Waardeloze troep

Filippenzen 3:1-11

1 Voor het overige, broeders en zusters, laat de Heer uw vreugde blijven. Ik heb er geen moeite mee dat opnieuw aan u te schrijven; ik doe het voor uw eigen bestwil. 2 Pas op voor die honden met hun kwalijke praktijken, pas op voor die versnijdenis van ze! 3 Wij zijn het die besneden zijn: wij verrichten onze dienst door de Geest van God en laten ons voorstaan op Christus Jezus, niet op afkomst en prestaties, 4 hoewel ik alle reden heb om daarop te vertrouwen. Als anderen menen dat te kunnen doen, dan kan ik dat zeker. 5 Ik werd besneden toen ik acht dagen oud was en behoor tot het volk van Israël, tot de stam Benjamin, ik ben een geboren Hebreeër met de wetsopvatting van een farizeeër, 6 ik heb de gemeente fanatiek vervolgd en ten aanzien van de rechtvaardigheid die de wet voorschrijft was er op mij niets aan te merken. 7 Maar wat voor mij winst was, ben ik omwille van Christus als verlies gaan
beschouwen. 8 Sterker nog, alles beschouw ik als verlies, want alles wordt overtroffen door het kennen van Christus Jezus, mijn Heer, omwille van wie ik alles heb prijsgegeven. In mijn ogen is het waardeloze troep, want ik wil Christus winnen 9 en één met Hem zijn-niet dankzij mijn eigen rechtvaardigheid door het naleven van de wet, maar dankzij de rechtvaardigheid die er is door het geloof in Christus en die God toekent op grond van geloof. 10 Ik wil Christus kennen door de kracht van zijn opstanding te ervaren, door te delen in zijn lijden en aan Hem gelijk te worden in zijn dood, 11 in de hoop ook zelf uit de dood op te staan. (NBV21)

Die Paulus kon hele ingewikkelde brieven schrijven. In een taal die het midden hield tussen de taal van de Hebreeuwse Bijbelgeleerden en Griekse Filosofen. In de loop van de eeuwen zijn allerlei zogenaamde geleerden aan de haal gegaan met de woorden van Paulus. Ze hebben er puzzeltjes van gemaakt en ze omgebogen naar hun eigen belang. Dat terwijl Paulus eigenlijk een heel praktisch ingesteld man moet zijn geweest die adviezen gaf aan gemeenten van de volgelingen van Jezus van Nazareth die moesten zien te overleven in een vijandige omgeving tussen de Romeinse staat, de Griekse filosofen en de Joodse minderheden. Van die laatste waren er die de nieuwgevormde Christelijke gemeenten probeerden in te lijven. Als ze er toe gebracht konden worden zich alleen nog met al die wetjes en regeltjes uit de Joodse cultuur bezig te houden dan vormden die Christenen niet meer zo’n bedreiging. Één van die regeltjes was de besnijdenis van mannen en daar begint Paulus dan ook tegen uit te varen, hij noemt die verplichte besnijdenis van Heidenen een versnijdenis. Hetzelfde is overigens de eis dat men eerst Christen moet worden om geschikt te zijn samen te werken met Christenen in het doen van het goede.

Lees hier dan niet in dat Paulus zich tegen de Joden afzet. Hij is zelf voluit een Jood en is daar trots op. Joden moeten dan ook vooral Jood blijven en hun kinderen laten besnijden. Maar het al of niet Jood zijn wil nog niet zeggen dat je de Weg van Jezus van Nazareth , de weg van de God van Israël, volgt. Paulus was een vrome Jood, besneden, zich bewust van de Joodse stam waartoe hij behoorde, gestudeerd bij de Farizeeën. Maar als vrome Jood heeft hij de gemeente van de Christenen fanatiek vervolgd. Ondanks dat Jood zijn, ondanks die kennis van Wet en Profeten, maakte hij de verkeerde keuze, het werkte uiteindelijk zelfs tegen hem. Pas door de ontmoeting met de Christus op de weg naar Damascus, waar hij blind werd geslagen, gingen hem de ogen open. De liefde voor de naaste, desnoods dwars door de dood heen, was veel en veel belangrijker dan al die wetjes en regeltjes die zonder zin en inhoud geworden waren.

Die liefde voor de naaste als voor jezelf die komt niet omdat je zo goed bent, omdat je je zo netjes gedraagt of zo Christelijk weet te spreken maar die komt ondanks jezelf. Dat is genade en als je bedacht bent op je naaste, zelfs al zou je daaraan dood moeten gaan, dan leer je pas wat leven is, dan mag je hopen met Christus op te staan uit de doden. Al die doden die alleen op zichzelf bedacht zijn en geen oog meer hebben voor het leven dat ze zouden kunnen leiden. Een leven zonder angst voor verlies van bezit, zonder angst voor verlies van een baan, zonder angst voor verlies van wat dan ook omdat de gift van liefde voor de naaste een gift is die je voortdurend wordt aangeboden en die je ondanks jezelf mag gebruiken om te ontdekken waar het leven echt geleefd kan worden. En als je dat gaat doen dan ontdek je dat die woorden van Paulus helemaal niet zo ingewikkeld zijn maar van groot praktisch belang. En het mooie is dat je er elke dag weer opnieuw mee mag beginnen, ook vandaag weer.

Houd mensen zoals hij in ere

Filippenzen 2:19-30

19 In vertrouwen op de Heer Jezus hoop ik dat ik Timoteüs snel naar u toe kan sturen; het zal mij goeddoen te weten hoe het met u gaat. 20 Er is buiten mij niemand die zich zo oprecht om u bekommert als hij, 21 want alle anderen streven hun eigen belangen na in plaats van die van Jezus Christus. 22 U weet dat hij betrouwbaar is en dat hij zich samen met mij, als een kind met zijn vader, voor het evangelie heeft ingezet. 23 Hem hoop ik dus te sturen, zodra het duidelijk is wat er met me zal gebeuren. 24 De Heer geeft mij het vertrouwen dat ik zelf ook spoedig kan komen. 25 Ik vind het nodig Epafroditus naar u terug te sturen. Hij is mijn broeder, medewerker en medestrijder geweest, en heeft mij namens u bijgestaan in mijn nood. 26 Maar hij verlangt ernaar u allen weer te zien. Hij maakt zich grote zorgen, omdat u van zijn ziekte hebt gehoord. 27 Hij was inderdaad ziek en is bijna gestorven, maar God heeft zich over hem ontfermd. En niet alleen over hem, ook over mij: Hij heeft me nog meer verdriet bespaard. 28 Ik stuur hem nu zo snel mogelijk; dan kunt u weer verheugd zijn wanneer u hem terugziet en heb ik minder zorgen. 29 Verwelkom hem vol vreugde als iemand die in de Heer met u verbonden is. Houd mensen zoals hij in ere; 30 hij heeft immers door zijn werk voor Christus oog in oog met de dood gestaan. Hij heeft zijn leven op het spel gezet om de hulp te geven die u mij niet kon bieden. (NBV21)

Epafroditus kom je nog wel eens tegen in kruiswoordraadsels. Het is geen Bijbelse naam die ingeburgerd is in het geven van namen aan pasgeboren kindertjes. Paulus vinden we daar wel evenals Tim of Timoteüs de trouwe knecht van Paulus. Toch is die Epafroditus geen onbelangrijk figuur geweest in de verbreiding van het Evangelie en het stichten van jonge gemeenten. We hebben al eerder gelezen over de uitstekende verhouding die de gemeente in Filippi had met Paulus. Deze gemeente had Epafroditus naar Paulus gestuurd om hem te helpen. Dat was wel nodig ook want Paulus zat in Efeze gevangen en werd met de dood bedreigd. Timoteüs was nog jong en zal weinig indruk gemaakt hebben op de autoriteiten. We hebben gelezen dat Paulus het gerechtsgebouw in Efeze had gebruikt om het Evangelie te verbreiden en dat iedereen op de hoogte was van de inhoud van de boodschap van Paulus.

Epafroditus was echter ernstig ziek geworden in de havenstad Efeze. Dat bericht was ook doorgedrongen in Filippi en dat had Epafroditus op zijn beurt weer bezorgd gemaakt. Een mailtje sturen, even bellen of een tweet verspreiden was er in de dagen van Paulus niet bij. Een brief sturen ging nog maar dan moest je er zelf de postbode bij leveren. Deze brief van Paulus is door Timoteüs naar Filippi gebracht. Epafroditus ging op die reis met Timoteüs mee. Die geringe mogelijkheid tot communicatie op afstand heeft er toe bijgedragen dat we nu nog de brieven van Paulus kunnen lezen. Zo’n brief werd voorgelezen in de gemeente en vervolgens overgeschreven. Mensen die vervolgens op reis gingen, handelaren bijvoorbeeld, namen zo’n overgeschreven brief mee. In verschillende gemeenten waren er ook mensen die de brieven verzamelden die de ronde deden en zo hadden we na een paar eeuwen een verzameling brieven van Paulus. Daar zat bijvoorbeeld ook de brief aan de Hebreeën bij die helemaal niet van Paulus is maar wel een hele nuttige brief bleek.

Toen er ruzie ontstond over wat er wel en wat er niet bij de echte geschriften over de leer van Jezus van Nazareth hoorde heeft de kerk een lijst opgesteld van geschriften die er echt wel bij hoorden. Op die lijst kwamen ook de brieven van Paulus uit die verzameling terecht, inclusief dus die brief aan de Hebreeën. Zo hebben we Epafroditus leren kennen. Een weinig opvallend figuur die in de marge van de kerkstichting zijn werk heeft gedaan. Ook wij hebben van die stilzwijgende figuren in de kerken die onmisbaar zijn voor het voortbestaan van de kerk. Kosters horen daar bij, werkers op de kerkelijke bureau’s, maar ook al die mensen die de kerken schoonhouden en noodzakelijk reparaties verrichten in hun vrije tijd of die kerkblaadjes rondbrengen in de buurt of de wijk waar de kerk staat. Ook zij horen bij de bouwers aan het koninkrijk en hen moeten we zeker in ere houden, net als die Epafroditus.

 

Vol vreugde

Filippenzen 2:12-18

12 Geliefde broeders en zusters, u bent altijd gehoorzaam geweest toen ik bij u was. Wees het des te meer nu ik niet bij u ben. Blijf u inspannen voor uw redding, en doe dat in diep ontzag voor God, 13 want het is God die zowel het willen als het handelen bij u teweegbrengt, omdat het Hem behaagt. 14 Doe alles zonder morren en tegenspreken, 15 opdat u zuiver en smetteloos bent, onberispelijke kinderen van God te midden van een verdorven en ontaarde generatie, waartussen u schittert als sterren aan de hemel. 16 Houd daarbij vast aan het woord dat leven brengt. Dan kan ik op de dag van Christus trots zijn omdat ik me niet voor niets heb ingespannen en niet voor niets heb afgemat. 17 Zelfs al zou mijn bloed als een offer worden uitgegoten, in aanvulling op het offer dat u brengt door de dienst van uw geloof, dan nog ben ik vol vreugde, samen met u allen. 18 Wees dus ook vol vreugde, samen met mij. (NBV21)

Die gemeente in de Romeinse kolonie Filippi was voor Paulus een model gemeente. Zo had hij een gemeente geschetst en zo had hij een gemeente graag zien functioneren. Niet omdat Paulus dat nu allemaal zelf had verzonnen. Hij had les gehad in de Joods geschriften die wij kennen als het Oude Testament en van de apostelen in Jeruzalem had hij begrepen dat Jezus van Nazareth hen had bevrijd van de exclusiviteit van dat Oude Testament voor de Joden. Door je te concentreren op het hart van het Oude Testament, het gebod je naaste lief te hebben als jezelf, kon je er alle volken van de wereld bij betrekken. En Israël zou immers een voorbeeld zijn voor alle volken en alle volken van de wereld zouden zich eenmaal naar Jeruzalem keren waar de richtlijnen van het Oude Testament werden bewaard. Het was dus God zelf die het ontwerp voor de gemeente in Filippi had gegeven. Daarmee werden de leden van die gemeente de onberispelijke kinderen van God waarover Paulus hier spreekt.

Door de leden van die gemeente zover te krijgen dat ze dat liefhebben van de naaste ook echt in de praktijk brengen heeft Paulus het gevoel niet tevergeefs al die moeite te hebben gedaan. Hij zit dan wel gevangen en zijn leven wordt bedreigd, maar het doel van zijn leven heeft hij al bereikt. Er is een gemeente die geluisterd heeft en nu doet wat er gedaan moet worden. Daar kun je onder de meest beroerde omstandigheden toch blij van worden. Want ook voor de gemeente in Filippi was het niet gemakkelijk en zeker niet vanzelfsprekend. Deze Romeinse kolonie bewees trouw aan de Keizer in Rome. Dat daar de baas van de wereld woonde werd overal duidelijk gemaakt. Het was een levensverzekering voor de adel die Filippi als veilige woonplaats had gekozen. Maar die Christelijke gemeente had een eigen Keizer. Zij zetten Jezus van Nazareth als Heer centraal. Overal waar we in het Nieuwe Testament “Heer” lezen wordt in het Grieks, waarin dat deel van de Bijbel is geschreven, hetzelfde woord, Kurios,  gebruikt als waarmee in het Grieks de Romeinse Keizer werd aangeduid.

Die Christelijke gemeente, met hun afwijzing van het onderscheid tussen slaven en vrijen, met hun doorbreken van de religieuze grens tussen Joden en Grieken, brachten dus de veiligheid van de Romeinse adel in gevaar. Daarom spoort Paulus ze aan vast te houden aan dat woord dat leven brengt, heb Uw naaste lief als Uzelf. Dat offer van de eigen veiligheid dat daarvoor gebracht moet worden is een klein offer, het brengt namelijk alleen maar vreugde. Dat mogen wij in onze wereld ook beseffen. In onze dagen heerst het eigenbelang en moet alles wijken voor dat eigenbelang. Maar gelovigen in de God van Israël en in de rechtvaardige wereld die Jezus van Nazareth ons heeft gebracht zeggen dat het belang van de zwaksten, van de gehandicapten, de armen, de vreemdelingen en vluchtelingen het eigenbelang is dat ons handelen bepaald. Dat belang mogen we elke dag opnieuw weer nastreven en daar mogen we ook vandaag weer voor opkomen.

 

Vervloekt

Rechters 5:23-31

23 Vervloekt zij Meroz, dat de HEER geen hulp bood, vervloekt-zo spreekt de engel van de HEER -, vervloekt zijn inwoners, zij sloten zich niet bij de helden aan. 24 Gezegend zij Jaël, boven alle vrouwen, Jaël, de vrouw van Cheber, de Keniet. Was ooit een tent gezegend met een vrouw als zij? 25 Sisera vroeg om water en zij gaf hem melk te drinken, room bracht ze hem te drinken, in een rijk versierde schaal. 26 Met één hand vatte ze een tentpin, met de andere een hamer. Ze dreef de tentpin door zijn slaap, spleet met een hamerslag zijn hoofd. 27 Aan haar voeten viel hij neer, bezweek hij en bleef liggen. Aan haar voeten bezweek hij, daar viel hij neer. Waar hij bezweek, daar bleef hij liggen, verpletterend verslagen. 28 Aan haar venster stond zijn moeder, ze tuurde en ze klaagde: “Waar blijft zijn wagen toch? Klinkt het geratel van de wielen al?” 29 De wijste van haar vrouwen gaf haar antwoord en zei haar wat zij zelf reeds had bedacht: 30 “Wellicht zijn ze nog bezig om hun schatten te verdelen: elke man een meisje, of misschien wel twee. En voor Sisera gekleurde stoffen met borduursel, stoffen met borduursel waarmee hij zijn schatjes tooit.” 31 HEER, laat zo al uw vijanden ten onder gaan, en maak wie U liefhebben onstuitbaar als de opgaande zon.’ Veertig jaar had het land rust. (NBV21)

Het overwinningslied van Deborah en Barak is onverwacht hard voor de mensen die het volk Israël niet te hulp kwamen toen ze bedreigd werden door Sisera en zijn leger. Het is of je de vluchtelingen uit Afrika hoort uitvaren tegen de Europese commissie die de landen van Europa niet weet te bewegen echte vluchtelingen op te nemen. Het gevolg is dat ze aangewezen zijn op mensensmokkelaars en verdronken vaders, moeders en kinderen in de Middellandse Zee. Of ze moeten zich gedwongen aansluiten bij een van de vele oorlogen in Afrika waar de rijke landen van de wereld de wapens voor leveren. Zij zijn de armen, de zwakken, de zieken en de ouderen. Zij worden als mensen compleet vergeten.

Ze hebben geen naam en als het even kan worden ze met negatief geladen begrippen aangeduid. Asielzoekers bijvoorbeeld. Een woord uit een verdrag dat op initiatief van Eleanor Rooseveld in een verdrag terechtkwam dat door de meeste landen in de wereld werd ondertekend. Dat verdrag kwam omdat Europa overspoeld werd door zogenaamde displaced persons, mensen die door de Tweede Wereld niet alleen huis en haard maar ook hun nationaliteit. Wij mogen Amerikanen wel als bevrijders herdenken maar de hulp die zij boden aan ons nu niet meer navolgen bij anderen. Voor ons is Samen Leven tegenwoordig hetzelfde als “ieder voor zich”, in het boek Rechters staat dan de zin: “en ieder deed wat goed was in zijn ogen”.

De mensen met geld en macht gaan voor. De President van Amerika kan dan wel vroom en vaderlandslievend doen. hebben gedaan over het gebod van Jezus van Nazareth, maar hij  moet dan toch wat vaker uitleggen dat alles wat hij doet gemeten moet worden naar het effect dat het op de armen heeft. Anders kan het vervloekt toch ook klinken tegen de inwoners van het Witte Huis. Wij kennen de uitdrukking van “ieder voor zich” ook en voegen daar vaak aan toe ” en God voor ons allen”, maar telkens weer moeten we leren uit het verhaal van Israël, en hier uit het boek Rechters, dat God onze handen en voeten nodig heeft om voor Gods kinderen te zorgen. Als onze handen en voeten het laten afweten loopt het slecht af met Gods kinderen. Vervloekt zijn allen die het laten afweten, ook nu nog.

 

Zing een lied!

Rechters 5:11b-22

11b Daar trok het volk van de HEER ten strijde, voorwaarts vanuit de steden. 12 Ga voorop, Debora, vuur ons aan en zing een lied! Barak, val aan! Grijp de vijand, jij zoon van Abinoam! 13 Daar trok wie ontkomen was mee met de aanvoerders, het volk van de HEER kwam naar mij, met zijn helden. 14 Uit Efraïm kwamen zij die in Amalek wonen, ze voegden zich bij jou en je verwanten, Benjamin. Uit Machir kwamen aanvoerders, uit Zebulon de leiders van het leger. 15 Uit Issachar sloten de vorsten zich bij Debora aan. Na Issachar kwam Barak; hij ging het volk voor in de vlakte. Maar de stam Ruben bleef steeds maar overleggen. 16 Wat hield je bij je schaapskooi en het fluitspel van je herders? Ruben bleef maar overleggen, 17 Gilead kwam de Jordaan niet over, Dan bleef bij zijn schepen, Aser bleef aan zee en verliet zijn havens niet, 18 maar Zebulon en Naftali waagden hun leven op de heuvels. 19 Daar kwamen de koningen, de stadsvorsten van Kanaän. Zij streden bij Taänach, bij Megiddo, aan de oever van de stroom, maar er viel voor hen geen zilver buit te maken. 20 De sterren aan de hemel streden mee tegen de vijand, zij hadden in hun baan zich tegen Sisera gekeerd. 21 Vorsten werden meegesleurd door het water van de Kison, de Kison, die aloude en snelstromende rivier. Ga voort, mijn ziel, ga voort! 22 Dreunend klonk de hoefslag van zijn wegstormende paarden, van zijn schitterende paarden, in onstuimige galop. (NBV21)

Met het lied voor Debora wordt dit verhaal een verhaal van bevrijding. Bevrijding van onderdrukking en slavernij en zonder de persoon van Debora had dat niet gekund zegt het lied. Wie goed leest ziet dat Debora een eigen loflied krijgt waarin de strijd getekend wordt, een strijd waartoe zij had opgeroepen. Ook nu nog klinken er liederen van bevrijding. Huub Oosterhuis heeft er honderden geschreven, maar ook vrouwen mengen zich in het koor. Liederen van vrouwen kent de kerkgeschiedenis maar weinig. In de vorige eeuw zijn er een aantal vrouwen geweest die liederen hebben geschreven en gecomponeerd. Je vindt ze in de bundel Eva’s lied. Het blijft jammer dat daar  van maar  een heel enkele terecht is gekomen in het Nieuwe Liedboek van de kerken. En deze zondag speciaal klinken ook de liederen van Frans van Assisi, die al 800 jaar geleden zong dat alles wat adem heeft de Heer moet loven, mens en dier tezamen.

Maar al zingende leren we in elk geval goed naar vrouwen te luisteren en hen niet zoals in veel kerken de mond te snoeren. Er zijn in de Protestantse Kerk Nederland al gemeenten die in elke viering op zondag tenminste één lied van vrouwen laten zingen. Als dat veel gebeurd kan de kerk niet meer om de vrouwen heen. Zij vormen toch de helft van de kerkleden en Debora leerde ons dat we vrouwen niet mogen negeren, we lijken soms wel te veel op de stam Ruben. Vrouwen horen in de kerk net zo vooraan te staan als al die mannen die dat al eeuwen doen. Barak en Deborah leerden ons dat vrouwen ons ook in de strijd kunnen voorgaan  en zonder Deborah was het waarachtig niet gegaan. Van alle liederen en verhalen die in de vroegste tijden zijn ontstaan hield haar lied het, als getuigenis van geloof, het langste vol. Soms vraagt een volk leiderschap.

In het couplet van het lied van Deborah hierboven wordt het leiderschap gevraagd van Deborah, de rechter. Haar kenden ze want zij sprak recht als mensen haar rechtsgeschillen voorlegde. Eerlijkheid en onafhankelijkheid waren kennelijk de eigenschappen die men zocht in een leider. En onafhankelijkheid betekent een garantie voor de armen, ook zij zullen tot hun recht komen. Net als de vreemdelingen, ook al lijken die het tegendeel te doen. Dat leren we uit het verhaal van Jaël, die gaf de tegenstander geen water maar melk, die zette haar vrouwelijke eigenschappen in, maar bleek uiteindelijk de meest betrouwbare bondgenoot. Zulke bondgenoten kun je krijgen als je bereid bent je land met vreemdelingen te delen. Daar kunnen wij ook nog wel wat van leren, en vandaag nog in de praktijk brengen.

De kronkelpaden

Rechters 5:1-11a

1 Die dag zongen Debora en Barak, de zoon van Abinoam, dit lied: 2 ‘Loof de HEER, omdat Israël zijn haren dreigend loswierp, loof de HEER, omdat Israël zich meldde voor de strijd. 3 Koningen en vorsten, luister en hoor toe hoe ik de HEER bezing, een lied zing voor de HEER, de God van Israël. 4 HEER, de aarde beefde toen U voortschreed vanuit Seïr; toen U optrok vanuit Edom stortte water uit de hemel en de wolken neer. 5 Voor de HEER die verscheen op de Sinai, wankelden de bergen, voor U, HEER, U, de God van Israël. 6 Onder Samgar, de zoon van Anat, in de tijd van Jaël, begaf geen karavaan zich nog op weg. Wie toch op reis moest, nam de kronkelpaden. 7 Aanvoerders ontbraken, het land kende geen leiding totdat jij, Debora, Israël leidde als een moeder. 8 Verkoos men andere goden, dan stond de vijand voor de poorten; ons leger telde veertigduizend man, maar van schild of speer geen spoor. 9 Loof de HEER! Ik dank hen die niet aarzelden de strijders aan te voeren. 10 Reizigers, gezeten op gezadelde ezelinnen, en ook jullie die te voet moeten gaan, 11 overstem met je verhalen het geklets bij de bronnen en laat ieder bij het drenken zingen van de HEER die overwon, van de overwinning door zijn aanvoerders voor Israël behaald. (NBV21)

De strijd van Debora en Barak en het optreden van Jaël lopen uit op een lied. Er zijn geleerden die zeggen dat het lied van Deborah en Barak het oudste stuk uit de Bijbel is. Al het andere is later opgeschreven, maar dit lied was zo populair dat het de eeuwen heeft doorstaan. In de Islam gelooft men dat de Koran is  gedicteerd aan de profeet Mohamed. De Bijbel niet, die is in een eeuwenlang proces ontstaan. Bijbel betekent dan ook bibliotheek en zoals een verzamelaar gedurende lange tijd zijn meest kostbare boeken bijeen zoekt, zo hebben ook de gelovigen van Israël en later van de kerk hun boeken bijeengezocht en daar een aantal eeuwen over gedaan. Dat alles begon met dit lied van Deborah. Dat lied mogen we vandaag de dag nog meezingen, want bevrijding blijft altijd nodig.

Het lied  van Debora  gaat over de richtlijnen die in de woestijn aan het volk gegeven werden. Iedere keer als het volk er vanaf week kregen de vijanden voet aan de grond, maar iedere keer als de Wet werd gevolgd, van “heb je naaste lief als jezelf” nietwaar, werd het volk onverslaanbaar. De laatste generaal die het probeerde was Sisera met zijn strijdwagens. Die strijdwagens liepen vast in de regen en de modder net als ooit de strijdwagens van de Farao, toen het volk door de Rode Zee trok. Ook toen klonk aan het eind van de strijd een vrouwenlied ter overwinning, het lied van Mirjam de zuster van Mozes. Met het lied van Deborah wordt ook dit verhaal een verhaal van bevrijding. Bevrijding van onderdrukking en slavernij en zonder de persoon van Deborah had dat niet gekund zegt het lied.

Barak en Deborah leerden ons dat vrouwen ons ook in de strijd kunnen voorgaan  en zonder Deborah was het waarachtig niet gegaan. Van alle liederen en verhalen die in de vroegste tijden zijn ontstaan hield haar lied het, als getuigenis van geloof, het langste vol. Soms vraagt een volk leiderschap. In het couplet van het lied van Deborah hierboven wordt het leiderschap gevraagd van Deborah, de rechter. Haar kenden ze want zij sprak recht als mensen haar rechtsgeschillen voorlegden. Eerlijkheid en onafhankelijkheid waren kennelijk de eigenschappen die men zocht in een leider. En onafhankelijkheid betekent een garantie voor de armen, ook zij zullen tot hun recht komen. Net als de vreemdelingen, ook al lijken die het tegendeel te doen. Dat leren we uit het verhaal van Jaël, die gaf de tegenstander geen water maar melk, die zette haar vrouwelijke eigenschappen in, maar bleek uiteindelijk de meest betrouwbare bondgenoot. Zulke bondgenoten kun je krijgen als je bereid bent je land met vreemdelingen te delen. Daar kunnen wij ook nog wel wat van leren, en vandaag nog in de praktijk brengen.

 

Tentpin en een hamer

Rechters 4:11-24

11 In de buurt van Kedes had een zekere Cheber zijn tenten opgeslagen bij de eik in Saänannim. Deze Cheber was een Keniet die zich had afgescheiden van zijn stamgenoten, nakomelingen van Mozes’ schoonvader Chobab. 12 Sisera kreeg bericht dat Barak de Tabor op gegaan was. 13 Daarom riep hij zijn soldaten onder de wapenen en trok met al zijn negenhonderd ijzeren strijdwagens en zijn hele leger vanuit Charoset-Haggojim op naar het dal van de Kison. 14 Debora spoorde Barak aan: ‘Vooruit! Vandaag levert de HEER Sisera aan u uit. Hij zal voor u uit gaan.’ Toen kwam Barak de Tabor af met tienduizend man achter zich aan. 15 Op het moment dat de manschappen van Sisera Barak zagen verschijnen, zaaide de HEER paniek onder hen en ontstond er grote verwarring. Sisera sprong van zijn wagen en maakte zich uit de voeten. 16 Barak achtervolgde de strijdwagens en de soldaten tot in Charoset-Haggojim. Alle soldaten van Sisera sneuvelden; niet een bleef er in leven. 17 Sisera vluchtte te voet naar de tent van Jaël, de vrouw van de Keniet Cheber, want hij wist dat de familie van Cheber op goede voet stond met koning Jabin van Hasor. 18 Jaël kwam hem tegemoet en zei: ‘Kom binnen, heer, kom binnen. Wees niet bang.’ Hij ging bij haar de tent binnen en zij verborg hem onder een deken. 19 ‘Geef me wat water te drinken,’ vroeg hij, ‘ik heb zo’n dorst.’ Jaël opende een melkzak, gaf hem te drinken en dekte hem weer toe. 20 Toen zei hij: ‘Ga in de tentopening staan. Als er dan iemand komt vragen of er een man bij u is, moet u zeggen: “Nee, er is hier niemand.”’ 21 Jaël nam een tentpin en een hamer en sloop de tent binnen. Ze sloeg, terwijl hij daar uitgeput in slaap lag, de tentpin dwars door zijn hoofd de grond in, zodat hij stierf. 22 Op dat moment kwam Barak eraan, op jacht naar Sisera. Jaël ging hem tegemoet en zei: ‘Kom, ik zal u de man laten zien die u zoekt.’ Barak ging met haar naar binnen-en daar lag Sisera, dood, met de tentpin door zijn hoofd. 23 Zo bracht God koning Jabin van Kanaän in zijn strijd met de Israëlieten een zware nederlaag toe. 24 Daarna wist Israël koning Jabin steeds verder terug te dringen, totdat ze hem hadden vernietigd. (NBV21)

Tienduizenden Nederlanders hebben het wel eens in een zomer gedaan. Tentharingen de grond ingeslagen, op campings, overal in Europa. Hier lezen we in de Bijbel nog een keer over tentharingen. Over de tentharing van Jaël. Dat was nog familie van de vrouw van Mozes. Die was immers getrouwd met de dochter van de priester van Midian, toen hij uit Egypte was gevlucht, nadat hij een Egyptenaar had doodgeslagen. De schoonfamilie van Mozes, dat waren dus eigenlijk vreemdelingen,  Maar ze hadden zich gevoegd bij het volk Israël toen dat het beloofde land was binnengetrokken en hadden een verbond met Jabin gesloten, de koning waar Barak en Deborah tegen ten strijde waren getrokken. Aan welke kant zou de familie staan?  Aan welke kant staan de vreemdelingen die met je meegegaan zijn?

Aan de goede kant dus want de zorg van een vrouw zegt niet alles. Die Jaël mag water schenken en op de uitkijk staan, maar aan haar wordt niet gevraagd welke kant ze kiest. Mannen vergeten vrouwen naar waarde te schatten, je naaste liefhebben als jezelf betekent voor mannen dat vrouwen als gelijkwaardig dienen te worden behandeld. Jaël laat dat zien want vroeger zouden ze zeggen dat ze haar mannetje staat, tegenwoordig hebben we de Bijbel toch wat nauwkeurige leren lezen en weten we dat ze gewoon aan de goede kant is gaan staan. Want die “tentpin” is in de oorspronkelijke tekst vrouwelijk en betekent iets als “doorboorde” het wordt ook wel voor “vrouw” zelf gebruikt. Die Jaël gooit haar vrouwelijke wapens in de strijd en niet tevergeefs. Jaël wordt daarmee het scharnierpunt in de strijd tegen koning Jabin en uiteindelijk weet Israël deze koning te verslaan.

En Israël heeft nog steeds geen koning en geen regering. Barak is er met een leger op uit, gestuurd door Deborah, die rechter was en gewoon spreekuur hield waar de mensen haar rechtsgeschillen kwamen voorleggen. Geen glazen plafond dat de beide vrouwen weerhield van het spelen van een hoofdrol in de geschiedenis. Vrouwen hebben tegenwoordig nog wel eens het gevoel tegen een glazen plafond aan te lopen. Dat is dus niet nodig, een tentharing en een hamer zijn voldoende om dat glazen plafond te doorbreken. En dat wantrouwen in vreemdelingen? Als ze met je meetrekken, als ze zich als medeburger gedragen dan is dat wantrouwen beschamend. Nog steeds wordt het opsluiten van Amerikaanse burgers van Japanse afkomst na de aanval op Pearl Harbour als een schandaal beschouwd. We moeten ons dus hoeden voor het oordelen en veroordelen alleen op grond van afkomst, een goede bondgenote zou gemakkelijk verspeeld kunnen worden.

 

Aan een vrouw.

Rechters 4:1-10

1 Na de dood van Ehud deden de Israëlieten weer wat slecht is in de ogen van de HEER. 2 Daarom leverde de HEER hen uit aan koning Jabin van Kanaän, die regeerde in Hasor. De bevelhebber van diens leger heette Sisera; hij had zijn legerkamp in Charoset-Haggojim. 3 Jabin beschikte over negenhonderd ijzeren strijdwagens en heerste met harde hand over Israël, wel twintig jaar lang. Daarom riepen de Israëlieten de HEER te hulp. 4 In die tijd was de profetes Debora degene die Israël als rechter leidde; zij was de vrouw van Lappidot. 5 Ze hield zitting onder de Deborapalm tussen Rama en Betel, in het bergland van Efraïm, en daar kwamen de Israëlieten haar hun rechtsgeschillen voorleggen. 6 Debora liet Barak, de zoon van Abinoam, afkomstig uit Kedes in Naftali, bij zich komen en zei tegen hem: ‘De HEER, de God van Israël, gebiedt u: “Trek met tienduizend man uit de stammen Naftali en Zebulon op naar de Tabor. 7 Dan zal Ik Jabins bevelhebber Sisera met al zijn strijdwagens en soldaten laten optrekken tot in het dal van de Kison en hem aan je uitleveren.”’ 8 ‘Als u meegaat, zal ik gaan,’ antwoordde Barak, ‘maar als u niet meegaat, ga ik niet.’ 9 ‘Goed,’ zei Debora, ‘ik zal met u meegaan. Maar let wel, u zult geen eer behalen aan deze veldtocht, want de HEER zal Sisera uitleveren aan een vrouw.’ Zo besloot Debora met Barak mee te gaan naar Kedes. 10 Barak riep de mannen van Zebulon en Naftali onder de wapenen in Kedes en trok op aan het hoofd van tienduizend man. Debora ging met hem mee. (NBV21)

Na de dood van Ehud was Deborah de volgende rechter zegt hoofdstuk vier van het boek Rechters. Echte Bijbelkenners weten dat we nu een Rechter vergeten. Samgar, die sloeg zeshonderd Filistijnen dood met een osseprik. Een boer die aan het ploegen was en de ossen aanspoorde met een puntige stok. Met diezelfde puntige stok bevrijdde hij het volk van een machtige roversbende. Een verhaal dat maar één vers in de Bijbel kreeg, Rechters 3:31, want de Bijbel houdt nu eenmaal niet van mannetjesputters. Wel van vrouwen in dit soort verhalen. Lang is er beweerd dat de Bijbelse orde zou zijn dat mannen werken en regeren en de macht hebben en dat vrouwen thuis zitten en voor man en kinderen zorgen. Niets is minder waar. Die orde is uitermate on-Bijbels. Bijbels is Deborah de zingende vrouw die Rechter was toen Jabin met zijn 900 strijdwagens het volk onderdrukte.

Barak mocht met een leger uit de stammen van Naftali en Zebulon er tegen ten strijde trekken, maar Barak kenden de Bijbelse orde en keek wel uit, zonder Deborah ging hij niet op pad. Zij wees de richting aan en hij en zijn mannen hadden maar te volgen. En jawel het hele leger van krijgsoverste Sisera werd verslagen. Waarom tot op vandaag de dag mannen doen alsof vrouwen niet als zij aan de samenleving zouden kunnen deelnemen is een raadsel. Er zijn kerken, protestantse en natuurlijk ook de Rooms Katholieke zogenaamde kerk, die vrouwen zeker niet als moderne rechters, of richters, als dominees of pastoors zouden toelaten. Bij hen geen Paus, Bisschop, ouderling of Predikant die tegen een door God gezonden Deborah zouden zeggen, we gaan niet zonder U. Het is tegen de natuurlijke orde zou een kardinaal zeggen. Natuurlijk is dat tegen de natuurlijke orde, het is volgens Gods orde, die is uiteindelijk niet van deze wereld maar van een andere wereld, een heel andere orde dus.

Die bevrijdende orde, die mensen bevrijd van onderdrukking moet nog steeds bevochten worden. Zeker zolang vrouwen worden buitengesloten, onderdrukt, thuis opgesloten, met eerwraak bedreigd en niet mee mogen doen aan de samenleving en de democratie. Zich zelfs niet mogen kleden zoals ze willen, als ze tenminste hun gezicht willen bedekken. Denk niet dat alleen binnen de Islam minderheden vrouwen onderdrukken en als voorwerp beschouwen. Dat komt binnen de Rooms Katholieke en Gereformeerde traditie net zo goed voor. Ook in de economie staan vrouwen nog te veel en te vaak op het tweede plan, kunnen ze de echte top niet bereiken. De twee stammen van Zebulon en Naftali waren niet genoeg voor een blijvende bevrijding. Maar er zijn door de hele geschiedenis, tot op de dag van vandaag, meer vrouwen als Deborah, Goddank.

 

Wonderbaarlijk is het

Matteüs 21:33-46

33 Luister naar een andere gelijkenis. Er was eens een landheer die een wijngaard aanlegde en hem omheinde. Hij groef er een kuil voor de wijnpers en bouwde een uitkijktoren. Toen verpachtte hij hem aan wijnbouwers en ging op reis. 34 Tegen de tijd van de druivenoogst stuurde hij zijn knechten naar de wijnbouwers om zijn vruchten in ontvangst te nemen. 35 Maar de wijnbouwers grepen de knechten, ze mishandelden er een, doodden een ander en stenigden een derde. 36 Daarna stuurde de landheer andere knechten, een grotere groep dan eerst, maar met hen deden ze hetzelfde. 37 Ten slotte stuurde hij zijn zoon naar hen toe, met de gedachte: Voor mijn zoon zullen ze wel ontzag hebben. 38 Maar toen de wijnbouwers de zoon zagen, zeiden ze onder elkaar: “Dat is de erfgenaam! Kom op, laten we hem doden en zo zijn erfenis opstrijken,” 39 en ze grepen hem vast, gooiden hem de wijngaard uit en doodden hem. 40 Wanneer nu de eigenaar van de wijngaard komt, wat moet hij dan met die wijnbouwers doen?’ 41 Ze antwoordden: ‘Hij moet die ellendelingen een ellendige dood laten sterven en de wijngaard verpachten aan andere wijnbouwers, die de vruchten wel aan hem afdragen wanneer het daar de tijd voor is.’ 42 Daarop zei Jezus tegen hen: ‘Hebt u dit nooit in de Schriften gelezen: “De steen die de bouwers afkeurden is de hoeksteen geworden. Dankzij de Heer is dit gebeurd, wonderbaarlijk is het om te zien.” 43 Daarom zeg Ik u: het koninkrijk van God zal u worden ontnomen, en gegeven worden aan een volk dat het wel vrucht laat dragen. 44 Wie over die steen struikelt, valt te pletter, en degene op wie die steen valt, wordt vermorzeld.’ 45 Toen de hogepriesters en de farizeeën zijn gelijkenissen hoorden, begrepen ze dat Hij over hen sprak. 46 Ze wilden Hem graag gevangennemen, maar ze waren bang voor de reactie van de menigte, die Hem voor een profeet hield. (NBV21)

Het is duidelijk, je kunt wel doen of je de wijsheid in pacht hebt maar pas aan de vruchten kun je herkennen of het waar is. Jezus van Nazareth citeert hier Psalm 118. Over de steen die was weggeworpen maar die tot hoeksteen werd. Voor ons een vreemd beeld maar wie wel eens een muurtje heeft opgezet zonder cement, of op vakantie een muur van natuursteen heeft gezien, zal het misschien snappen. Je hebt dan te maken met de onregelmatigheid van de stenen. Niet alles past. Maar juist op de hoeken kan de meest onregelmatig gevormde steen het best passen en daarmee de belangrijkste steen vormen. En onregelmatig gevormd is de leer van Jezus van Nazareth. Niet de harde werkers, niet de mooi gekleden, niet de beste praters, niet de best gesneden pakken of de mooiste hoedjes bepalen het koninkrijk van God maar de minsten, de armen, de hoeren en de tollenaars.

Wie de blinden en de bedelaars langs de weg ziet, wie de hongerenden voedt en de naakten kleed. Juist in deze dagen van financiële crisis, dagen waarin de positie van de rijksten in de wereld versterkt wordt, juist in deze dagen is de zorg voor de armsten in Afrika van meer dan groot belang. Als we het werkelijk weten op te brengen de welvaart die wij delen ook te delen met de armen in Afrika dan brengen we iets van Koninkrijk van God op aarde. Nu, in deze dagen, komt het er op aan. Nu zelfs de meest verstokte aanbidder van de vrije markt en de goden van winst en profijt tot de ontdekking komt dat er in elke samenleving ook iets van samen delen moet zijn. Juist nu zal duidelijk moeten zijn dat delen met de armsten in de wereld voorop moet staan en niet de sluitpost moet worden van de internationale welvaart. Maar denk niet dat iemand met de eer voor het delen kan wegkomen.

Denk aan het verhaal dat Jezus van Nazareth vertelt over de werkers in de wijngaard. Op het moment dat de wijngaard opbrengst gaat vertonen steken ze die opbrengst in eigen zak. De heer van wijngaard, de Liefde zelf, wordt buitengesloten. In onze samenleving gebeurt hetzelfde. Zelfs de redding van het financiële systeem dreigt ten goede te komen aan de bazen van de banken en hen nog rijker te maken. Waarom dus niet de bonussen voor de top van de banken wereldwijd bestemmen voor microkredieten voor de armsten in de wereld. Zodat ook zij zich kunnen ontwikkelen en niet alleen delen in de welvaart maar er zelfs aan kunnen bijdragen. Want ook in de dagen van financiële crisis blijft de tegenstelling tussen landen waar overgewicht het belangrijkste probleem is en landen waar de honger het belangrijkste probleem is.

 

De wil van zijn vader

Matteüs 21:23-32

23 Toen Hij naar de tempel was gegaan en daar onderricht gaf, kwamen de hogepriesters en de oudsten van het volk naar Hem toe. Ze vroegen Hem: ‘Op grond van welke bevoegdheid doet U die dingen? En wie heeft U die bevoegdheid gegeven?’ 24 Jezus gaf hun ten antwoord: ‘Ik zal u ook een vraag stellen, en als u Mij daarop antwoord geeft, zal Ik u zeggen op grond van welke bevoegdheid Ik die dingen doe. 25 In wiens opdracht doopte Johannes? Kwam die opdracht van de hemel of van mensen?’ Ze overlegden met elkaar: ‘Als we zeggen: “Van de hemel,” dan zal Hij tegen ons zeggen: “Waarom hebt u hem dan niet geloofd?” 26 Maar als we zeggen: “Van mensen,” dan krijgen we het volk over ons heen, want iedereen houdt Johannes voor een profeet.’ 27 Dus gaven ze Jezus als antwoord: ‘We weten het niet.’ Daarop zei Hij tegen hen: ‘Dan zeg Ik u ook niet op grond van welke bevoegdheid Ik die dingen doe. 28 Wat denkt u van het volgende? Iemand had twee zonen. Hij zei tegen de een: “Jongen, ga vandaag in de wijngaard aan het werk.” 29 De zoon antwoordde: “Ik wil niet,” maar later bedacht hij zich en ging alsnog. 30 Tegen de ander zei de man precies hetzelfde. Die antwoordde: “Ja, vader,” maar ging niet. 31 Wie van de twee heeft nu de wil van zijn vader gedaan?’ Ze zeiden: ‘De eerste.’ Daarop zei Jezus: ‘Ik verzeker u: de tollenaars en de hoeren zullen het koninkrijk van God eerder binnengaan dan u. 32 Want Johannes bewandelde de weg van de gerechtigheid toen hij naar u toe kwam. U geloofde hem niet, de tollenaars en de hoeren wel. En ook al zag u dat, u hebt u niet bedacht en hem alsnog geloofd. (NBV21)

In de Protestantse Kerk Nederland mag je niet zomaar preken. Daar gaat een hele procedure aan vooraf en je moet officieel toestemming hebben van de synode, het hoogste bestuur van de Kerk. Eigenlijk verlangen ze dat je eerst theologie hebt gestudeerd aan een universiteit en zeker de Bijbel in het Grieks en Hebreeuws kunt lezen en vertalen. Zo iemand als Jezus van Nazareth zou in een Protestantse Kerk hier in Nederland niet zomaar op de kansel kunnen klimmen. Ook in zijn dagen was er al de vraag op grond waarvan hij deed wat hij deed. Hij was immers geen Priester of Leviet. Die oefenden officieel op grond van de Bijbelse voorschriften het toezicht op genezingen en de toepassing van de wet uit. Dan komt er zo’n prediker en die geneest en brengt mensen die zich hadden buitengesloten weer op de goede weg. Dat schept maar wanorde en verwarring.

Maar Jezus van Nazareth wijst op een andere kant van hetzelfde verhaal. In zijn optreden is ook de roep om anders te gaan leven. Om weer rekening te houden met de richtlijnen voor de menselijke samenleving, je naaste lief te hebben als jezelf. Eigenlijk is het de taak van iedereen om jezelf en om elkaar aan die liefdeswet te houden. In de traditie van het volk Israël waren er door de geschiedenis heen steeds mensen opgestaan die het volk tot de orde hadden moeten roepen, die weer hadden gewezen op die Wet en hoe die toe te passen in de dagelijkse werkelijkheid en in de politieke actualiteit. Profeten werden ze genoemd en in de dagen dat Jezus van Nazareth met zijn optreden was begonnen was er de Profeet Johannes geweest die bij de Jordaan mensen het rituele bad had laten ondergaan dat de Bijbelse wetten voorschreef om weer rein te worden, weer zonder vuiligheid en zo dat je die richtlijn van je naaste liefhebben weer ongestoord kon uitvoeren. Dopen noemde hij dat en daar was heel het volk voor uitgelopen.

Dat reinigingsbad moest je zelf nemen, daar kwam geen Priester of Leviet aan te pas. Tot die reiniging of omkeer oproepen was de taak van iedere gelovige. Niet dat Priesters en Levieten, Farizeeën en Schriftgeleerden dat de mensen voorhielden, dat zou hun macht en positie maar aantasten. Daarom gaven ze maar geen antwoord als ze naar de plaats in de Bijbelse wetten wordt gevraagd. Jezus van Nazareth wijst maar eens op de profeten die de mensen voor hadden gehouden dat ieder die kwaad had gedaan elk moment berouw kon hebben en met het goede kon beginnen. Ieder die bleef bij het kwaad kon doodvallen. Johannes was er mee begonnen en Jezus van Nazareth ging er mee door. Wij ook? In de Protestantse Kerk Nederland worden we daartoe in elk geval opgeroepen, en hier ook elke dag weer. Heb je naaste lief als jezelf en begin er gewoon nu mee.