Zij zullen mijn volk zijn

Hebreeën 8:7-13

7 Zou het eerste verbond zonder gebreken zijn geweest, dan was er geen ruimte geweest voor een tweede. 8 Maar God berispt zijn volk met de woorden: ‘De dag zal komen-spreekt de Heer-dat Ik een nieuw verbond zal sluiten met het volk van Israël en met het volk van Juda. 9 Niet een verbond zoals Ik dat sloot met hun voorouders toen Ik hen bij de hand nam om hen weg te leiden uit Egypte, want aan dat verbond zijn ze niet trouw gebleven. Daarom heb Ik me niet langer om hen bekommerd-spreekt de Heer. 10 Maar dit is het verbond dat Ik in de toekomst met het volk van Israël zal sluiten-spreekt de Heer: In hun verstand zal Ik mijn wetten leggen en in hun hart zal Ik ze neerschrijven. Dan zal Ik hun God zijn en zij zullen mijn volk zijn. 11 Volksgenoten zullen elkaar niet meer hoeven te onderwijzen, men zal elkaar niet meer hoeven te zeggen: “Ken de Heer!”, want allen zullen Mij kennen, van klein tot groot. 12 Ik zal hun wandaden vergeven en aan hun zonden zal Ik niet meer denken.’ 13 Op het moment dat Hij spreekt over een nieuw verbond heeft Hij het eerste al als verouderd bestempeld. En wat veroudert en verjaart, is de teloorgang nabij. (NBV21)

Hoe bewijs je nu dat je echt hoort bij de mensen van de Weg die door Jezus van Nazareth is gewezen? Hoe laat je zien dat je niet alleen have en goed over hebt voor de beweging maar zelfs je eigen leven. In de eerste christengemeenten werd dit zo letterlijk genomen dat sommigen zelfs verlangden naar de marteldood door de Romeinen om maar te laten zien hoe offerbereid ze waren. Dat werd overigens door de leiders van de gemeenschappen bestreden. Het opofferen gaat om het afzien van geweld, het afzien van het streven naar rijkdom, in onze dagen zouden we zeggen het bestrijden van bonussen ook al zijn ze voor jezelf.

Het boek van de profeet Jeremia heeft diepe indruk gemaakt. De Wet in je verstand schrijven betekent dat je voortdurend herinnerd wordt aan dat gebod van heb je naaste lief als jezelf. In een samenleving vol geweld is dat niet gemakkelijk, in een samenleving die gebouwd is op slavenarbeid voert het direct tot conflicten. Maar die kennen we ook in onze samenleving. De vraag waarom leden van raden van bestuur meer dan twintig keer zoveel moeten verdienen dan de laagste lonen in hun bedrijf, bank of instelling wordt nog maar nauwelijks gesteld. Aan de vraag naar rechtvaardige handelsverhoudingen lijken we al helemaal niet meer toe te komen. Bij ons is die Wet nog lang niet in het hart geschreven. Daar is nog heel wat voor nodig, daar moeten wij nog hard aan werken.

Bij ons wordt dan gepleit voor de dialoog, laten we in gesprek gaan over de vraag hoe we samenleving willen inrichten. Maar met mensen die zich laten leiden door angst, de angst dat alles wat ze kennen en waar ze op vertrouwen zal verdwijnen valt moeilijk een dialoog op gang te brengen. Ze vinden vaak dat ze niet gehoord worden en heen en weer praten bevestigd dat alleen. Dan gaat het om het luisteren. Zoals de God van Mozes had geluisterd. Het gekerm en geklaag van zijn volk dat in slavernij in Egypte woonde had die God zeer wel gehoord en dat volk moest daarvan bevrijd worden. Wij denken ook eenmaal in het jaar aan slachtoffers van een moorddadig regiem. Maar gaan wij dan op pad om slachtoffers van oorlog en geweld, van onderdrukking en ontmenselijking te bevrijden? Dat is de vraag die vandaag ook door de schrijver van deze brief wordt gesteld.

 

Een beter verbond

Hebreeën 8:1-6

1 De kern van mijn betoog is dat wij zo’n hogepriester hebben: één die in de hemel plaatsgenomen heeft aan de rechterzijde van de troon van Gods majesteit 2 en die de dienst vervult in het ware heiligdom, de tent die door de Heer en niet door mensen is opgericht. 3 Iedere hogepriester wordt aangesteld om gaven en offers op te dragen, en dus had ook Hij iets nodig om te offeren. 4 Op aarde zou Jezus geen priester zijn, want daar zijn al priesters die offergaven opdragen zoals de wet dat voorschrijft. 5 Zij verrichten hun dienst in wat een afspiegeling, een schaduwbeeld is van het hemelse heiligdom, zoals dat aan Mozes geopenbaard werd toen hij begon met het oprichten van de tabernakel: ‘Let erop,’ zegt God immers, ‘dat je alles vervaardigt volgens het ontwerp dat je op de berg getoond is.’ 6 Maar Jezus is dus aangesteld voor een eerbiedwaardiger dienst, in die zin dat Hij bemiddelaar is van een beter verbond, dat zijn wettelijke grondslag heeft gekregen in betere beloften. (NBV21)

Je hoort de discussies over de redenering van de schrijver van de brief aan de Hebreeën. Wat nu Jezus van Nazareth als Hogepriester? Die is er toch niet meer? Die kan toch niet de offers opdragen aan de God voor wie hij priester is, zoals alle priesters in Tempels doen? Maar de schrijver van de brief heeft ook hier een antwoord op. Jezus van Nazareth immers is, zo geloven de nieuwe christengemeenschappen, naar God en zit daar aan de rechterhand van God vanwaar hij komen zal om te oordelen de levenden en de doden. Die belijdenistekst is al heel oud en vulde de belijdenis van de Farizeeën aan zoals die na de verwoesting van de Tempel in het jaar 70 in de Synagogen werd uitgesproken.

Die belijdenis kreeg uiteindelijk vorm in het plaatsje Nicea waar op bevel van Keizer Constantijn vertegenwoordigers van Kerken uit het hele Romeinse rijk bijeen kwamen om vast te leggen waar die Christenen nu eigenlijk in geloofden. Dit jaar is dit 1700 jaar geleden. De geloofsbelijdenis die nog overal in de wereld in kerkdiensten wordt voorgelezen heet de geloofsbelijdenis van Nicea. Jesaja schreef dat de Tempel in Jeruzalem ooit weer opgebouwd zou worden en ooit zal dat het middelpunt van de aarde worden. Dat hadden de profeten beloofd en die belofte zal uitkomen zo geloofde men, zo gelooft men vandaag de dag nog steeds. Maar de profeten hadden nog meer gezegd.

Hij leest in het boek van de profeet Jeremia over een nieuw verbond. Het oude verbond uit de Woestijn die eerst in de Tabernakel, de Heilige Tent, en later in de Tempel in Jeruzalem werd bewaard heeft afgedaan schrijft de profeet. Er is een nieuw verbond gekomen. Dat verbond schrijft de richtlijnen uit de Woestijn, niet op stenen platen die alleen toegankelijk zijn voor de Hogepriester maar die richtlijn wordt geschreven in het verstand van de volgelingen, in hun hart zelfs. En dat nieuwe verbond is volgens de Christenen het verbond met Jezus van Nazareth die als offers dus de gelovigen heeft aan te bieden die hun leven opofferen voor hun naaste zoals Jezus van Nazareth zelf zijn leven heeft geofferd voor iedereen. En in je hart kun je ze ook nu nog meedragen en vervullen.

Gerechtigheid en macht

Jesaja 45:20-25

20 Laten wie uit de volken zijn ontkomen zich verzamelen, laat hen allen naderbij komen. Wie een houten godenbeeld ronddraagt, heeft geen verstand. Wie bidt er nu tot een god die niet redt? 21 Kom hier, overleg met elkaar en vertel: Wie heeft dit van meet af aan laten horen, wie heeft het lang tevoren aangekondigd? Was Ik dat niet, de HEER? Buiten Mij is er geen god. Alleen Ik ben een rechtvaardige God, alleen Ik breng redding. 22 Keer terug naar Mij en laat je redden, ook jullie aan de einden der aarde; want Ik ben God, er is geen ander. 23 Ik heb bij mijzelf gezworen: Uit mijn mond komt gerechtigheid voort, een woord dat Ik spreek wordt niet herroepen. Voor Mij zal elke knie zich buigen en elke tong zal bij Mij zweren. 24 ‘Alleen bij de HEER,’ zal men zeggen, ‘is gerechtigheid en macht te vinden.’ Allen die zich tegen Hem keerden zullen tot Hem komen en beschaamd staan. 25 Heel het nageslacht van Israël zal bij de HEER recht vinden en zich gelukkig prijzen. (NBV21)

Plotseling gaat het in het boek van de profeet Jesaja niet meer alleen over het volk Israël. Elk volk kan de ellende van onderdrukking en geweld overkomen. Grootmachten liggen overal op de loer om nog grotere machten te worden. Vroeger heten ze koningen en keizers, tegenwoordig presidenten en dictators, maar verschillen doen ze niet. Welke opvatting je ook aanhangt, welke leus je ook achterna loopt je ontkomt niet aan de ellende die mensen elkaar aandoen. Altijd zijn er rijken die nog rijker willen worden en altijd zijn er armen van wie zelfs het laatste dat ze nog hebben wordt afgepakt. Natuurlijk zijn er rijken die af en toe een klein deel van hun vermogen uitdelen aan armen om het ongenoegen dat het verschil oproept wat te matigen. Ze worden meestal dan aardig gevonden, er worden meer producten van hen gekocht en hun macht, rijkdom en invloed nemen alleen maar toe. Waar is redding uit deze chaos te vinden, waar is het recht dat de armen toekomt? Juist, voor lezers in de Bijbel is dat te vinden bij de God van Israël.

Het is een misverstand te denken dat er dan een arm uit de wolken gestoken wordt die de dictators en misdadige presidenten tot moes knijpt. Het is een misverstand om te denken dat zonder dat de armen er zelf wat aan doen de bevrijding vanzelf aanbreekt. Juist de armen moeten beseffen dat zij het zelf zijn die de de chaos en de ellende in de wereld in stand houden. Als er niemand meer naar de oorlog zou gaan zou elke oorlog vanzelf ophouden. In de Kerstnacht wordt in talloze kerken in de wereld een verhaal vertelt dat een prachtig voorbeeld is van hoe de armen op een geweldloze manier de macht van machtige Keizers, in onze dagen dictators, kunnen breken. In de dagen dat het Romeinse Rijk de wereld beheerste en de bekende wereld van Schotland tot Ethiopië had veroverd wilde de Keizer van dat Rijk iedereen laten tellen zodat er belasting van alle inwoners geheven kon worden. Koning Herodes zou dat wel even voor hem regelen. Iedereen moest thuis blijven, huis aan huis zou worden geteld en moest de eed van trouw aan de Keizer worden afgelegd. Soldaten zagen er op toe dat iedereen zich aan die regel zou houden.

Dat deden de meeste mensen dan ook. Maar niet de herders, die moesten immers hun kudden beschermen tegen wilde dieren. Zelfs in de nacht. Maar ook mensen uit Israël verstonden het bevel van die Keizers anders dan was bedoeld. Ooit had de God van Israël beloofd dat armen een stukje grond kregen in Israël en als ze dat kwijt raakten door misoogst of ellende dan kregen hun nazaten dat na vijftig jaar weer terug. Omdat uit de mond van die God gerechtigheid voortkomt en hij had gezworen dat hij het woord dat hij had gesproken niet zou herroepen gingen arme mensen naar de plaats die God hen had gewezen, de akker die ooit aan hun voorgeslacht gegeven was. Toen daar zelfs een kind werd geboren was de hele volkstelling bij voorbaat mislukt. Het volgen van het Woord van de God van Israël brengt bevrijding, dat brengt de hemel op aarde, vrede op aarde en in mensen een welbehagen. Zelfs die herders hoefden niet meer bang te zijn, zij telden mee door wat ze deden met hun kudde. Dat kind werd de bevrijder van Israël genoemd, God met ons, Immanuel. Vier het gerust mee in een protestantse kerk in de buurt, de boodschap is nog steeds niet anders dan toen.

 

Niet als chaos

Jesaja 45:14-19

14 Dit zegt de HEER: De Egyptenaren met hun schatten, de Nubiërs met hun rijkdom en de rijzige Sabeeërs, zij zullen komen en jullie toebehoren. Ze komen in ketenen en volgen je, ze buigen voor je en belijden: ‘Bij u alleen is een God, er is geen andere god, niet één.’ 15 En: ‘Voorwaar, U bent een God die zich verborgen houdt, de God van Israël, die redding brengt.’ 16 De ambachtslieden met hun godenbeelden staan te schande en worden gehoond, ze worden samen te schande gemaakt. 17 Maar Israël wordt door de HEER gered, Hij brengt redding voor eeuwig. Jullie staan niet te schande en worden niet gehoond, in alle eeuwigheid niet. 18 Dit zegt de HEER, die de hemel geschapen heeft-Hij is God! -, die de aarde gemaakt en gevormd heeft en die haar heeft gegrondvest- niet als chaos schiep Hij de aarde, maar om te bewonen heeft Hij haar gevormd: Ik ben de HEER, er is geen ander. 19 Ik heb niet in het verborgene gesproken, ergens in een duister oord, Ik heb Jakobs nageslacht niet gevraagd: ‘Zoek Mij in de chaos.’ Nee, Ik ben de HEER, al wat Ik zeg is rechtvaardig, wat Ik aankondig is waarachtig. (NBV21)

Denk nu niet dat profeten toekomstvoorspellers zijn. Dan zouden ze door de mand gevallen zijn met het gedeelte dat we vandaag lezen uit het boek van de profeet Jesaja. Want we kunnen ons toch niet echt voorstellen dat de Egyptenaren, Ethiopiërs en Eritreeërs in ketenen naar Judea zijn gekomen om hun rijkdom en hun diensten aan te bieden aan de Judeeërs omdat die nu eenmaal volgelingen zijn van de enige God die in de wereld telt, maar die zich verborgen houdt voor de volken die buiten Judea wonen. Sommigen zouden zeggen dat die woorden van Jesaja toch een voorspellende waarde hebben want misschien noemen ze de God van Israël niet bij dezelfde naam als de Judeeërs, maar erkennen ze dezelfde God op grond van het woord van een andere profeet die de ene God van Israël, schepper van hemel en aarde, op een wat andere manier aan hen heeft verkondigd. Zelf beschouwen de volgelingen van die profeet hun God in elk geval als dezelfde als de God van Joden en Christenen.

Het gaat Jesaja hier niet om de toekomst maar om het heden. De terugkeer van de ballingen was een angstige zaak. Grootmachten blijven door de geschiedenis heen altijd kleine zwakke landjes bedreigen. Voordat je openlijk in oorlog gaat met zo’n grootmacht moet je toch wel heel erg wanhopig zijn want voor je het weet is je volk dood en verdwenen. Egypte was op het eind van de ballingschap toch de grootmacht aan wiens grens de herbouw van Jeruzalem en de Tempel plaatsvond. Jesaja roept dus tegen de teruggekeerde ballingen dat ze niet bang hoeven te zijn. Een God die een Heidense Koning als Cyrus kan bewegen toestemming te geven voor de terugkeer naar het land Israël en hen zelfs het bevel gaf hun hoofdstad en Tempel te herbouwen die zie je misschien niet maar die God kan ook die bedreigende grootmachten aan, als je maar op die God blijft vertrouwen door je nieuwe samenleving in te richten volgens de richtlijnen van die God.

Wij blijven dan strijden over de uitspraken van de profeet dat die God van Israël de aarde heeft geschapen. De profeet heeft het hier echter uitdrukkelijk niet over de natuurkunde, of welke menselijke wetenschap dan ook, maar over de verhouding tussen de God van Israël en de mensen. De aarde was en is een chaos, de ene ramp volgt op de andere en we horen van oorlogen en geruchten van oorlogen. Vrede op aarde mogen we met kerst zingen en honderd jaar geleden kwamen zelf soldaten in een grote oorlog uit hun loopgraven om samen van de kerst en de vrede op aarde te zingen, maar de drie jaar er na bleven ze ook met kerst op hun vijanden schieten. Ook nu is zelfs Kerst niet een feest met vrede op aarde, overal op aarde gaat de oorlog door, zo hier en daar onderbroken door een paar vrije dagen. De rol van de God van Israël is die aarde bewoonbaar te maken voor mensen. Daar is zijn richtlijn van Gij zult niet doden voor. Daarvoor is nodig dat iedereen kan meedoen, zijn hele richtlijn laat zich samenvatten als heb je naaste lief als jezelf, zelfs als dat je vijand is. Ook wij zullen moeten inzien dat alleen het volgen van die richtlijnen ons vrede op aarde en in mensen een welbehagen kan brengen.

 

Geen poort blijft gesloten

Jesaja 45:1-13

1 Dit zegt de HEER tegen Cyrus, zijn gezalfde, die Hij bij de rechterhand neemt, aan wie Hij volken onderwerpt, voor wie Hij koningen ontwapent, voor wie Hij deuren opent- geen poort blijft gesloten: 2 Ik zal voor je uit gaan, Ik zal ringmuren slechten, bronzen deuren verbrijzelen, ijzeren grendels stukbreken. 3 Ik zal je verborgen schatten schenken, diep weggeborgen rijkdommen. Dan zul je weten dat Ik de HEER ben, de God van Israël, die jou bij je naam roept. 4 Omwille van mijn dienaar Jakob, van Israël, dat Ik heb uitgekozen, heb Ik je bij je naam geroepen en je met een erenaam getooid, ofschoon je Mij niet kende. 5 Ik ben de HEER, er is geen ander, buiten Mij is er geen god. Ik heb je omgord met wapens, ofschoon je Mij niet kende. 6 Zo zal iedereen, van oost tot west, weten dat er niets is buiten Mij. Ik ben de HEER, er is geen ander 7 die het licht vormt en het donker schept, die vrede maakt en onheil schept. Ik ben het, de HEER, die al deze dingen doet. 8 Hemel, laat gerechtigheid neerregenen, laat haar neerstromen uit de wolken. Laat de aarde zich openen zodat redding zal ontkiemen en gerechtigheid ontspruiten. Ik, de HEER, heb dit alles geschapen. 9 Wee degene die de strijd aanbindt met Hem door wie hij gevormd is- een potscherf tussen de potscherven. Zegt de klei soms tegen wie hem vormt: ‘Wat ben je eigenlijk aan het maken?’ of: ‘Deze pot heeft niet eens oren!’ 10 Wee degene die tegen zijn vader zegt: ‘Wat heb je verwekt?’ en tegen zijn moeder: ‘Wat hebben je barensweeën gebracht?’ 11 Dit zegt de HEER, de Heilige van Israël, die Israël gevormd heeft: Wilden jullie Mij ondervragen over het lot van mijn kinderen, of Mij iets voorschrijven omtrent het werk van mijn handen? 12 Ik ben het die de aarde maakte en de mens op aarde schiep; mijn handen hebben de hemel uitgespannen, Ik riep het sterrenleger tevoorschijn. 13 Ik ben het die Cyrus liet opstaan in gerechtigheid, steeds opnieuw baan Ik voor hem de weg. Hij zal mijn stad herbouwen; hij geeft mijn ballingen de vrijheid terug, zonder betaling of steekpenningen te eisen -zegt de HEER van de hemelse machten. (NBV21)

Gerechtigheid, dat is wat de God van Israël ons geeft. Gerechtigheid in de zin dat ieder tot zijn of haar recht komt. Die hemel is ooit door God boven ons gezet als een bescherming, een schild tegen de wateren van boven. En wateren kunnen dodelijk zijn. In de taal van het volk Israël staat het water vaak voor de dood. Denk maar eens aan het verhaal over Noach toen God opnieuw wilde beginnen met de aarde en de mensen voor wie God die aarde en de hemel er boven gemaakt had. Die gerechtigheid staat niet ter discussie. Voor sommige mensen is dat wel beangstigend. Zij vinden zichzelf maar slecht en als ze tot hun recht moeten komen dan blijft er maar weinig van hen over. Ze zijn niet in staat tot enig goed dus het kwaad wordt zichtbaar als de gerechtigheid van de God van Israël hen treft. Maar het is niet anders. Met de moderne technologie kunnen we niet meer zeggen dat wij mensen niet kunnen bepalen wanneer het wel of niet regent, maar daar maken we zo weinig gebruik van dat je rustig kunt zeggen dat je de regen niet kunt ontlopen. God laat het over de goeden en de slechten regenen.

Maar in dit gedeelte van het boek van de profeet Jesaja gaat de God van Israël tekeer tegen die mensen die zich zo slecht vinden. God heeft toch geen slechte mensen geschapen? Toen God de mens had geschapen, man en vrouw schiep hij hen, zag God dat het goed was. Maar het waren mensen die zelf wel wilden uitmaken wat goed en wat slecht was. Als ze dat konden waren ze immers gelijk aan God geworden. Ze gedragen zich als de klei die tegen de pottenbakker zegt dat de pot die gemaakt is geen oren heeft, of de baby die aan de vader en moeder vraag wat ze eigenlijk hebben voortgebracht. Belachelijk als je het zo stelt. Maar dat doen mensen die over zichzelf en over anderen een oordeel vellen. Ze ontkennen de God van Israël zoals de Bijbel ons die leert kennen. Een God die bevrijdt, ondanks het slechte dat mensen doen. Een God die barmhartig en genadig is, zoals Mozes zag toen hij de richtlijnen voor de menselijke samenleving kreeg. Als mensen die richtlijnen volgt dan merken ze dat ze het goede kunnen doen en niet dan het goede.

Die God van Israël maakt zelfs het slechte goed. Die Cyrus van Perzië was geen gelovige van de God van Israël. Dat hij iets zou weten van de grootheid van die God, van het machtige dat die God kan doen is zeer onwaarschijnlijk. Maar hij doet wat de God van Israël wil, hij bevrijdt het volk uit de ballingschap en zorgt er voor dat ze terugkeren naar hun land en daar de Tempel en Jeruzalem weer herbouwen. Er zullen overigens een heleboel Judeeërs blijven wonen in het land van hun ballingschap. Ze hebben daar immers hun bestaan opgebouwd, hun kinderen zijn er geworteld. Maar het zijn niet langer ballingen, het zijn vrije mensen geworden. Vrije mensen die het vrij staat hun God te dienen en hun Godsdienst te belijden. Zij zijn het die zorgen dat mensen tot hun recht komen, zij zijn het die hun naaste liefhebben als zichzelf, die oog hebben voor de zieken en gehandicapten en aandacht en recht vragen voor de weduwe en de wees. Door Jezus van Nazareth kunnen wij ons aansluiten bij hun gemeenschap en het goede doen en niets dan het goede. Daartoe worden wij geroepen elke dag opnieuw, ook vandaag weer.

Het zal weer bewoond worden

Jesaja 44:21-28

21 Neem deze dingen ter harte, Jakob, neem ze ter harte, Israël, want jij bent mijn dienaar. Ik heb je gevormd, je bent mijn dienaar, Israël, Ik zal je niet vergeten. 22 Ik heb je misdaden als een wolk doen verdampen, je zonden als de ochtendnevel. Keer terug naar Mij: Ik zal je vrijkopen. 23 Juich, hemel, want de HEER heeft dit gedaan, jubel, diepten van de aarde, bergen, breek uit in gejuich, en ook jullie, bossen met al je bomen: ja, de HEER koopt Jakob vrij, in Israël toont Hij zijn luister. 24 Dit zegt de HEER, je bevrijder, die je al in de moederschoot heeft gevormd: Ik, de HEER, ben het die alles gemaakt heeft, de enige die de hemel heeft uitgespannen, die zelf de aarde heeft uitgespreid. 25 Die de tekenen van orakelpriesters verstoort en waarzeggers ontmaskert, die wijzen naar de achtergrond dringt en hun kennis bespottelijk maakt, 26 die het woord van zijn dienaar gestand doet en vervult wat zijn boden hebben voorzegd. Die van Jeruzalem zegt: ‘Het zal weer bewoond worden,’ en van Juda’s steden: ‘Ze zullen herbouwd worden, en wat verwoest was, laat Ik herrijzen.’ 27 Die de diepste oceaan gebiedt: ‘Word droog! Ik zal je waterstromen droogleggen.’ 28 Die over Cyrus zegt: ‘Dit is mijn herder, alles wat Ik wil, brengt hij ten uitvoer: hij geeft opdracht om Jeruzalem te herbouwen en voor de tempel de fundering te leggen.’ (NBV21)

We willen zo graag weten wat de toekomst ons brengt. Dat lied van Jaqueline E. van der Waals:” Wat de toekomst brengen moge, mij geleid des Heren hand” is ons niet genoeg. Waarzeggers, astrologen, mediums, instraalsters ze verdienen kapitalen aan onze behoefte de toekomst te kennen. Wie de Weg van de God van Israël wil gaan keert zich af van die onzinvertellers. De toekomst ligt al vast net als het verleden. Niet de toekomst van elk van ons individueel, wij hebben nog steeds de keus deel uit te maken van de toekomst van die God of juist niet met die God de toekomst in te gaan. In de Bijbel vertellen profeten over de toekomst. Maar ze vertellen eerder hoe het in licht van hun tijd zal aflopen dan dat ze iets nieuws vertellen dat nog niet aan het gebeuren was. Jesaja heeft het over de terugkeer van ballingen en de herbouw van Jeruzalem en de Tempel. De herrijzing van Juda als herkenbare eenheid voor bewoning door de mensen die de Weg van de God van Israël zijn gegaan.

Die terugkeer is eigenlijk al begonnen toen ze er in de ballingschap voor kozen toch vast te blijven houden aan de richtlijnen voor de menselijke samenleving die ze van die God hadden gekregen. Ze hadden de verhalen er over bijeengebracht, opgeschreven waar dat nog nodig was, op een rij gezet waar ze versnipperd waren geraakt. De profeet ziet in de politieke veranderingen in zijn tijd een teken dat er ook voor zijn volk wat te veranderen staat. Die koning Cyrus van Perzië is een heel ander soort koning dan de koningen van Babel die ze hadden leren kennen. Die Cyrus, of Kores zoals hij ook wel in de Bijbel genoemd word, bestuurt zijn rijk zoals een herder zijn kudde schapen bestuurt. Hij zorgt er voor dat ze grazige weiden hebben en helder fris water waar ze kunnen drinken. Cyrus versterkte zijn rijk door bondgenoten te maken van de overwonnen volken. Bondgenoten zouden minder snel in opstand komen dan vernederde volken.

En die leeggeroofde landen waar de bevolking in ballingschap was gebracht waren een welkome prooi voor rovers en buurvolken die nog niet onder de macht van Cyrus waren gebracht. Sterke steunpunten waren veel belangrijker, welke godsdienst er dan werd beleden was minder relevant. Cyrus kwam nog uit de cultuur die geloofde dat elke land en elke stad haar eigen God had die je eer moest bewijzen als je toevallig in dat land of die stad kwam. Die Judeeërs hadden dat begrepen, zij kwamen uit Juda en bleven dus vasthouden aan hun eigen God. Nu dat konden ze beter doen in hun eigen land, dan bleven ze vrienden van Cyrus. Zo bondgenootschappen vormen, met respect voor je bondgenoten is dus volgens de Bijbel het meest vruchtbaar. Hoe wordt er met ons als bondgenoot omgegaan? Een vraag die niet alleen tussen naties hoeft te gelden maar ook tussen overheid en burgers, tussen burgers onderling, tussen werkgevers en werknemers en noem maar op. Een vraag die je elke dag opnieuw mag stellen.

 

Ze begrijpen het niet

Jesaja 44:9-20

9 Mensen die godenbeelden maken zijn niets, en hun dierbare maaksels zullen hun niet baten. De mensen die van deze goden getuigen, zien niets en weten niets, zij zullen beschaamd staan. 10 Wie vormt er nu een god en giet zo’n nutteloos beeld? 11 Die ambachtslieden zijn maar mensen, en daarom zullen al hun bewonderaars te schande staan. Laten ze bijeenkomen en zich opstellen; ze zullen sidderen en zich schamen, zonder uitzondering. 12 Een smid hanteert gereedschap om ijzer te smeden in een gloeiend vuur. Hij vormt het met een hamer en bewerkt het met krachtige hand. Maar als hij honger krijgt, verliest hij zijn kracht, en als hij geen water drinkt, raakt hij uitgeput. 13 Een beeldsnijder spant een meetlint en geeft de ruwe omtrek aan met een beitel. Dan snijdt hij een figuur uit met een fijn mes en tekent de precieze vorm af met een passer. Hij maakt er een menselijke figuur van, een prachtig beeld, om in een huis te zetten. 14 Iemand velt een paar ceders, of hij kiest een pijnboom en een eik, die hij in het bos met andere bomen heeft laten opgroeien; of een laurierboom die hij heeft geplant en die groeide door de regen. 15 Ze dienen hem tot brandhout: hij gebruikt het om zich te warmen, of om er brood op te bakken. Of hij bewerkt het tot een god, waarvoor hij knielt; hij maakt er een godenbeeld van waarvoor hij zich neerbuigt. 16 Met de ene helft stookt hij een vuur, waarop hij vlees bereidt; hij roostert het vlees en doet zich er tegoed aan. Hij wordt warm en zegt: ‘Ha, lekker warm! Ik zie de gloed van het vuur!’ 17 Van de rest maakt hij een god, een godenbeeld waarvoor hij knielt en zich neerbuigt in gebed: ‘Red mij, want u bent mijn god.’ 18 Ze begrijpen het niet, ze beseffen het niet; blijkbaar zitten hun ogen dichtgeplakt, waardoor ze niets zien en het hun aan inzicht schort. 19 Het dringt niet tot hen door, ze missen de kennis en het inzicht om te bedenken: Met de ene helft heb ik een vuur gestookt, op de gloeiende houtskool heb ik brood gebakken en vlees geroosterd om te eten. Van wat overbleef heb ik een gruwelijk beeld gemaakt. Ik buig me dus neer voor een blok hout. 20 Wat zij koesteren is as! Hun misleide geest heeft hen op een dwaalspoor gebracht. Ze zijn niet meer te redden, want ze vragen zich niet af: Is wat ik in mijn hand houd eigenlijk geen bedrog? (NBV21)

We vinden het nog steeds mooi, idolen en beelden van hen die we bewonderen. Wat wij koesteren is as, zegt de profeet Jesaja hier. Zelfgemaakte beelden die je kunt opstoken als het koud is en de brandstof op is. Dat is het enige dat die goden je te bieden hebben. De mens is volgens Jesaja helemaal kwijt dat God de mens heeft geschapen naar zijn beeld en gelijkenis. De mensen maken goden naar hun beeld. Zijn wij dat mechanisme kwijt? Alleen in Rooms-Katholieke streken kom je nog met zilver en goud bekleede beelden tegen die op de ruggen van gelovigen worden rondgedragen door de dorpen en de steden. Daar moeten nog kaarsen voor worden ontstoken omdat ze het anders koud krijgen. Maar de ongelovigen zullen zeggen dat ze te verstandig zijn geworden voor dergelijke afgoderij.

En is dat zo? Vaak wordt de menselijke rede verheven tot godheid. Een rede die zowel het goede als het kwade voort kan brengen. Atoomsplitsing zowel als nanotechnologie. De rede is zeker geen God die het goede doet, het goede verlangt, het goede teweeg brengt, niets dan het goede. Dan zijn er ook de economische goden winst en profijt. Als winst en profijt, het marktmechanisme, ons en de samenleving maar regeren dan zullen alle problemen uit de samenleving verdwijnen. Concurentie bevordert kwaliteit en dus moet alles via de markt geregeld worden. Maar lang niet alles laat zich via de markt regelen. Schone lucht om te ademen is niet te verkopen en dus niet te koop. Het schoon houden van lucht levert dus niets op en het wordt onder de vrije markt ook nooit schoon, alleen onder dwang van een overheid die eerst let op mensen en dan pas op winst en profijt. Ook de economische goden brengen dus zeker niet alleen het goede en niet dan het goede.

Dan zijn er mensen die tot goden worden verheven. Schrijvers, wetenschappers, politici, sportlieden, zangers en zangeressen, koningen en prinsessen, modellen en sterren. Maar dat zijn mensen als wij, zij brengen op hun terrein misschien iets goeds, maar nooit het algoede. Hun prestaties zijn mooi en om te bewonderen maar zelden zijn er mensen te vinden die er ook wat aan hebben. Zijn er hongerigen die er door gevoed worden, wordt er vrede door gesticht? Het woord van Jesaja dat we vandaag lezen blijkt nog net zo actueel als in de tijd dat er tempels waren waar beelden vereerd werden, toen er nog beelden stonden op de hoeken van de straten en godenbeelden op akkers werden gezet om vruchtbaarheid op te wekken. Het zijn niet de beelden van een God die ons een betere wereld moeten brengen. Het is het Woord van een God, de richtlijnen die hij de mensen heeft gegeven. Pas als we delen worden we rijker, pas als we meewerken aan zijn Koninkrijk zal dat Koninkrijk ook komen. En dat meewerken mogen we elke dag opnieuw. Ook vandaag weer.

De eerste en de laatste

Jesaja 44:1-8

1 Nu dan, luister, Jakob, mijn dienaar, Israël, dat Ik heb uitgekozen: 2 Dit zegt de HEER, die jou gemaakt heeft en al in de moederschoot gevormd, en die je steeds te hulp komt: Wees niet bang, mijn dienaar Jakob, Jesurun, die Ik heb uitgekozen. 3 Ik zal water uitgieten op dorstige grond, waterstromen over het droge land. Ik zal mijn geest uitgieten over je nazaten en mijn zegen over je telgen. 4 Zij zullen ontkiemen tussen het gras, uitbotten als wilgen langs het water. 5 De een zal zeggen: ‘Ik hoor bij de HEER,’ de ander zal Jakobs naam gebruiken, een derde schrijft op zijn hand: ‘Van de HEER’ en tooit zich met de naam Israël. 6 Dit zegt de HEER, Israëls koning en bevrijder, de HEER van de hemelse machten: Ik ben de eerste en de laatste, er is geen god buiten Mij. 7 Wie is zoals Ik? Laat hij het woord nemen. Laat hij vertellen en aan Mij ontvouwen wat er te gebeuren stond vanaf de dag dat Ik de mensheid schiep, en laat hij onthullen wat er gebeuren gaat. 8 Vrees niet, laat je niet door angst verlammen: heb Ik het je niet vanaf het begin laten horen, heb Ik het je niet aldoor verteld? Jullie zijn mijn getuigen: is er een god buiten Mij, of een andere rots? Ik ken er geen. (NBV21)

We lezen vandaag een belangrijk stukje uit de Bijbel. Shakespeare laat in een van zijn toneelstukken de hoofdpersoon zeggen dat er meer is tussen hemel en aarde. Een uitspraak die vaak wordt geciteerd. Er is toch altijd wel iets dat boven ons uit gaat en dat invloed uitoefent op ons leven zonder dat wij dat door hebben. Sommigen noemen dat God, anderen komen niet verder dan “iets” De Bijbel leert ons iets anders. Er is niets tussen hemel en aarde. In alle Bijbelboeken die voor het gedeelte staan dat we vandaag lezen gaan de schrijvers er nog van uit dat er misschien wel andere goden zijn, maar dat de God van Israël de sterkste is en de baas is over alle goden. In de ballingschap zijn de Israëlieten er achter gekomen dat het anders zit. Er is maar één God, de God van Israël, alle andere goden, machten en krachten, zijn verzinsels. Die God van Israël oefent ook geen macht uit over mensen zonder dat ze het merken. Met die God van Israël zijn afspraken te maken, hij heeft richtlijnen gegeven voor een menselijke samenleving en je kunt afspreken je samenleving volgens die richtlijnen in te richten.

Je hoeft dan ook niet duidelijk te maken dat je in tegenstelling tot de aanhangers van andere goden bij de God van Israël hoort. Dat is vanzelfsprekend, er is immers geen andere God. In die richtlijnen die het volk Israël gekregen heeft staat het advies aan het volk om de richtlijnen op te schrijven en aan de deurpost van je huis te timmeren, ja aan een band te bevestigen die je om je hoofd draagt of in de hoekdraden te verwerken van de mantel die je draagt. Tot op de dag van vandaag kun je de Joden tegenkomen die dat ook werkelijk doen. Het gaat dus om die richtlijnen, niet om bij welke godsdienst je hoort. Paulus zal later aan zijn gemeenten schrijven dat hij hoopt dat die richtlijnen in je hart worden opgeschreven. Heb uw naaste lief als uzelf is de samenvatting van de richtlijn waarmee je niet alleen de God van Israël eer bewijst maar ook de wereld een stukje beter maakt. Als iedereen op de wereld volgens die richtlijn zou leven dan wordt de wereld zo mooi dat God zelf op deze wereld zal willen gaan wonen.

Dat er één God is en dat al die andere goden waar mensen over spreken niet bestaan is ook in onze dagen belangrijk. Wij mensen hebben immers allemaal een verschillend beeld van die ene God. Die God openbaart, doet zich kennen, zich aan mensen zoals mensen dat nodig hebben. Of men de God van Israël volgt of zelf een eigen god geschapen heeft is alleen aan de gevolgen voor de samenleving te merken. Aan de vruchten herkent men de boom. Als mensen anders praten over hun God dan dat je gewend bent wil dus nog lang niet zeggen dat ze niet in dezelfde God geloven. Dat oordeel kunnen wij mensen niet over een ander vellen. Alleen als de god van die ander zogenaamd alleen zijn aanhangers wil laten leven en iedereen die anders spreekt over zijn geloof dood wil laten maken kunnen we zeggen dat er sprake moet zijn van een niet bestaande afgod. De God van Israël is immers tegen het doden van mensen, het niet doden van mensen is één van zijn belangrijke richtlijnen. Verder mag iedereen mee doen aan het inrichten van de samenleving volgens Zijn richtlijnen. Alleen al door elke dag opnieuw te beginnen met de naaste lief te hebben als jezelf. Ook vanmorgen weer.

 

Klaag Mij maar aan

Jesaja 43:22-28

22 Maar jij hebt niet tot Mij geroepen, Jakob, jij gaf je geen moeite voor Mij, Israël. 23 Je hebt niet aan Mij je schapen geofferd, Mij met je offers geen eer bewezen. Ik heb je niet met graanoffers belast en je niet vermoeid met de plicht om wierook voor Mij te branden. 24 Je hebt van je zilver geen kalmoes voor Mij gekocht, Mij niet verzadigd met het vet van je offers. Nee, je hebt Mij met je zonden belast, Mij vermoeid met al je wandaden. 25 Ik, Ik ben het die omwille van zichzelf je misdaden tenietdoet en aan je zonden niet meer denkt. 26 Klaag Mij maar aan, laten we samen een rechtszaak aangaan, en voer zelf het woord om je zaak te bepleiten. 27 Je eerste voorvader heeft al gezondigd en je woordvoerders zijn steeds tegen Mij opgestaan. 28 Daarom heb Ik de dienaren van het heiligdom ontwijd, Jakob aan de vernietiging prijsgegeven en Israël aan spot en hoon. (NBV21)

De eerste vraag die mensen stellen is waarom die God van Israël eigenlijk dat volkje van slaven en zwervers had uitgekozen om voor hen juist God te zijn. Het antwoord van Leo Baeck, de rabbijn van Berlijn tijdens het bewind van de nazi’s, was, dat het volk Israël was uitgekozen om de lof aan die God gaande te houden. Die God had immers hemel en aarde geschapen en de chaos veranderd in mensenland, die God had de mensen menselijkheid geleerd en daar was het volk Israël het voorbeeld van. Die God had voor alle mensen in de wereld zijn Zoon gezonden opdat heel de aarde de lof van die God zou zingen. Leo Baeck schreef dan ook een prachtig boek dat in het Nederlands werd vertaald als “Het Evangelie is Joods” Een zeer lezenswaardig boek dat ook in een Nederlandse vertaling is verschenen. Het was in 1938 het laatste boek dat hij voor de tweede wereldoorlog kon publiceren. Die God van Israël is een merkwaardig God. De manier waarop die God in de geschiedenis ingrijpt gaat altijd via mensen. Als mensen doorkrijgen wat die God van mensen vraagt, hoe een menselijke samenleving ingericht kan worden, dat die richtlijnen voor de menselijke samenleving een geschenk van die God zijn waarvoor je dankbaar kunt zijn, dat al het goede in de wereld afkomstig is van die God dan groeit die God in macht en aanzien.

Als mensen denken dat ze het zelf wel kunnen, dat ze meer zijn dan een ander, dat ze kunnen schelden en afgeven op anderen omdat die anders geloven of ergens anders vandaan komen dan trekt die God zich terug en wijst op de afloop. Er is een staat Israël en in onze staat hebben Joodse instellingen en Synagogen extra bescherming, Nazi’s worden vervolgd en beschimpt en hun gedachtengoed is verboden. Maar waarom dan die offers? In een fatsoenlijke godsdienst hield men vroeger met offers de God in leven. Als je te weinig offers bracht dan stierf die God of dan verzwakte die God zo zeer dat je als volk kon worden overwonnen. Maar als al het goede van de God van Israël afkomstig is waarom die God dan offers brengen? Dat brengen van offers is in de Bijbel dan ook helemaal niet vanzelfsprekend. Er zijn profeten die roepen dat God geen offers wil maar gerechtigheid. Die gedachte vind je ook in het boek van de profeet Jesaja. Die offers zijn bedoeld om je te oefenen in delen. Dat je al dat goede van die God hebt gekregen was niet om jou te verzadigen maar om te zorgen dat de zwakste in de samenleving ook beschermd zou worden.

In de Bijbel gaat het dan om de weduwe en de wees, de vreemdeling en de armen. Bij de Tempel moest je met hen en met de Tempeldienaren een maaltijd houden. Offers breng je dus als er geen armen meer zijn. Armen zijn er niet meer als jij en als jouw volk voldoende hebben gedeeld. Daar was in Israël vaak geen sprake van, net als dat er bij ons geen sprake van is. De zorg voor ouderen, zieken, gehandicapten is in onze dagen een last waarop bezuinigd moet worden. Voedselbanken die werken met voedseloverschotten moeten het tekort aan delen aanvullen. Als supermarkten en groothandels efficiënter gaan werken hebben ze minder overschot en komen de voedselbanken te kort. Geen wonder dat veel kerken inzamelcentra geworden zijn voor de voedselbanken. Dat is pas eer bewijzen aan de God van Israël, die wil niet in leven worden gehouden door offers maar vraagt een teken dat we willen delen. Daarmee kunnen we elke dag opnieuw beginnen. Ook vandaag weer

 

Een heilige weg

Psalm 77

1 Voor de koorleider. Op de wijs van Jedutun. Van Asaf, een psalm. 2 Luid roep ik God, ik schreeuw het uit, luid roep ik God-dat Hij mij hoort. 3 Op de dag van mijn nood zoek ik de Heer, bij nacht hef ik mijn handen, rusteloos, mijn ziel laat zich niet troosten. 4 Ik denk aan God en moet zuchten, mijn gedachten vermoeien mijn geest. sela 5 U laat me mijn ogen niet sluiten, van onrust vind ik geen woorden, 6 ik zie terug op voorbije tijden, op de dagen en jaren van vroeger, 7 bij nacht denk ik aan mijn spel op de snaren, mijn hart zoekt, mijn geest vraagt: 8 Zou de Heer voor eeuwig verstoten, zou Hij niet langer liefhebben? 9 Is zijn trouw voorgoed verdwenen, zijn woord voor eens en altijd verstomd? 10 Vergeet God genadig te zijn, verbergt zijn ontferming zich achter zijn toorn? sela 11 En ik zeg: ‘Ik weet wat mij kwelt, de hand van de Allerhoogste is niet meer dezelfde.’ 12 Ik denk terug aan de daden van de HEER – ja, ik denk aan uw wonderen van vroeger, 13 overweeg elk van uw werken en houd in gedachten uw grote daden. 14 Uw weg, God, is een heilige weg- welke god is zo groot als onze God? 15 U bent de God die wonderen doet, U hebt de volken uw macht getoond, 16 uw arm heeft uw volk bevrijd, de kinderen van Jakob en Jozef. sela 17 Toen het water U zag, o God, toen het water U zag, begon het te beven, een huivering trok door de oceanen. 18 De wolken stortten water, de hemel dreunde luid, uw pijlen flitsten heen en weer, 19 uw donder rolde dreunend rond, bliksems verlichtten de wereld, de aarde trilde en schokte. 20 Door de zee liep uw weg, door de wijde wateren uw pad, maar uw voetsporen bleven onzichtbaar. 21) U leidde uw volk als een kudde door de hand van Mozes en Aäron. (NBV21)

Vandaag zingen we een Psalm uit de bundel van Asaf, de leider van de zangers bij de Tempel in Jeruzalem. Het is een Psalm die bedoeld was om begeleid te worden door instrumenten. De Psalm zelf spreekt al over snarenspel maar de Jeduthun die genoemd wordt was een autoriteit die een bijzondere rol had bij het brandofferaltaar en wiens nakomelingen de taak hadden de instrumenten van de tempelzangers te bewaren. Op de wijs van het lied dat Jeduthun zong en speelde bij het brandofferaltaar werd ook dit meditatieve lied van Asaf gezongen. Zo af en toe moet je je gedachten eens laten gaan over de vraag hoe de zaken in elkaar zitten. De dichter kent de tegenslagen die men in het leven tegenkomt. Maar de dichter heeft ook weet van de grote daden die het volk is overkomen en die aan God worden toegeschreven. Al die zaken namelijk die je kunt toeschrijven aan liefde voor het volk kunnen niet anders dan van God komen. De bevrijding van de slavernij uit Egypte was misschien wel het grootste wonder.

Egypte was immers het doodsland, het land van slavernij en onderdrukking waarin het onmogelijk was om te leven, waar de eerstgeborenen gedood moesten worden en stierven. Door het water van de dood wist het volk hieruit te ontkomen. De rest van het verhaal behoeft geen toelichting. Als je bij de Tempel in Jeruzalem zit dan weet je als geen ander waarover het gaat. Want in die ontsnapping, midden in de woestijn ontdekte het volk Israel, de kinderen van Jacob en Jozef, de richtlijnen voor een menselijke samenleving, daar werd God zelf ontmoet. Die richtlijnen die zeggen dat je je naaste lief moet hebben als jezelf. De richtlijnen die zeggen dat alleen door te delen overleven mogelijk is. De leer van Mozes die zegt dat je er voor moet zorgen dat iedereen, zelfs de minste en de zwakste, mee moet kunnen blijven doen.

Die richtlijnen werden bewaard in de Tempel in Jeruzalem. Geen beeld van God is daar nodig, ieder mens werd immers geschapen naar het beeld van God, alleen die richtlijnen in steen gehouwen alsof de leer van Mozes, de Thora, gegrift staat in het hart van het volk. Die leer van Mozes, met haar richtlijnen voor een menselijke samenleving, regeert uiteindelijk alle volken want ooit zullen de volken in de wereld inzien dat vrede en gerechtigheid pas bereikt zullen worden als de volken bereid zijn elkaar lief te hebben als zichzelf en te delen met elkaar wat ze hebben en er voor te zorgen dat iedereen op aarde, ook de minste en de zwakste mee kan doen aan die samenleving. Dat wonder is begonnen met de uittocht uit Egypte. Aan dat wonder mogen we allemaal deel hebben door ons te laten leiden door die richtlijnen. In het verhaal zoals wij dat kennen gaat het zelfs door de dood zelf heen. En als de dood het niet kan tegenhouden wie zou ons er dan van af kunnen brengen onze naasten lief te hebben als onszelf.