Sta op

Matteüs 17:1-13

1 Zes dagen later nam Jezus Petrus, Jakobus en diens broer Johannes met zich mee een hoge berg op, waar ze alleen waren. 2 Voor hun ogen veranderde Hij van gedaante, zijn gezicht straalde als de zon en zijn kleren werden wit als het licht. 3 Plotseling verschenen aan hen Mozes en Elia, die met Jezus in gesprek waren. 4 Petrus nam het woord en zei tegen Jezus: ‘Heer, het is goed dat wij hier zijn. Als U wilt zal ik hier drie tenten maken, een voor U, een voor Mozes en een voor Elia.’ 5 Hij was nog niet uitgesproken of een stralende wolk overdekte hen, en uit de wolk klonk een stem: ‘Dit is mijn geliefde Zoon, in Hem vind Ik vreugde. Luister naar Hem!’ 6 Toen de leerlingen dit hoorden, werden ze overvallen door een hevige angst en wierpen ze zich ter aarde. 7 Jezus kwam dichterbij, raakte hen aan en zei: ‘Sta op, wees niet bang.’ 8 Ze keken op en zagen niemand meer, Jezus was alleen. 9 Toen ze de berg afdaalden, gebood Jezus hun: ‘Praat met niemand over wat jullie hebben gezien voordat de Mensenzoon uit de dood is opgewekt.’ 10 De leerlingen vroegen Hem: ‘Waarom zeggen de schriftgeleerden dat Elia eerst moet komen?’ 11 Hij antwoordde: ‘Elia komt inderdaad en herstelt alles. 12 En Ik zeg jullie dit: Elia is al gekomen, maar in plaats van hem te erkennen hebben ze met hem gedaan wat ze wilden. Zo zal ook de Mensenzoon door hun toedoen moeten lijden.’ 13 Toen begrepen de leerlingen dat Hij op Johannes de Doper doelde. (NBV21)

Jezus van Nazareth was sterk verbonden met de geschiedenis van zijn volk. Met Mozes die het volk uit slavernij leidde en de Wet van de woestijn, de richtlijnen voor de menselijke samenleving, op twee stenen platen kreeg en de tent van God mocht oprichten. Jezus van Nazareth was ook verbonden met de profeet Elia van wie wordt verteld dat hij op een vurige wagen ten hemel steeg en die zich openlijk bleef verzetten tegen een overmacht van priesters die andere goden wilden volgen en tegen de Koningen die dat wel mooi vonden en politiek aantrekkelijk. Het is geen wonder dat de volgelingen van Jezus van Nazareth een weg zochten om die eenheid met de geschiedenis te bewaren. Maar Jezus van Nazareth wilde in elk geval niet dat de volgelingen hem al direct op een lijn gingen stellen met Mozes en Elia. Pretenties waren Jezus vreemd. Hoeveel glans er van die illustere voorgangers ook op hem afstraalde hij bleef maar liever gewoon mens.

We willen tijdlijnen, logische volgorde van de dingen, van hetgeen gebeurde, hetgeen nu gebeurt en hetgeen zal gebeuren. In het verleden ligt het heden in het nu wat komen zal, dat bepaalt ons leven, daar rekenen we mee. De Bijbel rekent soms anders. Sommige beloften lijken we gemakkelijk te kunnen begrijpen maar als ze worden vervuld blijkt er iets anders gebeurd te zijn. God grijpt in in onze geschiedenis, loodrecht van boven, we weten niet waar het vandaan komt en we waren er meestal niet op voorbereid. Als een dief in de nacht zegt Jezus ergens en niemand kan de dag en het uur weten. Zo ging het met de wegbereider van de komst van de bevrijder. Elia zou terugkomen zo luidde de belofte. Die zou opnieuw de vreemde priesters van de afgoden verdrijven, die zou de Koningen aan de kaak stellen die het volk uitbuitten en onderdrukten. Maar waar bleef die Elia nu Jezus als Messias toch al bij de volgelingen was?

Elia heeft altijd tot de verbeelding gesproken. Nog steeds houden de Joden een stoel vrij voor Elia bij het vieren van de maaltijd van de bevrijding uit de slavernij, het Pesachmaal. Bovendien kunnen er vreemde legenden ontstaan rond profeten en wonderdoeners. Dat wat Elia had beleefd met priesters en koningen, lees de verhalen in het Oude Testament er maar op na, getuigde van zoveel macht dat mensen uit de dagen van Jezus van Nazareth wilden dat het ook zou gebeuren met de zware bezetting waaronder ze zelf leefden. Maar toen Johannes de Doper opriep om anders te gaan leven, zoals Elia had gedaan, herkenden ze de boodschap niet. Zelfs wij herkennen het belang van Johannes de Doper vaak niet. De uitspraak dat als je twee mantels hebt je er een moet weggeven aan iemand die er geen had wordt door de Bijbel aan Johannes de Doper toegeschreven, in die voetsporen is Jezus van Nazareth getreden. Zien wij nog dat de aarde bevrijd kan worden van het kwaad door het goede te doen en niet dan het goede? Dat vruchtbaarheidsgoden nalopen, de goede van winst en profijt, geen welzijn voor mensen brengt maar alleen samen zorgen voor de minsten de boodschap is die ons wordt aangereikt? Daar mogen we elke dag opnieuw mee aan de slag, ook vandaag weer.

 

Je bent een valstrik

Matteüs 16:13-28

13 Toen Jezus in het gebied van Caesarea Filippi kwam, vroeg Hij zijn leerlingen:‘Wie zeggen de mensen dat de Mensenzoon is?’ 14 Ze antwoordden: ‘Sommigen zeggen Johannes de Doper, anderen Elia, weer anderen Jeremia of een van de andere profeten.’ 15 Toen vroeg Hij hun: ‘En jullie, wie zeggen jullie dat Ik ben?’ 16 ‘U bent de messias, de Zoon van de levende God,’ antwoordde Simon Petrus. 17 Daarop zei Jezus tegen hem: ‘Gelukkig ben je, Simon Barjona, want dit is je niet door mensen van vlees en bloed geopenbaard, maar door mijn Vader in de hemel. 18 En Ik zeg je: jij bent Petrus, en op die rots zal Ik mijn kerk bouwen; de poorten van het dodenrijk zullen haar niet overweldigen. 19 Ik zal je de sleutels van het koninkrijk van de hemel geven; alles wat je op aarde bindend verklaart zal ook in de hemel bindend zijn, en alles wat je op aarde ontbindt zal ook in de hemel ontbonden zijn.’ 20 Daarop verbood Hij de leerlingen ook maar tegen iemand te zeggen dat Hij de messias was. 21 Vanaf die tijd begon Jezus zijn leerlingen duidelijk te maken dat Hij naar Jeruzalem moest gaan en veel zou moeten lijden door toedoen van de oudsten, de hogepriesters en de schriftgeleerden, en dat Hij gedood zou worden, maar op de derde dag uit de dood zou worden opgewekt. 22 Petrus nam Hem terzijde en begon Hem fel terecht te wijzen:  ‘God verhoede het, Heer! Dat zal U zeker niet gebeuren!’ 23 Maar Jezus keerde hem de rug toe met de woorden: ‘Ga terug, Satan, achter Mij! Je bent een valstrik voor Me. Je denkt niet aan wat God wil, maar alleen aan wat mensen willen.’ 24 Toen zei Jezus tegen zijn leerlingen: ‘Wie achter Mij aan wil komen, moet zichzelf verloochenen, zijn kruis op zich nemen en Mij volgen. 25 Want ieder die zijn leven wil behouden, zal het verliezen, maar wie zijn leven verliest omwille van Mij, zal het behouden. 26 Wat heeft een mens eraan de hele wereld te winnen als dat ten koste gaat van zijn leven? Wat kan hij geven in ruil voor zijn leven? 27 Wanneer de Mensenzoon komt, in gezelschap van zijn engelen en bekleed met de stralende luister van zijn Vader, dan zal Hij iedereen naar zijn daden belonen. 28 Ik verzeker jullie: sommige van de hier aanwezigen zullen de dood niet ervaren voordat ze de Mensenzoon en zijn koninklijke heerschappij hebben zien komen.’ (NBV21)

Simon de zoon van Jonas had een bijnaam. Jona betekende duif en boodschapper, maar was de zoon van de duif ook zo zachtmoedig?. Simon was visser dus sterk, hij was rechtlijnig, zoals vissers ook vandaag de dag nog rechtlijnig kunnen zijn. Zijn bijnaam was dan ook rots, Petrus. Maar de combinatie van rechtlijnig en godsdienst brengt splitsingen en wonderlijke ideeën. Die hoeven overigens niet altijd verkeerd te zijn maar je moet wel oppassen. In het stuk hierboven heeft onze Simon Petrus het ineens door. Die Jezus van Nazareth met zijn onvoorwaardelijke liefde voor de mensen en zijn boodschap van heb je naaste lief als jezelf die kan de hele wereld bevrijden. Zo zal de God van de Wet van de woestijn zijn zoon gezien willen hebben. Die zoon lijkt het meest van ons allemaal op God, die God immers zag dat het goed was. Als je op die manier met elkaar omgaat heeft ook de dood geen invloed meer op je beslissingen en kan die de gemeenschap die je vormt niet meer omverwerpen. Dat is nauwelijks te geloven en Simon, bijgenaamd Petrus, zal dat geloof ook niet lang volhouden, ook daar gaan we nog van kunnen leren.

Iemand die er van geleerd had was Roger Schutz, de abt van Taizé. Een Protestantse abt, en beetje raar voor Hollandse Calvinisten en Nederlandse Protestanten. Maar broeder Roger had al vroeg geleerd dat je de liefde voor mensen voorop moest zetten. Niet de liefde voor bezit of aanzien maar echte liefde voor mensen. En dat je pas echt voor mensen kunt zorgen als je ook voor jezelf zorgt. Daarom was hij naar dat kleine dorpje in Frankrijk gekomen, om in stilte voor zichzelf te zorgen, en voor de mensen. Samen met zijn broeders die hetzelfde ideaal hadden, als een soort oefening in het leven in het nieuwe Koninkrijk van God. In de Tweede Wereldoorlog werd het een vluchthaven voor velen die met de dood werden bedreigd. Na de jaren 60 van de vorige eeuw werd het een inspiratiebron voor heel veel jonge Europeanen die moesten leren in een nieuwe wereld te leven. In dat nieuwe Europa waren de zuilen van geloven, de zuilen van landen, de zuilen van mensen die zich verheven hadden, omvergehaald. Verzoening en onvoorwaardelijke liefde voor mensen kwamen er voor in de plaats als het aan de gemeenschap van Taizé lag. Zo werd ook broeder Roger een rots waar velen naar opkeken. De gewelddadige dood van broeder Roger maakt dat niet stuk, dat gaat verder, want daar zien we nog steeds een heel klein stukje van het Koninkrijk van God.

Leuke meester was die Jezus van Nazareth overigens. De ene dag prees hij de arme Simon, zoon van Jona, als de rots op wie het nieuwe rijk gebouwd zou worden en de volgende dag werd dezelfde Simon uitgescholden voor Satan. En dat alleen omdat Simon Petrus het lijden, dat Jezus voorzag, wilde voorkomen. Er is toch niks beters dan het lijden, van iemand van wie je houdt, te voorkomen zou je denken. Nou niet helemaal. Als het gaat omdat je nu eenmaal dingen moet zeggen en doen ter wille van de liefde voor de mensen, dan moet gedaan worden wat moet worden gedaan. Als je daarbij het lijden dat het mee kan brengen niet uit de weg wil gaan is tegenhouden van dat lijden zelfs verkeerd. Zwijgen en het lijden ontlopen omdat de mensen dat nu eenmaal meer op prijs stellen is dan niet aan de orde. En daarmee komen we in een knoop terecht in onze dagen. Bij ons is namelijk een stevig beleid uitgezet tegen radicalisering. Problemen moet je bij de wortel aanpakken en degenen die problemen veroorzaken bij de naam noemen. Jezus noemde Simon dus Satan. Dat mag dus niet meer. Niet zo vreemd trouwens. Zo kun je je vrienden nog wel eens toespreken maar als je je vijanden zo gaat uitschelden dan zaai je meer oorlog en haat dan je lief is. Wij leven in een democratie, een manier van samen leven waar je met elkaar in gesprek moet blijven. Die democratie hebben we dus niet voor niks. Die is er niet voor om deftige dames en heren te verheffen, maar om respect te krijgen voor ook de minsten in de samenleving en er voor te zorgen dat iedereen, maar dan ook werkelijk iedereen, daar aan mee mag doen, elke dag opnieuw.

 

Hij liet hen staan

Matteüs 16:1-12

1 De farizeeën en de sadduceeën kwamen Hem op de proef stellen met de vraag hun een teken uit de hemel te tonen. 2 Hij gaf hun daarop dit antwoord: ‘Wanneer de avond valt, zegt u: “Morgen mooi weer, want de hemel kleurt rood.” 3 En ’s ochtends: “Storm op til, want het rood aan de hemel is dreigend.” De aanblik van de hemel weet u wel te duiden, en de tekenen van de tijd niet? 4 Dit is een verdorven en trouweloze generatie. Ze verlangt een teken, maar zal geen ander teken krijgen dan dat van Jona.’ En Hij liet hen staan en vertrok. 5 De leerlingen voeren naar de overkant, maar hadden vergeten brood mee te nemen. 6 Dus toen Jezus tegen hen zei: ‘Pas op, hoed je voor de zuurdesem van de farizeeën en de sadduceeën,’ 7 begonnen ze er met elkaar over te praten dat ze geen brood hadden meegenomen. 8 Jezus merkte het en zei: ‘Kleingelovigen, waarom bespreken jullie met elkaar dat je geen brood bij je hebt? 9 Begrijpen jullie het dan nog niet, en herinneren jullie je ook de vijf broden voor de vijfduizend niet, en hoeveel manden jullie weer ophaalden? 10 En ook niet de zeven broden voor de vierduizend en hoeveel manden jullie toen ophaalden? 11 Hoe is het mogelijk dat jullie niet begrijpen dat Ik het niet over brood heb? Wees op je hoede voor de zuurdesem van de farizeeën en de sadduceeën!’ 12 Toen begrepen ze dat Hij niet bedoelde dat ze op hun hoede moesten zijn voor de zuurdesem in brood, maar voor het onderricht van de farizeeën en de sadduceeën. (NBV21)

Prachtig al die wonderen die zo maar in de Bijbel voorbij lijken te komen. Als je wilt weten wat van God is, nou let dan op de wonderen, dat denken veel mensen wel, maar zo zit het niet. Jezus lijkt in dit verhaal niks van wonderen te willen weten. Als de religieuze leiders van zijn tijd vragen om een teken uit de hemel wijst hij op alle schijnzekerheden die ze steeds weer te berde brengen. Als weersvoorspellers naar de natuur gaan ze tekeer. Als het regent komt er water in de sloot en als de zon schijnt is het droog. Verder komen ze eigenlijk niet. Dat soort zekerheden kennen we nog steeds. Er komt een terroristische aanslag, zeker weten, alleen wanneer weten we nog niet, dus wees waakzaam. De vrijheden van burgers worden ingeperkt, grote massa’s politieagenten ingezet om iedereen te controleren. En uiteindelijk werd een arme Braziliaan in Londen doodgeschoten omdat hij hardlopend de metro wilde halen. En wie heeft zich niet eens gehaast om de trein of de bus te halen? Is dat voortaan gevaarlijk? En hoeveel wordt er gedaan om de oorzaken van het terrorisme weg te nemen?

De oorlogen in Irak en Afghanistan werden er mee gerechtvaardigd, maar daar zaten toen de terroristen niet. Die zaten inmiddels wel in Irak als een eigen Islamitische Staat, in de aanhangers van de vroegere dictatuur vonden ze warme bondgenoten. De tekenen van de tijd noemt men dan, nooit wordt het meer hetzelfde, we moeten ons wapenen. Dat ondertussen de rijken steeds rijker worden en de armen steeds armer, dat de honger in de wereld toeneemt in plaats van afneemt, dat de grenzen van de rijke landen meer gesloten worden in plaats van open dat zijn tekenen van deze tijd die niet genoemd en dus niet gezien worden. Wij zijn ondertussen druk bezig met discussies over warmtepompen en dikke fietsbanden. Verantwoordelijkheid nemen voor anderen lijkt wel veel te moeilijk. Alsof er niet genoeg op de hele wereld is om iedereen te eten te geven.

Alleen als we door blijven gaan om kostbare grondstoffen in een hoog tempo op te maken, scheppen we problemen voor hen die na ons komen. Echte liefde voor mensen zou ons daarvoor moeten behoeden. Dat we wat minder auto rijden is niet zo erg, er is ook openbaar vervoer en dat kan ook nog heel veel beter, met meer werk voor werklozen. Jezus waarschuwde voor de propaganda van het eigen belang. Pas als er wonderen worden verricht is het waar zo wil men ons doen geloven. Niks er van zei hij: pas als er gedeeld wordt is het waar. Op dus naar een duurzame samenleving, waar plaats is voor iedereen en niemand wordt uitgesloten van zorg en voedsel. Een samenleving waar tranen worden gedroogd, waar niemand bang hoeft te zijn niet meer te mogen geloven wat men gelooft, waar een kind speelt in het hol van een slang en niemand voor zijn tijd hoeft te sterven. In de Bijbel noemden ze dat het Koninkrijk van God.

 

Deze verlatenheid

Matteüs 15:29-39

29 Jezus trok weer verder. Bij het Meer van Galilea ging Hij de berg op; daar ging Hij zitten. 30 Er kwamen grote mensenmassa’s op Hem af. Ze brachten verlamden, blinden, kreupelen, doofstommen en vele anderen mee, die aan zijn voeten werden gelegd, en Hij genas hen allen. 31 De mensen zagen vol verwondering hoe doofstommen gingen spreken, kreupelen beter werden, verlamden gingen lopen en blinden konden zien, en ze loofden de God van Israël. 32 Nadat Jezus zijn leerlingen bij zich had geroepen, zei Hij: ‘Ik heb medelijden met al die mensen, want ze zijn nu al drie dagen bij Me en ze hebben niets te eten. En hen met een lege maag naar huis sturen wil Ik niet, want dan raken ze onderweg uitgeput.’ 33 De leerlingen antwoordden: ‘Maar waar halen we in deze verlatenheid genoeg brood vandaan om al die mensen te voeden?’ 34 Jezus vroeg hun: ‘Hoeveel broden hebben jullie?’ Ze zeiden: ‘Zeven, en wat visjes.’ 35 Hij gaf de mensen opdracht op de grond te gaan zitten. 36 Toen nam Hij de zeven broden en de vissen, sprak het dankgebed uit, brak de broden en gaf ze aan de leerlingen, en die deelden ze uit aan de mensen. 37 Iedereen at en werd verzadigd, en toen ze de stukken brood die over waren ophaalden, hadden ze zeven manden vol. 38 Er hadden ongeveer vierduizend mannen gegeten, vrouwen en kinderen niet meegeteld. 39 Nadat Hij de mensen had weggestuurd, stapte Hij in de boot en vertrok naar de omgeving van Magadan. (NBV21)

Getallen staan er in de Bijbel soms niet zomaar. Als we ergens 12 zien staan denken we aan de 12 zonen van Jacob die hun namen gaven aan de 12 stammen van Israël. Jezus zocht later 12 zendelingen uit die als de Apostelen er op uit werden gestuurd om zijn verhaal te vertellen. Er is nog zo’n getal is dat is 7. Het wordt wel het heilige getal genoemd en het staat voor de volmaakte wereld, de hele wereld, maar dan zoals die bedoeld is. Daarvan staat in het begin van de Bijbel dat God er naar keek en zag dat het goed was. In het verhaal waarnaar hierboven wordt verwezen bleven er zeven manden over. Genoeg dus om de hele wereld te eten te geven. Niet zo vreemd natuurlijk als je eerst de kruimels van de tafel voor de buitenlandse bestemd.

En natuurlijk net als in het eerste verhaal over het te eten geven van het volk, waren ook hier de vrouwen vergeten die na drie dagen nog te eten hadden, zij werden niet meegeteld. Maar vrouwen gaan niet op stap zonder proviand, zeker niet als ze ook nog hun kinderen mee nemen, mannen wel, die rennen zo de deur uit en zien wel. Vijf broden en een paar visjes brachten de leerlingen ter tafel. Er is dus echt genoeg te eten voor de hele wereld. Voorwaarde is dat wij niet alleen van onze rijkdom willen delen maar dat we mensen in arme landen als onze gelijken, onze zusters en broeders gaan behandelen. Als wij onze boeren inkomenssteun geven, je hoort ze er niet over, dan moet dat ook naar boeren in arme landen. Die kunnen dan beter concurreren en dan is er zeker voor iedereen te eten.

Hoe maakt Jezus dat nu duidelijk? Net als Mozes. Die kwam van de berg met de regels voor de menselijke samenleving. Zolang het volk door de woestijn trok zorgde God voor brood. Genoeg voor elke dag, en op voorraad voor de rustdag. Wij willen altijd meer. Vijf broodjes en een handvol vissen daar hoef je in de zomer niet bij de gemiddelde camping aan te komen. En als we naar buiten gaan nemen we niet meer als vanzelfsprekend de picknickmand met broodjes en limonade mee. Arme mensen doen dat nog steeds wel en zelfs in de grootste pretparken kun je gezinnen tegenkomen die hun eigen eten en drinken bij zich hebben. Wat minder luxe en gemak is volgens het verhaal van Lucas kennelijk een uitstekend uitgangspunt om samen te kunnen leven.

Heb medelijden

Matteüs 15:21-28

21 En weer vertrok Jezus; Hij week uit naar het gebied van Tyrus en Sidon. 22 Plotseling klonk het geroep van een Kanaänitische vrouw die uit die streek afkomstig was: ‘Heb medelijden met mij, Heer, Zoon van David! Mijn dochter wordt vreselijk gekweld door een demon.’ 23 Maar Hij reageerde niet. Zijn leerlingen kwamen naar Hem toe en vroegen Hem dringend: ‘Stuur haar toch weg, anders blijft ze ons maar naroepen.’ 24 Hij antwoordde: ‘Ik ben alleen gezonden naar de verloren schapen van het volk van Israël.’ 25 Maar zij kwam dichterbij, wierp zich voor Hem neer en zei: ‘Heer, help mij!’ 26 Hij antwoordde: ‘Het is niet goed om het brood voor de kinderen aan de honden te voeren.’ 27 Ze zei: ‘Zeker, Heer, maar de honden eten toch de kruimels op die van de tafel van hun baas vallen.’ 28 Toen antwoordde Jezus haar: ‘U hebt een groot geloof! Wat u verlangt, zal ook gebeuren.’ En vanaf dat moment was haar dochter genezen. (NBV21)

Er zijn allerlei manieren om mensen te helpen. Je kunt mensen negeren. Soms helpt dat. Uit onderzoek naar mensen die op een wachtlijst bij de Geestelijke Gezondheidszorg stonden bleek dat een flink deel van die mensen zonder verdere hulp al genas. Erkenning van een probleem, ook door henzelf was al genoeg om hen aan een oplossing te doen werken. Je kunt ook mensen helpen om er maar vanaf te zijn. Zoals de leerlingen van Jezus in het verhaal van hierboven proberen, zo van ze roept zo hard, dat staat kennelijk lelijk, dat trekt maar ongewenste aandacht. We zien die vorm van hulpverlening nog wel eens bij politici. Dan moeten ineens alle zwervers geholpen worden. Niet met hun probleem, dat kan nog heel verschillend en ingewikkeld zijn, maar met hun gezwerf, geen gezicht, dus: of naar een inrichting of naar een deel van de stad waar ze niet worden gezien.

Je hebt ook nog de zogenaamde Rode Kruis agressie. Problemen voor mensen oplossen omdat je het gevoel hebt dat het moet, daar ben je toch voor. Het spreekwoord dat je beter iemand kan leren vissen dan een vis geven helpt dan niet. Toch is het natuurlijk altijd goed om je af te vragen wat helpen in een bepaalde situatie echt betekent. Help je iemand door alles over te nemen, of help je iemand door te laten zien dat die het zelf ook kan oplossen? De geleerden zijn het er niet over eens wat hier uiteindelijk van Jezus gevraagd wordt. De nieuwe vertaling heeft het over wegsturen, maar de oude Statenvertaling had het over laten gaan. Het oorspronkelijke Grieks zou misschien ook met bevrijden vertaald kunnen worden en dan hebben de leerlingen meer door dan de Nederlandse vertaling ons wil doen geloven.

Het brengt Jezus wel in gesprek met de vrouw. Een buitenlandse, een Kanaänitische, en dat staat vaak voor buitenlands van het ergste soort. Jezus gaat eerst na wat voor hulp gevraagd wordt. Is dit een moeder die het probleem dat een dochter kan zijn op een ander wil afwentelen? Kennelijk niet want de moeder is bereid zelf voor haar dochter door het stof te gaan. Dat maakt het Jezus mogelijk iets te doen. En wat dan? Wat de dochter mankeert blijft buiten het verhaal. Ze was genezen omdat haar moeder wilde dat ze genas. De inzet van ouders voor hun kinderen kan groot zijn. Dat betekent niet dat ongeneeslijk zieke kinderen genezen als hun ouders maar genoeg van ze houden, integendeel. Kinderen die ongeneeslijk ziek zijn genezen niet, hoezeer hun ouders ook van ze houden, maar die liefde maakt wel dat de kwaliteit van leven omhoog kan gaan. Wetenschappelijk onderzoek, voorzieningen voor zieken en gehandicapten, instellingen en ziekenhuizen, het is er vaak door de inzet van zulke ouders gekomen. Die ouders gaan niet alleen door het stof voor hun eigen kind, maar voor alle kinderen. Alleen zulke onvoorwaardelijke liefde voor mensen helpt, maar hulp vragen is eigenlijk heel gewoon.

De stralende verschijning van de HEER

Ezechiël 10:9-22

9 Ook zag ik vier wielen naast de cherubs staan, naast elke cherub één. De wielen glansden als turkoois 10 en hadden alle vier dezelfde vorm: ze leken op een wiel midden in een ander wiel. 11 Als ze bewogen, konden ze zonder te zwenken alle vier de kanten op gaan; zonder om te draaien volgden ze het voorste wiel in de richting waarheen dat zich wendde. 12 De lichamen van de cherubs, hun rug, handen en vleugels, en ook de wielen, waren helemaal bezet met ogen; dit gold voor de vier cherubs en voor hun wielen. 13 Het waren de wielen die ik eerder het raderwerk had horen noemen. 14 Iedere cherub had vier gezichten: bij de eerste was het gezicht van een cherub te zien en bij de tweede dat van een mens, bij de derde de muil van een leeuw en bij de vierde de bek van een adelaar. 15 De cherubs stegen op; het waren de wezens die ik bij het Kebarkanaal al had gezien. 16 Als de cherubs zich bewogen, gingen de wielen met hen mee, en ook als ze hun vleugels uitspreidden om van de grond op te stijgen, bleven de wielen bij hen. 17 Als de cherubs stilstonden, stonden ook de wielen stil, en als ze opstegen bleven de wielen bij hen, want een en dezelfde geest leidde de wezens en de wielen. 18 Toen ging de stralende verschijning van de HEER weg bij de tempelingang en Hij kwam tot stilstand boven de cherubs. 19 Ik zag dat ze hun vleugels spreidden, in beweging kwamen en van de grond opstegen met de wielen naast zich. Ze gingen bij de oostelijke poort van de tempel van de HEER staan, en de stralende verschijning van de God van Israël rustte op hen. 20 Dit waren de wezens die ik al bij het Kebarkanaal had gezien, de wezens waar de God van Israël ook toen op rustte, en nu begreep ik dat het cherubs waren. 21 Ze hadden elk vier gezichten en vier vleugels, en onder elk van die vleugels was iets zichtbaar dat de vorm had van een mensenhand. 22 Ook hun gezichten leken op de gezichten die ik bij het Kebarkanaal had gezien: ze zagen er net zo uit, het waren dezelfde wezens. Ze bewogen zich steeds recht vooruit.(NBV21)

Ezechiël keert weer terug naar het visioen waarmee zijn verhaal begon, toen de donderwolk van de god Mardoek de wagen bleek waarmee de God van Israël de wereld bestuurde. Nu stond deze in een nieuwe Tempel en kon de profeet meer er van zien. Toen de Tempel gebouwd was en door Salomo in gebruik was gesteld had de Tempel zich gevuld met een wolk als teken dat de God van Israël hier ontmoet kon worden. Op een altaar branden voortdurend kolen als teken van het verbond dat door Israël aan was gegaan. Wie tegen het verbond in ging kreeg vurige kolen op het hoofd gestapeld. De priesterlijke figuur die de lijdenden uit de stad van een sparend merkteken had voorzien krijgt nu de opdracht die vurige kolen over de hele stad te strooien. Ezechiël ziet dan weer dat de Cherubs samen een soort wagen vormden met een saffierblauwe afdekking.

Hij realiseert zich zoiets eerder te hebben gezien. De cherubs hadden geleken op de godenbeelden van Babel, sfinxen met mensen of dierenkoppen. Er bovenop zat iets dat op een mens geleek. Wij weten dat de mens geschapen is naar Gods beeld en gelijkenis, ook Ezechiël had zich gerealiseerd dat God deze bijzondere wagen bestuurde. God verliet dus de Tempel. De wolk die in de Tempel was verplaatste zich naar de wagen van de cherubs. Maar voor mensen die dag in dag uit tussen de godenbeelden van Babel verkeerden moet dit toch wel een heel bijzonder visioen geweest zijn. Werden de goden van Babel bestuurd door de God van Israël? Nog erger misschien. Een koning liet zich van tijd tot tijd op zijn troon gezeten rond dragen door slaven om de onderdanen de gelegenheid te geven hem eer te bewijzen.

Waren de goden van Babel soms de slaven van de God van Israël? Wij hebben het maar gemakkelijk. Wij geloven dat er één God is en dat godenbeelden niet anders zijn dan door mensen gemaakte voorwerpen die je kunt bewonderen om hun kunstigheid, maar waarvan het aanbidden dwaasheid is. De ballingen in Babel hoorden voortdurend verhalen over de macht van de afgoden. De één zorgde voor winst voor de onderdanen, de ander zorgde voor militaire macht, een derde sprak recht ten behoeve van de rijken en er was er vast wel een die bekend stond om de snelheid waarmee die kon lopen of de schoonheid van de muziek der er werd gemaakt. Wij mogen onze idolen dus ook nog wel eens in de ogen zien. Al die mannetjes en vrouwtjes die zich zo belangrijk vinden zijn niet anders dan slaven van de God van Israël. Die aanbidden is dwaasheid, maar aan hen wordt meer zendtijd besteed dan aan de kinderen van God, de daklozen, de wezen, de zieken en gehandicapten.

 

Haal nu wat vuur

Ezechiël 10:1-8

1 Daarna zag ik dit: boven de koepel boven de cherubs was iets te zien dat leek op een troon van saffier. 2 De HEER zei tegen de in linnen geklede man: ‘Ga het raderwerk waarop de cherubs rusten binnen en vul er je handen met gloeiende kolen; die moet je uitstrooien over de stad.’ Ik zag hoe de man naar binnen ging. 3 De cherubs stonden op dat moment aan de zuidkant van de tempel, en een wolk vulde de binnenhof. 4 Toen de stralende verschijning van de HEER zich verplaatste van de cherubs naar de tempelingang, vulde die wolk de tempel, en de hele hof was vol van de gloed van de verschijning van de HEER. 5 Tot in de buitenhof was het geluid te horen van de vleugels van de cherubs; het was een geluid als wanneer God, de Ontzagwekkende, spreekt. 6 Toen beval Hij de man met de linnen kleren: ‘Haal nu wat vuur weg uit het raderwerk onder de cherubs.’ De man ging verder naar binnen en ging naast een wiel staan. 7 Een van de cherubs strekte zijn hand uit naar het vuur dat zich tussen hen in bevond en legde daar wat van in de handen van de in linnen geklede man, die ermee naar buiten ging. 8 Onder de vleugels van de cherubs was iets zichtbaar dat de vorm had van een mensenhand. (NBV21)

Hebben de afgoden nu gewonnen? Is het ze gelukt niet alleen het volk van de God van Israël af te pakken maar ook die God uit zijn Tempel te verdrijven? Op het eerste gezicht lijkt het er op. Als de leer van Mozes niet meer wordt gevolgd, als er alleen nog afgoden worden vereerd, tot in de Tempel van Jeruzalem toe, dan is er geen plaats meer voor de God van Israël, dan zijn Tempel, stad en land goddeloos geworden. Maar wees voorzichtig. We lezen steeds een klein stukje uit de Bijbel en dat verhaal over het visioen van Ezechiël over de Tempel en de mensen in Jeruzalem begon bij hem thuis in Babel.

Daar zaten de oudsten van Israël die hem kwamen vragen hoe het nu verder moest met hun godsdienst. Zij kennen de Tempel, met de voorhof, het heilige en het allerheiligste. In dat allerheiligste stond de Ark van het Verbond. Daarop stonden de cherubs, de onzichtbare machten en krachten uit de wereld, die zich bogen over de Ark en daarmee de God van Israël bewezen. Die mensen uit Juda spraken er vaak over als de voetenbank van God. Zij hadden wellicht hun God uit de Tempel verdreven maar dat het een God was die het volk in benarde tijden te hulp kwam stond nog steeds vast. Toen de Tempel gebouwd was en door Salomo in gebruik was gesteld had de Tempel zich gevuld met een wolk als teken dat de God van Israël hier ontmoet kon worden.

Op een altaar branden voortdurend kolen als teken van het verbond dat door Israël aan was gegaan. Wie tegen het verbond in ging kreeg vurige kolen op het hoofd gestapeld. De priesterlijke figuur die de lijdenden uit de stad van een sparend merkteken had voorzien krijgt nu wat van dat vuur in de hand. De oudsten van Israël moesten in zien dat het aan hen zelf zou liggen of hun eigenlijke bevrijdende God hen te hulp zou komen. Ezechiël moest het hen laten zien. Maar ook in onze dagen is het voor machthebbers moeilijk om te zien waar hun fatsoen ligt, in het uiterlijk of in het handelen met de minsten, gewortelde kinderen, gehnadicapten, bejaarden die zorg nodig hebben. Wij zijn het die het hen moeten laten zien, elke dag opnieuw.

 

Vernietigingswapens

Ezechiël 9:1-11

1 Toen hoorde ik Hem luid roepen: ‘Kom tevoorschijn, jullie die de stad gaan straffen, en neem je vernietigingswapens mee.’ 2 En ik zag hoe zes mannen uit de richting van de noordelijke bovenpoort kwamen, alle zes met een dodelijk wapen in hun hand. Er was ook nog een man bij hen in linnen kleren, die een schrijverskoker aan zijn gordel droeg. De mannen gingen naast het bronzen altaar staan. 3 De stralende verschijning van de God van Israël bewoog zich van de cherubs waarboven Hij troonde naar de ingang van de tempel, en Hij riep de in linnen geklede man met de schrijverskoker bij zich. 4 De HEER zei tegen hem: ‘Maak een ronde door Jeruzalem, en zet een merkteken op het voorhoofd van iedereen die jammert en klaagt om de gruwelijke dingen die er in de stad gebeuren.’ 5 Tegen de zes anderen hoorde ik Hem zeggen: ‘Ga achter hem aan, trek ook door de stad en dood iedereen. Wees onverbiddelijk en heb geen medelijden. 6 Oude mensen, jonge mannen en vrouwen, moeders en kinderen-jullie moeten ze allemaal ombrengen. Maar laat degenen die het merkteken dragen ongemoeid. Begin bij mijn heiligdom.’ En ze begonnen bij de zeventig oudsten, die voor de tempel stonden. 7 Hij zei tegen de mannen: ‘Dood alle mensen in de voorhoven zodat de tempel onrein wordt, en ga dan naar buiten!’ Ze gingen naar buiten en trokken moordend door de stad. 8 Terwijl zij moordend rondtrokken bleef ik achter, en ik wierp me voorover op de grond en schreeuwde: ‘Ach HEER, mijn God, gaat U, nu uw woede Jeruzalem treft, alle Israëlieten vernietigen die er nog zijn?’ 9 Hij antwoordde: ‘De schuld die het volk van Israël en Juda op zich heeft geladen is onmetelijk groot. Het land is vol bloed, de stad vol onrecht, want ze denken bij zichzelf: De HEER heeft het land verlaten, de HEER ziet ons niet. 10 Ik zal dan ook onverbiddelijk zijn en geen medelijden hebben; Ik zal hen voor hun daden laten boeten.’ 11 De in linnen geklede man met de schrijverskoker aan zijn gordel kwam terug en bracht verslag uit: ‘Ik heb gedaan wat U mij hebt bevolen.’ (NBV21)

De afgoderij waarover we gisteren gelezen hebben kan natuurlijk niet zonder gevolgen blijven. Als het volk de God van Israël niet meer als God wil hebben dan zal het moeten voelen en zien hoe het gaat met de goddelozen zoals die overal in de wereld te vinden zijn. Er komen zeven mannen waarvan er 6 een wapen en de zevende een schrijverskoker heeft. In zes dagen werd de chaos uit het begin van het Bijbelverhaal een mensenland en op de zevende kon men rusten. Als wij hier lezen dat de mannen naast het bronzen altaar staan dan heeft dat voor velen van ons geen bijzondere betekenis. Dat bronzen altaar was immers van Salomo? Maar ons was niet meer opgevallen dat koning Achaz dat bronzen altaar terzijde had geschoven en vervangen door een stenen altaar naar Assyrisch model. Het is duidelijk dat de zeven mannen weer terug willen keren naar de godsdienst zoals die was overeengekomen met de God van Israël. Moet het volk van Israël nu worden uitgeroeid? Is er nergens genade te vinden?

De Godsdienst van Israël is geen voor-wat-hoort-wat-geloof. De leer van Mozes is onuitvoerbaar voor mensen als ze wordt opgevat als opgelegde wetten, zoals de wereld opgelegde wetten kent. Maar de goddeloosheid kan niet zonder gevolgen blijven. Daar lijden mensen onder. Want goddeloosheid en afgoderij leiden tot onrecht en onderdrukking. De goden van deze wereld, de goden van winst en profijt en van de eerste de beste, beloven een directe bevrediging van de behoeften naar macht en welvaart. Daar houdt de God van Israël zich niet mee bezig. Die zoekt mensen die de hongerigen voeden, de dorstigen laven, de blinden laten zien en de doven laten horen, de gevangenen bezoeken en de armen recht verschaffen. Voordat er begonnen wordt met welke vernietiging dan ook moeten de zes mannen met vernietigingswapens eerst de stad in om de slachtoffers van het onrecht en de goddeloosheid op te zoeken. Die slachtoffers krijgen een merkteken en moeten gespaard blijven.

Wat is dit voor een God die jongeren, kinderen, mannen en vrouwen, ouderen en jongeren laat doden? Moet je dat zo maar nemen? Moet je zelfs blij zijn dat de dood het gevolg is van goddeloosheid en onrecht? Ezechiël meent van niet. Zo kan zijn God niet zijn! Hij schreeuwt het uit tegen die God en probeert God op andere gedachten te brengen. Dat is vergeefs, het is niet de God van Israël die het leed over de ongelovigen heeft veroorzaakt maar het zijn de ongelovigen zelf. Van de inwoners van Jeruzalem mag toch worden verwacht dat zij de herinnering hebben bewaart aan de leer van Mozes, die eerste vijf boeken van ons Oude Testament. Daar wordt toch worden opgeroepen recht te betrachten, je niet te verrijken ten koste van anderen. Daar wordt toch duidelijk dat het niet de eerste de beste is waar die God zich over ontfermt, maar de minste de zwakste de armste. Daar mag je toch van leren dat alles wat je hebt van God is gekregen om een wereld te scheppen waar alles wordt ingezet om de hongerigen te voeden en geweld en onderdrukking te voorkomen dan wel te bestrijden. Dat is een boodschap van God die we ook vandaag nog mogen horen en die ons in beweging mag zetten.

 

Ze vullen het land met geweld

Ezechiël 8:13-18

13 ‘Ik zal je nog meer van hun gruwelijke daden laten zien,’ zei Hij, 14 en Hij bracht me naar de ingang van de noordelijke poort van de tempel van de HEER. Daar zaten vrouwen die rouwden om de god Tammuz. 15 ‘Heb je het gezien, mensenkind?’ vroeg Hij mij.‘En nog gruwelijker dingen zal Ik je laten zien!’ 16 Hij bracht me naar de binnenhof van de tempel van de HEER. Bij de ingang, tussen de voorhal en het altaar, stonden ongeveer vijfentwintig mannen. Ze stonden met hun rug naar de tempel, met hun gezicht naar het oosten, en ze bogen zich in aanbidding neer voor de zon. 17 ‘Heb je het gezien, mensenkind?’ vroeg Hij mij. ‘En al deze afgodendienst waaraan het volk van Juda zich overgeeft is blijkbaar nog niet genoeg: ze vullen het land met geweld, ze beledigen Mij steeds opnieuw, zie hoe ze Mij minachten door een wijnrank onder hun neus te houden! 18 Ik zal mijn woede op hen koelen, Ik zal onverbiddelijk zijn en geen medelijden hebben, en al roepen ze nog zo hard om Mij, Ik zal niet naar hen luisteren.’ (NBV21)

Vandaag even nadenken over de gevolgen van de afgodendienst. We zeggen gemakkelijk dat het najagen van winst en profijt leidt tot de dood en dat is ook zo, maar je moet het tastbaar maken. Ezechiël laat het zien. En hij begint bij het misbruik van de Tempel. Daar zijn allerlei figuren en symbolen op de muren geschilderd en die worden aanbeden. De algemene naam die aan de afgodendienst in Israël wordt gegeven is vruchtbaarheidsdienst, bij ons heet dat het welvaartsgeloof. Vruchtbaarheid in Israël heeft ook te maken met Tempelprostitutie.

Nu bij de Noordelijke ingang van de Tempel hebben de vrouwen een oorverdovend treurlied aangeheven. Voor Tammoz, de vruchtbaarheidsgod die een half jaar in de onderwereld is en een half jaar kan zorgen voor groen en vruchtbaarheid. Hij moet weer  naar de onderwereld en daarom wordt getreurd. Ja dat zijn vrouwen, maar de mannen zijn toch wijzer? Die mannen blijken in de voorhof te staan, waar de offers aan de God van Israël werden gebracht. Die mannen buigen zich nu voor de zon, opdat de zon mag blijven opgaan als de zon een nacht rust heeft genomen. Dat God de zon heeft gemaakt zijn ze vergeten.

En het volk zelf? Het vult het land met geweld. Ach, ook toen al? En mocht dat volgens Ezechël niet van de God van Israël? Tegenwoordig zouden de Christenen voor Israël Ezechiël een antisemiet noemen. Een superantisemiet want hij probeert de oudsten van Israël, daar vertelt hij dit verhaal tegen, er van te overtuigen dat al die afgoderij, het najagen van winst en profijt, al dat geweld ook tegen buurvolken allemaal in strijd is met wat de God van Israël had afgesproken met het door die God gekozen volk. Het is nu niet anders dan toen. Het geweld tegen Gaza en Libanon is afgoderij en meer dan fout en te bestrijden. Israël hoort in vrede te leven en een voorbeeld te zijn van vrede en gerechtigheid. Daar moeten we Israël bij helpen.

 

De HEER ziet ons niet

Ezechiël 8:1-12

1 In het zesde jaar, op de vijfde dag van de zesde maand, toen ik in mijn huis zat met de oudsten van Juda tegenover me, werd ik opnieuw gegrepen door de hand van God, de HEER. 2 Dit is wat ik zag: een gedaante als van vuur. Vanaf wat zijn heupen leken te zijn naar beneden toe zag ik vuur, en naar boven toe een schittering, glanzend als wit goud. 3 Hij strekte iets uit dat de vorm had van een hand en pakte me bij mijn haren beet. In dit goddelijk visioen tilde de geest me op, tussen hemel en aarde, en bracht me naar Jeruzalem, naar de ingang van de noordelijke binnenpoort, waar het afgodsbeeld staat dat de jaloezie van de HEER doet ontvlammen. 4 Daar zag ik de stralende verschijning van de God van Israël, zoals ik die ook in het dal had gezien. 5 Hij zei tegen mij: ‘Mensenkind, kijk nu naar het noorden.’ Ik keek naar het noorden en zag daar bij de toegang van de poort naar het altaar het afgodsbeeld staan dat de jaloezie van de HEER doet ontvlammen. 6 ‘Mensenkind, zie je wat ze doen? Zie je hoe vreselijk het volk van Israël zich hier misdraagt en Mij uit mijn eigen heiligdom verdrijft? En je zult nog meer gruwelijks zien.’ 7 Hij bracht me naar de ingang van de tempelhof. In de muur was een gat. 8 Hij zei tegen me: ‘Mensenkind, kruip daar doorheen.’ Dat deed ik, en aan de andere kant kwam ik bij een deur. 9 ‘Ga naar binnen om te kijken naar de verschrikkelijke dingen die ze daar doen,’ zei Hij. 10 Toen ik binnen was en rondkeek, zag ik op de muren om me heen allerlei afbeeldingen van de afgoden van het volk van Israël, van kruipende beesten en andere dieren, stuk voor stuk onrein. 11 Zeventig oudsten van het volk van Israël, met in hun midden Jaäzanja, de zoon van Safan, stonden ervoor, ieder met zijn wierookschaal in de hand, en er steeg een wolk van wierook op. 12 Hij vroeg me: ‘Heb je gezien, mensenkind, wat de oudsten van het volk van Israël doen, daar in het duister, in die zaal vol afbeeldingen? De HEER ziet ons niet, denken ze, de HEER heeft het land verlaten.’ (NBV21)

Ezechiël is de profeet van het zien vandaag lezen we dat hij vuur zag, vurige tongen. Daar hebben wij zelfs een feest van: Het Pinksterfeest. Of dat voor ons echt een feest is moet maar blijken. Voor Ezechiël waren die vurige tongen geen feest. Hij zat met de oudsten van Juda in zijn huis. We weten dat de ballingen zich vaak afvroegen waarom God hun eigenlijk verlaten had. Aan het volk Israël was toch voor eeuwig het land Kanaän beloofd? Ezechiël was nu niet direct een profeet van toespraken, geen profeet die plechtig sprekend het woord van de Heer doorgaf. Hij was de profeet van de beeldverhalen. Hij zag iets en kon dat beeldend beschrijven. In het gesprek kreeg hij daarom een visioen. God greep hem en bracht hem terug naar Jeruzalem. Bij de noordelijke poort stond een afschuwelijk afgodsbeeld. Er stond zelfs een altaar voor.

Het volk wilde niet langer het volk van de God van Israël zijn maar koos voor andere goden. Maar ze hadden de Tempel toch nog die voor de God van Israël gebouwd was en waar het verbond tussen God en Israël werd bewaard? Nu God liet Ezechiël maar even in die Tempel rondkijken. Op de muren binnen in de Tempel hadden ze afbeeldingen aangebracht, niet zomaar afbeeldingen maar beelden van onreine dieren. Dat was niet voor het mooi maar dat was een godsdienst. De oudsten van het volk en de hogepriester stonden er voor met wierookschalen. Er werden reukoffers gebracht voor de dieren, die God van Israël had geen beeld en kon hen dus ook niet zien. Maar denk je dan als die hoge heren zich teruggetrokken hebben in een bijna geheime kamer in de Tempel zou het volk zelf niet het verbond met God bewaren? Ze dachten dat God het toch niet zou zien, God was immers uit Israël verdwenen?

Het is dus de afgodendienst die gemaakt heeft dat Israël goddeloos werd en dus niet meer beschermd. Is het in onze dagen anders? Wij zetten alles op zij voor de beste wielrenner van de wereld, wij organiseren wedstrijden voor de beste tatoeëerder, zanger of zangeres, dansers, kok, bakker, kledingontwerpsters en noem maar op. We noemen ze idolen en als we het nieuws geloven dan zijn ze belangrijker dan wat dan ook. Belangrijker dan slachtoffers van oorlog en geweld, belangrijker dan vluchtelingen die verdrinken, belangrijker dan de armen in Afrika die sterven van de honger. Zijn wij ook vergeten dat ook ons de boodschap is gebracht dat we geen andere goden nodig hebben dan de God van Israël, die zijn Zoon zond om de dood te overwinnen? Zijn we vergeten dat we geroepen zijn tot gerechtigheid, tot het voeden van de hongerigen, het laven van de dorstigen, het kleden van de naakten, het bezoeken van de gevangenen, het troosten van de bedroefden? Zou daar het nieuws niet mee moeten worden geopend? Ook in onze dagen klinkt het vaak dat God het toch niet ziet. Zijn ook wij die God vergeten? Een vraag waar ieder van ons elke dag weer een antwoord op kan geven. Ook vandaag weer.