Gewijd brood

1 Samuël 21:2-10

2 David begaf zich naar Nob, naar de priester Achimelech. Deze kwam hem geschrokken tegemoet en vroeg: ‘Waarom bent u alleen, waarom is er niemand bij u?’ 3 ‘Orders van de koning,’ antwoordde David. ‘De koning heeft me belast met een opdracht waarvan niemand iets mag weten. Mijn mannen wachten op me op een afgesproken plek. 4 Maar nu ter zake: wat hebt u in voorraad? Geef me vijf broden, of wat u anders in huis hebt.’ 5 ‘Gewoon brood heb ik niet,’ antwoordde de priester. ‘Ik kan u wel gewijd brood geven, maar alleen als uw mannen geen omgang met een vrouw hebben gehad.’ 6 ‘Wij hebben zoals gewoonlijk de verplichting op ons genomen om ons van de omgang met vrouwen te onthouden,’ antwoordde David. ‘Altijd als ik er met mijn mannen op uit trek zijn wij en alles wat we bij ons hebben gewijd, zelfs als het een gewone onderneming betreft. Dus vandaag zijn we zeker gewijd.’ 7 Daarop gaf de priester hem gewijd brood, want hij had geen ander brood dan het toonbrood uit het heiligdom van de HEER, dat om de zoveel dagen wordt ververst. 8 Er bevond zich daar op die dag ook een dienaar van Saul, een zekere Doëg uit Edom, de opzichter van Sauls herders. Hij was daar vanwege een of andere verplichting aan de HEER. 9 ‘Hebt u hier misschien ook een speer of een zwaard?’ vroeg David aan Achimelech. ‘Ik heb niet eens mijn zwaard en mijn andere wapens kunnen meenemen, zoveel haast was er bij de opdracht van de koning.’10 ‘Ik heb hier het zwaard van de Filistijn Goliat, die u in de Terebintenvallei verslagen hebt,’ antwoordde de priester. ‘Daar hangt het, achter het priestergewaad, gewikkeld in een doek. Als u wilt kunt u het meenemen. Een ander wapen is hier niet.’ ‘Zoals dit is er geen tweede,’ zei David. ‘Geef het mij.’ (NBV21)

In het boek Deuteronomium worden in hoofdstuk 23 de regels gegeven voor soldaten die toch in oorlog zijn. Het gebod waar ze zich aan te houden hebben is het “Gij zult niet doden”, maar iedereen snapt dat je over het algemeen geen oorlog of veldslag kan winnen zonder een tegenstander te doden of te verwonden. Eigenlijk moeten soldaten dus bestraft worden voor het overtreden van een van de grondregels voor een menselijke samenleving. Dat zou echter niet eerlijk zijn als ze er op uit trokken om het volk te beschermen tegen een gewelddadige vijand en zo deden wat de God van Israël van hen verwachtte. De regels gaan er daarom vanuit dat God zelf de legerplaats bezoekt om de soldaten te redden van die straf.

De legerplaats is daarom een heilige plaats, net als de Tempel of bij ons de Kerk. De legerplaats moet schoon zijn en netjes en bevrediging van lusten is er niet bij. Deze regels spelen in het verhaal van vandaag een grote rol. David is op de vlucht voor Saul. De ruzie tussen Saul en zijn zoon Jonathan heeft voldoende duidelijk gemaakt dat Saul er op uit is David te doden. Maar David wil leven. Hij weet dat er in Nob een heiligdom was voor de God van Israël. En aan de hogepriester van dat heiligdom Achimelech vroeg hij om eten. Het enige eten dat er was was het brood voor de God van Israël. Hij liegt de priester daarom voor dat hij in opdracht van de Koning op reis was en geen tijd had gehad voedsel en wapens mee te nemen.

Ook brood moet gedeeld worden en om te tonen dat men bereid was zelfs het brood te delen was er in het Heiligdom een tafel waarop steeds verse broden werden gezet voor de God van Israël. Niet om die God te voeden maar om ze te laten zien, toonbroden werden ze genoemd. Alleen de priesters mochten ze eten als ze ververst zouden worden. Maar levensgevaar breekt de wetten van de Tora. Het leven van een mens is altijd belangrijker. En als de soldaten en David zich houden aan de overige regels van de Tora dan is het toegestaan de broden te eten. Het zwaard van de reus Goliat geeft aan hoeveel kracht David van God heeft gekregen, want ook dat kwam niet van hemzelf. Het “Gij zult niet doden” en de regels uit Deuteronomium gelden overigens ook vandaag nog voor de soldaten van Israël, maar wie ziet toe dat ze zich er aan houden?

 

Doe het goede

Psalm 37:25-40

25 Ooit was ik jong, nu ben ik oud, en nooit zag ik dat een rechtvaardige werd verlaten, nooit zag ik zijn kinderen zoeken naar brood; 26 hij is vol mededogen en leent uit, elke dag, en zijn nageslacht is een bron van zegen. 27 Mijd het kwade en doe het goede, en je zult voor eeuwig wonen in het land, 28 want de HEER heeft gerechtigheid lief, wie Hem trouw zijn, verlaat Hij niet. Zij blijven voor eeuwig behouden, maar het nageslacht van zondaars wordt verdelgd. 29 De rechtvaardigen zullen het land bezitten en het bewonen, hun leven lang. 30 De mond van de rechtvaardige spreekt wijsheid, zijn tong spreekt gerechtigheid, 31 hij draagt de wet van God in zijn hart en zijn voeten struikelen niet. 32 De zondaar loert op de rechtvaardige en zoekt een kans om hem te doden, 33 maar de HEER laat zijn dienaar niet los: wordt hij aangeklaagd, vrijspraak zal volgen. 34 Vestig je hoop op de HEER en blijf op de weg die Hij wijst, Hij zal je aanzien geven en grondbezit, je zult beleven dat zondaars worden verdelgd. 35 Ik heb een zondaar gezien, een uitbuiter, hij groeide uit als een woekerende laurier; 36 op een dag was hij verdwenen, ik zocht hem en ik vond hem niet. 37 Zie de onschuldigen, kijk naar de oprechten: wie vredelievend zijn hebben de toekomst. 38 Maar zondaars worden verdelgd, er is geen toekomst voor een slecht mens. 39 De rechtvaardigen vinden redding bij de HEER, Hij is hun toevlucht in tijden van nood. 40 De HEER heeft hen altijd geholpen en bevrijd, Hij bevrijdt hen ook nu van de zondaars, Hij redt hen, want zij schuilen bij Hem.(NBV21)

Levenservaring, daar gaat het om. Niet steeds opnieuw het wiel uitvinden en ook de volgende generaties daarvoor behoeden. Wie het gedeelte van vandaag uit Psalm 37 leest zal zich realiseren dat de technologische veranderingen in de wereld de verhoudingen tussen mensen en de verhouding tussen de mensen en hun God nog steeds niet echt veranderd hebben. Wie mensen tot hun recht wil laten komen, wie onrecht bestrijd en vrede sticht weet dat er altijd voor zijn nageslacht zal worden gezorgd. In onze samenleving krijgt een steeds kleiner aantal mensen een steeds groter deel van het gezamenlijk bezit. We zullen dus opnieuw het eerlijk delen moeten leren waar de Psalmdichter voor pleit. Natuurlijk gebeurd het uitlenen niet meer op het dorpsplein. We hebben daar tegenwoordig Oikocredit voor die kleine leningen verzorgd voor mensen die daarmee een start kunnen maken. Zij stelt ons in de gelegenheid daaraan mee te doen.

Het is een mooie belofte dat de rechtvaardigen het land zullen bezitten, hun hele leven lang. We merken er niet zo veel van. Het zijn de schreeuwers die meester zijn in het schelden die de boventoon voeren. Het lijkt er op alsof zij alles voor het zeggen hebben. Dat de rechtvaardige wijsheid spreekt en zijn tong gerechtigheid is nauwelijks te bespeuren. Als rechters anders rechtspreken dan de eerste emotie hen ingeeft dan deugen de rechters niet. Kansen om in onze samenleving opnieuw te beginnen zijn er nauwelijks. Een organisatie als Exodus, die ex-gedetineerden begeleid in hun uittocht uit de criminaliteit en hen probeert te leiden naar onze samenleving van zorgen voor elkaar en respect voor de ander, merkt dat het etiket “crimineel” een zwaardere straf is die langer moet worden verdragen als welke rechtvaardige celstraf dan ook. Steun aan Exodus, niet alleen met geld, is dan ook zeer hard nodig.

Maar de Psalm is ook een lied van bevrijding. In het eerste deel werden we al bevrijd van de ergernis voor hen die kwaad doen, in het tweede deel ontdekten we dat onze God de bedrijvers van het kwaad uitlacht en dat wij dat dus ook mogen doen. De Psalmdichter weet dat de onrechtvaardigen, de uitbuiters en onderdrukkers, verdwijnen. De toekomst is nog steeds aan de vredestichters. Als op mensen een beroep wordt gedaan om te kiezen tussen vrede en geweld dan kiezen de mensen voor de vrede en tegen het geweld. Daar wordt misbruik van gemaakt. Als we maar bang genoeg worden dat met de komst van vreemdelingen het geweld ons boven het hoofd hangt dan kiezen we voor de schijnvrede van uitsluiting. We vergeten dan dat alleen de God van Israël boven ons hoofd hangt en dat we dus niet moeten uitsluiten maar vreemdelingen moeten opnemen alsof ze al bij ons hoorden. Bij God schuilen als we angstig zijn is altijd nog het beste, dat zal helpen de vrede te bewaren.

 

Wind je niet op

Psalm 37:1-24

1 Van David. Erger je niet aan slechte mensen, wees niet jaloers op wie kwaad doen, 2 zij verdorren snel als gras, zij verwelken als het jonge groen. 3 Vertrouw op de HEER en doe het goede, bewoon het land en leef er veilig. 4 Zoek je geluk bij de HEER, Hij zal geven wat je hart verlangt. 5 Leg je leven in de handen van de HEER, vertrouw op Hem, Hij zal dit voor je doen: 6 het recht zal dagen als het morgenlicht, de gerechtigheid stralen als de middagzon. 7 Blijf kalm en wacht op de HEER, erger je niet aan wie slaagt in het leven, aan wie met listen te werk gaat. 8 Wind je niet op, laat je woede varen, erger je niet, dat brengt maar onheil. 9 Slechte mensen worden verdelgd, wie hopen op de HEER, zullen het land bezitten. 10 Nog even, en verdwenen is de zondaar, je kijkt waar hij is, maar vindt hem niet. 11 Wie nederig zijn, zullen het land bezitten en gelukkig leven in overvloed en vrede. 12 De zondaar belaagt de rechtvaardige met een grijns op zijn gezicht. 13 Maar de Heer lacht hem uit en ziet de dag al van zijn ondergang. 14 Zondaars trekken hun zwaard en spannen hun boog, om zwakken en armen te doden, om af te slachten wie eerlijk hun weg gaan. 15 Maar het zwaard dringt in hun eigen hart en hun bogen worden gebroken. 16 Beter het weinige dat een rechtvaardige heeft dan de rijkdom van talloze zondaars. 17 De macht van de zondaars wordt gebroken, maar de HEER zal de rechtvaardigen steunen. 18 De HEER trekt zich het lot van onschuldigen aan, hun bezit blijft voor eeuwig behouden. 19 Zij worden niet teleurgesteld in kwade dagen, in tijden van hongersnood worden zij verzadigd. 20 De zondaars zullen ten onder gaan, de vijanden van de HEER verdwijnen als bloemen in het veld, verdwijnen als rook. 21 De zondaar vraagt te leen en brengt niet terug, de rechtvaardige geeft, uit mededogen. 22 Gods gezegenden zullen het land bezitten, de vervloekten worden verdelgd. 23 Wie de HEER welgevallig is, mag zijn weg gaan met vaste tred. 24 Al komt hij ten val, hij blijft niet liggen, want de HEER richt hem op.(NBV21)

Vandaag lezen we een hoogst actuele psalm. Want ergeren aan slechte mensen dat doen we tegenwoordig dag in dag uit. En als er mensen zijn die de mensen waar ze zich aan ergeren op hun vingers tikken dan ergeren we ons daar weer aan en zo kunnen we door gaan. Je hoeft op al die mensen die zich ergeren niet jaloers te zijn. De psalm zegt dat ze verdorren als gras, ze verwelken als het jonge groen. Soms duurt dat helaas een poosje en blijft je ergernis bestaan. De boodschap is dat je je niet hoeft te ergeren. Je mag er om lachen. Ook dat zal niet helpen maar het helpt je zelf, het helpt je van dat vervelende gevoel van ergernis af. Het maakt het gemakkelijker je ergernis te benoemen, want bang voor wat de Psalmist de zondaar of onrechtvaardige noemt hoef je niet meer te zijn. God zelf lacht ze ook uit, waarom wij gelovigen in God dan niet. God beloofd ook dat ze aan hun eigen onrecht te gronde zullen gaan. De pijlen die ze afsteken zullen in hun eigen hart terechtkomen. En zeg nu eerlijk, wie wil als asociaal bekend staan, wie wil de straffen van justitie die daar bij horen ondergaan.

Nu is het leggen van je leven in de handen van de Heer minder vrijblijvend als het klinkt. God heeft een aantal richtlijnen gegeven die je beter kunt volgen als de weg die je door de wereld wordt gewezen. Paulus heeft ooit gezegd dat je het kwade met het goede moet bestrijden. Als je jezelf ergert kun je je afvragen hoe je van die ergernis af kan komen. Je kunt iemand aanspreken op ergerlijk gedrag. Je kunt je aansluiten bij mensen die bezig zijn de ergernis de wereld uit te helpen, als we allemaal willen dat een slechte situatie ten goede wordt gekeerd dan zal dat op den duur ook gebeuren. De richtingwijzers van de wereld zullen moeten omgevormd worden tot de richtingwijzers van God. Maar kwaad worden zal daarbij niet helpen. Toorn brengt twist voort, zegt het boek Spreuken, en stapelt dwaasheid op dwaasheid. In het gedeelte dat we vandaag lezen klinken de zaligsprekingen uit het boek Matteüs voor. Als Jezus van Nazareth volgens het verhaal van Matteüs als Mozes op een berg zijn leer ontvouwd dan begint hij met het citeren van de psalmen. Hij prijst de zachtmoedigen gelukkig, zij zullen de aarde beërven.

En daar geeft de Psalm je een sterk wapen in de hand. In plaats van je steeds met dat kwade bezig te houden kun je er ook naar streven steeds het goede te doen. We kennen het rijtje wel, de hongerigen voeden, de dorstigen laven, de naakten kleden, de gevangenen bezoeken, de vreemdelingen in je midden opnemen, vrede te stichten en te zorgen voor de minsten. Verdien je daar wat mee? Wordt de wereld er beter van? Levert het ook nog wat op? Welnee, zelfs niet de genade van de God van Israël. Maar het maakt je leven een stuk eenvoudiger. Je wordt gewaardeerd om wat je doet, mensen kunnen je niet om ver werpen en als je valt hoef je alleen nog een beroep te doen op de beloften van God, het zal goedkomen belooft God, en je hebt weer een nieuwe toekomst waar je aan mag werken. Paulus zegt het niet voor niets, doe het goede en niet dan het goede. Het verhaal zegt ook dat je het kwade kunt bestrijden door het goede te doen, dat mag dus ook vandaag weer.

 

Ik kom een wig drijven

Matteüs 10:34–11:1

34 Denk niet dat Ik gekomen ben om op aarde vrede te brengen. Ik ben niet gekomen om vrede te brengen, maar het zwaard. 35 Want Ik kom een wig drijven tussen een man en zijn vader, tussen een dochter en haar moeder en tussen een schoondochter en haar schoonmoeder; 36 huisgenoten worden elkaars vijanden! 37 Wie meer van zijn vader of moeder houdt dan van Mij, is Mij niet waard, en wie meer houdt van zijn zoon of dochter dan van Mij, is
Mij niet waard. 38 Wie niet zijn kruis op zich neemt en Mij volgt, is Mij niet waard. 39 Wie zijn leven probeert te behouden zal het verliezen, maar wie zijn leven verliest omwille van Mij, die zal het behouden. 40 Wie jullie ontvangt, ontvangt Mij, en wie Mij ontvangt, ontvangt Hem die Mij gezonden heeft. 41 Wie een profeet ontvangt omdat het een profeet is, zal als een profeet beloond worden, en wie een rechtvaardige ontvangt omdat het een rechtvaardige is, zal als een rechtvaardige beloond worden. 42 En wie een van deze geringe mensen een beker koel water te drinken geeft alleen omdat het een leerling van Mij is, Ik verzeker jullie: die zal zeker beloond worden.’ 1 Dit waren de instructies die Jezus aan de twaalf leerlingen gaf. Toen Hij zijn rede beëindigd had, vertrok Hij om zijn verkondiging voort te zetten en onderricht te geven in de steden. (NBV21)

Polarisatie, dat is het duidelijk stellen van tegenstellingen, was een aantal decennia geleden populair, maar werd even hard veroordeeld als aangehangen. Het lijkt er op dat hier ook Jezus van Nazareth aan bewuste polarisatie doet. We zien Jezus van Nazareth altijd als de grote vredebrenger. “Vrede op aarde en in mensen een welbehagen”, daarmee begint toch voor veel mensen het leven van Jezus van Nazareth. En zij herinneren zich zijn uitspraak dat allen die het zwaard zullen opnemen door het zwaard zullen vergaan. Toch begint de Bijbelpassage van vandaag met de belijdenis dat Jezus van Nazareth niet is gekomen om vrede te brengen maar het zwaard. Dat hij een wig drijft tussen mensen en dat hij waarschuwt dat de eigen huisgenoten de vijanden van de mensen zijn. Een ieder wordt hier op eigen verantwoordelijkheid aangesproken. Niet de familiebanden bepalen of je bij het Koninkrijk hoort, niet of je goed voor je eigen familie zorgt of gehoorzaam bent aan je familie maar of je de Weg gaat van Jezus van Nazareth.

De profeet en de rechtvaardige worden geringe mensen genoemd, maar als je ze een beker water geeft, alleen een beker koel water, dan pas hoor je er bij en zal je beloond worden. Dat is het goede nieuws. Het hangt niet en nooit niet van anderen af. Wat de mensen er ook van mogen zeggen, zorgen voor de minsten in de samenleving staat altijd, onder alle omstandigheden voorop. Moet je dan ruzie maken met je familie? Kan er alleen maar oorlog zijn met de mensen die je het meest na staan? Komt hier de aversie tegen schoonmoeders in veel moppen vandaan? Nee zeker niet. Maar veel jonge vrouwen doen zoals ze denken dat hun schoonmoeder wil dat ze doen. Ze verliezen zichzelf daarbij vaak. Als hun schoonmoeder een keer op visite komt verandert de zelfbewuste jonge huisvrouw in een zenuwachtig wrak. Pas als iemand daar een keer met de schoonmoeder over begint blijkt dat die zich nergens van bewust is en zelfs de eigen persoon, de eigen gewoonten en oplossingen van de schoondochter zou willen zien.

Zo gaat het ook vaak tussen vaders en zonen en tussen moeders en dochters. En als het over opvattingen en geloofszaken gaat kan het nog erger. Dan slaan vaders, vooral oudere vaders, maar ook vaak moeders, hun kinderen dood met Bijbelteksten, dan wordt er niet meer geluisterd naar elkaar, dan wordt het eigen godsbeeld opgedrongen. En juist Bijbelteksten in het Nederlands, soms zelfs geciteerd uit een vertaling die eeuwen geleden werd gemaakt, kunnen zo gemakkelijk uit hun verband gerukt zijn en zo gemakkelijk een anti-Bijbelse opvatting weergeven. Vertalen is immers stamelend en stotterend herhalen wat er in de oorspronkelijke taal staat. Kinderen horen daartegen in opstand te komen, zij horen te eisen dat er een werkelijk gesprek over opvattingen en geloofszaken mogelijk is. God verschijnt aan mensen zoals mensen de God van Israël nodig hebben, dat kan voor kinderen anders zijn dan voor hun ouders. Dat is namelijk ook het goede nieuws waar de leerlingen mee op pad zijn gestuurd, dat er voor iedereen plaats is in het Koninkrijk van Jezus van Nazareth, als men wil delen, als men voor de minsten op de wereld een beker koel water over heeft.

Schreeuw dat van de daken

Matteüs 10:16-33

16 Bedenk wel, Ik zend jullie als schapen onder de wolven. Wees dus scherpzinnig als een slang en argeloos als een duif. 17 Pas op voor de mensen, want ze zullen je aan het gerecht uitleveren en je geselen in hun synagogen.18 Jullie zullen omwille van Mij worden voorgeleid aan gouverneurs en koningen, en getuigenis moeten afleggen ten overstaan van hen en de heidenen. 19 Wanneer ze je uitleveren, vraag je dan niet bezorgd af hoe je moet spreken of wat je moet zeggen. Want wat je moet zeggen, zal je op dat moment worden ingegeven. 20 Jullie zijn het immers niet zelf die dan spreken, het is de Geest van jullie Vader die in jullie spreekt. 21 De ene broer zal de andere uitleveren om hem te laten doden, en vaders zullen hetzelfde doen met hun kinderen, en kinderen zullen zich tegen hun ouders keren en hen ter dood laten brengen. 22 Jullie zullen door iedereen worden gehaat omwille van mijn naam; maar wie standhoudt tot het einde zal worden gered. 23 Wanneer ze jullie vervolgen in de ene stad, vlucht dan naar de volgende. Ik verzeker jullie: voor je in elke stad van Israël bent geweest, is de Mensenzoon gekomen. 24 Een leerling staat niet boven zijn leermeester en een slaaf niet boven zijn heer. 25 Voor een leerling is het voldoende dat hij wordt als zijn leermeester, en voor een slaaf als zijn heer. Als ze de heer des huizes al Beëlzebul genoemd hebben, waarvoor zullen ze dan zijn huisgenoten wel niet uitmaken? 26 Wees dus niet bang voor hen. Want niets is verborgen dat niet onthuld zal worden en niets is geheim dat niet bekend zal worden. 27 Wat Ik jullie in het donker zeg, spreek dat uit in het licht, en wat jullie in het oor gefluisterd wordt, schreeuw dat van de daken. 28 Wees niet bang voor hen die wel het lichaam maar niet de ziel kunnen doden. Dan kun je beter bang zijn voor Hem die beide, ziel en lichaam, kan laten omkomen in de Gehenna. 29 Wat kosten twee mussen? Zo goed als niets. Maar er valt er niet één dood neer buiten jullie Vader om. 30 Bij jullie zijn zelfs alle haren op je hoofd geteld. 31 Wees dus niet bang, jullie zijn meer waard dan een hele zwerm mussen. 32 Iedereen die Mij zal erkennen bij de mensen, zal ook Ik erkennen bij mijn Vader in de hemel. 33 Maar wie Mij verloochent bij de mensen, zal ook Ik verloochenen bij mijn Vader in de hemel. (NBV21)

Er zijn van die predikers die beloven een gemakkelijk leven als je de weg van Jezus van Nazareth volgt. “Laat Jezus in je hart en je zult de vrede kennen” Afgezien van de vraag hoe “Jezus in je hart” moet komen is de suggestie dat het leven vredig en gemakkelijk wordt geheel in strijd met wat Jezus er in het verhaal van Mattheüs zelf over te zeggen heeft. We kennen natuurlijk de uitdrukking over de wolf in schaapskleren, een vijand die zich onder de nietsvermoedende onschuldige kudde begeeft om daar kwaad aan te richten. Maar kennen we het omgekeerde ook? Schapen die zich onder de wolven begeven om andere schapen te helpen? We staan er waarschijnlijk niet zo bij stil maar organisaties als Artsen zonder Grenzen kennen dit soort schapen. In oorlogsgebieden vindt je hen terug, onafhankelijk en alleen daar waar mensen zonder hulp zijn gaan ze hun gang, wat overheden of gewapende troepen er ook van mogen vinden. Regelmatig vallen er slachtoffers onder deze hulpverleners, of ze worden ontvoerd of gevangen gezet, of ter dood gebracht.

Ooit was er een tijd dat de kerken de verantwoordelijkheid voor dit soort hulp op zich hadden genomen. De geschiedenis kent dan ook vele slachtoffers van geweld die alleen hulp aan de armsten en de zwaksten kwamen brengen. Veel kerken hebben zich echter zozeer met de machthebbers in de wereld verbonden dat het aantal kerkelijke hulpverleners zeer is teruggelopen. Van veel kerken is voor de machthebbers zeker geen gevaar meer te duchten. Jullie zullen door iedereen worden gehaat zegt Jezus tegen zijn zendelingen, en daarmee kunnen die leerlingen op pad. Wie in onze dagen voor de armen opkomt wordt vreemd aangekeken. Wie maaltijd houdt met vreemdelingen in plaats van hen te veroordelen loopt de kans gemeden te worden en met de nek te worden aangekeken. Wie racisten veroordeeld en opkomt voor een rechtvaardige samenleving waar mensen recht hebben op hun eigen overtuiging en manier van leven loopt de kans met geweld bedreigd te worden.

Polarisatie is het woord waarmee onze samenleving wordt getypeerd. Het benadrukt gevoelens van ongelijkheid. Jezus van Nazareth zag al dat elke samenleving daarop uit zou lopen en hij heeft er tegengif voor. Het gedeelte uit het Evangelie dat we vandaag lezen zou zo weggehaald kunnen zijn uit een boek als Spreuken. Het klinkt als de wijsheid van Salomo. Maar het heeft voor Jezus en zijn leerlingen een heel actuele betekenis. In de dagen van Jezus van Nazareth snapte iedereen direct dat een slaaf op de onderste ladder van de samenleving stond. Het leven van een slaaf is eigenlijk niks waard en op het doden van je eigen slaaf stond ook geen straf. Matteüs begint dan ook met de uitspraak van Jezus te citeren dat de slaaf niet meer hoeft te zijn dan de meester, of de leerling meer dan de leraar, maar toch. Je kunt je ook vandaag de dag niet voorstellen dat de buschauffeur niet boven de bestuursvoorzitter van de busmaatschappij gesteld moet worden. Dat ze gelijk zijn is dus duidelijk. Het is dan ook niet verwonderlijk dat Jezus waarschuwt voor de oorlog die je ontketent als je dit van de daken gaat schreeuwen. Toch is het ook een waarschuwing voor de leermeester en de slavenmakers.Schroom dus niet op te komen voor minsten.

 

Neem geen geld aan

Matteüs 9:35–10:15

35 Jezus trok rond langs alle steden en dorpen, Hij gaf de mensen onderricht in hun synagogen, verkondigde het goede nieuws over het koninkrijk en genas iedere ziekte en elke kwaal. 36 Toen Hij de mensenmenigte zag, voelde Hij medelijden met hen, omdat ze uitgeput en hulpeloos waren, als schapen zonder herder. 37 Hij zei tegen zijn leerlingen: ‘De oogst is groot, maar er zijn weinig arbeiders. 38 Vraag dus de eigenaar van de oogst of Hij arbeiders wil sturen om de oogst binnen te halen.’ 1 Daarop riep Hij zijn twaalf leerlingen bij zich en Hij gaf hun de macht om onreine geesten uit te drijven en iedere ziekte en elke kwaal te genezen. 2 Dit zijn de namen van de twaalf apostelen: als eerste Simon, die Petrus genoemd wordt, en zijn broer Andreas, Jakobus, de zoon van Zebedeüs, en zijn broer Johannes, 3 Filippus en Bartolomeüs, Tomas en de tollenaar Matteüs, Jakobus, de zoon van Alfeüs, en Taddeüs, 4 Simon Kananeüs en ten slotte Judas Iskariot, die Hem zou uitleveren. 5 Dit waren de twaalf die Jezus uitzond, en Hij gaf hun de volgende instructies: ‘Neem niet de weg naar de heidenen en ga geen Samaritaanse stad binnen. 6 Ga liever op zoek naar de verloren schapen van het volk van Israël 7 en verkondig hun dat het koninkrijk van de hemel nabij is. 8 Genees zieken en wek doden op, reinig mensen die door een huidziekte onrein zijn, en drijf demonen uit. Om niet hebben jullie ontvangen, om niet moeten jullie geven! 9 Neem geen geld aan, geen gouden, zilveren of koperen munten voor in je gordel, 10 vraag geen reistas mee voor onderweg, geen extra kleren, geen sandalen en geen stok, want de arbeider is zijn brood waard. 11 In elke stad en in elk dorp waar je komt, moet je uitzoeken wie het waard is je te ontvangen; blijf daar dan tot je weer verdergaat. 12 Groet de bewoners van het huis dat je binnengaat. 13 Laat jullie vrede over dat huis komen als het dat waard is, maar als het dat niet waard is, laat dan die vrede naar je terugkeren. 14 En als ze je niet willen ontvangen noch naar je woorden willen luisteren, verlaat dan dat huis of die stad en schud het stof van je voeten. 15 Ik verzeker jullie: op de dag van het oordeel zal het lot van Sodom en Gomorra draaglijker zijn dan dat van die stad. (NBV21)

Geen wonder dat Jezus van Nazareth handen te kort komt als je iedereen van elke ziekte en elke kwaal weet te genezen. Maar staat dat er eigenlijk wel? Het Griekse woord dat hier met ziekte wordt vertaald kan ook worden vertaald als kwelling en het woord dat met kwaal wordt vertaald kan ook worden vertaald als zwakte. En dan staat er iets anders dan een beschrijving van het werk van de gemiddelde dokter. Dan staat er dat Jezus van Nazareth de mensen weer moed en kracht gaf, zoals schapen weer kracht kunnen krijgen als ze goed en vers gras te eten krijgen. Maar daar is een herder voor nodig die ze naar grazige weiden brengt. Het ene beeld heeft verband met het andere. Maar sterke zieken die verzekeringen en overheden kunnen aanspreken op de zorg waar ze recht op hebben zijn heel wat lastiger dan zwakke en zielige figuren die maar moeten bidden met gevouwen handen en gesloten ogen of ze misschien beter mogen worden. Om de massa sterker en weerbaarder te maken is kader nodig, zijn mensen nodig die het goede voorbeeld geven en zelf ook de mensen helpen sterker en weerbaarder te worden.

Zo koos Jezus van Nazareth 12 mensen die hij er op uit kon zenden om al die mensen die opnieuw wilden beginnen, die geloofden beter te kunnen worden, ook daadwerkelijk te helpen weerbaarder en sterker te worden. Mattheüs geeft een hele rij namen en bij een paar discussiëren de geleerden nog wie nou wie is. Je vindt de rij ook bij Lukas die de mannen zendelingen of Apostelen noemt omdat ze er op uit worden gestuurd. Eén ervan is Simon bijgenaamd Kananeüs. Die bijnaam onderscheidt hem van Simon Petrus waar we waarschijnlijk meer van gehoord hebben. Dat Kananeüs staat in de Nieuwe Bijbelvertaling. Het stond ook al in de Statenvertaling uit 1619 op deze manier vertaald. In de Bijbelvertaling van 1951, die in de tweede helft van de vorige eeuw bijna overal is gebruikt staat nog Simon de Zeloot. Je moet dus nooit de Bijbel letterlijk nemen, want je moet altijd vragen naar welke Bijbel, of beter naar welke vertaling uit welke grondtekst je moet luisteren. Het gaat om de betekenis. Die bijnaam Kananeüs gaat terug op een woord dat in het Bijbelboek Exodus wordt gebruikt voor IJveraar. En dat was ook de bijnaam voor de beweging van de Zeloten die in de tijd van Jezus verzet pleegden tegen de Romeinse bezetting. Ze gingen gewelddadig verzet niet uit de weg.

Deze Simon, zo wordt aangenomen, had zich na verloop van tijd bij Jezus aangesloten, maar hij bleef “de IJveraar”. De reuk van terrorisme bleef hem volgen. De 12 zendelingen die Jezus er op uit stuurt krijgen heel nauwkeurige instructies mee. Jezus zelf was net weggestuurd uit het 10 stedenland, omdat hij de gekkigheid van een paar bewoners aan varkens had verbonden die zich vervolgens van de rotsen hadden gestort, dus naar het buitenland mogen ze voorlopig niet gaan. Het blijft bij de mensen van hun eigen volk want die kunnen snappen waar het om gaat. Een koninkrijk waar de Thora, de richtlijn voor de menselijke samenleving, heerst, de regel van je naaste liefhebben als jezelf. Daarom mogen ze ook niks verdienen aan het brengen van de boodschap, aan het genezen van ziekten en het laten ophouden van allerlei gekkigheid. Zeker niet aan het wegnemen van kwellingen en aan het weerbaar maken van het volk, zoals je het “genezen van alle ziekten en kwalen” eigenlijk ook zou kunnen vertalen. Wij maken ons volk weerbaar door het aankopen van dure wapensystemen, de rijken verdienen er dik aan, maar we zouden ons kunnen afvragen of we niet beter de mensen weerbaar kunnen maken.

 

In mijn nood

Psalm 120

1 Een pelgrimslied. Roep ik in mijn nood tot de HEER, Hij geeft mij antwoord. 2 Bevrijd mijn ziel, HEER, van lippen die liegen, van de tong die bedriegt. 3 Wat zal je straf zijn, bedrieglijke tong, en wat je straf nog verzwaren? 4 Pijlen, gescherpt voor de strijd, en dan gloeiende houtskool van brem! 5 Ach, dat ik moet wonen in Mesech, ver van huis bij de tenten van Kedar. 6 Te lang al woont mijn ziel bij mensen die vrede haten. 7 Spreek ik woorden van vrede, zij willen oorlog. (NBV21)

Vandaag zingen we mee met mensen die op weg zijn gegaan om God te zoeken. En het is geen vrolijk lied. Ze geloven wel dat God antwoord zal geven. Maar de leugenaars zijn om hen heen, wat zal de straf zijn voor de leugenaars is de vraag, met pijlen gescherpt voor de strijd en gloeiend gemaakt met houtskool moeten ze bestookt worden. Deze pelgrims waren verdreven naar de volken die ten noorden van Israel woonden, in Mesech, of naar de landen van de volken van de nakomelingen van Ismael, bij de tenten van Kedar. Ze moesten wonen bij de mensen die de vrede haten. Zo kennen we vluchtelingen. Ze wonen nog in hun eigen land, zoals in de kampen in Banglah Desh, waar ze nu worden verdreven door militairen die net willen doen of er geen volkerenmoord was. Of ze wonen in Tjaad waar ze achtervolgd worden door dezelfde rebellen die hen uit Darfur hadden verdreven, ze wonen in Zuid-Afrika waar ze verjaagd worden door armen die zich ook uitgebuit en onderdrukt voelen.

Zolang we niet in staat zijn vluchtelingen een blijvende en veilige plek op aarde te geven zullen onze broeders en zusters in ellende blijven, hun hoop vestigen op politici die leugens verspreiden. En daarmee zijn we in ons eigen land terug. Want ook hier hebben we politici die leugens verspreiden. Die mensen hoop geven die in angst leven. Want wie vrouwen heeft zien sterven aan borstkanker in eigen familie kan zich de angst voorstellen van vrouwen om dochters te krijgen die hetzelfde te wachten kan staan. Wie gunt nu haar kinderen het uitzicht op ondraaglijk lijden, op verminking en vernedering. Kennelijk sommige van onze zogenaamde christelijke partijen. Nu de techniek vrouwen met erfelijk borstkanker gezonde kinderen kan brengen en hen kan bevrijden van de angst voor de dood van hun nageslacht wordt hen door deze zogenaamde christenen deze hoop op gezond nageslacht ontzegd. Is dat niet hetzelfde als vluchtelingen verdrijven uit veilig gewaande kampen?

De IVF procedure is voor niemand een plezier, het plezier is er pas als je weet dat er een kind zal worden geboren, een kind dat gezond zal zijn en gezond zal blijven, als je weet dat je daar alles aan gedaan hebt. Net zomin is een vlucht een plezier, gedwongen te zijn te wonen in de tenten temidden van een vreemd volk, bang te moeten zijn dat dat volk zich tegen je zal keren. Het is afschuwelijk angst tot een gewoonte in je leven maken. Wij kunnen ze daarvan bevrijden. Wij zijn in staat vreemdelingen een volwaardige plaats in onze samenleving te geven, waarom doen wij het niet? Wij hebben militairen naar Tjaad gestuurd en hulpverleners naar Birma. Maar waarom laten wij vrouwen in de steek en dwingen ze tot angst voor hun nageslacht? We kunnen ze bevrijden.

Blijf daar niet zo staan!

1 Samuël 20:35–21:1

35 De volgende morgen ging Jonatan de stad uit om David op de afgesproken plaats te ontmoeten; hij nam een jonge knecht mee. 36 ‘Zoek snel de pijlen op die ik afschiet,’ beval hij hem. Zodra de jongen wegrende, schoot Jonatan een pijl over hem heen. 37 Toen de jongen bij de plek kwam waar de pijl terecht was gekomen, riep Jonatan hem na: ‘Ligt de pijl niet verder weg?’ 38 En: ‘Schiet op, blijf daar niet zo staan!’ Jonatans knecht raapte de pijlen bij elkaar en bracht ze terug naar zijn meester. 39 Hij wist natuurlijk niet waar het om ging, maar Jonatan en David des te beter. 40 Jonatan gaf zijn wapens aan zijn knecht en droeg hem op ze naar de stad terug te brengen. 41 Zodra de jongen weg was, kwam David van achter de rotsblokken tevoorschijn, knielde neer en boog driemaal diep voorover. Ze kusten elkaar terwijl hun de tranen over de wangen liepen, tot Jonatan zich vermande 42 en zei: ‘Vaarwel. Onthoud wat wij tweeën elkaar bij de naam van de HEER gezworen hebben en dat wij en onze nakomelingen daar voor altijd aan gehouden zijn. De HEER is onze getuige.’ 1 Daarop ging David weg en Jonatan keerde terug naar de stad. (NBV21)

De relatie tussen David en Jonathan. de Bijbel draait er niet over heen. Deze twee mannen houden van elkaar. Ze hebben alles voor elkaar over. Als Koning Saul David wil doden neemt Jonathan zijn geliefde in bescherming. Jonathan neemt het niet langer en waarschuwt David op de eerder afgesproken manier. De twee geliefden moeten nu afscheid van elkaar nemen. Dat doen ze als niemand ze meer kan zien wordt er dan verteld. Jonathan gaat dan terug naar de stad. David gaat opnieuw naar een heiligdom.

Eerst was hij in Rama geweest bij Samuël, maar daar had Saul hem weten te vinden. Nu zoekt hij zijn heil in een ander heiligdom, dat in Nob bij de priester Achimelech. Geleerden nemen aan dat de familie van Eli verhuisd is nadat de Ark van het Verbond door de zonen van Eli in de strijd tegen de Filistijnen was ingebracht en door de Filistijnen was veroverd. Die priesterfamilie was dan in Nob terechtgekomen. We moeten bedenken dat een centraal heiligdom als de Tempel in Jeruzalem pas na David gebouwd zou worden en nog veel later een echt centraal heiligdom voor Israël zou worden.

Priesters en Levieten hadden geen eigen land in Israël. Zij moesten leven van het recht en de trouw van Israël aan het verbond. Daarom waren er Priestersteden. Hier werden ook de roosters opgesteld voor de diensten in het Heiligdom. De Tabernakel was kennelijk in Nob terecht gekomen. Onder de vorige Priester Eli had de Ark nog een rol gespeeld, maar sinds er een koning is raakte die uit beeld. David zal later de Tabernakel en vooral de Ark van het verbond weer centraal stellen. De relatie met Jonathan die hem het leven heeft gered maakt dat hij weer bij God onder ogen kan komen. Liefde overwint alles en Paulus zal ons voorhouden dat overal waar liefde is God ook aanwezig is. Dus ook bij de liefde tussen de twee mannen die de toekomst van Israël bepalen, in liefde voor elkaar.

Waarom moet hij sterven?’

1 Samuël 20:24-34

24 David hield zich dus buiten de stad verborgen. Met nieuwemaan zette de koning zich aan het feestmaal. 25 Toen de koning ging zitten, op zijn vaste plaats tegen de wand, stond Jonatan op. Abner nam plaats naast Saul; Davids plaats bleef onbezet. 26 Saul zei er die dag niets van; hij dacht: Er is vast iets gebeurd waardoor hij onrein geworden is, ja, dat zal het zijn. 27 Maar toen Davids plaats de volgende dag, de tweede dag van het nieuwemaansfeest, nog steeds onbezet bleef, vroeg Saul aan zijn zoon Jonatan: ‘Waarom is de zoon van Isaï niet aan de maaltijd verschenen, gisteren niet en vandaag ook niet?’ 28 ‘David heeft mij dringend verlof gevraagd om naar Betlehem te gaan,’ antwoordde Jonatan. 29 ‘“Laat me alsjeblieft gaan,” vroeg hij. “Er wordt bij mij thuis in de familiekring een offerfeest gehouden, en mijn broer heeft mij gezegd dat ik moet komen. Wees zo goed mij ongehinderd naar huis te laten gaan, zodat ik mij bij mijn broers kan voegen.” Daarom laat hij zich verontschuldigen bij het feestmaal van de koning.’ 30 Woedend barstte Saul tegen Jonatan uit: ‘Hoerenjong! Alsof ik niet weet dat jij de kant van de zoon van Isaï hebt gekozen. Je maakt jezelf te schande, en de moeder bij wie ik je verwekt heb erbij! 31 Zolang de zoon van Isaï hier op aarde rondloopt, ben jij je leven en je koningschap niet zeker. Laat hem onmiddellijk halen en breng hem bij me, want hij is ten dode opgeschreven.’ 32 ‘Maar waarom moet hij sterven?’ vroeg Jonatan. ‘Wat heeft hij misdaan?’ 33 Daarop slingerde Saul zijn speer naar Jonatan in een poging om hem te treffen. Toen begreep Jonatan dat zijn vader vastbesloten was om David uit de weg te ruimen. 34 Woedend liep hij van tafel weg, zonder dat hij die tweede dag van het nieuwemaansfeest iets gegeten had, want hij maakte zich zorgen om David en was gegriefd omdat zijn vader hem zo beledigd had. (NBV21)

Er is een feestdag in de geschiedenis die de Bijbel vertelt waar we maar weinig aandacht aan schenken. Dat is de feestdag van de nieuwe maan. Op allerlei plaatsen in de Bijbel wordt echter de indruk gewekt dat die feestdag net zo belangrijk is geweest als de Sabbath. Ook op nieuwe maan werden er feestmaaltijden gehouden of werd een heiligdom bezocht. Dat Koning Saul op de feestdag van de nieuwe maan een feestmaaltijd houdt is dus niet zo vreemd. Maar de plaats van David blijft leeg. Nu was David legeraanvoerder en dus veel in oorlog. Voordat hij aan een dergelijke religieuze maaltijd had kunnen deelnemen zou hij zich eerst ritueel moeten reinigen, dat kost tijd en daarom zou hij aanvankelijk verhinderd geweest kunnen zijn.

Maar als hij de tweede dag van het feest ook verstek laat gaan dan is er wat aan de hand. Zoals afgesproken neemt Jonathan het voor David op. Er zou een offermaaltijd worden gehouden in Bethlehem waar David niet mocht ontbreken. Jonathan had David dus laten gaan.De speer die David een paar maal bijna had getroffen dreigt nu Jonathan te treffen. De zoon van Isaï, klinkt het beledigend, moet en zal dood. De liefde van Jonathan voor David staat zijn trouw aan zijn vader overigens niet in de weg. Telkens weer had hij tevergeefs zijn vader er van proberen te weerhouden kwaad te doen tegen David. Maar de woede van Saul had zich in de tijd steeds vermeerderd.

Saul was er echt van overtuigd geraakt dat David de volgende koning van Israël zou willen worden en dat de kansen van Jonathan op de opvolging verkeken zouden zijn als David in leven zou worden gelaten. Jonathan kiest echter voor het leven van David. Overigens zoals David voor het leven van Saul zal kiezen. Die keuze voor het leven staat als gebod in het boek Deuteronomium. Het is daarom dat beiden God als getuige kunnen inroepen voor de eden die zij elkaar gezworen hebben. De eed dat ze elkaar trouw zouden blijven en de eed dat ze elkaars nageslacht niet zullen uitroeien. Na de dood van Salomo zal dit leiden tot de scheiding van het land in een Noordrijk en een Zuidrijk. Voor ons betekent dit dat de keuze voor het leven altijd de goede keuze is, aan wie we ook trouw willen blijven. Trouw aan de God van Israël gaat voorop. Elke dag opnieuw mogen we die keuze maken, ook vandaag weer.

 

Een eed op hun vriendschap

1 Samuël 20:11b-23

Toen ze samen buiten de stad waren gekomen 12 zei Jonatan: ‘Bij de HEER, de God van Israël: morgen of overmorgen om deze tijd zal ik uitzoeken hoe mijn vader over je denkt. Als het er goed voor je uitziet, zal ik een boodschap sturen om het je te laten weten. 13 Maar mocht mijn vader zich het in zijn hoofd hebben gezet om je kwaad te doen, dan mag de HEER met mij doen wat Hij wil, als ik je dat niet zou laten weten en er niet voor zou zorgen dat je een veilig heenkomen kunt vinden. Moge de HEER je bijstaan zoals Hij eerst mijn vader bijstond. 14 Ik weet wel dat je me zolang als ik leef goed zult behandelen, zoals de HEER dat voorschrijft, maar beloof me dat je ook na mijn dood 15 mijn nakomelingen steeds goedgezind blijft, zelfs wanneer de HEER al je vijanden een voor een van de aardbodem wegvaagt.’ 16 Jonatan sloot een verbond met het huis van David met de woorden: ‘Moge de HEER je daaraan houden.’ 17 Vervolgens liet hij David dit bekrachtigen met een eed op hun vriendschap, want hij had David lief als zijn eigen leven. 18 Daarna zei hij: ‘Als je plaats morgen tijdens het nieuwemaansfeest leeg blijft, zal men je zeker missen. 19 Overmorgen moet je een flink eind weggaan en je verbergen op dezelfde plek als de vorige keer, bij de Haëzelrots. 20 Ik zal drie pijlen op de rots afschieten, alsof ik op een doel mik, 21 en die door mijn wapendrager laten ophalen. Als ik tegen hem roep: “Nee, dichterbij!”, neem hem dan mee en kom naar me toe, want zo waar de HEER leeft, dan kun je gerust zijn en is er niets aan de hand. 22 Maar als ik roep: “Nee, erderop!”, dan moet je vertrekken, want dan is het de HEER zelf die je wegstuurt. 23 En bij alles wat we nu hebben afgesproken, jij en ik, is de HEER onze getuige.’ (NBV21)

Trouwe Bijbellezers kennen de afloop, maar die doet hier even nog niet ter zake. De oplossing die de beide mannen kiezen voor het bericht over de houding van Koning Saul beslecht een ander conflict, een conflict uit het verleden. Het conflict tussen Kaïn en Abel. Daar gingen twee broers het veld in en de ene broer dode de ander. Hier zullen twee broers het veld ingaan en maakt de ene broer het mogelijk dat de ander in leven blijft. In dit verhaal wordt gekozen voor het leven. Een keuze die mogelijk gemaakt wordt door de liefde.

Een keus die wij dus ook mogen maken. Als wij werkelijk van onze naaste houden als van onszelf dan gunnen we die naaste een even liefdevolle relatie als wij voor onszelf willen. Met wie die relatie ook wordt aangegaan. Want zeg nu zelf, zou een ander jouw relatie mogen verbieden? Zo mogen we het elke dag opnieuw mogelijk maken dat mensen van elkaar kunnen houden, ook vandaag weer. In het verhaal over David en Jonathan wordt voortdurend de nadruk gelegd op de liefde tussen de twee. Ze zweren zelfs elkaar tot hulp en bijstand te zijn, een bekende huwelijksbelofte.

David is ingetrouwd in het huis van Saul. Pas als Saul en zijn zonen in de slag gestorven zijn zal hij echt koning van Israël worden. Door de innige vriendschap met Jonatan wordt dat huwelijk van David eigenlijk een politiek huwelijk, het is een factor in het spel om het koningschap van Israël. David weigert in opstand te komen tegen Saul. Hij was zeer populair bij het volk en had daardoor de sympathie van Saul verspeeld. Maar populisme mag volgens de Bijbel niet lijden tot geweld, ook in onze dagen mogen we daar soms wel wat meer op letten.