon worden?’ 20 Zeker, ze zijn afgebroken vanwege hun ongeloof en u dankt uw plaats aan uw geloof. Wees daarom echter niet hoogmoedig, maar heb ontzag voor God: 21 als Hij de oorspronkelijke takken al niet heeft gespaard, zou Hij u dan wel sparen? 22 Weet dat God goed is én streng. Hij is streng voor wie gevallen zijn, maar goed voor u-als u tenminste trouw blijft aan zijn goedheid, want anders wordt ook u afgekapt. 23 En als de Israëlieten niet volharden in hun ongeloof, zullen ook zij worden geënt, want God is bij machte hen opnieuw te enten. 24 Immers, als u die van nature een tak van de wilde olijfboom bent, tegen de natuur in op de edele olijfboom bent geënt, hoeveel eerder zullen zij die er van nature bij horen dan niet op hun eigen boom worden geënt! (NBV21)

Voor ons Heidenen is het geloof in Jezus van Nazareth de eerste voorwaarde, hem na te volgen is immers gelijk aan het dienen van de God van Abraham, Izaäk en Jacob. Het je naaste lief hebben als jezelf is immers die God liefhebben boven alles. Maar dat gebod van heb je naaste lief als jezelf is een gebod dat ook de Joden hebben te volgen. Het was een Joods religieus leider die dit gebod als samenvatting van de hele Tora gaf op de vraag van Jezus van Nazareth wat het belangrijkste gebod is. Terugkijkend op de geschiedenis past het de Christenheid schuld te bekennen tegenover de Joden. We zullen begrip moeten opbrengen voor het ongeduld dat soms spreekt uit het Nieuwe Testament. De Joodse schrijvers daarvan hadden de ontdekking die ze hadden gedaan, dat de liefde van God zich ook uithoudt door de dood heen en dat je werk voor de betere wereld geen beloning hoeft omdat het al vaststaat dat die betere wereld er komt, graag samen met alle Joden uitgedragen onder de Heidenen. Maar kennelijk heeft God een scheiding in stand gehouden om ook de Christenen te toetsen in hun gevoel voor broederschap.

We moeten dus ook voor God schuld belijden want van broederschap is geen sprake. Antisemitisme is in onze wereld aanwezig tot op de dag van vandaag en zelfs in ons parlement gaan soms stemmen op om de ontkenning van de grootste moord op Joden in de geschiedenis, de Holocaust, niet langer strafbaar te stellen. Die Holocaust zou ons ver moeten drijven van elke neiging in ons land een onderscheid te maken tussen mensen op grond van hun geloof of afkomst. Mensen horen alleen beoordeeld te worden op hun daden tegenover anderen. Goed heet dan goed, kwaad heet dan kwaad. Maar het kwaad van het maken van onderscheid op grond van geloof en afkomst krijgt meer en meer aanhang. De volgers van Jezus van Nazareth zullen moeten inzien dat bestrijding daarvan heel hard nodig is, ze komen anders in de positie die de vervolgers van Joden door de eeuwen heen hadden en die de Christenheid zo’n zwarte rand hebben gegeven. Dat nooit, aan het werk dus tegen discriminatie en angst voor de Islam.

Gelukkig zijn er nog een heleboel mensen buiten de kerk die eigenlijk wel hun naaste lief zouden willen hebben als zichzelf. Als we die nu eens kunnen overtuigen van het feit dat dat samen veel gemakkelijker gaat dan alleen, en dat dat in die kerk bij hun in de buurt eigenlijk ook nog wel zo leuk kan zijn. Misschien moeten we ze eens meevragen, uitnodigen, zodat ze geënt kunnen worden door God. Juist in de kerk worden we geïnspireerd dat werk aan die wereld van God vol te houden, zoals Paulus dat volhield ondanks alle keren dat hij in de gevangenis zat en vervolgd werd. Ondanks de tegenwerking die hij kreeg van zijn volksgenoten en soms zelfs van zijn geloofsgenoten. En in de kerk worden vragen gesteld bij wat je goed denkt te doen. Doe je dat voor jezelf? Om later een beter plaatsje te verdienen? Of doe je dat ondanks jezelf, wetend dat het niets oplevert. Die vragen zijn elke dag opnieuw belangrijk.

 

Wat betekent dit alles?

Romeinen 11:1-12

1 Dan is nu mijn vraag: heeft God zijn volk soms verstoten? Beslist niet. Ik ben immers zelf een Israëliet, een nakomeling van Abraham, afkomstig uit de stam Benjamin. 2 God heeft zijn volk, dat Hij al van tevoren uitgekozen heeft, niet verstoten. Of weet u niet wat de Schrift over Elia zegt, hoe hij Israël bij God aanklaagt? 3 ‘Heer, uw profeten hebben ze gedood, uw altaren verwoest. Ik ben als enige overgebleven, en nu hebben ze het ook op mijn leven voorzien.’ 4 Maar hoe luidt het antwoord van God aan hem? ‘Ik heb voor mezelf zevenduizend mensen overgelaten die niet voor Baäl hebben geknield.’ 5 Zo is ook in deze tijd een rest overgebleven die door Gods genade is uitgekozen. 6 Als ze uit genade uitgekozen zijn, dan dus niet op grond van hun daden, want in dat geval zou de genade geen genade meer zijn. 7 Wat betekent dit alles? Wat Israël heeft nagestreefd, heeft het niet bereikt; alleen zij die zijn uitgekozen hebben het bereikt. De overigen werden onbuigzaam, 8 zoals ook geschreven staat: ‘God heeft hun geest verdoofd, hun ogen blind gemaakt en hun oren doof, tot op de dag van vandaag.’ 9 En David zegt: ‘Laat hun tafel een valstrik worden, een strik, een valkuil en een straf. 10 Laat het licht uit hun ogen verdwijnen, krom hun rug voorgoed.’ 11 Maar nu vraag ik weer: ze zijn toch niet gestruikeld om ten val te komen? Dat in geen geval, maar door hun overtreding konden de andere volken worden gered en daarop moesten zij afgunstig worden. 12 Maar als hun overtreding al een rijke gave voor de wereld is en hun falen een rijke gave voor de andere volken, hoeveel rijker zal de gave dan niet zijn wanneer zij voltallig deelnemen. (NBV21)

Dat kan ons dus ook overkomen, dat onze geest is verdoofd en dat we het even niet meer zien zitten met dat geloof. Dat gebeurt dus met veel mensen tegenwoordig. En dat gaat soms heel langzaam. Je gaat elke zondag naar de kerk, al jarenlang, maar het werk wordt steeds drukker, je gezin wordt groter en op zaterdag zijn er tal van uiteenlopende bezigheden. Dan komt de dag dat je ook wel eens een keer wil uitslapen. Zomaar een hele morgen op je bed wil blijven liggen. En er zijn toch ook kerkdiensten op radio en tv nietwaar? Dan blijf je dus een keer thuis. En wat blijkt? Niemand die je mist, niemand die vraagt: “waar bleef je?”. Als je dat een paar keer is overkomen ga je steeds minder en minder en steeds weer merk je dat niemand je mist, dat niemand zich afvraagt waarom je eigenlijk zo weinig meer komt. Na een tijd is het ritme thuis zo veranderd dat er eigenlijk geen plaats meer is voor de kerkdienst op zondag.

Het conflict dat Paulus kende tussen Joden en Heidenen kennen wij niet meer. Wij kennen eerder het conflict tussen kerkelijken en anti-kerkelijken. Die laatsten vinden dat we ons niet moeten bemoeien met de samenleving waarin zij leven. Niet met de armoede van velen, niet met de rijkdom van enkelen, niet met de waarde van elk individueel mens die volgens kerkelijken niet als object gebruikt mag worden, niet met oorlog en vrede, niet met vrijheid en onvrijheid, niet met internationale ontwikkelingen. Als je de geschiedenis van het Christendom bestudeert kun je je niet voorstellen hoe van de vroege Middeleeuwen tot in onze tijd het volk Israël werd vervolgd en vernederd. Ik bedoel dan het religieuze volk Israël want we moeten een onderscheid maken met de Staat Israël, een staat net als alle andere staten, met een recht op veilige grenzen en de plicht zich te houden aan de mensenrechten en internationale verdragen.

Maar het religieuze volk Israël dat wij tegenwoordig kennen als “het Jodendom” is met de komst van het Christendom niet verstoten schrijft Paulus. Dat Jodendom zoals wij dat nu kennen is overigens gegroeid in ongeveer dezelfde tijd als het Christendom is gegroeid, na de verwoesting van de Tempel in het jaar 70. Paulus schreef voor die verwoesting. Paulus zelf was een Jood, Jezus van Nazareth was een Jood en de Apostelen waren ook Joden. Paulus beroept zich op het verhaal over Elia waar God er op wijst dat er nog altijd een groot aantal Israëlieten was dat niet de afgoden diende. Duidelijk moet zijn dat Joden die de God van Abraham, Izaäk en Jacob dienen ook geen afgod dienen, ze dienen dezelfde God als de Christenen. En of ze nu wel of niet volgelingen zijn van Jezus van Nazareth maakt daarbij niet uit.

 

Sta op

Matteüs 17:1-13

1 Zes dagen later nam Jezus Petrus, Jakobus en diens broer Johannes met zich mee een hoge berg op, waar ze alleen waren. 2 Voor hun ogen veranderde Hij van gedaante, zijn gezicht straalde als de zon en zijn kleren werden wit als het licht. 3 Plotseling verschenen aan hen Mozes en Elia, die met Jezus in gesprek waren. 4 Petrus nam het woord en zei tegen Jezus: ‘Heer, het is goed dat wij hier zijn. Als U wilt zal ik hier drie tenten maken, een voor U, een voor Mozes en een voor Elia.’ 5 Hij was nog niet uitgesproken of een stralende wolk overdekte hen, en uit de wolk klonk een stem: ‘Dit is mijn geliefde Zoon, in Hem vind Ik vreugde. Luister naar Hem!’ 6 Toen de leerlingen dit hoorden, werden ze overvallen door een hevige angst en wierpen ze zich ter aarde. 7 Jezus kwam dichterbij, raakte hen aan en zei: ‘Sta op, wees niet bang.’ 8 Ze keken op en zagen niemand meer, Jezus was alleen. 9 Toen ze de berg afdaalden, gebood Jezus hun: ‘Praat met niemand over wat jullie hebben gezien voordat de Mensenzoon uit de dood is opgewekt.’ 10 De leerlingen vroegen Hem: ‘Waarom zeggen de schriftgeleerden dat Elia eerst moet komen?’ 11 Hij antwoordde: ‘Elia komt inderdaad en herstelt alles. 12 En Ik zeg jullie dit: Elia is al gekomen, maar in plaats van hem te erkennen hebben ze met hem gedaan wat ze wilden. Zo zal ook de Mensenzoon door hun toedoen moeten lijden.’ 13 Toen begrepen de leerlingen dat Hij op Johannes de Doper doelde. (NBV21)

Jezus van Nazareth was sterk verbonden met de geschiedenis van zijn volk. Met Mozes die het volk uit slavernij leidde en de Wet van de woestijn, de richtlijnen voor de menselijke samenleving, op twee stenen platen kreeg en de tent van God mocht oprichten. Jezus van Nazareth was ook verbonden met de profeet Elia van wie wordt verteld dat hij op een vurige wagen ten hemel steeg en die zich openlijk bleef verzetten tegen een overmacht van priesters die andere goden wilden volgen en tegen de Koningen die dat wel mooi vonden en politiek aantrekkelijk. Het is geen wonder dat de volgelingen van Jezus van Nazareth een weg zochten om die eenheid met de geschiedenis te bewaren. Maar Jezus van Nazareth wilde in elk geval niet dat de volgelingen hem al direct op een lijn gingen stellen met Mozes en Elia. Pretenties waren Jezus vreemd. Hoeveel glans er van die illustere voorgangers ook op hem afstraalde hij bleef maar liever gewoon mens.

We willen tijdlijnen, logische volgorde van de dingen, van hetgeen gebeurde, hetgeen nu gebeurt en hetgeen zal gebeuren. In het verleden ligt het heden in het nu wat komen zal, dat bepaalt ons leven, daar rekenen we mee. De Bijbel rekent soms anders. Sommige beloften lijken we gemakkelijk te kunnen begrijpen maar als ze worden vervuld blijkt er iets anders gebeurd te zijn. God grijpt in in onze geschiedenis, loodrecht van boven, we weten niet waar het vandaan komt en we waren er meestal niet op voorbereid. Als een dief in de nacht zegt Jezus ergens en niemand kan de dag en het uur weten. Zo ging het met de wegbereider van de komst van de bevrijder. Elia zou terugkomen zo luidde de belofte. Die zou opnieuw de vreemde priesters van de afgoden verdrijven, die zou de Koningen aan de kaak stellen die het volk uitbuitten en onderdrukten. Maar waar bleef die Elia nu Jezus als Messias toch al bij de volgelingen was?

Elia heeft altijd tot de verbeelding gesproken. Nog steeds houden de Joden een stoel vrij voor Elia bij het vieren van de maaltijd van de bevrijding uit de slavernij, het Pesachmaal. Bovendien kunnen er vreemde legenden ontstaan rond profeten en wonderdoeners. Dat wat Elia had beleefd met priesters en koningen, lees de verhalen in het Oude Testament er maar op na, getuigde van zoveel macht dat mensen uit de dagen van Jezus van Nazareth wilden dat het ook zou gebeuren met de zware bezetting waaronder ze zelf leefden. Maar toen Johannes de Doper opriep om anders te gaan leven, zoals Elia had gedaan, herkenden ze de boodschap niet. Zelfs wij herkennen het belang van Johannes de Doper vaak niet. De uitspraak dat als je twee mantels hebt je er een moet weggeven aan iemand die er geen had wordt door de Bijbel aan Johannes de Doper toegeschreven, in die voetsporen is Jezus van Nazareth getreden. Zien wij nog dat de aarde bevrijd kan worden van het kwaad door het goede te doen en niet dan het goede? Dat vruchtbaarheidsgoden nalopen, de goede van winst en profijt, geen welzijn voor mensen brengt maar alleen samen zorgen voor de minsten de boodschap is die ons wordt aangereikt? Daar mogen we elke dag opnieuw mee aan de slag, ook vandaag weer.

 

Je bent een valstrik

Matteüs 16:13-28

13 Toen Jezus in het gebied van Caesarea Filippi kwam, vroeg Hij zijn leerlingen:‘Wie zeggen de mensen dat de Mensenzoon is?’ 14 Ze antwoordden: ‘Sommigen zeggen Johannes de Doper, anderen Elia, weer anderen Jeremia of een van de andere profeten.’ 15 Toen vroeg Hij hun: ‘En jullie, wie zeggen jullie dat Ik ben?’ 16 ‘U bent de messias, de Zoon van de levende God,’ antwoordde Simon Petrus. 17 Daarop zei Jezus tegen hem: ‘Gelukkig ben je, Simon Barjona, want dit is je niet door mensen van vlees en bloed geopenbaard, maar door mijn Vader in de hemel. 18 En Ik zeg je: jij bent Petrus, en op die rots zal Ik mijn kerk bouwen; de poorten van het dodenrijk zullen haar niet overweldigen. 19 Ik zal je de sleutels van het koninkrijk van de hemel geven; alles wat je op aarde bindend verklaart zal ook in de hemel bindend zijn, en alles wat je op aarde ontbindt zal ook in de hemel ontbonden zijn.’ 20 Daarop verbood Hij de leerlingen ook maar tegen iemand te zeggen dat Hij de messias was. 21 Vanaf die tijd begon Jezus zijn leerlingen duidelijk te maken dat Hij naar Jeruzalem moest gaan en veel zou moeten lijden door toedoen van de oudsten, de hogepriesters en de schriftgeleerden, en dat Hij gedood zou worden, maar op de derde dag uit de dood zou worden opgewekt. 22 Petrus nam Hem terzijde en begon Hem fel terecht te wijzen:  ‘God verhoede het, Heer! Dat zal U zeker niet gebeuren!’ 23 Maar Jezus keerde hem de rug toe met de woorden: ‘Ga terug, Satan, achter Mij! Je bent een valstrik voor Me. Je denkt niet aan wat God wil, maar alleen aan wat mensen willen.’ 24 Toen zei Jezus tegen zijn leerlingen: ‘Wie achter Mij aan wil komen, moet zichzelf verloochenen, zijn kruis op zich nemen en Mij volgen. 25 Want ieder die zijn leven wil behouden, zal het verliezen, maar wie zijn leven verliest omwille van Mij, zal het behouden. 26 Wat heeft een mens eraan de hele wereld te winnen als dat ten koste gaat van zijn leven? Wat kan hij geven in ruil voor zijn leven? 27 Wanneer de Mensenzoon komt, in gezelschap van zijn engelen en bekleed met de stralende luister van zijn Vader, dan zal Hij iedereen naar zijn daden belonen. 28 Ik verzeker jullie: sommige van de hier aanwezigen zullen de dood niet ervaren voordat ze de Mensenzoon en zijn koninklijke heerschappij hebben zien komen.’ (NBV21)

Simon de zoon van Jonas had een bijnaam. Jona betekende duif en boodschapper, maar was de zoon van de duif ook zo zachtmoedig?. Simon was visser dus sterk, hij was rechtlijnig, zoals vissers ook vandaag de dag nog rechtlijnig kunnen zijn. Zijn bijnaam was dan ook rots, Petrus. Maar de combinatie van rechtlijnig en godsdienst brengt splitsingen en wonderlijke ideeën. Die hoeven overigens niet altijd verkeerd te zijn maar je moet wel oppassen. In het stuk hierboven heeft onze Simon Petrus het ineens door. Die Jezus van Nazareth met zijn onvoorwaardelijke liefde voor de mensen en zijn boodschap van heb je naaste lief als jezelf die kan de hele wereld bevrijden. Zo zal de God van de Wet van de woestijn zijn zoon gezien willen hebben. Die zoon lijkt het meest van ons allemaal op God, die God immers zag dat het goed was. Als je op die manier met elkaar omgaat heeft ook de dood geen invloed meer op je beslissingen en kan die de gemeenschap die je vormt niet meer omverwerpen. Dat is nauwelijks te geloven en Simon, bijgenaamd Petrus, zal dat geloof ook niet lang volhouden, ook daar gaan we nog van kunnen leren.

Iemand die er van geleerd had was Roger Schutz, de abt van Taizé. Een Protestantse abt, en beetje raar voor Hollandse Calvinisten en Nederlandse Protestanten. Maar broeder Roger had al vroeg geleerd dat je de liefde voor mensen voorop moest zetten. Niet de liefde voor bezit of aanzien maar echte liefde voor mensen. En dat je pas echt voor mensen kunt zorgen als je ook voor jezelf zorgt. Daarom was hij naar dat kleine dorpje in Frankrijk gekomen, om in stilte voor zichzelf te zorgen, en voor de mensen. Samen met zijn broeders die hetzelfde ideaal hadden, als een soort oefening in het leven in het nieuwe Koninkrijk van God. In de Tweede Wereldoorlog werd het een vluchthaven voor velen die met de dood werden bedreigd. Na de jaren 60 van de vorige eeuw werd het een inspiratiebron voor heel veel jonge Europeanen die moesten leren in een nieuwe wereld te leven. In dat nieuwe Europa waren de zuilen van geloven, de zuilen van landen, de zuilen van mensen die zich verheven hadden, omvergehaald. Verzoening en onvoorwaardelijke liefde voor mensen kwamen er voor in de plaats als het aan de gemeenschap van Taizé lag. Zo werd ook broeder Roger een rots waar velen naar opkeken. De gewelddadige dood van broeder Roger maakt dat niet stuk, dat gaat verder, want daar zien we nog steeds een heel klein stukje van het Koninkrijk van God.

Leuke meester was die Jezus van Nazareth overigens. De ene dag prees hij de arme Simon, zoon van Jona, als de rots op wie het nieuwe rijk gebouwd zou worden en de volgende dag werd dezelfde Simon uitgescholden voor Satan. En dat alleen omdat Simon Petrus het lijden, dat Jezus voorzag, wilde voorkomen. Er is toch niks beters dan het lijden, van iemand van wie je houdt, te voorkomen zou je denken. Nou niet helemaal. Als het gaat omdat je nu eenmaal dingen moet zeggen en doen ter wille van de liefde voor de mensen, dan moet gedaan worden wat moet worden gedaan. Als je daarbij het lijden dat het mee kan brengen niet uit de weg wil gaan is tegenhouden van dat lijden zelfs verkeerd. Zwijgen en het lijden ontlopen omdat de mensen dat nu eenmaal meer op prijs stellen is dan niet aan de orde. En daarmee komen we in een knoop terecht in onze dagen. Bij ons is namelijk een stevig beleid uitgezet tegen radicalisering. Problemen moet je bij de wortel aanpakken en degenen die problemen veroorzaken bij de naam noemen. Jezus noemde Simon dus Satan. Dat mag dus niet meer. Niet zo vreemd trouwens. Zo kun je je vrienden nog wel eens toespreken maar als je je vijanden zo gaat uitschelden dan zaai je meer oorlog en haat dan je lief is. Wij leven in een democratie, een manier van samen leven waar je met elkaar in gesprek moet blijven. Die democratie hebben we dus niet voor niks. Die is er niet voor om deftige dames en heren te verheffen, maar om respect te krijgen voor ook de minsten in de samenleving en er voor te zorgen dat iedereen, maar dan ook werkelijk iedereen, daar aan mee mag doen, elke dag opnieuw.