Uitsluitend in gelijkenissen

Matteüs 13:24-35

24 Hij hield hun een andere gelijkenis voor: ‘Het is met het koninkrijk van de hemel als met een mens die goed zaad op zijn akker uitzaaide. 25 Terwijl de mensen sliepen, kwam zijn vijand giftig onkruid tussen het graan zaaien en vertrok weer. 26 Toen het jonge gewas opschoot en vrucht begon te dragen, kwam ook het onkruid tevoorschijn. 27 De knechten kwamen de heer des huizes vragen: “Heer, hebt u soms geen goed zaad op uw akker gezaaid? Waar komt dat onkruid dan vandaan?” 28 Hij antwoordde: “Dat is het werk van een vijand.” De knechten zeiden tegen hem: “Wilt u dat wij het onkruid weghalen?” 29 Hij antwoordde: “Nee, want dan zouden jullie met het onkruid ook het graan lostrekken. 30 Laat beide samen opgroeien tot aan de oogst, dan zal ik, wanneer het oogsttijd is, tegen de maaiers zeggen: ‘Haal eerst het onkruid weg, bind het in bundels bij elkaar en verbrand het. Breng dan het graan bijeen in mijn schuur.’”’ 31 Hij hield hun een andere gelijkenis voor: ‘Het koninkrijk van de hemel lijkt op een zaadje van de mosterdplant dat iemand in zijn akker zaaide. 32 Het is weliswaar het kleinste van alle zaden, maar het groeit uit tot de grootste onder de planten. Het wordt een boom, en de vogels van de hemel komen nestelen in de takken.’ 33 Hij vertelde hun een andere gelijkenis: ‘Het koninkrijk van de hemel lijkt op zuurdesem die een vrouw mengde met drie zakken meel tot alle meel doordesemd was.’ 34 Al deze dingen zei Jezus in gelijkenissen tot de menigte; Hij sprak uitsluitend in gelijkenissen tot hen. 35 Zo moest in vervulling gaan wat gezegd is door de profeet: ‘Ik open mijn mond om in gelijkenissen te spreken; Ik zal bekendmaken wat sinds de grondvesting van de wereld verborgen was.’ (NBV21)

De gelijkenissen tuimelen over elkaar heen in dit Bijbelgedeelte. Zo graag wilde Jezus van Nazareth duidelijk maken hoe het zit met de komst en de groei van dat Koninkrijk waar hij het steeds over heeft. Je denkt dat je het goede woord hebt verkondigd en dan zie je in een kerk de prachtige gewaden, de machthebbers, de show en je hoort dat de armen en hun bevrijding verdwijnen achter eigenbelang en eerzucht. Hoe kan dat toch? Dat is het kwade dat altijd het goede zal vergezellen, pas als het Koninkrijk er echt is zal het kwade ten onder gaan. Moet je dan wanhopen en maar ophouden met de vertellen over dat Koninkrijk van eerlijk delen waar de minsten de belangrijksten zijn en er voor iedereen een plaats is? Welnee. Het groeit vanzelf uit tot het mooiste en het grootste dat we ooit hebben gezien. Zoals dus die mosterdboom die wij niet meer in die vorm kennen maar die we ons best kunnen voorstellen.

Die gelijkenis met dat zuurdesem kunnen we ons misschien nog het beste voorstellen. Want wie wel eens brood bakt weet dat je van de gist maar een heel klein beetje nodig hebt om een heleboel lekker brood te kunnen bakken. Zuurdesem is net als gist en daar heb je eigenlijk nog minder van nodig. Zo kun je dus ook een ideale samenleving maken. Je hebt naar verhouding maar een paar mensen nodig die er echt in geloven, die het tot het bittere einde ook weten vol te houden. Deze vergelijking is van Jezus van Nazareth zelf. De vergelijking die er aan vooraf gaat is op dit moment eigenlijk nog veel actueler. Die van het zaad en het onkruid. Biologen zeggen dan direct dat onkruid niet bestaat. Alle planten hebben hun doel en bestemming. maar de boer zal zeggen dat dat mooi is, maar als je graan hebt gezaaid dan wil je ook dat er graan groeit en geen distels of papavers of andere struiken. Van graan moet die boer z’n huishouding draaiende houden. Jezus wijst er op dat het voor de boer geen zin heeft om het onkruid er uit te gaan trekken.

Lang hebben we gedacht dat we het onkruid wel konden vergiftigen maar daar komen we ook van terug. Uiteindelijk vergiftigen we onszelf daarmee. Laat het onkruid dus maar staan en verwijder het na het maaien. Het verwijderen van onkruid uit de samenleving nu heeft dus geen zin, en straffen moeten we maar aan de rechters overlaten, want dat wat verkeerd is moet benoemd worden en wie verkeerd doet verdient straf. Het enige wat we kunnen doen is bezig blijven voor een betere samenleving, dus moeten we steeds opnieuw mensen de kans geven opnieuw te beginnen maar dan op de goede weg. Jezus wijst daarbij op het mosterdzaadje, ongeveer het kleinste zaadje dat er is, maar het groeit uit tot een geweldige struik. We hebben daarom ook zelf de keus of we een mosterdzaadje willen zijn, als zuurdesem werken in onze stad, ons land, onze eigen wereld, of dat we onkruid willen zijn dat snel groeit, het grootste en het mooiste wil zijn maar dat het goede verstikt.

 

Die vrucht dragen

Matteüs 13:13-23

13 Dit is de reden waarom Ik in gelijkenissen tot hen spreek: omdat zij ziende blind en horende doof zijn en niets begrijpen. 14 In hen komt deze profetie van Jesaja tot vervulling: “Jullie zullen goed luisteren maar niets begrijpen, en jullie zullen goed kijken maar geen inzicht hebben. 15 Want het hart van dit volk is afgestompt, hun oren zijn doof en hun ogen houden zij gesloten. Met hun ogen willen ze niets zien, met hun oren niets horen, met hun hart niets begrijpen.Want anders zouden ze tot inkeer komen en zou Ik hen genezen.” 16 Gelukkig zijn jullie ogen omdat ze zien, en jullie oren omdat ze horen! 17 Want Ik verzeker jullie: vele profeten en rechtvaardigen hebben ernaar verlangd te zien wat jullie zien, maar ze kregen het niet te zien, en te horen wat jullie horen, maar ze kregen het niet te horen. 18 Hoor en begrijp dan nu de gelijkenis van de zaaier: 19 Bij ieder die het woord van het koninkrijk hoort maar het niet begrijpt, komt hij die het kwaad zelf is om te roven wat in hun hart is gezaaid; dit is het zaad dat op de weg gezaaid is. 20 Het zaad dat op rotsachtige grond is gezaaid, dat zijn zij die het woord horen en het meteen met vreugde aannemen. 21 Maar doordat het geen wortel schiet in hen, is dat van korte duur. Worden ze vanwege het woord verdrukt of vervolgd, dan komen ze meteen ten val. 22 Het zaad dat tussen de distels is gezaaid, dat zijn zij die het woord horen, maar bij wie de zorg om het dagelijks bestaan en de verleiding van de rijkdom het woord verstikken, zodat het zonder vrucht blijft. 23 Het zaad dat in goede grond is gezaaid, dat zijn zij die het woord horen en begrijpen. Zij zijn het die vrucht dragen, deels honderdvoudig, deels zestigvoudig, deels dertigvoudig.’ (NBV21)

Hoe krijg je het in die stomme koppen dat je van anderen moet houden als van jezelf. Dat het in het Koninkrijk met de wet van samen delen niet gaat om wie de eerste, de beste, de knapste, de sterkste of de rijkste is. Je legt het geduldig uit. Jezus gebruikt hele knappe voorbeelden. Gelijkenissen zijn die gaan heten. Maar hoe komt het toch dat als je dag in dag uit, jaar in jaar uit het meest voor hand liggende vertelt het toch niet altijd over komt. Niet altijd want soms, heel soms, willen mensen het best geloven. Voor Jezus van Nazareth maakte het eigenlijk niet zoveel uit. Het zorgen voor de minsten in de samenleving is niet vanzelfsprekend. Die zaaier kan er niets aan doen als het zaad op de weg valt en opgegeten wordt door de vogels, of als het op rotsige grond valt of verstikt wordt door de distels, maar wij kunnen dat wel.

Willen wij vruchtbare grond worden voor de boodschap van Jezus van Nazareth dan moeten we ons afwenden van wat ons meestal als goed voorgehouden wordt. Winst maken, succes behalen, persoonlijke groei nastreven, zelfs de groei van ons geloof opgeven. In Bijbelse termen heet dat bekering, een totale ommekeer in je leven. Dat is niet gemakkelijk. De distels van je omgeving kunnen dat eenvoudig verstikken. Want wie wil er nu geen succes behalen, winst maken en als persoon groeien? Geld verdienen, carrière maken, een stabiel en gezond mens zijn, is toch goed of niet? We houden zo gemakkelijk de ogen gesloten voor de minsten in de samenleving.

Juist het nastreven van al die door onze maatschappelijke omgeving opgelegde na te streven doelen houdt ons af van het voeden van de hongerigen, het kleden van de naakten, het troosten van de bedroefden, het bevrijden van de armen. Als horen en begrijpen nu eens voldoende was. Zo ingewikkeld was die gelijkenis van de zaaier toch niet. Iedereen heeft toch wel eens gehoord dat je je naast moet liefhebben als jezelf, en iedereen snapt natuurlijk ook wel dat het leven een stuk prettiger wordt als we allemaal niet tegen een ander doen wat we niet willen dat tegen ons wordt gedaan. Moet het eerlijk zijn dat je de een wel helpt en de ander niet? Zijn er ingewikkelde juridische redeneringen die je afhouden de mouwen op te stropen en kinderen een toekomst geven? Doorzie het. Een oud Joods spreekwoord luidt dat als je één leven redt je de hele wereld hebt gered. Vandaag is die ene dus genoeg, aan het werk.

De geheimen van het koninkrijk

Matteüs 13:1-12

1 Die dag verliet Jezus het huis en ging aan de oever van het meer zitten. 2 Er kwam een grote mensenmassa om Hem heen staan, en daarom ging Hij in een boot zitten, terwijl de menigte op de oever bleef. 3 Hij sprak in allerlei gelijkenissen tot hen: ‘Een zaaier ging eropuit om te zaaien. 4 Tijdens het zaaien viel een deel van het zaad op de weg, en er kwamen vogels die het opaten. 5 Een ander deel viel op rotsachtige grond, waar maar weinig aarde was, en het schoot meteen op omdat het niet diep in de grond kon doordringen; 6 en toen de zon opkwam verschroeide het, en doordat het geen wortel had droogde het uit. 7 Weer een ander deel viel tussen de distels, en toen die opschoten verstikten ze het. 8 Maar er viel ook zaad in goede grond, en dat droeg vrucht, deels honderdvoudig, deels zestigvoudig, deels dertigvoudig. 9 Laat wie oren heeft goed luisteren!’ 10 De leerlingen kwamen naar Hem toe en vroegen: ‘Waarom spreekt U in gelijkenissen tot hen?’ 11 Hij antwoordde: ‘Het is jullie gegeven de geheimen van het koninkrijk van de hemel te kennen, maar hun niet. 12 Want wie heeft, hem zal nog meer gegeven worden, en wel in overvloed; maar wie niets heeft, hem zal zelfs het laatste worden ontnomen. (NBV21)

De boodschap van Jezus moet heel eenvoudig geweest zijn. Heb je naaste lief als je zelf. Dat stond al in de Tora, het hart van de leer van Mozes. Met die richtlijn komt iedereen de woestijn door omdat je voortdurend op elkaar lees. Maar als het zo eenvoudig is waarom doet iedereen dat dan niet gewoon. Dat lees je in de gelijkenis over de zaaier. Wij herkennen dat niet meer zo. Voor ons is de zaaier uit de gelijkenis maar een verspiller van kostbaar zaaigoed. Bij ons is het land eerst mechanisch geploegd, met van die mooie rechte voren.

En als het dan even wil dan wordt er ook nog mechanisch gezaaid, met een speciaal zaaiapparaat achter een tractor. Op die manier hoeft er maar weinig verloren te gaan en ontstaat er een grote opbrengst, dus een groot rendement. Maar in de dagen van Jezus van Nazareth hadden ze al die automatisering niet. Wie het land vrij van stenen wilde hebben brak de rug, van zichzelf of van de familie. Wat verspilling van zaaigoed lijkt is ook bescherming van de gezondheid van de boer en diens familie. De gelijkenis gaat over de opbrengst. Er zijn altijd een heleboel redenen waarom mensen niet bezig zijn met hun naaste,

Maar waarom sprak Jezus van Nazareth zo vaak in gelijkenissen? Waarom niet gewoon gezegd dat je goed moet luisteren en gaan doen wat gezegd wordt, werken aan de bevrijding van de armen, de komst van het Koninkrijk van God? Dat de wereld er een stuk beter gaat uitzien als iedereen bezig is met de minsten, de naaste, de slachtoffers van hebzucht, onderdrukking en geweld is niet vanzelfsprekend. De stenen liggen er nog steeds, het onkruid is er ook en de weg is zelfs nodig. Die betere wereld is bijna een geheim. Een cadeau dat er pas is als je jarig bent. En volgens de Bijbel moet je alles willen opgeven dat het voor jou prettig maakt. Alles is lucht en leegte, alleen de liefde telt. Ga daar vandaag maar eens mee aan het werk.

 

Een verdorven en trouweloze generatie

Matteüs 12:38-50

38 Daarop reageerden enkele schriftgeleerden en farizeeën met een vraag: ‘Meester, we zouden graag een teken van U zien.’ 39 Hij antwoordde: ‘Dit is een verdorven en trouweloze generatie. Ze verlangt een teken, maar zal geen ander teken krijgen dan dat van de profeet Jona. 40 Want zoals Jona drie dagen en drie nachten in de buik van een grote vis zat, zo zal de Mensenzoon drie dagen en drie nachten in het binnenste van de aarde verblijven. 41 Op de dag van het oordeel zullen de Ninevieten samen met deze generatie opstaan en haar veroordelen; want zij waren na de prediking van Jona tot inkeer gekomen, en hier ziet u iemand die meer is dan Jona! 42 Op de dag van het oordeel zal de koningin van het Zuiden samen met deze generatie opstaan en haar veroordelen; want zij was van het uiteinde van de aarde gekomen om te luisteren naar de wijsheid van Salomo, en hier ziet u iemand die meer is dan Salomo! 43 Wanneer een onreine geest iemand verlaat, trekt hij door dorre oorden, op zoek naar een rustplaats. Maar als hij die niet vindt, 44 zegt hij: “Ik zal terugkeren naar mijn huis, dat ik verlaten heb.” En wanneer hij terugkeert, merkt hij dat het leegstaat, schoongemaakt is en op orde gebracht. 45 Dan gaat hij weg en haalt er zeven andere demonen bij, slechter dan hijzelf, en ze nemen daar blijvend hun intrek. En zo is de mens bij wie de demon intrekt er ten slotte veel slechter aan toe dan voorheen. Zo zal het ook gaan met deze verdorven generatie.’ 46 Terwijl Hij nog met de mensen in gesprek was, dienden zich buiten zijn moeder en zijn broers aan, omdat ze Hem wilden spreken. 47 Iemand zei tegen Hem: ‘Uw moeder en uw broers staan buiten, ze willen U spreken.’ 48 Hij antwoordde: ‘Wie is mijn moeder en wie zijn mijn broers?’ 49 Hij maakte een gebaar naar zijn leerlingen en zei: ‘Dat zijn mijn moeder en mijn broers. 50 Want ieder die de wil van mijn Vader in de hemel doet, is mijn broer en mijn zus en mijn moeder.’ (NBV21)

Het zal toch heel veel mensen worst zijn of die Jezus nu wel of niet bestaan heeft, of dat die God waar ze het maar steeds over hebben wel of niet bestaat. Het was vroeger een rotzooitje in de wereld, het is nu een rotzooitje in de wereld en het zal altijd wel een rotzooitje in de wereld blijven, daar helpt kennelijk geen lieve Heer Jezus of God in de Hemel tegen. En zo is het natuurlijk ook. Jezus en die God van hem zijn geen wonderbaarlijke tovenaars die alles wel even ten goede zullen keren. Zo zit het niet in elkaar, al willen de ongelovigen ons dat wel doen geloven. Hoe vaak hoor je niet dat het bewijs dat God niet bestaat ligt in het feit dat je nergens aan kunt wijzen dat God iets doet. In de tijd van Jezus al vroegen de leiders van het volk aan hem om een teken dat hij inderdaad van God was. Jezus kon zich er vreselijk over opwinden. Ongelovigen hadden het soms beter door dan de mensen die de leiding hadden in de Tempel, die dag en nacht zouden moeten studeren in de verhalen van Mozes en de profeten. Zelf geeft hij als voorbeeld het verhaal van Jona. Met veel moeite had God deze profeet in de heidense stad Nineve aan het preken gekregen, mensen bekeerd U, niet Uw winst, profijt of macht moet het uitmaken maar de liefde voor de zwakste in Uw samenleving. Toen ging Jona zitten wachten tot de stad zou vergaan. Dat zootje heidenen geloofde er immers niet in. Maar de bewoners van Nineve snapten het ineens en keerden hun samenleving om en die stad werd dus niet verwoest.

Nog zo’n voorbeeld geeft Jezus. De Koningin van het Zuiden, in ons spraakgebruik de Koningin van Sheba, ging naar Koning Salomo en luisterde naar de wijsheid van Salomo. Die wijsheid vind je terug in het boek Spreuken. Het begin van alle wijsheid is het ontzag voor God, dus het volgen van de Wet van heb je naaste lief als jezelf. Die inwoners van Nineve en die Koningin van het Zuiden hadden het door. Nu de machthebbers nog. Toch willen ook sommige gelovigen tekenen en wonderen zien. Ze trekken naar tenten en hallen om daar te geloven in wonderbaarlijke genezingen, in mensen die uit rolstoelen opstaan na vreselijke ziekten of tumoren die op raadselachtige wijze verdwijnen. Ze vergeten dat ook de tovenaars van de Farao van Egypte hun stokken in slangen konden veranderen. Het beste teken van het bestaan van God vind je als mensen voor elkaar gaan zorgen, als ze alles voor elkaar over hebben, desnoods zichzelf. Dat is het echte voorbeeld dat Jezus van Nazareth ons gegeven heeft. Als je dus een teken wilt zien, kijk dan eens in een spiegel en vraag je af of je werkelijk net zoveel van de armste en de minste in je stad houdt als van de mens die je in de spiegel ziet. En zo niet, dan valt er nog veel werk voor je te doen.

Stoppen met roken kan betekenen dat je gaat snoepen. Dat is dus de ene boze geest vervangen door de andere. Beter is na te gaan wanneer je rookt en waarom juist op dat moment. Als je de behoefte aan roken vervangt door een beter antwoord, die die behoefte bevredigd, kan het stoppen gemakkelijker worden. Verslavingen moeten overigens niet te licht worden opgenomen. Van de verslaving aan drugs is het bekend dat het soms wel zeven ontwenningskuren duurt voordat de verslaving achter iemand ligt. Jezus van Nazareth kende kennelijk de problemen die gepaard gaan met het afleren van slechte gewoonten. Bij hem ging het niet zozeer om het afwennen van verslavingen maar om gedrag waarbij je eerst om jezelf denkt en dan pas om anderen. Als je niet uitkijkt dan is je reactie op de zorg voor anderen dat je weer eens aan jezelf moet toekomen en dus met verdubbelde ijver de schade inhaalt en voor jezelf gaat zorgen. Daarom moet je ook jezelf in de gaten houden als je voor anderen in de weer bent. Het gaat er immers om van anderen te houden als van jezelf. Dat wat je jezelf gunt gun je ook aan anderen. Daarbij gaat zelfs je familie niet voor, de mensen met wie je samenwerkt voor een betere samenleving zijn je eerste familie. Bij sommige gesloten sekten wordt dit verhaal nog wel eens misbruikt om alle contact met de buitenwereld te verbreken. Als dat het geval is dan deugt die sekte niet. Jezus van Nazareth zorgde zelfs hangend aan het kruis nog voor zijn moeder, zijn broer Jacobus zou later nog de leider van de gemeente in Jeruzalem worden. Altijd staan de anderen voorop. Want voor je het weet heb je wel je slechte gewoonten afgeleerd maar komen er nog slechtere voor in de plaats. Dat is wat dit verhaal van Matteüs ons wil leren. Iedereen die de naaste liefheeft als zichzelf hoort bij de familie en alleen samen bouwen we aan de betere wereld die zal uitmonden in het Koninkrijk van God.

 

Iedereen die kwaadspreekt

Matteüs 12:22-37

22 Toen bracht men iemand bij Hem die bezeten was; hij was blind en kon niet spreken. Jezus genas hem, zodat hij kon spreken en zien. 23 Alle omstanders stonden versteld en zeiden: ‘Zou Híj de Zoon van David zijn?’ 24 Maar de farizeeën die dit hoorden, zeiden tegen elkaar: ‘Hij kan die demonen alleen maar uitdrijven dankzij Beëlzebul, de vorst der demonen.’ 25 Jezus wist wat ze dachten en zei tegen hen: ‘Elk koninkrijk dat innerlijk verdeeld is gaat te gronde, en geen enkele stad of gemeenschap die innerlijk verdeeld is zal standhouden. 26 Als Satan Satan uitdrijft, is hij innerlijk verdeeld. Hoe kan zijn koninkrijk dan standhouden? 27 En als Ik inderdaad dankzij Beëlzebul demonen uitdrijf, door wie drijven uw eigen mensen ze dan uit? Zij zullen dan ook uw rechters zijn! 28 Maar als Ik door de Geest van God demonen uitdrijf, dan is het koninkrijk van God bij u gekomen. 29 Trouwens, hoe kan iemand het huis van een sterke man binnengaan en zijn inboedel roven, als hij die man niet eerst heeft vastgebonden? Pas dan kan hij zijn huis leeghalen. 30 Wie niet met Mij is, is tegen Mij, en wie niet met Mij samenbrengt, drijft uiteen. 31 Daarom zeg Ik u: elke zonde en elke godslastering kan de mensen worden vergeven, maar wie de Geest lastert kan geen vergeving ontvangen. 32 En iedereen die kwaadspreekt van de Mensenzoon zal vergeving ontvangen. Maar wie kwaadspreekt van de heilige Geest zal geen vergeving ontvangen, noch in deze wereld, noch in de komende. 33 Wanneer een boom goed is, dan zijn ook zijn vruchten goed. Is een boom daarentegen slecht, dan zijn ook zijn vruchten slecht. Want aan de vruchten kent men de boom. 34 Addergebroed! Hoe kunt u iets goeds zeggen terwijl u zelf slecht bent? Waar het hart vol van is, daar loopt de mond van over. 35 Een goed mens haalt uit zijn schatkamer met goede dingen het goede tevoorschijn, terwijl een slecht mens uit zijn schatkamer met slechte dingen het slechte tevoorschijn haalt. 36 Ik zeg u: van elk nutteloos woord dat mensen spreken, zullen ze op de dag van het oordeel rekenschap moeten afleggen. 37 Want op grond van je woorden zul je worden vrijgesproken, en op grond van je woorden zul je worden veroordeeld.’ (NBV21)

In het verhaal van Matteüs over Jezus van Nazareth dat we hier lezen gaat het over de samenleving die we zouden moeten willen. Jezus haalde allerlei gekkigheid uit mensen en stelde ze daarmee in de gelegenheid weer gewoon mee te doen in de samenleving. Ze zagen het weer zitten en konden in gesprek met de anderen. Het boze er uit drijven noemden ze dat. Maar heb je niet de boze nodig om het kwade te verdrijven? Met dieven vangt men immers dieven? Het antwoord van Jezus is simpel. Als het boze het kwade verdrijft blijft er weinig kwaad in de wereld over. Zou het kwade zichzelf opheffen? Daar lijkt het niet op, het kwade is er altijd. Het is het goede dat het kwade uitdrijft. Elke partij die onderling ruzie maakt gaat ten onder, die bestrijdt zichzelf. Dat geld voor een stad, een land en elke mensengemeenschap, zelfs politieke partijen of bewegingen gaan daaraan ten onder.

Daarom is het belangrijk dat we elkaar vast houden, zoals politici in zaken van grote onderlinge verdeeldheid en de rampen die daaruit voorkomen graag plegen op te merken. Daarom is het ook belangrijk met elkaar in gesprek te gaan, elkaar op te zoeken. Daarom moeten we in onze eigen omgeving elke opmerking te lijf gaan waarmee anderen apart gesteld worden, uitgesloten worden van de samenleving. Erzijn politici die voortduren inhakken op de Islam. Wie met Moslims maaltijd heeft gehouden weet het tegendeel. Juist nu binnen de Moslim gemeenschap een toenemend aantal jongeren verleid worden mee te gaan vechten met extremistische organisaties, ze, de Christenen en Joden zouden Moslims haten, juist nu is samen werken geboden. En zouden we van buiten af bij dat gesprek niet moeten helpen. Ook onder de jongeren die naar Syrië of Irak gingen blijken jongeren te zijn die uitdrukkelijk als martelaar willen worden herinnerd. Aan ons om het niet zover te laten komen door hen martelaren te maken, want zoals Jezus zei, wie niet samenbrengt drijft uiteen. Dat samenbrengen is dus meer dan een bijzaak. Het is een hoofdzaak.

De geest waarin je de samenleving benadert, de geest waarin je de samenleving laat besturen is het belangrijkste waar je op moet letten. Je kunt God lasteren maar als je de Geest belastert waarin mensen mensen samen willen brengen dan is dat onvergeeflijk. We hoeven het misschien niet nog een keer te herhalen. Overtuigingen afwijzen in de hoop dat je daarmee de mensen niet kwetst die die overtuiging zijn toegedaan kan dus niet. Goede mensen letten op de goede dingen en kwade mensen zien alleen het kwade. Mensen die voortdurend afgeven op anderen zijn als adderengebroed, kinderen van slangen die alleen gif kunnen verspreiden. Natuurlijk moet je niet zwijgen over wat verkeerd is, maar samen het goede nastreven, samen zorgen dat jongeren een goede plek in de samenleving krijgen, dat vrouwen niet aangerand maar gerespecteerd worden en zonder bedreiging volwaardig mee kunnen doen, dat arbeiders een rechtvaardig loon krijgen, dat eigenaars van huizen die huizen ook goed onderhouden, dat kinderen die hier geworteld zijn hier een toekomst krijgen, dat is het opbouwen van het Koninkrijk van God

 

God, bevrijd ons

Psalm 79

1 Een psalm van Asaf. God, vreemde volken hebben uw land bezet, uw heilige tempel ontwijd en Jeruzalem in puin veranderd. 2 De lijken van uw dienaren lieten zij liggen als aas voor de vogels van de hemel, het vlees van uw getrouwen als voedsel voor de wilde dieren op aarde. 3 Hun bloed werd als water vergoten rond Jeruzalem-en niemand die hen begroef. 4 Gehoond worden wij door onze naburen, beschimpt en bespot door de volken rondom. 5 Hoe lang nog, HEER? Bent U voor eeuwig verbolgen? Hoe lang blijft uw woede branden? 6 Stort uw toorn uit over de volken die U niet kennen, over de koninkrijken die uw naam niet aanroepen, 7 want zij hebben Jakob verslonden en zijn woonplaats verwoest. 8 Reken ons de zonden van vroeger niet aan, toon erbarmen en haast u, want onze ellende is groot. 9 Help ons, God, bevrijd ons, tot eer van uw roemrijke naam, red ons en bedek onze zonden, omwille van uw naam. 10 Waarom mogen de volken zeggen: ‘Waar is nu hun God?’ Laat de volken weten, laat ons het zien, dat het bloed van uw dienaren wordt gewroken. 11 Laat het zuchten van uw geknechte volk U bereiken. Machtig is uw arm: houd in leven wie ten dode zijn gedoemd. 12 Straf de volken rondom ons zevenvoudig voor de smaad die zij U hebben aangedaan, Heer! 13 Wij zijn uw volk, de kudde die U hoedt, wij zullen U prijzen tot in eeuwigheid, van geslacht op geslacht verhalen van uw roem. (NBV21)

De Psalm die we vandaag met de Kerk meezingen bezingt het gevoel dat het volk Israël overkwam toen Jeruzalem verwoest werd, de Tempel afgebroken en het volk weggevoerd in ballingschap. Ook bij profeten als Jeremia en Jesaja kun je lezen dat de volken die rond Israël woonden zich vrolijk maakten over de ondergang van dat landje. Het landje dat zich zo hooghartig had opgesteld, dat bondgenootschappen had gesloten met de machtigste rijken van die tijd het laatste nog met Egypte dat hen nu in de steek had gelaten. Dat landje beriep zich altijd op een onzichtbare God waarvan niet eens beelden aanwezig waren in zijn Tempel. Ondertussen hadden ze wel andere goden geplaatst en aanbeden en vruchtbaarheidspalen voor Asjeera in de akkers gedreven.

In deze Psalm lijkt het volk berouw te krijgen van datgene wat ze verkeerd hebben gedaan en het lied loopt uit op het goede dat de God van Israël heeft gedaan en dat navolging verdient. Het is de God van Israël die de roem verdient. Het Joodse geloof en het Christelijke geloof maakt de gelovigen niet beter dan de mensen die zulk geloof niet aanhangen. Er is maar één God en die God roept op tot het goede, ondanks alle kwaad dat er in de wereld wordt gedaan. Kerken zetten vaak na rampen hun deuren open voor mensen die stilte en steun nodig hebben. De PKN kerken in Nederland organiseren extra collectes voor de hongerenden in Afrika voor voedselbanken en vluchtelingen uit Oekraïne. De kerken in Nederland zetten zelfs de deuren open voor gewortelde kinderen die hier van de heidenen niet mogen wonen.

Wie bezig is met de Bijbel hoort daarin de stem van de God die oproept om de lijdenden niet te vergeten. Vandaag zijn dat ook de nabestaanden van de aanslag op een onschuldig verkeersvliegtuig in de Oekraïne, de MH17, maar ook de hongerenden in Afrika en de slachtoffers van alle oorlogen en geweld. In Nederland ook de slachtoffers van de toeslagenaffaire, de boeren en de nazaten van slaaf gemaakten, de vluchtelingen en de vreemdelingen, kortom allen die niet behandeld worden zoals je zelf behandeld zou willen worden.. We zullen wegen moeten zoeken om in vrede te leven met mensen die anders geloven. In onze samenleving geven Moslims ons daarvoor een eerste kans. De Bijbel roept ons op men hen maaltijd te houden. Dat moeten we dan maar doen, niet omdat we beter zijn dan een ander, maar omdat we allemaal kinderen van die ene God zijn en kinderen horen elkaar niet uit te roeien maar elkaar te laten groeien, ook vandaag weer.

 

Mensenkind, let op!

Ezechiël 4:9-17

9 Je moet tarwe, gerst, bonen, linzen, gierst en spelt bij elkaar in een pot doen en er brood van bakken; dat is wat je de driehonderdnegentig dagen dat je op je zij ligt te eten zult krijgen. 10 Het brood dat je eet moet worden afgewogen: je krijgt maar twintig sjekel per dag, elke dag weer. 11 Het water dat je drinkt moet worden afgemeten: je krijgt niet meer dan een zesde hin, elke dag weer. 12 Ook moet je nog een gerstekoek eten die je voor ieders ogen moet bakken op menselijke uitwerpselen. 13 Zo zullen alle Israëlieten in onreinheid hun brood eten, want Ik zal ze verbannen naar andere volken.’ 14 ‘Ach HEER, mijn God,’ zei ik, ‘ik heb mezelf nooit verontreinigd, nog nooit in mijn leven heb ik vlees gegeten van een gestorven of doodgebeten dier, nooit heb ik onrein vlees geproefd.’ 15 Daarop antwoordde Hij mij: ‘Goed dan, Ik geef je rundermest in plaats van menselijke uitwerpselen om je brood op te bakken.’ 16 Ook zei Hij tegen mij: ‘Mensenkind, let op! Spoedig zal Ik in Jeruzalem de broodvoorraad vernietigen. Dan zullen ze het brood dat ze eten, moeten afwegen en daarbij door zorgen worden verteerd, en het water dat ze drinken, moeten afmeten en daardoor van wanhoop worden vervuld. 17 Ze zullen door honger en dorst tot wanhoop worden gedreven, ze zullen onder de last van hun schuld wegkwijnen. (NBV21)

We moeten ons voorbereiden op de derde wereldoorlog. De uitkeringen voor zieken, langdurig werklozen, gehandicapten en bejaarden gaan om laag omdat we duur nieuw wapentuig moeten bestellen. Ezechiël laat ons zien hoe het tijdens zo’n crisis staat met de voedselvoorraad. Je moet niks laten liggen. Het dure tarwebrood is voor de rijken, gewone mensen moeten er zeer zuinig mee om gaan. Vul het dus aan met gerst, het graan voor de armen, het eerst geoogst, maar ook meel van bonen, linzen, gierst en spelt kan verwerkt worden in broden. In kringen van natuurvoeding zal dit recept niet onbekend zijn. Onder de ballingen zullen er zijn die praten over dierenvoedsel.

Koken op menselijke uitwerpselen gaat de profeet te ver. Hij wil niet het verwijt krijgen zich buiten de gemeenschap te plaatsen door onrein te eten. Dan zou de boodschap die hij met deze maaltijd moet overbrengen helemaal niet overkomen. De ballingen waren nu juist, aarzelend, weer naar de spijswetten gaan kijken om zich er aan te houden. De boodschap van Ezechiël is nu juist bedoeld om cde belangstelling voor de richtlijnen van de God van Israël te vergroten. Het gaat om Jeruzalem. Die stad gaat niet gewoon door zonder de ballingen, zonder Tempel, zonder de godsdienst van Israël.

Die stad is verwoest en daar zal dus een hongersnood ontstaan. Die hongersnood kwam omdat het volk zich had afgewend van de richtlijnen van hun God. Niet langer stonden de armen centraal, niet langer bepaalden de minsten, de weduwe en de wees, hoe de rijkdom werd verdeeld. Het is dus geen waarschuwing om voorbereid te zijn maar om niet opnieuw in dezelfde fout te vervallen. Die waarschuwing zou ook voor ons moeten gelden. Hoe gaan wij met de minsten om? Hoe gaan wij om met vreemdelingen en vluchtelingen, gewortelde kinderen. Behandelen wij ze zoals wij behandeld zouden willen worden? Rechtvaardig volgens de Bijbel is dat elk mens tot zijn of haar recht komt. Wellicht dat we onze machthebbers daar wat luider toe moeten oproepen.

 

Neem een kleitablet

Ezechiël 4:1-8

1 Mensenkind, neem een kleitablet voor je en teken daarop een stad: Jeruzalem. 2 Sla het beleg voor de stad, werp een belegeringswal op, maak een bestormingsdam, richt een legerkamp in en zet stormrammen om de stad heen. 3 Neem dan een bakplaat, zet die als een ijzeren muur tussen jou en de stad en richt je blik op haar: de stad wordt belegerd en jij bent de belegeraar. Dit alles zal een teken zijn voor het volk van Israël. 4 Daarna moet je op je linkerzij gaan liggen en die de schuld van het volk van Israël laten dragen-alle dagen dat je op je zij ligt, zul je hun schuld dragen. 5 Driehonderdnegentig dagen lang geef Ik je die last te dragen, één dag voor elk jaar dat het volk van Israël schuldig is geweest. 6 Wanneer je die dagen hebt volgemaakt, ga je vervolgens op je rechterzij liggen om de schuld van het volk van Juda te dragen, veertig dagen lang: één dag voor elk jaar geef Ik je die last te dragen. 7 Je moet je blik op het belegerde Jeruzalem gericht houden, met ontblote arm, en tegen de stad profeteren. 8 Ik zal je met touwen vastbinden zodat je je niet van de ene op de andere zij kunt draaien, net zolang tot alle dagen dat je de stad belegert voorbij zijn. (NBV21)

Ezechiël, de profeet van het zien. Hij zag dat visioen dat alle machten en krachten van Babylon, het land van de ballingschap onder de macht waren gesteld van de God van Israël. Maar hoe kwam het dan dat het hele volk naar datzelfde Babel was gestuurd. Natuurlijk het was een koppig volk dat naar geen goede raad wilde luisteren maar zo wreed was de God van Mozes, Abraham en Jacob toch niet? Ezechiël krijgt de opdracht het volk te laten zien waar de schoen wringt. Wie niet horen wil moet maar voelen niet waar?
Pak een kladblok, waar je op kunt tekenen, in de dagen van Ezechiël een kleitablet. Opgravingen lieten zien dat het een gebruikelijke gewoonte was. Daar moest de stad op getekend worden, alsof de generaal die de stad verdedigd een plan maakt om haar in te nemen.

Maar dan. laat zien wat de reactie was van het volk Israël. Ezechiël zuchtte waarschijnlijk. Hij moest op zijn linkerzij gaan liggen en de schuld dragen van het volk Israël. Als je zoals de Benjameniten linkshandig ben kun je dus niks. Je zwaardarm ligt onder je. Het volk Israël deed of er niks aan de hand was. Wij kennen ook zo’n situatie. Wij kennen de resten van concentratiekampen waar we kunnen zien wat het betekent als het ene volk het andere wil uitroeien. Nooit meer zou dat mogen gebeuren. Maar nu de staat Israël, iets heel anders dan het volk van Ezechiël, als antwoord op een valse kreet voor vrijheid het hele volk van Gaza uitroeit dan zwijgen we, we doen niks, tenminste de kerk doet niks, de PKN vindt het te ingewikkeld.

Natuurlijk is er wel drang iets te doen. De Bijbel is immers voor vrede. Een vrede waarbij opgekomen wordt voor het leven van de zwaksten. Bescherming is er. Ook Ezechiël heeft daar last van. Maar God helpt hem. Hij bindt Ezechiël vast zodat die zich niet kan bewegen. Ook bij ons zijn er mensen die iets willen doen. Die trekken de rode lijn, tot hiertoe en niet verder . Maar zij worden vastgebonden door kerkleden die niks willen weten van vrede tussen de staat Israël en de buurstaat Palestina. Dan zouden de inwoners van Israël zich immers niet meer hoeven te bekeren tot Jezus. En de mensen die daar bang voor zijn geloven dat als alle inwoners van Israël zich tot Jezus bekeren, Jezus terug zal keren. Zij kunnen dat afdwingen. Dus gebeurt er niks. Dat moeten we laten zien, dat werd de ondergang van het Jeruzalem van Ezechiël. Blijf dus maar roepen om hulp aan de kinderen van Gaza, we moeten wel.

 

Ter verantwoording roepen

Ezechiël 3:16-27

16 Toen die zeven dagen voorbij waren, richtte de HEER zich tot mij: 17 ‘Mensenkind, Ik stel jou aan als wachter over het volk van Israël: als je mijn woorden hoort moet je hen voor Mij waarschuwen. 18 Als Ik tegen een slecht mens zeg dat hij sterven zal en jij waarschuwt hem niet, je zegt niets om hem te waarschuwen voor de goddeloze weg die hij is ingeslagen, niets om zijn leven te redden, dan zal hij weliswaar sterven door zijn eigen schuld, maar jou zal Ik voor zijn dood ter verantwoording roepen. 19 Als je een slecht mens daarentegen waarschuwt dat hij tot inkeer moet komen en hij gaat toch voort op zijn goddeloze weg, dan is hij zelf schuldig aan zijn dood, maar zul jij het er levend afbrengen. 20 Als een goed mens zich niet langer rechtvaardig gedraagt maar onrecht doet, en als Ik hem dan ten val breng, zal hij sterven als jij hem niet waarschuwt. Hij zal sterven als gevolg van zijn zondig gedrag, en zijn goede daden zullen niet meer tellen, maar Ik zal jou voor zijn dood ter verantwoording roepen. 21 En als je een goed mens voorhoudt dat hij niet moet zondigen en hij zondigt niet, dan blijft hij zeker in leven omdat hij zich heeft laten waarschuwen, en ook jij zult het er levend afbrengen.’ 22 Op die plaats werd ik opnieuw door de hand van de HEER gegrepen, en Hij zei tegen mij: ‘Sta op, ga naar buiten, naar het dal, want daar wil Ik met je spreken.’ 23 Ik deed wat me gezegd was. Toen ik in het dal kwam stond daar de stralende verschijning van de HEER, die ik ook bij het Kebarkanaal gezien had, en weer wierp ik me voorover op de grond. 24 Er voer een geest in mij die me weer overeind deed komen, en de HEER zei tegen mij: ‘Mensenkind, ga naar binnen, sluit je op in je huis. 25 Je wordt er met touwen vastgebonden, zodat je niet meer naar buiten kunt gaan om je tussen de mensen te begeven. 26 Ik zal ervoor zorgen dat je tong aan je gehemelte vastkleeft, zodat je stom zult zijn. Je mag hen niet meer terechtwijzen, want ze zijn hoe dan ook opstandig. 27 Maar wanneer Ik me opnieuw tot je richt zul je weer kunnen spreken, en dan moet je tegen hen zeggen: “Dit zegt God, de HEER … ” -en wie dan luistert, die luistert, en wie niet luistert, die luistert maar niet: het is immers een opstandig volk. (NBV21)

Een profeet is geen toekomstvoorspeller. Ezechiël krijgt in het gedeelte dat we vandaag uit zijn boek lezen les in het profeet zijn. Wij denken nog wel eens dat een profeet de toekomst voorspelt. Zo van bekeert u want het einde der tijden is nabij. Maar dat is dus geen profeet. Wanneer het einde der tijden zal zijn weet niemand. Wel weten we dat iedereen ooit verantwoording moet afleggen over wat hij of zij in het leven heeft gedaan. Maar dat gaat ook over de manier waarop je bekend staat, de manier waarop je tegen jezelf aankijkt. Ben je rechtvaardig en streef je naar recht en gerechtigheid? Ben je vredelievend en breng je vrede tussen mensen? Of let je alleen op jezelf en ben je bereid met alle geweld het meeste voor jezelf binnen te halen? Voor ieder mens geldt dat elk moment de balans kan worden opgemaakt, ben je in wezen een goed mens of ben je eigenlijk een slecht mens. Een profeet is er voor je te waarschuwen. Pas op let op de balans tussen het goede en het kwade.

Een profeet heeft wat dat betreft een verantwoordelijke taak. Want als iemand denkt dat er goed gedaan wordt en het is eigenlijk verschrikkelijk schadelijk voor anderen dan zal die iemand slecht blijven doen zonder de kans te krijgen het goede te gaan doen. Degene die weigert daarvoor te waarschuwen is daar net zo schuldig aan. Als je dus hoort dat bevolkingsgroepen tegen elkaar opgezet worden en je doet er niks tegen dan ben je net zo schuldig. Neem nou die Polen, die Bulgaren en die Roemenen. Zomaar komen ze tussen ons wonen en doen ze de dingen waarvoor niet direct Nederlanders te vinden zijn, vaak omdat Gemeenten denken dat als Nederlanders werkloos zijn die helemaal niet tijdelijk mogen werken, ten onrechte heeft men gelukkig ontdekt. Maar moeten we dan bang worden voor die Oost-Europeanen? Helemaal niet, ze horen ook bij Europa, ze horen dus gewoon ook bij ons. We kunnen dus samen maaltijd houden. En als we samen maaltijd houden kunnen we tijdens het eten ook de wederzijdse irritaties op tafel leggen, zij horen niet alleen bij ons, wij horen ook bij hen. En let op, de meeste problemen kunnen zo worden opgelost en de irritaties verdwijnen. Maar dat kan alleen als we bereid zijn naar hun irritaties over ons te luisteren en hen te helpen hun problemen mee op te lossen zoals zij kunnen helpen onze problemen op te lossen.

Denk nu niet dat het toch niet helpt. De God van Israël leert aan Ezechiël dat je ook goede mensen soms moet waarschuwen. Dat je met goede mensen in gesprek moet gaan. Juist als die vergeten de goede weg van vrede en recht te zoeken, maar alleen af gaan op hun eigen innerlijke onvrede. Goede mensen laten zich waarschuwen voor onrecht en het stichten van onvrede. Goede mensen weten dat er pas leven zit in het stichten van vrede en het brengen van recht. Maar een profeet is ook verantwoordelijk om goede mensen het goede voor te houden. Daar hebben we nog wel eens misverstanden over. Dan denken goede mensen dat ze voor slecht uitgemaakt worden als ze opgeroepen worden het goede te blijven doen. Maar zo is het niet. We moeten samen blijven streven naar het goede en daarbij moeten we elkaar het einddoel blijven voorhouden, allemaal streven we immers naar een wereld waar alleen het goede gedaan wordt en niet dan het goede. Daar mogen we elke dag opnieuw weer aan werken, ook vandaag weer.

 

Koppig en eigenzinnig

Ezechiël 3:4-15

4 Daarop zei de stem tegen mij: ‘Mensenkind, ga naar de Israëlieten en breng hun mijn woorden over. 5 Ik stuur je niet naar een onverstaanbaar volk met een onbegrijpelijke taal, maar naar het volk van Israël. 6 Ik stuur je niet naar een van de vele onverstaanbare volken met talen die jij niet kunt begrijpen, al zouden die zeker naar je luisteren als Ik je naar hen toe zou sturen. 7 Maar de Israëlieten zullen niet naar je willen luisteren, omdat ze niet naar Mij willen luisteren, want heel het volk van Israël is koppig en eigenzinnig. 8 Daarom maak Ik jou even onbuigzaam, en even koppig. 9 Ik maak je harder dan steen, Ik maak je zo hard als diamant; daarom hoef je voor hen niet bang te zijn, daarom mag je je niet door hen laten afschrikken, hoe opstandig ze ook zijn.’ 10 Ook zei de stem nog: ‘Mensenkind, onthoud alles wat Ik je zal zeggen, luister er aandachtig naar. 11 Ga naar de ballingen, naar je volksgenoten, om te profeteren en zeg tegen hen: “Dit zegt God, de HEER … ” -of ze nu horen willen of niet.’ 12 Toen hief een geest mij op, en ik hoorde achter mij een zwaar dreunend geluid: ‘De majesteit van de HEER zij geloofd in zijn woning!’ 13 Het was het geluid van de vleugels van de wezens die elkaar raakten, en van de wielen naast hen; het klonk als een hevig dreunen. 14 De geest hief mij op en voerde mij weg. Bitter gestemd en ontdaan ging ik mee; de hand van de HEER had mij vastgegrepen. 15 Ik kwam weer in Tel-Abib, bij de ballingen die wonen bij het Kebarkanaal. Daar zat ik zeven dagen verdoofd in hun midden. (NBV21)

Verdoofd door het overweldigende visioen over de oppergod Mardoek die alleen maar kon dienen door de God van Israël op een troon van diamant en ijs rond te vliegen, was Ezechiël op de grond gevallen. Tot overmaat van ramp had die God van Israël hem ook nog toegesproken. Hij moest de boodschap van de God van Israël aan zijn volk brengen. Tot zijn verbazing was al de ellende waar het volk mee te maken had en waar het terecht over klaagde, zoet als honing. Langzaam kwam de profeet weer een beetje tot zichzelf. Zo moeilijk kon het toch niet zijn, hij werd niet naar een van die vele vreemde volken met een vreemde taal gestuurd, maar naar zijn eigen volk. Natuurlijk de God van Israël kon er best voor zorgen dat zo’n vreemd volk met een onverstaanbare taal zou begrijpen waar Ezechiël het over had, maar het was niet moeilijker voor hem dan nodig was, het was zijn eigen volk.

Zou dan dat eigen volk wel luisteren naar wat hij te zeggen had? Het leek er niet op. Dat volk had vreemde goden nagelopen. Dat volk was overweldigd door de vele sterke goden van Babel. Door de rijkdom en de macht van dat grote rijk, rijkdom en macht waar mensen graag deel aan hebben. De God van Israël had niet gezorgd voor zo’n groot rijk, de Tempel van die God was verwoest. Maar het volk van Israël had niet dat visioen gezien dat Ezechiël had gezien. Zo’n visioen maakt je sterk, daar ga je niet aan voorbij. Door dat visioen zou Ezechiël net zo onbuigzaam en koppig worden als het volk al was. Hij, de slappeling die voor God op de grond viel, zou een man van staal worden.

Wat een verhaal was dit. Wat deed de God van Israël Ezechiël aan? Alle goden van Babel riepen de lof van de God van Israël. Dat mocht hij gaan uitleggen aan het zielige groepje ballingen aan de rivier, een kanaal eigenlijk, het Kebarkanaal. Ballingen die treurig zaten bij de rivieren van Babel, hun lieren hadden ze in de wilgen gehangen en ze weenden als ze dachten aan het Jeruzalem waaruit ze waren verbannen. Bitter en ontdaan overdacht Ezechiël wat er met hem was gebeurd. Maar terug moest hij, terug naar Tel-Abib, de vloedheuvel, waar het schuim der aarde was aangespoeld. Wij hebben ook wel eens van die visioenen, van een aarde waar de natuur wordt bewaard, waar vrede en gerechtigheid heerst, waar iedereen mee mag doen, waar voor iedereen te eten is. We houden niet op er over te praten, we hebben immers het voorbeeld van Ezechiël, die zat zeven dagen als verdoofd na zijn visioen. Wij kunnen ondertussen aan het werk gaan. Hoe? Als Kerk in actie, zoek de internetsite van Kerk in actie maar op en doe mee.