Kom van je plaats

Matteüs 21:10-22

10 Toen Hij Jeruzalem binnenging, raakte de hele stad in rep en roer. ‘Wie is die man?’ wilde men weten. 11 Uit de menigte werd geantwoord: ‘Dat is Jezus, de profeet uit Nazaret in Galilea.12 Jezus ging de tempel binnen en joeg iedereen weg die daar iets kocht of verkocht. Hij gooide de tafels van de geldwisselaars en de stoelen van de duivenverkopers omver 13 en riep hun toe: ‘Er staat geschreven: “Mijn huis moet een huis van gebed zijn,” maar jullie maken er een rovershol van!’ 14 Toen kwamen er in de tempel blinden en verlamden naar Hem toe, en Hij genas hen. 15 De hogepriesters en de schriftgeleerden zagen welke wonderen Hij verrichtte en hoorden hoe de kinderen in de tempel ‘Hosanna voor de Zoon van David!’ riepen, en ze waren hoogst verontwaardigd. 16 Ze vroegen Hem: ‘Hoort U wat ze zeggen?’ En Jezus antwoordde hun: ‘Jazeker! Hebt u dan nooit gelezen: “Door de mond van kinderen en zuigelingen hebt U zich lof laten toezingen”?’ 17 Zo liet Hij hen staan, en Hij ging de stad uit, naar Betanië, waar Hij de nacht doorbracht. 18 Toen Hij vroeg in de morgen naar de stad terugkeerde, kreeg Hij honger. 19 Langs de weg zag Hij een vijgenboom staan. Hij liep ernaartoe, maar er zaten alleen maar bladeren aan. Daarop zei Hij tegen de boom: ‘Nooit ofte nimmer zul je meer vrucht dragen!’ Ogenblikkelijk verdorde de vijgenboom. 20 Toen de leerlingen dat zagen, vroegen ze verbaasd: ‘Hoe kan het dat die vijgenboom zo plotseling verdord is?’ 21 Jezus antwoordde: ‘Ik verzeker jullie: als jullie geloven zonder te twijfelen, kun je niet alleen teweegbrengen wat er met die vijgenboom gebeurd is, je kunt zelfs tegen die berg zeggen: “Kom van je plaats en stort je in zee,” en het zal gebeuren. 22 Alles waar jullie in gebed om vragen zul je ontvangen, als je maar gelooft.’ (NBV21)

Jezus was in Jeruzalem. Zo hoorde het, ieder die bij het volk Israël hoorde moest jaarlijks naar Jeruzalem om in de Tempel te laten zien dat je bereid was te delen wat je was toegevallen, door offers te brengen en een maaltijd te houden met het Tempelpersoneel, familie, je personeel en je slaven en de vreemdelingen die bij je hoorde. Als je van ver kwam mocht je je bezit te gelde maken en in Jeruzalem kopen wat hiervoor nodig was. Dat had een hele industrie in het leven geroepen, aan al die bezoekers werd flink verdient. Het maakte het offeren tot een religie, van delen was geen sprake meer. Jezus maakte daar dus een einde aan, tot schrik van de autoriteiten die er van mee profiteerden. De gewone man, en zeker de armen werden er blij van. Kinderen brachten dat onder woorden. Jezus had al uit Psalm 8 geleerd dat die manier waarop kinderen naar hun wereld kijken je het dichtst bij God kan brengen.

En als de mensen iets te grote woorden lijken te gebruiken om hem aan te duiden dan wijst hij al die knappe geleerden op die Psalm. Maar dan het vervolg. Jezus bracht de nacht door in een armoedig dorpje. Eten wilde hij uit de natuur langs de weg. Maar de vijgenboom had geen vijgen. Gewoon kijken naar een dode boom en dan niet verbaasd zijn dat ook de bladeren er af vallen hebben we verleerd. Gewoon beginnen aan het verwijderen van ook de zwaarste obstakels als dat nodig is durven we niet meer. Het gaat er dus uitdrukkelijk niet om om godsdienst en religie te verbinden met geld en verdienste. Overal in de Bijbel klinkt de oproep dat iedereen moet kunnen meedoen en als er mensen zijn die daar moeite mee hebben of te weinig bezitten om mee te doen dan moet je delen, dan moet je samen delen als gemeenschap.

Dan kunnen kerken soms een uitkomst bieden. Voor de eigen kerk, voor de kosten van de dienst en het kerkgebouw wordt vaak pas bij de uitgang gecollecteerd. En in Protestantse Kerken krijg je vaak het gevoel dat je niet hoeft te geven, het mag, het is welkom, maar als je niet hebt dan ben je er zelf niet minder welkom om. En twijfel? Mag je dan niet twijfelen aan het bestaan van God? Aan de waarheid van de Bijbel? Aan de boodschap van Jezus van Nazareth? Waar twijfel je dan aan? Aan de wetenschappelijke houdbaarheid van de stellingen die je door een kerk worden voorgehouden? Daar mag je best aan twijfelen, al die zekerheden zijn maar betrekkelijk. Of twijfel je aan de zin van het leven als je leven ingericht is op de zorg voor de minsten. Daar is geen twijfel over mogelijk, dode dingen blijven dood en zijn zinloos, alle genot en lust is uiteindelijk leeg, maar de zorg voor de minsten, het opstaan van mensen die geen stap meer verder kunnen, het inzicht dat mensen krijgen die het niet meer zien zitten, dat geeft een rijkdom die onbetaalbaar is, daar hoef je nooit aan te twijfelen, ook vandaag niet.

 

Over de vorsten

Ezechiël 19:1-14

Ezechiël 19:1-14

1 Zing nu over de vorsten van Israël dit klaaglied: 2 “Eens was je moeder een krachtige leeuwin! Door leeuwen omringd bracht zij haar welpen groot. 3 Een van haar welpen koos zij uit. Hij werd een sterke leeuw, hij leerde zijn prooi te vangen, ook mensen verslond hij. 4 De volken hoorden over hem en vingen hem in een valkuil; ze voerden hem met haken mee, tot in Egypte. 5 Toen zij zag dat haar wachten vergeefs en haar hopen zinloos was, koos zij weer een van haar welpen uit en maakte van hem een sterke leeuw. 6 Trots liep hij rond tussen de leeuwen, hij leerde zijn prooi te vangen, ook mensen verslond hij. 7 Hij verwoestte hun paleizen, legde elke stad in puin. Als zijn gebrul weerklonk werd het land stil, en huiverde. 8 De volken uit de landen rondom vielen hem aan, ze trokken netten om hem heen en vingen hem in een valkuil. 9 Ze deden hem een halster om en voerden hem met haken mee, in een net sleepten ze hem naar Babel, naar de koning. Op de bergen van Israël verstomde zijn gebrul. 10 Je moeder was als een wijnstok, net als jij aan het water geplant, die vrucht droeg en vele takken had, want er was water in overvloed. 11 Zijn takken werden sterk, machtig als een heersersstaf. Eén klom er op tot hoog in de wolken, van verre zichtbaar met zijn vele bladeren. 12 Toen werd de wijnstok in woede uitgerukt en op de aarde neergeworpen; de oostenwind verschroeide zijn druiven, zijn takken werden afgerukt en verdroogden, de sterkste werd door het vuur verteerd. 13 Nu staat hij in de woestijn, in een droog en dorstig land. 14 Uit zijn stam sloeg het vuur dat zijn twijgen en druiven verteerde, de sterkste tak is weg, zijn heersersstaf heeft hij verloren.”’ (Dit is een klaaglied, en zo wordt het nog steeds gezongen.( NBV21)

Vandaag lezen we een klaaglied dat in het boek van de profeet Ezechiël opduikt. Het zou gemakkelijk zijn om nu een verhaaltje te beginnen over het verdriet dat goede mensen kan overkomen. Op het ene moment gaat het je goed en voel je je sterk en dan veranderen de omstandigheden en raak je alles kwijt en je zou werkelijk niet weten wat je er aan zou moeten doen. Maar dat zou erg gemakkelijk zijn. Dit klaaglied gaat over een volk. Een volk waaruit sterke leiders voortkwamen. Leiders die indruk maakten op andere volken. Zo veel indruk dat die andere volken die leiders onschadelijk kwamen maken. Wij noemen het een klaaglied maar we lopen daarmee de kans de werkelijke betekenis een beetje uit het oog te verliezen. Wij klagen wat af in onze dagen nietwaar. Een klaaglied in de Bijbel is een lied dat gezongen wordt bij een begrafenis, een rouwlied, er is iets of iemand die dierbaar was, die geliefd werd gestorven. Hier is het rijk Juda gestorven. In Genesis 49 wordt Juda al omschreven als een leeuw, een sterke leeuw die wijnstokken bezit. Dat beeld vind je hier terug. Een soort beeld dat ook wij wel kennen want ook wij zingen af en toe dat we de leeuw niet in zijn hempie willen laten staan.

In het lied wordt gezongen over een moeder leeuw die kleine leeuwen groot brengt. Daaruit komen minstens twee sterke leeuwen voort die brullend rondgaan en overal gevreesd worden, iedereen wordt bang van die brulapen. De volken om Juda heen komen dan ook in actie en zo wordt de eerste leeuw naar Egypte gebracht als gevangene. Nogal vernederend zo wordt hier beschreven want een haak door de neus of de bovenlip kennen we niet van de leeuwenjacht maar wel uit de oorlogen waarbij de overwonnen, liefst de overwonnen koning of generaal, met een haak door de neus of de bovenlip achter de strijdwagen van de Koning of de winnende generaal in optocht werd getoond aan het winnende volk. Een pijnlijke vernedering. Bijbelgeleerden zijn dan ook op zoek gegaan naar die koningin-moeder en de twee koningszonen waarover dit rouwlied zou kunnen gaan. In het boek 1 Koningen zou je ze misschien tegen kunnen komen. De vrouw van Koning Josia zorgt er na zijn dood voor dat haar zoon koning wordt en die koning wordt gevangen en naar Egypte gebracht. Ze zorgde er vervolgens voor dat een andere zoon koning werd en die werd naar Babel in ballingschap gebracht.

Maar Ezechiël noemt deze personen niet. En die Koningin-moeder is ook geen wijnstok die aan levend water is gepland zoals het rouwlied zingt, verwijzend naar de Psalmen waar het dan over de rechtvaardigen gaat. En dat juist Ezechiël hier geen namen noemt moet ons te denken geven. Die profeet neemt over het algemeen geen blad voor de mond en noemt volken, stammen, rijken en koningen bij naam en toenaam. Maar hier in dit rouwlied gaat het over volken die dit kan overkomen. Het is een rouwlied en het zal een rouwlied worden staat er als laatste regel. Dat betekent dat ook wij moeten uitkijken. Kennen wij de zogenaamde sterke die zich als brulapen op de borst kloppen en zich beter achten dan wie dan ook? Die niet bekend staan om hun liefde voor de armen, om hun rechtvaardigheid, om de bescherming van de weduwe en de wees. We herkennen ze uit de geschiedenis en uit onze eigen dagen. Altijd weer treden er mensen op als leiders van volken en gemeenschappen die het gelijk onvoorwaardelijk aan hun kant hebben. Ezechiël wijst ons er op dat een dergelijke houding, dat het gebrul en gebral leidt tot de dood, tot de dood van volken en gemeenschappen, tot ballingschap voor de armen en de zwakken. En ballingen, vluchtelingen noemen we ze vandaag, zijn er in overvloed op de wereld. Tijd om niet langer de leeuwen te volgen maar de God van Israël, daar kunnen we vandaag nog mee beginnen.

 

 

Inzicht en inkeer

Ezechiël 18:21-32

21 Als een slecht mens zich afkeert van de zonden die hij heeft begaan, zich houdt aan al mijn bepalingen en handelt naar recht en gerechtigheid, zal hij zeker in leven blijven en niet sterven. 22 De misdaden die hij heeft begaan zullen hem niet worden aangerekend; vanwege zijn rechtvaardige daden zal hij in leven blijven. 23 Denken jullie dat Ik het toejuich als een slecht mens sterven moet? -spreekt God, de HEER. Nee, Ik wil dat hij tot inkeer komt en in leven blijft. 24 En een goed mens die zich niet langer rechtvaardig gedraagt maar onrecht doet en alle wandaden begaat van een slecht mens-moet die in leven blijven? Al zijn goede daden zullen niet meer tellen; omdat hij Mij ontrouw is geworden en zonden heeft begaan, zal hij sterven. 25 Nu zeggen jullie: “De weg van de Heer is onrechtvaardig!” Maar luister, Israëlieten! Ben Ik het die onrechtvaardig is? Zijn het niet juist júllie wegen die onrechtvaardig zijn? 26 Een goed mens die zich niet langer rechtvaardig gedraagt maar onrecht begaat, zal sterven; hij sterft omdat hij onrecht heeft begaan. 27 Een slecht mens die zich afkeert van zijn goddeloze levenswijze en voortaan handelt naar recht en gerechtigheid, zal in leven blijven. 28 Als hij tot inzicht en inkeer is gekomen en niet langer misdaden begaat, zal hij zeker in leven blijven en niet hoeven sterven. 29 De Israëlieten zeggen: “De weg van de Heer is onrechtvaardig!” Ben Ik onrechtvaardig, Israëlieten? Zijn het niet juist júllie wegen die onrechtvaardig zijn? 30 Volk van Israël, Ik zal ieder van jullie beoordelen naar de weg die hij gaat! -spreekt God, de HEER. Kom tot inkeer; bega geen misdaden meer, anders brengen die jullie ten val. 31 Breek met het zondige leven dat jullie hebben geleid, en vernieuw je hart en je geest. Want waarom zouden jullie sterven, volk van Israël? 32 De dood van een mens geeft Me geen vreugde-spreekt God, de HEER. Kom tot inkeer en leef! (NBV21)

Het is glashelder wat Ezechiël ons voorhoudt. Doe het goede of val dood. Iedereen die het goede doet zal leven en iedereen die het kwade doet kan doodvallen. En als je het kwade hebt gedaan en je hebt berouw en je wilt voortaan het goede doen? Dan kies je voor het leven en dan zal je leven. En als je altijd het goede hebt gedaan maar dat geef je op en je leeft voortaan alleen voor jezelf? Dan kun je doodvallen, dan ben je voor de gemeenschap, dus ook voor de gemeenschap van God met de mensen, van nul en generlei waarde. Zijn nu de goede mensen altijd goed en de kwade mensen altijd kwaad? Als je Ezechiël leest niet. Die roept iedereen op tot inkeer te komen en te leven. In kerktaal noemen we dat genade. Ook al doe je verkeerd, als je dat inziet en het voortaan anders wil gaan doen dan mag je weer mee doen, dan krijg je genade. Eigenlijk horen we dat in onze samenleving dan ook toe te passen. De doodstraf is daarbij helemaal uit de boze. Iemand aan wie de doodstraf is voltrokken kan immers nooit meer antwoorden op de oproep van Ezechiël tot inkeer te komen en te kiezen voor het leven.

In ons land geldt dat ook een beetje voor een levenslange gevangenisstraf. Die is ook echt levenslang en alleen onder zeer bijzondere omstandigheden kan de Koning gratie verlenen. Gratie is een ander woord voor genade. Er is nu een regel dat de rechter na verloop van tijd, een lange tijd, nog eens te laten kijken naar de rechtvaardigheid van een gevangenisstraf tot de dood er op volgt. Soms kan dat niet anders, maar vaker nog zeggen mensen als ze het individuele geval kennen dat genoeg genoeg is en dat als iemand lang gestraft is geweest en tot inkeer is gekomen de straf onmenselijk wordt. En als God vergeeft wie zijn wij dan om dat onmogelijk te maken. Bij een TBS is het al geregeld. Daar moet een rechter elke twee jaar een oordeel vellen over verlenging van de maatregel. Soms maken TBS gestelden het de rechter moeilijk door te vragen hen te laten zitten. Ze zijn tot het inzicht gekomen dat hun daden absoluut verkeerd waren maar zijn bang terug te vallen in hun oude fouten, de verleidingen niet te kunnen weerstaan en vragen om voortzetting van de bescherming.

Het aller moeilijkst hebben het de mensen die na een afzienbare straf weer vrij komen en weer aan onze samenleving moeten deelnemen. In plaats van hen te waarderen om hun inkeer blijft onze samenleving hen de fouten uit het verleden nadragen. Zelfs half weg huizen, half weg tussen gevangenis en samenleving, als die van de stichting Exodus kunnen nauwelijks een plaats vinden in buurten en wijken. Laat staan dat ex gedetineerden zelf een woning kunnen vinden waar ze een nieuw leven in eerlijkheid kunnen beginnen. Er wordt met veel professionele en vrijwillige hulp de nodige steun en begeleiding geboden. Vanuit de kerken zijn er vaak veel vrijwilligers te vinden die mensen willen helpen op het rechte pad te blijven en een leven te leiden waarmee ze een nuttige bijdrage aan de samenleving kunnen bieden. Maar onze samenleving kent maar weinig genade, weinig kansen op een nieuwe start. Eigenlijk vraagt Ezechiël ons dus vandaag ook eens na te gaan hoe het zit in onze gemeente met de acceptatie van Exodus en de arbeidsplaatsen voor ex-gedetineerden in het bedrijf waar we werken.

Hij buit niemand uit

Ezechiël 18:10-20

10 Maar stel, hij krijgt een gewelddadige zoon, een moordenaar, die alles doet 11 wat zijn vader nooit heeft gedaan. Hij neemt wel deel aan de offermaaltijden op de bergen en maakt de vrouw van een ander onrein; 12 wie misdeeld en arm is buit hij uit, hij steelt en geeft wat hij als onderpand heeft gekregen niet terug; hij vereert de afgoden, misdraagt zich gruwelijk, 13 vraagt rente vooraf en toeslag achteraf-moet zo iemand in leven blijven? Nee, hij zal niet in leven blijven: na zoveel wandaden zal hij zeker sterven, hij heeft zelf de dood over zich afgeroepen. 14 En ook hij krijgt weer een zoon, en deze zoon ziet alle overtredingen die zijn vader begaan heeft. Hij ziet ze allemaal, maar volgt ze niet. 15 Aan de offermaaltijden op de bergen neemt hij niet deel, de afgoden van de Israëlieten vereert hij niet en ook maakt hij de vrouw van een ander niet onrein; 16 hij buit niemand uit, hij vraagt geen onderpand wanneer hij iets uitleent en hij besteelt niemand. Hij deelt zijn voedsel met al wie honger heeft, wie naakt is geeft hij kleren, 17 wie misdeeld is doet hij geen kwaad, hij vraagt vooraf geen rente, noch toeslag achteraf. Hij leeft naar mijn regels en houdt zich aan mijn bepalingen. Zo iemand zal zeker in leven blijven, en niet sterven vanwege de zonden van zijn vader. 18 Maar zijn vader-die een uitbuiter is geweest, die anderen bestolen heeft en zijn eigen familie heeft benadeeld-,zijn vader zal sterven, vanwege zijn eigen zonden. 19 “Maar,” vragen jullie, “waarom hoeft de zoon niet te boeten voor de zonden van zijn vader?” Die zoon heeft gehandeld naar recht en gerechtigheid, hij heeft zich aan al mijn bepalingen gehouden en ze nageleefd, dus zal hij zeker in leven blijven! 20 Iemand die zondigt zal sterven, maar een zoon hoeft niet te boeten voor de zonden van zijn vader, en een vader hoeft niet te boeten voor de zonden van zijn zoon; wie rechtvaardig is wordt als een rechtvaardige behandeld, en een slecht mens wordt voor zijn slechte daden gestraft. (NBV21)

Die Ezechiël zou vandaag de dag onder ons kunnen leven. De vragen van ontspoorde jongeren en de verantwoordelijkheid voor hen. En de zorg en verantwoordelijkheid voor kinderen van criminelen spelen volop in de maatschappelijke discussie. Heeft Ezechiël ons daarbij iets te zeggen? Wis en waarachtig wel! Jongeren die alles doen wat God verboden heeft, een uitdrukking die ook in onze taal gemeengoed is geworden, plaatsen zichzelf buiten de samenleving, ze zijn “dood” in de taal van Ezechiël, op straat zeggen we dan dat ze kunnen doodvallen. Maar als ze als criminelen zelf kinderen hebben, moeten we die dan de misdaden van hun ouders aanrekenen? Nee natuurlijk niet zegt Ezechiël. En doen we dat ook niet? De zorg voor kinderen van gevangenen ontbreekt helemaal. Het komt voor dat tieners met broertjes en zusjes in de basisschoolleeftijd thuis de verantwoording voor opvoeding en huishouding op zich moeten nemen als de hen verzorgende ouders wegens een misdrijf in de cel beland zijn.

Niemand vraagt naar ze en de zorg voor zulke kinderen is bij ons niet geregeld. Het is alsof ze zelf ook kunnen doodvallen en dat was niet de bedoeling. We hebben met elkaar dus een grote verantwoordelijkheid voor kinderen in onze omgeving. We moeten er allereerst zoveel mogelijk aan doen om te voorkomen dat ze ontsporen. Zorgen dat ze niet spijbelen, dat er goed onderwijs gegeven wordt in onze wijken en buurten, dat er buiten schooltijden iets te doen is, dat ouders tijd krijgen en tijd hebben om door te brengen met hun kinderen en dat kinderen van ouders die niet goed voor ze kunnen zorgen opgevangen worden. Omdat we al die zorg aan instellingen voor Jeugdzorg overlaten is het geen wonder dat het mis gaat. Van Marokkanen kunnen we daarbij nog wel wat leren.

Als er in een buurt overlast van Marokkaanse jongens dreigt blijken Marokkaanse buurtvaders daar een uitstekend recept voor te hebben. Ze gaan twee aan twee de wijk in en spreken hun zonen aan op hun wangedrag daar waar dat plaats vindt. Ze doen dat zonder angst. Het is jammer dat dat beperkt blijft tot Marokkaanse buurtvaders. We zouden zulke ouders, want waarom alleen vaders, vaak kunnen gebruiken. En waarom alleen ouders, grootouders, buren en vrienden mag natuurlijk ook. Waarom laten we de veiligheid in de buurten alleen over aan een overbelaste politie. Waarom steken zo weinig mensen de handen uit de mouwen als het gaat om het opbouwen van een samenleving waarin voor iedereen plaats is en niemand bang hoeft te zijn. Ezechiël sprak niet alleen tegen de autoriteiten in zijn samenleving, hij had het tegen iedereen, ook tegen ons vandaag.

 

Hij buit niemand uit

Ezechiël 18:1-9

1 De HEER richtte zich tot mij: 2 ‘Waarom gebruiken jullie in Israël toch het spreekwoord: Als de ouders onrijpe druiven eten, krijgen de kinderen stompe tanden? 3 Zo waar Ik leef-spreekt God, de HEER -,nooit meer mag iemand bij jullie in Israël dit spreekwoord in de mond nemen! 4 Weet dat alle mensenlevens Mij toebehoren: zowel het leven van de ouders als dat van hun kinderen ligt in mijn hand, en alleen wie zondigt zal sterven. 5 Stel, iemand is rechtvaardig, hij handelt naar recht en gerechtigheid. 6 Aan de offermaaltijden op de bergen neemt hij niet deel en hij vereert de afgoden van het volk van Israël niet; hij maakt de vrouw van een ander niet onrein door haar te onteren en met een vrouw die ongesteld is heeft hij geen gemeenschap; 7 hij buit niemand uit, geeft de schuldenaar zijn onderpand terug en besteelt niemand. Hij deelt zijn brood met al wie honger heeft, wie naakt is geeft hij kleren; 8 hij vraagt geen rente wanneer hij geld uitleent of toeslag wanneer hij het terugkrijgt; hij begaat geen onrecht en geeft een eerlijk oordeel bij onderlinge geschillen; 9 hij houdt zich aan mijn bepalingen en leeft werkelijk naar mijn regels. Zo iemand is rechtvaardig en zal zeker in leven blijven-spreekt God, de HEER. (NBV21)

Bij alle discussies over de jeugdzorg hoor je dat bij ons ook wel eens vertellen, als de ouders kwaad doen straft God de kinderen. Maar God straft niet en zeker niet hen die het kwaad niet bedreven hebben zegt Ezechiël. Eigenlijk roept hij mensen op om op te houden met elkaar te beschuldigen. Als je geen kwaad hebt gedaan ben je ook niet verantwoordelijk voor het onheil. Alleen als je kwaad gedaan hebt dan zet je jezelf buiten de gemeenschap, in Bijbelse termen: dan kun je sterven. Maar als je mensen tot hun recht laat komen dan zal je dat niet overkomen en zeker je kinderen niet. Het soort rare spreekwoorden dat een volk kan ontwikkelen moet je maar vergeten zo roept de profeet ook ons toe. Want we weten er wat van. Als er hangjongeren zijn die de kans krijgen van kwaad tot erger te vervallen dan “weigeren de ouders hen op te voeden”. Als alleenstaande moeders niet werken maar voor hun kinderen die naar de basisschool gaan zorgen dan overtreden ze de wet. Of er kinderopvang is of niet, die moeders moeten werken.

Op tienerwerk bezuinigen we, tieners mogen ook de meest gewelddadige films op tv zien, geweldsspelletjes op hun computer spelen en rondhangen op straten waar volwassenen vrolijk alle snelheidsregels met hun auto’s aan hun laars lappen. Als ze dan ook nog elkaar opzoeken en in groepjes bij elkaar schuilen dan wordt iedereen bang en hebben we een probleem. Sinds het eind van de jaren 50 van de vorige eeuw horen we al van die problemen. We hadden de pleiners en de dijkers, de nozems en de hippies en nu hebben we de hangjongeren en de Marokkaantjes. In de jaren 20 van de vorige eeuw hadden ze vergelijkbare problemen in de Verenigde Staten, vooral met emigranten uit Italië. De problemen daar bleken achteraf de voedingsbodem voor de maffia. Begin jaren 60 bij de komst van de eerste gastarbeiders werd daar ook hier voor gewaarschuwd.

Wat een verrassing dat, nu, nadat we jaar in jaar uit alle waarschuwingen hebben genegeerd, er een probleem is. Wie schaft ons goede raad? Wellicht Ezechiël vandaag. Hij roept ons op ons aan de wetten van fatsoen en recht te houden. Weg met geweld en vrouwenhandel. En wat betreft het recht wordt het tijd er alles aan te doen om mensen tot hun recht te laten komen en een echte plaats te geven in onze samenleving. Dat betekent dat niemand, ouders en leerkrachten niet, het meer moet pikken dat er van school gespijbeld wordt. Ook als Uw eigen kinderen niet spijbelen, ook als je klasgenoten spijbelen, pik het niet van anderen.  Het idee dat je niet voor elkaar hoeft te zorgen is het begin van de ellende in veel wijken en steden. Laat mensen tot hun recht komen en geeft ze het goede voorbeeld. Dat gold in de dagen van Ezechiël dat geldt vandaag de dag niet anders.

 

Halleluja!

Psalm 113

1 Halleluja! Loof, dienaren van de HEER, loof de naam van de HEER. 2 De naam van de HEER zij geprezen van nu tot in eeuwigheid. 3 Van waar de zon opkomt tot waar zij ondergaat zij geloofd de naam van de HEER. 4 Verheven boven alle volken is de HEER, verheven boven de hemel zijn luister. 5 Wie is gelijk aan de HEER, onze God, die hoog daarboven zijn woning heeft, 6 die zijn oog richt naar beneden, wie in de hemel en op de aarde? 7 Hij verheft uit het stof wie berooid is, uit het vuil tilt Hij op wie alles ontbeert. 8 Hij laat hem wonen bij hooggeplaatsten, bij de hoogsten van zijn volk. 9 De onvruchtbare vrouw laat Hij wonen in het huis, een vrolijke moeder van kinderen. Halleluja! (NBV21)

Vandaag zingen we een Halleluja psalm mee. Nu betekent Halleluja iets als Loof de Heer. Het onvertaald laten van deze uitroep heeft in Christelijke kringen tot veel misverstanden geleid. Als je nu maar hard en vaak genoeg Halleluja roept, eventueel onderstreept met zwaaiende handen, dan zou je pas getuigenis afleggen van je geloof. De Psalm die we vandaag lezen laat zien dat het een misverstand is. De Evangelist Matteüs vertelt ons dat deze psalm een van de liederen was die gezongen werd bij de intocht van Jezus in Jeruzalem. Niet hoog te paard reed deze Koning zijn hoofdstad binnen , maar tussen de mensen op een ezel. Het is dus bij uitstek een lied voor de gewone mensen. Niet de machtigen op deze aarde, de wereldleiders, de G7 of G20 leiders hebben het op aarde uiteindelijk voor het zeggen maar de God van Israël. In de Hebreeuwse grondtekst staat waar in de vertaling HEER staat de naam van die God. Die spreken we uit eerbied nooit uit maar die betekent iets als “Ik zal er zijn”.

En waar is die God dan wel te vinden. Bij die “machtigen”? Aan de hoven van vorsten of in de paleizen van presidenten? Daar moet je die God in de eerste plaats niet zoeken. Maria en Hanna zongen het in het Nieuwe en Oude Testament: “Machtigen zal hij van de troon stoten”. De Psalm geeft het adres om de God van Israël te zoeken. Die is niet ver weg. Die huist niet in huizen die bewaakt moeten worden met beveiligers of militairen. Die God is bij hen die in het stof liggen, bij hen die berooid zijn, die in het vuil liggen. In arme landen vindt je ze op de vuilnishopen naast de grote steden. Voor ons ondenkbaar maar daar wonen mensen die zich in leven houden door te wroeten in het afval dat uit de steden is opgehaald. Daar is de God van Israël te vinden. Die God steekt op een gammele rubberboot de Middellandse Zee over omdat zijn kinderen gevlucht zijn voor honger, armoede en oorlogsgeweld. Die God zoekt naar zijn kinderen die bedolven zijn onder het puin van aardbevingen en kampeert met de overlevenden in ontoereikende tentjes. Het is daarom dat zijn gelovigen een gezin in een kerk hebben opgenomen.

Die Paleizen en voorname landgoederen worden door die God opengezet om de armen en berooiden een woning te geven. Om moeders weer de vreugde te geven hun kinderen in vrede en veiligheid te zien opgroeien. Onze asielzoekerscentra zijn de voorhoven van onze rijke wijken waar de vluchteling, ook de vluchteling voor honger en armoede, een woning dient te vinden. De Psalm is dus niet een lied om vrolijk de lof van God te zingen maar deze Psalm is een lied van opstand. Wie het goed vindt wat deze God op aarde voor zijn kinderen doet komt in opstand tegen de bestaande samenleving. Zolang er nog honger op de wereld is, zolang er nog bommen vallen op onschuldige burgers, zolang mensen in wanhoop met hun dood het door hun gevoelde onrecht bestrijden, zolang blijven zijn gelovigen de lof van de God zingen die een eind kan maken aan de ellende van de huidige samenleving. En hoe maakt die God daar een einde aan? Door zijn gelovigen mee te geven dat ze hun naaste lief moeten hebben als zichzelf, allen zijn immers uit het stof van de aarde gevormd. Hij roept zijn volgelingen op op te staan tegen het onrecht en de onrecht bedrijvende machtigen te verdrijven. Tijd dus om niet alleen Halleluja te zingen maar om Halleluja ook echt te gaan doen, elke dag opnieuw.

 

Ja, dat kunnen wij

Matteüs 20:17-34

17 Onderweg naar Jeruzalem nam Jezus de twaalf leerlingen apart. Hij zei tegen hen: 18 ‘We zijn nu op weg naar Jeruzalem, waar de Mensenzoon zal worden uitgeleverd aan de hogepriesters en de schriftgeleerden, die Hem ter dood zullen veroordelen. 19 Ze zullen Hem uitleveren aan de heidenen, en die zullen Hem bespotten, geselen en kruisigen. Maar op de derde dag zal Hij worden opgewekt uit de dood.’ 20 Daarop kwam de moeder van de zonen van Zebedeüs met haar zonen naar Hem toe. Ze wierp zich voor Hem neer om Hem om een gunst te vragen. 21 Hij vroeg haar: ‘Wat wilt u?’ Ze antwoordde: ‘Beloof me dat deze twee zonen van mij in uw koninkrijk naast U mogen zitten, de een rechts van U en de ander links.’ 22 Maar Jezus zei hun: ‘Jullie weten niet wat je vraagt. Kunnen jullie de beker drinken die Ik zal moeten drinken?’ ‘Ja, dat kunnen wij,’ antwoordden ze. 23 Toen zei Hij: ‘Uit mijn beker zullen jullie inderdaad drinken, maar wie er rechts en links van Mij zullen zitten kan Ik niet bepalen, die plaatsen behoren toe aan hen voor wie mijn Vader ze heeft bestemd.’ 24 Toen de andere leerlingen hiervan hoorden, namen ze het de beide broers kwalijk. 25 Jezus riep hen bij zich en zei: ‘Jullie weten dat heersers hun volken onderdrukken en dat leiders hun macht misbruiken. 26 Zo mag het bij jullie niet gaan. Wie van jullie de belangrijkste wil zijn, moet dienaar van de anderen zijn, 27 en wie van jullie de eerste wil zijn, moet slaaf van de anderen zijn- 28 zoals de Mensenzoon niet gekomen is om gediend te worden, maar om te dienen en zijn leven te geven als losgeld voor velen.’ 29 Toen ze uit Jericho vertrokken, volgde Hem een grote menigte. 30 Er zaten daar twee blinden langs de weg die, toen ze hoorden dat Jezus voorbijkwam, luidkeels begonnen te roepen: ‘Heer, Zoon van David, heb medelijden met ons!’ 31 De mensen berispten hen en zeiden dat ze hun mond moesten houden. Maar ze riepen nog harder: ‘Heer, Zoon van David, heb medelijden met ons!’ 32 Jezus bleef staan, riep hen bij zich en vroeg: ‘Wat wilt u dat Ik voor u doe?’ 33 Ze antwoordden: ‘Heer, open onze ogen!’ 34 Jezus kreeg medelijden en raakte hun ogen aan. Meteen konden ze zien, en ze volgden Hem. (NBV21)

Het contrast tussen wat we vandaag lezen uit de Nieuwe Bijbelvertaling en wat we zagen op de derde dinsdag in september, had niet groter kunnen zijn. Niet de mensen waarvoor de machtigen in ons land zouden moeten zorgen staan op die dag centraal maar de machtigen zelf. Pracht en praal bepalen het beeld. Zwervers, verslaafden, patiënten uit verpleeghuizen, gehandicapten, vluchtelingen, jongeren met veel problemen, slachtoffers van geweld en misdrijven, zie je bij de presentatie van een nieuwe begroting niet. Zij paraderen niet op het Binnenhof, ze zaten er niet bij in de schouwburg, om te laten zien waar het om gaat. Ook het woord van Jezus dat heersers hun volk onderdrukken en leiders hun macht misbruiken klinkt niet terug in de troonrede. Er wordt nog wel eens gezeurd over de zogenaamde bede die wel of niet in de troonrede zou moeten. Het besef van volksvertegenwoordigers en regeerders dat het dienen van de zwaksten en de armsten in de samenleving op de allereerste plaats zou moeten staan zou vooraan in de troonrede moeten staan. En denk daarbij niet alleen aan de zwaksten in eigen land maar ook aan de hongerigen, de slachtoffers van geweld en uitbuiting in de rest van de wereld.

Het was immers dag van de verantwoording hoe het geld dat we met z’n allen verdienen in dit land wordt verdeeld over iedereen zodat iedereen ook werkelijk deel kan hebben aan de rijkdom van ons land. Duidelijk is dat het delen met de allerarmsten in de hele wereld en het eerlijk handeldrijven daar ook bij hoort. Een dag van democratie, wat Prinsjesdag toch eigenlijk is, zou toch niet moeten laten zien hoe mooi soldaten er uit kunnen zien, maar hoe goed we voor verpleegkundigen en onderwijskrachten willen zorgen. Wie echt de eersten onder ons zijn, de belangrijksten voor ieder van ons, zijn zij die willen dienen, dag en nacht en soms met gevaar voor eigen leven. Wat er op de derde dinsdag in september gebeurt in Den Haag is misschien mooi om naar te kijken, maar heeft geen enkele betekenis, het is klatergoud en leeg theater. Beter zou het zijn de bovenstaande passage uit de Bijbel voor te lezen, want daar gaat het over macht en de reactie van de machthebbers op hen die macht onderuit willen halen. Om te laten zien hoe dat kan was het beloofde land bedoeld. De eerste stad die van het volk Israël werd toen ze uit de woestijn het beloofde land introkken was Jericho. Het verhaal van de inname van die stad is overbekend. Het volk trok er zeven maal zwijgend om heen en toen het na de zevende maal de tromptetten liet klinken en een groot gejuich aanhief storten de muren van de stad ineen. Geweldloos werd de stad ingenomen.

Jeruzalem was de stad van Koning David, die had de vrede in Israël gebracht, Na hem had zijn zoon Salomo de Tempel gebouwd waar de Tora werd bewaard. Jezus van Nazareth nu gaat het verhaal dat we vandaag lezen van Jericho naar Jeruzalem. Dat staat er niet zomaar. Die weg is een Koninklijke weg. Zo ga je als je het gehele land Kanaän in bezit wilt nemen en daar je rijk wil vestigen. Dan zitten er twee blinden langs de kant van de weg. Bedelaars die niet kunnen zien wat er zich in de wereld afspeelt. Ze kunnen roepen naar de mensen die voorbij komen: “heb medelijden met ons” Maar deze blinden zien meer dan we denken. Deze blinden roepen niet alleen om medelijden, ze weten best dat Jezus van Nazareth er aan komt en ze roepen hem uit tot Koning van Israel. “Heer, Zoon van David” , zo spreken ze hem aan. Daarom vraagt Jezus van Nazareth wat ze daarmee willen. En blinden willen zien, willen de ogen geopend hebben. Voor veel gelovigen gaat het hier in dit verhaal niet om het letterlijke zien, maar om het zien zitten, snappen wat er aan de hand is. De vraag is dus of Jezus van Nazareth die Koning is of niet? Eigenlijk blijft het antwoord verborgen. Jezus van Nazareth kreeg medelijden met hen. Als ze zo graag een koning wilden dan krijgen ze er een en hij opende hen de ogen en terstond volgden ze hem. Hier is dus niet een Koning die een mooi pak aantrekt.. Gewoon langs de kant van de weg, op weg van Jericho naar Jeruzalem, reageren op geschreeuw dat de aandacht trekt. Terloops vindt er een genezing plaats. Als we Jezus van Nazareth willen volgen dan hoort onze aandacht dus niet bij de grote podia, de glitter en het klatergoud, maar naar de kant van de weg.

 

Betaal hun het loon

Matteüs 20:1-16

1 Het is met het koninkrijk van de hemel als met een landheer die er bij het ochtendgloren op uit trok om dagloners voor zijn wijngaard te zoeken. 2 Nadat hij met de arbeiders een dagloon van één denarie overeengekomen was, stuurde hij hen naar zijn wijngaard. 3 Drie uur later trok hij er opnieuw op uit, en toen hij anderen werkloos op het marktplein zag staan, 4 zei hij ook tegen hen: “Gaan jullie ook maar naar mijn wijngaard, de betaling zal rechtvaardig zijn.” 5 En ze gingen erheen. Rond het middaguur ging hij er nogmaals op uit, en drie uur later weer, en handelde als tevoren. 6 Toen hij tegen het einde van de dag nog eens op weg ging, trof hij een groepje dat er nog steeds stond. Hij vroeg hun: “Waarom staan jullie hier de hele dag zonder werk?” 7 “Niemand heeft ons ingehuurd,” antwoordden ze. Hij zei hun: “Gaan jullie ook maar naar de wijngaard.” 8 Toen de avond gevallen was, zei de heer van de wijngaard tegen zijn rentmeester: “Roep de arbeiders bij je en betaal hun het loon uit. Begin daarbij met de laatsten en eindig met de eersten.” 9 En zij die er vanaf het einde van de dag waren, kwamen naar voren en kregen ieder een denarie. 10 En toen zij die als eersten waren gekomen naar voren stapten, dachten ze dat zij wel meer zouden krijgen. Maar ook zij kregen ieder die ene denarie. 11 Toen ze het geld hadden aangenomen, gingen ze bij de landheer hun beklag doen: 12 “Die laatsten hebben één uur gewerkt en u behandelt hen zoals u ons behandelt, terwijl wij het onder de brandende zon de hele dag hebben volgehouden.” 13 Hij antwoordde een van hen: “Vriend, ik behandel je toch niet onrechtvaardig? Je hebt toch ingestemd met het loon van één denarie? 14 Neem wat je toekomt en ga. Ik wil aan die laatsten hetzelfde geven als aan jou. 15 Of mag ik met mijn geld niet doen wat ik wil? Ben je jaloers omdat ik goed ben?” 16 Zo zullen de laatsten de eersten zijn en de eersten de laatsten.’ (NBV21)

Als we het verhaal van Jezus hier verder lezen leren we over rechtvaardige beloning. We weten natuurlijk wel dat de ketting net zo sterk is als de zwakste schakel. En als we goed nadenken weten we dat geen productie tot stand komt zonder de portier die de deur opendoet of de toiletjuffrouw die er voor zorgt dat de werkers niet ziek worden. Waarom dan de directeur het hoogste inkomen moet hebben en die toiletjuffrouw het laagste is niet echt duidelijk. Het heeft te maken met macht en het verkeerde geloof. Geloof in een god die succes heet maar tegelijkertijd een hoop schijn vertoont. De god van het klatergoud. Geen directeur heeft succes zonder de werkenden van het bedrijf. Ook op wereldschaal gaat dat op. Veel werk wordt nu verplaatst naar zogenaamde lage lonenlanden. De lonen zijn daar laag omdat er helemaal niets verdiend wordt en alle beetjes helpen. Alleen de producten die gemaakt worden in bedrijven die uit de rijke landen zijn verplaatst mogen ook goedkoop in die rijke landen worden ingevoerd. Producten die uit de arme landen zelf komen worden belast met hoge invoerrechten.

Als we dat om zouden draaien zou de wereld er heel anders uitzien. Jezus laat in het bovenstaande hoofdstuk zien hoe we het zouden kunnen omdraaien. We vragen bij de grens wie de producten hebben gemaakt en hoeveel ze er mee hebben verdiend. Dan heffen we een belasting die net zo hoog is als het verschil tussen het loon van onze arbeiders en wat er aan loon voor betaald is. Die heffing geven we dan aan de armen zodat het verschil in beloning weg valt. Iedereen zou zo een eerlijke beloning kunnen krijgen voor geleverde arbeid en arbeid die we hier hebben bedacht hoeft niet meer verplaatst te worden. Grondstoffen en landbouwproducten uit nu nog arme landen kunnen daar bewerkt worden en hier verkocht zonder problemen. Ook economen weten best dat iedereen er dan op vooruit zal gaan, maar de machtigen moeten dan wel het een en ander aan macht inleveren. En rijken, ja die komen in het verhaal van Jezus nu eenmaal niet echt meer voor.

Maar eerlijk delen is iets wat moeilijk te begrijpen blijft voor velen. In het verhaal van Jezus van Nazareth, een gelijkenis heet dat, zijn de mensen die de hele dag in de zon hebben staan wachten op een beetje werk net zo belangrijk als de mensen die in de ochtend al waren uitgekozen en de hele dag zeker waren van voedsel voor hun gezin. Maar mensen die het goed hebben vinden het al snel oneerlijk dat mensen die het minder hebben ook wat krijgen. Wat iedereen vergeet is dat al die dingen die we produceren ook gekocht moeten worden en dat hoe meer mensen geld hebben om iets te kopen hoe meer werkgelegenheid er is, hoe meer welvaart er dus is. Leven als in het Koninkrijk van God maakt ons allemaal dus rijk, zonder uitzondering. Dat zouden we eens moeten proberen.

 

Slechts met grote moeite

Matteüs 19:16-30

16 Nu kwam er iemand naar Jezus toe met de vraag: ‘Meester, wat voor goeds moet ik doen om het eeuwige leven te verwerven?’ 17 Hij antwoordde: ‘Waarom vraagt u Me naar het goede? Er is er maar één die goed is. Als u het leven wilt binnengaan, houd u dan aan zijn geboden.’ 18 ‘Welke?’ vroeg hij. ‘Deze,’ antwoordde Jezus, ‘pleeg geen moord, pleeg geen overspel, steel niet, leg geen vals getuigenis af, 19 toon eerbied voor uw vader en moeder, en ook: heb uw naaste lief als uzelf.’ 20 De jongeman zei: ‘Daar houd ik me aan. Wat kan ik nog meer doen?’ 21 Jezus antwoordde hem: ‘Als u volmaakt wilt zijn, ga dan naar huis, verkoop alles wat u bezit en geef de opbrengst aan de
armen; dan zult u een schat in de hemel bezitten. Kom daarna terug en volg Mij.’ 22 Na dit antwoord ging de jongeman terneergeslagen weg; hij had namelijk veel bezittingen. 23 Jezus wendde zich tot zijn leerlingen: ‘Ik verzeker jullie: slechts met grote moeite zal een rijke het koninkrijk van de hemel binnengaan. 24 Ik zeg het jullie nog eens: het is gemakkelijker voor een kameel om door het oog van een naald te gaan dan voor een rijke om het koninkrijk van God binnen te gaan.’ 25 Toen de leerlingen dit hoorden, waren ze hevig ontzet en vroegen: ‘Wie kan er dan nog gered worden?’ 26 Jezus keek hen aan en antwoordde hun: ‘Bij mensen is dat onmogelijk, maar bij God is alles mogelijk.’ 27 Daarop zei Petrus: ‘Maar wij hebben alles achtergelaten en zijn U gevolgd. Welk vooruitzicht hebben wij dan?’ 28 Jezus zei tegen hen: ‘Ik verzeker jullie: wanneer de tijd aanbreekt dat alles vernieuwd wordt, wanneer de Mensenzoon in majesteit zetelt op zijn troon, zullen ook jullie die Mij gevolgd zijn plaatsnemen op twaalf tronen en rechtspreken over de twaalf stammen van Israël. 29 En ieder die broers of zussen, vader, moeder of kinderen, akkers of huizen heeft achtergelaten omwille van mijn naam, zal het honderdvoudige ontvangen en deel krijgen aan het eeuwige leven. 30 Vele eersten zullen de laatsten zijn en vele laatsten de eersten. (NBV21)

Het zijn vaak keurige mensen. Ze liegen niet, ze stelen niet, ze geven aan collectes bij de deur, ze maken jaarlijks forse bedragen over aan liefdadigheidsinstellingen, dat kun je van de belasting aftrekken nietwaar, ze spreken altijd netjes, ze schelden niet, ze gebruiken geen geweld, hun vrije tijd besteden ze in een service club en in een enkel sociaal aanvaard maatschappelijk nuttig bestuur als vrijwilliger. En toch zijn ze bedroefd als ze zich verdiepen in de boodschap van Jezus van Nazareth. Ze volgen toch al die geboden? Zelfs dat gebod van heb Uw naaste lief als Uzelf. Maar soms willen mensen volmaakt zijn. Meer doen dan het gewone. Uitblinken in het goede. En dat vraagt iets wat eigenlijk niemand zomaar op kan brengen. Alles verkopen en verdelen onder de armen. Als je zelf bijna arm bent is dat niet zo moeilijk. Je krijgt er een hoop vrienden voor terug en als je in problemen komt is er vast iemand onder die jou wil helpen. Maar als je rijk bent is het een stuk moeilijker. Met die armen heb je niet zoveel gemeen. Die gaan niet uit, dat kunnen ze niet betalen, die lezen geen literatuur, daar hebben ze niet voor doorgeleerd, die luisteren niet naar klassieke muziek, daar zijn ze niet mee opgegroeid.

Wie volmaakt wil zijn streeft er naar gelijk aan God te worden, er is er immers maar één die goed is zoals door Jezus van Nazareth hier wordt opgemerkt. Werkelijk eerlijk delen is veel moeilijker dan het lijkt. Wij doen het niet. Wij durven de hypotheekrente aftrek niet zo te beperken dat iedereen evenveel steun om goed te wonen van de overheid kan krijgen. Wij durven loonstijgingen en bonussen niet zo te beperken dat niemand meer verdiend dan de Koning, niet bij de overheid maar al helemaal niet in het bedrijfsleven. Drogredenen als zouden de rijken naar het buitenland vluchten houden het tegen. Nee de rijken klagen over de lasten die van hen worden gevraagd Jongeren zullen bijna niet meer weten waar je het over hebt als je het over het oog van een naald hebt. Zoveel sokken worden er niet meer gestopt. Als bij ons iets stuk is, zeker als er een gat in een sok zit, gooien we het weg. Zelfs als de knopen van een overhemd springen dan gooien we die maar weg. Gelukkig zijn er af en toe allochtonen die nog weten hoe kleding gerepareerd moet worden. Zij beginnen dan een kledingreparatiewinkel waar je een opengesprongen broeknaad of een ander lekker zittend kledingstuk kunt laten repareren. De naald uit het verhaal van Jezus van Jezus van Nazareth, dat Matteüs hier verteld, zou trouwens een klein poortje geweest zijn. Klein om er voor te zorgen dat er geen grote lastdieren doorheen konden. Zo konden roversbenden de stad niet in en moesten belastingplichtige handelaren de grote en bewaakte poort nemen.

Ook bij ons staan de rijken vooraan. Hier wordt nog steeds meer uitgegeven aan de aftrek van hypotheekrente dan aan huursubsidie en is wel de beperking van de aftrek van hypotheekrente onbespreekbaar maar niet een vermindering van de huursubsidie. Zelfs als het gaat om verdeling van een belastingheffing, waarbij de sterkste schouders de zwaarste lasten dragen, gaan mensen met de laagste inkomens in koopkracht er op achteruit en de mensen met de hoogste inkomens er op vooruit. In het Koninkrijk van God komen de armsten op de eerste plaats. Sommigen vinden het in ons land dan ook tijd worden voor een echt Christelijk beleid. Een beleid waar iedereen meetelt en niet alleen de rijken. Het CNV had er al voor gewaarschuwd dat mensen met een bescheiden inkomen mee zouden moeten betalen aan het veilig stellen van de toekomst voor de rijken. Het FNV stapt eindelijk af van het vragen van een procentuele loonsverhoging die de verschillen opdrijft, iedereen een zelfde verhoging houdt de verschillen gelijk . Het wordt dus tijd meer mensen er van te overtuigen dat een politiek dat het Koninkrijk van God dichterbij brengt begint met eerlijk delen tussen arm en rijk, anders blijven we steken voor het oog van de naald.

 

Tachtig jaar rust.

Rechters 3:12-31

12 Weer deden de Israëlieten wat slecht is in de ogen van de HEER. Daarom gaf de HEER koning Eglon van Moab macht over Israël. 13 Eglon wist de Ammonieten en de Amalekieten op zijn hand te krijgen, en in een gezamenlijke aanval versloegen ze Israël en maakten zich meester van de Palmstad. 14 Achttien jaar moesten de Israëlieten koning Eglon van Moab dienen. 15 Toen riepen ze de HEER te hulp, en de HEER zond iemand om hen te bevrijden: Ehud, de zoon van Gera uit de stam Benjamin, een linkshandige. Deze Ehud ging namens de Israëlieten schatting afdragen aan koning Eglon. 16 Maar eerst liet hij zich een kort tweesnijdend zwaard maken dat hij onder zijn kleding verborg, op zijn rechterheup. 17 Nadat hij de schatting aan de vadsig dikke koning Eglon had aangeboden, 18 deed hij zijn dragers uitgeleide, 19 maar zelf maakte hij bij de stenen beelden bij Gilgal rechtsomkeert. Hij liet zich bij de koning aandienen met de mededeling dat hij een geheime boodschap voor hem had. Op een wenk van de koning lieten alle aanwezigen hem alleen. 20 Ehud ging naar de koning, die zich had teruggetrokken in de koelte van zijn bovenvertrek, en zei: ‘Ik heb voor u een boodschap van God.’ Toen de koning opstond van zijn troon, 21 trok Ehud met zijn linkerhand het zwaard van zijn rechterheup en stak het in Eglons buik. 22 Het zwaard drong met gevest en al naar binnen. De vetkwabben sloten zich om de kling-want Ehud trok het zwaard niet terug-en de hele inhoud van zijn darmen liep eruit. 23 Ehud vluchtte via de galerij, nadat hij de deuren van het vertrek vergrendeld had. 24 Hij was nog niet weg of de dienaren van de koning kwamen aangelopen. Ze merkten dat de deuren van het bovenvertrek waren vergrendeld en zeiden tegen elkaar: ‘Hij heeft zich zeker afgezonderd om zijn behoefte te doen.’ 25 Ze wachtten een hele tijd, maar de deuren van het vertrek werden niet geopend. Ten slotte haalden ze een sleutel en openden de deur van buitenaf-en daar lag hun heer, dood op de grond. 26 Ehud had van hun getalm gebruik gemaakt om te ontsnappen. Hij passeerde de stenen beelden en ontkwam naar Seïra. 27 Bij zijn aankomst in het bergland van Efraïm blies hij op de ramshoorn. Onder zijn aanvoering kwamen de Israëlieten uit de bergen. 28 Hij zei tegen hen: ‘Volg mij, want de HEER heeft uw vijanden, de Moabieten, aan u uitgeleverd.’ Ze volgden hem en bezetten de oversteekplaatsen in de Jordaan, zodat er geen Moabiet meer langs kon. 29 De Israëlieten versloegen ongeveer tienduizend Moabieten. Hoewel het stuk voor stuk stevige, strijdbare mannen waren, ontkwam er niet een. 30 Moab moest die dag buigen voor Israël, en het land had tachtig jaar rust. 31 Na Ehud kwam Samgar, de zoon van Anat. Hij doodde zeshonderd Filistijnen met een ossenprik. Zo bevrijdde ook hij Israël. (NBV21)

Bij Othniël, de rechter waarover we gisteren lazen, was het nog 40 jaar vrede en rust, maar bij de volgende rechter die wordt genoemd, Ehud, was het succes al twee maal zo lang. Nu zou je denken dat die Ehud toch wel een geweldenaar zou moeten zijn. Een legeraanvoerder met strategisch inzicht. Een sterke atleet die zijn manschappen in de strijd zou kunnen voorgaan. Niets is minder waar. Dat soort mannetjesputters is niet het soort waar Bijbelverhalen op vertrouwen. Ehud was een gehandicapte. Het blijft jammer dat vertalers geen namen vertalen, zoals vroeger in Indianenboeken wel gebeurde. Ehud is iemand die gehandicapt is aan zijn rechterhand, de zoon van Handige Rechterarm.

Hij leert echter zijn linkerarm gebruiken en dat werkt. Als je kijkt of iemand een zwaard bij zich heeft dan kijk je links, daar hangt een zwaard voor Handige Rechterarm, maar voor Kreupele Rechterhand, diens zoon, hangt het zwaard rechts en dat blijft onopgemerkt. Zo wordt de wrede vadsig dikke koning doodgestoken, en zo staat er in de oorspronkelijke tekst, hij kon in de stront zakken. Zoiets vertalen onze keurige Bijbelvertalers niet. Jammer want een verhaal als dit maakt dat gehandicapten bemoedigd worden in opstand te komen tegen hun onderdrukkers. Wij kijken immers ook vaak naar gehandicapten en benoemen dan wat ze niet kunnen. Maar ten onrechte, iemand die niet kan lopen kan vaak wel in een rolstoel zich verplaatsen, iemand die blind is, kan heel goed horen en zo kun je een hele lange lijst maken.

In onze democratie hoeven gehandicapten misschien niet direct met geweld tegen de samenleving op te staan. Zeer veel gehandicapten betalen forse bedragen aan eigen risico in de gezondheidszorg. Het maximum is dan nog maar het begin. Regelmatig komt het voor dat de dokter medicijnen voorschrijft waarvoor je ook nog apart een eigen bijdrage moet betalen. Het wettelijk maximum voor gehandicapten en chronisch zieken wordt daardoor veel groter. Alsof je als gehandicapte of chronisch zieke iets anders kan doen aan de vermindering van die kosten dan dood te gaan. Het idee is dat mensen moeten door krijgen wat hun zorg kost. Maar waarom als je er niets aan kunt veranderen? Het wordt tijd het Malieveld vol te zetten met rolstoelers, die geholpen worden door blinden, doven, hartpatiënten en iedereen die chronisch ziek of gehandicapt is.