Deze verlatenheid

Matteüs 15:29-39

29 Jezus trok weer verder. Bij het Meer van Galilea ging Hij de berg op; daar ging Hij zitten. 30 Er kwamen grote mensenmassa’s op Hem af. Ze brachten verlamden, blinden, kreupelen, doofstommen en vele anderen mee, die aan zijn voeten werden gelegd, en Hij genas hen allen. 31 De mensen zagen vol verwondering hoe doofstommen gingen spreken, kreupelen beter werden, verlamden gingen lopen en blinden konden zien, en ze loofden de God van Israël. 32 Nadat Jezus zijn leerlingen bij zich had geroepen, zei Hij: ‘Ik heb medelijden met al die mensen, want ze zijn nu al drie dagen bij Me en ze hebben niets te eten. En hen met een lege maag naar huis sturen wil Ik niet, want dan raken ze onderweg uitgeput.’ 33 De leerlingen antwoordden: ‘Maar waar halen we in deze verlatenheid genoeg brood vandaan om al die mensen te voeden?’ 34 Jezus vroeg hun: ‘Hoeveel broden hebben jullie?’ Ze zeiden: ‘Zeven, en wat visjes.’ 35 Hij gaf de mensen opdracht op de grond te gaan zitten. 36 Toen nam Hij de zeven broden en de vissen, sprak het dankgebed uit, brak de broden en gaf ze aan de leerlingen, en die deelden ze uit aan de mensen. 37 Iedereen at en werd verzadigd, en toen ze de stukken brood die over waren ophaalden, hadden ze zeven manden vol. 38 Er hadden ongeveer vierduizend mannen gegeten, vrouwen en kinderen niet meegeteld. 39 Nadat Hij de mensen had weggestuurd, stapte Hij in de boot en vertrok naar de omgeving van Magadan. (NBV21)

Getallen staan er in de Bijbel soms niet zomaar. Als we ergens 12 zien staan denken we aan de 12 zonen van Jacob die hun namen gaven aan de 12 stammen van Israël. Jezus zocht later 12 zendelingen uit die als de Apostelen er op uit werden gestuurd om zijn verhaal te vertellen. Er is nog zo’n getal is dat is 7. Het wordt wel het heilige getal genoemd en het staat voor de volmaakte wereld, de hele wereld, maar dan zoals die bedoeld is. Daarvan staat in het begin van de Bijbel dat God er naar keek en zag dat het goed was. In het verhaal waarnaar hierboven wordt verwezen bleven er zeven manden over. Genoeg dus om de hele wereld te eten te geven. Niet zo vreemd natuurlijk als je eerst de kruimels van de tafel voor de buitenlandse bestemd.

En natuurlijk net als in het eerste verhaal over het te eten geven van het volk, waren ook hier de vrouwen vergeten die na drie dagen nog te eten hadden, zij werden niet meegeteld. Maar vrouwen gaan niet op stap zonder proviand, zeker niet als ze ook nog hun kinderen mee nemen, mannen wel, die rennen zo de deur uit en zien wel. Vijf broden en een paar visjes brachten de leerlingen ter tafel. Er is dus echt genoeg te eten voor de hele wereld. Voorwaarde is dat wij niet alleen van onze rijkdom willen delen maar dat we mensen in arme landen als onze gelijken, onze zusters en broeders gaan behandelen. Als wij onze boeren inkomenssteun geven, je hoort ze er niet over, dan moet dat ook naar boeren in arme landen. Die kunnen dan beter concurreren en dan is er zeker voor iedereen te eten.

Hoe maakt Jezus dat nu duidelijk? Net als Mozes. Die kwam van de berg met de regels voor de menselijke samenleving. Zolang het volk door de woestijn trok zorgde God voor brood. Genoeg voor elke dag, en op voorraad voor de rustdag. Wij willen altijd meer. Vijf broodjes en een handvol vissen daar hoef je in de zomer niet bij de gemiddelde camping aan te komen. En als we naar buiten gaan nemen we niet meer als vanzelfsprekend de picknickmand met broodjes en limonade mee. Arme mensen doen dat nog steeds wel en zelfs in de grootste pretparken kun je gezinnen tegenkomen die hun eigen eten en drinken bij zich hebben. Wat minder luxe en gemak is volgens het verhaal van Lucas kennelijk een uitstekend uitgangspunt om samen te kunnen leven.

Heb medelijden

Matteüs 15:21-28

21 En weer vertrok Jezus; Hij week uit naar het gebied van Tyrus en Sidon. 22 Plotseling klonk het geroep van een Kanaänitische vrouw die uit die streek afkomstig was: ‘Heb medelijden met mij, Heer, Zoon van David! Mijn dochter wordt vreselijk gekweld door een demon.’ 23 Maar Hij reageerde niet. Zijn leerlingen kwamen naar Hem toe en vroegen Hem dringend: ‘Stuur haar toch weg, anders blijft ze ons maar naroepen.’ 24 Hij antwoordde: ‘Ik ben alleen gezonden naar de verloren schapen van het volk van Israël.’ 25 Maar zij kwam dichterbij, wierp zich voor Hem neer en zei: ‘Heer, help mij!’ 26 Hij antwoordde: ‘Het is niet goed om het brood voor de kinderen aan de honden te voeren.’ 27 Ze zei: ‘Zeker, Heer, maar de honden eten toch de kruimels op die van de tafel van hun baas vallen.’ 28 Toen antwoordde Jezus haar: ‘U hebt een groot geloof! Wat u verlangt, zal ook gebeuren.’ En vanaf dat moment was haar dochter genezen. (NBV21)

Er zijn allerlei manieren om mensen te helpen. Je kunt mensen negeren. Soms helpt dat. Uit onderzoek naar mensen die op een wachtlijst bij de Geestelijke Gezondheidszorg stonden bleek dat een flink deel van die mensen zonder verdere hulp al genas. Erkenning van een probleem, ook door henzelf was al genoeg om hen aan een oplossing te doen werken. Je kunt ook mensen helpen om er maar vanaf te zijn. Zoals de leerlingen van Jezus in het verhaal van hierboven proberen, zo van ze roept zo hard, dat staat kennelijk lelijk, dat trekt maar ongewenste aandacht. We zien die vorm van hulpverlening nog wel eens bij politici. Dan moeten ineens alle zwervers geholpen worden. Niet met hun probleem, dat kan nog heel verschillend en ingewikkeld zijn, maar met hun gezwerf, geen gezicht, dus: of naar een inrichting of naar een deel van de stad waar ze niet worden gezien.

Je hebt ook nog de zogenaamde Rode Kruis agressie. Problemen voor mensen oplossen omdat je het gevoel hebt dat het moet, daar ben je toch voor. Het spreekwoord dat je beter iemand kan leren vissen dan een vis geven helpt dan niet. Toch is het natuurlijk altijd goed om je af te vragen wat helpen in een bepaalde situatie echt betekent. Help je iemand door alles over te nemen, of help je iemand door te laten zien dat die het zelf ook kan oplossen? De geleerden zijn het er niet over eens wat hier uiteindelijk van Jezus gevraagd wordt. De nieuwe vertaling heeft het over wegsturen, maar de oude Statenvertaling had het over laten gaan. Het oorspronkelijke Grieks zou misschien ook met bevrijden vertaald kunnen worden en dan hebben de leerlingen meer door dan de Nederlandse vertaling ons wil doen geloven.

Het brengt Jezus wel in gesprek met de vrouw. Een buitenlandse, een Kanaänitische, en dat staat vaak voor buitenlands van het ergste soort. Jezus gaat eerst na wat voor hulp gevraagd wordt. Is dit een moeder die het probleem dat een dochter kan zijn op een ander wil afwentelen? Kennelijk niet want de moeder is bereid zelf voor haar dochter door het stof te gaan. Dat maakt het Jezus mogelijk iets te doen. En wat dan? Wat de dochter mankeert blijft buiten het verhaal. Ze was genezen omdat haar moeder wilde dat ze genas. De inzet van ouders voor hun kinderen kan groot zijn. Dat betekent niet dat ongeneeslijk zieke kinderen genezen als hun ouders maar genoeg van ze houden, integendeel. Kinderen die ongeneeslijk ziek zijn genezen niet, hoezeer hun ouders ook van ze houden, maar die liefde maakt wel dat de kwaliteit van leven omhoog kan gaan. Wetenschappelijk onderzoek, voorzieningen voor zieken en gehandicapten, instellingen en ziekenhuizen, het is er vaak door de inzet van zulke ouders gekomen. Die ouders gaan niet alleen door het stof voor hun eigen kind, maar voor alle kinderen. Alleen zulke onvoorwaardelijke liefde voor mensen helpt, maar hulp vragen is eigenlijk heel gewoon.

De stralende verschijning van de HEER

Ezechiël 10:9-22

9 Ook zag ik vier wielen naast de cherubs staan, naast elke cherub één. De wielen glansden als turkoois 10 en hadden alle vier dezelfde vorm: ze leken op een wiel midden in een ander wiel. 11 Als ze bewogen, konden ze zonder te zwenken alle vier de kanten op gaan; zonder om te draaien volgden ze het voorste wiel in de richting waarheen dat zich wendde. 12 De lichamen van de cherubs, hun rug, handen en vleugels, en ook de wielen, waren helemaal bezet met ogen; dit gold voor de vier cherubs en voor hun wielen. 13 Het waren de wielen die ik eerder het raderwerk had horen noemen. 14 Iedere cherub had vier gezichten: bij de eerste was het gezicht van een cherub te zien en bij de tweede dat van een mens, bij de derde de muil van een leeuw en bij de vierde de bek van een adelaar. 15 De cherubs stegen op; het waren de wezens die ik bij het Kebarkanaal al had gezien. 16 Als de cherubs zich bewogen, gingen de wielen met hen mee, en ook als ze hun vleugels uitspreidden om van de grond op te stijgen, bleven de wielen bij hen. 17 Als de cherubs stilstonden, stonden ook de wielen stil, en als ze opstegen bleven de wielen bij hen, want een en dezelfde geest leidde de wezens en de wielen. 18 Toen ging de stralende verschijning van de HEER weg bij de tempelingang en Hij kwam tot stilstand boven de cherubs. 19 Ik zag dat ze hun vleugels spreidden, in beweging kwamen en van de grond opstegen met de wielen naast zich. Ze gingen bij de oostelijke poort van de tempel van de HEER staan, en de stralende verschijning van de God van Israël rustte op hen. 20 Dit waren de wezens die ik al bij het Kebarkanaal had gezien, de wezens waar de God van Israël ook toen op rustte, en nu begreep ik dat het cherubs waren. 21 Ze hadden elk vier gezichten en vier vleugels, en onder elk van die vleugels was iets zichtbaar dat de vorm had van een mensenhand. 22 Ook hun gezichten leken op de gezichten die ik bij het Kebarkanaal had gezien: ze zagen er net zo uit, het waren dezelfde wezens. Ze bewogen zich steeds recht vooruit.(NBV21)

Ezechiël keert weer terug naar het visioen waarmee zijn verhaal begon, toen de donderwolk van de god Mardoek de wagen bleek waarmee de God van Israël de wereld bestuurde. Nu stond deze in een nieuwe Tempel en kon de profeet meer er van zien. Toen de Tempel gebouwd was en door Salomo in gebruik was gesteld had de Tempel zich gevuld met een wolk als teken dat de God van Israël hier ontmoet kon worden. Op een altaar branden voortdurend kolen als teken van het verbond dat door Israël aan was gegaan. Wie tegen het verbond in ging kreeg vurige kolen op het hoofd gestapeld. De priesterlijke figuur die de lijdenden uit de stad van een sparend merkteken had voorzien krijgt nu de opdracht die vurige kolen over de hele stad te strooien. Ezechiël ziet dan weer dat de Cherubs samen een soort wagen vormden met een saffierblauwe afdekking.

Hij realiseert zich zoiets eerder te hebben gezien. De cherubs hadden geleken op de godenbeelden van Babel, sfinxen met mensen of dierenkoppen. Er bovenop zat iets dat op een mens geleek. Wij weten dat de mens geschapen is naar Gods beeld en gelijkenis, ook Ezechiël had zich gerealiseerd dat God deze bijzondere wagen bestuurde. God verliet dus de Tempel. De wolk die in de Tempel was verplaatste zich naar de wagen van de cherubs. Maar voor mensen die dag in dag uit tussen de godenbeelden van Babel verkeerden moet dit toch wel een heel bijzonder visioen geweest zijn. Werden de goden van Babel bestuurd door de God van Israël? Nog erger misschien. Een koning liet zich van tijd tot tijd op zijn troon gezeten rond dragen door slaven om de onderdanen de gelegenheid te geven hem eer te bewijzen.

Waren de goden van Babel soms de slaven van de God van Israël? Wij hebben het maar gemakkelijk. Wij geloven dat er één God is en dat godenbeelden niet anders zijn dan door mensen gemaakte voorwerpen die je kunt bewonderen om hun kunstigheid, maar waarvan het aanbidden dwaasheid is. De ballingen in Babel hoorden voortdurend verhalen over de macht van de afgoden. De één zorgde voor winst voor de onderdanen, de ander zorgde voor militaire macht, een derde sprak recht ten behoeve van de rijken en er was er vast wel een die bekend stond om de snelheid waarmee die kon lopen of de schoonheid van de muziek der er werd gemaakt. Wij mogen onze idolen dus ook nog wel eens in de ogen zien. Al die mannetjes en vrouwtjes die zich zo belangrijk vinden zijn niet anders dan slaven van de God van Israël. Die aanbidden is dwaasheid, maar aan hen wordt meer zendtijd besteed dan aan de kinderen van God, de daklozen, de wezen, de zieken en gehandicapten.

 

Haal nu wat vuur

Ezechiël 10:1-8

1 Daarna zag ik dit: boven de koepel boven de cherubs was iets te zien dat leek op een troon van saffier. 2 De HEER zei tegen de in linnen geklede man: ‘Ga het raderwerk waarop de cherubs rusten binnen en vul er je handen met gloeiende kolen; die moet je uitstrooien over de stad.’ Ik zag hoe de man naar binnen ging. 3 De cherubs stonden op dat moment aan de zuidkant van de tempel, en een wolk vulde de binnenhof. 4 Toen de stralende verschijning van de HEER zich verplaatste van de cherubs naar de tempelingang, vulde die wolk de tempel, en de hele hof was vol van de gloed van de verschijning van de HEER. 5 Tot in de buitenhof was het geluid te horen van de vleugels van de cherubs; het was een geluid als wanneer God, de Ontzagwekkende, spreekt. 6 Toen beval Hij de man met de linnen kleren: ‘Haal nu wat vuur weg uit het raderwerk onder de cherubs.’ De man ging verder naar binnen en ging naast een wiel staan. 7 Een van de cherubs strekte zijn hand uit naar het vuur dat zich tussen hen in bevond en legde daar wat van in de handen van de in linnen geklede man, die ermee naar buiten ging. 8 Onder de vleugels van de cherubs was iets zichtbaar dat de vorm had van een mensenhand. (NBV21)

Hebben de afgoden nu gewonnen? Is het ze gelukt niet alleen het volk van de God van Israël af te pakken maar ook die God uit zijn Tempel te verdrijven? Op het eerste gezicht lijkt het er op. Als de leer van Mozes niet meer wordt gevolgd, als er alleen nog afgoden worden vereerd, tot in de Tempel van Jeruzalem toe, dan is er geen plaats meer voor de God van Israël, dan zijn Tempel, stad en land goddeloos geworden. Maar wees voorzichtig. We lezen steeds een klein stukje uit de Bijbel en dat verhaal over het visioen van Ezechiël over de Tempel en de mensen in Jeruzalem begon bij hem thuis in Babel.

Daar zaten de oudsten van Israël die hem kwamen vragen hoe het nu verder moest met hun godsdienst. Zij kennen de Tempel, met de voorhof, het heilige en het allerheiligste. In dat allerheiligste stond de Ark van het Verbond. Daarop stonden de cherubs, de onzichtbare machten en krachten uit de wereld, die zich bogen over de Ark en daarmee de God van Israël bewezen. Die mensen uit Juda spraken er vaak over als de voetenbank van God. Zij hadden wellicht hun God uit de Tempel verdreven maar dat het een God was die het volk in benarde tijden te hulp kwam stond nog steeds vast. Toen de Tempel gebouwd was en door Salomo in gebruik was gesteld had de Tempel zich gevuld met een wolk als teken dat de God van Israël hier ontmoet kon worden.

Op een altaar branden voortdurend kolen als teken van het verbond dat door Israël aan was gegaan. Wie tegen het verbond in ging kreeg vurige kolen op het hoofd gestapeld. De priesterlijke figuur die de lijdenden uit de stad van een sparend merkteken had voorzien krijgt nu wat van dat vuur in de hand. De oudsten van Israël moesten in zien dat het aan hen zelf zou liggen of hun eigenlijke bevrijdende God hen te hulp zou komen. Ezechiël moest het hen laten zien. Maar ook in onze dagen is het voor machthebbers moeilijk om te zien waar hun fatsoen ligt, in het uiterlijk of in het handelen met de minsten, gewortelde kinderen, gehnadicapten, bejaarden die zorg nodig hebben. Wij zijn het die het hen moeten laten zien, elke dag opnieuw.

 

Vernietigingswapens

Ezechiël 9:1-11

1 Toen hoorde ik Hem luid roepen: ‘Kom tevoorschijn, jullie die de stad gaan straffen, en neem je vernietigingswapens mee.’ 2 En ik zag hoe zes mannen uit de richting van de noordelijke bovenpoort kwamen, alle zes met een dodelijk wapen in hun hand. Er was ook nog een man bij hen in linnen kleren, die een schrijverskoker aan zijn gordel droeg. De mannen gingen naast het bronzen altaar staan. 3 De stralende verschijning van de God van Israël bewoog zich van de cherubs waarboven Hij troonde naar de ingang van de tempel, en Hij riep de in linnen geklede man met de schrijverskoker bij zich. 4 De HEER zei tegen hem: ‘Maak een ronde door Jeruzalem, en zet een merkteken op het voorhoofd van iedereen die jammert en klaagt om de gruwelijke dingen die er in de stad gebeuren.’ 5 Tegen de zes anderen hoorde ik Hem zeggen: ‘Ga achter hem aan, trek ook door de stad en dood iedereen. Wees onverbiddelijk en heb geen medelijden. 6 Oude mensen, jonge mannen en vrouwen, moeders en kinderen-jullie moeten ze allemaal ombrengen. Maar laat degenen die het merkteken dragen ongemoeid. Begin bij mijn heiligdom.’ En ze begonnen bij de zeventig oudsten, die voor de tempel stonden. 7 Hij zei tegen de mannen: ‘Dood alle mensen in de voorhoven zodat de tempel onrein wordt, en ga dan naar buiten!’ Ze gingen naar buiten en trokken moordend door de stad. 8 Terwijl zij moordend rondtrokken bleef ik achter, en ik wierp me voorover op de grond en schreeuwde: ‘Ach HEER, mijn God, gaat U, nu uw woede Jeruzalem treft, alle Israëlieten vernietigen die er nog zijn?’ 9 Hij antwoordde: ‘De schuld die het volk van Israël en Juda op zich heeft geladen is onmetelijk groot. Het land is vol bloed, de stad vol onrecht, want ze denken bij zichzelf: De HEER heeft het land verlaten, de HEER ziet ons niet. 10 Ik zal dan ook onverbiddelijk zijn en geen medelijden hebben; Ik zal hen voor hun daden laten boeten.’ 11 De in linnen geklede man met de schrijverskoker aan zijn gordel kwam terug en bracht verslag uit: ‘Ik heb gedaan wat U mij hebt bevolen.’ (NBV21)

De afgoderij waarover we gisteren gelezen hebben kan natuurlijk niet zonder gevolgen blijven. Als het volk de God van Israël niet meer als God wil hebben dan zal het moeten voelen en zien hoe het gaat met de goddelozen zoals die overal in de wereld te vinden zijn. Er komen zeven mannen waarvan er 6 een wapen en de zevende een schrijverskoker heeft. In zes dagen werd de chaos uit het begin van het Bijbelverhaal een mensenland en op de zevende kon men rusten. Als wij hier lezen dat de mannen naast het bronzen altaar staan dan heeft dat voor velen van ons geen bijzondere betekenis. Dat bronzen altaar was immers van Salomo? Maar ons was niet meer opgevallen dat koning Achaz dat bronzen altaar terzijde had geschoven en vervangen door een stenen altaar naar Assyrisch model. Het is duidelijk dat de zeven mannen weer terug willen keren naar de godsdienst zoals die was overeengekomen met de God van Israël. Moet het volk van Israël nu worden uitgeroeid? Is er nergens genade te vinden?

De Godsdienst van Israël is geen voor-wat-hoort-wat-geloof. De leer van Mozes is onuitvoerbaar voor mensen als ze wordt opgevat als opgelegde wetten, zoals de wereld opgelegde wetten kent. Maar de goddeloosheid kan niet zonder gevolgen blijven. Daar lijden mensen onder. Want goddeloosheid en afgoderij leiden tot onrecht en onderdrukking. De goden van deze wereld, de goden van winst en profijt en van de eerste de beste, beloven een directe bevrediging van de behoeften naar macht en welvaart. Daar houdt de God van Israël zich niet mee bezig. Die zoekt mensen die de hongerigen voeden, de dorstigen laven, de blinden laten zien en de doven laten horen, de gevangenen bezoeken en de armen recht verschaffen. Voordat er begonnen wordt met welke vernietiging dan ook moeten de zes mannen met vernietigingswapens eerst de stad in om de slachtoffers van het onrecht en de goddeloosheid op te zoeken. Die slachtoffers krijgen een merkteken en moeten gespaard blijven.

Wat is dit voor een God die jongeren, kinderen, mannen en vrouwen, ouderen en jongeren laat doden? Moet je dat zo maar nemen? Moet je zelfs blij zijn dat de dood het gevolg is van goddeloosheid en onrecht? Ezechiël meent van niet. Zo kan zijn God niet zijn! Hij schreeuwt het uit tegen die God en probeert God op andere gedachten te brengen. Dat is vergeefs, het is niet de God van Israël die het leed over de ongelovigen heeft veroorzaakt maar het zijn de ongelovigen zelf. Van de inwoners van Jeruzalem mag toch worden verwacht dat zij de herinnering hebben bewaart aan de leer van Mozes, die eerste vijf boeken van ons Oude Testament. Daar wordt toch worden opgeroepen recht te betrachten, je niet te verrijken ten koste van anderen. Daar wordt toch duidelijk dat het niet de eerste de beste is waar die God zich over ontfermt, maar de minste de zwakste de armste. Daar mag je toch van leren dat alles wat je hebt van God is gekregen om een wereld te scheppen waar alles wordt ingezet om de hongerigen te voeden en geweld en onderdrukking te voorkomen dan wel te bestrijden. Dat is een boodschap van God die we ook vandaag nog mogen horen en die ons in beweging mag zetten.

 

Ze vullen het land met geweld

Ezechiël 8:13-18

13 ‘Ik zal je nog meer van hun gruwelijke daden laten zien,’ zei Hij, 14 en Hij bracht me naar de ingang van de noordelijke poort van de tempel van de HEER. Daar zaten vrouwen die rouwden om de god Tammuz. 15 ‘Heb je het gezien, mensenkind?’ vroeg Hij mij.‘En nog gruwelijker dingen zal Ik je laten zien!’ 16 Hij bracht me naar de binnenhof van de tempel van de HEER. Bij de ingang, tussen de voorhal en het altaar, stonden ongeveer vijfentwintig mannen. Ze stonden met hun rug naar de tempel, met hun gezicht naar het oosten, en ze bogen zich in aanbidding neer voor de zon. 17 ‘Heb je het gezien, mensenkind?’ vroeg Hij mij. ‘En al deze afgodendienst waaraan het volk van Juda zich overgeeft is blijkbaar nog niet genoeg: ze vullen het land met geweld, ze beledigen Mij steeds opnieuw, zie hoe ze Mij minachten door een wijnrank onder hun neus te houden! 18 Ik zal mijn woede op hen koelen, Ik zal onverbiddelijk zijn en geen medelijden hebben, en al roepen ze nog zo hard om Mij, Ik zal niet naar hen luisteren.’ (NBV21)

Vandaag even nadenken over de gevolgen van de afgodendienst. We zeggen gemakkelijk dat het najagen van winst en profijt leidt tot de dood en dat is ook zo, maar je moet het tastbaar maken. Ezechiël laat het zien. En hij begint bij het misbruik van de Tempel. Daar zijn allerlei figuren en symbolen op de muren geschilderd en die worden aanbeden. De algemene naam die aan de afgodendienst in Israël wordt gegeven is vruchtbaarheidsdienst, bij ons heet dat het welvaartsgeloof. Vruchtbaarheid in Israël heeft ook te maken met Tempelprostitutie.

Nu bij de Noordelijke ingang van de Tempel hebben de vrouwen een oorverdovend treurlied aangeheven. Voor Tammoz, de vruchtbaarheidsgod die een half jaar in de onderwereld is en een half jaar kan zorgen voor groen en vruchtbaarheid. Hij moet weer  naar de onderwereld en daarom wordt getreurd. Ja dat zijn vrouwen, maar de mannen zijn toch wijzer? Die mannen blijken in de voorhof te staan, waar de offers aan de God van Israël werden gebracht. Die mannen buigen zich nu voor de zon, opdat de zon mag blijven opgaan als de zon een nacht rust heeft genomen. Dat God de zon heeft gemaakt zijn ze vergeten.

En het volk zelf? Het vult het land met geweld. Ach, ook toen al? En mocht dat volgens Ezechël niet van de God van Israël? Tegenwoordig zouden de Christenen voor Israël Ezechiël een antisemiet noemen. Een superantisemiet want hij probeert de oudsten van Israël, daar vertelt hij dit verhaal tegen, er van te overtuigen dat al die afgoderij, het najagen van winst en profijt, al dat geweld ook tegen buurvolken allemaal in strijd is met wat de God van Israël had afgesproken met het door die God gekozen volk. Het is nu niet anders dan toen. Het geweld tegen Gaza en Libanon is afgoderij en meer dan fout en te bestrijden. Israël hoort in vrede te leven en een voorbeeld te zijn van vrede en gerechtigheid. Daar moeten we Israël bij helpen.

 

De HEER ziet ons niet

Ezechiël 8:1-12

1 In het zesde jaar, op de vijfde dag van de zesde maand, toen ik in mijn huis zat met de oudsten van Juda tegenover me, werd ik opnieuw gegrepen door de hand van God, de HEER. 2 Dit is wat ik zag: een gedaante als van vuur. Vanaf wat zijn heupen leken te zijn naar beneden toe zag ik vuur, en naar boven toe een schittering, glanzend als wit goud. 3 Hij strekte iets uit dat de vorm had van een hand en pakte me bij mijn haren beet. In dit goddelijk visioen tilde de geest me op, tussen hemel en aarde, en bracht me naar Jeruzalem, naar de ingang van de noordelijke binnenpoort, waar het afgodsbeeld staat dat de jaloezie van de HEER doet ontvlammen. 4 Daar zag ik de stralende verschijning van de God van Israël, zoals ik die ook in het dal had gezien. 5 Hij zei tegen mij: ‘Mensenkind, kijk nu naar het noorden.’ Ik keek naar het noorden en zag daar bij de toegang van de poort naar het altaar het afgodsbeeld staan dat de jaloezie van de HEER doet ontvlammen. 6 ‘Mensenkind, zie je wat ze doen? Zie je hoe vreselijk het volk van Israël zich hier misdraagt en Mij uit mijn eigen heiligdom verdrijft? En je zult nog meer gruwelijks zien.’ 7 Hij bracht me naar de ingang van de tempelhof. In de muur was een gat. 8 Hij zei tegen me: ‘Mensenkind, kruip daar doorheen.’ Dat deed ik, en aan de andere kant kwam ik bij een deur. 9 ‘Ga naar binnen om te kijken naar de verschrikkelijke dingen die ze daar doen,’ zei Hij. 10 Toen ik binnen was en rondkeek, zag ik op de muren om me heen allerlei afbeeldingen van de afgoden van het volk van Israël, van kruipende beesten en andere dieren, stuk voor stuk onrein. 11 Zeventig oudsten van het volk van Israël, met in hun midden Jaäzanja, de zoon van Safan, stonden ervoor, ieder met zijn wierookschaal in de hand, en er steeg een wolk van wierook op. 12 Hij vroeg me: ‘Heb je gezien, mensenkind, wat de oudsten van het volk van Israël doen, daar in het duister, in die zaal vol afbeeldingen? De HEER ziet ons niet, denken ze, de HEER heeft het land verlaten.’ (NBV21)

Ezechiël is de profeet van het zien vandaag lezen we dat hij vuur zag, vurige tongen. Daar hebben wij zelfs een feest van: Het Pinksterfeest. Of dat voor ons echt een feest is moet maar blijken. Voor Ezechiël waren die vurige tongen geen feest. Hij zat met de oudsten van Juda in zijn huis. We weten dat de ballingen zich vaak afvroegen waarom God hun eigenlijk verlaten had. Aan het volk Israël was toch voor eeuwig het land Kanaän beloofd? Ezechiël was nu niet direct een profeet van toespraken, geen profeet die plechtig sprekend het woord van de Heer doorgaf. Hij was de profeet van de beeldverhalen. Hij zag iets en kon dat beeldend beschrijven. In het gesprek kreeg hij daarom een visioen. God greep hem en bracht hem terug naar Jeruzalem. Bij de noordelijke poort stond een afschuwelijk afgodsbeeld. Er stond zelfs een altaar voor.

Het volk wilde niet langer het volk van de God van Israël zijn maar koos voor andere goden. Maar ze hadden de Tempel toch nog die voor de God van Israël gebouwd was en waar het verbond tussen God en Israël werd bewaard? Nu God liet Ezechiël maar even in die Tempel rondkijken. Op de muren binnen in de Tempel hadden ze afbeeldingen aangebracht, niet zomaar afbeeldingen maar beelden van onreine dieren. Dat was niet voor het mooi maar dat was een godsdienst. De oudsten van het volk en de hogepriester stonden er voor met wierookschalen. Er werden reukoffers gebracht voor de dieren, die God van Israël had geen beeld en kon hen dus ook niet zien. Maar denk je dan als die hoge heren zich teruggetrokken hebben in een bijna geheime kamer in de Tempel zou het volk zelf niet het verbond met God bewaren? Ze dachten dat God het toch niet zou zien, God was immers uit Israël verdwenen?

Het is dus de afgodendienst die gemaakt heeft dat Israël goddeloos werd en dus niet meer beschermd. Is het in onze dagen anders? Wij zetten alles op zij voor de beste wielrenner van de wereld, wij organiseren wedstrijden voor de beste tatoeëerder, zanger of zangeres, dansers, kok, bakker, kledingontwerpsters en noem maar op. We noemen ze idolen en als we het nieuws geloven dan zijn ze belangrijker dan wat dan ook. Belangrijker dan slachtoffers van oorlog en geweld, belangrijker dan vluchtelingen die verdrinken, belangrijker dan de armen in Afrika die sterven van de honger. Zijn wij ook vergeten dat ook ons de boodschap is gebracht dat we geen andere goden nodig hebben dan de God van Israël, die zijn Zoon zond om de dood te overwinnen? Zijn we vergeten dat we geroepen zijn tot gerechtigheid, tot het voeden van de hongerigen, het laven van de dorstigen, het kleden van de naakten, het bezoeken van de gevangenen, het troosten van de bedroefden? Zou daar het nieuws niet mee moeten worden geopend? Ook in onze dagen klinkt het vaak dat God het toch niet ziet. Zijn ook wij die God vergeten? Een vraag waar ieder van ons elke dag weer een antwoord op kan geven. Ook vandaag weer.

 

Gruwelijk is hun onrecht

Psalm 53

1 Voor de koorleider. Op de wijs van De rietpijp. Een kunstig lied van David. 2 Dwazen denken: Er is geen God. Verdorven zijn ze, en gruwelijk is hun onrecht, geen van hen deugt. 3 God kijkt vanuit de hemel naar de mensen om te zien of er één verstandig is, één die God zoekt. 4 Allen zijn afgegleden, allen ontaard, geen van hen deugt, niet één. 5 Hebben ze dan geen inzicht, die kwaadstichters? Ze verslinden mijn volk of het brood is en God roepen ze niet aan. 6 Nog even, en hen overvalt een hevige angst, een angst als nooit tevoren. God zal het gebeente van je belagers verstrooien, lach maar om hen, want God heeft hen verworpen. 7 Ach, laat uit Sion redding komen voor Israël. Als God het lot van zijn volk ten goede keert, zal Jakob juichen, Israël zich verheugen. (NBV21)

De dwazen waarover in deze Psalm gezongen wordt zijn geen moderne atheïsten, zij die geloven dat God niet bestaat. Want die moderne ongelovigen geloven dus wel. Zij geloven in de rede, het menselijk verstand dat door hen vergoddelijkt wordt. Ze geloven dat een goed gebruik van het redelijk verstand ook het goede zal kunnen opleveren en dat het goede dan ook niet speciaal van buiten hoeft te worden voorgehouden. De dwazen waarover deze Psalm zingt zijn zij die al helemaal niet in het goede geloven als iets dat je zou moeten nastreven, als een maat voor het handelen van mensen. Je zou overigens de indruk kunnen krijgen van deze Psalm dat er helemaal geen gelovigen meer zijn. Er is niemand meer die het goede probeert te doen, laat staan dat er nog iemand is die op zoek is naar God.

Zo is het natuurlijk niet. Als iedereen doet waar die zelf zin in heeft en dat ook van iedereen goed vindt dan ontstaat er vanzelf een wereld vol oorlog en geweld. Dan regeert het recht van de sterkste en mag iedereen vol van angst zijn voor de sterkeren. Zelfs de sterken moeten bang zijn want er kan elk ogenblik iemand op staan die nog sterker is. Bewapening is dan het antwoord en als er meerderen zijn die elkaar kunnen bedreigen en zich kunnen bewapenen dan ontstaat vanzelf een wapenwedloop, tot grote vreugde van de rijken hebben we die nu ook weer terug. Een wedloop die alleen verliezers kent. We kennen de wedloop in het klein tussen zogenaamde criminelen en de politie. Die laatste schiet eerder en gerichter. Zelfs bij een eenvoudige verkeerscontrole schiet de politie gericht op hen die zich aan die controle willen onttrekken. Criminelen die doen alsof de wereld van hen is bewapenen zich met steeds zwaardere wapens waardoor de wedloop ontstaat.

En van een dergelijke wedloop afkomen is niet eenvoudig. Niemand wil een oorlog met kernwapens, maar het lukt de grote mogendheden maar heel gering om afspraken te maken over het beperken en vernietigen van bestaande kernwapens. De Psalm die we vandaag meezingen geeft op het eind toch de richting waar we naar een oplossing voor de geweldspiraal moeten zoeken. De redding moet komen van Sion zingt de Psalm. En op de berg Sion in Jeruzalem werd de Wet van de God van Israël bewaard. Dat was het centrum van de aarde waar alle volken zich naar zouden moeten richten. Daar was immers een heersende wet die ook zegt “Gij zult niet doden” en probeer maar eens oorlog te voeren met die wet als absolute richtlijn voor alle deelnemenden. De richtlijnen van de Berg Sion, de richtlijn van heb uw naaste lief als uzelf zal ook in onze dagen weer de heersende grondregel moeten worden, daar kunnen zelfs de moderne atheïsten geen bezwaar tegen hebben. We kunnen met die leefregel elke dag opnieuw beginnen, ook vandaag weer.

 

Waarom kom je bij mij om raad?

1 Samuël 28:3-25

3 Samuel was inmiddels gestorven. Heel Israël had over hem gerouwd, en hij was begraven in Rama, zijn woonplaats. In diezelfde tijd had Saul in het hele land een verbod uitgevaardigd op het bezweren van geesten en het raadplegen van schimmen. 4 Toen nu de Filistijnen hun troepen hadden verzameld en waren opgerukt naar Sunem, waar ze hun kamp opsloegen, bracht ook Saul zijn leger op de been en hij sloeg zijn kamp op in het Gilboagebergte. 5 Maar toen hij het kamp van de Filistijnen zag, greep de angst hem bij de keel. 6 Hij raadpleegde de HEER, maar de HEER gaf geen antwoord: noch in dromen, noch door middel van orakelstenen, noch bij monde van profeten. 7 Daarom beval hij zijn dienaren om voor hem een geestenbezweerster op te sporen. ‘Daar wil ik naartoe gaan om antwoord te vinden op mijn vragen,’ zei hij. Toen zijn dienaren hem vertelden dat er in Endor nog een geestenbezweerster woonde, 8 vermomde hij zich door andere kleren aan te trekken en ging hij met twee dienaren op weg. Midden in de nacht kwamen ze bij de vrouw aan. ‘Wilt u voor mij de geest van een dode raadplegen?’ verzocht hij haar. ‘Ik zal u zeggen wie u moet oproepen.’ 9 Maar de vrouw antwoordde: ‘U weet toch wat Saul heeft gedaan: hij heeft een streng verbod uitgevaardigd op het bezweren van geesten en het raadplegen van schimmen. Waarom probeert u me in de val te lokken? Wilt u me soms de dood in jagen?’ 10 Maar Saul zwoer haar bij de HEER: ‘Zo waar de HEER leeft, er zal u geen kwaad overkomen.’ 11 ‘Wie moet ik dan voor u oproepen?’ vroeg ze. ‘Samuel,’ antwoordde Saul. 12 Zodra de vrouw Samuel zag, slaakte ze een ijselijke kreet. ‘Waarom hebt u me bedrogen?’ vroeg ze aan Saul. ‘U bent Saul zelf!’ 13 ‘Wees niet bang,’ stelde de koning haar gerust. ‘Maar zeg me, wat ziet u?’ ‘Ik zie een goddelijke gestalte uit de aarde oprijzen,’ antwoordde ze. 14 ‘Hoe ziet hij eruit?’ vroeg Saul. ‘Het is een oude man, gehuld in een mantel.’ Toen wist Saul dat het Samuel was, en hij knielde neer en boog diep voorover. 15 Samuel vroeg aan Saul: ‘Waarom heb je me opgeroepen en mijn rust verstoord?’ ‘Ik zie geen uitweg meer,’ antwoordde Saul. ‘Ik word aangevallen door de Filistijnen en God heeft me in de steek gelaten. Hij geeft geen antwoord meer op mijn vragen, noch bij monde van profeten, noch in dromen. Daarom heb ik u opgeroepen om u te vragen wat ik moet doen.’ 16 Maar Samuel zei: ‘Waarom kom je bij mij om raad? Je weet toch dat de HEER je verlaten heeft en zich nu tegen je heeft gekeerd. 17 De HEER heeft gedaan wat Hij bij monde van mij heeft voorzegd: Hij heeft het koningschap van je losgescheurd en aan iemand anders gegeven, aan David. 18 De HEER doet je dit nu aan omdat je destijds niet naar Hem geluisterd hebt en voor Hem geen wraak hebt genomen op de Amalekieten. 19 En om diezelfde reden zal Hij Israël samen met jou aan de Filistijnen uitleveren. Morgen zijn jij en je zonen hier bij mij, en het legerkamp van Israël zal in handen vallen van de Filistijnen.’ 20 Saul schrok zo van Samuels woorden dat hij languit op de grond viel: zijn krachten lieten hem in de steek, ook al omdat hij de hele dag en de hele nacht niets gegeten had. 21 De vrouw kwam naar hem toe en zag dat hij erg in de war was. ‘Ik heb aan uw verzoek voldaan, heer,’ zei ze. ‘Met gevaar voor eigen leven heb ik gedaan wat u me vroeg. 22 Doe dan nu ook wat ik u aanraad, heer. Laat me u iets te eten voorzetten, zodat u weer op krachten komt voordat u aan de terugreis begint.’ 23 Saul weigerde en zei dat hij niets wilde eten, maar zijn dienaren en ook de vrouw drongen aan en ten slotte gaf hij toe.Hij kwam overeind en ging op het bed zitten. 24 De vrouw had een mestkalf in huis, dat ze nu snel slachtte. Ook nam ze meel, kneedde het en bakte er ongedesemde broden van. 25 Nadat Saul en zijn dienaren gegeten hadden van het maal dat ze hun had voorgezet, vertrokken ze nog diezelfde nacht. (NBV21)

Saul wil weten wat hij moet doen nu David buiten zijn bereik is. Hij probeert op allerlei manieren antwoord van God te krijgen. Het staat er nogal terloops, hij kreeg geen antwoord, noch in dromen, noch door middel van orakelstenen, noch door profeten. Maar de hele religieuze gemeenschap van Israël komt hier voorbij. David had een priester met orakelstenen in zijn gevolg. De Priesters bij Saul kregen geen antwoord. En altijd waren er profeten, David had Gad, maar de profeten van Saul kregen geen boodschappen van de God van Israël voor hem. Heel lang is Saul als wat primitief en bijgelovig afgeschilderd omdat hij naar de vrouw in Endor ging waarvan werd gefluisterd dat ze contact zou hebben met de doden. Maar tegenwoordig is het heel gewoon je te laten bedriegen door geestenfluisteraars, sterrenwichelaars en zogenaamde paranormalen die boodschappen van gene zijde doorkrijgen. Saul is wat dat betreft een moderne buitenkerkelijke.

In tegenstelling tot zijn eigen wet die waarzeggen en bezweren van geesten verbood is Saul naar een geestenfluisteraarster gegaan, in ons taalgebruik staat ze bekend als de heks van Endor. Saul dwingt haar om de geest van Samuël op te roepen. Een Joodse verklaring zegt dat wie de geest van een dode oproept maar  niet  nodig heeft hem ziet maar wie hem nodig heeft hem hoort. Saul hoort dus nog eens wat Samuël eerder gezegd heeft, God is niet langer bij hem en hij zal sterven.  Saul valt flauw bij het horen van de woorden van Samuël, tenminste dat is de officiële lezing. Fijntjes merkt de schrijver van het eerste boek Samuël er op dat Saul ook de hele dag niet gegeten had, dan wil je in zulke omstandigheden wel flauw vallen. De “heks van Endor” krijgt medelijden met hem en geeft hem te eten. Ongezuurde broden, alsof Israël wacht op bevrijding van de slavernij, een gemest kalf, snel gebraden, offervlees bij uitstek.

Na ongezuurde broden te hebben gegeten en offervlees gaat Saul de nacht in. Jesaja zal zich deze woorden herinneren als hij schrijft dat een volk dat in duisternis wandelt een licht zal zien maar het niet zal aanvaarden. Wie zich dus bezig houdt met het Woord van de God van Israël, wie niet uit is op eigen eer en roem, eigen macht over anderen, maar zorgt voor de naasten als voor zichzelf, wie de ander liefheeft, die hoeft zich nooit in te laten met de schimmige wereld van paranormalen waarvan overigens het bedrog ook vaststaat al leven tv zenders er van. Gelukkig maar dat wij elke dag ons mogen bezig houden met de zorg voor de minsten om ons heen, met het werk dat God van ons vraagt, ook vandaag weer.

 

Zijn twee vrouwen

1 Samuël 27:1–28:2

1 Vandaag of morgen val ik natuurlijk toch in handen van Saul, dacht David bij zichzelf. Ik kan me dus maar beter in veiligheid brengen in het land van de Filistijnen. Dan zal Saul het opgeven om mij door heel Israël te achtervolgen en kan ik aan hem ontkomen. 2 Daarom vertrok hij met de zeshonderd man die bij hem waren naar de koning van Gat, Achis, de zoon van Maoch, 3 waar hij en zijn mannen met hun gezinnen hun toevlucht namen. David had zijn twee vrouwen bij zich: Achinoam uit Jizreël en Abigaïl, de vroegere vrouw van Nabal uit Karmel. 4 Toen Saul hoorde dat David naar Gat was gevlucht, gaf hij de achtervolging op. 5 David had aan Achis gevraagd: ‘Heer, wees zo goed mij een van de stadjes op het platteland ter beschikking te stellen om in te wonen. Wie ben ik, dat ik bij u in de koningsstad zou wonen?’ 6 Achis wees David Siklag toe, en zo komt het dat Siklag tot op de dag van vandaag aan de koningen van Juda behoort. 7 In de tijd dat David en zijn mannen op Filistijns grondgebied woonden, een jaar en vier maanden om precies te zijn, 8 trokken ze er geregeld op uit om de stammen te overvallen die woonden in het gebied van Telam tot aan Sur, waar Egypte begint: nu eens de Gesurieten, dan weer de Girzieten of de Amalekieten. 9 Wanneer David daar ergens toesloeg, liet hij geen man of vrouw in leven en nam alles mee: schapen, geiten, runderen, ezels, kamelen, en ook kleding. Als hij dan weer bij Achis kwam 10 en die hem vroeg: ‘Waar hebt u ditmaal een overval gepleegd?’, dan antwoordde David: ‘In de Negev, bij de Judeeërs,’ of: ‘Bij de familie van Jerachmeël,’ of: ‘Bij de Kenieten.’ 11 Hij liet niemand in leven en nam geen enkele gevangene mee naar Gat, want hij wilde voorkomen dat iemand aan Achis zou kunnen navertellen wat hij en zijn mannen hadden gedaan. Heel de tijd dat hij op Filistijns grondgebied woonde ging hij zo te werk. 12 Achis kreeg vertrouwen in hem en dacht bij zichzelf: Bij zijn landgenoten heeft hij het nu vast en zeker verbruid. Voortaan zal hij mij dienen. 1 En toen de Filistijnen hun troepen op de been brachten om tegen Israël ten oorlog te trekken, vroeg Achis aan David: ‘U begrijpt zeker wel dat u en uw mannen zich bij mij moeten aansluiten.’ 2 ‘Jazeker, heer,’ antwoordde David. ‘U zult eens zien wat ik zal doen.’ ‘Afgesproken,’ zei Achis, ‘dan stel ik u aan als mijn vaste lijfwacht.’ (NBV21)

Er was een tijd dat het verhaal dat we vandaag lezen met een glimlach werd verteld. Vooral aan kinderen werd het verhaal met een zekere bewondering voor David verteld. Het was ook niet niks. David vluchtte voor Saul naar de Filistijnen en hij kreeg onderdak in een eigen stadje in het gebied van Achis de Koning van Gat. Maar in plaats van Achis te helpen bij het vechten tegen Israël ging David vechten tegen de bondgenoten van de Filistijnen en hij betaalde de bescherming door Achis met de buit die hij had veroverd op die bondgenoten. Dat was toch een hele slimme oplossing van deze Koning van de Vrede. Tegenwoordig spreken we niet zo positief meer over het verhaal uit dit hoofdstuk. Natuurlijk, David hield Achis voor de gek en Achis vertrouwde de Judeese krijgsheer kennelijk blindelings. Maar moest David nu werkelijk iedereen uitroeien van die vijandige stammen? En moest de buit gespaard blijven? Het lijken geen pluspunten voor deze Koning.

Het verhaal verdient dus nadere studie. Het staat niet voor niets in de Bijbel en nog steeds als onderdeel van het verhaal over de tegenstelling tussen Saul, als koning zoals de Heidenen die hebben, en David de Koning naar Gods hart. Voert David dan soms toch geboden uit van de God van Israël? David had God niet geraadpleegd toen hij naar de Filistijnen vluchtte. Dat Saul zijn verbond met David had gebroken en opnieuw tegen hem was opgetrokken was genoeg reden. David had zich er wel uit gered maar zo kon het natuurlijk niet doorgaan. Het zou ook tot een gewapend treffen kunnen komen en kennelijk wilde David dat tot elke prijs vermijden. Hij ging naar Achis en kreeg als onderkomen de stad Siklag. Die stad wordt in het boek Jozua genoemd als een stad in Israël. Kennelijk dus ingelijfd door de Filistijnen en nu terug in Israël. Met vrouwen en kinderen mee vindt het legertje van krijgsheer David hier een veilig onderkomen. Dan trekt David op tegen de Gesurieten, de Girzieten of de Amelekieten. Die laatste kennen we maar die andere stammen zeggen ons weinig.

Het zijn echter bondgenoten van de Filistijnen die wonen in een gebied dat door Jozua niet meer werd veroverd. David maakt dus de verovering door Jozua van het beloofde land af. Ook deze stammen wilden niet delen met Israël maar alleen profiteren. De Amelakieten roeit hij overigens niet uit en dat zal hij later nog merken. De buit die veroverd wordt gebruikt hij niet voor zichzelf maar geeft hij aan Achis, anders dus als Saul die de buit voor zijn eigen leger bestemde en het beste voor zichzelf hield. Hij beschermde gelijk bondgenoten van Israël als de Kenieten en de familie van Jerachmeël. Zij wilden wel delen met Israël en mochten dus in Kanaän blijven wonen. Dat Achis gaat denken David te kunnen gebruiken in de strijd tegen Israël ligt aan hemzelf. Kennelijk is het verkrijgen van rijkdom al genoeg om iemand te vertrouwen en wordt aan de zorg voor mensen helemaal geen aandacht besteed. Daar mogen we dus van leren. Terwijl David, ook op de vlucht in vijandelijk gebied, blijft zorgen voor zijn eigen volk, blijken de Filistijnen alleen uit op materiële rijkdom. Ook aan ons de keuze, zorgen we voor mensen of zorgen we rijk te worden? Elke dag mogen we weer opnieuw kiezen, ook vandaag weer.