Met een zuiver hart

Psalm 78:52-72

52 Maar zijn volk liet hij wegtrekken als een kudde, hij voerde hen door de woestijn als schapen en geiten, 53 hij leidde hen veilig, zij hadden niets te vrezen, het water van de zee had hun vijanden bedekt. 54 Hij bracht hen naar zijn heilig domein, naar de berg, met eigen hand verworven, 55 hij joeg vreemde volken voor hen uit, verdeelde hun land met het meetlint en liet Israëls stammen wonen in hun tenten. 56 Maar zij daagden God uit en tergden hem, namen de Allerhoogste en zijn richtlijnen niet ernstig, 57 ze werden afvallig en ontrouw zoals hun voorouders, ze faalden als een bedrieglijke boog, 58 griefden hem met hun offerdienst op de hoogten en wekten met hun godenbeelden zijn afgunst. 59 Toen God dit hoorde, werd hij verbolgen en wierp hij Israël ver van zich af. 60 Hij gaf zijn woning in Silo op, de tent waar hij woonde onder de mensen. 61 Hij liet zijn volk gevangen wegvoeren, leverde zijn sieraad uit aan de belager, 62 gaf zijn sterke mannen prijs aan het zwaard. Hij was verbolgen op zijn eigen bezit. 63 Het vuur verslond zijn jonge mannen, zijn jonge vrouwen werden niet bejubeld, 64 zijn priesters kwamen om door het zwaard, zijn weduwen vonden geen tranen meer. 65 De Heer ontwaakte als uit een slaap, als een strijder uit de roes van de wijn, 66 hij joeg zijn belagers terug, bedekte hen met eeuwige smaad. 67 Hij verwierp de tent die bij Jozef stond, de stam Efraïm koos hij niet, 68 nee, de stam Juda koos hij, de Sionsberg heeft hij lief. 69 Hij bouwde zijn heiligdom, hoog als de hemel, en zette het vast als de aarde, voor eeuwig. 70 Zijn keuze viel op David, zijn dienaar, hij riep hem weg bij de schapen, 71 haalde hem achter de zogende ooien vandaan en maakte hem herder van Jakob, zijn volk, van Israël, zijn eigen bezit. 72 Hij was een herder met een zuiver hart, met vaste hand heeft hij hen geleid. (NBV)

De geschiedenis les die in deze Psalm bezongen wordt begint met de uittocht uit Egypte en eindigt met de bouw van de Tempel in Jeruzalem. Het is een les in de vorm van een gedicht  en je moet af en toe even door de regels heen weten te lezen om het te zien. Maar er is een volk dat een geschenk heeft gekregen, de leer van heb je naaste lief als jezelf. Dat volk verwerpt dat geschenk voortdurend. Steeds weer moet het opnieuw onderwezen te worden in die leer. Steeds weer mag dat ook weer opnieuw. Door de Woestijn heen naar het beloofde land. Daar verdeelde Jozua het land tussen de families van het volk. Zo kon iedereen voor zichzelf zorgen en zou er geen armoede in het land zijn. Dat zou natuurlijk niet zo blijven maar elke vijfig jaar werden de stukken land die verloren waren gegaan weer aan de oorspronkelijke familie teruggegeven en kon iedereen weer opnieuw beginnen. Dat was de verdeling van het land met het meetlint.

Dit teruggeven en opnieuw beginnen is volgens veel geleerden nooit in de praktijk gebracht. Toch vindt je door de hele Bijbel heen sporen van dit bijzondere idee. Het volk werd echter ontrouw aan de leer van eerlijk delen. Ze volgden afgoden van vruchtbaarheid, de goden van Winst en Profijt heten ze in onze dagen. In plaats van het anti-egoïsme van de Bijbel hangen we de god van het Egoïsme aan. Het kan er niet mooi genoeg uitzien. Zelfs ons lichaam, van top tot teen, modeleren we tegenwoordig naar de wetten van schoonheid en succes. De les van de ondergang die dat meebrengt hebben we dus nooit willen leren. De echte God woonde in Silo, daar was de Tent van de Ontmoeting opgericht na de intocht in het beloofde land, daar werd de leer van Mozes onderwezen waar iedereen zich naar zou moeten richten. Maar pas toen vreemde volken de oogsten kwamen roven herinnerden sommigen zich weer de leer van Mozes en riepen ze God te hulp.

Uiteindelijk werd Israël een Koninkrijk onder David, kwam er vrede en werd onder Salomo de Tempel gebouwd  op de berg Sion in Jeruzalem. Daar hebben we het nog steeds over. Het zou volgens Joden en Christenen nog steeds het hart van de Wereld moeten zijn. Overigens is het ook voor Moslims een zeer Heilige stad. Voor ons gaat het niet om de stenen en gebouwen die er te vinden zijn maar om de Geest van God die er van uitgaat. Als je je went tot Jeruzalem, ziet op de berg Sion, dan kijk je naar de minsten op aarde, dan leef je volgens de leer van eerlijk delen, van heb je naaste lief als jezelf. Dan zorg je dat iedereen op hele aarde daaraan kan meedoen, dat niemand achterblijft, vergeten wordt of sterft van honger en ellende. Dan wordt je als David een herder van het volk. Dan accepteer je geen andere regering dan één die zich opstelt als herder van het volk. Een herder met een zuiver hart die het niet om  eigen roem of macht te doen is maar om de zorg voor de allerminsten.

Zodra er doden vielen

Psalm 78:32-51

32 Toch bleven zij zondigen, op zijn wonderen vertrouwden zij niet. 33 En hun dagen eindigden in leegte, hun jaren liepen uit op een verschrikking. 34 Zodra er doden vielen, zochten zij God, zij kwamen tot inkeer en verlangden naar hem, 35 dachten eraan dat God hun rots was, God, de Allerhoogste, hun bevrijder. 36 Maar zij bedrogen hem met hun mond, met hun tong logen zij hem voor, 37 hun hart was niet aan hem gehecht, zij waren zijn verbond niet trouw. 38 Uit erbarmen bedekte hij hun zonde, hij wilde geen dood en verderf, dikwijls bedwong hij zijn toorn en joeg hij het vuur van zijn woede niet aan. 39 Dan dacht hij: Ze zijn maar vlees, adem die gaat en niet terugkeert. 40 Hoe vaak tergden zij God in de woestijn, kwetsten zij hem in dat dorre land, 41 hoe vaak keerden zij zich af en daagden zij hem uit, krenkten zij de Heilige van Israël! 42 Zij dachten niet aan zijn helpende hand, aan de dag dat hij hen verloste van hun belager 43 en in Egypte tekenen verrichtte, wonderen in de vlakte van Soan. 44 Hij veranderde hun rivieren in bloed, uit geen waterstroom was meer te drinken. 45 Hij stuurde de steekvlieg die hen opvrat, en de kikvors die verderf bracht. 46 Hij gaf hun gewas aan de sprinkhaan, aan de kaalvreter hun oogst. 47 Hij doodde hun wijnstokken met hagel, hun vijgenbomen met ijzel. 48 Hij gaf hun vee aan de hagel prijs, hun kudden aan het vuur van de bliksem. 49 Hij liet zijn woede op hen los, toorn, razernij, verschrikking, en zond hun rampen en onheil. 50 Hij baande een weg voor zijn toorn, hij behoedde hen niet voor de dood, gaf hun leven prijs aan de pest. 51 Hij doodde in Egypte elke oudste zoon, de eerstgeboren mannen in de tenten van Cham. (NBV)

Denk nu niet dat de mensen van hun fouten iets leren. Ooit was er een Franse Koning die verveelt uitriep dat de geschiedenis zich steeds herhaalt. Eigenlijk staat dat ook in de passage die we vandaag lezen. Alle fouten van het volk Israël worden nog eens herhaald en alle wonderen die ze hadden meegemaakt worden opgesomd. Maar het enige dat het volk had geleerd was bidden als er nood aan de man kwam. Wij hebben daar zelfs een spreekwoord van gemaakt: “Nood leert bidden.” Maar dat helpt dus mooi niet. Je moet kijken waar het in je geschiedenis goed ging en waar verkeerd. Na de eerste wereldoorlog weigerden de volken zich te verzoenen en met elkaar te delen en samen een nieuwe samenleving op te bouwen. Dat liep dus uit op een nieuwe wereldoorlog. Na die wereldoorlog werd er wel naar verzoening gestreefd en werd er wel gedeeld.

Bij de wederopbouw werd het onderscheid tussen winnaars en verliezers niet meer gemaakt en bij de vorming van een nieuw verenigd Europa was en is er plaats voor alle volken uit Europa. Dat maakt ons een zeer welvarend en rijk werelddeel. Leren we dat nu ook te doen met arme volken zoals die bijvoorbeeld in het Midden Oosten wonen? Nee dus niet. Bewoners van het Midden Oosten die door en in rijke landen opgeleid zijn om geweld en sabotage te plegen, zoals Osama Bin Laden, keren zich tegen het rijke westen dat hen uitsluit en hen geen recht wil doen. De slachtoffers die daarbij vallen zijn het gevolg van onze eigen uitsluitingspolitiek. De allerarmsten uit Afrika bestormen inmiddels in toenemende mate onze grenzen en in plaats van oplossingen voor hun armoede te zoeken besteden we ons geld aan strengere maatregelen en meer grensbewaking. Terwijl we weten dat delen helpt.

We hebben een tijdje gedeeld met de Polen, die hier kwamen werken omdat het er thuis niet meer was. Nu is de klacht dat de Polen thuis een economie hebben opgebouwd en onze tuinders een te kort aan werknemers hebben. Dat we een oplossing voor onze tuinders moeten bedenken die ook op een lange duur houdbaar is komt nog steeds niet bij politici op. De fout van het verleden wordt keer op keer herhaald. Dat ook die vreemdelingen onze broeders en zusters zijn, dat delen rijk maakt en niet arm, zijn Bijbelse begrippen die niet doordringen in de maatschappelijke werkelijkheid. Eerst moeten er doden vallen, moeten mensen have en goed verliezen, moet er nood aan de man zijn, voor we inzien dat we onze samenleving ook op wereldniveau ingrijpend moeten veranderen. Dat we samen staan voor de problemen die er zijn, voor alles wat ook de minsten onder ons raakt. Dan pas worden we niet meer getroffen door rampen en onheil.

Het koren van de hemel

Psalm 78:17-31

17 Maar zij bleven tegen hem zondigen, de Allerhoogste tergen in de woestenij. 18 Met opzet daagden zij God uit en riepen om eten zoveel als ze wilden. 19 Zij beledigden God en zeiden: ‘Zou God in staat zijn een tafel te dekken in de woestijn? 20  Toen hij op de rots sloeg, vloeide er water, stroomden er beken-maar zou hij zijn volk ook brood en vlees kunnen geven?’ 21 Toen de HEER dat hoorde, ontstak hij in woede, een vuur laaide op tegen Jakob, tegen Israël ontbrandde zijn toorn. 22 Want zij hadden God niet geloofd, niet vertrouwd op zijn hulp. 23 Hij gaf een bevel aan de hoge wolken en de deuren van de hemel gingen open, 24 manna om te eten regende op hen neer. Hij schonk hun het koren van de hemel, 25 zij aten het brood van de engelen, hij stuurde voedsel dat hen verzadigde. 26 Hij liet uit de hemel de oostenwind los, de zuidenwind wakkerde hij aan, 27 en vlees regende als stof op hen neer, vogels zo talrijk als zandkorrels aan de zee, 28 hij liet ze vallen midden in zijn kamp, in een kring om zijn tabernakel. 29 Zij aten en werden meer dan verzadigd, hij gaf hun zoveel ze begeerden. 30 Maar nauwelijks was hun honger gestild, hun mond was nog vol eten, 31  of tegen hen ontbrandde Gods toorn, hij sloeg de vraatzuchtigen dood en bracht de sterksten van Israël om. (NBV)

De leer van Mozes, die je vindt in de eerste vijf boeken van de Bijbel, heeft natuurlijk ook het verhaal van de woestijn. In deze Bijbelpassage kun je ook spreken van het lied van de Woestijn. Hoe ging het daar met de bevrijding van de armen, met het onvoorwaardelijk delen en alles voor elkaar over hebben? Dan blijkt er nog veel te leren te zijn in het leven. Vanaf het vertrek uit het dal van Soar tot de intocht in het beloofde land was er één groot leerproces. Soar betekent “plaats van vertrek”, in het Grieks Tanis, het was een bekende verblijfplaats van de Farao. Daar vond volgens deze psalm de doortocht door de Rode Zee plaats, de ontsnapping uit de slavernij. En waren ze toen blij? Welnee, Mozes moest op de rotsen slaan om water tevoorschijn te brengen.

Toen het ongezuurde brood op was moesten ze leren brood te maken van het Manna dat ze elke morgen voor de tent vonden. En toen ze dachten nooit meer vlees te eten kregen ze kwartels in een zo grote overvloed dat de gulzigaards, de onverzadigbaren, dood gingen van het schrokken. Nooit waren ze tevreden. De dichter van deze Psalm heeft de verhalen uit het boek Numeri niet alleen op een rij gezet maar ook in verband gebracht met de les die je moet leren. De les is dat egoïsme normaal is, de mens zorgt eerst en meestal ook maar alleen voor zichzelf. De Bijbel leert je anti-egoïsme, niet jij mens alleen staat voorop, maar de mensen staan samen, met iedereen. In het anti-egoïsme staat het delen voorop en moet er voor iedereen een plaats zijn in de samenleving. Dan zorg je er voor dat van overvloed wat bewaard wordt voor tijden van schaarste, dan rust je niet voordat iedereen mee kan doen met de gemeenschap.

Het recht van de sterkste betekent dan onrecht en voert regelrecht tot de dood, maar ieder mens tot zijn recht doen komen verzekert je van leven. In die samenleving zouden we geen moment rusten voor iedereen in Afrika bevrijdt zal zijn van de zorg om voedsel als we een anti-egoïsme beleid zouden hebben. Dan zouden we elke regering wegjagen en elke Europese Commissie, die weigert de Europeese markten open te stellen voor producten uit de armste landen zodat we onze welvaart kunnen delen met de mensen daar. Dan mislukt er geen enkele Wereld Handels conferentie meer omdat eerlijk delen en de zorg dat iedereen in de wereld mee kan doen voorop staat. Dan zijn er geen eigen belangen meer die eerlijk delen verhinderen omdat juist dat eerlijk delen het enige eigen belang is dat we nog kennen. Dan verdrinken er geen armen meer in de zeeën rond Europa, wanhopig op weg naar een beetje welvaart omdat wij onze welvaart met hun eigen land hebben gedeeld. Dan kunnen we samen dit lied zingen als bewijs dat we de les hebben willen leren.

Luister, mijn volk

Psalm 78:1-16

1 Een kunstig lied van Asaf. Luister, mijn volk, naar wat ik leer, hoor de woorden uit mijn mond. 2 Ik open mijn mond voor een wijze les, spreek uit wat sinds lang verborgen is. 3 Wij hebben het gehoord, wij weten het, onze ouders hebben het ons verteld. 4 Wij willen het onze kinderen niet onthouden, wij zullen aan het komend geslacht vertellen van de roemrijke, krachtige daden van de HEER, van de wonderen die hij heeft gedaan. 5 Hij stelde een richtlijn vast voor Jakob en kondigde in Israël een wet af. Onze voorouders gaf hij de opdracht die aan hun kinderen te leren. 6 Zo zou het volgende geslacht ervan weten, en zij die nog geboren moesten worden, zouden het weer aan hun kinderen vertellen. 7 Dan zouden zij op God vertrouwen, Gods grote daden niet vergeten en zich richten naar zijn geboden. 8 Dan zouden zij niet worden als hun voorouders, een onwillig en opstandig geslacht, onstandvastig van hart en geest, een geslacht dat God ontrouw was. 9 De mannen van Efraïm, bewapend met pijl en boog, trokken zich terug op de dag van de strijd. 10 Zij hielden zich niet aan het verbond met God en weigerden te leven naar zijn wet. 11 Zij vergaten zijn grote daden, de wonderen die hij had getoond. 12 In het land Egypte, in de vlakte van Soan zagen hun voorouders hoe hij een wonder verrichtte: 13 hij spleet de zee en voerde hen erdoor, als een dam hield hij het water tegen. 14 Hij leidde hen met een wolk overdag, in de nacht met een lichtend vuur. 15  Hij spleet de rotsen in de woestijn en leste hun dorst met een watervloed, 16 uit de steen ontsprongen beken, het water stroomde als rivieren. (NBV)

Vandaag zingen we mee met Psalm 78, het eerste gedeelte daarvan. Een kunstig lied zet de Nieuwe Bijbelvertaling er boven. Die Asaf was waarschijnlijk iemand die belangrijk is geweest in de Tempeldienst. Misschien had die wel een aantal liederen verzameld en in een bundel gezet. Maar dat kunstig lied dan. Ons doet het denken aan de Rederijkers, dichters rond de Middeleeuwen die volgens strakke regels gedichten maakten. Maar dat is hier toch ook niet helemaal van toepassing. In de Bijbelvertaling van 1951 en in de Statenvertaling wordt gesproken van onderwijzing of leerdicht. Ook de Naardense Bijbel noemt deze Psalm een onderwijzing. En over leren en onderwijzen gaat het in dit lied in elk geval. De Psalm is een les op zich, waard om naar te luisteren. Niet nieuw, maar het moet worden doorverteld. En wat moet er dan worden onderwezen en geleerd. De Psalm noemt het een wonder, de richtlijnen voor de menselijke samenleving die in de woestijn waren ontvangen, de richtlijn voor Jakob, de richtlijnen voor de samenleving van Israel.

Jakob staat hier niet voor een meneer maar voor het volk dat uit hem was voortgekomen, het volk dat zijn nieuwe naam had gekregen, Israel. Die richtlijnen hadden de nakomelingen van Jakob gekregen in de woestijn toen ze de slavernij van Egypte waren ontvlucht. Samengevat luidden die dat je je naaste lief moet hebben als jezelf, dat is God liefhebben boven alles. Dan pas valt er te overleven. Nu hebben wij onderwijs geleerd te zien als het uit het hoofd leren van kennis. Rijtjes woorden, wetten over taal en rekenen, formules uit natuur en scheikunde en woorden en zinnen uit vreemde talen. Het leren van die richtlijnen van God gaat anders. Het is een richtlijn die je moet doen en aan je kinderen leren. Maar hoe leren ouders iets aan hun kinderen. Dat wat ouders in onze dagen aan hun kinderen leren hebben ze niet in een boekje, ze overhoren hun kinderen niet en ze geven geen proefwerken over dat wat ze aan hun kinderen hebben geleerd. Ze doen dat door het hun kinderen voor te leven. En dat geldt ook voor de les die hier wordt bedoeld. Je moet je naaste liefhebben als jezelf wil je dat ook aan je kinderen leren. Je moet bereid zijn onvoorwaardelijk te delen met de minsten wil je je kinderen duidelijk kunnen maken waar het in het leven om gaat.

Dat je zelf vreemdeling bent en niet doet zoals in de huidige wereld gewoon is moet je zelf voelen wil je het op je kinderen kunnen overbrengen. Dat bleek al toen het volk werd bedreigd. De mannen van Efraïm hadden geen zin in een gevecht voor mensen die ze niet kenden. Zoals velen de ontwikkelingssamenwerking, de hulp aan de Grieken of de Italianen en de bescherming van vluchtelingen maar onzin vinden, ver van ons bed. Dat het in verbinding met God gaat om je in te zetten voor de zwaksten, voor de minsten wordt dan vergeten. Dat niet vergeten en dus jezelf wel inzetten is de manier waarop je het je kinderen leert. Dan gaat dat verhaal door, dan komt het lied niet tot zwijgen. Even doet de Psalm ons herinneren hoe het ook al weer ging toen dat groepje slaven uit Egypte werd bevrijd om een volk te worden dat de grootheid van de God van Israël zou uitdragen. Het water van de zee spleet uiteen zodat de vluchtelingen droog konden oversteken. Zouden wij dat vandaag de dag ook niet proberen met de Middellandse zee? God heeft ons schepen gegeven en mensen om te helpen. Bouw geen hekken en muren om vluchtelingen tegen te houden, dat helpt niet, maar zorg dat ze een land krijgen waar ze in vrede en vrijheid zelf hun leven kunnen opbouwen. Daar mag dit begin van deze Psalm ons toe oproepen.

Geven jullie hun maar te eten

Matteüs 14:13-21

13 Toen Jezus hiervan hoorde, week hij per boot uit naar een afgelegen plaats waar hij alleen kon zijn. Maar de mensen kwamen het te weten, en vanuit de steden volgden ze hem over land. 14 Toen hij uit de boot stapte en de grote menigte zag, voelde hij medelijden met hen en hij genas hun zieken. 15 Bij het vallen van de avond kwamen de leerlingen naar hem toe en zeiden: ‘Dit is een afgelegen plaats en het is al laat. Stuur de mensen weg, laat ze naar de dorpen gaan om eten voor zichzelf te kopen.’ 16 Maar Jezus zei: ‘Ze hoeven niet weg, geven jullie hun maar te eten.’ 17 Ze antwoordden hem: ‘We hebben hier niets, alleen vijf broden en twee vissen.’ 18 Hij zei: ‘Breng ze mij.’ 19 En nadat hij de mensen opdracht had gegeven op het gras te gaan zitten, nam hij de vijf broden en de twee vissen, keek omhoog naar de hemel, sprak het zegengebed uit en brak de broden; hij gaf ze aan de leerlingen, en de leerlingen gaven ze door aan de mensen. 20 Iedereen at en werd verzadigd, en toen ze de stukken brood die over waren ophaalden, hadden ze twaalf manden vol. 21 Er hadden ongeveer vijfduizend man gegeten, vrouwen en kinderen niet meegeteld. (NBV)

Geleerden zeggen het, het valt na te rekenen, er is voedsel genoeg op de aarde, en er kan nog zeer lange tijd voldoende voedsel verbouwd worden. Waarom dan die hongerende kinderen op de TV? Waarom dan die wanhopige smeekbeden om hulp van hulporganisaties. Waarom dan die eindeloze onderhandelingen bij de Wereld Handels Organisatie? Niet zo lang geleden is er weer een onderhandelingsronde mislukt. Dat heeft 3 oorzaken, de eerste is het weer. De ene zomer hebben we een overvloedige aardappeloogst in de Wieringermeer, de volgende zomer een gewone oogst, en soms rotten de aardappelen op het land weg voordat ze geoogst worden. De aardappels worden duur als de oogst is tegengevallen, maar wij schakelen rustig over op pasta en rijst. De tweede oorzaak is de verdeling. Die rijst komt niet uit Nederland maar uit verre landen, Indonesië of Suriname. Wij weten het te organiseren dat de rijst wordt bewerkt en hierheen vervoerd en omdat de rijst moet concurreren met aardappels en pasta hoeven we er niet te veel voor te betalen.

Het graan voor de pasta komt voor een groot deel uit Oost Europa, of uit landen waar ze met weinig mensen veel graan kunnen produceren, ook dat is goedkoop dus, en dus blijven de mensen die alleen rijst kunnen telen arm. Als daar de oogst eens wat tegenvalt is er direct een groot probleem. Wij zorgen dat iedereen die niet in de landbouw werkt toch meebetaalt aan onze boeren zodat de prijzen laag kunnen blijven, de concurrentie groot is en de armen arm blijven. Die subsidies staan wel ter discussie maar we weigeren er een eind aan te maken. De derde reden is onze invoerpolitiek. Rijst en graan, maar ook koffie en cacao zijn welkom als ze maar niet bewerkt zijn, dat geldt voor bijna alle grondstoffen uit de arme landen. Chocolade en gebrande koffie zijn niet welkom, daar rust een hoge invoerprijs op. Zodat wij kunnen blijven werken en de mensen die er van afhankelijk zijn arm blijven. En er dreigt zelfs een vierde reden bij te komen. Sommige producten uit de landbouw kunnen wij omvormen tot brandstof voor onze auto’s, biobrandstof noemen we dat. Je kunt die producten dan niet meer eten, en omdat wij ze zelf omvormen verdient er in de arme landen niemand wat aan.

Jezus van Nazareth gaf het voorbeeld hoe het anders kan. Het was even schrikken geweest na dat bericht over de stiekeme dood van neef Johannes, maar Jezus was zo populair dat de mensen hem achterna bleven gaan. En als mensen op stap gaan nemen ze als het even kan eten mee, een zakje brood, een visje, je ziet het bijna niet. Twaalf manden vol bleef er over, het leek de voedselbank wel die met overgebleven voedsel duizenden te eten geeft. Als je nu gewoon in groepen bij elkaar gaat zitten en alles deelt is er genoeg te eten, zoals Mozes in de woestijn al de mensen bij elkaar zette om met hun vertegenwoordigers te kunnen overleggen. Deden we dat gewoon op de hele wereld maar, dan hoefden we tijdens het diner niet meer op TV naar stervende kinderen te kijken. Dus maar bidden dus dat onze regering bij die onderhandelingen op de Wereld Handels Conferentie het been stijf houdt en blijft pleiten voor het afschaffen van landbouwsubsidies en het open gooien van onze markten voor producten uit arme landen. Vijf broden en twee vissen is genoeg om te delen en zuinig met brandstof kunnen we zelf alvast ook zijn.

Deze vraag bedroefde de koning

Matteüs 14:1-12

1 In die tijd hoorde ook Herodes, de tetrarch, over Jezus vertellen, 2 en hij zei tegen zijn hovelingen: ‘Dat moet Johannes de Doper zijn; hij is opgestaan uit de dood en daardoor beschikt hij over zulke wonderbaarlijke krachten.’ 3 Herodes had Johannes destijds laten arresteren en in de boeien laten slaan en hem in de gevangenis geworpen vanwege Herodias, de vrouw van zijn broer Filippus. 4 Johannes had namelijk tegen hem gezegd: ‘U mag haar niet tot vrouw nemen.’ 5 En hoewel hij hem wilde doden, deed hij dat niet uit vrees voor het volk, dat hem voor een profeet hield. 6 Toen Herodes een feest gaf ter gelegenheid van zijn verjaardag, danste de dochter van Herodias te midden van de aanwezigen, en dat viel bij Herodes in de smaak. 7 Daarom zei hij dat ze zou krijgen wat ze maar zou vragen, en hij bezegelde die belofte met een eed. 8 Door haar moeder daartoe aangezet zei ze: ‘Breng me dan op een schaal het hoofd van Johannes de Doper.’ 9 Deze vraag bedroefde de koning, maar omdat hij in het bijzijn van zijn tafelgasten een eed gezworen had, beval hij dat men het haar zou brengen, 10 en hij gaf opdracht Johannes in de gevangenis te onthoofden. 11 Het hoofd werd op een schaal binnengebracht en aan het meisje gegeven, en zij bracht het naar haar moeder. 12 Zijn leerlingen kwamen het lijk halen, begroeven het en gingen daarna naar Jezus om het hem te vertellen. (NBV)

Er zijn mensen die de Bijbel graag als geschiedenisboekje lezen. Alle namen, feiten en jaartallen moeten kloppen met wat de moderne geschiedeniswetenschap ons vertelt. Als het niet klopt dan pakken ze de schaar en de lijmpot en verknippen de Bijbelteksten en plakken ze opnieuw in andere volgorde net zolang tot het klopt met de moderne geschiedeniswetenschap. Soms houden ze dan stukjes tekst over, soms zelfs blijken Bijbelse figuren in de geschiedenisboekjes niet terug te vinden te zijn. Dan moeten ze er maar uit zeggen sommigen van die zogenaamde Bijbelwetenschappers. De Bijbel is namelijk helemaal geen geschiedenisboekje, de Bijbel is een geloofsboek waarin mensen hebben opgeschreven wat ze hadden meegemaakt en wat ze te weten waren gekomen van de God van Israël. Vaak hadden ze die God in heel moeilijke omstandigheden ontmoet en had die God hen bevrijdt van die moeilijke omstandigheden. Maar evenzo vaak had die God hen niet beschermd tegen de problemen, tegen onderdrukking en slavernij, tegen marteling en moord.

Vandaag lezen we een verhaal dat ook terug te vinden is in de geschiedenisboekjes. Tenminste de namen en de feiten komen ook terug in een geschiedenisboek. Niet alle namen uit het verhaal van vandaag. Het geschiedenisboek is van Flavius Josephus. Die had deelgenomen aan de grote Judeese opstand die uitgelopen was op de verwoesting van de Tempel. Daarna was hij in dienst gekomen van de Romeinse Keizer en ter verdediging van het optreden van de Judeeërs had hij zijn geschiedenis van Israël geschreven. Daar komt dit verhaal van Johannes de Doper in voor. Die Koning Herodes was dan wel koning van Judea, hij had zich zwaar vergrepen aan de Tora, de richtlijnen voor de menselijke samenleving. De scheiding van zijn eerste vrouw ging er nog mee door, hij had haar weggestuurd met een scheidingsbrief. Maar dan gaan hokken met de vrouw van je broer was toch wel zeer in strijd met wat er over geschreven stond in het boek Leviticus. Het was Herodes in Judea dan ook zeer kwalijk genomen. Johannes de Doper had zich rechtstreeks tot de Koning gewend en hem dit voorgehouden. Johannes was zeer populair geweest schrijft Flavius Josephus en was dus gevangen genomen en later ter dood gebracht.

In het verhaal van Flavius Josephus ontbreekt echter een Bijbelse figuur. Die Jezus van Nazareth. Die kon kennelijk hetzelfde aan wonderen doen als Johannes de Doper en was net zo populair. Dat vertelt het verhaal van Matteüs tenminste. Het verhaal van Matteüs gaat over Jezus van Nazareth, niet over Johannes de Doper en maar een klein beetje over Herodes. Geen woord over de hoofdpersoon van Matteüs bij Flavius Josephus. Volgens de Bijbelverhalen was Jezus van Nazareth een volgeling van Johannes de Doper geweest. Het optreden van Jezus begon nadat hij door Johannes gedoopt was. Het was Johannes die had opgeroepen om als je twee mantels had er een weg te geven aan iemand die er geen had. Nadat Johannes was vermoord door Herodes vluchtte Jezus naar Galilea. De aanhangers van Jezus van Nazareth volgden hem echter, ze lieten hem niet los ook niet in donkere tijden. Zo wordt de Bijbelse geschiedenis een ander soort geschiedenis. Hier gaat het niet om namen en feiten, maar om geloof. We hebben dan ook niet veel aan dat soort boekjes maar veel meer aan de boodschap van de Bijbel, heb je naaste lief als jezelf, daar mag je elke dag opnieuw mee beginnen.

Een lampenstandaard van zuiver goud

Exodus 25:31-40

31 Maak een lampenstandaard van zuiver goud. De voet, de schacht, de kelken, knoppen en bloemen moeten uit één stuk worden gedreven. 32 De schacht moet zes zijarmen hebben: drie aan de ene kant en drie aan de andere kant. 33  Deze armen moeten versierd worden met amandelbloesem; breng op elke arm drie kelken aan met een knop en bloemblaadjes, telkens op dezelfde manier. 34 Ook de schacht moet versierd worden met amandelbloesem: vier kelken, elk met een knop en bloemblaadjes. 35 Waar de armen uit de schacht komen, moeten eveneens knoppen worden aangebracht: één onder het eerste paar armen, één onder het tweede paar en één onder het derde paar. 36 De hele standaard, met de zes armen en de knoppen, moet uit één stuk zuiver goud gedreven worden. 37 Maak er zeven lampen voor en zet die er zo op dat het licht naar voren valt. 38 De snuiters en bakjes moeten ook van zuiver goud zijn. 39 Gebruik voor de lampenstandaard en voor de bijbehorende voorwerpen een talent zuiver goud. 40 Houd je bij het maken ervan aan het ontwerp dat je hier op de berg getoond is. (NBV)

Elke dag is er licht. Dat licht is geen godheid op zich. veel volken aanbaden de zon of de maan. Die moesten dan gesmeekt worden om na de nacht weer terug te komen. Het volk Israël geloofde dat hun God die zon en die maan had gemaakt en aan de hemel had gehangen. Die zon en die maan bleven daar. Ook de scheiding tussen licht en donker, tussen dag en nacht was door die God aangebracht. Je hoeft dat dus niet te aanbidden, je hoeft er dus ook niet bang voor te zijn. Het verhaal over het licht wordt nog eens verteld in de Tent der Ontmoeting. Eén kandelaar heeft de God koning van Israël nodig. Maar die ene kandelaar geeft voor de zeven dagen van de week licht.

De ene kandelaar die in de Tabernakel staat heeft vier knoppen in de vorm van amandelknoppen. Niet zo vreemd want de eerste bloem die bloeit in het voorjaar is de amandelboom. Die boom neemt dus een aparte plaats in. Op de eerste knoop wordt een licht geplaatst. Op de drie knopen daaronder steeds twee armen, links en rechts. Zo zou je de hele aarde kunnen verlichten maar dat is niet de bedoeling. We hebben immers een scheiding tussen licht en donker. Daarom moeten de olielampen op de kandelaar en de armen zo gericht zijn dat het licht naar één kant valt. Daarmee heeft de kandelaar een lichte en een donkere kant, zoals elke dag dat heeft. Als je nu zegt dat er een licht is voor elke dag dan steekt de zevende daar boven uit, dat is de kandelaar, de andere dagen zijn de armen.

Hoe die eerste kandelaar uit de Tabernakel er uiteindelijk heeft uitgezien weten we niet. Hoe hoog, hoe wijdt en of er een lampvoet onder zat het is ons onbekend. We weten wel dat het uiterlijk van de kandelaar in de loop van de eeuwen een ontwikkeling heeft doorgemaakt. De profeet Zacharia geeft een beschrijving die toch niet helemaal overeenkomt met de beschrijving die we hier lezen. Toen de Romeinen de oorlog met Israël hadden gewonnen en de Tempel verwoest was richtte keizer Titus een triomfboog op in Rome waarop een zevenarmige kandelaar staat. Maar ook die lijkt niet helemaal niet op die uit Genesis. Tegenwoordig zie je veel zevenarmige koperen kandelaars waarin kaarsen worden gezet. Ook die zijn dus anders. Maar die mogen ons doen herinneren dat God voor iedereen het licht laat schijnen en dat wij het bestaan van iedereen, vooral de armen en de minsten mogen verlichten. Elke dag opnieuw.

Allemaal van zuiver goud.

Exodus 25:23-30

23 Maak een tafel van acaciahout, twee el lang, één el breed en anderhalve el hoog. 24 Overtrek hem met zuiver goud en breng rondom een gouden sierlijst aan: 25 een rand van een hand breed, in een gouden lijst gevat. 26 Maak vier gouden ringen en bevestig ze aan de vier hoeken, bij de poten. 27 De ringen moeten vlak onder de rand zitten; ze zijn bestemd voor de draagbomen waarmee de tafel gedragen wordt. 28 De draagbomen voor de tafel moet je van acaciahout maken en je moet ze vergulden. 29 Maak ook de bijbehorende schotels, schalen en kannen, en kommen voor de wijnoffers, allemaal van zuiver goud. 30 Leg op de tafel het toonbrood; dat moet daar altijd voor mij liggen. (NBV)

Waar draait die ark met de Tora, de platen met de tien geboden als hart van de Tora nu om. Dat blijkt uit het kleine stukje dat we vandaag lezen. Het volk moet onder leiding van Mozes een tafel maken. Maar die tafel ziet er uit als de ark. Ook hier het acaciahout, ook hier wordt dat hout bekleed met goud, ook hier een gouden lijst, ook hier de vier ringen op de hoeken voor de tafel, ook hier de draagbomen zodat niemand de tafel hoeft aan te raken. De tafel wordt vervolgens gedekt zoals je voor een koning de tafel zou dekken. Schotels waar je van zou kunnen eten, schalen waarin je het eten zou kunnen opdienen, kommen waar je wijn uit zou kunnen schenken en uiteraard allemaal van goud.

Nu is het nog steeds niet vreemd dat je voor een koning de tafel bekleed met goud en er gouden voorwerpen op zet. In diverse musea zijn dergelijke serviezen voor koningshuizen uit Europa te zien. Ook bij staatsbanketten die door onze koning Willem Alexander worden gegeven spat de glans van kostbaarheden je tegemoet van de tafel. Maar er is één heel groot verschil. Vorstenhuizen en presidenten laten ook de meest kostbare spijzen serveren. Wild en kaviaar en dat wat de armen nooit zouden kunnen betalen. De tafel van de Godkoning van Israël kent wel het kostbare tafelgerei maar niet het kostbare voedsel. Op die tafel moet brood liggen. Nu moet je de God van Israël niet te eten willen geven, die God heeft alles geschapen, ook ons voedsel. Daarom wordt dat brood alleen getoond, de toonbroden dus die dagelijks vers worden opgediend.

Christenen kennen dat dagelijks brood. Ze bidden er om in het gebed dat ze van Jezus van Nazareth hebben geleerd: Geef ons heden ons dagelijks brood. Meer heeft God niet nodig, meer heeft de mens niet nodig. Als we ons zouden kunnen neerleggen bij het dagelijks brood dan zouden we iedereen te eten kunnen geven. In de verhalen uit het Evangelie wordt verteld dat Jezus van Nazareth dat ook laat zien. Hij heeft maar een handvol broden en een paar vissen nodig om een menigte mensen te eten te geven. Die kostbare gouden tafel, met al dat kostbare vaatwerk laat ons dus elke dag zien dat we helemaal niet naar de luxe maaltijden van koningen en presidenten hoeven te streven. Ons dagelijks brood is ons genoeg. Dan kunnen we de richtlijnen uit de ark volgen en wat we meer hebben dan dat brood delen met hen die helemaal niks meer hebben, zelfs hun dagelijks brood niet. Het is ook vandaag de dag meer dan nodig.

Een ark maken

Exodus 25:10-22

10 Laat van acaciahout een ark maken, een kist van tweeëneenhalve el lang, anderhalve el breed en anderhalve el hoog. 11 Overtrek die met zuiver goud, zowel vanbinnen als vanbuiten; aan de bovenkant moet je rondom een gouden sierlijst aanbrengen. 12 Giet vier gouden ringen en bevestig ze aan de vier poten: twee ringen aan elke kant van de ark. 13 Maak draagbomen van acaciahout, verguld ze 14 en steek ze door de ringen aan weerszijden; zo kan de ark gedragen worden. 15 De draagbomen moeten in de ringen blijven, ze mogen er niet uit gehaald worden. 16 In de ark moet je de verbondstekst leggen die ik je zal geven. 17 Je moet ook een verzoeningsplaat maken van zuiver goud, tweeëneenhalve el lang en anderhalve el breed. 18-19 Maak aan de beide uiteinden daarvan een cherub, eveneens van goud, één aan het ene uiteinde en één aan het andere uiteinde. Het moet drijfwerk zijn, de twee cherubs moeten één geheel met de plaat vormen. 20 Ze moeten tegenover elkaar staan, met het gezicht naar de verzoeningsplaat gekeerd, en hun vleugels moeten gespreid zijn zodat ze zich daar beschermend over uitstrekken. 21 Leg de verzoeningsplaat op de ark; leg de verbondstekst die ik je zal geven in de ark. 22 Daar zal ik je ontmoeten, en vanaf die plaats, boven de verzoeningsplaat, tussen de twee cherubs op de ark met de verbondstekst, zal ik met je spreken en je alles zeggen wat ik van de Israëlieten verlang. (NBV)

In het paleis voor de Godkoning hoort ook een troon te staan. Daar kan de koning zelf op plaatsnemen om recht te spreken. Maar in de Tabernakel, de tent der ontmoeting zal geen beeld van die God te zien zijn. In tegendeel, in het verbond dat God met zijn volk heeft gesloten staat dat het volk zeer uitdrukkelijk verboden wordt beelden te maken die dan als God kunnen worden aanbeden. De troon voor de Godkoning van Israël is een kist. Een kist van acaciahout, een ark genoemd. De ark is het symbool van redding van dood, Noach bouwde een ark om aan de zondvloed te kunnen ontkomen. Dat hout is uiteindelijk niet te zien want de ark moet aan alle kanten verguld worden. Aan elke hoek is een gouden ring. Daar kunnen vergulde acaciahouten draagstokken worden gestoken. Niemand hoeft dan de ark nog aan te raken.

Dat de ark de troon van de Godkoning van Israël blijkt uit de afwerking. De ark blijft niet leeg. In de ark moet de tekst van het verbond worden gelegd, volgens de overlevering de twee stenen platen die Mozes direct van God heeft gekregen en waarop de tekst van de tien centrale woorden staan geschreven. Daarnaast lig boven op de ark een gouden plaat. De verzoeningsplaat genoemd. Op die plaat staan twee cherubs. Wat dat precies zijn geweest is niet helemaal bekend. Ze hebben vleugels waarmee ze de ark beschermen. Ze staan tegenover elkaar, eerbiedig gebogen naar de ark. Zo kan de tekst van het verbond in de ark worden gelegd. Dat is de meest heilige plaats in de Tempel voor de God van Israël. Niemand hoeft zich af te vragen wat die God van zijn volk wil, dat staat in de tekst van het verbond. De koninklijke wil is niet willekeurig, hangt niet af van het humeur van de koning of de machtsstrijd aan het hof, maar die wil staat in de tekst van het verbond en daar moet iedereen zich aan houden.

Die koning mag dan wel niet willekeurig handelen dat ligt anders bij het volk. Het houden aan wetten en regels wordt tot gewoonten die je ook kan veranderen. Wie steekt niet eens over als het voetgangersverkeerslicht op rood staat. Er zijn altijd redenen om weten en regels de overtreden, nood breekt wet nietwaar. Dat wil niet zeggen dat het volk daarmee ook het verbond verbreekt. Het houden aan het verbond wordt het hart van het volk, daaraan ontleent het volk haar identiteit. Overtreding van de bepalingen van het verbond moeten dan ook hersteld worden, verzoening noemt de vertaling dat. Dat wordt de taak van de priesters. De weg door de woestijn vraagt ook om voortdurende herijking op het verbond. Daarom heet de Tabernakel ook de tent der ontmoeting. Boven de ark, de troon en tussen de bewakers, de cherubs, ontmoet Mozes God om te horen wat God wil. Wij leren er van dat ook wij de tekst van dat verbond serieus moeten nemen. Volgens Jezus is die tekst samen te vatten in het heb uw naaste lief als uzelf, zo heb je God lief boven alles. Ook vandaag dus.

Vraag de Israëlieten

Exodus 25:1-9

1 De HEER zei tegen Mozes: 2 ‘Vraag de Israëlieten mij geschenken te geven; neem van ieder die daartoe bereid is een bijdrage in ontvangst. 3 Je moet het volgende van hen vragen: goud, zilver en koper, 4 blauwpurperen, roodpurperen en karmozijnrode wol, fijn linnen garen en geitenhaar, 5 rood geverfde ramsvellen, vellen van zeekoeien, acaciahout,6 lampolie, geurige specerijen voor de zalfolie en voor de reukoffers, 7 onyxstenen voor de priesterschort en edelstenen voor de borsttas.8 De Israëlieten moeten een heiligdom voor mij maken, zodat ik te midden van hen kan wonen. 9 Ik zal je een ontwerp laten zien van de tabernakel en van alle voorwerpen die bij deze tent horen; houd je daar nauwkeurig aan. (NBV)

In het boek Exodus wordt benadrukt dat het volk dat door de woestijn trekt maar één koning kent. De God van Israël die met zijn sterke arm het volk uit het slavenhuis had bevrijd. Nu wordt hoorbaar en zichtbaar gemaakt dat die God inderdaad de koning is, de Godkoning zoals ook de andere koningen van de wereld zich graag als goden voordoen. Eerst is er een verbond gesloten tussen de Godkoning en zijn volk. Bij opgravingen zijn diverse voorbeelden gevonden van teksten van verbonden tussen een koning en zijn onderdanen. Teksten die voor wat de verplichtingen van het volk niet eens veel afwijken van de tekst van het verbond zoals dat in de hoofdstukken hiervoor wordt beschreven. Er is wel een groot verschil. De Godkoning van Israël beloofd het volk in vrijheid te houden. De koningen van de rest van de wereld vragen alleen gehoorzaamheid.

Maar een koning heeft een paleis. Daar is een grote zaal waar onderdanen problemen en geschillen kunnen voorleggen, hun belasting kunnen aanbieden en waar de koning dan rechtspreekt. Veel koningen bezwijken dan voor de verleiding om recht te spreken in het voordeel van de grootste belastingbetalers, de rijken. Ook de Godkoning van Israël verdient een dergelijk paleis. Omdat het volk nog door de woestijn trekt op weg naar het land dat de God van Israël hen heeft beloofd moet ook dat paleis verplaatsbaar zijn. Het is hier niet de koning die het volk beroofd om een zo mooi mogelijk paleis te bouwen maar het is het volk dat voor het ontmoeten van hun Godkoning een paleis bouwt. Hun Godkoning gaat immers alle verstand te boven en woont dus niet zelf in de Tent der Ontmoeting maar weet waar het volk hem zal willen ontmoeten.

In het gedeelte dat we vandaag lezen worden de materialen genoemd die horen bij een paleis van de Godkoning van het kaliber van de God van Israël. Dat paleis is tegelijk een heiligdom, bij Israël is de God koning geworden en niet de koning God geworden. De nadruk ligt dan ook op de godsdienst die in dat paleis centraal zal staan. Recht wordt er door de levieten gesproken, de hulpen van de priesters. In dat nieuwe land zullen die levieten in elke stad te vinden zijn. Zij zullen zich moeten baseren op de tekst van dat verbond. Maar ook op de verhalen die daarbij horen. Uiteindelijk zullen de eerste vijf boeken van wat wij de Bijbel zijn gaan noemen de basis gaan vormen voor de omgang tussen mensen en volken en voor de omgang van het volk met haar God. Als het volk een koning vraagt zoals de andere volken hebben dan is het eerste antwoord dat Israël al een koning heeft de God van Israël. Ook Christenen geloven dat die God uiteindelijk via zijn zoon alle macht in hemel en aarde heeft. De regel die wij daarbij mogen volgen is het liefhebben van onze naaste als onszelf, elke dag opnieuw.