Wee de wereld

Matteüs 17:24–18:9

24 Toen ze in Kafarnaüm waren aangekomen, kwamen de inners van de tempelbelasting bij Petrus en vroegen: ‘Draagt uw meester de dubbeldrachme niet af?’ 25 Hij antwoordde: ‘Zeker wel!’ Toen hij thuiskwam, was Jezus hem voor met de vraag: ‘Wat denk je, Simon: van wie innen de heersers op aarde tol of belasting? Van hun eigen kinderen of van anderen?’ 26 Op zijn antwoord: ‘Van anderen,’ zei Jezus tegen hem: ‘Dan zijn de kinderen dus vrijgesteld. 27 Maar laten we hen niet voor het hoofd stoten; ga naar het meer, werp een vishaak uit en pak de vis die je het eerst bovenhaalt. Als je zijn bek opent, zul je een vierdrachmenstuk vinden. Betaal hen daarmee voor ons allebei.’ 1 Op dat moment kwamen de leerlingen Jezus vragen: ‘Wie is eigenlijk de grootste in het koninkrijk van de hemel?’ 2 Hij riep een kind bij zich, zette het in hun midden neer 3 en zei: ‘Ik verzeker jullie: als je niet verandert en wordt als een kind, dan zul je het koninkrijk van de hemel zeker niet binnengaan. 4 Wie zichzelf vernedert en wordt als dit kind, die is de grootste in het koninkrijk van de hemel. 5 En wie in mijn naam één zo’n kind ontvangt, die ontvangt Mij. 6 Maar wie een van de geringe mensen die in Mij geloven ten val brengt, die kan maar beter met een molensteen om zijn nek in zee geworpen worden en in de diepte verdrinken. 7 Wee de wereld met haar valstrikken. Want dat er valstrikken zijn is onvermijdelijk, maar wee de mens die de valstrik zet! 8 En als je hand of je voet je ten val brengt, hak hem dan af en werp hem weg: je kunt beter verminkt of kreupel het leven binnengaan dan in het bezit van twee handen of twee voeten in het eeuwige vuur geworpen worden. 9 Brengt je oog je ten val, ruk het dan uit en werp het weg: je kunt beter met één oog het leven binnengaan dan in het bezit van twee ogen in het vuur van de Gehenna geworpen worden. (NBV21)

Er zijn mensen in Groningen die al jaren angstig naar bed gaan omdat hun huis onveilig is verklaard en met een eerstvolgende aardbeving kan instorten. Maar toen een verantwoordelijk politicus werd gevraagd wat hij nu het ergste vond antwoordde hij dat het ergste van al die Groningse problemen was dat de dividendbelasting niet was afgeschaft. Rijken en machtigen die alleen om rijken en machtigen geven zijn ook nu dichtbij. De kans dat zij gaan meedoen aan het Koninkrijk van God is wel zeer klein zegt Jezus van Nazareth. Belastingen komen, zo leren we uit bovenstaand Bijbelverhaal, uit de arbeid van gewone mensen. Simon, bijgenaamd Petrus, was visser, dus moest hij vissen toen de vraag kwam of ze wel belasting. De idealisten die de wereld echt willen verbeteren worden nog al eens naïef genoemd. En ook nu gaat de strijd bij ons tussen miljarden voordeel voor de rijken of korten of de kosten van zieken en werklozen.

Jezus illustreert dat met een verhaal over dagloners. Alle dagloners waren belangrijk voor het binnenhalen van de oogst. Alle dagloners hadden hetzelfde loon nodig om de dag met hun gezin door te komen. Alle dagloners kregen dan ook hetzelfde loon. Bij ons gaat de discussie over de prijzen in de supermarkt. Die zijn voor iedereen evenveel gestegen krijgt dan ook iedereen eenzelfde compensatie? Nee natuurlijk niet. Iedereen krijgt een percentage van het loon en dat percentage bij een laag loon levert een lager bedrag op dan hetzelfde percentage bij een hoog loon. Zij die al rijk zijn worden dus nog rijker. Maar verzet je er niet tegen. Een beetje kinderlijk en wereldvreemd krijg je te horen. Alles achter je laten, compleet de mening van de omgeving daar te laten en je volledig richten op wat de minsten nodig hebben is nog niet zo gemakkelijk. Jezus gaat fel over te keer over het onrecht en de hypocretie in zijn dagen.

Geen softe woorden om der lieve vrede wil nee afhakken en weggooien is het oordeel over die delen van de samenleving die onderdrukken en uitbuiten. Dat klinkt hard. Als je bij ons zulke harde woorden over anderen zegt wordt je van alle kanten op de vingers getikt. Zulke harde oordelen zouden onchristelijk zijn. Maar de Christus bij uitstek, Jezus van Nazareth, scheldt te pas en te onpas zijn tegenstanders uit. Of maar duidelijk mag worden waar je staat, waar het fout gaat. In dit verhaal gaat het om mensen die kinderen van het geloof afhouden. Wie zou dat tegenwoordig nog willen? In Kampen worden kinderen beschermd tegen uitzending naar een voor hen vreemd land, die kinderen dreigen niet te worden uitgezet, maar gedeporteerd, ze zijn nooit in dat land geweest. Wie daar de schuld van heeft doet niet ter zake. Dat is ook waar Jezus hier op doelt. Stel de zorg voor die kinderen voorop, zij kunnen zichzelf niet voorop zetten. In Kampen kunnen we dat laten zien, ga er eens langs.

Gebrek aan geloof.

Matteüs 17:14-23

14 Toen ze zich weer bij de mensenmassa voegden, kwam er iemand naar Hem toe die voor Hem op zijn knieën viel 15 en zei: ‘Heer, heb medelijden met mijn zoon, want hij is maanziek en lijdt daar erg onder; hij valt dikwijls in het vuur of in het water. 16 Ik heb hem bij uw leerlingen gebracht, maar zij konden hem niet genezen.’ 17 Jezus antwoordde: ‘Wat zijn jullie toch een ongelovig en dwars volk, hoe lang moet Ik nog bij jullie blijven? Hoe lang moet Ik jullie nog verdragen? Breng hem bij Me.’ 18 Daarop sprak Jezus de demon streng toe. Deze ging uit de jongen weg, en vanaf dat moment was hij genezen. 19 Toen de leerlingen met Jezus alleen waren, vroegen ze Hem: ‘Waarom konden wij die geest niet uitdrijven?’ 20 Hij antwoordde: ‘Vanwege jullie gebrek aan geloof. Ik verzeker jullie: als jullie geloof hebben als een mosterdzaadje, dan zeg je tegen die berg: “Verplaats je van hier naar daar!” en dan zal hij zich verplaatsen. Niets zal voor jullie onmogelijk zijn.’ 21 22 Toen ze bij elkaar waren in Galilea, zei Jezus tegen hen: ‘De Mensenzoon zal uitgeleverd worden aan de mensen. 23 Die zullen Hem doden, maar op de derde dag zal Hij uit de dood worden opgewekt.’ Dit maakte hen zeer bedroefd. (NBV21)

We geloven het nog steeds niet. Als je maar een klein piezeltje geloof hebt kun je een berg verzetten. Niet dat je nu letterlijk bergen moet willen verzetten, zelfs van Jezus van Nazareth wordt nergens verteld dat die tegen een berg zei : “Stort je in zee”, waarop mensen sindsdien kunnen aanwijzen waar die berg zich in zee heeft gestort. Maar zodra mensen zich gaan inzetten om de wereld een klein beetje beter te maken krijg je dat ongeloof te horen: Het lukt je toch niet. De kruisraketten waren hard nodig, die zouden er echt wel komen. Geloof in de mogelijkheid van vrede tussen mensen was niet mogelijk en dat propageren was onvruchtbaar. Het geloof van een elektricien in Polen en vele Nederlanders die ondanks alles vriendschap sloten met mensen in Oost Duitsland heeft uiteindelijk de geschiedenis veranderd. De industrie zou ook niet milieuvriendelijk te krijgen zijn. Er was er ooit één die met Greenpeace begon, en de drijfgassen uit koelkasten en spuitbussen zijn verdwenen en heel langzaam herstelt de ozonlaag zich, iets te langzaam overigens.

Ook de apartheid in Zuid Afrika zou nooit op een vreedzame wijze kunnen worden afgeschaft. Tegen demonstranten voor Nederlandse banken, die demonstreerden tegen een investeringsbeleid dat de apartheid ondersteunde, werd gezegd dat ze oorlog stonden uit te lokken. Maar toen kerken hun investeringen gingen terugtrekken en gelovigen hun bankrekeningen opzegden, automobilisten de Shell pompen voorbij reden, en Nelson Mandela hardnekkig een onvoorwaardelijke vreedzame overgang naar democratie bleef nastreven ging het onaantastbare apartheidsregiem aan het wankelen en kunnen we het nu opzoeken in geschiedenisboekjes. Natuurlijk gaat het verdrijven van die demonen niet van de ene op de andere dag. Iedereen die met moeilijke jongeren werkt zal dat weten. Maar ook het helpen van ontspoorde jongeren of jongeren die dreigen te ontsporen is meer dan de moeite waard. Steeds weer geldt dat iedereen bij de samenleving mag horen, en dat iedereen bij een samenleving kan gaan horen als liefde voorop staat.

Hangjongeren uit een winkelcentrum weren brengt voor dat winkelcentrum misschien rust, maar er wordt niets mee opgelost. Waarom geven de winkeliers en de gemeente de jongeren die er rondhangen geen werk? Waarom gaan de ouderen uit die Utrechtse wijk samen met de wijkagent niet met die jongeren in gesprek om hen duidelijk te maken hoe bedreigend ze overkomen en hoe schadelijk dat voor die jongeren zelf kan zijn? We sluiten tegenwoordig liever mensen buiten onze samenleving dan dat we moeite doen om mensen op te nemen. De gevolgen zijn soms zeer ernstig. Voortdurend roepen dat de Islam een gevaar is voor onze heersende cultuur maakt dat jonge mensen die intens die godsdienst beleven, extremisten en fanatici vindt je bij elke overtuiging, zich zo buiten de samenleving gesteld voelen dat ze met hun gezinnen willen emigreren naar landen waar hun radicale vorm van geloven de bovenliggende religie dreigt te worden. Toch is maar weinig nodig om de wereld een beetje beter te maken, ga met elkaar in gesprek, neem elkaar serieus en blijf met elkaar in gesprek. Thee is een sterker wapen dan traangas. Maar het moet van veel mensen komen. Doe mee dus, vandaag kan het weer.

 

Verscheur de sluiers

Ezechiël 13:17-23

17 Mensenkind, richt je nu op de vrouwen van het volk die op eigen gezag profeteren, en klaag hen aan. 18 Zeg: “Dit zegt God, de HEER: Wee de vrouwen die toverbanden naaien voor ieders polsen en sluiers maken voor de hoofden van groot en klein, om zo de zielen van de mensen te vangen! Jullie willen mijn volk in je netten vangen en zelf in leven blijven? 19 Jullie hebben mijn naam ten overstaan van het volk ontwijd voor een handvol gerst en wat hompen brood. Jullie laten mensen sterven die niet moeten sterven, en houden mensen in leven die niet in leven mogen blijven. Jullie hebben mijn volk voorgelogen en het heeft naar je leugens geluisterd. 20 Daarom-zegt God, de HEER -verscheur Ik de banden waarmee jullie de mensen als vogels vangen; Ik scheur ze van je armen af en laat de mensen vrij die in je netten verstrikt zijn geraakt. 21 Ik verscheur de sluiers en ontruk mijn volk aan jullie macht; het zal je niet meer ten prooi zijn. Dan zullen jullie beseffen dat Ik de HEER ben. 22 Jullie jagen met je leugens rechtvaardigen angst aan terwijl Ik tegen hen geen kwaad in de zin heb, en jullie moedigen goddelozen aan en verhinderen dat zij tot inkeer komen en zo hun leven redden. 23 Daarom zullen jullie geen bedrieglijke visioenen meer hebben en geen voorspellingen meer doen. Ik zal mijn volk aan jullie greep ontrukken, en dan zullen jullie beseffen dat Ik de HEER ben.”’ (NBV21)

We spreken graag over profeten alsof het alleen maar mannen geweest zijn. Dat is natuurlijk onzin. Natuurlijk zijn er meer mannen geweest die er in geslaagd zijn vrouwen voor zich te laten werken zodat ze de tijd kregen moeilijke boeken te schrijven maar de Bijbel spreekt zeer zeker ook over vrouwelijke profeten, profetessen dus. Er waren zelfs valse profetessen die net zo moesten worden bestreden als hun mannelijke collegae. Ezechiël moest er speciaal tegen optreden. Gingen de mannen te keer over de samenleving, hoe mooi, veilig en rechtvaardig die wel niet was, de vrouwen gaven individuele bescherming. Sluiers beschermden je tegen de invloeden van kwade geesten en toverbanden om je polsen en over je handen voorkwamen dat je iets kwaads zou aanraken. Met die onzin en flauwekul worden ook vandaag nog mensen voor de gek gehouden, we kunnen er niet hard genoeg voor waarschuwen, geloof ze niet de kruidenmengers en water amulettenmaaksters.

Het verbod op tovenarij, door mannen zowel als vrouwen, is ook in Israël al heel oud. Het hoort bij de afgoderij die telkens weer in allerlei religies opduikt, maar krijgt in de Bijbel toch een aparte plaats. De machten en krachten die er ongezien zouden kunnen zijn kunnen nooit op tegen de God van Israël en andere beschermingen dan het volgen van het verbond met de God van Israël heb je niet nodig. Als je andere bescherming zoekt dan zeg je eigenlijk dat je de God van Israël niet helemaal vertrouwd. Het geld en de energie die je besteed aan die zogenaamde bescherming tegen machteloze krachten kun je beter besteden aan hulp aan de armen, aan de zorg voor de naaste, aan de bescherming van de weduwe en de wees. Het “heb God lief boven alles en de naaste als jezelf” geeft je alle bescherming tegen machten en krachten die je nodig hebt, iedereen daar in mee krijgen brengt zelfs op den duur de vrede op aarde. Je hoort die tekst dan ook op je voorhoofd en op je arm te dragen volgens de Bijbel.

De toverkollen die met sluiers en het lezen van sterren proberen de levens van mensen te beïnvloeden, we hebben er zelfs televisiekanalen voor gehad in onze dagen, leiden af van waar het werkelijk om gaat in het leven. Ze wekken de illusie dat ons leven bestuurd wordt door iets anders dan door de liefde, dan door de God van Israël. Ze wekken de indruk dat we onrustig moeten worden als we het leven nemen zoals het komt en nooit loslaten de liefde voor de naaste omdat we door niets en niemand vervreemd willen raken van de liefde zoals die ons door Jezus van Nazareth is voorgeleefd. Ze wekken de illusie dat die liefde niet genoeg zou zijn en dat er meer is dat je nodig hebt tussen hemel en aarde. Volgens het Bijbelverhaal is die hemel boven de aarde gezet om de mensen te beschermen, gebouwd door de God van Israël. Gelukkig mogen we ons elke dag opnieuw afwenden van de kwade praktijken van astrologen en wichelaars, van instralers en geestenfluisteraars en ons wenden tot de liefde voor de naaste, tot recht en gerechtigheid. Ook vandaag kan dat weer.

 

Mijn allesverwoestende toorn.

Ezechiël 13:1-16

1 De HEER richtte zich tot mij: 2 ‘Mensenkind, klaag alle profeten van Israël aan die het nog wagen te profeteren; zeg tegen de profeten die op eigen gezag spreken: “Luister naar de woorden van de HEER! 3 Dit zegt God, de HEER: Wee de verdwaasde profeten die hun eigen ingevingen volgen zonder iets te hebben gezien! 4 Israël, je profeten zijn als jakhalzen die leven tussen de ruïnes. 5 Ze zijn niet in de bres gesprongen voor hun volk, ze hebben er geen muur omheen gebouwd waardoor het op de dag van de HEER in de strijd zou kunnen standhouden. 6 Hun visioenen zijn bedrieglijk, hun voorspellingen zijn vals. Ze zeggen: ‘Zo spreekt de HEER … ’ -terwijl ze niet door de HEER gezonden zijn. En dan verwachten ze nog dat er iets van hun woorden bewaarheid wordt! 7-8 Is het niet zo-zegt God, de HEER -dat jullie visioenen bedrieglijk zijn en jullie voorspellingen vals? Jullie zeggen: ‘Zo spreekt de HEER … ’ -terwijl Ik niets heb gezegd! Omdat jullie woorden bedrieglijk zijn en jullie visioenen vals, keer Ik me tegen jullie-spreekt God, de HEER. 9 Ik hef mijn hand op tegen de profeten met hun bedrieglijke leugens en valse voorspellingen. Ze zullen uit de gemeenschap worden gestoten. Ze zullen niet meer ingeschreven staan in de boeken van het volk van Israël, en het land van mijn volk zullen ze niet meer binnengaan. Dan zullen jullie beseffen dat Ik God, de HEER, ben. 10 De profeten hebben mijn volk op een dwaalspoor gebracht toen ze zeiden dat het vrede zou blijven, en mijn volk bouwde muren die door de profeten met witkalk werden bepleisterd-maar het bleef geen vrede. 11 Zeg daarom tegen die witkalkers dat hun muur zal instorten. Als er slagregens komen, als er hagelstenen neerkletteren, als er een stormwind losbreekt 12 en de muren instorten, zal er dan niet worden gezegd: ‘Waar is jullie pleisterwerk gebleven?’ 13 Daarom-dit zegt God, de HEER -Ik zal in mijn woede een stormwind laten losbreken en slagregens doen neerslaan, Ik zal hagelstenen laten neerkletteren in mijn allesverwoestende toorn. 14 Ik haal de witgepleisterde muren omver, ze zullen instorten en hun fundamenten zullen bloot komen te liggen. De stad zal in puin vallen en jullie zullen omkomen. Jullie zullen weten dat Ik de HEER ben. 15 Ik zal mijn woede koelen op de muren en op de witkalkers, Ik zeg jullie dat de muren zullen verdwijnen samen met hen die ze hebben bepleisterd: 16 de profeten van Israël met hun profetieën over Jeruzalem, die visioenen hadden van vrede terwijl het geen vrede zou blijven-zo spreekt God, de HEER.” (NBV21)

Ook voor profeten geldt dat men het eerst moet zien, dat geldt zeker voor Ezechiël. En dat zien gaat dan om een aantal zaken. Ezechiël ziet allereerst de goden van Babel, overheerst door hun donderwolk Mardoek. Maar tegelijk ziet Ezechiël hoe de God van Israël in dat verhaal past, de God van Israël laat zich rijden op een wagen gevormd door de goden van Babel. Die goden van Babel zijn niks van zichzelf, ze zijn onderworpen aan de God van Israël. Vervolgens ziet Ezechiël het dal bij de rivier waarin de ballingen moeten wonen. Een dal van diepe duisternis is het. Maar in dat dal is de ontmoeting met de God van Israël mogelijk. Dan wordt ook duidelijk dat het volk een weerspannig volk is dat niet zal willen luisteren naar de waarschuwingen die een profeet zal moeten geven. Als je slecht doet loopt het slecht met je af, als je goed doet moet je oppassen je niet tot het slechte te laten verleiden.

Als je op die manier kijkt naar je taak als profeet en de betekenis van de God van Israël daarin dan bouw je als het ware een muur om het volk heen waardoor het stand kan houden. Dan weet het volk dat ook in het donkerste dal de God van Israël hen wil steunen en uit de ellende wil leiden naar een land dat overvloeit van melk en honing, zoals een herder de kudde leidt naar grazige weiden. Je kunt de mensen wel naar de mond praten, goed praten wat ze aan onrecht doen, begrip opbrengen voor hun wensen en verlangens en dan net doen of de God van Israël dat ook wel goed zal vinden, maar dan zie je niet op de effecten die het volk heeft op de armen, op de minsten van het volk, op de weduwen en de wees. Dan komen voorspellingen niet uit, dan blijft het volk ronddwalen in het duister, dan schijnt daar wel een groot licht maar dan wil het volk het niet zien.

Ezechiël leert dat de valse profeten van zijn dagen niet ongestraft zullen blijven profeteren. Hun leugens zullen zich tegen zichzelf keren. We moeten bij het lezen van de Bijbel steeds bedenken dat als God straft dat het gevolg is van het verkeerd handelen van de gestrafte. Zoals bij ons ook dieven en moordenaars niet moeten klagen dat ze een tijd in de gevangenis moeten doorbrengen, ze hebben dat over zichzelf afgeroepen, van onrecht is geen sprake als ze inderdaad hetgeen gedaan hebben waarvoor ze zijn veroordeeld. Maar het geldt ook voor onze samenleving als geheel. Ook wij moeten leren te zien op de effecten die de inrichting van onze samenleving heeft op de armsten, op de minsten, op de zieken en gehandicapten, op de hongerenden elders in de wereld. Als we die aan hun lot overlaten zal dat lot zich tegen ons keren, dan roepen wij ellende over onszelf af. Als we durven te delen en samen te leven als samenleving dat zal het vanzelf beter gaan en komen we allemaal uit de diepste crisis die ons kan treffen. We kunnen daar elke dag opnieuw aan gaan werken, ook vandaag weer.

 

Elk visioen komt uit.

Ezechiël 12:21-28

21 De HEER richtte zich tot mij: 22 ‘Mensenkind, hoe luidt dat spreekwoord bij jullie in Israël? De dagen rijgen zich aaneen, en geen visioen komt uit? 23 Zeg hun dit: “Dit zegt God, de HEER: Ik zal ervoor zorgen dat dit spreekwoord verdwijnt; het zal in Israël niet meer worden gehoord. Nog even en elk visioen komt uit. 24 Dan zullen er in heel Israël geen bedrieglijke visioenen meer worden gezien of valse voorspellingen worden gehoord. 25 Want wat Ik, de HEER, zeg, zal gebeuren; het zal niet worden uitgesteld. Wat Ik zeg zal Ik nog tijdens jullie leven doen, opstandig volk! -zo spreekt God, de HEER.”’ 26 De HEER richtte zich tot mij: 27 ‘Je weet, mensenkind, wat het volk van Israël zegt: “De visioenen van die ziener betreffen de verre toekomst, zijn profetieën gaan over verre tijden.” 28 Zeg daarom tegen hen: “Dit zegt God, de HEER: Wat Ik besloten heb, zal niet worden uitgesteld! Alles wat Ik zeg, zal gebeuren! -zo spreekt God, de HEER.”’ (NBV21)

Dat klinkt heel mooi, dat elk visioen uit zal komen. Maar daar is voor nodig dat er geen bedriegelijke visioenen of valse voorspellingen meer zullen zijn. Want alleen de beloften van de God van Israël komen uit. En daar moet je menselijke visioenen en voorspellingen dan ook aan toetsen. Dan gaat het er om dat de armen bevrijdt worden, dat de ballingen terugkeren en in onze dagen de vluchtelingen de vrede zullen meemaken, dat onrecht verdwijnt en plaats maakt voor het recht doen aan mensen. Alle voorspellingen die alleen gaan over gelovigen die behouden worden en ongelovigen die zullen vergaan zijn vals en bedrog. Er zal ooit recht gedaan worden aan slachtoffers van onrecht en een oordeel worden uitgesproken over bedrijvers van onrecht en onderdrukking. Dat is een belofte die zich in en na de ballingschap in het geloof van Israël heeft vastgezet en door profeten werd weergegeven.

Over de aard van de profetie en de taak van de profeet bestaan ook in onze dagen nog veel misverstanden. We komen ze al in het boek van de profeet Ezechiël tegen. Profetieën zouden gaan over de toekomst, over de geschiedenis zoals die in de historische wetenschap wordt bestudeerd en het liefst laat men profetieën gaan over het einde der tijden zodat men zelf dat einde kan uitrekenen. Maar Profetieën gaan over het heden, over de manier waarop mensen met elkaar en volken met elkaar omgaan. Wie wind zaait zal storm oogsten is een profetie die ook wij nog steeds herkennen. En profetieën gaan niet over onze menselijke geschiedenis maar over Gods geschiedenis die daar haaks op staat. Telkens weer grijpt God in in de geschiedenis, door te laten zien waar het kwade is en waar het goede gezocht kan worden, telkens weer worden mensen gegrepen door het goede en gaan ze dat ook doen, dat veranderd de geschiedenis pas echt.

Het gedeelte dat we vandaag lezen uit het boek Ezechiël stelt duidelijk dat wat besloten is niet zal worden uitgesteld. Nu is het boek van de profeet Ezechiël al een oud boek en we hoeven het dus niet serieus te nemen omdat alles al gebeurd is zou je zo zeggen. Maar zo is het met Bijbelboeken nu ook weer niet. Dat de ballingschap voor een volk een diep dal vol duisternis is kennen we ook in onze dagen. De eindeloze vluchtelingenkampen overal in de wereld maken ook generaties later mensen nog zo wanhopig dat ze geweld gaan gebruiken. We hebben het in ons eigen land meegemaakt, we zien het dagelijks in Israël en Palestina. We zullen de wanhopigen moeten laten zien dat de Weg die de God van Israël wijst een betere weg is. Dat is de Weg van vrede, de Weg van het recht, de Weg van samen met alle mensen maaltijd houden. Met het laten zien van die Weg kunnen wel elke dag opnieuw beginnen, ook vandaag weer.

 

Voor jullie een teken

Ezechiël 12:8-20

8 De volgende morgen richtte de HEER zich tot mij: 9 ‘Mensenkind, hebben die opstandige Israëlieten je niet gevraagd wat je aan het doen was? 10 Zeg tegen hen: “Dit zegt God, de HEER: Over de vorst in Jeruzalem gaat deze profetie en over alle Israëlieten die er wonen.” 11 Zeg hun: “Wat ik deed is voor jullie een teken: wat ik gedaan heb, zal ook met hen gebeuren. Dit zegt God, de HEER: Zij zullen als gevangenen in ballingschap gaan.12 Hun vorst zal ook een last op zijn schouders laden en naar buiten gaan als het helemaal donker is. Ze zullen een gat in de stadsmuur maken om hem door te laten, en hij zal zijn gezicht bedekken, want hij zal zijn land niet meer terugzien. 13 Ik zal mijn net over hem uitspreiden en hem daarin vangen, en dan breng Ik hem naar Babel in het land van de Chaldeeën. Daar zal hij sterven zonder dat land te kunnen zien. 14 Zijn getrouwen, zijn lijfwacht en al zijn troepen zal Ik in alle windrichtingen verstrooien en met getrokken zwaard achtervolgen. 15 Wanneer Ik hen verstrooi onder vreemde volken en verspreid over verre landen, zullen ze beseffen dat Ik de HEER ben. 16 Enkelen zal Ik sparen. Zij zullen aan het zwaard, de honger en de pest ontkomen, want ze moeten de volken waar ze terechtkomen vertellen over al hun gruwelijke daden. Dan zullen ze beseffen dat Ik de HEER ben.”’ 17 De HEER richtte zich tot mij: 18 ‘Mensenkind, als je brood eet moet je beven, als je water drinkt moet je sidderen van angst. 19 Zeg dan tegen je volksgenoten: “Dit zegt God, de HEER, over de inwoners van Jeruzalem die in Israël zijn achtergebleven: Ook zij zullen vol angst hun brood eten en in wanhoop hun water drinken, want om de gewelddaden van zijn bewoners wordt het land van zijn rijkdommen beroofd. 20 De steden waar nu nog mensen wonen, zullen veranderen in ruïnes en het land wordt een woestenij. Dan zullen jullie beseffen dat Ik de HEER ben.”’ (NBV21)

Het is bijna niet te geloven. Tijden lang klinken de waarschuwingen dat het verkeerd zal gaan maar niemand die er acht op slaat zo lang het maar goed gaat. Voor de God van Israël is het of dat volk voortdurend in opstand is tegen de richting die ze waren overeengekomen in het Verbond. Die “opstandige Israëlieten” laten zich dan ook vertalen als “Huize Opstand” Dat verzet regeert. Jeruzalem wordt belegerd. De Koning heeft een verdrag gesloten met Babel, hij betaald een behoorlijke schatting, maar wat doet die verdragsbreker, hij laat een gat in de muur slaan en samen met zijn medewerkers probeert hij de kostbaarheden van het paleis er uit te smokkelen en in veiligheid brengen. Lukken doet dat niet. Ezechiël laat het nog eens zien. Op deze manier komt iedereen in ballingschap. Wordt de rest achtervolg en zal iedereen aan geweld ten onder gaan.

Internationaal recht is dus wel heel belangrijk voor iedereen op de wereld. Dat recht ligt vast in verdragen en uitspraken van rechtbanken die internationaal erkend zijn. Het is de uiterste bescherming voor mensen die zelf niets in te brengen hebben in hoe volken met elkaar om gaan. Verdragsbreuk en hebzucht zijn de grootste bedreigingen voor de veiligheid in de wereld. Merkwaardig dus ook dat ook onze bestuurders dat niet willen inzien en willen regeren met voordelen voor de rijksten en de wapenindustrie. Het zal de ondergang van onze beschaving betekenen laat Ezechiël ons zien. Want zelfs de achterblijvers, de mensen die niet anders kunnen dan gewoon doorgaan met hun werk en pogingen om te overleven, zullen uiteindelijk te onder gaan.

Ezechiël laat aan de oudste van Israël, de vertegenwoordigers van de ballingen zien waar de woestenij van hun land vandaan is gekomen. God had hen een land beloofd overvloeiende van melk en honing, maar ze hadden het verspeeld. Ze waren gaan doen wat de volken om hen heen deden. Zoals wij mee gaan doen aan de wapeenwedloop. Een wedloop die bijvoorbaat verloren is. Wij kochten onlangs drones die bij levering onbruikbaar bleken omdat ze al verouderd waren. Je hoort er maar weinig over omdat onze bestuurders niet willen zien dat je met wapens geen vrede brengt. Vrede komt van de Liefde zoals God die ons geschonken heeft. Zelfs de dood van zijn Zoon als volstrekt onschuldige heeft de Liefde van God niet uit de wereld weten te krijgen. Steeds weer staan mensen op om zich druk te maken over het recht van de armen, om ook de minsten recht te doen en mee te laten doen. Ook vandaag weer.

 

Zorg dat ze zien

Ezechiël 12:1-7

1 De HEER richtte zich tot mij: 2 ‘Mensenkind, je woont te midden van een opstandig volk. Het heeft ogen om te kijken maar het ziet niets, en oren om te horen maar het luistert niet, opstandig als het is. 3 Pak daarom bij elkaar wat je nodig hebt om in ballingschap te gaan, mensenkind, en vertrek bij daglicht, zodat iedereen het kan zien; ze moeten zien dat je vanuit je woonplaats in ballingschap gaat, ergens anders heen. Misschien dat ze dan, hoe opstandig ze ook zijn, hun ogen gaan gebruiken. 4 Breng alles wat je als balling nodig hebt overdag naar buiten, en ga zelf ’s avonds naar buiten alsof je in ballingschap gaat. Zorg ervoor dat ze kunnen zien wat je doet. 5 Zorg dat ze zien hoe je een gat in de muur van je huis maakt om je bezittingen naar buiten te brengen. 6 Zorg dat ze zien hoe je alles op je schouders laadt en wegdraagt als het helemaal donker is. Je moet je gezicht bedekken, zodat je het land om je heen niet meer kunt zien. Wat je doet zal een teken zijn voor het volk van Israël.’ 7 Ik deed wat mij was opgedragen. Overdag bracht ik alles naar buiten wat ik nodig had om in ballingschap te gaan en ’s avonds maakte ik met mijn handen een gat in de muur. Toen het helemaal donker was, laadde ik alles op mijn schouders en droeg het weg terwijl het volk toekeek. (NBV21)

Sinds de jaren 60 van de vorige eeuw kennen we zogenaamde ludieke acties. Mensen die samen een toneelstukje opvoeren, op straten of pleinen, om daarmee de aandacht te vestigen op misstanden in de samenleving. We denken nog wel eens dat het toen is uitgevonden. Maar ver voor het begin van onze jaartelling was er al de profeet Ezechiël die toneelstukjes opvoerde omdat zijn volk weigerde om de ellende van mensen onder ogen te zien en te luisteren naar de klaagzangen van de onderdrukten. Hardhorend en ziende blind waren ze. Zelfs hun ballingschap namen ze als een vanzelfsprekende zaak, de vervreemding van hun God namen ze op de koop toe. Ezechiël wordt geroepen om daar iets tegen te doen. Spreken en schrijven helpt niet, daarom een toneelstukje.

Je bezittingen moet je dragen, moet je naar buiten dragen. In je huis zit een gat in de muur. Alle bescherming tegen vijanden is weggevallen. Je moet in het duister vertrekken, dan weet je tenminste niet waar je bent en waar je heengaat. Dat is de ballingschap. Wij raken gewend aan dat soort beelden. Elke dag zwerven overal op de wereld mensenmenigten over wegen en paden met hun bezittingen op hun rug of op gammele wagens, hongerend en zoekend naar een plek waar het veilig zal zijn en waar weer voedsel en drinken is. We noemen ze vluchtelingen, ontheemden, en zorgen dat er in ons land geen plaats voor hen is. Af en toe bereiken die beelden ons, vooral als er teveel mensen tegelijk op de vlucht geslagen zijn. Dan organiseren we een aktie om medelijden te tonen. Maar elke aktie opnieuw blijkt dat we gewend raken aan de beelden van vluchtelingen die in ballingschap gaan.

De 40 dagen voor Goede Vrijdag zijn er in de kerk bijvoorbeeld om ons te bezinnen op het lijden van de mensen. Op het slechte dat ons overkomt maar dat ons niet hoeft te overkomen. We leven in een economische crisis, een crisis waarin de rijken rijker worden en de armen de gevolgen van de crisis moeten dragen. De wapenhandel in de wereld neemt toe, angst maakt zelfs herbewapening nodig zegt men. Dat betekent dat we er ook in de toekomst verzekerd van kunnen zijn dat er vluchtelingen zullen zijn. Natuurlijk kunnen we helpen, de Stichting Vluchteling is het kanaal bij uitstek om vluchtelingen te helpen. Maar voorkomen kunnen we ook, te beginnen met het bestrijden van de wapenhandel. Niet verkopen van de overbodig geworden wapens en tanks van onze krijgsmacht, niet steeds maar nieuwe wapens kopen die verouderd zijn als ze in gebruik worden genimen, maar wapens omsmeden tot landbouwmachines, ploegscharen en zo. We kunnen dat als we oog krijgen voor de ballingen en het geroep om gerechtigheid horen van de slachtoffers. Vandaag kunnen we er alvast mee beginnen.

 

Een nieuwe geest

Ezechiël 11:14-25

14 Daarna richtte de HEER zich weer tot mij: 15 ‘Mensenkind, het zijn je broeders, je eigen broeders, je verwanten en alle andere Israëlieten tegen wie de inwoners van Jeruzalem zeggen: “Blijf waar je bent, ver verwijderd van de HEER, want aan ons is het land in eigendom gegeven!” 16 Zeg daarom: “Dit zegt God, de HEER: Al heb Ik hen weggevoerd naar verre volken en hen over vele landen verstrooid, Ikzelf was daar voor hen een heiligdom, hoe pover ook.” 17 Zeg daarom: “Dit zegt God, de HEER: Ik zal jullie weghalen bij die volken, Ik zal jullie bijeenbrengen uit de landen waarover jullie verstrooid zijn en jullie het land van Israël geven. 18 Dan zullen zij daarheen gaan en alle afschuwelijke afgoden uit het land verwijderen. 19 Dan zal Ik hun een ander hart geven en een nieuwe geest; Ik zal hun versteende hart uit hun lichaam halen en hun er een levend hart voor in de plaats geven. 20 Dan zullen ze zich houden aan mijn bepalingen en mijn regels naleven. Zij zullen mijn volk zijn en Ik zal hun God zijn. 21 Maar wie met heel zijn hart aan deze gruwelijkheden vasthoudt, zal Ik laten boeten voor zijn wangedrag-zo spreekt God, de HEER.”’ 22 De cherubs spreidden hun vleugels uit, de wielen stonden naast hen en de stralende verschijning van de God van Israël bevond zich boven hen. 23 De verschijning van de HEER steeg op vanuit de stad, en verplaatste zich naar de berg aan de oostkant. 24 In het visioen dat God mij had gegeven, tilde de geest mij weer op en werd ik naar de ballingen in het land van de Chaldeeën gebracht. Daar verliet het visioen mij, 25 en ik vertelde de ballingen alles wat de HEER mij had laten zien. (NBV21)

De gruwelen die Ezechiël gezien heeft en waarover we de afgelopen tijd hebben gelezen kunnen alleen gevoelens van spijt en afkeer oproepen. De goddeloosheid van de bewoners van Jeruzalem, van de regeerders en de rijken maken het zeer begrijpelijk dat de God van Israël zijn handen van zijn volk had afgetrokken. Maar hoe moet het nu verder? Moeten ze zich maar bij de ballingschap neerleggen en opgaan in het land van de Chaldeeën? Uit Jeruzalem krijgen ze berichten dat ze daar niet meer welkom zijn, de achtergebleven bewoners van de stad redden zichzelf wel en zitten niet te wachten op brave ballingen die weer terug willen naar de oude tijden met een Tempel zonder godenbeeld en een godsdienst van delen met elkaar en vooral met de minsten in de samenleving. Daar zit je dan treurend aan de rivieren van Babel, Psalm 137 zingt ons daarover toe. Zo kwamen de oudsten van Juda, de oudsten van de ballingen naar Ezechiël om te vragen hoe het verder moest. Ezechiël weet dat dus niet gewoon omdat het een intelligente vent is, maar hij luistert naar het woord van God. En Ezechiël is de profeet van het zien.

Hij ziet nog eens hoe het allemaal verkeerd is gegaan, waar de fouten zijn gemaakt die geleid hebben tot de ballingschap en de berichten die ook in zijn dagen naar de ballingen werden gestuurd. Maar het zien van de fouten brengt hem ook op het zien van wat een goede afloop zou kunnen zijn. Die God immers laat nooit varen het werk dat zijn hand is begonnen. Ooit was Abram uit het Ur der Chaldeeën vertrokken om het met die God te wagen en ook in de ballingschap gedragen ze zich als kinderen van Abram. Ze mogen daarom rekenen op terugkeer naar Jeruzalem. Ze mogen zich houden aan de leer van Mozes en de richtlijnen voor de menselijke samenleving die ooit in het midden van de woestijn aan het volk waren gegeven. Hun handelen zal weer in de Geest van God mogen zijn. Ze zullen weer het volk van de God van Israël mogen zijn en de volken laten zien wat er gebeurt als je het met die God waagt en ophoudt de zelfgemaakte idolen achterna te lopen. Dan worden de hongerigen gevoed en de minsten recht gedaan.

Dan wordt de aarde weer zo gebruikt dat God ziet dat het goed is, de aarde is voor de eeuwigheid en niet voor één mensenleven. Ook wij moeten soms terug naar het verleden om voor het heden te leren. Het was nog niet zo heel lang geleden dat roken werd aangeprezen vanwege het gezond makende karakter. Niemand zal nu nog pleiten voor het vrijgeven van roken. Zo weten we dat gasvelden leeg raken, Groningers kunnen ons er alles over vertellen, ook de aardolie raakt dus eens op. Alleen de zon zal blijven schijnen overdag en in de nacht de maan. De wind zal blijven waaien en de regen blijven vallen. We zullen onze samenleving dus zo moeten inrichten dat we generaties lang dankbaar mogen blijven van dat wat God ons gegeven heeft en niet verwoesten en verkwisten wat ook in de toekomst op aarde nodig zal zijn. Dan mogen we ons weer richten naar Jeruzalem en de richtlijnen voor de menselijke samenleving die God ook ons heeft gegeven, want ook wij mochten zijn Geest ontvangen.

 

Ik zal je straffen.

Ezechiël 11:1-13

1 De geest tilde me weer op en bracht me naar de oostelijke poort van de tempel van de HEER. Daar zag ik vijfentwintig mannen staan, met in hun midden Jaäzanja, de zoon van Azzur, en Pelatja, de zoon van Benaja, twee leiders van het volk. 2 De HEER zei tegen mij: ‘Mensenkind, dit zijn de mannen die in deze stad onheil willen stichten en slechte raad geven. 3 Ze zeggen: “Hier hoeven voorlopig geen huizen te worden gebouwd! In deze stad horen wij thuis als vlees in een pot.” 4 Daarom moet je tegen hen
profeteren, mensenkind.’ 5 Opnieuw werd ik overweldigd door de geest van de HEER, die mij opdroeg te zeggen: ‘Dit zegt de HEER: Israëlieten, Ik hoor wat jullie zeggen, Ik weet wat er in jullie hoofd opkomt. 6 Jullie hebben de dood van velen in deze stad veroorzaakt en de straten met lijken gevuld. 7 Daarom-dit zegt God, de HEER: De mensen die jullie hebben gedood, die zijn het vlees in de pot, maar jullie zal Ik uit de stad verdrijven. 8 Jullie vrezen het zwaard? Met het zwaard zal Ik jullie treffen-spreekt God, de HEER. 9 Ik zal jullie uit de stad verdrijven, Ik zal vreemdelingen over je laten heersen, Ik zal je straffen. 10 Door het zwaard zullen jullie omkomen, waar je ook bent in Israël zal Ik je straffen. Dan zullen jullie beseffen dat Ik de HEER ben. 11 De stad zal jullie pot niet zijn, en jullie zullen het vlees niet zijn: tot aan de grenzen van Israël zal Ik je straffen. 12 Jullie zullen weten dat Ik de HEER ben. Jullie hebben je niet aan mijn bepalingen gehouden en mijn regels niet nageleefd, maar geleefd naar de regels van de volken om je heen.’ 13 Terwijl ik nog aan het profeteren was stierf Pelatja, de zoon van Benaja. Ik wierp me voorover en schreeuwde: ‘Ach HEER, mijn God, gaat U nu ook de rest van het volk nog vernietigen?’ (NBV21)

De hoge heren van het dorp. Wij hebben geleerd tegen ze op te kijken en hoe meer we tegen ze op kijken hoe meer succes ze hebben. Elke dag weer vertellen de media ons tegen wie het meest wordt opgekeken, tegen de een omdat die zogenaamd zegt waarop het staat, tegen de ander omdat die zo integer is, tegen een derde omdat die zoveel ervaring heeft. Ezechiël heeft dat ook. Toen de oudsten van Juda hem in zijn ballingschap kwamen opzoeken kreeg hij visioenen. Over een van die visioenen lezen we vandaag. Niet zomaar een visioen, nee het gaat over belangrijke mensen, de hoge heren van Jeruzalem. Onder aanvoering van de twee leiders van het volk. Soms vraag je je bij dit soort leiders af of het woord leider met een ei of een ij geschreven moet worden. Van de leiders in dit Bijbelgedeelte wordt verteld dat er geen huizen hoeven worden gebouwd in de stad. Een stad in oorlog waar tallozen jammeren over de ellende die ze meemaken.

In de stad horen die leiders thuis als vlees in een pot, dat vinden ze tenminste zelf. Ze sudderen en genieten van de warmte en de heerlijke geuren die rond hen opstijgen. Waarom zou je anderen dat ook gunnen? Dan moet je maar belasting betalen voor mensen die er toch misbruik van maken, dan zit je met lawaai, verkeersopstoppingen en verdelingsproblemen. Nee hun eigen geluk is hun genoeg, als zij het maar goed hebben. De God van Israël maakt andere keuzes. Voor die God zijn het de mensen die jammeren om het onrecht en de ellende die het goede zijn dat de stad bevat. Die leiders hebben de straten gevuld met lijken. De mensen die zich daarom druk maken en de slachtoffers mogen in de stad blijven, die zelfvoldane leiders moeten er uit. Het was dan ook de elite van Jeruzalem die als eerste in ballingschap werd weggevoerd. De oudsten van Juda worden er nog eens aan herinnerd.

Het blijft gaan om de geboden van de God van Israël zoals die in de leer van Mozes zijn opgenomen. Heb God lief boven alles en je naaste als jezelf. Als je die geboden houdt dan wordt je een dienaar, een dienaar van iedereen die onrecht wordt aangedaan, dan ben jij er voor om mensen tot hun recht te laten komen en onophoudelijk het onrecht aan de kaak te stellen. Maar de leiders uit het gedeelte dat we vandaag lezen doen als de volken om Israël heen. Zij moeten het goed hebben, zij mogen gezien worden. Zij vertegenwoordigen het volk, eigenlijk zijn ze zelf goden die door het volk aanbeden moeten worden. Zulke leiders hebben wij ook wel. Hoe mooier hun show er uit ziet hoe beter. Wat de gevolgen zijn voor de slachtoffers van oorlog en geweld doet niet ter zake. Voor de God van Israël kunnen zulke leiders doodvallen. Ezechiël neemt dat eigenlijk niet letterlijk, dat moeten wij ook maar niet doen. Als er iemand van die leiders sterft schreeuwt Ezechiël het uit. Wie er ook sterft, wij mogen er verdriet om hebben, hoe slecht ze ook zijn.

Steek me dood

1 Samuël 31:1-13

1 Ondertussen leverden de Filistijnen slag met de Israëlieten. Het leger van Israël sloeg op de vlucht en velen sneuvelden in het Gilboagebergte. 2 De Filistijnen drongen tot bij Saul en zijn zonen door en doodden zijn drie zonen Jonatan, Abinadab en Malkisua. 3 Toen richtte de strijd zich in alle hevigheid tegen Saul zelf. De Filistijnse boogschutters hadden hem al onder schot, en Saul werd zo bang 4 dat hij zijn wapendrager beval: ‘Trek je zwaard en steek me dood, want ik wil niet dat die onbesnedenen me doorboren en zich op me gaan uitleven.’ Maar de wapendrager schrok ervoor terug en weigerde. Toen nam Saul zelf zijn zwaard en stortte zich erin. 5 Toen de wapendrager zag dat Saul dood was, stortte ook hij zich in zijn zwaard en samen met hem vond hij de dood. 6 Zo sneuvelden Saul, zijn drie zonen, zijn wapendrager en al zijn manschappen op een en dezelfde dag. 7 Toen het tot de Israëlieten aan de overkant van de Jordaan en aan de overkant van de vallei van Jizreël doordrong dat het leger van Israël was gevlucht en dat Saul en zijn zonen gesneuveld waren, verlieten zij hun steden en vluchtten weg. De Filistijnen trokken hun steden binnen en namen ze in bezit. 8 De volgende dag kwamen de Filistijnen op het slagveld terug om de gesneuvelden te plunderen. Daar, op de Gilboa, vonden ze de lijken van Saul en zijn drie zonen. 9 Ze sloegen Sauls hoofd af en ontdeden hem van zijn wapenrusting, en lieten in hun hele land boden rondgaan om het nieuws van de overwinning in de tempels van hun goden en aan het hele volk bekend te maken. 10 Sauls wapenrusting kreeg een plaats in de tempel van Astarte en zijn lichaam werd aan de stadsmuur van Bet-San genageld. 11 Toen de inwoners van Jabes in Gilead hoorden wat er was gebeurd, en wat de Filistijnen met Saul hadden gedaan, 12 besloten ze om de lijken van de stadsmuur van Bet-San weg te halen. Alle weerbare mannen gingen mee. Ze liepen de hele nacht, namen de lichamen van Saul en zijn zonen mee naar Jabes en verbrandden ze daar. 13 Hun gebeente begroeven ze aan de voet van de tamarisk in Jabes, en daarna vastten ze zeven dagen. (NBV21)

Terwijl David achter de Amalekieten aanzat die zijn vrouwen en kinderen en de vrouwen en kinderen van zijn soldaten hadden geroofd ontbrandde in Israël de strijd tussen de legers van de Filistijnen en van Israël. De Filistijnen waren door Sauls keuze van het slagveld diep in Israël binnengedrongen. Geen wonder dat het leger van Israël de schrik om het hart sloeg toen het geweldige leger van de Filistijnen, met haar afdelingen van honderd en haar afdelingen van duizend, eenmaal tot de aanval was overgegaan. Het eerste aanvalsdoel van de Filistijnen was het kamp van koning Saul zelf. Een militaire strategie die ook nu nog wel wordt gehanteerd, schakel de bevelhebber uit, zorg dat de legerleider geen leiding meer kan geven, en de oorlog is al bijna gewonnen. Eerst werden de drie zonen van Saul gedood. Jonatan, de speciale vriend en bondgenoot van David, en de broers van Jonatan Abinadab en Malkisua. Dan volgt een strijd tegen Koning Saul zelf. Hij werd omringt door Filistijnse boogschutters. Tegen een regen van goedgerichte pijlen is zelfs een wapenrusting van brons of ijzer niet bestand.

Saul heeft dus alle reden om bang te worden. Hem was immers door de waarzegster in Endor aangezegd dat hij en zijn familie de dood zouden vinden in de strijd die op handen was. Nu waren zijn zonen al gestorven en ook hij zou voorzeker de dood vinden. Maar beter door de vlucht in de dood nemen dan je door de vijand te laten doden. Daarom vroeg hij zijn wapendrager om hem te doden. Die weigerde het bevel van de Koning. Een gezalfde op last van de God van Israël breng je nu eenmaal niet ter dood. Saul stortte zich daarop maar in zijn eigen zwaard. De wapendrager pleegde daarop ook zelfmoord. De schrijver van het eerste boek Samuël beschrijft dit nauwkeurig. De Filistijnen mogen ook achteraf niet de geschiedenis van Israël ingaan als koningsmoordenaars. Het zal duidelijk zijn dat de Filistijnen de overwinning en de dood van Saul wel op hun eigen rekening hebben geschreven. Nadat het hele volk de woestijn was ingevlucht roofden ze alles leeg, hakten het hoofd van Saul af en namen zijn wapenrusting mee.

Het hele land mocht feest vieren vanwege de grote overwinning die de Filistijnen hadden behaald. De wapenrusting kreeg een plaats in een tempel van Astarte, de vruchtbaarheidsgodin en zijn lijk werd aan de stadsmuur gespijkerd. De inwoners van Jabes waren hierover zo ontsteld dat ze alle overgebleven mannen verzamelden, een hele nacht doormarcheerden, de lijken van Saul en zijn zonen in beslag namen, cremeerden en begroeven onder de centrale boom van de stad. Zo kwam er een einde aan de Koning die het volk aan Samuël had gevraagd, een koning zoals ook de heidenen hun koningen hadden. Telkens weer als wij leiders van kerk, stad, provincie of land moeten kiezen worden we door de Bijbel opgeroepen aan Saul en David terug te denken. Voor wie kiezen we, voor een koning die uit is op eer en glorie, of een koning die uit is op bescherming en zorg voor de minsten in de samenleving. Die zorg mogen we ook zelf verrichten, elke dag opnieuw, zodat we een goede keuze maken als het er op aankomt.