Stralend als de zon

Spreuken 4:10-27

10 Mijn zoon, luister, neem mijn woorden aan, ze vermeerderen de jaren van je leven. 11 Ik heb je de weg van de wijsheid gewezen, op rechte paden heb ik je gevoerd. 12 Je zult onbelemmerd voortgaan, nergens zul je struikelen, al ga je nog zo snel. 13 Laat mijn onderricht niet los, houd het vast, vergeet het nooit, het is je leven. 14 Ga niet het pad van goddelozen, bewandel niet de weg van wie boosaardig zijn. 15 Mijd hun weg, betreed hem niet, ga eraan voorbij, loop door. 16 Zij rusten niet voor ze kwaad hebben gedaan; wanneer ze anderen niet ten val brengen, kunnen ze de slaap niet vatten. 17 Ze voeden zich met goddeloosheid, bedrinken zich aan geweld. 18 Het pad van de rechtvaardigen is stralend als de zon, die opkomt, hoger klimt, totdat de dag zijn licht verspreidt. 19 Maar de weg van de goddelozen is duisternis; ze struikelen, en weten niet waarover. 20 Mijn zoon, heb aandacht voor mijn woorden, geef aan mijn uitspraken gehoor. 21 Houd ze steeds voor ogen, bewaar ze in het diepste van je hart. 22 Ze zijn het leven voor wie ze aanvaarden, sterken heel het lichaam als een medicijn. 23 Van alles waarover je waakt, waak vooral over je hart, het is de bron van je leven. 24 Neem nooit leugens in de mond, laat geen bedrog over je lippen komen. 25 Je moet elk mens recht in de ogen kunnen zien, nooit je ogen hoeven neerslaan. 26 Weet welke weg je wilt inslaan, dan loop je met vaste tred. 27 Wijk niet af naar rechts, wijk niet af naar links, wijk alleen uit voor het kwaad. (NBV21)

We lezen nog steeds in de lessen van de wijsheid. We weten inmiddels dat met het onderricht de leer van de Thora wordt bedoeld. In de Christelijke manier ging het meer om het oefenen. Oorspronkelijk waren Joden en Christenen samen maar toen Christenen zich op last van de Keizer van Rome losmaakten van de Joden en een eigen godsdienst gingen vormen kwam de Heidense manier van godsdienst vaak op de voorgrond. In de Heidense manier van denken staat het offer centraal, daarmee moet de God worden gevoed of gunstig gestemd. Het heeft een paar eeuwen geduurd voordat gelovigen er achter kwamen dat dat offer niet elke dag te herhalen is. Dat komt ook omdat die God van Israël niet gunstig gestemd hoeft te worden, die heeft de mensen al lief en nu wij nog. Het gedeelte van het boek Spreuken dat we vandaag lezen beschouwd het bijna als een sport. Als je de sport van liefhebben van je naaste beoefend kun je niet struikelen. Al je handelen stem je af op de liefde voor de minste, op elke situatie laat je het licht schijnen van de Thora, hoe kan ik hier de minste liefhebben als mijzelf. Doe je dat niet dan struikel je, soms zelfs zonder te weten hoe en waarom. Je moet je dus niet begeven bij de goddelozen, de mensen die menen dat eigenliefde wel genoeg is, die vinden dat iedereen zelf moet zorgen voor zijn eigen geluk en als je pech hebt of ongeluk je treft dan ben je daar ook zelf verantwoordelijk voor. Wie echter gelooft dat er een wereld mogelijk is zonder tranen, zonder oorlog en geweld, zoekt het bij de Liefde, de Liefde overwint alles en de Liefde is de grootste.

Het God lief met heel je hart en met heel je verstand staat ergens anders in de Bijbel geschreven en Jezus van Nazareth voegt er de tekst uit Leviticus aan toe over het heb je naaste lief als jezelf waardoor dat de manier wordt waarop je van de God van Israël kan houden. Geen wonder dus dat de Spreukendichter ons vandaag oproept om vooral over je hart te waken. Er staat niet voor niets geschreven dat waar je hart is ook je schat zal zijn. En het symbool dat wij bij uitstek hanteren voor de liefde tussen mensen is het hart. Al dat leren, dat lernen, van het onderricht dat wijsheid brengt, het onderricht van de Thora, de eerste vijf boeken van de Bijbel, de leer van Mozes, zou er op kunnen wijzen dat het in de Bijbel gaat om het gebruiken van je verstand. Het lijkt er op alsof je hart er niet meer aan te pas komt, maar niets is minder waar. Het leren van de Thora is het leren de Thora te beoefenen, uiteindelijk de Thora te vervullen. Het gaat dus om te leren hoe te handelen in het leven, hoe merk je de zwaksten op, hoe steek je een hand uit, wat is hulp eigenlijk? Het gaat bij het leren handelen juist niet om het gebruiken van het verstand. Het vermijden van het kwaad en het doen van het goede en niets dan het goede moet vanzelf gaan. Dat is niet een van boven opgelegde houding maar komt van binnenuit. Naar de liefde is het hart immers ook de zetel van het leven en de tekst zou ook vertaald kunnen worden als hoe lang je leeft hangt af van hoe goed je voor je hart weet te zorgen. Nu is de Bijbel toch al geneigd om liefhebben van de naaste te verbinden met een lang leven, met het weer gaan leven ja zelfs met het uit de dood opstaan, uit een doods bestaan weer tot leven komen.

Allemaal begrippen die in dit stukje uit Spreuken mee mogen gaan klinken. In het begin van het gedeelte dat we vandaag lezen wordt er de nadruk op gelegd dat de leer van Mozes van vader op zoon wordt doorgegeven. Rabbijnen hadden hier uit afgeleid dat vrouwen die manier van handelen al van nature hadden. Te meer ook omdat de wijsheid die hier onderwezen wordt zelf als vrouw wordt afgebeeld. De zorg van de moeder is natuurlijk ook een goed voorbeeld van natuurlijke zorg, een moeder voelt aan hoeveel zorg en hulp haar kinderen nodig hebben. De vader moet dat zelf leren en weer aanleren aan zijn zonen. Van een meer vooraanstaande positie van mannen is hier dus geen sprake, integendeel, de domme mannen hebben altijd weer nog veel te leren over liefde voor de naaste en over de zorg voor de minsten. Maar is schemert nog een ander gevolg door. Het onderwijs van vader op zoon zoals hier beschreven wordt is het onderwijs van elke vader aan elke zoon, van generatie op generatie. Het is dus het onderwijs voor een heel volk.

 

Luister naar de lessen

Spreuken 4:1-9

1 Zonen, luister naar de lessen van je vader, wees vol aandacht en kom tot begrip. 2 Wat ik je leer is waardevol, sla dus mijn onderricht niet in de wind. 3 Zelf was ik mijn vaders beminde zoon, mijn moeders lieveling. 4 Mijn vader leerde mij: ‘Laat je hart mijn woorden bewaren, handel naar mijn richtlijnen, dan gaat het je goed. 5 Streef naar wijsheid, zoek naar inzicht, wijk niet af van wat ik zeg, vergeet het niet. 6 Verlaat de wijsheid niet, dan beschermt ze je, heb haar lief, dan behoedt ze je. 7 Het begin van wijsheid is dat je wijsheid zoekt, inzicht najaagt met alles wat je bezit. 8 Acht de wijsheid hoog, dan geeft ze je aanzien, ze strekt je tot eer wanneer je haar omhelst. 9 Ze legt een sierlijke krans om je hoofd, schenkt je een prachtige kroon.’ (NBV21)

Vandaag trekken we het leerhuis in, de plaats waar gelovigen onderzoeken hoe de richtlijnen voor de menselijke samenleving in de praktijk te brengen. Dat leren van de wijsheid van God staat centraal in het geloof van Joden en Christenen. In de praktijk van Christelijke kerken is het begrip leren een beetje ondergesneeuwd. Dat komt door de vertaling van het begrip Thora. Dat wordt meestal vertaald met Wet, soms ook met geboden en hier in dit gedeelte vertaalt de Nieuwe Bijbelvertaling net als de Naardense Bijbel met richtlijnen. In Hebreeuwse commentaren wordt Thora ook vertaald met lering, leer, of onderwijs en een zin als “handel naar mijn richtlijnen” of “onderhoud mijn geboden” zou ook vertaald kunnen worden met “blijf oefenen in mijn onderricht”. Het begin van de Wijsheid die je moet leren is immers het inzicht. Inzicht in hoe de wereld in elkaar zit en waar je op moet letten. In de Bijbel is dat dus niet het nadoen van anderen, of het voldoen aan verwachtingen, zelfs niet de verwachtingen die een God zou kunnen hebben van jou als gelovige.

Het inzicht dat de eerste vijf boeken van de Bijbel, de boeken die de leer van Mozes in zich dragen, is dat de wereld bestaat uit heersers en slaven en dat de slaven bevrijdt moeten worden. Dat wat men heeft is niet door eigen verdienste verworven maar is altijd een geschenk van God. God geeft aan de goeden en aan de slechten en het leren is bedoeld om aan de kant van de goeden komen te staan. Leren hoe je rijk moet worden, hoe je lang zou kunnen leven, hoe je gelukkig zou kunnen worden heeft dus geen zin. Het gaat er om te leren te delen van wat je hebt met hen die het nodig hebben. Het gaat er om te leren mensen te bevrijden van de slavernij waarin zij verstrikt zijn geraakt. Slavernij van een godsdienst of ideologie die hen dwingt dingen te doen of te laten of in het ergste geval zelfs anderen te doden of te verwonden. Slavernij van werken en consumeren zodat er geen tijd meer overblijft om te delen, om anderen te laten genieten van jouw talenten, om samen een samenleving op te bouwen waar plaats is voor iedereen.

Dat wat je in de Bijbel te leren krijgt is niks nieuws. Het wordt van vader op zoon en van moeder op dochter doorgegeven. In dit gedeelte zijn vaders en grootvaders aan het woord. God mag als Vader worden aangesproken, Onze Vader en iedereen leert dat Ons staat voor alle mensen in de wereld met wie je samen mag bidden. Maar juist in dit gedeelte uit het boek Spreuken leren we dat God ook als een moeder voor ons zorgt. De wijsheid is onze moeder leren we, die we lief moeten hebben ons hele leven lang. Een moeder weet wat haar kinderen nodig heeft. Joodse Rabbijnen hebben wel eens opgemerkt dat moeders eigenlijk helemaal niet steeds hoeven te leren, te lernen noemen ze dat als het gaat om het je eigen maken van de leer van Mozes, want moeders kennen en kunnen die leer al van nature, ze nemen hun kinderen niet alles uit handen, ze proberen de zorg voor anderen voor te leven, ze straffen en berispen als kinderen afwijken van hetgeen ze geleerd hebben en ondanks dat alles voor zichzelf willen houden. Zo leert God ons ook en dat leren, of lernen, moeten we ons hele leven blijven doen. Ons eigen maken dat we mogen delen. Daarom zijn er in veel kerken ook leerhuizen, om samen te leren van de leer van Mozes.

 

Bedachtzaamheid en tact

Spreuken 3:21-35

21 Mijn zoon, streef naar bedachtzaamheid en tact, verlies die nooit uit het oog. 22 Ze zullen een bron van leven voor je zijn, een sieraad om je hals. 23 Je zult veilig je weg kunnen gaan, nergens zul je struikelen. 24 Je hoeft niet bang te zijn wanneer je slapen gaat, je slaap zal vredig zijn. 25 En wees niet bang voor plotseling onheil, voor de rampspoed die goddelozen overkomt. 26 Je kunt vertrouwen op de HEER, Hij beschermt je tegen hinderlagen. 27 Onthoud een ander niet waarop hij recht heeft, terwijl je het hem geven kunt. 28 Zeg nooit tegen je medemens: ‘Ga weg, kom morgen maar terug,’ terwijl je hebt wat je hem schuldig bent. 29 Behandel hem niet zo schandalig terwijl hij zijn vertrouwen in je heeft gesteld. 30 Maak geen ruzie met iemand die je geen kwaad berokkend heeft. 31 Wees niet jaloers op iemand die geweld gebruikt, volg hem beslist niet na, 32 want de HEER verafschuwt wie dat dwaalspoor gaat, maar wie rechtschapen is geeft Hij zijn vertrouwen. 33 De HEER vervloekt het huis van goddelozen, maar de woning van rechtvaardigen zegent Hij. 34 Met spotters drijft Hij de spot, maar verdrukten schenkt Hij zijn gunst. 35 Wijzen verwerven eer, dwazen torsen schande. (NBV21)

Er wordt nog wel eens gezegd dat de Bijbel van alles verbiedt dat mensen gewoon een aangenaam leven kan bezorgen. Dat is dus niet waar. Natuurlijk waarschuwt de Bijbel voor van alles dat mensen schade kan berokkenen. Als de Bijbel vandaag geschreven zou worden dan zou je er een waarschuwing tegen het roken in vinden, dat brengt nu eenmaal de kans op hartziekten en longkanker. Zo staan er ook de nodige waarschuwingen in de Bijbel tegen het overmatig gebruik van alcoholhoudende dranken. Vandaag lezen we daar weer een aantal van. Maar het begint met een waarschuwing tegen het gebruik van een hoer. Let op, prostitutie wordt hier niet veroordeeld. Maar prostitutie past niet in de manier waarop de Bijbel wil dat we met mensen omgaan. Samen een partnerschap vormen dat stormen kan weerstaan is er met een hoer niet bij. In zo’n relatie beschouwen mensen elkaar als object waar je van kan profiteren. En Spreuken waarschuwt dat er dus ook van de gebruiker geprofiteerd kan worden en dat die alleen van nut is zolang er geprofiteerd kan worden. Ook het overmatig gebruik van alcohol houdende drank, wijn in Bijbelse taal, maakt dat de mens geen mens meer is, maar een zielig hoopje wanhoop.

Het maakt de mens snel boos, altijd aan het klagen, snel gewond en met rood omrande troebele ogen. Dat is iemand die van de vroege morgen tot de late avond alcoholhoudende drank nuttigt. In onze dagen noemen we niet alleen de wijn maar ook sterke drank en bier. Eigenlijk verzet het boek Spreuken zich al tegen het comazuipen. Het ontmenselijkt je. Als je in coma ligt of overmatig dronken bent kan niemand je meer een plezier doen, kan ook niemand meer van jou genieten. Je doet een ander en jezelf dus zeer tekort. En bovendien geniet je eigenlijk helemaal niet meer van de drank die je zoveel onheil brengt. Je wordt er zeeziek van, iedereen die wel eens dronken is geweest zal dit herkennen. Zelfs een pak slaag voel je niet meer omdat alcohol verdoofd en dat kan zeker niet ongevaarlijk zijn en om te herstellen van de kater heb je eigenlijk weer een nieuw glas alcohol nodig. Nu kun je elk individu veroordelen die te veel drank gebruikt maar onze samenleving maakt het gebruik van drank nu eenmaal tot een gewoonte die de illusie van rijkdom en vrolijkheid geeft.

Bij elk staatsdiner hoort immers een forse hoeveelheid wijn, elke feestelijke gelegenheid van de rijken wordt opgeluisterd door het nuttigen van de nodige hoeveelheid drank. Elke feestelijke gelegenheid van de overheid ook wordt rijkelijk besprenkeld met alcohol. Misschien dat we onze overheid eens kunnen vragen het gebruik van alcohol te matigen zodat minder mensen in verleiding worden gebracht. Het boek Spreuken hoort bij de zogenaamde wijsheidsliteratuur. In Spreuken gaat het dus om de Wijsheid en het begin van de Wijsheid is het volgen van God door het betrachten van gerechtigheid. Al het andere is uitwerking van die geboden. Basis van de samenleving hoort de zorg voor elkaar te zijn. Zo lang we weten dat er mensen zijn voor wie het nuttigen van alcohol een ziekte is zullen we mensen niet die alcohol moeten voorzetten. Dat is de wijsheid die we bij het lezen van de Bijbel tegenkomen. Dat lezen mogen we dag in dag uit ook zelf weer doen, elke dag opnieuw, ook vandaag.

 

Vergeet mijn lessen niet

Spreuken 3:1-20

1 Mijn zoon, vergeet mijn lessen niet, houd in je hart mijn richtlijnen vast. 2 Ze vermeerderen de dagen van je leven, geven je vele jaren van geluk. 3 Mogen liefde en trouw je nooit verlaten, wind ze om je hals, schrijf ze in je hart. 4 God en de mensen zullen je genegen zijn en je zult waardering ondervinden. 5 Vertrouw op de HEER met heel je hart, steun niet op eigen inzicht. 6 Denk aan Hem bij alles wat je doet, dan baant Hij voor jou de weg. 7 Wees niet eigenzinnig, maar heb ontzag voor de HEER en ga het kwaad uit de weg. 8 Het zal je sterken als een medicijn, het verkwikt je lichaam. 9 Eer de HEER met al je rijkdom, met het beste van de oogst. 10 Graan zal je voorraadschuren vullen, je kuipen lopen over van wijn. 11 Mijn zoon, een berisping van de HEER mag je nooit terzijde schuiven, zijn bestraffing moet je zonder afschuw ondergaan, 12 want de HEER straft wie Hij liefheeft, als een vader die van zijn kinderen houdt. 13 Gelukkig de mens die wijsheid ontdekt, de mens die inzicht wint. 14 Wijsheid levert meer op dan zilver, geeft meer profijt dan goud, 15 is kostbaarder dan edelstenen. Alles wat je ooit zou kunnen wensen valt bij de wijsheid in het niet. 16 Met haar ene hand schenkt ze een lang leven, eer en rijkdom geeft ze met haar andere hand. 17 De wegen van de wijsheid zijn lieflijk, al haar paden vredig. 18 Ze is een levensboom voor wie haar omhelst, wie haar omarmt, mag zich gelukkig prijzen. 19 De HEER heeft de aarde met wijsheid gegrondvest, de hemel met inzicht gevestigd. 20 Door zijn kennis brak het water los uit de diepte en druppelt er dauw uit de wolken. (NBV21)

Over welke lessen hebben we het hier? Dat je je naaste moet liefhebben als jezelf is dan het meest eenvoudige antwoord. Maar zelfs schriftgeleerden stelden dan de vraag wie mijn naaste is. Jezus van Nazareth geeft dan het verhaal over de Barmhartige Samaritaan als antwoord. En de clou van dat verhaal is dat je naaste degeen is die jou als naaste nodig heeft, het slachtoffer langs de kant van de weg waar jij naast durft te gaan liggen om zo de naaste te worden van dat slachtoffer. Zo moet je dus ook volgens de Spreukendichter gaan leven. Voortdurend bedacht zijn op de aanwezigheid van de God van Israël en die God is altijd bij de minsten in de samenleving, bij de slachtoffers van uitbuiting en geweld, bij de mensen die buiten de samenleving worden gezet, bij de mensen die anderen nodig hebben om te kunnen overleven. Daar zul je dus gevoelig voor moeten worden. Je kunt niet de hele wereld op je nek nemen, je kunt zeker niet gaan liggen naast alle mensen langs de kant van de weg, maar een oude Joodse wijsheid zegt dat wie één mens redt de hele wereld redt.

Het is ook niet zo vreemd om voortdurend bedacht te zijn op je naaste. Een mens kan helemaal niet alleen bestaan. Elk mens heeft gezelschap nodig. Bij de schepping van mensen kwam God al tot de ontdekking dat het niet goed zou zijn als de mens alleen zou zijn, daarom scheidde hij de mens in een mannelijk en vrouwelijk wezen. Dat wil dus nog niet zeggen dat man en vrouw de enige combinatie is die mogelijk is, het is de enige combinatie voor de voortplanting maar het religieuze vruchtbaarheidsstreven wordt door de Bijbel streng afgewezen en mensen beoordelen op hun vruchtbaarheid is uit den boze. Rachel had 2 kinderen en Lea 10 toch was Rachel de favoriet en werden er net zo gemakkelijk slavinnen ingeschakeld om het voortbestaan van de dynastie te verzekeren. Sara kreeg pas kinderen toen ze oud was en het krijgen van kinderen voor haar ongeloofwaardig was, het maakte het geloof in een God die toch wel voor je zorgt mogelijk.

Toch kun je soms tot de ontdekking komen dat je de verkeerde mens hebt geholpen. Dat je mensen afhankelijk van je hebt gemaakt of dat je mensen hebt geholpen waarvan je had kunnen weten dat die helemaal geen hulp nodig hadden maar dat die alleen maar van jou wilden profiteren. Je loopt daar tegenop. De Spreukendichter raad je aan je daar niet door te laten versomberen. Het zijn misschien waarschuwingen van God die je helpen het goede pad te gaan, weer te gaan liggen naast de slachtoffers langs de kant van de weg, je weer af te vragen hoe het is om opgesloten te worden in een gevangenis zonder misdrijf te hebben begaan maar alleen maar omdat je uit een land komt dat je niet meer terug wil nemen. Onrecht bestaat ook in onze dagen in allerlei vormen. Nog steeds worden er kinderen in de gevangenis gezet die niets verkeerd hebben gedaan, nog steeds kunnen mensen hun gezin niet te eten geven omdat machtige deurwaarders zich niet aan de regels voor loonbeslag wensen te houden. Elke dag kunnen we dus de weg gaan van de Heer, door onze stem tegen onrecht te verheffen, elke dag mag dat opnieuw.

 

Zijn geloof verloor hij niet

Romeinen 4:13-25

13 Immers, niet door de wet ontvingen Abraham en zijn nageslacht de belofte dat ze de wereld zouden erven, maar door de rechtvaardigheid die het geloof schenkt. 14 Als men op grond van het naleven van de wet erfgenaam zou zijn, zou het geloof zijn betekenis hebben verloren en de belofte zijn ontkracht. 15 De wet leidt er namelijk toe dat God straft; zonder wet is er ook geen overtreding. 16 Maar de belofte berust op geloof, omdat ze een geschenk van God moest zijn. Want zo is ze van kracht voor heel het nageslacht, niet alleen voor hen die de wet hebben maar ook voor wie delen in het geloof van Abraham, die de vader is van ons allen. 17 Er staat immers geschreven: ‘Ik maak je de vader van vele volken.’ En hij is dit ten overstaan van God, die de doden levend maakt en in het leven roept wat niet bestaat. In Hem stelde hij zijn vertrouwen. 18 Zelfs toen alle hoop vervlogen was, bleef Abraham hopen en geloven dat hij de vader van vele volken zou worden, zoals hem was beloofd: ‘Zo talrijk zullen je nakomelingen zijn.’ 19 Hij was al ongeveer honderd jaar oud, maar zijn geloof verzwakte niet als hij dacht aan zijn uitgeleefde lichaam en aan Sara’s dode schoot. 20 Hij twijfelde niet aan Gods belofte; zijn geloof verloor hij niet, integendeel, hij werd erin gesterkt en bewees zo eer aan God. 21 Hij was ervan overtuigd dat God bij machte was te doen wat Hij had beloofd, 22 en dat geloof werd hem als rechtvaardigheid toegerekend. 23 De woorden ‘dat werd hem toegerekend’ zijn niet alleen voor hem opgeschreven, 24 maar ook voor ons, want ook wij zullen als rechtvaardigen worden aangenomen omdat we ons vertrouwen stellen in Hem die Jezus, onze Heer, uit de dood heeft opgewekt: 25 Hij die werd prijsgegeven om onze zonden en werd opgewekt omwille van onze rechtvaardiging. (NBV21)

De brief van Paulus aan de Romeinen bracht de Duitse monnik Maarten Luther er in 1517 toe zijn stellingen te formuleren en aan de slotkapel van Wittenberg te spijkeren om een academische discussie uit te lokken. Het was het begin van het Protestantisme en een kerkhervorming die tot op vandaag de dag bestaat. Maar waar ging die discussie over en is die ook vandaag nog relevant? Bron van de discussie was de passage uit de brief aan de Romeinen die we vandaag lezen. “Rechtvaardiging door het geloof alleen” heet het in oude termen. Alleen als we vasthouden aan de droom van de rechtvaardige wereld dan zullen we die wereld ook in bezit krijgen schrijft Paulus. Het is de droom van Martin Luther King die blanke en zwarte kinderen hand in hand ziet lopen in een vruchtbaar land waar iedereen bij mag horen en alle kinderen gelijke kansen hebben om zich te ontwikkelen.

Het is de droom waar Barack Obama op hamerde in zijn eerste race naar de presidentsverkiezingen in Amerika. Het was de droom waaraan Abraham vast hield toen hij de belofte had een vader van vele volkeren te worden. Die droom van Abraham begon met één zoon. In de dagen van Maarten Luther was er de zogenaamde Roomse Kerk die beweerde dat zij alleen de rechtvaardiging kon verschaffen. Niet het geloof, het vertrouwen, op het uitkomen van die droom maar de beslissing van de Kerk. Daarvoor kon zelfs de kerk worden omgekocht. Als je genoeg betaalde kreeg je zelfs meer rechtvaardiging. Die kerk had verzonnen dat er een vagevuur zou zijn waar elke zonde uitgebrand zou moeten worden. Hoe meer je betaalde hoe korter je in dat vagevuur zou hoeven te blijven. Maarten Luther ontdekte dat het allemaal leugen en bedrog was. Paulus had immers geschreven dat alleen het geloof tot rechtvaardiging leidt en dat alleen God die rechtvaardiging kon geven. Daar komt geen kerk aan te pas.

Juist als je gelooft in de komst van de rechtvaardige samenleving, waar honger en dorst zijn gestild, waar tranen zijn gedroogd, waar blinden zien en lammen lopen kun je niet wachten om er mee te beginnen. Dat je soms moe wordt van al die mensen die het goede in kwaad veranderen door het goede in eigen winst en profijt om te zetten wordt je vergeven als je blijft vasthouden aan die droom. Elk moment mag je er weer opnieuw mee beginnen, niet omdat rechtvaardiging van jezelf het doel zou kunnen of moeten zijn maar omdat je het niet kan hebben dat ergens op de wereld nog een mens lijdt onder onrechtvaardigheid. Omdat we het niet kunnen hebben dat we onze samenleving zo inrichten dat niet iedereen mee kan doen en mee in onze rijkdom kan delen. Daarom slaan we ook vandaag weer de hand aan de ploeg, daar is nog rechtvaardiging genoeg voor. En we nemen ons voor het ook het komende jaar vol te houden.

De mens wiens onrecht is vergeven

Romeinen 4:1-12

1 Wat moeten wij nu zeggen over Abraham, de stamvader van ons volk? Wat heeft hij ondervonden? 2 Indien hij rechtvaardig verklaard zou zijn op grond van zijn daden, dan had hij zich daarop kunnen laten voorstaan. Maar niet tegenover God, 3 want wat zegt de Schrift? ‘Abraham vertrouwde op God, en dat werd hem als rechtvaardigheid toegerekend.’ 4 Iemand die werkt, krijgt zijn loon niet als een gunst maar als een recht. 5 Maar als iemand zelf niets inbrengt, maar wel zijn vertrouwen stelt in Hem die de schuldige vrijspreekt, dan wordt zijn vertrouwen hem als rechtvaardigheid toegerekend. 6 Zo prijst ook David de mens gelukkig die, zonder eigen inbreng, door God rechtvaardig wordt verklaard: 7 ‘Gelukkig de mens wiens onrecht is vergeven, wiens zonden zijn bedekt; 8 gelukkig de mens wiens zonde de Heer niet telt.’ 9 Prijzen deze woorden alleen besneden mensen gelukkig of ook onbesnedenen? We zagen al dat Abrahams vertrouwen hem als rechtvaardigheid werd toegerekend. 10 Maar in welke omstandigheden gebeurde dat? Was hij toen besneden of onbesneden? Dat laatste: het gebeurde toen hij nog niet besneden was. 11 Het teken van de besnijdenis ontving hij later, om te bezegelen dat hij, als onbesnedene, rechtvaardig was door zijn geloof. Zo werd hij de vader van alle onbesnedenen die geloven, opdat ook zij als rechtvaardigen aangenomen zouden worden. 12 En hij werd eveneens de vader van hen die besneden zijn, althans van hen die zich niet alleen hebben laten besnijden maar ook onze vader Abraham volgen in het geloof dat hij als onbesnedene bezat. (NBV21)

Joden en Moslims beschouwen zich als kinderen van Abraham. Ze zijn immers besneden. De mannenmacht is overgegaan op de ene Heer en als teken daarvan is hun mannelijkheid ingekort. In een oorlog was het ooit de gewoonte de voorhuid van de verslagen soldaten af te snijden als teken van buit en de grote van de overwinning. De besnedenen werden door hun besnijdenis onoverwinnelijk. Maar hoe moet het dan met de Heidenen die zich bij de Weg van Jezus van Nazareth aansluiten? Die besnijdenis was in de dagen van Paulus een belangrijk onderwerp. De discussie was in Rome opgelaaid na de terugkeer van Judeeërs die eerst verbannen waren geweest. Die werden geconfronteerd met een groot aantal Heidenen die zich ineens aan de Wet van de Liefde, van heb je naaste lief als jezelf, gingen houden. Moesten die Heidenen dan niet ook besneden worden? Volgens Paulus, daarin gesteund door de andere Apostelen, hoefde dat niet.

We spreken over Judeeërs omdat pas enkele eeuwen later de gelovigen uit Israël die Jezus van Nazareth niet erkenden gedwongen werden een eigen religie te vormen. Zij schreven de Talmoed en sindsdien kennen we naast het Christendom met veel stromingen ook het Jodendom met veel stromingen. Paulus probeert te onderbouwen dat de Heidenen uit de beweging van de Weg, de beweging van Christenen, zich niet hoeven te laten besnijden met het verhaal van Abraham. Die liet zich uiteindelijk besnijden toen hij in Kanaän een plaats had gevonden. Maar die was al op weg gegaan gedreven door een ervaring dat er een andere manier van leven mogelijk moest zijn als hij in Ur en later in Haran had ervaren. Een andere God had hem geroepen. Niet een God die bij een plaats of een land hoorde, maar een God die met hem meetrok en hem medemenselijkheid en erbarmen voorhield. Een God ook die niet vroeg om je zoon te offeren maar genoegen nam met een schaap, dat je vervolgens zelf mocht opeten. Het besef dat je het met die nieuwe manier van geloven moet wagen werd Abraham tot gerechtigheid aangerekend.

Abraham had geen beeld van die nieuwe God, had geen tempel, en aanbidden was er ook niet bij. Toch had die God onverwacht voor vruchtbaarheid gezorgd. Toen alle hoop op vruchtbaarheid verloren scheen was de zorg voor de vreemdelingen die langskwamen uitgelopen op nieuw leven, op een eigen zoon voor Abraham en Sara als begin van een groot volk. Zo zijn in de ogen van Paulus, Judeeërs, Joden, Moslims en gelovige Heidenen allemaal kinderen van Abraham. Die besnijdenis doet daarbij niet terzake. Het gaat om mensen die hun naaste lief hebben als zichzelf. Om mensen die bereid zijn te delen met de hongerigen, de naakten te kleden, de zieken te verzorgen, de armen te bevrijden. In dat Rome met zijn vele slaven viel het onderscheid tussen Jood en Heiden weg, maar ook het onderscheid tussen slaaf en vrije, tussen man en vrouw, tussen arme en rijke. In die nieuwe gemeenschap van mensen van de Weg van Jezus van Nazareth waren geen vreemdelingen meer, alleen nog broeders en zusters. Gaan wij nog steeds diezelfde weg als kinderen van Abraham, samen met onze broeders en zusters?

 

Kom en hoor

Psalm 66

1 Voor de koorleider. Een lied, een psalm. Heel de aarde, juich voor God, 2 bezing de eer van zijn naam, breng Hem eer en lof. 3 Zeg tot God: ‘Hoe ontzagwekkend zijn uw daden, uw vijanden kruipen voor U, zo groot is uw macht. 4 Laat heel de aarde voor U buigen en zingen, uw naam bezingen.’ sela 5 Kom en zie de werken van God, zijn daden vervullen de mens met ontzag: 6 Hij heeft de zee veranderd in droog land, zijn volk trok te voet door de rivier. Laten wij ons dan in Hem verheugen: 7 machtig heerst Hij, voor eeuwig, zijn ogen waken over de volken. Laat niemand zich tegen Hem verzetten. sela 8 Prijs, o volken, onze God, laat luid uw lof weerklinken, 9 Hij heeft ons het leven gegeven en onze voeten voor struikelen behoed. 10 U hebt ons beproefd, o God, ons gezuiverd, gezuiverd als zilver, 11 ons in een vangnet gedreven, ons een zware last op de schouders gelegd. 12 Strijdwagens zijn over ons heen gereden, wij zijn door vuur en door water gegaan, maar U bracht ons naar een land van overvloed. 13 Ik zal met offers uw huis binnengaan en doen wat ik U beloofd heb, 14 wat mijn lippen hebben toegezegd, mijn mond in nood heeft gesproken: 15 ‘Vetgemeste schapen zal ik U aanbieden, een geurig offer van rammen, ik zal stieren en bokken slachten.’ sela 16 Kom en hoor wat ik wil vertellen, ieder die ontzag heeft voor God, hoor wat Hij voor mij heeft gedaan. 17 Toen mijn mond Hem aanriep, lag een lofzang op mijn tong. 18 Had ik kwaad in mijn hart gevonden, de Heer had mij niet gehoord. 19 Maar God heeft mij gehoord, Hij heeft geluisterd naar mijn gebed. 20 Geprezen zij God, Hij heeft mijn gebed niet afgewezen, mij zijn gunst niet onthouden. (NBV21)

Zo, met deze psalm kunnen we er even tegenaan. De werken van God zijn groots. Nou niet denken dat het om individuen gaat, om een individuele redding, of vrede in je hart of zo, nee het gaat om de volken die de weg van God zouden moeten volgen. In deze dagen is dat wel extra belangrijk. We komen net uit de ene crisis en gaan de volgende al weer in en als elk volk voor zich een oplossing probeert te vinden dan zijn er alleen oplossingen voor de sterksten, voor de rijksten en dat bedoelt deze Psalm dus echt niet. Alle volken op aarde zullen moeten opkomen voor de armen, voor de zwakken. De rijken moeten bereid zijn om werkelijk te delen, want pas als de hulp voor de armen op gang komt durven mensen in zee te gaan met plannen voor vrede. Die voorwaarden, die door dat slavenvolk in de woestijn werden ontdekt en die ze voortaan toeschreven aan hun bijzondere God, een God die met ze meetrok, die er voor iedereen was, en waarvan je je geen beeld kon vormen, die werken juist voor de armen en kunnen hen bevrijden van de ellende die ze is overkomen.

Het komt er op aan vol te houden. De volken van de aarde zullen werkelijk schouder aan schouder moeten gaan staan en bereid zijn ook internationaal de regels die ze samen opstellen te controleren en af te dwingen. Delen van vaccins met de armste landen is onbetwistbaar, het is een coronamaatregel waar hard voor moet worden gestreden. Oude vijandschappen mogen daarbij niet tellen Je vijanden liefhebben zou Jezus dat ooit eens noemen en we weten hoe moeilijk dat is. Na meer dan 80 jaar is elk jaar de aanwezigheid van Duitsers bij de herdenking van de Tweede Wereldoorlog nog steeds een gevoelige zaak. We zullen dus naast de armen moeten blijven staan, niet bij elke oprisping van geweld roepen dat het bewijst dat het toch niet gaat, zo van “zie je wel”. Zoals over de piraten en de chaos in Somalië zo gemakkelijk gezegd wordt.

De zwaarste straffen zijn aan piraten in Somalieland zelf gegeven, maar dat land wordt door de westerse naties niet erkend en niemand weet nog waarom niet. Dat er twee landen zijn met Somalië in hun naam wordt ons nergens verteld, de ene staat is een democratie, de andere een rotzooi. Daar gaat het nog steeds om een land dat klem zit in een oorlog tussen vijanden op basis van ideologie, de ene overtuiging tegen de andere. Gesprekken over en weer, respect voor opvattingen en zorg voor eerlijk delen zijn daar nog altijd niet aan de orde. Het kan wel, dat wat met God werd bereikt in de woestijn, dat wat de dichter van deze psalm tot zingen bracht, belooft dat ook in Sudan en al die andere landen waar oorlog woedt een begin van vrede kan worden gemaakt. Maar alle volken zullen mee moeten willen doen.

 

De wet van het geloof.

Romeinen 3:21-31

21 Maar nu is Gods gerechtigheid, waarvan de Wet en de Profeten al getuigen, zichtbaar geworden buiten de wet om: 22 God schenkt vrijspraak op grond van geloof in Jezus Christus, aan allen die geloven. En er is geen onderscheid. 23 Want iedereen heeft gezondigd en ontbeert de nabijheid van God, 24 en iedereen wordt uit genade rechtvaardig verklaard, om niet, dankzij de verlossing door Christus Jezus. 25-26 Hij is door God aangewezen om door zijn dood het middel tot verzoening te zijn voor wie gelooft. Hiermee toont God zijn gerechtigheid, want in zijn verdraagzaamheid gaat Hij voorbij aan de zonden die in het verleden zijn begaan, om nu, in deze tijd, zijn gerechtigheid te bewijzen: Hij laat zien dat Hij rechtvaardig is door iedereen vrij te spreken die in Jezus gelooft. 27 Kan iemand zich dan nog ergens op laten voorstaan? Dat is uitgesloten. Door welke wet? De wet die naleving eist? Nee, door de wet van het geloof. 28 Ik heb u er immers op gewezen dat een mens door geloof wordt vrijgesproken, en niet door de wet na te leven. 29 Is God soms alleen de God van de Joden en niet ook van de andere volken? Zeker ook van de andere volken, 30 want er is maar één God, en Hij zal zowel besnedenen als onbesnedenen op grond van hun geloof rechtvaardig verklaren. 31 Stellen wij door het geloof de wet buiten werking? Integendeel, wij bevestigen de wet juist. (NBV21)

Zo af en toe kom je in de brieven van Paulus van die ingewikkelde theologische teksten tegen. Je snapt er bijna niks van. Dat komt omdat Paulus vaak in zijn brieven in discussie ging met verschillende opvattingen. Je had de opvattingen van Romeinse en Griekse filosofen en je had de opvattingen van de verschillende Joodse stromingen. De meesten van ons hebben daarvoor niet doorgeleerd en dan blijven die stukken van Paulus eigenlijk gesloten. Toch zijn ze niet minder belangrijk. Ook in onze tijd zijn er van die stromingen die mensen geluk beloven als ze hun methode maar volgen. Zo is er een filosofie, een geheim zeggen ze zelf, dat mensen wijs maakt dat als ze sterk ergens aan denken het zal gebeuren ook. Als je nu je denken maar sterk genoeg maakt dan zal je alles lukken. Het is bijna zoals Paulus zegt, als je maar genoeg gelooft dan krijg je het vanzelf voor elkaar. Maar Paulus zegt nu juist dat je niet in jezelf hoeft te geloven. Je hoeft de kracht niet in jezelf te zoeken.

Geloof nu maar dat het aan Jezus van Nazareth is gelukt om het zelfs door de dood heen vol te houden dan krijg je vanzelf de moed om er weer opnieuw mee te beginnen. Juist omdat het Jezus van Nazareth is gelukt hoeven wij het niet op ons eentje te doen maar mogen we het samen opnieuw en opnieuw proberen. Die gedachten fantasie van die nieuwe stroming zal je daarom op de duur alleen maar teleurstellen. De Weg van Jezus van Nazareth gaat inmiddels al eeuwen en eeuwen door en heel langzaam dringt over de hele aarde tot alle mensen door dat ze samen voor elkaar in moeten staan en alles voor elkaar over moeten hebben. Telkens weer gaat dat mis en telkens weer worden er talrijke mensen het slachtoffer van dat mislukken en telkens weer mogen we er weer opnieuw mee beginnen om te ontdekken dat elkaar helpen, dat houden van je naaste als van jezelf, echt helpt om de grootste problemen te overwinnen.

Alleen maar gericht zijn op het krijgen wat je hebben wilt is dan eigenlijk maar een armzalig bezig zijn. Je bent toch immers veel rijker als iedereen het leven krijgt. Het najagen van bezit en geluk is najagen van lucht en leegte staat ergens anders geschreven. Als je zo de stukken van Paulus leest worden ze ineens een stuk helderder. We hoeven zelfs niet eens zo goed als Jezus van Nazareth te worden. Hem navolgen in het zien van de minsten onder ons is al genoeg. We hoeven er zelfs niet voor op onze borst te kloppen. Het kost niks om een ander mens recht te doen, daar hoeven we niet trots op te zijn of ons op te laten voorstaan. We krijgen er ook niks voor terug. Of we minder of meer voor anderen zorgen maakt bij het einde van de geschiedenis niet uit. God heeft ons evengoed lief. Alleen als we leven ten kosten van anderen hebben we het goede al gehad en valt er dus niks te wensen over. We hoeven alleen maar blij te zijn dat het lukt samen te leven en dat maakt ons rijk genoeg, oneindig rijk aan geluk namelijk.

Angst voor God

Romeinen 3:9-20

9 Wat betekent dit alles? Zijn wij nu in het voordeel? In het geheel niet, want ik heb immers al heel duidelijk gemaakt dat allen, zowel de Joden als de andere volken, in de macht van de zonde zijn. 10 Zo staat er ook geschreven: ‘Er is geen mens rechtvaardig, zelfs niet één, 11 er is geen mens verstandig, er is geen mens die God zoekt. 12 Allen zijn afgedwaald, allen ontaard. Er is geen mens die het goede doet, zelfs niet één. 13 Hun keel is een open graf, hun tong is bedrieglijk, achter hun lippen schuilt het gif van een adder, 14 hun mond is vol vervloeking en venijn. 15 Ze haasten zich om bloed te vergieten, 16 verwoesting en rampspoed vergezellen hen. 17 De weg van de vrede kennen ze niet, 18 angst voor God is hun vreemd.’ 19 Wij weten dat de wet in alles wat hij zegt, spreekt tot degenen die onder de wet staan. En zo wordt ieder mens het zwijgen opgelegd en staat de hele wereld schuldig voor God. 20 Daarom geldt geen mens voor Hem als rechtvaardig door de wet na te leven, want juist de wet leert ons de zonde kennen. (NBV21)

Paulus lijkt aardig te kunnen doordraven. Er is geen mens die nog het goede doet beweert hij, helemaal niemand. Hij noemt de keel van de mensen een open graf, ze hebben een bedrieglijke tong en achter hun lippen schuilt het gif van een adder. Het is maar goed dat hij ook zichzelf daarin betrekt want zo zout hadden we het nog niet gegeten. Schrijft Paulus nu onzin? Dat ook weer niet, hij pepert de betweters in wat we eigenlijk al lang weten. Dat wat Paulus hier schrijft moeten we allereerst plaatsen in de strijd tussen de Judeeërs uit de gemeente en de Heidenen uit de gemeente. Veel Judeeërs beweerden dat je alleen behouden kon worden als je ook Judeeër werd, als je je dus liet besnijden en de strenge spijswetten ging houden. Paulus bestrijdt die opvatting. Juist als je Judeeër bent en opgevoed bent in de opvatting dat je de Thora van Mozes naar de letter moet houden loop je de kans in strijd te komen met de Thora. Volgens de Thora is het overtreden van de kleinste leefregel al overtreden van de hele Thora, dus het risico is groot.

Bovendien, wie weet wat overtreden is. De Rabbijnen hadden vastgesteld dat er voor elke wet wel 70 manieren waren om de Thora uit te leggen en al die manieren waren waar. Dus het nakomen van de Thora werd wel een heel moeilijke zaak en zo bezien was er niemand onschuldig. Aan de andere kant konden ook de Heidenen die de Weg van Jezus van Nazareth wilden gaan zich er niet mee af maken dat ze door van hun naaste te houden als van henzelf behouden zouden worden. Ze maakten zich van tijd tot tijd evengoed kwaad, ze zagen best wel eens iemand over het hoofd, ze deden echt niet aan iedereen recht, ze moesten toch ook vele malen per dag opnieuw beginnen met het houden van de naaste. Daarom stelt Paulus hier dat noch Judeeërs noch Heidenen zich er op kunnen beroepen God aan hun zijde te hebben. Maar als de hele wereld schuldig voor God staat moeten we er dan maar mee op houden? Moeten we erkennen dat ook de weg van de liefde doodloopt? Moeten we aannemen dat dat meetrekken van God met mensen die de armen willen bevrijden geen zin heeft, eigenlijk ook niet waar is?

In dit stuk van Paulus staat maar de ene kant. We lezen steeds maar van die kleine stukjes om ons bewust te maken van het hele verhaal. Dit stuk van het verhaal heeft twee boodschappen. Ten eerste de boodschap dat je je niet kunt beroepen op je kennis van de Bijbel. Hoeveel teksten je ook kunt citeren, het maakt je geen beter mens, hoeveel psalmen je ook kunt zingen, het maakt je er niet minder schuldig om in de ogen van God. Ten tweede dat je je ook niet kunt beroepen op je ijveren voor de armen en ontrechten in de wereld. Hoe hard je ook werkt voor Amnesty International of in de Fair Trade winkel, er zijn altijd mensen die je over het hoofd ziet. Er zijn altijd verkeerde politieke opvattingen waar je maar niet tegen in gaat. Iedereen moet elke dag weer vele malen opnieuw beginnen. Het mooie is dat het mag, dat je steeds opnieuw op weg mag gaan, en steeds weer meer mensen mag meenemen, ook vandaag weer. En het allermooiste is dat ondanks ons struikelen en stamelen die nieuwe wereld er zal komen, dat er een tijd komt dat er geen honger is, geen onderdrukking en oorlog, dat het overal vrede is. Ondanks ons mensen komt het, wij mogen er aan meewerken, nu al.

 

Ieder mens is onbetrouwbaar

Romeinen 3:1-8

1 Wat hebben de Joden dan nog voor op anderen? Heeft het enig nut dat men besneden is? 2 Zeer zeker, en in ieder opzicht. In de eerste plaats zijn het de Joden aan wie God zijn woord heeft toevertrouwd. 3 Maar wat als sommigen van hen ontrouw zijn geworden? Maakt hun ontrouw dan een einde aan Gods trouw? 4 Natuurlijk niet. Ieder mens is onbetrouwbaar, maar God is betrouwbaar, zoals ook geschreven staat: ‘Als U spreekt blijkt uw rechtvaardigheid, U overwint in elk geschil.’ 5 Maar wanneer het onrecht dat wij doen laat zien dat God rechtvaardig is, is het dan niet zo-ik redeneer nu zoals mensen dat doen-dat God onrechtvaardig is wanneer Hij ons toch nog veroordeelt? 6 Dat in geen geval. Hoe kan God anders rechter van de wereld zijn? 7 Maar wanneer door mijn onbetrouwbaarheid Gods trouw alleen maar toeneemt en daardoor ook zijn eer, waarom word ik dan toch nog als een zondaar veroordeeld? 8 Kunnen we niet beter het kwade doen, opdat het goede eruit voortkomt? Er wordt gezegd dat wij dat beweren, maar wie ons zo belastert zal zijn gerechte straf niet ontlopen. (NBV21)

En als je dan steeds opnieuw mag beginnen, zoals we hier vrijwel elke dag schrijven, kun je er dan niet beter mee ophouden? Waarom je er vandaag druk om maken, om je naaste, als je dat morgen ook nog kan doen? Waarom het zorgen voor de naaste niet aan God overlaten, God is de zijnen toch trouw? Wij gaan toch steeds de fout in? Waarom dan je nog inspannen? Het zijn ook de vragen die Paulus naar zijn hoofd geslingerd krijgt. Hij krijgt ze van twee kanten. De Joden verwijten hem te weinig aan de Wet van Mozes vast te houden en de Heidenen verwijten hem steeds maar met die Joodse Wet aan te komen. Maar het antwoord is duidelijk. We hebben het over de Thora die ooit in de woestijn aan de Joden is gegeven met als hart van de Thora het heb je naaste lief als jezelf. Wie aan de vervulling van de Thora mee gaat doen hoort er bij en wie die als wet voorschrijft of naast zich neerlegt hoort er niet bij. De genade van God is dat je er bij mag horen en je steeds weer opnieuw kunt aansluiten.

Maar dat betekent niet dat je met dat aansluiten kunt wachten tot het jou uitkomt? Niemand weet wat er morgen komt, ja niemand weet dag of uur van sterven. En sterven is het uiterste. Op tal van plaatsen in de Bijbel wordt er op gewezen dat je naaste liefhebben ook kan betekenen dat je een naaste hebt die jou liefheeft op het moment dat je het het meeste nodig hebt. Als het in het leven tegenzit, als je ziek bent. Dan kunnen mensen die jij tot hun recht hebt laten komen er ineens onverwacht voor jou zijn. Je hoeft het niet te verwachten, je kunt er niet op rekenen maar soms heel onverwacht ervaar je hulp en steun waar je nu net niet op gerekend had. Daarom kun je ook niet meer zonder. Als je eenmaal de onbaatzuchtige liefde voor je naaste in jezelf hebt ontdekt, als je eenmaal de honger en dorst naar gerechtigheid hebt gevoeld dan weet je dat je zonder die liefde niet meer kunt.

Dan weet je ook dat je die honger niet meer kunt stillen en die dorst niet meer kan lessen door er maar op los te eten en te drinken. Zoals het meest losbandige carnaval in het teken staat van de vastentijd en daar onlosmakelijk mee verbonden is, is het leven van een gelovige in de Weg van Jezus van Nazareth onlosmakelijk verbonden met het delen van alles in het leven met de mensen die dat nu juist nodig hebben. Als je gericht bent op het goede en niets dan het goede dan komt het kwade niet eens meer bij je op. Pas als je terugkijkt op je handelingen dat merk je dat je weer mensen over het hoofd hebt gezien, dat je ondoordacht iemand gekwetst hebt misschien. Dan kun je niet rusten voordat je het goed hebt gemaakt, dan valt er niet te slapen voordat je het onrecht hebt hersteld. Het kwade doen in plaats van het goede is dan helemaal niet aan de orde, maar zelf weten we dat we evengoed te vaak onbetrouwbaar zijn. Juist omdat het ons om het goede gaat.