Slechts met grote moeite

Matteüs 19:16-30

16 Nu kwam er iemand naar Jezus toe met de vraag: ‘Meester, wat voor goeds moet ik doen om het eeuwige leven te verwerven?’ 17 Hij antwoordde: ‘Waarom vraagt u Me naar het goede? Er is er maar één die goed is. Als u het leven wilt binnengaan, houd u dan aan zijn geboden.’ 18 ‘Welke?’ vroeg hij. ‘Deze,’ antwoordde Jezus, ‘pleeg geen moord, pleeg geen overspel, steel niet, leg geen vals getuigenis af, 19 toon eerbied voor uw vader en moeder, en ook: heb uw naaste lief als uzelf.’ 20 De jongeman zei: ‘Daar houd ik me aan. Wat kan ik nog meer doen?’ 21 Jezus antwoordde hem: ‘Als u volmaakt wilt zijn, ga dan naar huis, verkoop alles wat u bezit en geef de opbrengst aan de
armen; dan zult u een schat in de hemel bezitten. Kom daarna terug en volg Mij.’ 22 Na dit antwoord ging de jongeman terneergeslagen weg; hij had namelijk veel bezittingen. 23 Jezus wendde zich tot zijn leerlingen: ‘Ik verzeker jullie: slechts met grote moeite zal een rijke het koninkrijk van de hemel binnengaan. 24 Ik zeg het jullie nog eens: het is gemakkelijker voor een kameel om door het oog van een naald te gaan dan voor een rijke om het koninkrijk van God binnen te gaan.’ 25 Toen de leerlingen dit hoorden, waren ze hevig ontzet en vroegen: ‘Wie kan er dan nog gered worden?’ 26 Jezus keek hen aan en antwoordde hun: ‘Bij mensen is dat onmogelijk, maar bij God is alles mogelijk.’ 27 Daarop zei Petrus: ‘Maar wij hebben alles achtergelaten en zijn U gevolgd. Welk vooruitzicht hebben wij dan?’ 28 Jezus zei tegen hen: ‘Ik verzeker jullie: wanneer de tijd aanbreekt dat alles vernieuwd wordt, wanneer de Mensenzoon in majesteit zetelt op zijn troon, zullen ook jullie die Mij gevolgd zijn plaatsnemen op twaalf tronen en rechtspreken over de twaalf stammen van Israël. 29 En ieder die broers of zussen, vader, moeder of kinderen, akkers of huizen heeft achtergelaten omwille van mijn naam, zal het honderdvoudige ontvangen en deel krijgen aan het eeuwige leven. 30 Vele eersten zullen de laatsten zijn en vele laatsten de eersten. (NBV21)

Het zijn vaak keurige mensen. Ze liegen niet, ze stelen niet, ze geven aan collectes bij de deur, ze maken jaarlijks forse bedragen over aan liefdadigheidsinstellingen, dat kun je van de belasting aftrekken nietwaar, ze spreken altijd netjes, ze schelden niet, ze gebruiken geen geweld, hun vrije tijd besteden ze in een service club en in een enkel sociaal aanvaard maatschappelijk nuttig bestuur als vrijwilliger. En toch zijn ze bedroefd als ze zich verdiepen in de boodschap van Jezus van Nazareth. Ze volgen toch al die geboden? Zelfs dat gebod van heb Uw naaste lief als Uzelf. Maar soms willen mensen volmaakt zijn. Meer doen dan het gewone. Uitblinken in het goede. En dat vraagt iets wat eigenlijk niemand zomaar op kan brengen. Alles verkopen en verdelen onder de armen. Als je zelf bijna arm bent is dat niet zo moeilijk. Je krijgt er een hoop vrienden voor terug en als je in problemen komt is er vast iemand onder die jou wil helpen. Maar als je rijk bent is het een stuk moeilijker. Met die armen heb je niet zoveel gemeen. Die gaan niet uit, dat kunnen ze niet betalen, die lezen geen literatuur, daar hebben ze niet voor doorgeleerd, die luisteren niet naar klassieke muziek, daar zijn ze niet mee opgegroeid.

Wie volmaakt wil zijn streeft er naar gelijk aan God te worden, er is er immers maar één die goed is zoals door Jezus van Nazareth hier wordt opgemerkt. Werkelijk eerlijk delen is veel moeilijker dan het lijkt. Wij doen het niet. Wij durven de hypotheekrente aftrek niet zo te beperken dat iedereen evenveel steun om goed te wonen van de overheid kan krijgen. Wij durven loonstijgingen en bonussen niet zo te beperken dat niemand meer verdiend dan de Koning, niet bij de overheid maar al helemaal niet in het bedrijfsleven. Drogredenen als zouden de rijken naar het buitenland vluchten houden het tegen. Nee de rijken klagen over de lasten die van hen worden gevraagd Jongeren zullen bijna niet meer weten waar je het over hebt als je het over het oog van een naald hebt. Zoveel sokken worden er niet meer gestopt. Als bij ons iets stuk is, zeker als er een gat in een sok zit, gooien we het weg. Zelfs als de knopen van een overhemd springen dan gooien we die maar weg. Gelukkig zijn er af en toe allochtonen die nog weten hoe kleding gerepareerd moet worden. Zij beginnen dan een kledingreparatiewinkel waar je een opengesprongen broeknaad of een ander lekker zittend kledingstuk kunt laten repareren. De naald uit het verhaal van Jezus van Jezus van Nazareth, dat Matteüs hier verteld, zou trouwens een klein poortje geweest zijn. Klein om er voor te zorgen dat er geen grote lastdieren doorheen konden. Zo konden roversbenden de stad niet in en moesten belastingplichtige handelaren de grote en bewaakte poort nemen.

Ook bij ons staan de rijken vooraan. Hier wordt nog steeds meer uitgegeven aan de aftrek van hypotheekrente dan aan huursubsidie en is wel de beperking van de aftrek van hypotheekrente onbespreekbaar maar niet een vermindering van de huursubsidie. Zelfs als het gaat om verdeling van een belastingheffing, waarbij de sterkste schouders de zwaarste lasten dragen, gaan mensen met de laagste inkomens in koopkracht er op achteruit en de mensen met de hoogste inkomens er op vooruit. In het Koninkrijk van God komen de armsten op de eerste plaats. Sommigen vinden het in ons land dan ook tijd worden voor een echt Christelijk beleid. Een beleid waar iedereen meetelt en niet alleen de rijken. Het CNV had er al voor gewaarschuwd dat mensen met een bescheiden inkomen mee zouden moeten betalen aan het veilig stellen van de toekomst voor de rijken. Het FNV stapt eindelijk af van het vragen van een procentuele loonsverhoging die de verschillen opdrijft, iedereen een zelfde verhoging houdt de verschillen gelijk . Het wordt dus tijd meer mensen er van te overtuigen dat een politiek dat het Koninkrijk van God dichterbij brengt begint met eerlijk delen tussen arm en rijk, anders blijven we steken voor het oog van de naald.

 

Tachtig jaar rust.

Rechters 3:12-31

12 Weer deden de Israëlieten wat slecht is in de ogen van de HEER. Daarom gaf de HEER koning Eglon van Moab macht over Israël. 13 Eglon wist de Ammonieten en de Amalekieten op zijn hand te krijgen, en in een gezamenlijke aanval versloegen ze Israël en maakten zich meester van de Palmstad. 14 Achttien jaar moesten de Israëlieten koning Eglon van Moab dienen. 15 Toen riepen ze de HEER te hulp, en de HEER zond iemand om hen te bevrijden: Ehud, de zoon van Gera uit de stam Benjamin, een linkshandige. Deze Ehud ging namens de Israëlieten schatting afdragen aan koning Eglon. 16 Maar eerst liet hij zich een kort tweesnijdend zwaard maken dat hij onder zijn kleding verborg, op zijn rechterheup. 17 Nadat hij de schatting aan de vadsig dikke koning Eglon had aangeboden, 18 deed hij zijn dragers uitgeleide, 19 maar zelf maakte hij bij de stenen beelden bij Gilgal rechtsomkeert. Hij liet zich bij de koning aandienen met de mededeling dat hij een geheime boodschap voor hem had. Op een wenk van de koning lieten alle aanwezigen hem alleen. 20 Ehud ging naar de koning, die zich had teruggetrokken in de koelte van zijn bovenvertrek, en zei: ‘Ik heb voor u een boodschap van God.’ Toen de koning opstond van zijn troon, 21 trok Ehud met zijn linkerhand het zwaard van zijn rechterheup en stak het in Eglons buik. 22 Het zwaard drong met gevest en al naar binnen. De vetkwabben sloten zich om de kling-want Ehud trok het zwaard niet terug-en de hele inhoud van zijn darmen liep eruit. 23 Ehud vluchtte via de galerij, nadat hij de deuren van het vertrek vergrendeld had. 24 Hij was nog niet weg of de dienaren van de koning kwamen aangelopen. Ze merkten dat de deuren van het bovenvertrek waren vergrendeld en zeiden tegen elkaar: ‘Hij heeft zich zeker afgezonderd om zijn behoefte te doen.’ 25 Ze wachtten een hele tijd, maar de deuren van het vertrek werden niet geopend. Ten slotte haalden ze een sleutel en openden de deur van buitenaf-en daar lag hun heer, dood op de grond. 26 Ehud had van hun getalm gebruik gemaakt om te ontsnappen. Hij passeerde de stenen beelden en ontkwam naar Seïra. 27 Bij zijn aankomst in het bergland van Efraïm blies hij op de ramshoorn. Onder zijn aanvoering kwamen de Israëlieten uit de bergen. 28 Hij zei tegen hen: ‘Volg mij, want de HEER heeft uw vijanden, de Moabieten, aan u uitgeleverd.’ Ze volgden hem en bezetten de oversteekplaatsen in de Jordaan, zodat er geen Moabiet meer langs kon. 29 De Israëlieten versloegen ongeveer tienduizend Moabieten. Hoewel het stuk voor stuk stevige, strijdbare mannen waren, ontkwam er niet een. 30 Moab moest die dag buigen voor Israël, en het land had tachtig jaar rust. 31 Na Ehud kwam Samgar, de zoon van Anat. Hij doodde zeshonderd Filistijnen met een ossenprik. Zo bevrijdde ook hij Israël. (NBV21)

Bij Othniël, de rechter waarover we gisteren lazen, was het nog 40 jaar vrede en rust, maar bij de volgende rechter die wordt genoemd, Ehud, was het succes al twee maal zo lang. Nu zou je denken dat die Ehud toch wel een geweldenaar zou moeten zijn. Een legeraanvoerder met strategisch inzicht. Een sterke atleet die zijn manschappen in de strijd zou kunnen voorgaan. Niets is minder waar. Dat soort mannetjesputters is niet het soort waar Bijbelverhalen op vertrouwen. Ehud was een gehandicapte. Het blijft jammer dat vertalers geen namen vertalen, zoals vroeger in Indianenboeken wel gebeurde. Ehud is iemand die gehandicapt is aan zijn rechterhand, de zoon van Handige Rechterarm.

Hij leert echter zijn linkerarm gebruiken en dat werkt. Als je kijkt of iemand een zwaard bij zich heeft dan kijk je links, daar hangt een zwaard voor Handige Rechterarm, maar voor Kreupele Rechterhand, diens zoon, hangt het zwaard rechts en dat blijft onopgemerkt. Zo wordt de wrede vadsig dikke koning doodgestoken, en zo staat er in de oorspronkelijke tekst, hij kon in de stront zakken. Zoiets vertalen onze keurige Bijbelvertalers niet. Jammer want een verhaal als dit maakt dat gehandicapten bemoedigd worden in opstand te komen tegen hun onderdrukkers. Wij kijken immers ook vaak naar gehandicapten en benoemen dan wat ze niet kunnen. Maar ten onrechte, iemand die niet kan lopen kan vaak wel in een rolstoel zich verplaatsen, iemand die blind is, kan heel goed horen en zo kun je een hele lange lijst maken.

In onze democratie hoeven gehandicapten misschien niet direct met geweld tegen de samenleving op te staan. Zeer veel gehandicapten betalen forse bedragen aan eigen risico in de gezondheidszorg. Het maximum is dan nog maar het begin. Regelmatig komt het voor dat de dokter medicijnen voorschrijft waarvoor je ook nog apart een eigen bijdrage moet betalen. Het wettelijk maximum voor gehandicapten en chronisch zieken wordt daardoor veel groter. Alsof je als gehandicapte of chronisch zieke iets anders kan doen aan de vermindering van die kosten dan dood te gaan. Het idee is dat mensen moeten door krijgen wat hun zorg kost. Maar waarom als je er niets aan kunt veranderen? Het wordt tijd het Malieveld vol te zetten met rolstoelers, die geholpen worden door blinden, doven, hartpatiënten en iedereen die chronisch ziek of gehandicapt is.

 

Veertig jaar had het land rust.

Rechters 3:1-11

1-2 Om de Israëlieten die de strijd tegen de Kanaänieten niet hadden meegemaakt te leren hoe het er in de oorlog aan toe gaat (dus alleen om de nieuwe generaties die nog geen ervaring met de strijd hadden opgedaan daarmee vertrouwd te maken), had de HEER de volgende volken in het land laten blijven: 2 3 de Filistijnen in hun vijf vorstendommen en verder de Kanaänieten, de Sidoniërs en de Chiwwieten die in het Libanongebergte leefden, vanaf de Baäl-Hermon tot aan Lebo-Hamat. 4 Deze volken waren overgebleven om de Israëlieten op de proef te stellen, opdat de HEER te weten zou komen of zij de geboden zouden gehoorzamen die Hij hun voorouders bij monde van Mozes had opgelegd. 5 Maar toen de Israëlieten eenmaal tussen de volken van Kanaän woonden, tussen de Hethieten, Amorieten, Perizzieten, Chiwwieten en Jebusieten, 6 namen ze hun dochters tot vrouw en gaven ze hun eigen dochters aan de zonen van die volken, en dienden hun goden. 7 De Israëlieten deden wat slecht is in de ogen van de HEER: ze vergaten de HEER, hun God, en dienden de Baäls en de Asjera’s. 8 De HEER werd woedend op de Israëlieten en leverde ze uit aan Kusan-Risataïm, de koning van Aram-Naharaïm; acht jaar moesten ze hem dienen. 9 De Israëlieten riepen de HEER te hulp, en de HEER zond iemand om hen te bevrijden: Otniël, een zoon van Kalebs jongere broer Kenaz. 10 Gedreven door de geest van de HEER leidde hij Israël als rechter. Hij trok ten strijde, en de HEER leverde koning Kusan-Risataïm van Aram aan hem uit, zodat hij hem een zware nederlaag kon toebrengen. 11 Veertig jaar had het land rust. Toen stierf Otniël. (NBV21)

Het waren van die keurige mensen, de bewoners van dat nieuwe land. Ze hadden steden, en koningen zelfs. Ze bewerkten hun land en hadden nette gezinnen, met mooie dochters. Daar wil je toch bijhoren nietwaar? Je vader en moeder hadden net als je grootouders nog door de woestijn gezworven, en daarvoor waren je voorouders slaven geweest in Egypte. Nou daar kon je beter niet te veel over praten. Dan ga je er immers nooit bij horen, dan raak je nooit thuis in je nieuwe land. Mooie goden hadden ze ook in dat nieuwe land, met tempels en beelden en fraaie riten. Die goden hoorden bij het land, voor elke streek hadden ze een aparte god, en soms voor elk jaargetijde zelfs ook. En machtig dat die goden zouden zijn, zonder die goden zou het graan niet groeien en zou het niet gaan regenen. Dat land vloeide over van melk en honing, daar hadden die goden vast voor gezorgd. Zelf hadden ze ook wel een God maar daar was geen beeld van, en een tempel was er ook al niet, ja een mooie tent.

Maar in die tent stond een kist, met een kandelaar en een tafel met brood. In die kist zouden twee stenen platen liggen met daarop een eenvoudige wet, van niet doden, niet stelen, niet liegen en van je naaste houden als van jezelf. Daar was niks aan. Riten hadden ze ook al niet, je moest wel offeren maar dat was voor de priesters of je moest gelijk een hele maaltijd houden, met je knechten, armen en vreemdelingen. Nee, het volk Israël ontworstelde zich aan haar verleden als woestijnvolk en raakte thuis in het land van overvloed. Net als wij thuis zijn in het land van overvloed, waar keurige pakken, fraaie auto’s, mooie huizen en bovenal een perfect uiterlijk het meest belangrijke zijn. Dat je kleren gemaakt zijn door zeer jonge, maar zeer arme kinderen is jouw zaak toch niet, daar kun je niks aan veranderen. Dat je met die auto kostbare aardolie op maakt en mensen verleidt zichzelf en elkaar dood te rijden is jouw zaak niet, je vrijheid mag best wat kosten. Dat je huis energie slurpt zodat er voor je kleinkinderen al niks meer over zal zijn zal je worst zijn. Moeten ze ook maar iets uitvinden.

Dat je het eigenlijk niet kunt betalen maakt ook al niet uit, overal kun je lenen en wanneer de schulden worden afbetaald zien we later dan wel weer. We zijn sedert het verhaal uit het boek Rechters nog niks veranderd. Het is nogal wat als je geen regering hebt en geen koning en toch rust. Niemand die regeert, geen regering en geen parlement. Bij Israël was daar wel een rechter voor nodig, iemand die voortdurend de mensen bij de Wet van de Woestijn hield. Er waren er al een aantal geweest maar de eerste die bij name genoemd wordt is Othniël, nog familie van Kaleb die samen met Jozua het land, overvloeiende van melk en honing, had verkend en enthousiast was teruggekeerd. Nu waren ze onder de heerschappij gekomen van een van de koningen die een stad regeerden in Kanaän. Geweld in de Bijbel is bijna altijd tegengeweld, als er geen andere uitweg is om de zwakken tegen geweld te beschermen. Zo zou het ook in onze dagen moeten gaan. Daarom hebben we de Verenigde Naties opgericht en het handvest van de Verenigde Naties geeft aan wanneer dat tegengeweld om de zwaksten te beschermen gerechtvaardigd kan zijn. De leden van de Veiligheidsraad kunnen daar dan samen toe besluiten. Maar soms vindt een land zich zo goed dat het zelf wel uitmaakt wat gerechtvaardigd is. De Bijbel spreekt er ook hier in het boek Rechters anders over.

 

Onder het juk van onderdrukkers

Rechters 2:6-23

6 Toen Jozua de volksvergadering had ontbonden, waren de Israëlieten eropuit getrokken om het land in bezit te nemen, elke stam het gebied dat hun was toegewezen. 7 Zolang Jozua leefde, had het volk de HEER gediend. Ook na zijn dood waren ze de HEER blijven dienen zolang er oudsten waren die met eigen ogen hadden gezien welke machtige daden de HEER voor Israël had verricht. 8 Jozua, de zoon van Nun, de dienaar van de HEER, was gestorven toen hij honderdtien jaar oud was. 9 Hij was begraven in het gebied dat hem was toegewezen: in Timnat-Cheres in het bergland van Efraïm, ten noorden van de Gaäs. 10 Toen ook zijn generatiegenoten met hun voorouders waren verenigd, kwam er een volgende generatie, die niet vertrouwd was met de HEER en wat Hij voor Israël had gedaan. 11 De Israëlieten begonnen te doen wat slecht is in de ogen van de HEER: ze gingen de Baäls dienen. 12 Ze keerden de HEER de rug toe, de God van hun voorouders, die hen uit Egypte had geleid, en begonnen achter andere goden aan te lopen die werden vereerd door de volken waartussen ze woonden. Door voor die vreemde goden neer te knielen krenkten ze de HEER. 13 Ze keerden Hem de rug toe om Baäl en de Astartes te dienen. 14 Toen ontstak de HEER in woede tegen de Israëlieten. Hij leverde hen uit aan roversbenden en aan de hen omringende vijanden, zodat ze daartegen geen stand meer hielden. 15 Telkens als ze iets tegen hun vijanden ondernamen, keerde de HEER zich tegen hen, zoals Hij hun gezegd en gezworen had. Steeds weer kregen de Israëlieten het zwaar te verduren. 16 Dan liet de HEER een rechter optreden om het volk te leiden en het te bevrijden van de roversbenden. 17 Maar ook naar hun rechters luisterden ze niet; ze gaven zich af met andere goden en bogen zich voor hen neer. Binnen de kortste keren dwaalden ze weer af van de weg die hun voorouders waren gegaan: die hadden de geboden van de HEER gehoorzaamd, maar zij niet. 18 Steeds wanneer de HEER een rechter liet optreden, stond Hij die bij. Want wanneer het volk zuchtte onder het juk van onderdrukkers, kreeg de HEER medelijden en verloste Hij hen van hun vijanden zolang die rechter leefde. 19 Maar wanneer de rechter dan stierf, verviel het volk van kwaad tot erger. Meer nog dan de generatie voor hen liepen ze achter andere goden aan om die te dienen en bogen ze zich voor hen neer. Ze weigerden hardnekkig hun kwalijke praktijken op te geven. 20 De HEER ontstak in woede tegen Israël en zei: ‘Dit volk overtreedt de regels van het verbond die Ik hun voorouders heb opgelegd en het luistert niet naar Mij. 21 Ik zal daarom geen enkel volk meer verdrijven dat nog in het land woonde toen Jozua stierf.’ 22-23 De HEER had die volken namelijk in het land laten blijven en ze niet onmiddellijk verdreven omdat Hij de Israëlieten op de proef wilde stellen. Hij had ze niet aan Jozua uitgeleverd, omdat Hij wilde zien of de Israëlieten zich net als hun voorouders zouden houden aan de weg die Hij hun had gewezen of niet. (NBV21)

Na de Tweede Wereldoorlog wisten de mensen het zeker, net als na de Eerste Wereldoorlog. Er zou nooit meer oorlog komen. En na de Tweede Wereldoorlog werd ook besloten dat er nooit meer een dictator of een dictatoriale regering de kans zou krijgen om grote groepen inwoners af te slachten zoals dat in de Tweede Wereldoorlog was gebeurd. En vluchtelingen die om wat voor redenen dan ook werden vervolgd zouden niet meer teruggestuurd of geweigerd worden zoals voor de Tweede Wereldoorlog gebeurde, maar zouden moeten worden opgevangen en beschermd. De mensen die de Tweede Wereldoorlog hadden meegemaakt hebben het lang volgehouden hun idealen uit te dragen en te verwezenlijken. Maar net als bij het volk Israël gaat met het verstrijken der jaren de herinnering verloren. En dan komen er andere goden dan de God van Liefde en Bevrijding die de aandacht van de mensen opeisen. De “goden van goud en beloften” noemde Huub Oosterhuis ze eens. De god van de olie is tegenwoordig erg belangrijk, net als de god van het eigen gelijk. En vergeet niet de god van het fundamentalisme, die eigen godsdienst stelt boven de mensen in plaats van ten dienste van mensen.

Er worden weer oorlogen gevoerd zonder de Verenigde Naties, er zijn weer groepen mensen afgeslacht om wie ze waren. Homoseksuelen worden weer opgehangen. Vluchtelingen worden geweigerd en teruggestuurd naar landen met onderdrukking en vervolging. En politici in Nederland zetten de ene bevolkingsgroep tegen de andere op. We weten wel dat het allemaal verkeerd zal aflopen, dat wie haat zaait ook haat zal oogsten. We weten ook wel dat we ons weer aan de wetten van liefde en gerechtigheid zouden moeten houden, maar we zijn vergeten wat we er voor moeten doen. In elk geval klinkt in deze passage uit het boek Rechters een waarschuwing die we in onze zak mogen steken. Altijd als het mis gaat met de samenleving, of mis dreigt te gaan, zijn er steeds weer opnieuw mensen die de goede weg wijzen. Die uitleggen wat de Wet van de Woestijn in een concrete situatie inhoudt en hoe die toegepast moet worden. Die Wet werd ooit door het volk Israel ontdekt in de Sinaï woestijn en het hart van die wet is dat je je naaste lief moet hebben als jezelf. Het volk Israel kreeg in het beloofde land, waar dit boek Rechters over gaat, Rechters, of met een oud woord Richteren.

Niet dat dat nu veel hielp, even ja, maar als de rust weer was hersteld, of de roversbenden waren verdreven, verviel men weer in de oude kwalen. Een paar jaar geleden is er zo’n richter uit onze tijd vermoord. Broeder Roger Schutz uit Taizé. Hij stichtte een broederschap dwars over grenzen van kerken en landen heen in een tijd dat de volken van Europa tegen elkaar te hoop liepen en er verschrikkelijke dingen met mensen gebeurden. Hij wees de weg in de richting van verzoening, en hij wees de weg aan jonge mensen hoe in een nieuwe na oorlogse samenleving ook werkelijk samen geleefd kon worden. De hulp aan de armsten in de wereld speelde daarbij een zeer belangrijke rol. In het gedeelte dat we vandaag hebben gelezen staat dat er steeds weer nieuwe Rechters kwamen, kennelijk gaat dat tot in onze dagen door. Dat geeft hoop en zet ons wellicht ook vandaag nog in beweging in de richting van het rijk waarin iedereen meetelt. Per slot van rekening mogen we er elke dag telkens opnieuw mee beginnen, de weg te volgen van de Wet van Liefde en Rechtvaardigheid, ook vandaag mag dat weer.

Gejammer

Rechters 1:22–2:5

22 Ook de nakomelingen van Jozef rukten op, naar Betel, en de HEER stond hen bij. 23 Ze stuurden verkenners naar Betel, dat vroeger Luz heette. 24 Toen de verkenners een man uit de stad zagen komen, zeiden ze tegen hem: ‘Als u ons wijst hoe we in de stad kunnen komen, zullen wij u goed behandelen.’ 25 De man wees hun hoe ze de stad konden binnenkomen. Ze doodden alle inwoners, maar lieten de man met heel zijn familie in leven. 26 Hij trok naar het land van de Hethieten. Daar bouwde hij een stad die hij Luz noemde, en die zo heet tot op de dag van vandaag. 27 De stam Manasse heeft zich niet meester gemaakt van Bet-San en Taänach en de omliggende dorpen. Ze verdreven ook de inwoners van Dor, Jibleam en Megiddo en de omliggende dorpen niet; in dit gebied handhaafden de Kanaänieten zich. 28 Toen de Israëlieten sterker werden, legden ze de Kanaänieten herendienst op, maar ze verdreven hen niet. 29 De stam Efraïm heeft de inwoners van Gezer niet verdreven; de Kanaänieten daar bleven in hun midden wonen. 30 De stam Zebulon heeft de inwoners van Kitron en Nahalol niet verdreven; de Kanaänieten bleven in hun midden wonen en werden gedwongen tot herendienst. 31 De stam Aser heeft de inwoners van Akko en Sidon niet verdreven en Achlab, Achzib, Chelba, Afek en Rechob niet veroverd; 32 de Aserieten vestigden zich te midden van de Kanaänieten die er woonden en verdreven hen niet. 33 De stam Naftali heeft de inwoners van Bet-Semes en Bet-Anat niet verdreven; ze vestigden zich te midden van de Kanaänieten die er woonden en dwongen hen tot herendienst. 34 De stam Dan werd door de Amorieten teruggedrongen tot in het bergland en kreeg geen kans naar de laagvlakte af te dalen. 35 De Amorieten handhaafden zich in Har-Cheres, Ajjalon en Saälbim, maar toen de nakomelingen van Jozef sterker werden, dwongen zij hen tot herendienst. 36 Het gebied van de Amorieten reikte tot aan de Schorpioenenpas, tot aan Sela en verder. 1 De engel van de HEER kwam uit Gilgal naar Bochim. Daar zei Hij: ‘Ik heb jullie uit Egypte geleid naar het land dat Ik jullie voorouders onder ede had beloofd. Ik heb gezegd dat Ik mijn verbond met jullie nooit zou verbreken. 2 Maar jullie mochten geen verdragen sluiten met de inwoners van dit land en hun altaren moesten jullie afbreken. Maar jullie hebben niet geluisterd naar wat Ik heb gezegd. Hoe hebben jullie dat kunnen doen? 3 Ik heb jullie toch gewaarschuwd dat Ik de inwoners van dit land niet voor jullie zou verdrijven, en dat zij jullie in hun netten zouden verstrikken en hun goden jullie ondergang zouden worden?’ 4 Toen de engel van de HEER deze woorden tot de Israëlieten had gesproken, barstte het volk in gejammer uit. 5 Ze noemden die plaats Bochim en brachten er offers aan de HEER. (NBV21)

De deling van het land Palestina zal nog wel even in het nieuws blijven, er wordt per slot van rekening al sinds 1948 om gevochten. En dan is het goed eens terug te lezen hoe het ook al weer ging, dat delen van het land toen het volk Israël er binnentrok en er ook al Palestijnen woonden. Nu is de Bijbel geen geschiedenisboek, net zomin als het een natuurkundeboek, of een biologieboek, of een aardrijkskundeboek is. De verhalen die in de Bijbel staan gaan over de toepassing van de Wet van de Woestijn, het hart van de Joodse religie die volgens het verhaal van het volk Israël in de Sinaï woestijn was ontdekt. Die Wet heeft als hart de boodschap: “Je moet God liefhebben boven alles en het tweede daaraan gelijk is je naaste liefhebben als jezelf”. Is dat dan terug te vinden bij de manier waarop dat volk uit de woestijn bezit nam van het beloofde land? Lees zelf maar.

In de eerste plaats is er dus geen sprake van een koning of generaal, zelfs nog niet van een Rechter of Richter. Niemand is er baas en niemand oefent macht uit om te laten gebeuren wat men wil laten gebeuren. Er zijn bestaande volken en de stammen van Israël die hun plek willen innemen. Soms verzetten mensen zich, die willen de rijkdom niet delen, die mensen worden bevochten. Zo is er een man uit de plaats die men “huis van brood” noemt, Beth-El in de Statenvertaling, Betel in de Nieuwe Bijbel Vertaling. Die man hielp de nakomelingen van Jozef. Jacob had volgens het verhaal op zijn vlucht naar zijn oom Laban de steen waarop hij had geslapen met olie gezalfd en de naam Betel gegeven. De dorpsgenoten van de man erkenden dat niet, die dorpsgenoten werden dus verslagen en de man en zijn familie werden gespaard. Hij vluchtte wel naar het buitenland staat er dan.

Maar van veel stammen en volken staat er dat ze gingen samenwonen. Soms moesten mensen nog wel tot hulp worden gedwongen maar veel vechten hoefde eigenlijk niet. Samenwonen van verschillende volken kan dus wel. Het zal niet gemakkelijk gaan, er ontstaan voortdurend spanningen, maar als je werkelijk samen wil delen dan moet het gaan zegt dit verhaal ons. Het volk Israël liet ook de vreemde goden bestaan in het land waarin ze gingen wonen, en dat zouden ze weten ook. Wij maakten supermarkten waar je vrij in en uit kon lopen, en dus zonder betalen van alles mee kon nemen. Winkeldiefstal was dus een van de eerste grootstedelijke problemen waar we tegen aanliepen. Vervolgens moesten er poortjes komen en labels en mensen die met beveiliging zijn belast. We blijven de illusie handhaven van een open winkel met goederen die voor het grijpen liggen maar doen er alles aan om de goederen ongrijpbaar te maken.

We maakten onze auto’s zo snel dat ze sneller konden rijden dan eigenlijk mocht, en dus gingen er mensen dood aan snelheidsovertreders. Dus komen er nu snelheidsbegrenzers op de markt en blaaspijpjes die de motor blokkeren als je teveel hebt gedronken. Voor bromfietsen worden zelfs opvoersets verkocht, en dus gaan er kinderen dood aan bromfietsongelukken en moeten jongeren helmen op en rijbewijzen halen. We schijnen ongebondenheid te vaak te verwarren met vrijheid. Als iedereen nu maar alles mag dan wordt iedereen gelukkig. Het heeft heel lang geduurd voordat Paulus opschreef dat alles weliswaar geoorloofd is maar niet alles goed is voor een mens. De maat van de liefde voor mensen, en zeker de liefde voor zwakke mensen is nog steeds niet onze richtlijn. Maar wellicht zijn onze voedselbanken de altaren van deze tijd waarop de welvaartsmaatschappij offers brengt aan de God van liefde, zoals het volk Israël ook ging offeren toen ze was gewaarschuwd. Dat offeren van Israël was immers delen met armen en vreemdelingen in een maaltijd.

 

Zij wonen er tot op de dag van vandaag samen

Rechters 1:1-21

1 Na de dood van Jozua raadpleegden de Israëlieten de HEER: ‘Wie van ons moet als eerste de strijd aanbinden met de Kanaänieten?’ 2 De HEER antwoordde: ‘Juda moet als eerste oprukken; hun geef Ik het land in handen.’ 3 Toen zeiden de Judeeërs tegen de stam Simeon, hun broeders: ‘Trek met ons op naar het grondgebied dat ons door het lot is toegewezen en bind samen met ons de strijd aan tegen de Kanaänieten. Daarna zullen wij op onze beurt met u meegaan naar het grondgebied dat u door het lot is toegewezen.’ Hierop ging Simeon met hen mee. 4 Juda rukte op, en de HEER leverde de Kanaänieten en Perizzieten aan hen uit; bij Bezek versloegen ze er tienduizend. 5 Ze kwamen daar tegenover Adonibezek te staan, bonden de strijd met hem aan en versloegen de Kanaänieten en Perizzieten. 6 Adonibezek sloeg op de vlucht, maar na een achtervolging kregen ze hem te pakken en hakten hem zijn duimen en zijn grote tenen af. 7 Adonibezek riep uit: ‘Ik heb aan mijn hof wel zeventig koningen van wie ik de duimen en grote tenen heb afgehakt en die zich in leven houden met de kruimels onder mijn tafel. God vergeldt mij nu wat ik hun heb aangedaan!’ Hij werd naar Jeruzalem gebracht, en daar is hij gestorven. 8 De Judeeërs deden een aanval op Jeruzalem en veroverden de stad. Ze doodden alle inwoners en lieten de stad in vlammen opgaan. 9 Toen trokken ze verder om de strijd aan te binden tegen de Kanaänieten die in het bergland woonden, in de Negev en in het heuvelland. 10 Eerst vielen ze de Kanaänieten in Hebron aan, dat toen nog Kirjat-Arba heette. Daar versloegen ze Sesai, Achiman en Talmai. 11 Vervolgens trokken ze op tegen Debir, dat toen nog Kirjat-Sefer heette. 12 Kaleb beloofde: ‘Wie Kirjat-Sefer verovert zal ik mijn dochter Achsa tot vrouw geven.’ 13 Otniël, een zoon van Kalebs jongere broer Kenaz, veroverde de stad en kreeg Achsa tot vrouw. 14 Bij haar aankomst spoorde Achsa hem aan om aan haar vader een stuk vruchtbaar land te vragen. Toen ze van haar ezel was afgestegen, vroeg Kaleb haar wat ze verlangde. 15 ‘Geef me toch een geschenk waar ik wat aan heb,’ antwoordde ze. ‘U hebt me dit dorre stuk land gegeven, geef me dan ook bronnen.’ Hierop gaf Kaleb haar zowel de hoog- als de laaggelegen bronnen. 16 Vanuit de Palmstad waren met de Judeeërs ook de Kenieten, stamgenoten van de schoonvader van Mozes, opgetrokken naar het zuidelijke deel van de woestijn van Juda. Zij vestigden zich te midden van de bewoners van het gebied rond Arad. 17 Samen met de stam Simeon versloegen de Judeeërs vervolgens de Kanaänieten in Sefat en vernietigden de stad. Sindsdien heet die stad Chorma. 18 Ook veroverden de Judeeërs het hele gebied van Gaza, het hele gebied van Askelon en het hele gebied van Ekron. 19 Met de hulp van de HEER maakte Juda zich meester van het bergland, maar het lukte niet om de bewoners van de laagvlakte te verdrijven, want die beschikten over ijzeren strijdwagens. 20 Hebron werd, overeenkomstig de woorden van Mozes, toegewezen aan Kaleb, die de drie zonen van Enak uit de
stad verdreef. 21 Maar de Jebusieten in Jeruzalem werden door de stam Benjamin niet verdreven; zij wonen er tot op de dag van vandaag samen met de Benjaminieten. (NBV21)

We beginnen vandaag te lezen in het  boek Rechters. We beginnen bij het begin. Onder leiding van Jozua is het volk Israël het land binnengetrokken en heeft men het land veroverd en nog net onder leiding van Jozua verdeeld onder de stammen en de families van Israël. Het dagelijks leesrooster van het Nederlands Bijbelgenootscchap, dat we van dag tot dag volgen in de nieuwe Bijbelvertaling is al lang geleden vastgesteld. Toch valt op dat de actualiteit steeds terug te vinden is in het te lezen bijbelgedeelte. Gaat het nieuws over de Gazastrook, vandaag lezen we over de verovering van Gaza, en het land Israel. In het Bijbelboek dat in de nieuwe vertaling Rechters heet, vroeger heette dat voor Protestanten, Richteren. Dominee Ousoren, die de Naardense Bijbelvertaling heeft verzorgd, noemt het boek nog steeds Richteren. En de Naardense Bijbel is wel een heel letterlijke vertaling van de oorspronkelijke Hebreeuwse en Griekse teksten.

Rechters geeft het misschien toch wel goed weer. De richtlijnen voor de menselijke samenleving moesten worden toegepast in het land overvloeiende van melk en honing en iemand moet bij geschillen over de uitleg van de spelregels dan recht spreken. In de Engelse vertalingen heet dit boek dan ook Judges en dat betekent Rechters. Maar Richter geeft het ook goed aan, naast het gericht dat wordt geveld, een oude manier van zeggen dat er een vonnis is, zit er ook het woord richting geven in. Welke richting gaat het volk in. In dit eerste stuk gaat het over het delen van het land. De oorspronkelijke bewoners willen het niet delen, er is genoeg rijkdom, ook voor dat volk uit de woestijn kwam, maar delen is er niet bij.

Alleen de Jebusieten zijn bereid hun stad Jeruzalem te delen en dat wordt dan ook door de stam van de Benjaminieten aanvaard. Delen van het land speelt er vandaag ook nog een rol. Al in 1948 hebben de Verenigde Naties besloten het land Palestina te verdelen tussen de Joden en de Palestijnen, Nederland gaf bij de stemming nog de doorslag. De Palestijnen wilden dat niet, het was immers hun land en die Joden kwamen er alleen maar omdat ze in Europa bijna allemaal vermoord waren. Beide partijen hebben zich decenia geleden mopperend neergelegd bij de deling van het gebied maar voeren dat nog steeds niet uit, integendeel. Na al die jaren ook voor ons tijd om die stem van toen werkelijkheid te doen geven, en te zorgen dat ook de Palestijnen nu een eerlijke kans op een onafhankelijk land krijgen. Met werk, een bestuur en een rechtvaardige plaats onder de volken. Israël kan immers alleen in vrede leven als het bereid is vrede te sluiten met de Palestijnen. Anders gaat het net als in dit Bijbelhoofdstuk en blijft het oorlog.

Niet uit geldingsdrang of eigenwaan

Filippenzen 1:27-2:11

27 Hier gaat het om: blijf leven in overeenstemming met het evangelie van Christus, zodat ik kan zien als ik bij u kom, of als ik niet kom over u kan horen, dat u één van geest bent en eensgezind strijdt voor het geloof in het evangelie. 28 Laat u op geen enkele manier door uw tegenstanders angst aanjagen, want als u standvastig blijft, is dat een teken van God: voor hen dat ze ten onder gaan, voor u dat u wordt gered. 29 Aan u is de genade geschonken niet alleen in Christus te geloven, maar ook omwille van Hem te lijden. 30 U voert dezelfde strijd die u mij vroeger hebt zien voeren en die ik, zoals u hoort, nog steeds voer. 1 Nu u door Christus zozeer bemoedigd wordt en liefdevol getroost, nu er onder u zo’n grote verbondenheid met de Geest is, zoveel hartelijk medeleven, 2 maak mij dan volmaakt gelukkig door eensgezind te zijn, één in liefde, één in streven, één van geest. 3 Handel niet uit geldingsdrang of eigenwaan, maar acht in alle nederigheid de ander belangrijker dan uzelf. 4 Heb niet alleen uw eigen belangen voor ogen, maar ook die van de ander. 5 Laat onder u de gezindheid heersen die Christus Jezus had. 6 Hij, die de gestalte van God had, maakte er geen aanspraak op aan God gelijk te zijn, 7 maar deed afstand van zijn positie en nam de gestalte aan van een dienaar. Hij werd gelijk aan de mensen, en als mens verschenen 8 heeft Hij zich vernederd en werd gehoorzaam tot in de dood-de dood aan het kruis. 9 Daarom heeft God Hem hoog verheven en Hem de naam geschonken die elke naam te boven gaat, 10 opdat in de naam van Jezus elke knie zich zal buigen, in de hemel, op de aarde en onder de aarde, 11 en elke tong zal belijden: ‘Jezus Christus is Heer,’ tot eer van God, de Vader. (NBV21)

Paulus wordt lyrisch als hij het over de nieuwe manier van leven van de mensen van de Weg heeft. Hij gaat er zelfs van zingen. Samen strijd je voor het geloof in een nieuwe samenleving. Voor de mensen in Filippi was dat een samenleving waarin elk leven telde, waarin elk mens mocht meedoen. Waar er geen onderscheid meer was tussen slaven en vrijen. Dat was al zo volstrekt revolutionair dat slavenhouders en slavenhandelaren er tegen in geweer kwamen. En soms ook slaven zelf, want goede slaven hadden soms ook een goed leven en werden door hun heer beschermd. Zelf verantwoordelijkheid op je nemen is dan beangstigend. Maar in de gemeente van Christus gaat het daar nu juist om. Daar ben je de hoeder van elke broeder en zuster, daar is altijd de ander belangrijker dan je zelf. Voor veel mensen is de aandacht en de liefde die men krijgt binnen een gemeente, de warmte die er tussen mensen hoort te heersen, weldadig. Zeker als je in een samenleving leeft waar onverschilligheid naar elkaar de boventoon voert.

De Geest van Jezus van Nazareth is dat je zelfs in een drukke menigte nog de blinde bedelaar langs de kant van de weg ziet zitten en je hand weet uit te steken. Paulus doet een hartstochtelijk beroep op de gemeente in Filippi om samen op die manier te gaan leven. Niet om er zelf belangrijker of beter van te worden, maar omdat het leven voor alle mensen er beter van wordt.Dan wordt het zingen. En de beelden die Paulus hier kiest, misschien heeft hij het lied zelf geschreven, vindt je ook terug bij de profeet Jesaja als die schrijft over de lijdende knecht des Heren. Jezus van Nazareth stierf de dood van een Romeinse slaaf die in opstand was gekomen. Een uiterst pijnlijke en langzame marteldood. Maar de manier waarop Jezus van Nazareth die dood heeft ondergaan was zo hoog verheven boven alles wat mensen hadden opgebracht dat het goddelijk werd.

Toen Jezus van Nazareth gevangen werd liet hij zijn volgelingen hun zwaarden opbergen, hij ging geen enkele strijd aan met zijn rechters. Hij onderging zijn martelingen zwijgend. Hij gaf aandacht en zorg aan misdadigers die met hem werden gekruisigd. En hij zorgde zelfs voor de verzorging van zijn moeder die dit alles moest aanzien. Hij bad om vergeving voor hen die hem kruisigden. Zo had God gewild dat onder alle omstandigheden de mens de naaste liefheeft als zichzelf. Als dat kan in die kruisiging dan moeten wij het zeker onder onze omstandigheden kunnen volhouden. Ook al verklaard de wereld ons voor gek en worden we op alle manieren uitgedaagd eerst voor onszelf te zorgen. Door mee te zingen met Paulus over de knecht van God die de slavendood aan het kruis onderging terwijl hij de mensen lief bleef hebben worden we ons bewust hoezeer wij mensen lief kunnen hebben. En liefhebben kunnen we elke dag, ook vandaag weer.

 

In alle openheid spreken

Filippenzen 1:12-26

12 U moet weten, broeders en zusters, dat wat mij is overkomen er juist toe bijdraagt dat het evangelie wordt verspreid. 13 Het is iedereen in het Romeinse hoofdkwartier en alle anderen duidelijk geworden dat ik gevangenzit omwille van Christus. 14 Bovendien durven de meeste broeders en zusters, omdat ze door mijn gevangenschap vertrouwen in de Heer hebben gekregen, de boodschap nu nog onbevreesder te verkondigen. 15 Sommigen doen dat weliswaar uit afgunst en rivaliteit, maar anderen verkondigen Christus met goede bedoelingen. 16 Zij doen het uit liefde, in het besef dat ik de taak heb het evangelie te verdedigen. 17 De eersten daarentegen verkondigen Christus uit geldingsdrang, met onzuivere bedoelingen, in de veronderstelling dat ze zo mijn gevangenschap verzwaren. 18 Maar wat dan nog! Wat telt is dat Christus verkondigd wordt. Of het nu uit valse of oprechte motieven gebeurt-dát het gebeurt verheugt me. En mijn vreugde is blijvend, 19 omdat ik weet dat dit alles door uw gebed en de hulp van de Geest van Jezus Christus tot mijn redding leidt. 20 Het is mijn stellige hoop en verwachting dat ik mij nergens voor zal hoeven te schamen. Integendeel, ik zal net als altijd in alle openheid spreken, zodat Christus ook bij alles wat ik nu meemaak zal worden geëerd, of ik nu in leven blijf of moet sterven. 21 Want voor mij is leven Christus en sterven winst. 22 Als ik blijf leven, kan ik vruchtbaar werk doen, maar toch weet ik niet wat ik zou kiezen. 23 Ik word naar twee kanten getrokken: enerzijds verlang ik ernaar te sterven en bij Christus te zijn, want dat is het allerbeste; 24 anderzijds is het meer in uw belang dat ik blijf leven. 25 Omdat ik hiervan overtuigd ben, weet ik dat ik inderdaad voor u behouden zal blijven, zodat uw geloof groter en vreugdevoller wordt. 26 Wanneer ik bij u terugkeer, hebt u des te meer reden om u op Christus Jezus te beroemen. (NBV21)

Geleerden nemen aan dat Paulus de brief aan de gemeente in Filippi heeft geschreven toen hij gevangen zat in Efeze. Daar werd hij met de dood bedreigd en zou hij uiteindelijk maar op het nippertje kunnen ontsnappen. Maar zelfs tijdens de gevangenschap blijkt Paulus te zorgen voor zijn metgezellen. Uit Filippi had men Epafroditus gestuurd om Paulus te helpen. Maar die werd behoorlijk ziek en kon het werk niet volhouden. Paulus stuurde hem terug met de brief waaruit we ook vandaag lezen. In het gedeelte van vandaag gaat het met name over de invloed die de dood op ons heeft. Paulus toont eigenlijk aan dat de dood helemaal geen invloed hoeft te hebben op ons handelen. Hij zit gevangen maar heeft iedereen in het gerechtsgebouw, Romeinse hoofdkwartier wordt hier vertaald, er van overtuigd dat hij een boodschap heeft te verspreiden die alle mensen ten goede komt. Maar als het iemand als Paulus, een vreemdeling in Efeze, lukt om zelfs het Romeinse hof onder indruk te brengen, dan kan dat Evangelie kennelijk ongestoord verkondigd worden. Dat doen zijn volgelingen dan ook.

En weer steekt de eigenwaan de kop op. In elke gemeenschap zijn er mensen die zichzelf geweldig belangrijk vinden. Die vinden dat zij degenen zijn die met kop en schouders boven iedereen moeten uitsteken. Overal ontmoet Paulus mensen die hem maar als zwak en onbeduidend afschilderen. Nu kun je, in de positie van Paulus, met zulke mensen in de strijd gaan en Paulus waarschuwt in verschillende brieven uitgebreid voor zulke lieden, maar als ze het goede doen dan zijn ze welkom. Ook al vertegenwoordigt iemand het kwade, met kwade motieven, dan nog is men welkom als men het goede doet. Dat is een boodschap die ook in onze dagen wel eens vaker gehoord mag worden. Als we het hebben over de regel die Jezus van Nazareth ons gegeven heeft dat we een ander niet moeten aandoen wat wij niet willen dat ons aangedaan wordt dan is dat niet exclusief alleen iets voor mensen die geloven in Jezus van Nazareth als bevrijder van het kwade in deze wereld.

In elke godsdienst komen we dezelfde regel tegen en samen met mensen van allerlei verschillende godsdiensten kun je dus het goede doen voor de armen en de minsten in deze wereld, zonder je eigen dienst aan de God van Israël op te geven. Voor Paulus is de oorlog om de verkondiging dus al bij voorbaat gewonnen, als de boodschap maar verkondigd wordt. Hetzelfde geld voor de angst voor de dood. Als je sterft kom je bij Jezus van Nazareth gelooft Paulus, als je leeft kun je aan zijn koninkrijk werken. Beide is winst. En dat mag ook voor ons gelden. Elke dag opnieuw mogen we weer gaan werken aan dat Koninkrijk, hoezeer we dat de dagen er voor ook hebben verwaarloosd. Ook vandaag mogen we daar weer aan werken door het goede te doen en niet dan het goede.

 

Heiligen

Filippenzen 1:1-11

1 Van Paulus en Timoteüs, dienaren van Christus Jezus. Aan alle heiligen in Filippi, die één zijn met Christus Jezus, en aan de leiders en dienaren van de gemeente. 2 Genade zij u en vrede van God, onze Vader, en van de Heer Jezus Christus. 3 Ik dank mijn God altijd wanneer ik aan u denk, 4 telkens wanneer ik voor u allen bid. Dat doe ik vol vreugde, 5 omdat u vanaf de eerste dag tot nu toe hebt bijgedragen aan de verspreiding van het evangelie. 6 Ik ben ervan overtuigd dat Hij die dit goede werk bij u begonnen is, het ook zal voortzetten tot het voltooid is op de dag van Christus Jezus. 7 Het spreekt vanzelf dat ik zo over u denk, want u allen ligt me na aan het hart. U hebt immers allen deel aan de genade die mij geschonken is nu ik gevangenzit en de waarheid van het evangelie verdedig. 8 God kan getuigen dat ik naar u allen verlang met de genegenheid van Christus Jezus. 9 Ik bid dat uw liefde steeds meer aan inzicht en fijnzinnigheid wint,10 zodat u kunt onderscheiden waar het op aankomt. Dan zult u op de dag van Christus zuiver en onberispelijk zijn, 11 vol van de vruchten van de gerechtigheid, die u dankt aan Jezus Christus, tot lof en eer van God. (NBV21)

Vandaag beginnen we weer te lezen in de brief van Paulus aan de gemeente in Filippi. Paulus had een goede band met deze gemeente, dat blijkt ook wel uit het gedeelte dat we vandaag lezen. Filippi was een stad gesticht door de Romeinen. Het was een legerplaats maar het was ook de woonplaats van voorname Romeinen die door de keizer verbannen waren omdat ze tegenstanders van de keizer waren. Een Romeinse legerplaats betekende ook een gemeenschap die sterk leunde op slavenarbeid en die haar cultuur aan de inwoners van het omringende land dwingend oplegde. In die plaats was een gemeente ontstaan van mensen die de steun voor hun leven vonden in de Joodse Leer, met name in het heb Uw naaste lief als Uzelf. Binnen hun gemeenschap was het onderscheid tussen slaven en vrijen, mannen en vrouwen, Grieken,. Romeinen en Joden, ouderen en jongeren, weggevallen. Ze rekenden er op dat er een wereld zou komen waarin geen dood meer zou zijn en alle tranen gewist zouden worden. Aan die gemeente schreef Paulus deze brief en hij begint met te schrijven dat hij elke dag voor hen bid.

Nu kun je elke zondag in elke kerk nog steeds de voorbeden voor mensen ver weg en dichtbij horen. Waarom bidden we eigenlijk in de kerk voor mensen die we niet kennen. Van Paulus kunnen we leren dat bidden ook een middel is om je liefde voor de ander te laten groeien. Bij de voorbeden in de kerk moet je je afvragen wat je zou willen voor die mensen waarvoor je voorbede doet. Je komt er dan achter dat er veel zaken zijn waar je zelf aan kunt bijdragen. Voedsel voor de hongerigen, onderdak voor de daklozen, een veilige plek voor vervolgden en vluchtelingen en vrede in je eigen huis. Maar ook steun en aandacht voor hen die een geliefde verloren. Steun en aandacht voor hen die iemand het gevaar in sturen om onze veiligheid of de veiligheid van anderen te verzekeren. Bidden is dus niet zozeer omhoog kijken naar een God die het allemaal voor elkaar zou moeten boksen, maar is om je heen kijken of je de naaste die je zou moeten liefhebben als jezelf niet vergeet.

Daarom durft Paulus er ook zo uitgebreid over te schrijven. Op deze manier wordt zijn gebed een voorbeeld voor de gemeente in Filippi. En dat voorbeeld wordt nu wij het lezen een voorbeeld voor ons. Want die voorbede hoeft natuurlijk niet alleen in de kerken gedaan worden. Daar kunnen we oefenen. Daar kunnen voorgangers niet alleen voorgaan in gebed maar het ons ook voordoen. Zodat we leren thuis elke dag ons af te vragen wie we extra zouden moeten liefhebben om Jezus van Nazareth na te volgen in zijn zorg en aandacht voor de zwaksten en de minsten onder ons. Dan kunnen wij ook groeien in de liefde. Elke dag weer een beetje groeien, ook vandaag weer, als we naast het bidden ook het werken weten op te brengen.

 

Zonder vrees.

Psalm 112

1 Halleluja! Gelukkig de mens die ontzag heeft voor de HEER en grote liefde voor zijn geboden. 2 Zijn nageslacht geniet aanzien in het hele land, de oprechten worden gezegend. 3 Rijkdom en weelde bewonen zijn huis, en zijn rechtvaardigheid houdt stand, voor altijd. 4 Hij straalt voor de oprechten als licht in het duister, genadig, liefdevol en rechtvaardig. 5 Goed gaat het wie genadig is en vrijgevig, wie zijn zaken eerlijk behartigt. 6 De rechtvaardige komt nooit ten val, men zal hem eeuwig gedenken. 7 Voor slechte tijding vreest hij niet, zijn hart is gerust: hij vertrouwt op de HEER. 8 Standvastig is zijn hart en zonder vrees. Aan het eind ziet hij zijn vijanden verslagen. 9 Gul deelt hij uit aan de armen, zijn rechtvaardigheid houdt stand, voor altijd, hij zal stijgen in aanzien en eer. 10 Kwaadwilligen zien het met ergernis aan, ze verbijten zich en verliezen de moed, al hun plannen gaan op in rook. (NBV21)

Vandaag zingen we een vrolijk lied mee met de Kerk van alle tijden. Een echt Joods lied dat zich leent om gezongen te worden bij feestdagen. Dit soort liederen leent zich ook uitstekend voor een optocht van mensen die samen naar een doel op weg zijn. En dat doel zou er vandaag, zo aan het eind van de zomer, ook bij ons kunnen zijn. We vieren immers dat we een goede oogst hebben gehad en de vakbonden leggen hun looneisen op tafel omdat de winsten weer stijgen. Tijd om te delen met hen die achterblijven.

Het volk Israël kende drie zogenaamde pelgrimsfeesten. Dan moest het volk optrekken naar Jeruzalem om daar met de familie, de knechten en dienstmeiden, de slaven en slavinnen, de armen uit het dorp en de vreemdelingen die bij hen woonden en de levieten bij de Tempel een maaltijd houden. De drie feesten waren het Pesachfeest als de gerst oogst was binnengehaald, het Wekenfeest, wanneer de tarweoogst werd binnengehaald en het Loofhuttenfeest als de rest van de oogst was binnen gehaald. Die Pelgrimsreis kennen we van Jezus van Nazareth als hij gezeten op een ezel naar het Pesachfeest in Jeruzalem ging.

De menigte zwaaiden met palmtakken en zongen onder meer deze Psalm. Het Wekenfeest kennen wij als Pinksteren, vijftig dagen na Pasen. En als het Pinksterverhaal wordt gelezen dan klinken de namen van al die landen van waaruit mensen naar Jeruzalem waren getrokken om dit feest te vieren, ieder hoorde het verhaal in de eigen taal. Vandaag zingen we dus met de Pelgrims mee en mogen we ons voorbereiden op het laatste en grootste feest. Hoewel van Jezus heel uitdrukkelijk wordt vcrteld dat hij het loofhuttenfeest vierde heeft dat feest de christelijke kalender niet gehaald. Maar wij hebben Prinsjesdag, ook dan gaat het om delen. Dan gaat het om vrede, het afzien van de herbewapening, welkom heten aan vreemdelingen en zorgen voor de minsten, de zwaksten in de samenleving.