Omwille van de Heer

1 Petrus 2:11-17

11 Geliefde broeders en zusters, u bent als vreemdelingen die ver van huis zijn; daarom vraag ik u dringend niet toe te geven aan wereldse begeerten, die uw ziel in gevaar brengen. 12 Leid te midden van de heidenen een goed leven,
opdat zij die u nu voor misdadigers uitmaken, door uw goede daden tot inzicht komen en God eer bewijzen op de dag waarop Hij komt rechtspreken. 13 Erken omwille van de Heer het gezag van de overheden die door mensen zijn aangesteld: van de keizer als de hoogste autoriteit 14 en van de gouverneurs, door hem afgevaardigd om misdadigers te straffen en om te belonen wie het goede doen. 15 God wil namelijk dat u door het goede te doen onwetende dwazen de mond snoert. 16 Handel als vrije mensen, maar ook als dienaren van God, want u moet u niet achter uw vrijheid verschuilen om u te misdragen. 17 Houd iedereen in ere, heb uw broeders en zusters lief, heb ontzag voor God en eerbiedig de keizer. (NBV21)

De keuze om vandaag dit gedeelte uit de Bijbel op het leesrooster te zetten is al ongeveer twee jaar geleden genomen. Maar is in deze dagen van beperking van vrijheid uiterst actueel. Als gelovigen die leven bij de regels van de Liefde zijn we vreemdelingen. De wereld waarin we leven leeft bij de regels van eigenbelang. En het is altijd in ieders belang dat misdadigers worden gestrafd. Daar moet je je niet tegen verzetten maar zoeken naar wegen van Liefde om die misdadigers weer op het rechte pad tekrijgen. Dat is ook zo als het gaat om de opvang van vluchtelingen. Je kunt wel bang zijn voor de vreemden die anders om gaan met vrouwen en kinderen, die anders om gaan met bezit. Mensen van Liefde weten dat als je kennis maakt en samen eet die angst kan verdwijnen en zelfs meestal onterecht is, zo verschillend zijn mensen niet.

De briefschrijver is van humor trouwens ook niet gespeend. Want wat is nu de reden dat je het gezag van de Keizer en de gouverneurs moet erkennen? Om door het goede te doen onwetende dwazen de mond te snoeren. Geen gehoorzaamheid dus, zeker geen gehoorzaamheid om gehoorzaam te zijn. Alles staat in het teken van vrede en alle goeds. De keuze om het goede te doen en niets dan het goede wordt je niet opgelegd door de wereld. Het is geen slappe knieën mentaliteit die je doet buigen voor vreemde godsdiensten of buitenlandse dictators. Maar met de vreemdelingen onder ons aan tafel gaan betekent het goede te willen, ook van hen. Een bezoek te brengen aan vreemde dictaturen en daar te vragen naar je broeders en zusters betekent niet eer bewijzen aan onmenselijke heersers maar het goede te willen en niets dan het goede. En vergeet niet dat onder dictaturen mensen levens niet echt tellen. Let daarom op het goede, zodat je de slachtoffers van het kwade niet vermeerderd.

Ontzag voor God betekent dus je broeders en zusters, de minsten van de hele wereld, lief te hebben en er voor te zorgen dat het de machthebbers opvalt dat er een andere weg is om goed te doen dan het gebruik van geweld en onderdrukking. De schrijver van deze brief leeft in de traditie van Jeremia die aan de ballingen in Babel schreef dat ze groentetuinen moesten aanleggen om voedsel te kunnen delen met de armen zodat ze uiteindelijk zo’n goede naam zouden krijgen dat ze terug zouden mogen keren. Het is de traditie van Jezus van Nazareth die riep dat allen die het zwaard opnemen door het zwaard zullen vergaan. Het is de traditie die wij in onze dagen kennen van Ghandi, Martin Luther King en Nelson Mandela. Het is de wereld verbeteren door het goede te doen en niets dan het goede. Niet de taal van schelden en dik doen, niet het verheffen van de borst om onderscheidingen te tonen en mooier te zijn dan de ander, maar delen van huis en bezit en als het nodig is het delen van jezelf.

 

Bij mijn zuchten

Psalm 39

1 Voor de koorleider. Voor Jedutun. Een psalm van David. 2 Ik had mij voorgehouden: Ik moet mij beheersen en mijn tong voor zonde behoeden, mijn mond met een muilband bedwingen te midden van mensen zonder God of gebod. 3 En ik zei dan ook niets, geen woord, ik zweeg en vond geen verlichting, ik voelde steeds heviger pijn. 4 Het brandde in mijn binnenste, bij mijn zuchten laaide een vuur op en mijn tong begon te spreken: 5 ‘Geef mij weet van mijn einde, HEER, van de maat van mijn levensdagen, laat mij weten hoe vergankelijk ik ben. 6 U maakte mijn dagen een handbreed lang, mijn levensduur is niets in uw ogen, niet meer dan lucht is het bestaan van een mens, sela 7 niet meer dan een schaduw zijn levenspad, niet meer dan lucht wat hij rusteloos najaagt, hij vergaart en weet niet wie het toevalt.’ 8 Wat heb ik dan te verwachten, Heer? Mijn hoop is alleen op U gevestigd. 8 9 Bevrijd mij van al mijn zonden, bespaar mij de hoon van dwazen. 10 Ik zei niets, opende mijn mond niet, want U was het die mij dit alles aandeed. 11 Houd op mij nog langer te kwellen, ik bezwijk onder de slagen van uw hand.12 U kastijdt de mens als straf voor zijn zonde, U tast zijn schatten aan zoals een mot een kleed, niet meer dan lucht is een mens. sela 13 Hoor mijn gebed, HEER, luister naar mijn hulpgeroep, wees niet doof voor mijn verdriet, want een vreemdeling ben ik, bij U te gast zoals ook mijn voorouders waren.14 Wend uw straffende blik van mij af, dan beleef ik nog vreugde voordat ik heenga en niet meer ben. (NBV21)

Het zal veel mensen tegenwoordig niet onbekend voorkomen. Je ziet al het streven van de mensen in je omgeving, sparen voor nieuwe elektronica, studeren voor promotie, op jacht naar nieuw genot, weer een abonnement op een film en serie aanbieder en je vraagt je af, wat voor zin heeft het. Worden al die TV films niet steeds opnieuw gemaakt? Zijn al die verhalen eigenlijk allemaal niet zo ongeveer hetzelfde maar dan door anderen vertelt? En die sportwedstrijden zijn toch ook altijd met een begin en een eind? Wat is de zin eigenlijk van het leven? Dat moet je niet hardop zeggen want dan krijg je de wind van voren. Alsof je de mensen alle amusement wil afpakken, alsof je de mensen om je heen geen pleziertje meer gunt, alsof natuurfilms en wetenschapsprogramma’s mensen niet onderwijzen en wijzer maken, alsof er niet gedroomd mag worden van avonturen en ondernemingen.

Maar die avonturen worden door de mensen niet beleefd, die ondernemingen niet ondernomen. Uiteindelijk wacht een ieder de dood. En als het leven zelfs niets nieuws brengt dan is het leven zelf al de dood. Je wordt er depressief van, in de Bijbel vragen mensen dan om het tijdstip van hun einde te kennen, al dat streven, al dat jagen en jachten naar genot het is allemaal leegte en lucht, het stelt niets voor. We zijn vreemdelingen op aarde, we zijn hier slechts te gast. Een korte tijd mogen we hier doorbrengen en dan worden we weer tot stof en zijn we vergeten. We doen wel of we belangrijke mensen uit de geschiedenis nog kennen, maar wie heeft Koning Willem I ontmoet? Wie weet waar hij verdriet om had of waar hem een plezier mee kon worden gedaan? We hebben een reeks Koningen en Koninginnen gehad, maar de secretarissen die hun afspraken maakten en zorgden dat we van hen hoorden en ze zagen kennen we niet. Al dat klatergoud uit de afgelopen twee eeuwen is lucht en leegte geweest, hoogstens aanleiding tot het opnieuw verplaatsen van lucht.

Maar helemaal op het eind spreekt de psalmdichter over de voorouders, over de straffende blik van God die afgewend moet worden. Heel langzaam lijkt een herinnering op te komen aan tijden toen het leven nog zin had. Want die voorouders waren ook vreemdelingen en bijwoners. Abraham was een zwervende Arameeër staat er geschreven. Hij verliet huis en haard om achter een God aan te zwerven. Het volk Israël, stamde van hem af maar werd als slavenvolk Egypte uitgejaagd omdat ze kans zagen onder het offer, onder de dood, van de eerstgeborene uit te komen. Diep in de woestijn kreeg dat zootje zwervers richtlijnen voor een menselijke samenleving, ondanks het feit dat ze , o zo menselijk, liever eigengemaakte goden van goud en zilver aanbaden. Die richtlijnen konden samengevat worden als heb uw naaste lief als uzelf en ze gingen geloven dat alleen het houden van dat gebod met alles wat daarbij hoorde zin zou geven aan het leven. Vandaag, in onze dagen is het niet anders. Voor zoekers naar het hogere, naar een zin van het leven dat het menselijke te boven gaat is nog steeds de Liefde tot de minsten, de liefde tot God, het enige zinnige antwoord. Dat blijft, dat geeft echte vreugde. Elke dag opnieuw, ook vandaag.

 

De hemel zelf

Hebreeën 9:15-28

15 Zo is Hij dan bemiddelaar van een nieuw verbond; Hij is immers gestorven om ons te verlossen van de overtredingen tegen het eerste verbond. Nu kunnen allen die geroepen zijn het beloofde eeuwige erfdeel ontvangen. 16 Bij een testament is het noodzakelijk dat de dood van de erflater wordt vastgesteld. 17 Een testament is immers pas geldig na overlijden, het heeft geen rechtskracht wanneer de erflater nog leeft. 18 Daarom is ook het eerste verbond niet zonder bloed ingewijd. 19 Want nadat Mozes alle voorschriften van de wet aan heel het volk had voorgelezen, nam hij het bloed van jonge stieren en bokken, water, karmozijnrode wol en majoraan, en besprenkelde zowel het boek zelf als heel het volk, 20 en verklaarde: ‘Dit is het bloed van het verbond dat God aan u heeft opgelegd.’ 21 Vervolgens besprenkelde hij op dezelfde manier de tabernakel en alle voor de eredienst benodigde voorwerpen met het bloed. 22 Volgens de wet wordt inderdaad vrijwel alles met bloed gereinigd, want als er geen bloed wordt uitgegoten, vindt er geen vergeving plaats. 23 Als het dus noodzakelijk is dat de afbeeldingen van wat zich in de hemel bevindt op die manier gereinigd worden, dan moet wat in de hemel zelf is met veel betere offergaven worden gereinigd. 24 Christus is immers geen heiligdom binnengegaan dat door mensenhanden is gemaakt, een afbeelding van het hemelse heiligdom, maar de hemel zelf, waar Hij nu bij God voor ons pleit. 25 Hij offert zichzelf daar niet telkens opnieuw; Hij is dus niet te vergelijken met de hogepriester die elk jaar het heiligdom binnengaat, met bloed dat het zijne niet is, 26 want dan zou Hij sinds de grondvesting van de wereld telkens opnieuw hebben moeten lijden. Nee, Hij heeft zich bij de voltooiing van de tijden eenmaal geopenbaard, om met zijn offer de zonde teniet te doen. 27 Mensen moeten eenmaal sterven en daarna volgt het oordeel. 28 Net zo zeker is het dat Christus, die eenmaal is geofferd om de zonden van velen te dragen, voor een tweede maal zal verschijnen, niet om opnieuw de zonde op zich te nemen, maar om te redden wie Hem verwachten. (NBV21)

Zo kort na de Paasdagen lijkt de schrijver van de Hebreeën brief het traditionele geloof van de Christenen helemaal op de kop te willen keren. Jezus van Nazareth was immers gekruisigd, gestorven en begraven. Maar op Pasen viert de Christelijke kerk dat Jezus van Nazareth uit zijn graf was opgestaan en weer kon eten en drinken met zijn volgelingen. Maar die opstanding lijkt hier wel helemaal geen rol te spelen. In de eerste plaats moeten we ons realiseren dat hier ook het vertalen van de Bijbel ons parten speelt. Wij lezen de Bijbel nu eenmaal niet in het Grieks waarin dit gedeelte oorspronkelijk was geschreven. In het Grieks zijn testament en verbond twee dezelfde woorden, dia’theke. Daar speelt de schrijver mee door het enerzijds te hebben over het verbond dat Mozes met zijn God sloot op de Sinaï, het verhaal dat we kunnen lezen in Exodus 24. En anderszins de kruisiging van Jezus.

Dat sluiten van een verbond door Mozes ging ook daar met bloed gepaard, er werd als het ware een maaltijd gehouden tussen God, Mozes en het volk waarbij alles wat bij het volk van God sprak daarbij werd betrokken. Dat bloed was van dieren maar het bloed van Jezus van Nazareth was van een mens. Door zijn manier van zich aan de leer van Mozes te houden werd hij opgenomen in het Rijk van God, waar God zelf is en waar dus geen verbinding gelegd hoeft te worden. Die verbinding moet wel met ons gelegd worden. Wij immers deinzen er zo vaak voor terug om de weg te gaan die Jezus van Nazareth ging. Vrede bewaren zelfs als de mensen ons willen doden. Als ons bezit wordt bedreigd dan gebruiken we liever geweld. Helpen van de armen die tegen hun armoede in opstand komen vindt men in onze samenleving maar verspilling, ook met die armen kun je beter vechten lijkt het wel. Omdat we ons zo vaak laten verleiden door hebzucht en gemakzucht moeten we steeds opnieuw beginnen met het geloof in, met het werken aan het Koninkrijk van God, die nieuwe samenleving van eerlijk delen en heb je naaste lief als jezelf.

We kunnen steeds opnieuw beginnen omdat we weten dat Jezus van Nazareth het heeft volgehouden door de dood heen. Ja door de dood heen. Dat een lijk is opgestaan gaat er bij veel mensen niet in. De schrijver van de brief aan de Hebreeën lijkt daar niet mee te zitten. Hij heeft het over een verschijning van Jezus van Nazareth na diens dood. Die verschijning deed de mensen beseffen dat die liefde die hen in beweging had gezet er nog steeds was. Dat die liefde gedeeld kon worden met iedereen op aarde en als iedereen op aarde daarin gedeeld had de verschijning opnieuw zal plaatsvinden en die ideale samenleving bereikt zal zijn, daar zijn de tranen gewist en zal geen dood meer zijn. Op grond van het eerste verbond spraken de profeten van dit visioen, op grond van het tweede verbond gingen en gaan de Christenen op pad om dat te verkondigen en waar te maken, iedere keer als we de armsten van de aarde weten te helpen maken we het waar, vandaag dus ook.

 

Voor eens en altijd

Hebreeën 9:1-14

1 Het eerste verbond bevatte bepalingen voor de rituelen van de dienst en het aardse heiligdom. 2 De voorste tent, die is ingericht met de kandelaar en de tafel voor de toonbroden, wordt het heilige genoemd. 3 Achter het tweede voorhangsel bevindt zich de tent die het allerheiligste genoemd wordt. 4 Daar staan het vergulde reukofferaltaar en de ark van het verbond, die langs alle zijden met goud overtrokken is en waarin zich de vergulde kruik met het manna, Aärons staf die gebloeid heeft en de platen met de verbondstekst bevinden; 5 daarop staan de cherubs als teken van Gods majesteit, zij bedekken de verzoeningsplaat met hun schaduw. Op dit alles kunnen we nu niet in detail ingaan. 6 In het aldus ingerichte heiligdom gaan de priesters voortdurend de voorste tent binnen om hun dienst te vervullen, 7 maar de tweede tent gaat alleen de hogepriester binnen, slechts eenmaal per jaar en nooit zonder het bloed dat hij offert voor zichzelf en voor de zonden die het volk uit onwetendheid heeft begaan. 8 Hiermee maakt de heilige Geest duidelijk dat de weg naar het hemelse heiligdom niet zichtbaar is zolang de eerste tent nog dienstdoet. 9 Dit alles is een zinnebeeld voor de huidige tijd: er worden daar gaven en offers gebracht die het geweten van degenen die ze opdragen niet tot volmaaktheid kunnen brengen; 10 het gaat alleen om voedsel, drank en rituele wassingen, om bepalingen over uiterlijkheden die slechts gelden tot aan de nieuwe orde. 11 Christus daarentegen is aangetreden als hogepriester van al het goede dat ons is toebedacht: Hij is door een indrukwekkender en volmaakter tent-die niet door mensenhanden gemaakt is en niet behoort tot onze schepping- 12 voor eens en altijd het hemelse heiligdom binnengegaan, en dan niet met bloed van bokken en jonge stieren maar met zijn eigen bloed. Zo heeft Hij een eeuwige verlossing verworven. 13 Want als het lichaam van wie onrein is al wordt gereinigd en geheiligd wanneer het besprenkeld wordt met het bloed van bokken en stieren of bestrooid met de as van een jonge koe, 14 hoeveel te meer zal dan niet het bloed van Christus, die dankzij de eeuwige Geest zichzelf heeft kunnen opdragen als offer zonder smet, ons geweten reinigen van daden die tot de dood leiden, en het heiligen voor de dienst aan de levende God? (NBV21)

Ons Wilhelmus is een geschiedenisles. Het lied kent vele coupletten maar we zingen over het algemeen alleen het eerste en soms ook het zesde couplet. De andere coupletten slaan we over. Maar waarom? Het is toch al een merkwaardig lied. Ik heet geen Wilhelmus van Nassauwe en het zou mij zeer verbazen als U als lezende wel zo heet. Misschien bent U van Duitsen bloed, maar meer waarschijnlijk is dat U van Nederlandse afkomst bent. We hebben in Nederland tegenwoordig geen Prins van Oranje maar die er was zal best vrij onverveerd zijn geweest. Waarom zou iedereen zingen dat die de prins is blijft een raadsel en de koning van Hispanje heeft niemand hier ooit geëerd. Toch zingen we dat lied omdat het ons verbind met de eeuwenoude geschiedenis van ons land en de waarden die in die geschiedenis bevochten zijn.

De vrijheid van geweten, de vrijheid van godsdienst, de vrijheid van vereniging en vergadering, de vrijheid van onderwijs, het recht op een eerlijke en onafhankelijke rechtspraak op grond van vooraf vastgestelde wetgeving, het recht om onafhankelijk in het geheim afgevaardigden voor gemeenteraden, provinciale staten en de Tweede Kamer te kiezen. Dat alles klinkt in ons volkslied mee zonder dat er een woord over gezegd wordt in het lied zelf. Zo was het ook geworden met de Tempel in Jeruzalem. Daar lag de grondslag van het volk Israël. Daar lag de wetgeving waarvan iedereen wist dat je daar o zo gemakkelijk van kon afdwalen. In het dagelijks leven spelen immers niet alleen de geschreven maar ook de ongeschreven regels een rol. Niet iedereen kent de details van alle wetten en regels, binnen Israël was studie van de Wet dan ook een hoog goed. Elk jaar weer moest iedereen zich bewust worden hoe vaak en hoe ver men zich had verwijderd van de bedoeling van die Wet, je naaste lief te hebben als jezelf. Daar waren die rituelen met voorste tent en tweede tent, het heilige en het allerheiligste voor.

Maar als je dat één maal per jaar doet zijn er grote delen van het jaar dat de armsten er weinig aan hebben. Die moeten wachten tot het tijd wordt weer opnieuw te beginnen. De Christenen zijn Jezus van Nazareth gaan beschouwen als het offer dat op de Grote Verzoendag werd gebracht, door hemzelf door de kruisdood te ondergaan en daardoor de dood te overwinnen. Dat offer maakt dat je elk moment opnieuw mag beginnen je naaste lief te hebben als jezelf. Dat offer maakt dat de momenten dat je het vergeet je vergeven worden als je er maar van leert en het voortaan anders gaat doen, groeien in geloof noemen sommigen dat. Zoals het zingen van ons volkslied ons bepaalt bij de waarden van onze rechtstaat zo bepaalt de herinnering aan het offer van Jezus van Nazareth ons bij het gebod de minsten op aarde lief te hebben. En die herinnering vieren we in de kerk in het delen van brood en wijn, want om dat delen gaat het, ook vandaag weer.

Zij zullen mijn volk zijn

Hebreeën 8:7-13

7 Zou het eerste verbond zonder gebreken zijn geweest, dan was er geen ruimte geweest voor een tweede. 8 Maar God berispt zijn volk met de woorden: ‘De dag zal komen-spreekt de Heer-dat Ik een nieuw verbond zal sluiten met het volk van Israël en met het volk van Juda. 9 Niet een verbond zoals Ik dat sloot met hun voorouders toen Ik hen bij de hand nam om hen weg te leiden uit Egypte, want aan dat verbond zijn ze niet trouw gebleven. Daarom heb Ik me niet langer om hen bekommerd-spreekt de Heer. 10 Maar dit is het verbond dat Ik in de toekomst met het volk van Israël zal sluiten-spreekt de Heer: In hun verstand zal Ik mijn wetten leggen en in hun hart zal Ik ze neerschrijven. Dan zal Ik hun God zijn en zij zullen mijn volk zijn. 11 Volksgenoten zullen elkaar niet meer hoeven te onderwijzen, men zal elkaar niet meer hoeven te zeggen: “Ken de Heer!”, want allen zullen Mij kennen, van klein tot groot. 12 Ik zal hun wandaden vergeven en aan hun zonden zal Ik niet meer denken.’ 13 Op het moment dat Hij spreekt over een nieuw verbond heeft Hij het eerste al als verouderd bestempeld. En wat veroudert en verjaart, is de teloorgang nabij. (NBV21)

Hoe bewijs je nu dat je echt hoort bij de mensen van de Weg die door Jezus van Nazareth is gewezen? Hoe laat je zien dat je niet alleen have en goed over hebt voor de beweging maar zelfs je eigen leven. In de eerste christengemeenten werd dit zo letterlijk genomen dat sommigen zelfs verlangden naar de marteldood door de Romeinen om maar te laten zien hoe offerbereid ze waren. Dat werd overigens door de leiders van de gemeenschappen bestreden. Het opofferen gaat om het afzien van geweld, het afzien van het streven naar rijkdom, in onze dagen zouden we zeggen het bestrijden van bonussen ook al zijn ze voor jezelf.

Het boek van de profeet Jeremia heeft diepe indruk gemaakt. De Wet in je verstand schrijven betekent dat je voortdurend herinnerd wordt aan dat gebod van heb je naaste lief als jezelf. In een samenleving vol geweld is dat niet gemakkelijk, in een samenleving die gebouwd is op slavenarbeid voert het direct tot conflicten. Maar die kennen we ook in onze samenleving. De vraag waarom leden van raden van bestuur meer dan twintig keer zoveel moeten verdienen dan de laagste lonen in hun bedrijf, bank of instelling wordt nog maar nauwelijks gesteld. Aan de vraag naar rechtvaardige handelsverhoudingen lijken we al helemaal niet meer toe te komen. Bij ons is die Wet nog lang niet in het hart geschreven. Daar is nog heel wat voor nodig, daar moeten wij nog hard aan werken.

Bij ons wordt dan gepleit voor de dialoog, laten we in gesprek gaan over de vraag hoe we samenleving willen inrichten. Maar met mensen die zich laten leiden door angst, de angst dat alles wat ze kennen en waar ze op vertrouwen zal verdwijnen valt moeilijk een dialoog op gang te brengen. Ze vinden vaak dat ze niet gehoord worden en heen en weer praten bevestigd dat alleen. Dan gaat het om het luisteren. Zoals de God van Mozes had geluisterd. Het gekerm en geklaag van zijn volk dat in slavernij in Egypte woonde had die God zeer wel gehoord en dat volk moest daarvan bevrijd worden. Wij denken ook eenmaal in het jaar aan slachtoffers van een moorddadig regiem. Maar gaan wij dan op pad om slachtoffers van oorlog en geweld, van onderdrukking en ontmenselijking te bevrijden? Dat is de vraag die vandaag ook door de schrijver van deze brief wordt gesteld.

 

Een beter verbond

Hebreeën 8:1-6

1 De kern van mijn betoog is dat wij zo’n hogepriester hebben: één die in de hemel plaatsgenomen heeft aan de rechterzijde van de troon van Gods majesteit 2 en die de dienst vervult in het ware heiligdom, de tent die door de Heer en niet door mensen is opgericht. 3 Iedere hogepriester wordt aangesteld om gaven en offers op te dragen, en dus had ook Hij iets nodig om te offeren. 4 Op aarde zou Jezus geen priester zijn, want daar zijn al priesters die offergaven opdragen zoals de wet dat voorschrijft. 5 Zij verrichten hun dienst in wat een afspiegeling, een schaduwbeeld is van het hemelse heiligdom, zoals dat aan Mozes geopenbaard werd toen hij begon met het oprichten van de tabernakel: ‘Let erop,’ zegt God immers, ‘dat je alles vervaardigt volgens het ontwerp dat je op de berg getoond is.’ 6 Maar Jezus is dus aangesteld voor een eerbiedwaardiger dienst, in die zin dat Hij bemiddelaar is van een beter verbond, dat zijn wettelijke grondslag heeft gekregen in betere beloften. (NBV21)

Je hoort de discussies over de redenering van de schrijver van de brief aan de Hebreeën. Wat nu Jezus van Nazareth als Hogepriester? Die is er toch niet meer? Die kan toch niet de offers opdragen aan de God voor wie hij priester is, zoals alle priesters in Tempels doen? Maar de schrijver van de brief heeft ook hier een antwoord op. Jezus van Nazareth immers is, zo geloven de nieuwe christengemeenschappen, naar God en zit daar aan de rechterhand van God vanwaar hij komen zal om te oordelen de levenden en de doden. Die belijdenistekst is al heel oud en vulde de belijdenis van de Farizeeën aan zoals die na de verwoesting van de Tempel in het jaar 70 in de Synagogen werd uitgesproken.

Die belijdenis kreeg uiteindelijk vorm in het plaatsje Nicea waar op bevel van Keizer Constantijn vertegenwoordigers van Kerken uit het hele Romeinse rijk bijeen kwamen om vast te leggen waar die Christenen nu eigenlijk in geloofden. Dit jaar is dit 1700 jaar geleden. De geloofsbelijdenis die nog overal in de wereld in kerkdiensten wordt voorgelezen heet de geloofsbelijdenis van Nicea. Jesaja schreef dat de Tempel in Jeruzalem ooit weer opgebouwd zou worden en ooit zal dat het middelpunt van de aarde worden. Dat hadden de profeten beloofd en die belofte zal uitkomen zo geloofde men, zo gelooft men vandaag de dag nog steeds. Maar de profeten hadden nog meer gezegd.

Hij leest in het boek van de profeet Jeremia over een nieuw verbond. Het oude verbond uit de Woestijn die eerst in de Tabernakel, de Heilige Tent, en later in de Tempel in Jeruzalem werd bewaard heeft afgedaan schrijft de profeet. Er is een nieuw verbond gekomen. Dat verbond schrijft de richtlijnen uit de Woestijn, niet op stenen platen die alleen toegankelijk zijn voor de Hogepriester maar die richtlijn wordt geschreven in het verstand van de volgelingen, in hun hart zelfs. En dat nieuwe verbond is volgens de Christenen het verbond met Jezus van Nazareth die als offers dus de gelovigen heeft aan te bieden die hun leven opofferen voor hun naaste zoals Jezus van Nazareth zelf zijn leven heeft geofferd voor iedereen. En in je hart kun je ze ook nu nog meedragen en vervullen.

Gerechtigheid en macht

Jesaja 45:20-25

20 Laten wie uit de volken zijn ontkomen zich verzamelen, laat hen allen naderbij komen. Wie een houten godenbeeld ronddraagt, heeft geen verstand. Wie bidt er nu tot een god die niet redt? 21 Kom hier, overleg met elkaar en vertel: Wie heeft dit van meet af aan laten horen, wie heeft het lang tevoren aangekondigd? Was Ik dat niet, de HEER? Buiten Mij is er geen god. Alleen Ik ben een rechtvaardige God, alleen Ik breng redding. 22 Keer terug naar Mij en laat je redden, ook jullie aan de einden der aarde; want Ik ben God, er is geen ander. 23 Ik heb bij mijzelf gezworen: Uit mijn mond komt gerechtigheid voort, een woord dat Ik spreek wordt niet herroepen. Voor Mij zal elke knie zich buigen en elke tong zal bij Mij zweren. 24 ‘Alleen bij de HEER,’ zal men zeggen, ‘is gerechtigheid en macht te vinden.’ Allen die zich tegen Hem keerden zullen tot Hem komen en beschaamd staan. 25 Heel het nageslacht van Israël zal bij de HEER recht vinden en zich gelukkig prijzen. (NBV21)

Plotseling gaat het in het boek van de profeet Jesaja niet meer alleen over het volk Israël. Elk volk kan de ellende van onderdrukking en geweld overkomen. Grootmachten liggen overal op de loer om nog grotere machten te worden. Vroeger heten ze koningen en keizers, tegenwoordig presidenten en dictators, maar verschillen doen ze niet. Welke opvatting je ook aanhangt, welke leus je ook achterna loopt je ontkomt niet aan de ellende die mensen elkaar aandoen. Altijd zijn er rijken die nog rijker willen worden en altijd zijn er armen van wie zelfs het laatste dat ze nog hebben wordt afgepakt. Natuurlijk zijn er rijken die af en toe een klein deel van hun vermogen uitdelen aan armen om het ongenoegen dat het verschil oproept wat te matigen. Ze worden meestal dan aardig gevonden, er worden meer producten van hen gekocht en hun macht, rijkdom en invloed nemen alleen maar toe. Waar is redding uit deze chaos te vinden, waar is het recht dat de armen toekomt? Juist, voor lezers in de Bijbel is dat te vinden bij de God van Israël.

Het is een misverstand te denken dat er dan een arm uit de wolken gestoken wordt die de dictators en misdadige presidenten tot moes knijpt. Het is een misverstand om te denken dat zonder dat de armen er zelf wat aan doen de bevrijding vanzelf aanbreekt. Juist de armen moeten beseffen dat zij het zelf zijn die de de chaos en de ellende in de wereld in stand houden. Als er niemand meer naar de oorlog zou gaan zou elke oorlog vanzelf ophouden. In de Kerstnacht wordt in talloze kerken in de wereld een verhaal vertelt dat een prachtig voorbeeld is van hoe de armen op een geweldloze manier de macht van machtige Keizers, in onze dagen dictators, kunnen breken. In de dagen dat het Romeinse Rijk de wereld beheerste en de bekende wereld van Schotland tot Ethiopië had veroverd wilde de Keizer van dat Rijk iedereen laten tellen zodat er belasting van alle inwoners geheven kon worden. Koning Herodes zou dat wel even voor hem regelen. Iedereen moest thuis blijven, huis aan huis zou worden geteld en moest de eed van trouw aan de Keizer worden afgelegd. Soldaten zagen er op toe dat iedereen zich aan die regel zou houden.

Dat deden de meeste mensen dan ook. Maar niet de herders, die moesten immers hun kudden beschermen tegen wilde dieren. Zelfs in de nacht. Maar ook mensen uit Israël verstonden het bevel van die Keizers anders dan was bedoeld. Ooit had de God van Israël beloofd dat armen een stukje grond kregen in Israël en als ze dat kwijt raakten door misoogst of ellende dan kregen hun nazaten dat na vijftig jaar weer terug. Omdat uit de mond van die God gerechtigheid voortkomt en hij had gezworen dat hij het woord dat hij had gesproken niet zou herroepen gingen arme mensen naar de plaats die God hen had gewezen, de akker die ooit aan hun voorgeslacht gegeven was. Toen daar zelfs een kind werd geboren was de hele volkstelling bij voorbaat mislukt. Het volgen van het Woord van de God van Israël brengt bevrijding, dat brengt de hemel op aarde, vrede op aarde en in mensen een welbehagen. Zelfs die herders hoefden niet meer bang te zijn, zij telden mee door wat ze deden met hun kudde. Dat kind werd de bevrijder van Israël genoemd, God met ons, Immanuel. Vier het gerust mee in een protestantse kerk in de buurt, de boodschap is nog steeds niet anders dan toen.

 

Niet als chaos

Jesaja 45:14-19

14 Dit zegt de HEER: De Egyptenaren met hun schatten, de Nubiërs met hun rijkdom en de rijzige Sabeeërs, zij zullen komen en jullie toebehoren. Ze komen in ketenen en volgen je, ze buigen voor je en belijden: ‘Bij u alleen is een God, er is geen andere god, niet één.’ 15 En: ‘Voorwaar, U bent een God die zich verborgen houdt, de God van Israël, die redding brengt.’ 16 De ambachtslieden met hun godenbeelden staan te schande en worden gehoond, ze worden samen te schande gemaakt. 17 Maar Israël wordt door de HEER gered, Hij brengt redding voor eeuwig. Jullie staan niet te schande en worden niet gehoond, in alle eeuwigheid niet. 18 Dit zegt de HEER, die de hemel geschapen heeft-Hij is God! -, die de aarde gemaakt en gevormd heeft en die haar heeft gegrondvest- niet als chaos schiep Hij de aarde, maar om te bewonen heeft Hij haar gevormd: Ik ben de HEER, er is geen ander. 19 Ik heb niet in het verborgene gesproken, ergens in een duister oord, Ik heb Jakobs nageslacht niet gevraagd: ‘Zoek Mij in de chaos.’ Nee, Ik ben de HEER, al wat Ik zeg is rechtvaardig, wat Ik aankondig is waarachtig. (NBV21)

Denk nu niet dat profeten toekomstvoorspellers zijn. Dan zouden ze door de mand gevallen zijn met het gedeelte dat we vandaag lezen uit het boek van de profeet Jesaja. Want we kunnen ons toch niet echt voorstellen dat de Egyptenaren, Ethiopiërs en Eritreeërs in ketenen naar Judea zijn gekomen om hun rijkdom en hun diensten aan te bieden aan de Judeeërs omdat die nu eenmaal volgelingen zijn van de enige God die in de wereld telt, maar die zich verborgen houdt voor de volken die buiten Judea wonen. Sommigen zouden zeggen dat die woorden van Jesaja toch een voorspellende waarde hebben want misschien noemen ze de God van Israël niet bij dezelfde naam als de Judeeërs, maar erkennen ze dezelfde God op grond van het woord van een andere profeet die de ene God van Israël, schepper van hemel en aarde, op een wat andere manier aan hen heeft verkondigd. Zelf beschouwen de volgelingen van die profeet hun God in elk geval als dezelfde als de God van Joden en Christenen.

Het gaat Jesaja hier niet om de toekomst maar om het heden. De terugkeer van de ballingen was een angstige zaak. Grootmachten blijven door de geschiedenis heen altijd kleine zwakke landjes bedreigen. Voordat je openlijk in oorlog gaat met zo’n grootmacht moet je toch wel heel erg wanhopig zijn want voor je het weet is je volk dood en verdwenen. Egypte was op het eind van de ballingschap toch de grootmacht aan wiens grens de herbouw van Jeruzalem en de Tempel plaatsvond. Jesaja roept dus tegen de teruggekeerde ballingen dat ze niet bang hoeven te zijn. Een God die een Heidense Koning als Cyrus kan bewegen toestemming te geven voor de terugkeer naar het land Israël en hen zelfs het bevel gaf hun hoofdstad en Tempel te herbouwen die zie je misschien niet maar die God kan ook die bedreigende grootmachten aan, als je maar op die God blijft vertrouwen door je nieuwe samenleving in te richten volgens de richtlijnen van die God.

Wij blijven dan strijden over de uitspraken van de profeet dat die God van Israël de aarde heeft geschapen. De profeet heeft het hier echter uitdrukkelijk niet over de natuurkunde, of welke menselijke wetenschap dan ook, maar over de verhouding tussen de God van Israël en de mensen. De aarde was en is een chaos, de ene ramp volgt op de andere en we horen van oorlogen en geruchten van oorlogen. Vrede op aarde mogen we met kerst zingen en honderd jaar geleden kwamen zelf soldaten in een grote oorlog uit hun loopgraven om samen van de kerst en de vrede op aarde te zingen, maar de drie jaar er na bleven ze ook met kerst op hun vijanden schieten. Ook nu is zelfs Kerst niet een feest met vrede op aarde, overal op aarde gaat de oorlog door, zo hier en daar onderbroken door een paar vrije dagen. De rol van de God van Israël is die aarde bewoonbaar te maken voor mensen. Daar is zijn richtlijn van Gij zult niet doden voor. Daarvoor is nodig dat iedereen kan meedoen, zijn hele richtlijn laat zich samenvatten als heb je naaste lief als jezelf, zelfs als dat je vijand is. Ook wij zullen moeten inzien dat alleen het volgen van die richtlijnen ons vrede op aarde en in mensen een welbehagen kan brengen.

 

Geen poort blijft gesloten

Jesaja 45:1-13

1 Dit zegt de HEER tegen Cyrus, zijn gezalfde, die Hij bij de rechterhand neemt, aan wie Hij volken onderwerpt, voor wie Hij koningen ontwapent, voor wie Hij deuren opent- geen poort blijft gesloten: 2 Ik zal voor je uit gaan, Ik zal ringmuren slechten, bronzen deuren verbrijzelen, ijzeren grendels stukbreken. 3 Ik zal je verborgen schatten schenken, diep weggeborgen rijkdommen. Dan zul je weten dat Ik de HEER ben, de God van Israël, die jou bij je naam roept. 4 Omwille van mijn dienaar Jakob, van Israël, dat Ik heb uitgekozen, heb Ik je bij je naam geroepen en je met een erenaam getooid, ofschoon je Mij niet kende. 5 Ik ben de HEER, er is geen ander, buiten Mij is er geen god. Ik heb je omgord met wapens, ofschoon je Mij niet kende. 6 Zo zal iedereen, van oost tot west, weten dat er niets is buiten Mij. Ik ben de HEER, er is geen ander 7 die het licht vormt en het donker schept, die vrede maakt en onheil schept. Ik ben het, de HEER, die al deze dingen doet. 8 Hemel, laat gerechtigheid neerregenen, laat haar neerstromen uit de wolken. Laat de aarde zich openen zodat redding zal ontkiemen en gerechtigheid ontspruiten. Ik, de HEER, heb dit alles geschapen. 9 Wee degene die de strijd aanbindt met Hem door wie hij gevormd is- een potscherf tussen de potscherven. Zegt de klei soms tegen wie hem vormt: ‘Wat ben je eigenlijk aan het maken?’ of: ‘Deze pot heeft niet eens oren!’ 10 Wee degene die tegen zijn vader zegt: ‘Wat heb je verwekt?’ en tegen zijn moeder: ‘Wat hebben je barensweeën gebracht?’ 11 Dit zegt de HEER, de Heilige van Israël, die Israël gevormd heeft: Wilden jullie Mij ondervragen over het lot van mijn kinderen, of Mij iets voorschrijven omtrent het werk van mijn handen? 12 Ik ben het die de aarde maakte en de mens op aarde schiep; mijn handen hebben de hemel uitgespannen, Ik riep het sterrenleger tevoorschijn. 13 Ik ben het die Cyrus liet opstaan in gerechtigheid, steeds opnieuw baan Ik voor hem de weg. Hij zal mijn stad herbouwen; hij geeft mijn ballingen de vrijheid terug, zonder betaling of steekpenningen te eisen -zegt de HEER van de hemelse machten. (NBV21)

Gerechtigheid, dat is wat de God van Israël ons geeft. Gerechtigheid in de zin dat ieder tot zijn of haar recht komt. Die hemel is ooit door God boven ons gezet als een bescherming, een schild tegen de wateren van boven. En wateren kunnen dodelijk zijn. In de taal van het volk Israël staat het water vaak voor de dood. Denk maar eens aan het verhaal over Noach toen God opnieuw wilde beginnen met de aarde en de mensen voor wie God die aarde en de hemel er boven gemaakt had. Die gerechtigheid staat niet ter discussie. Voor sommige mensen is dat wel beangstigend. Zij vinden zichzelf maar slecht en als ze tot hun recht moeten komen dan blijft er maar weinig van hen over. Ze zijn niet in staat tot enig goed dus het kwaad wordt zichtbaar als de gerechtigheid van de God van Israël hen treft. Maar het is niet anders. Met de moderne technologie kunnen we niet meer zeggen dat wij mensen niet kunnen bepalen wanneer het wel of niet regent, maar daar maken we zo weinig gebruik van dat je rustig kunt zeggen dat je de regen niet kunt ontlopen. God laat het over de goeden en de slechten regenen.

Maar in dit gedeelte van het boek van de profeet Jesaja gaat de God van Israël tekeer tegen die mensen die zich zo slecht vinden. God heeft toch geen slechte mensen geschapen? Toen God de mens had geschapen, man en vrouw schiep hij hen, zag God dat het goed was. Maar het waren mensen die zelf wel wilden uitmaken wat goed en wat slecht was. Als ze dat konden waren ze immers gelijk aan God geworden. Ze gedragen zich als de klei die tegen de pottenbakker zegt dat de pot die gemaakt is geen oren heeft, of de baby die aan de vader en moeder vraag wat ze eigenlijk hebben voortgebracht. Belachelijk als je het zo stelt. Maar dat doen mensen die over zichzelf en over anderen een oordeel vellen. Ze ontkennen de God van Israël zoals de Bijbel ons die leert kennen. Een God die bevrijdt, ondanks het slechte dat mensen doen. Een God die barmhartig en genadig is, zoals Mozes zag toen hij de richtlijnen voor de menselijke samenleving kreeg. Als mensen die richtlijnen volgt dan merken ze dat ze het goede kunnen doen en niet dan het goede.

Die God van Israël maakt zelfs het slechte goed. Die Cyrus van Perzië was geen gelovige van de God van Israël. Dat hij iets zou weten van de grootheid van die God, van het machtige dat die God kan doen is zeer onwaarschijnlijk. Maar hij doet wat de God van Israël wil, hij bevrijdt het volk uit de ballingschap en zorgt er voor dat ze terugkeren naar hun land en daar de Tempel en Jeruzalem weer herbouwen. Er zullen overigens een heleboel Judeeërs blijven wonen in het land van hun ballingschap. Ze hebben daar immers hun bestaan opgebouwd, hun kinderen zijn er geworteld. Maar het zijn niet langer ballingen, het zijn vrije mensen geworden. Vrije mensen die het vrij staat hun God te dienen en hun Godsdienst te belijden. Zij zijn het die zorgen dat mensen tot hun recht komen, zij zijn het die hun naaste liefhebben als zichzelf, die oog hebben voor de zieken en gehandicapten en aandacht en recht vragen voor de weduwe en de wees. Door Jezus van Nazareth kunnen wij ons aansluiten bij hun gemeenschap en het goede doen en niets dan het goede. Daartoe worden wij geroepen elke dag opnieuw, ook vandaag weer.

Het zal weer bewoond worden

Jesaja 44:21-28

21 Neem deze dingen ter harte, Jakob, neem ze ter harte, Israël, want jij bent mijn dienaar. Ik heb je gevormd, je bent mijn dienaar, Israël, Ik zal je niet vergeten. 22 Ik heb je misdaden als een wolk doen verdampen, je zonden als de ochtendnevel. Keer terug naar Mij: Ik zal je vrijkopen. 23 Juich, hemel, want de HEER heeft dit gedaan, jubel, diepten van de aarde, bergen, breek uit in gejuich, en ook jullie, bossen met al je bomen: ja, de HEER koopt Jakob vrij, in Israël toont Hij zijn luister. 24 Dit zegt de HEER, je bevrijder, die je al in de moederschoot heeft gevormd: Ik, de HEER, ben het die alles gemaakt heeft, de enige die de hemel heeft uitgespannen, die zelf de aarde heeft uitgespreid. 25 Die de tekenen van orakelpriesters verstoort en waarzeggers ontmaskert, die wijzen naar de achtergrond dringt en hun kennis bespottelijk maakt, 26 die het woord van zijn dienaar gestand doet en vervult wat zijn boden hebben voorzegd. Die van Jeruzalem zegt: ‘Het zal weer bewoond worden,’ en van Juda’s steden: ‘Ze zullen herbouwd worden, en wat verwoest was, laat Ik herrijzen.’ 27 Die de diepste oceaan gebiedt: ‘Word droog! Ik zal je waterstromen droogleggen.’ 28 Die over Cyrus zegt: ‘Dit is mijn herder, alles wat Ik wil, brengt hij ten uitvoer: hij geeft opdracht om Jeruzalem te herbouwen en voor de tempel de fundering te leggen.’ (NBV21)

We willen zo graag weten wat de toekomst ons brengt. Dat lied van Jaqueline E. van der Waals:” Wat de toekomst brengen moge, mij geleid des Heren hand” is ons niet genoeg. Waarzeggers, astrologen, mediums, instraalsters ze verdienen kapitalen aan onze behoefte de toekomst te kennen. Wie de Weg van de God van Israël wil gaan keert zich af van die onzinvertellers. De toekomst ligt al vast net als het verleden. Niet de toekomst van elk van ons individueel, wij hebben nog steeds de keus deel uit te maken van de toekomst van die God of juist niet met die God de toekomst in te gaan. In de Bijbel vertellen profeten over de toekomst. Maar ze vertellen eerder hoe het in licht van hun tijd zal aflopen dan dat ze iets nieuws vertellen dat nog niet aan het gebeuren was. Jesaja heeft het over de terugkeer van ballingen en de herbouw van Jeruzalem en de Tempel. De herrijzing van Juda als herkenbare eenheid voor bewoning door de mensen die de Weg van de God van Israël zijn gegaan.

Die terugkeer is eigenlijk al begonnen toen ze er in de ballingschap voor kozen toch vast te blijven houden aan de richtlijnen voor de menselijke samenleving die ze van die God hadden gekregen. Ze hadden de verhalen er over bijeengebracht, opgeschreven waar dat nog nodig was, op een rij gezet waar ze versnipperd waren geraakt. De profeet ziet in de politieke veranderingen in zijn tijd een teken dat er ook voor zijn volk wat te veranderen staat. Die koning Cyrus van Perzië is een heel ander soort koning dan de koningen van Babel die ze hadden leren kennen. Die Cyrus, of Kores zoals hij ook wel in de Bijbel genoemd word, bestuurt zijn rijk zoals een herder zijn kudde schapen bestuurt. Hij zorgt er voor dat ze grazige weiden hebben en helder fris water waar ze kunnen drinken. Cyrus versterkte zijn rijk door bondgenoten te maken van de overwonnen volken. Bondgenoten zouden minder snel in opstand komen dan vernederde volken.

En die leeggeroofde landen waar de bevolking in ballingschap was gebracht waren een welkome prooi voor rovers en buurvolken die nog niet onder de macht van Cyrus waren gebracht. Sterke steunpunten waren veel belangrijker, welke godsdienst er dan werd beleden was minder relevant. Cyrus kwam nog uit de cultuur die geloofde dat elke land en elke stad haar eigen God had die je eer moest bewijzen als je toevallig in dat land of die stad kwam. Die Judeeërs hadden dat begrepen, zij kwamen uit Juda en bleven dus vasthouden aan hun eigen God. Nu dat konden ze beter doen in hun eigen land, dan bleven ze vrienden van Cyrus. Zo bondgenootschappen vormen, met respect voor je bondgenoten is dus volgens de Bijbel het meest vruchtbaar. Hoe wordt er met ons als bondgenoot omgegaan? Een vraag die niet alleen tussen naties hoeft te gelden maar ook tussen overheid en burgers, tussen burgers onderling, tussen werkgevers en werknemers en noem maar op. Een vraag die je elke dag opnieuw mag stellen.