Vreugde van heel de aarde

Psalm 48

1 Een lied, een psalm van de Korachieten. 2 Groot is de HEER, Hem komt alle lof toe. In de stad van onze God, op zijn heilige berg 3 -schone hoogte, vreugde van heel de aarde, Sionsberg, flank op het noorden, zetel van de grote koning- 4 in haar vesting weet men: God is onze burcht. 5 Koningen sloten zich aaneen, samen trokken zij ten strijde. 6 Maar wat zij zagen, verbijsterde hen, verschrikt namen zij de vlucht. 7 Een siddering greep hen daar aan, zoals krampen een barende vrouw, 8 zoals de oosterstorm inbeukt op schepen uit Tarsis. 9 In de stad van de HEER van de hemelse machten, in de stad van onze God, hebben wij gezien wat wij hadden gehoord: God houdt haar voor eeuwig in stand. sela 10 In uw tempel, God, gedenken wij uw blijken van trouw. 11 Zoals uw naam, o God, zo reikt ook uw roem tot aan de einden der aarde, uw rechterhand is vol van gerechtigheid. 12 De Sionsberg verheugt zich, de steden van Juda juichen om uw rechtvaardige daden. 13 Ga rond Sion, trek eromheen, tel zijn torens. 14 Bezie met aandacht zijn muren, bewonder zijn vesting en vertel aan uw nageslacht: 15 ‘Zo is God, onze God, nu en altijd, Hij is het die ons leidt, voor eeuwig.’ (NBV21)

Het lijkt wel weer een Psalm die de juistheid van de Praise in de kerkdiensten onderstreept. Groot is de Heer en de Heer komt alle lof toe. Als je denkt dat deze Psalm daar over gaat dan vergis je je. In Kerkdiensten staat het Woord centraal zeggen de protestanten vanouds. Tegenwoordig schrikt dat eerder af dan dat het aantrekt, we zijn verzeild geraakt in een beeldcultuur niet waar. Een cultuur ook waar vrolijke of gevoelige liedjes de overhand hebben. En Psalmen zingen zoals in de afgelopen eeuwen gedaan is hoort daar meestal niet bij. Maar de Psalm die we vandaag lezen zet het Woord weer centraal. Want waar moet je de God van Israël prijzen? Niet in je eigen dorp of stadswijk of stad. Ook in Israël waren er steden, stadjes en dorpen en toch zegt de Psalm niet dat je daar God moet prijzen maar op zijn heilige berg, de Sionsberg, daar moet je zijn.

Op die berg staat de Tempel van de God van Israël. Dat is een rare Tempel. In die Tempel is één kamer waar je niet mag komen. Daar mag alleen de Hogepriester komen. Daar zal die God dus wel wonen. Mis. Die God woont in iets dat we de hemel noemen. Die hemel is een volmaakte plaats en niet een door mensen gebouwd Heiligdom. Elders in de Bijbel wordt over die Tempel wel gesproken als over de voetenbank van God, daar raakt het Goddelijke de aarde. Want al mag niemand er komen iedereen weet wat er in die bijzondere kamer te vinden is. Daar staat een kist van acaciahout. Daar boven op staan twee gevleugelde figuren die naar elkaar buigen om de kist te beschermen. In die kist liggen in elk geval een paar stenen platen. En om die stenen platen draait het allemaal. Daar staat het Woord van God.

Het volk heeft zich altijd verzet tegen het plaatsen van Godenbeelden in de Tempel in Jeruzalem. Dat verzet heeft soms zelfs geleid tot een totale vernietiging van die Tempel. Maar in plaats van op stenen platen voelde men dat Woord als gegrift in het eigen hart. Ook de Christenen werden later opgeroepen zo met dat Woord om te gaan. Wij moeten niet doden, wij moeten niet willen hebben wat van een ander is, we moeten niet liegen en zo staan er tien regels voor ons. Moeten we dat omdat een ander ons dat oplegt? Natuurlijk niet. Dat Woord is ook wel eens samengevat als “Wat Gij niet wilt dat u geschiedt, doet dat ook een ander niet” Voor gelovigen in het verhaal van de Bijbel, in de God van Israël klinkt de samenvatting als “Heb uw naaste lief als uzelf” Voor het vermogen dat te kunnen doen, voor de Geest van God die daarvoor beschikbaar is, danken en prijzen wij God. Dat is dus niet vrijblijvend, voor een zondag in de kerk of zo, maar het doordesemd ons hele leven. En als we het samen doen krijgt de samenleving, de hele wereld een veel betere smaak, dat mag dus ook vandaag weer.

Het kwaad regeert.

Ezechiël 7:10-27

10 De dag is nabij, de ondergang nadert. Er bloeit een staf, zijn bloem heet hoogmoed, 11 het geweld groeit, het kwaad regeert. Niets blijft er over van het volk, niets van hun pracht, hun opschik of hun praal. 12 Die tijd komt dichterbij, die dag nadert. Laat de koper niet blij zijn, de handelaar niet treuren: alle rijkdom in dit land wordt door mijn toorn getroffen. 13 Al zouden beiden overleven, de koopman ziet zijn koopwaar niet terug. De profetie over dit land wordt niet herroepen, wie in onrecht leeft gaat eraan ten onder. 14 De krijgstrompet weerklinkt, de strijd wordt voorbereid, maar niemand trekt ten strijde: mijn toorn verlamt dit rijke land. 15 Buiten regeert het zwaard, binnen heersen pest en honger, wie op het veld is zal sterven door het zwaard, wie in de stad is wordt getroffen door de honger en de pest. 16 Wie toch ontkomen, zijn als duiven uit het dal- verdreven naar de bergen, kermend in hun schuld. 17 Het water loopt hun langs de benen, hun armen worden slap, 18 ze gaan gehuld in het zwart, ze sidderen en beven, hun ogen zijn beschaamd, hun schedels kaalgeschoren. 19 Hun zilver gooien ze op straat, hun goud ligt in het slijk, als de toorn van de HEER hen treft, kan goud noch zilver hen redden. Hun maag blijft leeg, de honger blijft hen kwellen, goud en zilver brachten hen ten val. 20 Ik laat hen gruwen van hun rijke schatten, gruwen van de schatten die hun trots uitmaakten. Ze hebben er afschuwelijke beelden van gemaakt! 21 Barbaren zullen ze ontvreemden, misdadigers ze roven en ontwijden. 22 Ik keer mijn gelaat af van mijn volk, en de plaats die Mij het liefst is wordt door rovers platgetreden en ontwijd. 23 Leg de ketenen klaar! Vol bloed is het land, de stad vol geweld! 24 Wrede volken vallen aan, ze nemen de huizen in bezit. Aan de hoogmoed van de machtigen maak Ik een einde, hun heiligdommen worden ontwijd. 25 Doodsangst overvalt hen, vrede is onvindbaar, 26 slag volgt op slag, onheilstijding op onheilstijding. Vergeefs vragen ze profeten om een openbaring, priesters om onderricht, oudsten om raad. 27 De koning gaat in rouw gekleed, de vorst toont zich ontzet, en het volk staat verlamd van schrik. Ze zullen boeten voor hun daden, Ik zal hen straffen zoals ze verdienen. Ze zullen weten dat Ik de HEER ben!’ (NBV21)

Op de eerste dag van juli herdenken we de afschaffing van de slavernij. Eeuwen geleden. De goden van winst en profijt hadden ons verleid te gaan handelen in mensen. Ze hadden ons wijs gemaakt dat God de mensen getekend had die voor ons als slaaf behandeld konden worden. En slaven waren eigenlijk geen mensen. Ze waren slaven die alleen werkkracht als waarde hadden. Daar was flink aan verdient en eeuwen lang waren we trots op de prachtige huizen en paleizen die in allerlei standen waren gebouwd. Maar we hadden op een uiterst pijnlijke manier geleerd dat God helemaal geen tekens voor slavernij had geschapen. Slaven waren mensen geweest, net als wij, net Joden Sinti en Roma in de tweede wereldoorlog.

En nog steeds accepteren we onrecht. Ondanks dat feest van de afschaffing, ondanks het Paasfeest als overwinning van de dood, en ondanks het feest van ontbinding van Izaak waar duidelijk wordt dat de God van Joden, Christenen en Moslims geen mensenoffers wil. Maar dat offers er zijn om te delen met elkaar. Maar als er wordt opgestaan tegen onsrecht dan zwijgt de meerderheid. Het laat ze onverschillig. Tienduizenden werken vrijwillig in AZC’s of op andere manieren in de zorg voor vluchtelingen, tienduizenden verzetten zich tegen de behandeling van het klimaat dat onze aarde onleefbaar maakt. Tienduizenden staken tegen de gedacht dat zieken, gehandicapten en werklozen, de armen onze samenleving de aankoop van wapens kunnen betalen.

Ezechiël laat ons de woede van God zien, maar Ezechiël troost ons ook. Want uiteindelijk zal niet het kwaad overwinnen. Uiteindelijk wordt het kwaad uitgeroeid, zal er een aarde komen waar God zelf zal willen wonen. De hebzucht zal de hebberts ten val brengen. Als de villa’s branden is er niemand meer die de rijkdommen kan bescheremen door de brand te blussen. Als iemand stikt is de uitlaatgassen, of de schadelijke stoffen die vrij komen bij fossiele brandstoffen is er niemand meer die geleerd heeft hoe dat te genezen. De machthebbers, de aanbiddenaars van winst en profijt, de leugenaars over vreemdelingen en hun familie, zullen radeloos de haren uit het hoofd trekken en zich afvragen hoe dat met die liefde ook gaat, daar hoef je niet voor te betalen, dat hoef je alleen te delen, elke dag weer.

 

Jullie zullen weten

Ezechiël 7:1-9

1 De HEER richtte zich tot mij: 2 ‘Mensenkind, dit is wat God, de HEER, zegt over het land van Israël: Het einde komt, het dringt door tot in je verste hoeken. 3 Nu is voor jou het einde aangebroken, Ik zal mijn woede op je koelen, je straffen voor je daden, je laten boeten voor je gruwelijk gedrag. 4 Ik zal onverbiddelijk zijn en geen medelijden hebben, je zult boeten voor je daden, je wangedrag keert zich tegen je- jullie zullen weten dat Ik de HEER ben! 5 Dit zegt God, de HEER: Er komt een ramp, een ramp als nooit tevoren, 6-7 het einde komt, het nadert, het is daar, het einde komt, de ondergang voor jullie die dit land bewonen. De dag dat er paniek heerst is nabij, de tijd dat de vreugdekreet verstomt op de bergen. 7-8 Weldra stort Ik mijn toorn over je uit, koel Ik mijn woede op jou, Ik zal je straffen voor je daden, je laten boeten voor je gruwelijk gedrag. 9 Ik zal onverbiddelijk zijn en geen medelijden hebben, je zult boeten voor je daden, je wangedrag keert zich tegen je. Jullie zullen weten dat Ik, de HEER, het ben die jullie geselt. (NBV21)

Heel langzaam moeten we het gaan zien. Wat deden we verkeerd. We wilden meer en meer hebben. Wat vergaten we. Dat we zouden moeten delen met onze naasten. Dat we onze naaste lief moeten hebben als onszelf. Wie liepen we achter na. De goden van winst en profeit, de onderdrukkers en machthebbers, de goden van ploert en schender. Gruwelijk waren onze daden. Genocide in Gaza, uitbuiting van slaaf gemaakten, onderdrukking en uitsluiting van vrouwen die zelfs het Woord van de Heer niet meer mochten verkondigen. Onbarmhartig behandelen van kinderen. De wapens voor de sterksten laten betalen door de zwaksten, door hen die de meeste zorg en aandacht vragen.

Dat er dus wapens tegen ons gebruikt gaan worden is duidelijk. De Cobra is niet voor niets genoemd naar een slang. In het verhaal van de Bijbel maakt de slang ons duidelijk waar we niet naar moeten verlangen. We moeten niet willen als goden te zijn, ieder voor zich uitmaken wat goed is en kwaad. En wat elk van ons goed is is goed en wat elk van ons kwaad is is kwaad. Wat nu hoeder van een broeder, wat nu liefhebben van een naaste. Laat maar misbruik van je goedheid maken. Wie de sterkste is heeft gelijk.

Wij kunnen weten wat echt goed is. De schepping om ons heen getuigd er van. Er zijn dieren die ons in leven kunnen houden. Er groeien planten en bomen met vruchten die ons kunnen voeden. en bomen en struiken en aarde met modder en rotsen kunnen ons huizen laten bouwen. Een naasten kunnen ons samen laten leven waarbij we weten dat samen ons sterker maakt. Zorg is er voor wie niet mee lijkt te kunnen komen, hulp is er voor hen die het niet meer zelf redden. Het verhaal van God laat zien waar het kwaad is, maar ook waar het goede is dat God van ons vraagt.

 

Het gruwelijke wangedrag van de Israëlieten

Ezechiël 6:11-14

11 Dit zegt God, de HEER: Sla in woede je handen op elkaar, stamp met je voeten en roep ach en wee over het gruwelijke wangedrag van de Israëlieten; zij zullen sterven door het zwaard, de honger en de pest. 12 Wie ver weg is zal sterven aan de pest, wie dichtbij is zal sterven door het zwaard, en wie daaraan weet te ontkomen, zal sterven van de honger: zo zal Ik mijn woede op hen koelen. 13 Wanneer de doden rondom de altaren liggen, midden tussen de afgodsbeelden, op alle hoge heuvels en op alle bergtoppen, onder elke bladerrijke boom en onder elke schaduwrijke terebint, op elke plaats waar ze geurige gaven hebben gebracht om hun afgoden te behagen-dan zullen jullie beseffen dat Ik de HEER ben. 14 Ik zal mijn hand tegen hen opheffen, Ik zal van het land en van de plaatsen waar ze wonen een kale wildernis maken, nog verlatener dan de woestijn van Dibla. Dan zullen ze beseffen dat Ik de HEER ben.”’ (NBV21)

Als je Ezechiël leest als de profeet van het zien is er natuurlijk elke dag de vraag wat zien we vandaag. Nu vandaag zien we woede gemengd met verdriet en onmacht. Niet er op los slaan, niet met vuurwerk gooien met messen zwaaien of alles wat op je weg komt vernielen. Nee in je handen klappen, je energie niet op anderen loslaten maar op jezelf, je handen gaan er pijn van doen. Met je voeten op de grond stampen. Niet schoppen tegen wat dan ook maar je woede overbrengen op je eigen voeten. Dat is woede die blijft binnen de grenzen van de liefde voor de naaste. Dat is niet soft, dat is niet destructief maar het geeft je de ruimte om juist contstructief te worden. Als degene die je woede oproept wil veranderen dan wil je er graag bij helpen. En toch, woede mag.

Het gedrag van de Israëlieten riep de woede van God op en Ezechiël die de God van Israël als enige echte macht op aarde predikt gaat in opdracht van God mee in de woede. Maar een woede uit liefde. Want als het gedrag van de Israëlieten niet verandert dan zullen ze sterven door het zwaard, de honger en de pest. Niets kan ze dan beschermen tegen de dood die het geweld en de onderdrukking in de wereld nu eenmaal voortbrengen. Religieus zien je die dood bij de altaren, op de hoogten waar tempels staan, bij de zogenaamde heilige bomen, bij alle afgoden die ze achterna gelopen zijn. Woest en leeg is die religie, zoals de aarde woest en leeg was toen God er licht bracht en scheiding tussen land en water, zodat het een leefbare wereld werd.

Er is maar één Heer op aarde. Ook nu. Angst zaaien voor armoede dictators in onderdrukte landen zoals de Russische Federatie, je heil zoeken bij een politiek systeem dat elke rechtsregel wil kunnen overtreden en als enige wapen voor het bereiken van haar idealen het geweld van oorlog kent. Het loopt in ons land al uit op dood en ellende. Bezuinigingen op de ouderen zorg betekent dat bij hittegolven onvoldoende voor de zwakste bejaarden gezorgd kan worden en er ten onrecht meer overlijden. Aandacht voor opgroeiende jongeren kent in onze dagen geen waardeç zodat vele jongeren de aandacht die ze nodig hebben krijgen van criminelen. Dat volwassenen het recht hebben beiden een loopbaan te bewandelen wordt niet gecompenseerd door een opvoedende samenleving. De weg van God wordt daartegen duidelijk. Zorgen voor elkaar en pas als dat optimaal en maximaal is verder kijken.

Van zichzelf walgen

Ezechiël 6:1-10

1 De HEER richtte zich tot mij: 2 ‘Mensenkind, richt je blik op de bergen van Israël, en profeteer ertegen. 3 Zeg: “Bergen van Israël, luister naar de woorden van God, de HEER! Dit zegt God, de HEER, tegen de bergen en de heuvels, tegen de rivierdalen en de valleien: Ik zal jullie treffen met het zwaard en jullie offerhoogten vernietigen. 4 Jullie altaren zullen worden verwoest, je wierookaltaren verbrijzeld. Je bewoners zal Ik voor de ogen van hun afgoden dood laten neervallen; 5 Ik zal hun lijken voor ze neergooien en hun beenderen rond de altaren verstrooien. 6 Volk van Israël, overal waar jullie wonen zullen de steden tot ruïnes vervallen en de offerhoogten verlaten worden, zodat je altaren in puin komen te liggen en niet meer worden bezocht. Je afgodsbeelden zullen worden verbrijzeld en vernietigd, je wierookaltaren in stukken geslagen, alles wat je ooit maakte zal worden weggevaagd. 7 Velen van jullie zullen omkomen, en dan zul je beseffen dat Ik de HEER ben. 8 Maar een aantal van jullie zal Ik sparen, ze zullen ontkomen aan het zwaard wanneer jullie verstrooid worden onder vreemde volken in andere landen. 9 Degenen die ontkomen, zullen aan Mij denken wanneer ze wonen bij de volken waar ze in gevangenschap naartoe worden gevoerd. Ze zullen zich herinneren hoe diep ze Mij krenkten toen hun overspelig hart Mij verliet en hun ogen naar hun afgoden lonkten. Dan zullen ze van zichzelf walgen omdat ze zich zo gruwelijk hebben misdragen, 10 en beseffen dat Ik, de HEER, niet zonder reden heb gezegd dat Ik hun deze rampspoed zou aandoen. (NBV21)

In de voorgaande hoofdstukken heeft Ezechiël laten zien waartoe de God van de ballingen uit Israël eigenlijk wel in staat is. Maar er schemerde ook iets door van een eind aan de woede van God. Het blijft immers mogelijk dat de ballingen de weg van het aanbidden van de goden van andere volken verlaten en weer volledig gaan vertrouwen op de God van Israël. Daarom laat Ezechiël nog eens duidelijk zien waar die God van Israël niet te vinden is en waar juist de goden van de omringende volken te vinden zijn. Op de bergen rond Israël, op de hoogten waar offerplaatsen waren ingericht.

Ieder die daar nog de afgoden durft te aanbidden zal voor de ogen van de afgoden door het zwaard gedood worden. Ook wij zijn vaak door de bergen en hun onverzettelijkheid onder de indruk geraakt. Dat onze hulp ook van de bergen kan komen, zoals een psalm wordt uitgelegd, wordt door iedereen als vanzelfsprekend beschouwd. Terwijl de psalmdichter wel naar de bergen kijkt maar besluit dat zijn hulp komt van de God van Israël. Een God die niet aan een plaats is gebonden maar die met je meetrekt. En dat aspect van die God moet ook de ballingen moed inspreken. Ook in ballingschap, waar dat ook in de wereld is, kan een beroep gedaan worden op de God van Israël.

Maar de fouten uit het verleden moeten niet herhaalbaar zijn. Daarom klinken er harde woorden over het aanbidden van valse goden en het aangaan van verkeerde bondgenootschappen. En dan mogen wij de daden van ons volk nog wel eens heroverwegen. Wij leunen immers ook op het bondgenootschap met een wereldmacht. Een wereldmacht die vele jaren het internationaal recht centraal stelde en dat verdedigde maar dat nu handelt als elke onderdrukkende wereldmacht doet. Eigen belang staat voorop, als zij maar groot zijn en als groot gerespecteerd worden. Wapens moeten we hebben en het liefst de wapens bij onze zogenaamd machtige bondgenoot kopen. Dat die grootmacht groot is in onrecht, geweld en onderdrukking ontgaat ons kennelijk. Ook aan ons de oproep die Ezechiël aan de ballingen brengt. Bekeer je en sla een andere weg in, de weg van de God van Israël.

 

Zo zal Ik je straffen.

Ezechiël 5:11-17

5 Dit zegt God, de HEER: Dit is Jeruzalem. Ik had het midden tussen andere landen geplaatst, het werd door andere volken omringd. 6 Het is in opstand gekomen tegen mijn regels en heeft zich nog goddelozer gedragen dan de andere volken. Het heeft erger tegen mijn bepalingen gezondigd dan de omringende landen; zijn inwoners hebben mijn regels verworpen en zich niet gehouden aan mijn bepalingen. 7 Daarom-dit zegt God, de HEER: Omdat jullie je nog erger hebben misdragen dan de volken om je heen, omdat jullie je niet aan mijn bepalingen hebben gehouden en mijn regels niet hebben nageleefd, en evenmin die van de volken die jullie omringen, 8 daarom-zegt God, de HEER -keer Ik me tegen jullie en zal Ik je voor de ogen van die volken straffen. 9 Omdat je je zo gruwelijk hebt misdragen, Jeruzalem, zal Ik je zwaarder straffen dan Ik ooit met iemand heb gedaan of doen zal. 10 Binnen jouw muren zullen ouders hun kinderen eten en kinderen hun ouders, en wie er nog overblijven, zal Ik in alle windrichtingen verstrooien. Zo zal Ik je straffen. 11 Daarom, zo waar Ik leef-spreekt God, de HEER -,omdat je mijn heiligdom hebt verontreinigd met je afschuwelijke wangedrag, daarom zal Ik je met mijn zwaard kaalscheren; Ik zal onverbiddelijk zijn en geen medelijden hebben. 12 Een derde deel van je inwoners, Jeruzalem, zal binnen je muren sterven door de pest en de honger, een derde deel zal daarbuiten vallen door het zwaard en een derde deel zal Ik in alle windrichtingen verstrooien en met getrokken zwaard achtervolgen. 13 Ik zal mijn woede op hen koelen en mijn toorn de vrije loop laten totdat Ik mij genoegdoening heb verschaft. Wanneer Ik mijn woede op hen gekoeld heb, zullen ze beseffen dat het mijn hartstocht was die Mij zo deed spreken. 14 Jou, Jeruzalem, verander Ik in een ruïne, een mikpunt van spot voor de volken om je heen, te zien voor ieder die er voorbijkomt. 15 Je zult worden bespot en gesmaad en als afschrikwekkend voorbeeld dienen voor de volken om je heen, wanneer Ik je in mijn hevige woede zal straffen, wanneer Ik met je zal afrekenen in mijn toorn-Ik, de HEER, heb gesproken. 16 Jullie zullen worden bespot en gesmaad wanneer Ik de kwade pijlen van de honger, die dood en verderf zaaien, op je afschiet. Ik zal ze op jullie afschieten om jullie te gronde te richten: Ik zal jullie broodvoorraad vernietigen, Ik zal jullie honger laten lijden. 17 Ik zal honger op jullie afsturen en wilde dieren: zo zullen jullie je kinderen verliezen. Pest en dood zullen je teisteren en met het zwaard zal Ik je treffen-Ik, de HEER, heb gesproken.’ (NBV21)

In drie delen heeft Ezechiël uitgebeeld waarom de God van Israël het volk niet te hulp is geschoten maar zelfs het volk heet gestraft. Daar is Jeruzalem aan ten gronde gegaan, puinhopen zijn het die overgebleven zijn. Het moet de ballingen stevig worden ingepeperd en daarom volgt ook nog een uitleg van de drie uitbeeldingen. Een derde deel van het volk komt om door de pest en door de hongersnood die is uitgebroken. Een volgend derde deel stierf door het zwaard en het laatste deel werd verspreid over de aarde. Het zwaard was hier het verbindende gedeelte. Wie wapens zaait zal immers oorlog oogsten. Maar de Heer blijft niet woedend. Er komt een moment dat de woede van de Heer is gekoeld, dat landje dat zich beriep op een geweldige God wordt tot spot van de buren achter gelaten.

Schandalig is het waar het handelen van het volk en haar leiders het volk van de God van Israël hebben gebracht. Het idee dat die valse goden van goud en zilver de God van Israël zouden hebben kunnen overwinnen blijft die God kwaad maken, zo ontzettend diep is God gekwetst. Ze hadden het kunnen weten. De God van Israël grijpt niet in met Hemelse Legermachten. Toen het volk uit de slavernij in Egypte moest worden bevrijdt kwam er een obscuur Joodje dat was opgevoed als Egyptische prins maar verjaagd was als moordenaar ergens achter uit een woestijn naar de Farao om te eisen dat het volk bevrijd moest worden uit de slavernij om de eigen God te kunnen aanbidden. Zo werkt het. Je moet de machtigen het goede voorhouden, net zo lang tot ze toegeven. Niet met macht, niet met dreigementen, maar met het goede.

Ook in onze dagen zien we de voorbeelden van Ezechiël. Wie oorlog en geweld, wie wapens en wapensystemen vertrouwd om vrede te krijgen kan de doden tellen die het kost maar bereikt geen vrede. Wie het goede laat zien, kinderen kerkasiel geven, subsidie voor fossiele brandstof aan de kaak stellen, om maar een paar vervelende acties te noemen, doet geen mens kwaad maar dwingt de machtigen een antwoord te geven op het goede. Dat irriteert, dat is lastig. Dat spot met geldende regels die de machtigen met rust laten, maar bedreigt geen mensen met geweld en onderdrukking. Daar waar het enige antwoord het toepassen van geweld lijkt zal ook het slechte van het gedrag dat wordt bestreden laten zien. Een dilemma dat oneindig lijkt te kunnen bestaan. Nog even en het kerkasiel in Kampen gaat het tweede jaar herdenken. Het enige dat gelovigen kunnen doen is er heen gaan en een bijdrage leveren. Gewoon zitten, luisteren en zingen is genoeg. Elke dag opnieuw.

 

 

Mijn bepalingen

Ezechiël 5:1-10

1 Mensenkind, neem een scherp zwaard en gebruik dat als een scheermes om je hoofdhaar en je baard mee af te scheren. Het haar moet je op een weegschaal leggen en verdelen. 2 Zodra de dagen van het beleg voorbij zijn, moet je een derde deel ervan in de stad verbranden, een derde deel buiten de stad met dat zwaard fijnhakken en een derde deel uitstrooien in de wind-Ik zal de vluchtelingen met getrokken zwaard achtervolgen. 3 Een aantal haren houd je apart en bewaar je in een plooi van je mantel. 4 Gooi nog een paar daarvan in de vlammen, zodat ze verbranden. Het vuur dat daaruit oplaait, zal overslaan naar het hele volk van Israël. 5 Dit zegt God, de HEER: Dit is Jeruzalem. Ik had het midden tussen andere landen geplaatst, het werd door andere volken omringd. 6 Het is in opstand gekomen tegen mijn regels en heeft zich nog goddelozer gedragen dan de andere volken. Het heeft erger tegen mijn bepalingen gezondigd dan de omringende landen; zijn inwoners hebben mijn regels verworpen en zich niet gehouden aan mijn bepalingen. 7 Daarom-dit zegt God, de HEER: Omdat jullie je nog erger hebben misdragen dan de volken om je heen, omdat jullie je niet aan mijn bepalingen hebben gehouden en mijn regels niet hebben nageleefd, en evenmin die van de volken die jullie omringen, 8 daarom-zegt God, de HEER -keer Ik me tegen jullie en zal Ik je voor de ogen van die volken straffen. 9 Omdat je je zo gruwelijk hebt misdragen, Jeruzalem, zal Ik je zwaarder straffen dan Ik ooit met iemand heb gedaan of doen zal. 10 Binnen jouw muren zullen ouders hun kinderen eten en kinderen hun ouders, en wie er nog overblijven, zal Ik in alle windrichtingen verstrooien. Zo zal Ik je straffen. (NBV21)

Ezechiël blijft de profeet van het zien. Hoe stamp je nu in de koppen dat de ballingschap toch echt aan het volk zelf te wijten was geweest en dat de woede van God die was opgewekt doordat het volk vreemde goden na ging lopen nog steeds niet was uitgewoed. Ezechiël pakte een zwaard, want door het zwaard was het volk gevangen genomen ook al hadden ze zich met het zwaard tegen een overmacht verweerd, zonder te letten op de boodschappen die God had gezonden. Het mooiste werd met het zwaard afgeschoren, zijn haar en en zijn baard. Dat haar staat dus symbool voor het mooiste dat het volk had, Jeruzalem, en wat zou daar mee gebeuren. Nu dat was 1,2,3 nog niet klaar.
.
Het haar moest in drie delen verdeeld worden. Nauwkeurig, met een weegschaal. Het eerste deel wordt verbrand. Vuur verwoest de stad en de Tempel, er valt niet meer te wonen, je kunt er door te offeren niet meer laten zien dat je je aan het verbond met God wil houden. Wie dit inferno overleeft vlucht de stad uit. Het tweede gedeelte van het haar wordt fijngehakt en uitgestrooid in de wind. Zelfs wie vlucht kan niet aan de woede van God ontkomen en zal door het zwaard omkomen.

Het derde deel wordt verborgen in de plooi van de mantel van de profeet. Een paar haren moet hij nog in het vuur gooien want wie een schuilplaats bij God zoekt als het eigenlijk te laat is ontvangt geen bescherming maar gaat evengoed ten onder. Zo zal het gaan, zo ging het ook als het volk het verbond met God verlaat en andere goden volgt, goden die zelfs het offeren van kinderen vraagt, als religie maar ook op een slagveld. Ook wij vertrouwen meer op bondgenootschappen met onberekenbare leiders van grootmachten dan op de God van Israël die vraagt om zorg voor de minsten en het met fatsoen behandelen van hier gewortelde kinderen. Ook wij zien oorlog, vuur en verwoesting. Werk daarom weer aan de vrede des Heren. Elke dag opnieuw.

Vuur en zwavel

Psalm 11

1 Voor de koorleider. Van David. Schuilen doe ik bij de HEER. Hoe kunnen jullie dan zeggen: ‘Vogel, vlieg weg naar de bergen! 2 Zondaars spannen de boog en leggen hun pijlen al op de pees om de oprechte in het duister te treffen. 3 Wat kan een rechtvaardige anders doen, als de grond onder alles wegzinkt?’ 4 De HEER in zijn heilig paleis, de HEER op zijn troon in de hemel, met aandacht beziet Hij, nauwlettend keurt Hij de mensen op aarde. 5 De HEER keurt rechtvaardigen en zondaars. Wie het geweld liefhebben, haat Hij. 6 Vuur en zwavel stort Hij over hen uit, storm drinken zij uit de beker die Hij aanreikt. 7 Rechtvaardig is de HEER, Hij heeft rechtvaardigheid lief. De oprechte zal zijn gelaat aanschouwen. (NBV21)

De wereld wordt meer en meer een chaos. Oorlog op oorlog, geweld en onderdrukking, leugens en bedrog, niets heeft het meer van vrede en zorg voor elkaar. De zorg in ons land moet minder omdat er dure wapensystemen voor gekocht moeten worden waar de rijken nog rijker door worden. Land inpikken wordt door sommigen als een Bijbelse opdracht gepresenteerd en als iemand het niet met je eens is ga je eerst slaan en dan pas praten. Hoe houdt een volgeling van de God van Israël, van heb je naaste lief als jezelf in een dergelijke wereld stand.

Daar gaat dat kleine liedje over dat we vandaag met de kerk mee mogen zingen. De God van Israël is voor de volgeling het meest betrouwbaar. Naar de bergen vluchten zoals een opgejaagd vogeltje zou doen heeft geen zin. Ook daar is geweld, ook daar is bedrog, ook daar is onderdrukking en onfatsoen. De maat over wie hoort bij de God van Israël is nog steeds te vinden in diens Woord. Daar staat wat rechtvaardigheid is, recht is als ook de zwaksten tot hun recht komen. Daar staat dat die herbewapening geen vrede zal brengen en versterking van de zorg wel.

Het is uitermate onfatsoenlijk om hier gewortelde kinderen naar vreemde verre landen te verbannen, toch gebeurt het door hen die beweren ook bij de volgelingen van de God van Israël te horen. We hoeven volgens de Psalm ons geen zorgen te maken over deze zogenaamde fatsoensrakkers, zij zullen in hun eigen leugens trappen en gedwongen worden te zorgen voor de kinderen die ze nu als afval proberen weg te zetten. Recht blijven doen aan de minsten, stem geven aan de stemlozen en gesmoorden dat is de verdediging tegen het verbaal en fysiek geweld dat wordt uitgestort. En volgens Gods Woord zal dat blijven helpen, ook vandaag weer.

 

Een koningsmaal

1 Samuël 25:36-44

36 Bij haar thuiskomst zag Abigaïl dat Nabal een feestmaal had aangericht, het leek wel een koningsmaal. Hij had zeer veel gedronken en was in een uitgelaten stemming, daarom repte ze die avond met geen woord van het gebeurde. 37 De volgende ochtend, toen Nabal zijn roes had uitgeslapen, vertelde ze hem wat ze had gedaan. Zijn hart bleef stilstaan in zijn borst, en hij zakte roerloos in elkaar. 38 Tien dagen later trof de HEER Nabal zo zwaar dat hij bezweek. 39 Toen David hoorde dat Nabal dood was, zei hij: ‘Geprezen zij de HEER; Hij heeft het voor mij opgenomen tegen Nabal, die me zo beledigd heeft. Op die manier heeft Hij mij ervan weerhouden iets verkeerds te doen en heeft Hij toch Nabal zijn verdiende loon gegeven.’ Daarop stuurde hij boden naar Abigaïl om haar ten huwelijk te vragen. 40 In Karmel aangekomen zeiden Davids dienaren tegen Abigaïl: ‘David heeft ons gestuurd om u te vragen zijn vrouw te worden.’ 41 Abigaïl knielde neer, boog diep voorover en zei: ‘Ik ben uw dienares. Ik ben bereid de slavin te zijn die de voeten wast van de dienaren van mijn heer.’ 42 Snel maakte ze zich klaar om te vertrekken. Toen reed ze op haar ezel, met vijf slavinnen in haar gevolg, achter de boden van David aan en werd zijn vrouw. 43 David had ook Achinoam uit Jizreël tot vrouw genomen; zij beiden waren nu zijn vrouw. 44 Davids vrouw Michal was door haar vader Saul inmiddels uitgehuwelijkt aan Palti, de zoon van Laïs, uit Gallim. (NBV21)

In de Bijbel staat vaak dat de rijken aan hun eigen hebzucht ten onder gaan. Nabal is daar een voorbeeld van. Hij had een ruim oogst kunnen binnenhalen omdat zijn personeel beschermd werd door het legertje van David. Die had hem zeer beleefd gevraagd mee te mogen delen van die ruime opbrengst. Bot was dat geweigerd. Nabal mocht blij zijn met een vrouw die hem had gecorrigeerd maar zelfs daar was hij niet dankbaar voor. Nabal kan dus doodvallen en van de arme Nabal houdt het hart dan op met kloppen. Het hele verhaal laat ook zien hoe je met vrouwen moet omgaan. Luister je er naar, beschouw je die als gelijke of als handelswaar?

Terloops wordt gemeld dat Saul zijn dochter Michal, die zo verliefd was op David, aan een ander heeft uitgehuwelijkt. David gaat pas achter Abichail aan als Nabal echt dood is. Kennelijk is David bereid de steun van haar te aanvaarden. Hij wordt er ook meer Koninklijk door want Koningen hebben nu eenmaal meer vrouwen. Abichail werd de derde vrouw, naast Michal en Achinoam. Ook voor ons geldt vaak dat we de regels voor de menswaardige samenleving voor een ander moeten houden. Onze staat kan niet altijd  gastvrij zorgen voor vreemdelingen die hier aangespoeld en vastgelopen zijn.

Voor die papierlozen moeten wij dan onze kerken maar openen om hen te voeden, te kleden en te helpen weer op weg te komen naar een veilige plaats onder de zon. Als men iedereen de slaaf wil maken van de economie door productie en consumptie op zeven dagen van de week mogelijk wil maken moeten wij ons maar verzetten om de bevrijding van de slavernij van productie en consumptie vol te houden. Als niemand meer zorgt voor zieken en eenzamen dan zullen we dat zelf moeten organiseren. Gelukkig mogen we elke dag opnieuw werken aan die menselijke samenleving, ook vandaag weer.

Stank voor dank!

1 Samuël 25:20-35

20 Abigaïl reed op haar ezel door de kloof, terwijl David en zijn mannen van de andere kant optrokken. Omdat ze door de bergwand aan het zicht onttrokken was, werd David door haar komst verrast. 21 Hij had net nog gezegd: ‘Wat denkt die vent wel? Heb ik daarom al die tijd zijn bezittingen beschermd? Ik had het net zo goed kunnen laten! Nog niet één schaap is hij kwijt, en wat krijg ik? Stank voor dank! 22 God mag met me doen wat Hij wil als ik morgenvroeg van zijn familie ook maar iemand van het mannelijk geslacht in leven heb gelaten!’ 23-24 Zodra Abigaïl David zag, sprong ze van haar ezel af. Ze viel voor zijn voeten op haar knieën, boog diep voorover en zei: ‘Mij treft alle schuld, mijn heer. Sta me toe het woord tot u te richten en luister naar wat uw dienares te zeggen heeft. 25 Schenk alstublieft geen aandacht aan die domme praatjesmaker van een Nabal. Hij is een onbenul, zoals zijn naam al zegt. Maar ik had natuurlijk uw boden moeten zien! 26 Zo waar de HEER leeft, mijn heer, en zo waar u zelf leeft, de HEER heeft u ervan weerhouden om het recht in eigen hand te nemen en bloedschuld op u te laden. Maar ik hoop dat het al uw vijanden en tegenstanders zal vergaan zoals Nabal. 27 Aanvaard de geschenken die ik voor u heb meegebracht, mijn heer; ze zijn bestemd voor de mannen die u op uw tochten vergezellen. 28 Vergeef me alstublieft dat ik heb gefaald. Ik weet zeker dat de HEER uw huis zal laten voortbestaan, u trekt immers voor de HEER ten strijde. Er mag bij u dus uw leven lang geen spoor van kwaad te vinden zijn. 29 Mocht iemand het wagen om u te achtervolgen en u naar het leven te staan, dan zal uw leven veilig zijn, als een steentje geborgen in de buidel waarin de HEER, uw God, de mensenlevens bewaart, maar het leven van uw vijanden zal worden weggeslingerd. 30 Wanneer de HEER al zijn goede beloften aan u inlost en u aanstelt tot vorst van Israël, 31 zult u niet gehinderd worden doordat u uw geweten hebt belast door het recht in eigen hand te nemen en onschuldig bloed te vergieten. Wanneer het eenmaal zover is, mijn heer, vergeet uw dienares dan niet.’ 32 David antwoordde: ‘Ik dank de HEER, de God van Israël, dat Hij u vandaag op mijn weg heeft gestuurd. 33 En u dank ik voor uw verstandig optreden van zojuist,
waarmee u hebt voorkomen dat ik het recht in eigen hand nam en me schuldig zou maken aan moord. 34 Maar zo waar de HEER leeft, de God van Israël, die me ervan heeft weerhouden om u kwaad te doen, als u niet zo snel naar me toe was gekomen, was er van Nabals familie morgenvroeg niemand van het mannelijk geslacht meer in leven geweest!’ 35 En hij aanvaardde haar geschenken met de woorden: ‘Ga gerust naar huis; ik heb uw woorden aangehoord en uw verontschuldigingen aanvaard.’ (NBV21)

Soms moet je de geboden uit de Bijbel ook voor een ander houden. Wij zijn gewend dat ieder voor zich de wetten van het rijk moet houden en dat er een overheid is die daar op toezicht houdt en overtreders aanpakt. Zo zit het niet met de regels voor een menselijke samenleving die we in de Bijbel terugvinden. Voor die regels zijn we samen verantwoordelijk en als iemand ze niet kan of wil houden dan moeten we dat zelf maar doen voor die iemand omdat het doel, de menselijke samenleving, bij ons altijd voorop staat. Dat wil de God van Israël immers van ons, dat we door te houden van onze naaste als van onszelf die menselijke samenleving een stukje dichterbij brengen. Het is ook eigenlijk de boodschap die Abichaïl eerst aan David en dan aan Nabal brengt.

David was woest geworden om de botte weigering van Nabal iets bij te dragen aan het onderhoud van de beschermers van zijn bezit. Nabal was er rijker door geworden want hij had geen dier, geen schaap of lam, verloren in het seizoen dat ze buiten liepen, zich hadden vetgemest en voordat ze geschoren werden. David trok op met zijn mannen om de mannen van de clan van Nabal te doden, je doet het niet voor niks. Ze waren anders gedood geweest door plunderende Filistijnen. Maar Abichaïl de vrouw van Nabal, die door had hoe de verhoudingen lagen, was met eten bepakt naar David gereden. En haar toespraak overtuigde de krijgsheer.

Haar complete toespraak vormt een literair hoogtepunt uit het eerste boek Samuël en verdient het meerdere malen gelezen te worden. Maar door de schuld op zich te nemen voor de afwijzing laat Abichaïl zien dat het houden van de wetten voor een ander de redding van een volk kan zijn. David krijgt nu de gelegenheid zich te houden aan het “Gij zult niet doden” Nabal krijgt de gelegenheid toch te delen. In de Bijbel krijgt iedereen eigenlijk altijd een tweede kans, als je die niet aanneemt kun je doodvallen, maar dat is een ander verhaal. Wij worden geroepen om te delen en zo God lief te hebben boven alles.