Dorens en distels

Jesaja 27:2-13

2 Op die dag zal men de prachtige wijngaard bezingen. 3 Ik, de HEER, houd de wacht over mijn wijngaard, steeds opnieuw bevloei ik hem. Dag en nacht zal ik de wacht houden, zodat niemand hem kan schaden; 4 ik koester mijn woede niet. Maar zou ik dorens en distels dulden? Strijdbaar ga ik erop af, al dat onkruid steek ik in brand-5 tenzij men mijn bescherming zoekt en vrede met mij sluit, ja, vrede sluit met mij. 6 De tijd zal komen dat Jakob zal wortelen, dat Israël zal uitbotten en bloeien. 7 Heeft de HEER Israël geslagen zoals hij hen slaat die Israël sloegen? Of heeft hij het gedood zoals hij doodt wie Israël doodden? 8 Door hen uiteen te jagen en te verstrooien heeft hij een rechtsgeding tegen hen gevoerd, met een verschroeiende wind uit het oosten heeft hij hen verdreven. 9 Hij verbrijzelt alle altaarstenen alsof het kalksteen is, elk wierookaltaar wordt omvergehaald, elke Asjerapaal wordt omgehakt. Zo wordt afgerekend met Jakobs wandaden, zo wordt zijn schuld vereffend. 10 Daar ligt de versterkte stad, eenzaam, ontvolkt, verlaten als de woestijn. Kalveren weiden en rusten er, ze vreten de takken kaal; 11 vrouwen breken de verdorde twijgen af en gebruiken ze voor hun vuur. Omdat dit volk ieder inzicht mist, kent zijn maker geen ontferming, toont zijn schepper geen genade. 12 Op die dag zal de HEER de aren dorsen van de Eufraat tot aan de wadi die de grens met Egypte vormt. Dan zullen jullie, kinderen van Israël, als aren gelezen worden, Eén voor één. 13 Op die dag wordt op de grote ramshoorn geblazen. Zij die verbannen waren naar Assyrië of verdreven naar Egypte, zullen terugkeren en zich neerbuigen voor de HEER, op de heilige berg in Jeruzalem.(NBV)

Jesaja had het over het dode volk waar geen leven meer in zat en dat in ballingschap zou worden afgevoerd. En zoals veel mensen in zo’n situatie doen had ook Jesaja gezocht naar de zin van het lijden van zijn volk. Dat ze ongehoorzaam waren geweest aan de Liefde als grondslag van de samenleving, aan de richtlijn van onvoorwaardelijk delen met elkaar, was wel duidelijk. Maar het goddeloze volk dat hen had overwonnen wilde ook niet delen, dat wilde alleen vernietigen, heersen en de armen uitbuiten. Wat was dan de zin van dit alles? Jesaja kan er alleen een zin voor zichzelf en voor de overlevenden in zien. Nu kregen de overlevenden immers de kans om weer de Liefde de grondslag van hun handelen te maken. Zoals in een wijngaard het onkruid werd uitgerukt om de wijnranken de kans te geven te groeien en meer vruchten te geven zo krijgen overlevenden en nabestaanden de kans om goedheid en liefde te verspreiden. Het volk Israel zou opnieuw tot leven gewekt worden en bloeien. Zo zag Jesaja het.

Taal is soms moeilijk. Als we het over een tafel hebben dan denkt iedereen aan een bepaalde tafel, maar elk voor zich denken we aan een verschillende tafel. Als het over Israël gaat gebeurd vaak het omgekeerde. Dan denken we aan de staat Israël die in 1948 werd uitgeroepen na een bloedige opstand tegen de Engelse overheersers van het gebied Palestina. Die staat Israël valt op geen enkele manier samen met het Israël waarover het in de Bijbel gaat. Dat Bijbelse Israël zouden we tegenwoordig een concept noemen. Het verhaal over Israël is dan dat God een groep slaven had bevrijdt uit hun slavernij, richtlijnen had gegeven om een menselijke samenleving op te bouwen en een land waarop dat mogelijk zou zijn. Als dat volk er in zou slagen om volgens die richtlijnen hun staat in te richten en dat vol te houden zouden alle volken van de wereld hetzelfde willen gaan doen.

Dat volk Israël slaagde er zo op het eerste gezicht niet in en zou dan gestraft worden door die God die hen had bevrijdt. Maar ook dat straffen heeft in de Bijbel een andere inhoud gekregen dan wij er gewoon zijn aan toe te kennen. Dat straffen is alleen het handen af van Israël. En als God de handen er van af trekt dan loopt het slecht af. In de Bijbel gaat het over vele volken, vele soorten samenleving. Kenmerk van die volken, kenmerk van die samenlevingen is dat ze verdwijnen. Altijd breekt er op den duur een oorlog uit tussen de volken, altijd voelt het ene volk zich beter dan het andere, altijd probeert het ene volk macht uit te oefenen over het andere. De richtlijnen die God had gegeven zouden Israël hebben kunnen beschermen. Daar zijn ook voorbeelden van in de Bijbel. Als je omgaat met anderen vanuit de liefde, ze lief hebt als je zelf, dan druipen de machtigste tegenstanders af. Als je hetzelfde wil doen dan verlies je, er is altijd iemand sterker maar er is niemand sterker dan de liefde.

Geef ons vrede

Jesaja 26:12–27:1

12 HEER, geef ons vrede, alles wat wij deden, hebt u voor ons gedaan. 13 HEER, onze God, andere heren hebben ons in hun macht gehad, maar alleen uw naam zullen wij prijzen. 14 Doden zullen niet herleven, schimmen niet opstaan. U bent tegen hen opgetreden, hebt hen vernietigd, elke herinnering aan hen hebt u uitgewist. 15 Uw volk hebt u groot gemaakt, HEER, en zo voor uzelf roem verworven. U hebt uw volk groot gemaakt en het land naar alle kanten uitgebreid. 16 HEER, in onze nood hebben wij u gezocht; toen u ons tuchtigde, riepen wij u aan. 17  Zoals een zwangere vrouw in barensnood ineenkrimpt en schreeuwt in haar weeën, zo verschenen wij voor u, o HEER. 18 Wij waren zwanger en krompen ineen, maar al wat we baarden was lucht; wij brachten het land geen uitkomst, op aarde werd geen mens meer geboren. 19 Jullie doden zullen herleven, de lijken opstaan. Ontwaak, jullie daar in het stof, en jubel! Uw dauw is een dauw die leven geeft, de aarde brengt haar schimmen weer tot leven. 20 Trek je terug in je kamers, mijn volk, en sluit de deur achter je. Nog een korte tijd, tot de woede bekoeld is. 21 Zie hoe de HEER zijn woning verlaat en de mensen op aarde voor hun wandaden laat boeten. Het onschuldige bloed dat op haar is vergoten wordt door de aarde aan het licht gebracht, ze zal het niet langer verbergen. 1 Op die dag zal de HEER ingrijpen: hij trekt zijn groot en machtig zwaard tegen Leviatan, de snelle, kronkelende slang, en hij zal Leviatan doden, het monster in de zee. (NBV)

Het zijn de verdrukten en vertrapten die een beroep doen op dat recht en blijkens deze passage dat beroep ook nooit vergeefs zullen doen. Het is niet onbelangrijk te blijven beseffen dat het verlangen naar God niet kan zonder recht te doen aan de minsten. Overal op de wereld zijn er religieuze leiders die je anders willen doen geloven. Persoonlijke verhoudingen met God, op je knieën en bidden maar, je hart openen voor God, je eigen volk eerst, zijn allemaal zaken die met het geloof in de God van Israel, met Jezus van Nazareth te maken zouden hebben. Niets is dus minder waar. Recht doen aan mensen, daar gaat het om. De hongerigen voeden, de naakten kleden, de bedroefden troosten, de blinden laten zien en de lammen laten lopen, de gevangenen bezoeken en de armen bevrijden, de vreemdelingen op nemen, is het hart van de godsdienst, dat is bidden, dat is de uitdrukking van het verlangen naar de Heer.

Want waarom schrijven we “Heer” met een hoofdletter. Dat is niet zozeer uit eerbied voor God. Het is geen bewijs van ondergeschiktheid, we kunnen deze God immers ook als Vader aanspreken. Maar het is de ontkenning van alle machten en krachten in deze wereld die zich buiten de Liefde als grondslag voor het leven menen te mogen stellen. Juist onder de macht van de goddelozen lijken mensen dood, ze spreken niet meer vrij, ze verstijven in hun gedrag, ze mogen niet meer en anders bewegen dan zoals de machthebbers toestaan. We kennen ze uit alle bedreigende situaties die in onze samenleving en in de samenleving van volken kunnen voorkomen. Die doden komen tot leven als we mensen recht willen doen. Daar waar volken bevrijdt worden van onderdrukking kunnen we er weer een echt contact mee hebben, zien we weer de culturele uitingen, horen we van ideeën en gedachten.

Daar waar mensen bevrijdt worden van angst bloeien mensen weer op. Daar waar armen bevrijdt worden van knellende armoede komen zij weer tot hun recht, blijkt hun creativiteit, brengen ze vreugde mee op de arbeidsmarkt, weten ze een voorbeeld te stellen in het delen met hen die het nodig hebben. Het zijn de paden van het recht van die ene Heer die ons naar de bevrijding voeren. De Bijbel stelt eigenlijk dat er ook geen andere weg is. Je kunt de bevrijding niet afdwingen met geweld, je kunt het niet opleggen aan anderen. Alleen door je naaste lief te hebben als jezelf, ja zelfs je vijanden lief te hebben, komt uiteindelijk de bevrijding. Dan worden de meest gruwelijke machten in de wereld vernietigd omdat ook zij ondergeschikt zijn aan de Heer van de wereld, de God van Israël. Daar moet je zelf mee beginnen, elke dag opnieuw, maar het is een zaak van de hele samenleving en alle volken zullen er uiteindelijk aan meedoen.

Wij gaan de paden van uw recht.

Jesaja 26:1-11

1 Op die dag zal in Juda dit lied klinken: ‘Wij hebben een sterke stad, de HEER biedt ons redding als een wal, als een muur. 2 Open de poorten, opdat het rechtvaardige volk kan binnentreden, het volk van uw getrouwen. 3 De standvastige is veilig bij u, vrede is er voor wie op u vertrouwt. 4 Vertrouw altijd op de HEER, alleen op hem, want de HEER is een rots sinds mensenheugenis. 5 Hij haalt neer wie in de hoogte leven en veilig in hun onneembare vesting wonen. Hij brengt zelf hun stad ten val, hij maakt haar met de grond gelijk, niets laat hij van haar heel. 6 Dan wordt ze onder de voet gelopen, vertrapt door de zwakken, vertreden door de armen.’ 7 U effent het pad voor de rechtvaardige, u baant voor hem een rechte weg. 8  Ook wij verlaten ons op u, HEER: wij gaan de paden van uw recht. Wij richten ons op uw naam, naar u gaat ons verlangen uit. 9 Reikhalzend kijk ik naar u uit, zelfs ‘s nachts verlang ik naar u. Wanneer u een oordeel over de wereld velt, zullen de mensen op aarde gerechtigheid leren. 10 Maar niet de goddeloze: al wordt hij gespaard, gerechtigheid zal hij nooit leren. In het land van het recht doet hij slechts onrecht; de macht van de HEER merkt hij niet op. 11 HEER, uw opgeheven hand ziet hij niet. Laat hem dan tot zijn schande zien hoe u ijvert voor uw volk, hoe het vuur uw vijand verteert.(NBV)

Wie het kerstverhaal uit het Evangelie van Lucas nog eens terugleest weet dat het zelfs de zwakste mensen nog kan lukken om het sterkste keizerrijk voor de gek te houden. Want wie had nu gedacht dat ze het bevel, om allemaal naar hun eigen plaats te gaan, in Bijbelse zin zouden uitleggen. Jozef en Maria trokken immers op naar Bethlehem omdat ze uit het huis en geslacht van David waren. Dat had alleen maar zin als ze geloofden dat ze de grond terug zouden krijgen die door Jozua aan de voorvaderen van David was toebedeeld. Elke vijftig jaar zou die grond bij iedereen weer in de familie terug komen. Er was geen plaats voor hen staat er dan, maar ze waren ook niet in Nazareth en konden voor de Keizer dus niet meegeteld worden. Een richtlijn als de richtlijn die in de Tempel werd bewaard geeft de armen van de stad een bescherming sterker dan de sterkste muur zegt de profeet in dit gedeelte van het Boek van de profeet Jesaja.

Jozef en Maria zeiden het hem na in daden. Een daad die door de hele wereld elk jaar weer wordt gevierd. Want iedereen snapt een beetje dat als er in een donkere nacht licht gaat schijnen, dat licht met name voor gewone mensen gaat schijnen. Iedereen voelt aan dat als er feest wordt gevierd om de geboorte van een kind ergens in het veld, dan moet het wel een beetje vrede zijn en moeten mensen een beetje van elkaar houden. Vrede op aarde en in mensen een welbehagen. Het zijn de woorden die we vandaag lezen in een andere volgorde. Maar de boodschap is hetzelfde. Armoede is geen natuurverschijnsel. onrechtvaardige verdeling van kennis, inkomen en macht blijft niet vanzelf in stand. De rijken en machtigen kunnen wel denken dat ze veilig in een onneembare vesting wonen, zoals de Keizer dacht iedereen te kunnen registreren en dat iedereen thuis zou blijven als hij dat wilde.

Zo werkt het niet. Zo werkt het ook vandaag niet. De laffe schreeuwende haatzaaiers kunnen wel zo hard schreeuwen dat het lijkt of ze de vluchtelingenstromen kunnen stoppen maar zo lang er geen vrede op aarde is zullen er vluchtelingen zijn. Menselijkheid betekent dat we ze een plaats moeten geven, een betere plaats dan in een veld met een voederbak. Dat kan ook leiden tot recht en gerechtigheid in eigen land, maar ook over de grenzen waar oorlog wordt gevoerd met wapens die wij geleverd hebben. Die muren worden onder de voet gelopen, vertrapt door de zwakken, vertreden door de armen. Dat je verlangt naar de Heer hoort dus volgens het Boek van de profeet Jesaja bij het gaan van de paden van het recht van die Heer. Volgens de profeet zijn het de goddelozen die dat recht nooit zullen leren.

Leven voor altijd

Psalm 133

1 Een pelgrimslied van David. Hoe goed is het, hoe heerlijk als broeders bijeen te wonen! 2  Goed als olie op het hoofd die neervalt op de baard, de baard van Aäron, en neervalt op de hals van zijn gewaad, 3 als de dauw van de Hermon die neervalt op de bergen van Sion. Daar geeft de HEER zijn zegen: leven voor altijd. (NBV)

We zingen vandaag wel een heel klein Psalmpje mee. Veel mensen zullen vinden dat dat geen wonder is. De Psalm bezingt de vreugde van het samenwonen met mensen uit eigen kring. In de kerk is daar vaak geen sprake van. Het “eigen volk eerst” wordt daar bestreden, je moet vreemdelingen behandelen alsof die er ook bij horen en je moet zelfs je vijanden lief hebben. Ook onderling zijn mensen in kerken het vaak zeer oneens met elkaar. Er zijn heel veel, bijna ontelbare, kerkgenootschappen  en dat zou niet moeten mogen. Daar is dan toch een misverstand. Vanaf de eerste dag na de opstanding van Jezus is er onderling discussie. We kennen het verhaal van de ongelovige Thomas, de apostel van eerst zien en dan geloven. De volgelingen van Jezus van Nazareth zaten nog steeds bij elkaar in een huis in Jeruzalem. En over dat bij elkaar zitten gaat de kleine Psalm die we vandaag lezen. Alleen hebben we hier weer te maken met een groot vertaalprobleem. In het Duits wordt vertaald met “Geschwester” waar wij broeders lezen.

In het Hebreeuws staat een woord dat familie van de zelfde stam aanduidt. Een goed Nederlands woord is er niet voor. Huub Oosterhuis heeft deze Psalm ook vertaald en hij laat het in het midden, bij hem luidt het eerste vers : “Alleen kan ook, met twee of drie, met twaalf, of zeven maal zeven, eendrachtig.” Daar hoor je de belofte van Jezus van Nazareth in terug dat waar twee of drie in zijn naam bijeen zijn hij ook aanwezig zal zijn. In het verhaal over die apostel Thomas verscheen hij inderdaad. Onze Psalm heeft het dan over Priesters die gezalfd zijn. De gemeenschap van gelovigen van de Weg van Jezus van Nazareth wordt ook wel een gemeenschap van Koningen en Priesters genoemd. Zo lezen we de Psalm als een oproep om samen te zijn in de Geest van de God van Israël, in de Geest van Jezus van Nazareth voor ons Heidenen. Het idee dat je op je eentje ook wel Christen kan zijn wordt hier ter discussie gesteld. Gelovigen in de nieuwe wereld van Jezus van Nazareth geloven nu eenmaal in een samenleving, een samenleving waaraan iedereen deel kan hebben. En een samenleving heb je nu eenmaal niet op je eentje, die heb je alleen maar samen.

Huub Oosterhuis besluit zijn vertaling van deze Psalm met “zo voelt de nieuwe wereld die komen zal”. In de Nieuwe Bijbelvertaling, die wij hier lezen staat ” leven voor altijd”. Dat is dus hetzelfde. Samen, in een gemeenschap van gelovigen, mogen we alvast ervaren wat ons te wachten staat in die nieuwe wereld. Daar zorgen mensen voor elkaar en voor de minsten op de aarde, daar zingen mensen voor elkaar, daar is iedereen welkom, daar worden verhalen verteld van die nieuwe wereld, daar mag je er nog best aan twijfelen, maar daar mag je het ook zien gebeuren. Die samenleving stuurt je de Weg op, de Weg van Jezus van Nazareth. Die samenleving inspireert je om anderen te helpen, om zicht te krijgen op wie de minsten zijn, om kracht te krijgen om je in te zetten voor hen die zwak zijn en onderdrukt. Daar wordt je dus gezegend, zodat van jou en van allen in die samenleving zegen mag uitgaan, het goede dus. Die samenleving is vlak bij, in de kerk om de hoek van de straat. Kijk maar eens bij Kerkdienstgemist.nl .

Merg en vet, met pure, rijpe wijnen.

Jesaja 25:6-12

6 Op deze berg richt de HEER van de hemelse machten voor alle volken een feestmaal aan: uitgelezen gerechten en belegen wijnen, een feestmaal rijk aan merg en vet, met pure, rijpe wijnen. 7 Op deze berg vernietigt hij het waas dat alle volken het zicht beneemt, de sluier waarmee alle volken omhuld zijn. 8 Voor altijd doet hij de dood teniet. God, de HEER, wist de tranen van elk gezicht, de smaad van zijn volk neemt hij van de aarde weg- de HEER heeft gesproken. 9 Op die dag zal men zeggen: ‘Hij is onze God! Hij was onze hoop: hij zou ons redden. Hij is de HEER, hij was onze hoop. Juich en wees blij: hij heeft ons gered!’ 10 De hand van de HEER rust op deze berg, maar onder zijn voeten wordt Moab vertrapt, zoals stro in mest wordt getreden; 11 Moab spreidt zijn armen uit als iemand die tracht te zwemmen, maar hoe hij ook met zijn armen maait, de HEER laat hem door zijn hoogmoed ten onder gaan. 12 Hij haalt de hoge, versterkte muren omver, hij maakt ze met de grond gelijk, niets laat hij ervan heel. (NBV)

Je moet de Bijbel niet altijd letterlijk nemen. Merg en vet en pure rijpe wijnen zijn nu eenmaal tegenwoordig niet meer zo gezond. Het zal toch niet de bedoeling zijn een maaltijd aan te richten waar iedereen op de hele wereld ziek en dronken van wordt. Integendeel. Dit was in de dagen van Jesaja het voedsel voor de rijken. Daar kwamen de gewone mensen niet aan toe, laat staan de armen, laat staan de mensen die honger hadden. Net als in onze dagen de armsten in de wereld niet gevaccineerd worden tegen Corona. Maar er is licht aan het eind van de tunnel. Heel langzaam begint voor de profeet het feest te dagen. Op de berg waar de richtlijnen voor een menselijke samenleving worden bewaard is het voor alle volken goed toeven, uitgelezen gerechten en belegen wijnen, een feestmaal rijk aan merg en vet, met pure, rijpe wijnen, het duurste voedsel toen, maar nu zou er gezond voedsel uit de schijf van vijf op tafel staan. Een prachtig beeld je ziet het voor je. Het hoogtepunt is dan dat de dood voor altijd teniet wordt gedaan. Het is een beeld om over te juichen. Maar hoe zit het dan voor Moab? Dat volk wordt toch vertrapt staat er, zoals stro in mest wordt getreden? Het is dus niet voor alle volken, er zijn volken zoals Moab die niet mogen meedelen maar worden vertrapt.

Moab was een volk uit de geschiedenis van het volk Israel. We nemen aan dat de profeet de vijand uit zijn tijd niet ongestraft kon noemen. Hij wees op een volk waarvan iedereen wist dat dat volk niet had willen delen met het volk Israel maar voortdurend bleef strijden tegen Israel, dat door de woestijn trekkend het land overvloeiende van melk en honing had bereikt. En daar ligt de sleutel tot dit verhaal. Moab was een volk dat niet wilde delen, dat die arme gevluchte slaven uit de woestijn eerder ging bevechten dan een plaats onder de volken te geven. Daarom werden zij vertrapt, want zulke volken zijn niet welkom aan de tafel van de Heer. Bij de Wet van eerlijk delen, van houden van elkaar als van jezelf, kun je niet aankomen met “eigen volk eerst”, niet met “ikke, ikke, ikke en de rest kan stikken”. Op de Berg waar die richtlijnen worden bewaard gaat het over jezelf weggeven, desnoods breken als brood wordt gebroken, je bloed vergieten zoals wijn wordt vergoten. Die maaltijd van delen met ieder zonder eerst aan jezelf te denken is het hart geworden van de godsdienst van Joden en Christenen.

Daarom gingen de Joden op naar de Tempel waar de richtlijnen werden bewaard om samen met de tempeldienaars, de priesters, familie en armen en de vreemdelingen maaltijd te houden. Daarom hielden Christenen op de eerste dag van de week een maaltijd waarbij iedereen welkom was en alle onderscheid, tussen mannen en vrouwen, slaven en vrijen, Joden en Heidenen, armen en rijken, was verdwenen. Van die maaltijd kun je in kerken zo af en toe nog een herinnering tegenkomen. Dat zomaar alle onderscheid tussen mensen is verdwenen kan heel pijnlijk zijn voor mensen die graag macht uitoefenen. Daarom is soms die maaltijd voorbehouden aan Priesters, of heel heilig gemaakt, alsof in die maaltijd God wordt opgegeten. Maar pas op dat je niet bij het volk van Moab gaat behoren. De maaltijd van God is voor alle volken, is de godsdienst bij uitstek. De maaltijd in de Kerk is de godsdienstoefening, elk van ons oefent in delen met de ander. Een oefening die je dag in dag uit in de praktijk mag brengen.

Een toevlucht voor de zwakken

Jesaja 25:1-5

1 HEER, u bent mijn God. Ik zal u hulde bewijzen, uw naam loven. Want wonderbaarlijk zijn uw daden, u hebt uw beleid sinds mensenheugenis trouw en betrouwbaar uitgevoerd. 2 Hun stad hebt u tot een bouwval gemaakt, hun versterkte vesting tot een ruïne; het bolwerk van barbaren is geen stad meer. Nooit zullen ze herbouwd worden. 3 Daarom zal het gewelddadige volk u eren, de stad van wrede volken ontzag voor u tonen. 4 U was een toevlucht voor de zwakken, een toevlucht voor de armen in hun nood, beschutting tegen stortbuien, schaduw tegen hitte. Want het woeden van die wrede volken is als een stortbui tegen een muur, 5 als hitte in een dorre streek. U doet het barbaarse gejoel verstommen, u tempert de triomf van tirannen, zoals de schaduw van een wolk de hitte tempert. (NBV)

Wat de liefde tussen mensen toch allemaal tot stand kan brengen. Niet altijd is dat direct zichtbaar. Neem nu de vrede in Noord Ierland. Daar vormen voormalige terroristen nu samen een regering. Protestantse en Rooms Katholieke leiders die elkaar verdoemden gaan hand in hand het parlement binnen om daar te zorgen voor een vreedzame samenleving. Natuurlijk duurt het nog wel een hele tijd voor alle leed zal zijn geheeld, alle tranen zijn gedroogd en alle angst voor elkaar zal zijn verdwenen. Maar die eenvoudige huisvrouwen die jaren geleden de Nobelprijs voor de vrede kregen en al die mensen die onophoudelijk onverzoenlijke tegenstanders met elkaar in gesprek brachten hebben uiteindelijk resultaat gehad. In Nederland waren er zeer lang zeer veel gezinnen die jaar in jaar uit Katholieke en Protestantse kinderen in hun huis ontvingen en daar samen een vakantie mee vierden. Die kinderen vormen nu de basis van de nieuwe vreedzame samenleving die daar aan het ontstaan is.

Wederzijds kunnen ze zeggen dat het bolwerk van de barbaren geen stad meer is, dat het gewelddadige volk ook God zal eren, dat de stad van de wrede volken ontzag voor God zal tonen. In Noord Ierland lijkt dat allemaal waar te worden. De Engelse Brexit lijkt dat hele vredesproces weer in gevaar te brengen. De Noord Ierse Katholieken willen geen grens met Ierland, de Protestantse Noord Ieren willen geen grens met Engeland. De eerste schermutselingen hebben al plaatsgevonden. Het wordt misschien tijd om ons opnieuw te gaan bemoeien met de betekenis van samenleven daar. Jesaja had het natuurlijk niet over Noord Ierland. Hij had het over zijn eigen stad, zijn eigen land. Daar waren de mensen weggevoerd. Daar had het geweld van grote machtige rijken alles verwoest. Maar Jesaja wist dat, als mensen het niet opgaven ook hun vijanden lief te hebben, als ze volhielden met elkaar te delen, als ze de ogen openhielden voor de zwaksten, als ze door bleven gaan de hongerigen te voeden en de naakten te kleden, dat dan zou de dag komen dat de ballingen uit hun gevangenschap terug zouden keren en het land in vrede hersteld kon worden.

Sinds de profeet dat opschreef en het in het boek van de profeet Jesaja terecht is gekomen is het de hoop geworden van ontelbare onderdrukte volken. Nooit kan de hoop op bevrijding worden opgegeven. Jezus van Nazareth gaf zijn volgelingen de opdracht de armen bevrijding te gaan verkondigen toen de hele wereld zuchtte onder het wrede juk van de Romeinen. Het zal ons in beweging moeten zetten. Het is niet zo dat God buiten ons om de hongerigen voedt, de naakten kleed en de armen bevrijdt. God daagt ons uit en zet ons in beweging om juist dat te doen, om die weg te gaan. Als wij doof blijven voor het geschrei van de kindslaven, de gedwongen prostituees, de gewetensgevangenen, de slachtoffers van oorlog en geweld, hoe kunnen we dan denken dat een God in de hemel dat wel hoort. Meer als een schaduw die de hitte van zon tempert hoeven we immers niet zijn.

Zing voor de HEER

Psalm 30

1 Een psalm. Een lied bij de inwijding van de tempel. Van David. 2 Hoog wil ik u prijzen, HEER, want u hebt mij gered en mijn vijand geen reden gegeven tot vreugde. 3 HEER, mijn God, ik riep tot u om hulp en u hebt mij genezen. 4 HEER, u trok mij uit het dodenrijk omhoog, ik daalde af in het graf, maar u hield mij in leven. 5 Zing voor de HEER, allen die hem trouw zijn, loof zijn heilige naam. 6 Zijn woede duurt een oogwenk, zijn liefde een leven lang, met tranen slapen we ‘s avonds in, ‘s morgens staan we juichend op. 7 In mijn overmoed dacht ik: Nooit zal ik wankelen. 8 HEER, u had mij lief en ik stond als een machtige berg, u verborg uw gelaat en ik bezweek van angst. 9 U, HEER, roep ik aan, u, Heer, smeek ik om genade. 10 Wat baat het u als ik sterf, als ik afdaal in het graf? Kan het stof u soms loven en getuigen van uw trouw? 11 Luister, HEER, en toon uw genade, HEER, kom mij te hulp. 12 U hebt mijn klacht veranderd in een dans, mijn rouwkleed weggenomen, mij in vreugde gehuld. 13 Mijn ziel zal voor u zingen en niet zwijgen. HEER, mijn God, u wil ik eeuwig loven. (NBV)

Vandaag zingen we met de kerk een Psalm mee met een politieke geschiedenis. Want de Psalm begint met  het opschrift :
” Een lied bij de inwijding van de tempel”. In de Statenvertaling stond nog ” een lied der inwijding van Davids huis.” Voor beide vertalingen is wel wat te zeggen. In het Hebreeuws staat letterlijk “voor de inwijding van het huis, van David”En staat die Nederlandse komma er nu wel of niet? Een Psalm gemaakt door David is niet zo vreemd. En in de Bijbel gaat het toch steeds over het Huis des Heren, dat is de Tempel. Zo is door de Rabbijnen door de eeuwen heen ook deze psalm uitgelegd en die uitleg was voor de vertalers van de Nieuwe Bijbelvertaling doorslaggevend. Maar er waren ook steeds uitleggers die vonden dat de Psalm gemaakt was toen David Koning was en het geslacht van David, het huis van David in koningstermen, een begin maakte, probleem is dat Salomo de tempel bouwde en David toen al lang dood was.

Ook Jezus van Nazareth behoorde tot het huis en het geslacht van David vertelt het Evangelie van Lucas ons. En in het onderscheid tussen het Huis des Heren en het Huis van David krijgt de geschiedenis van de Psalm een politiek tintje. Want wie beschouwen wij als onze hoogste Heer. Koning Willem-Alexander met zijn kabinet Rutte, of de God van Israël Als we de regering als hoogste gezag beschouwen moeten we die maar gehoorzamen en ons neerleggen bij de gang van zaken. Maar als we de God van Israël als hoogste gezag aanvaarden moeten we stem geven aan de stemlozen, aan de minsten, de hongerigen, de naakten, de gevangenen, de zieken en de zwakken. Dan moeten we dus onophoudelijk blijven vragen waarom er meer nadruk gelegd wordt op de aanschaf van peperdure gevechtsvliegtuigen en je zelden iets hoort over het oplossen van de voedselcrisis in de armste landen van de wereld.

Dan moet je dus vragen waarom er in ons land wordt getolereerd dat bevolkingsgroepen tegen elkaar opgezet worden omdat ze verschillend zouden geloven, of omdat ze in een God geloven. Het is duidelijk dat deze Psalm in elk geval oproept om de God van Israël te loven en hem te vertrouwen als het gaat om de zaken van leven en dood. Koning David wordt in de Bijbel dan ook vaak als symbool voor de Godsgetrouwe bestuurder genoemd. Een koning die vrede bracht in het land en gerechtigheid betrachtte. Als wij een keus moeten maken tussen de inwijding van de Tempel of het Huis van David dan maakt dat voor ons niet veel uit. In de Tempel werden immers de richtlijnen voor de menselijke samenleving bewaard, samengevat in het heb uw naaste lief als uzelf en van het Huis van David wordt juist van die richtlijnen de toepassing door de regering verwacht. Door het zingen van deze Psalm geven wij daar vandaag stem aan, stem voor de minsten op aarde en het vertrouwen dat dat lijden voorbij zal gaan.

Ook zij werden niet geloofd.

Marcus 16:9-20

9 Toen hij vroeg op de eerste dag van de week uit de dood was opgestaan, verscheen hij eerst aan Maria uit Magdala, bij wie hij zeven demonen had uitgedreven. 10 Ze ging het nieuws vertellen aan de mensen die hem hadden vergezeld en die nu om hem treurden en rouwden. 11 Toen ze hoorden dat hij leefde en dat zij hem had gezien, geloofden ze het niet. 12 Daarna verscheen hij in een andere gedaante aan twee van hen toen ze buiten de stad aan het wandelen waren. 13 Ze gingen terug en vertelden het aan de anderen; maar ook zij werden niet geloofd. 14 Ten slotte verscheen hij aan de elf terwijl ze aan het eten waren, en hij verweet hun hun ongeloof en halsstarrigheid, omdat ze geen geloof hadden geschonken aan degenen die hem hadden gezien nadat hij uit de dood was opgewekt. 15 En hij zei tegen hen: ‘Trek heel de wereld rond en maak aan ieder schepsel het goede nieuws bekend. 16 Wie gelooft en gedoopt is zal worden gered, maar wie niet gelooft zal worden veroordeeld. 17 Degenen die tot geloof zijn gekomen, zullen herkenbaar zijn aan de volgende tekenen: in mijn naam zullen ze demonen uitdrijven, ze zullen spreken in onbekende talen, 18 met hun handen zullen ze slangen oppakken en als ze een dodelijk gif drinken zal dat hun niet deren, en ze zullen zieken weer gezond maken door hun de handen op te leggen.’ 19 Nadat hij dit tegen hen had gezegd, werd de Heer Jezus in de hemel opgenomen en nam hij plaats aan de rechterhand van God. 20 En zij gingen op weg om overal het nieuws bekend te maken. De Heer hielp hen daarbij en zette hun verkondiging kracht bij met de tekenen die ermee gepaard gingen.(NBV)

Het is ook een ongelofelijk verhaal. De gemeenten die het verhaal van Marcus hadden gelezen zullen gezocht hebben naar een passend einde van het verhaal over Jezus van Nazareth. Dat einde kon toch niet de verwarring van de vrouwen zijn waarmee Marcus oorspronkelijk zijn verhaal had afgesloten? Ook niet de boodschap dat iedereen maar weer gewoon naar huis moest gaan. Voor die eerste gemeenten was er iets nieuws begonnen, iets echt nieuws. Daarvoor waren ze bij elkaar op de eerste dag van de week, daarvoor lazen ze dat hele verhaal van Marcus aan elkaar voor. Hoe die laatste verzen aan het verhaal van Marcus zijn toegevoegd weten we niet. Misschien is het verhaal wel teruggestuurd naar de schrijver, met de vraag hoe het verder ging met dat verhaal van Jezus van Nazareth. Er zijn twee versies van een nieuw slot aan het Evangelie.

De ene zegt dat de vrouwen alles aan Petrus en de zijnen hadden verteld maar niet geloofd werden en dat Jezus van Nazareth toen maar zelf was verschenen en ze had opgedragen om dat goede nieuws aan iedereen te gaan vertellen. Het andere slot heeft het uiteindelijk gehaald en dat is wat we vandaag lezen. Ook daarin wordt benadrukt dat het niet werd geloofd. Nu worden vrouwen vaak niet geloofd en dat overkwam ook Maria van Magdala. Ze was vroeger niet helemaal goed bij haar hoofd geweest, Jezus van Nazareth had wel zeven demonen uitgedreven, een behoorlijk genezingsproces zouden we tegenwoordig zeggen. Maar geloven deden ze het niet. Ook niet toen twee van de volgelingen Jezus van Nazareth buiten de stad tegen waren gekomen, dat kan toch niet hebben ze geroepen. Maar uiteindelijk verscheen hij aan de elf, Judas was immers een andere weg ingeslagen, en was Jezus van Nazareth duidelijk ontstemd over dat ongeloof. Dat nam niet weg dat die volgelingen van Jezus van Nazareth de opdracht kregen om de hele wereld rond te trekken en aan iedereen het goede nieuws bekend te maken.

Als je gelooft en een nieuw leven wil beginnen, dat doe je door je oude leven af te spoelen en je dus te laten dopen, dan zal je gered worden van het je leven laten beheersen door de dood. Die eerste gemeenten dachten nog dat Jezus van Nazareth direct terug zou komen om te oordelen wie goed had gedaan en wie niet. Pas veel later zou een briefschrijver de gemeente er op wijzen dat je moet leven alsof Jezus van Nazareth vandaag of morgen echt terugkomt. Dan hou je het goede doen ook pas echt vol. Maar het kwade verdrijven en contact leggen met iedereen in de wereld, de taal spreken van iedereen , hoort nog steeds bij gelovigen. Immers oog hebben voor de minsten, liefde voor de naaste, maakt dat je mensen echt kunt helpen en ook echt contact krijgt met anderen. Waar Jezus van Nazareth ondertussen is? Bij God, zoals we mogen geloven dat onze gestorven geliefden bij God zijn. Maar zij gingen op weg, wij mogen op weg gaan om iedereen te laten weten dat er geen honger hoeft de zijn, dat iedereen gekleed kan worden, dat bedroefden getroost en gevangenen bevrijdt kunnen worden. Dat die nieuwe wereld ook voor ons voor het grijpen is.

Toen de sabbat voorbij was

Marcus 16:1-8

1 Toen de sabbat voorbij was, kochten Maria uit Magdala en Maria de moeder van Jakobus, en Salome geurige olie om hem te balsemen. 2  Op de eerste dag van de week gingen ze heel vroeg in de ochtend, vlak na zonsopgang, naar het graf. 3  Ze zeiden tegen elkaar: ‘Wie zal voor ons de steen voor de ingang van het graf wegrollen?’ 4  Maar toen ze opkeken, zagen ze dat de steen al was weggerold; het was een heel grote steen. 5  Toen ze het graf binnengingen, zagen ze rechts een in het wit geklede jongeman zitten. Ze schrokken vreselijk.6  Maar hij zei tegen hen: ‘Wees niet bang. U zoekt Jezus, de man uit Nazaret die gekruisigd is. Hij is opgewekt uit de dood, hij is niet hier; kijk, dat is de plaats waar hij was neergelegd. 7  Ga terug en zeg tegen zijn leerlingen en tegen Petrus: “Hij gaat jullie voor naar Galilea, daar zullen jullie hem zien, zoals hij jullie heeft gezegd.”’ 8  Ze gingen naar buiten en vluchtten bij het graf vandaan, want ze waren bevangen door angst en schrik. Ze waren zo erg geschrokken dat ze tegen niemand iets zeiden. (NBV)

Begint alles nu gewoon weer opnieuw? Het was immers in Galilea begonnen? Daar kwam Petrus vandaan, daar kwamen ook de meeste anderen vandaan. De vrouwen hadden nog zo geloofd dat het niet afgelopen zou zijn. Ze hadden op de eerste dag van de week, toen de markt weer open was, geurige olie gekocht om het lichaam van Jezus van Nazareth te balsemen. Zo vroeg mogelijk waren ze daarmee naar het graf gegaan. Ze hadden op de dag van de kruisiging, de avond van de voorbereidingsdag, zelf gezien hoe Jezus van Nazareth in dat graf gelegd was. En, o ja, ze hadden ook gezien hoe die Josef van Arimathea een grote steen voor het graf gerold had. Niks voor vrouwen om die weer weg te rollen. Maar de steen was al weggerold en toen ze het graf binnengingen zat daar een in het wit geklede jongeman. In kerkelijke verhalen werd die al snel een engel, maar dat staat er niet. Wie of wat die jongeman was en wat die daar eigenlijk deed vertelt Marcus ons niet. En die jongeman heeft een ongelofelijk verhaal. Jezus van Nazareth is niet in het graf, hij is opgewekt uit de dood.

Wat dat is en waar die dan wel is en hoe dat gegaan zou moeten zijn wordt er door de jonge man niet bij vertelt. Dat weten we dus ook niet. Jezus is dus niet opgestaan uit de dood, of uit de doden zoals in kerken vaak wordt verteld, hij is opgewekt uit de dood. En iets nieuws is er niet bij. Hij heeft geen boodschappen achtergelaten, hij heeft een boodschap vooruit gezonden want dat ze naar Galilea moesten gaan had hij vooraf al gezegd. En dan sluit het evangelie van Marcus af. Het eindigt met zwijgen, met schrik en angst. Later bevredigde dat toch niet helemaal en zijn er nog een paar verzen aan toegevoegd. Maar het verhaal over het lege graf en de opwekking van Jezus van Nazareth eindigt met een vlucht bij het graf vandaan. Als het door moet gaan met het verhaal van Jezus van Nazareth dan moet je niet bij een graf zijn, zelfs niet bij een leeg graf.

Dan moet je kennelijk weer gewoon naar huis. Daar zijn de naasten om lief te hebben als jezelf. Daar is het kruis dat je achter Jezus van Nazareth mag opnemen. Daar is die nieuwe gemeenschap die hij zo vaak het Koninkrijk van God had genoemd. Daar kom je hem tegen in de minste van zijn broeders. De vrouwen die bij hem gebleven waren tot in zijn dood toe, bij hem wilden blijven tot in het graf, voor hem wilden blijven zorgen zoals ze al die tijd hadden gedaan, kwamen tot hun schrik tot de ontdekking dat een graf een lege verblijfplaats is. Daar gaat het niet door, daar eindigt het verhaal. Als je door wilt gaan dan moet je weer naar huis, naar je eigen omgeving, daar gaat het door met Jezus van Nazareth, daar kom je hem weer tegen, dat kan de dood niet en nooit meer tegenhouden.

Luister naar mijn klagen

Psalm 88

1 Een lied, een psalm van de Korachieten. Voor de koorleider. Op de wijs van De rietpijp. Een beurtzang, een kunstig lied van de Ezrachiet Heman. 2 HEER, God, mijn redder, overdag schreeuw ik het uit, ‘s nachts zit ik stil voor u neer. 3 Laat mijn gebed u bereiken, luister naar mijn klagen, 4 ik word door rampen bezocht, mijn leven nadert het dodenrijk. 5 Ik hoor bij wie afgedaald zijn in het graf, ik ben als een man aan het eind van zijn krachten, 6 een naamloze dode, ik ben als een gesneuvelde in een massagraf, aan wie u niet langer denkt, losgerukt uit uw hand. 7 U hebt mij onder in de kuil gelegd, in het duister van de diepte, 8 uw toorn drukt zwaar op mij, uw golven slaan over mij heen. sela 9 Bekenden hebt u van mij vervreemd, afgrijzen roep ik bij hen op, ik ben ingesloten en zie geen uitweg meer. 10 Mijn ogen zijn dof van ellende, ik roep u aan, HEER, elke dag, en strek mijn handen naar u uit. 11 Doet u aan doden wonderen, staan schimmen op om u te loven? sela 12 Komt uw liefde in het graf ter sprake of uw trouw in de afgrond? 13 Weet men in de duisternis van uw wonderen of van uw weldaden in het land der vergetelheid? 14 Daarom roep ik u om hulp, HEER, elke morgen nader ik u met mijn gebed. 15 Waarom, HEER, verstoot u mij en verbergt u voor mij uw gelaat? 16 Ik ben verzwakt, van jongs af in doodsgevaar, verbijsterd moet ik uw woede verduren. 17 De gloed van uw toorn overweldigt mij, uw verschrikkingen maken mij sprakeloos, 18 als water omringen ze mij, dag aan dag, van alle kanten sluiten ze mij in. 19 Mijn beste vrienden hebt u van mij vervreemd, mijn enige metgezel is de duisternis. (NBV)

Vandaag zingen we een wel heel droevige Psalm mee. Een klaagpsalm. Van Heman de Ezrachiet staat er. En de enige Heman die we uit de Bijbel kennen is de zoon van Zerach. Dat was één van de twee zonen uit het overspel van Juda met zijn schoondochter Tamar. Die kwam dus ook al uit zo’n droevige familie. Het lied stond oorspronkelijk in de bundel van de Korachieten, het koor dat de Tempelzang verzorgde en was op de wijze van het lied de Rietpijp zelfs een beurtzang. Zang en tegenzang. Nu staat er bij de klaagpsalmen altijd nog iets van een troost, een vers soms, maar altijd iets waaruit moet blijken dat de God van Israël een redder is, de klager te hulp komt, geneest, of verlost van zijn vijanden. Daar is in deze psalm niks van terug te vinden. Om er iets vrolijks van te maken moet je bijna een hele psalm verder lezen, pas halverwege psalm 89 kom je de zin tegen die gelukkig prijst het volk dat de jubel kent. Die Heman kent van jubel en vrolijkheid helemaal niks.

Misschien aan het begin. Want Heman spreekt de God van Israël aan als zijn redder. Zo ziet hij die God, al lijkt het er op dat die God hem niet ziet. Wie de rest van de psalm op zich in laat werken en verder niet doorleest in de Bijbel loopt kans op een ernstige depressie. Want de psalmist voelt zich van God en alle mensen verlaten. Totale doodsheid is zijn lot. En dat is tegelijk het belang van deze psalm. Want als de Bijbel spreekt over de dood dan is dat meestal helemaal niet de toestand die optreed na het sterven. In de Bijbel wordt vaker over de dood gesproken als een toestand voor het sterven, een situatie waarin iemand verkeerd en waar het sterven een onontkoombaar gevolg van zou kunnen zijn, maar waarin het sterven zelf nog niet aan de orde is. De totale afwezigheid van liefde, warmte en het vermogen om dat te voelen en te delen met wie dan ook, zelfs met God is een beschrijving van doodsheid. De dichter spreekt dan ook uit te horen bij wie in het graf liggen, als gestorven zijn dus.

De dichter wijst God er op dat doden niets zeggen, dat schimmen op de begraafplaats zwijgen en alleen afschrikken. Wie God loven moeten van God warmte en liefde hebben ervaren. Deze psalmdichter ervaart helemaal niets alleen de verschrikkingen van God die hem als water omringen. Water is in Israël zelf een symbool voor de dood. Wij houden niet van dit soort teksten. Zo erg kan het toch niet zijn? Wie ernstig depressief is herkent zich in deze psalm. Al die mensen die hem of haar omringen geven geen liefde, geven geen warmte, versterken eerder het gevoel van God en alle mensen verlaten te zijn, versterken het gevoel al dood te zijn en anderen slechts tot last. Juist omdat zogenaamd gezonde mensen, wij allemaal eigenlijk, zo’n verschrikkelijke hekel hebben aan teksten als deze weigeren we te luisteren naar mensen die ons zulke boodschappen over zichzelf willen brengen. Maar juist mensen die zich van God en alle mensen verlaten voelen hebben zulke teksten nodig, ergens is er begrip ook voor hen. En als zelfs de klassieke psalmberijming dit lied kan zingen, zie het liedboek, en de eenzaamheid kan laten staan moet het ons toch ook kunnen lukken.