Wees heilig!

1 Petrus 1:13-25

13 Laat uw geest daarom voortdurend paraat zijn, wees waakzaam en vestig al uw hoop op de genade die u ontvangen zult wanneer Jezus Christus zich openbaart. 14 Wees als gehoorzame kinderen en geef niet opnieuw toe aan de begeerten waardoor u vroeger, toen u nog onwetend was, werd beheerst. 15 Leid een leven dat in alle opzichten heilig is, zoals Hij die u geroepen heeft heilig is. 16 Er staat immers geschreven: ‘Wees heilig, want Ik ben heilig.’ 17 En als u Hem Vader noemt die iedereen naar zijn daden beoordeelt, zonder aanzien des persoons, heb dan ook ontzag voor Hem tijdens uw leven als vreemdeling. 18 U weet immers dat u niet met zoiets vergankelijks als zilver of goud bent vrijgekocht uit het zinloze leven dat u van uw voorouders had geërfd, 19 maar met het kostbare bloed van Christus, als dat van een lam zonder smet of gebrek. 20 Al voor de grondvesting van de wereld is Hij door God uitgekozen, en nu, aan het einde van de tijd, is Hij verschenen omwille van u. 21 Door Hem gelooft u in God, die Hem uit de dood heeft opgewekt en Hem laat delen in zijn luister, zodat uw geloof en hoop op God gericht zijn. 22 Nu u gehoorzaam bent aan de waarheid, is uw hart gelouterd en kunt u oprecht van uw broeders en zusters houden; heb elkaar dan ook onvoorwaardelijk lief, met een zuiver hart, 23 als mensen die opnieuw zijn geboren, niet uit vergankelijk maar uit onvergankelijk zaad, door Gods levende woord, dat voor altijd standhoudt. 24 ‘De mens is als gras en zijn schoonheid als een bloem in het veld: het gras verdort en de bloem valt af, 25 maar het woord van de Heer houdt eeuwig stand.’ Dit woord is het evangelie dat u verkondigd is. (NBV21)

Er zijn zogenaamde kerken waar ze zelfs heiligen aanbidden. In Rome zijn nog niet lang geleden twee dode mannen heilig verklaard die heel veel mensen verdriet hadden gedaan en één van die twee had zelfs miljoenen mensen zijn kerk uitgejaagd en hen de hoop ontnomen dat er een God was die hen zou helpen tot een betere en meer vreedzame wereld te komen. Maar als je in deze brief van Petrus leest dat je zelf heilig moet zijn dan kom je tot de ontdekking dat aanbidden van heiligen nooit kan kloppen, zoveel valt er nou ook weer niet aan jou en mij te aanbidden. Dat heilig zijn is dan ook heel iets anders dan dat je er mensen voor zou moeten aanbidden of dat er mensen gestorven zouden zijn die voor jou zouden kunnen bidden tot God. Tot God bidden kun je zelf, je mag hem zelfs Vader noemen staat er in dit gedeelte uit de brief van Petrus.

Het gaat hier om bevrijding uit de slavernij van de zinloosheid. Als je goud of zilver hebt geërfd dan weet je waarover het gaat. Kijk maar om je heen, armen in overvloed en jij kreeg van je voorouders goud of zilver. Daar klopt dus iets niet, ergens is het verkeerd gegaan met het delen. Nu is dat op zich niet zo erg. Wij hebben een voorbeeld dat we kunnen navolgen. Jezus van Nazareth deelde immers alles, zelfs zichzelf door de dood heen. Dat bevrijdt van alle dood. Ooit, voor de uittocht uit Egypte, voor de tocht door de woestijn, had men een lam geslacht en het bloed aan de deurposten gesmeerd. Door dat bloed ging de engel des doods aan die huizen voorbij en dat leidde de uittocht uit de slavernij in. Daarmee wordt in het Nieuwe Testament op allerlei plaatsen de kruisdood van Jezus van Nazareth vergeleken. Daar gaat het geloof over, bevrijd te zijn van de angst voor de dood. Niet de dood regeert ons langer maar het leven. Dat maakt ook dat we “heilig” kunnen zijn.

Dat woord “heilig” heeft een aantal betekenissen in zich verenigd. In de eerste plaats zit ons woord “heel” er in. En wel in de betekenis van zonder gebrek, en helemaal voldaan aan de oorspronkelijke bestemming. De mens was immers geschapen om goed te doen en niet dan goed. In de tweede plaats zit er iets van apart gezet in. We worden opgeroepen niet langer te doen zoals in de wereld gewoon is, streven naar meer en nog meer, maar delen met de minsten. We leven niet langer voor onszelf maar voor de ander. We houden immers van onze naaste als van onszelf. Daar houdt dus niemand ons meer van af. Dat is pas heilig zijn en heilig leven. Dat betekent ook dat we niet aanbeden kunnen worden hoe heilig we ook zijn, want juist wij weten dat we er duizend keer per dag weer opnieuw mee moeten beginnen. Dat we voortdurend verleid worden de goden van winst en profijt te volgen, dat altijd meer moeten willen, en dat we de armsten op de wereld maar moeten vergeten. De honger in de wereld neemt toe en in ons land wil men de autofiles bestrijden door de ontwikkelingssamenwerking te verminderen. Dat is pas toegeven aan onzalige begeerten. Maar we weten het wel, we kunnen ons steeds weer omkeren en een hand uitsteken naar de minsten onder ons.

 

Hemelse vreugde

1 Petrus 1:1-12

1 Van Petrus, apostel van Jezus Christus. Aan de uitverkorenen die als vreemdelingen verspreid in Pontus, Galatië, Kappadocië, Asia en Bitynië verblijven, 2 door God, de Vader, voorbestemd om, geheiligd door de Geest, gehoorzaam te zijn en met het bloed van Jezus Christus besprenkeld te worden. Genade zij u en vrede, in overvloed. 3 Geprezen zij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus: in zijn grote barmhartigheid heeft Hij ons door de opstanding van Jezus Christus uit de dood opnieuw geboren doen worden en ons zo levende hoop gegeven. 4-5 Er wacht u, die vanwege uw geloof door Gods kracht wordt beschermd, in de hemel een onvergankelijke, ongerepte erfenis die nooit verwelkt. U ziet de redding tegemoet, die klaarligt om aan het einde van de tijd geopenbaard te worden. 6 Verheug u hierover, ook al moet u nu tot uw verdriet nog een korte tijd allerlei beproevingen verduren. 7 Zo kan de echtheid blijken van uw geloof-zoveel kostbaarder dan vergankelijk goud, dat toch ook in het vuur wordt getoetst-en zo verwerft u lof, eer en roem wanneer Jezus Christus zich zal openbaren. 8 U hebt Hem lief zonder Hem ooit gezien te hebben; en zonder Hem nu te zien gelooft u in Hem en ervaart u een onuitsprekelijke, hemelse vreugde, 9 omdat u het einddoel van uw geloof bereikt: uw redding. 10 Wat die redding inhoudt, trachtten de profeten te achterhalen toen ze profeteerden over de genade die u ten deel zou vallen. 11 Zij probeerden vast te stellen op welke tijd en op welke omstandigheden Christus’ Geest, die in hen werkzaam was, doelde toen deze voorzegde dat Christus zou lijden en daarna in Gods luister zou delen. 12 Er werd hun geopenbaard dat deze boodschap niet voor henzelf bestemd was maar voor u-de boodschap die u nu verkondigd is door hen die u het evangelie hebben gebracht, gedreven door de heilige Geest, die vanuit de hemel werd gezonden. Het zijn geheimen waarin zelfs engelen graag zouden doordringen. (NBV21)

Hier beginnen we te lezen in de Eerste brief van Petrus. Zo heet deze brief, gericht aan gemeenten in het huidige Turkije, maar of de visser die we uit de Evangelieverhalen als Petrus kennen zelf deze brief heeft kunnen schrijven valt zeer te betwijfelen. De brief is namelijk geschreven in een zeer geschoold en fraai Grieks. Door iemand dus die zeer veel gelezen had en vertrouwd was met de taal. En dat valt voor een visserman uit Galilea volgens velen toch te betwijfelen. Door sommigen wordt veronderstelt dat de brief is geschreven door Silvanus die dan als secretaris voor Petrus zou zijn opgetreden. Als Silas komt deze secretaris ook in de Handelingen der Apostelen voor en in brieven van Paulus. Hoe het ook zij, het is een brief die het Evangelie van Jezus van Nazareth probeert te verkondigen en daarvoor tot vandaag de dag bestemd is.

Het begin van deze brief kan gemakkelijk tot misverstanden leiden. Als je de brief tekst voor tekst zou lezen, zonder samenhang in het verhaal aan te brengen, dan zou je bijna gaan denken dat de schrijver oproept om niet te treuren om al het lijden dat je meemaakt omdat je na je dood in de hemel wel zult genieten. Zo is de brief in de geschiedenis van de kerk vaak aan de gelovigen voorgehouden. Maar het staat er niet. Er staat dat je ondanks het lijden nu al een onuitsprekelijke, hemelse, vreugde zult ervaren, ja nu al ervaart. Door het geloof in de bevrijding van de armen komt er een stukje hemel op aarde. Die hemel staat dan voor het ideaal dat we ons allemaal wel zouden wensen, een wereld zonder tranen, zonder handicaps, zonder dood. Als we geloven dan lijkt het of de wereld al zo is. We zijn dan in elk geval niet meer bang voor de dood, we laten ons niet meer regeren door de dood, we wissen tranen, richten de lammen op en laten de blinden zien. Dat is de opdracht die we uit het Evangelie kunnen leren.

Zelfs zonder Jezus van Nazareth te hebben gezien kunnen we dat geloven. De profeten van het oude Israël riepen altijd al dat alle volken geroepen zouden worden zich naar het principe van heb-uw-naaste-lief te gaan gedragen maar ze hadden er maar weinig van gemerkt. Na de dood en de opstanding van Jezus van Nazareth was dat geloof echter in een snel tempo over de hele toenmalig bekende wereld gevlogen. Ondanks zware vervolgingen stroomden de gelovigen toe. De slavenmaatschappij waar het Romeinse Keizerrijk zo zwaar op leunde betekende de dood in de pot. Daar ging geen leven meer van uit. De nieuwe Weg van Jezus van Nazareth bracht mensen bij elkaar aan tafel zonder onderscheid te maken naar afkomst, of rijkdom. Iedereen kon meedoen en ieder leven telde. Dat is de samenleving die ook wij samen mogen opbouwen. Ook vandaag de dag.

 

Laten wij jubelen

Psalm 95

1 Kom, laten wij jubelen voor de HEER, juichen voor onze rots, onze redding. 2 Laten wij Hem naderen met een loflied, Hem toejuichen met gezang. 3 De HEER is een machtige God, een machtige koning, boven alle goden verheven. 4 Hij houdt in zijn hand de diepten der aarde, de toppen van de bergen behoren Hem toe, 5 van Hem is de zee, door Hem gemaakt, en ook het droge, door zijn handen gevormd. 6 Ga binnen, laten wij buigen in aanbidding, knielen voor de HEER, onze maker. 7 Ja, Hij is onze God en wij zijn het volk dat Hij hoedt, de kudde door zijn hand geleid. Luister vandaag naar zijn stem: 8 ‘Wees niet halsstarrig als bij Meriba, als die dag bij Massa, in de woestijn, 9 toen jullie voorouders Mij op de proef stelden, Mij tartten, al hadden ze mijn daden gezien. 10 Veertig jaar voelde Ik weerzin tegen hen. Ik zei: “Het is een stuurloos volk dat mijn wegen niet wil kennen.” 11 En Ik zwoer in mijn woede: “Nooit gaan zij mijn rustplaats binnen!”’ (NBV21)

Vandaag zingen we mee met Psalm 95, nou ja, zingen, vrolijk zingen stond er vroeger, tegenwoordig hebben ze het over jubelen. Dat jubelen heeft bij ons een andere klank, maar betekent toch iets van vrolijk juichen. Denk maar wat een stadion voetbalsupporters doet als het team heeft gewonnen. De geleerden denken dat deze psalm is geschreven bij een van de grote jaarlijkse feesten, loofhutten, pesach of iets dergelijks. De psalm zou dan gezongen zijn als de Tempel wordt binnengegaan. Dat verklaard ook de tweedeling in de Psalm. De eerste zeven verzen zijn een lofzang en de laatste 4 verzen een oproep. Nu moeten we wel bedenken dat het hier niet zomaar om een Tempel gaat, met een groot beeld van de God die moet worden aanbeden waar iedereen in aanbidding voor buigt en zich misschien zelfs voor op de grond werpt.

In de Tempel van de God van Israël staat een kist. Een mooie kist weliswaar met gevleugelde figuren er op, een tafel met brood er voor en lampen en welriekende geuren. Maar niettemin een kist van acaciahout, versiert met ringen waardoor stokken konden om de kist te dragen. In de Bijbel wordt die kist, ark genoemd, nauwkeurig beschreven. Ook wat er in ligt. Er liggen wat souvenirs in van de tocht in de woestijn, een stok en een staf maar het voornaamste zijn een aantal stenen platen, daar staat de Wet op die het volk in de Woestijn had aanvaard als haar kompas en richtlijn. De hele godsdienst van Israël draaide om die richtlijn, want het houden van die richtlijn was hetzelfde als het houden van hun God. En die Wet laat zich samenvatten als “Heb Uw naaste Lief als Uzelf”. Dat kan op heel de aarde, van het diepste van de zee tot aan de hoogste bergtoppen. In de dagen dat de psalm werd geschreven dacht men dat de aarde op water dreef, plat was met fundamenten die de aarde op haar plaats hield. We weten tegenwoordig beter door de wetenschap.

Zo af en toe krijgt U echter een foldertje in de bus waarin wordt opgeroepen om weer in die platte op water drijvende aarde te gaan geloven. Volgens de Bijbel heeft God immers die aarde op die manier geschapen, dat staat in deze Psalm. Dat foldertje is dan ook een duivelse poging om ons af te leiden van waar het in de Bijbel om gaat. De wetenschap mogen we wis en waarachtig wel volgen, die helpt ons immers om tot aan de einden der aarde te delen met onze broeders en zusters, de armsten van de wereld. De wetenschap is een geschenk van God. Het tweede deel van de Psalm roept ons dan ook op om niet zo stijfkoppig te zijn in ons ongeloof in het beloofde land dat overvloeit van melk en honing. In dat ongeloof komen we het bittere water van Meriba en Massa tegen. Uit de angst voor het nieuwe, de angst voor het machtige voorbij te gaan, had men dat land links laten liggen. Laten wij ons niet afleiden door duivelse discussies over Schepping en Evolutie maar ons houden bij de Bijbel en dankbaar gebruik maken van de moderne wetenschap om te juichen bij Gods richtlijn als wij onze naaste dienen als onszelf, de hongerigen voeden en de naakten kleden. Dat is een lied waard.

 

Een sabbatsrust.

Hebreeën 4:1-13

1 Aangezien de belofte om zijn rust binnen te gaan nog steeds van kracht is, moeten we ervoor waken dat iemand van u ook maar de schijn wekt achter te blijven. 2 Want ook aan ons is het goede nieuws verkondigd, net als aan hen; maar het verkondigde woord baatte hun niet, omdat zij het-anders dan wie het aannamen-niet geloofden. 3 Omdat wij echter geloven, gaan we de rust binnen waarvan Hij gezegd heeft: ‘In mijn toorn heb Ik gezworen: “Nooit zullen ze mijn rust binnengaan”’ -hoewel zijn werk al met de grondvesting van de wereld voltooid was. 4 Over de zevende dag heeft Hij immers ergens gezegd: ‘En op de zevende dag rustte God van al zijn werk,’ 5 hier echter: ‘Nooit zullen ze mijn rust binnengaan.’ 6 Het staat dus vast dat mensen er kunnen binnengaan, maar degenen aan wie vroeger het goede nieuws verkondigd is, zijn er vanwege hun ongehoorzaamheid niet binnengegaan. 7 Daarom legt God opnieuw een dag vast, een ‘vandaag’, waarover Hij, zoals eerder is opgemerkt, lange tijd later David heeft laten zeggen: ‘Horen jullie vandaag zijn stem, wees dan niet halsstarrig.’ 8 Was de rust hun al door Jozua gegeven, dan zou God daarna niet meer over een andere dag hebben gesproken. 9 Er wacht het volk van God dus nog steeds een sabbatsrust. 10 Want wie Gods rust is binnengegaan, vindt rust na zijn werk zoals God na het zijne. 11 Laten we dus alles op alles zetten om die rust binnen te gaan, opdat niemand dit voorbeeld van ongehoorzaamheid volgt en te gronde gaat. 12 Het woord van God is levend en krachtig, en scherper dan een tweesnijdend zwaard: het dringt diep door tot waar ziel en geest, been en merg elkaar raken, en het is in staat de opvattingen en gedachten van het hart te ontleden. 13 Niets van wat geschapen is blijft voor Hem verborgen, alles is onverhuld en volkomen zichtbaar voor de ogen van Hem aan wie wij rekenschap moeten afleggen. (NBV21)

We zijn onderweg van Pasen naar Pinksteren. Een tijd waarin de volgelingen van Jezus bijeen kwamen om te bidden en soms om de Heer te ontmoeten. Het is voor ons de tijd dat we extra denken aan het lijden in de wereld, want wat aan de minste van de mensen is aangedaan is ook aan Jezus van Nazareth aangedaan. Op het dagelijks leesrooster van het Nederlands Bijbelgenootschap staat vandaag het gedeelte uit de brief aan de Hebreeën die we hier hebben gelezen. We maken ons weer bewust dat in het gebed dat Jezus ons leerde niet meer voor onszelf gevraagd wordt dan ons dagelijks brood. Wie afziet van een eigen carrière, het najagen van winst en het verdringen van anderen van een zogenaamd hogere positie, zal merken dat je wordt overvallen door een weldadig gevoel van rust en vrede. In die rust is er alle tijd om een medemens te helpen. In die vrede zie je ook ineens de medemensen aan wie onrecht wordt aangedaan. Volgens de briefschrijver is die rust en is die vrede alleen te vinden voor mensen die hardnekkig blijven geloven in de komst van die nieuwe samenleving. Die samenleving waar alle tranen zullen zijn gewist en waar iedereen voldoende te eten heeft.

Want als je niet geloofd in die nieuwe samenleving dan blijf je oorlog voeren met je medemensen, dan wordt je bang voor iedereen die iets anders gelooft en moet je met harde woorden iedereen bestrijden die iets anders gelooft, dan heb je geen ruimte meer voor het voeren van debat met je tegenstanders maar dan schreeuw je het uit, dan gooi je met vuurwerk en stenen uit angst voor de ander. De briefschrijver wijst ook hier weer op het Oude Testament. God heeft de wereld geschapen en ruste op de zevende dag. Maar voordat mensen mee kunnen delen in die Sabbatsrust moet er nog wel wat gebeuren. Want toen God de wereld geschapen had zag hij dat het goed was. En als wij kijken dan zien we helemaal niet dat de wereld goed is. Er worden nog steeds oorlogen gevoerd, er worden nog steeds mensen door regeringen ter dood gebracht, er zijn nog steeds veel te veel mensen die niet te eten hebben, de gezondheidszorg is zeker niet voor iedereen op de wereld beschikbaar, er zijn nog steeds onrechtvaardige handelsverhoudingen, er zijn nog steeds zeer grote inkomensverschillen, hebzucht en eerzucht regeren nog steeds banken, staten en grote bedrijven.

De wereld is dus nog lang niet klaar, niet zoals God die heeft gewild. In menselijke termen zal het nog wel een tijdje duren voordat de zevende dag aanbreekt. Wie daarom het verhaal letterlijk neemt dat de wereld in zes dagen geschapen zou zijn neemt dit gedeelte van de brief uit de Hebreeën niet serieus. Want hier klinkt de oproep om aan die andere wereld te werken zodat de rust en de vrede hun intrede doen die God had bedoeld voor de mensen toen hij de wereld geschapen had en zag dat het goed was. Voor God is de dag van de schepping en de dag van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde dezelfde dag. Ook dat wil de briefschrijver ons hier duidelijk maken. Daarom is dit verhaal ook als een tweesnijdend zwaard. Het maakt haarscherp duidelijk wie er wel en wie er niet bij horen. Wie geeft de aanbidding van welvaart en succes op en stelt zich geheel en al in dienst van de liefde voor de naaste, die de liefde is voor God,  en wie doet dat niet? Half kan niet, het valt ook niet te combineren, je doet mee of je doet niet mee, iets anders is er niet. Kiezen voor die nieuwe wereld is kiezen voor het leven, maak die keuze vandaag nog en laat ons in die Geest aan het werk gaan.

Wijs elkaar terecht

Hebreeën 3:12-19

12 Let er dus op, broeders en zusters, dat niemand van u door een kwaadwillig, ongelovig hart afvallig wordt van de levende God, 13 maar wijs elkaar terecht, elke dag dat dit ‘vandaag’ nog geldt, opdat niemand van u door zonde verleid wordt en daardoor halsstarrig wordt. 14 Want alleen als we tot het einde toe resoluut vasthouden aan ons aanvankelijk vertrouwen, blijven we deelgenoten van Christus. 15 Wanneer er gezegd wordt ‘Horen jullie vandaag zijn stem, wees dan niet halsstarrig, als tijdens de opstand’ – 16 wie waren het dan die zijn stem hoorden en toch opstandig werden? Waren dat niet al degenen die onder Mozes’ leiding uit Egypte waren weggetrokken? 17 Tegen wie was zijn toorn veertig jaar lang gericht? Waren dat niet degenen die gezondigd hadden en van wie de lijken in de woestijn lagen? 18 En aan wie zwoer Hij dat ze zijn rust niet zouden binnengaan-toch zeker aan hen die ongehoorzaam waren? 19 Zo zien we dat zij er niet konden binnengaan vanwege hun ongeloof. (NBV21)

De brief aan de Hebreeën probeert de problemen in de Christelijke gemeente op te lossen door te wijzen op de problemen die geschetst werden in de Hebreeuwse Bijbel. De geboden uit de Tora moesten worden vervuld, dat was iets anders dan je voortdurend houden aan de letterlijke geboden en er moesten gemeenschappen gevormd worden van mensen die volgens de geldende opvattingen nooit samen in een gemeenschap zouden kunnen leven. Nu dat was ook al zo bij het volk in de woestijn. Talrijk zijn de verhalen over opstanden en dwalingen. Wie stonden er op tegen de weg die Mozes namens God wees? De mensen die de slavernij in Egypte hadden meegemaakt. Het leek er op dat ze leven als slaaf beter vonden dan de bevrijding die God had gebracht.

De leer van Mozes had al rekening gehouden met de weerstand die dat nieuwe systeem van eigen verantwoordelijkheid zou oproepen. Elk jaar moesten de Israëlieten hun eigen weerstand onder ogen zien en erkennen en opnieuw de verplichting uit het verbond op zich nemen de Tora te vervullen, de Weg te gaan die Mozes namens God had gewezen. Grote verzoendag noemden ze dat. Alle ergernis die de gelovigen hadden, ergernis en weerstand waarmee ze God hadden geëergerd moest worden weggenomen, terug naar het resoluut vasthouden aan dat verbond. De Hogepriester hield het ze voor en bezwoer bij God om het verbond niet als verbroken maar als vernieuwd te beschouwen. Voor Christenen was Jezus die Hogepriester geworden. In Christus moest je leven en je eigen ik opgeven.

De bijeenkomsten van die Christenen hadden in het begin ook veel weg van de bijeenkomsten die de Joden in hun synagogen hadden. Maar Joden en Heidenen bij elkaar, mannen en vrouwen, armen en rijken, slaven en vrijen, dat was voor iedereen vreemd, dat viel op en was voor sommigen aantrekkelijk maar voor velen afstotelijk. Hou daar maar eens aan vast. Die weerzin is nog steeds niet anders. Wie opkomt voor de armsten in de wereld en alles over heeft om het lijden van de minsten te verzachten of op te heffen, wordt vaak bespot en veracht, maar ook, zij het zelden, gewaardeerd. Volhouden kan dus echt alleen als je je vereenzelvigd met die Jezus van Nazareth, in zijn Geest handelen en naar zijn Geest luisteren. Dat mag ook vandaag weer.

 

De hemelse roeping

Hebreeën 3:1-11

1 Daarom, heilige broeders en zusters, die deel hebt aan de hemelse roeping, richt uw aandacht op Jezus, de apostel en hogepriester van het geloof dat wij belijden, 2 die trouw is aan wie Hem heeft aangesteld, zoals Mozes in heel Gods huis zijn taak trouw vervulde. 3 Jezus echter werd groter eer waardig geacht dan Mozes, zoals de bouwer van een huis meer eer krijgt dan het huis zelf. 4 Elk huis heeft een bouwer, maar God is de bouwer van alles. 5 Mozes vervulde trouw zijn taak als dienaar in heel Gods huis, om te getuigen van de woorden die God zou spreken, 6 Christus echter is trouw als Zoon die over dat huis is aangesteld. Wij vormen dat huis, als we tenminste trots en zonder schroom vasthouden aan datgene waarop wij hopen. 7 De heilige Geest zegt immers: ‘Horen jullie vandaag zijn stem, 8 wees dan niet halsstarrig, als tijdens de opstand, ten tijde van de beproeving in de woestijn, 9 waar jullie voorouders Mij op de proef stelden en tartten, al hadden ze mijn daden gezien, 10 veertig jaar lang. Daarom wekten zij mijn toorn, Ik zei: “Altijd weer dwaalt hun hart, mijn wegen kennen ze niet.” 11 En in mijn toorn heb Ik gezworen: “Nooit zullen ze mijn rust binnengaan.”’ (NBV21)

Wij hebben eigenlijk geen idee van de tijd waarin de brief aan de Hebreeën werd geschreven. Toch is dat belangrijk om te kunnen snappen wat er staat en waarom het er staat. De titel van de brief doet vermoeden dat de brief is geschreven aan een gemeente van overwegend Joden, maar de geleerden zijn het daar niet over eens. De eerste christengemeenten leefden in een religieuze wereld die wij niet kennen. Overal waren tempels waarin vele soorten goden op vele manieren werden aanbeden. Priesters en Priesteressen vervulden daar speciale riten en die moest je dan ook te vriend houden. Alleen de Joden hadden zulke tempels niet.

Maar de Joden buiten Palestina hadden ook gebouwtjes waar ze bijeen kwamen, synagogen noemden ze die. Ook daar waren voorgangers en de Joden hadden speciale kleding aan die hen onderscheidden van de anderen, ze spraken ook een eigen taal die verder niemand kon verstaan. Van buitenaf leken ze op aanhangers van een Tempel waar de rest van de bevolking weliswaar niet kwam maar die wel niet zoveel zou verschillen. Die Christenen deden het nog anders. Die kwamen bij elkaar bij iemand thuis. Rijken en armen, slaven en vrijen, Joden en Heidenen, mannen en vrouwen. Ze onderscheiden zich niet in kleding, hielden geen optochten, hadden geen beelden of amuletten, maar hielpen de mensen in de stad die in problemen waren gekomen.

Als je aan Christenen vroeg wie hun Priester was dan vertelden ze over ene Jezus van Nazareth. De Joden herkenden daar een landgenoot in en zullen gevraagd hebben wat die Jezus van Nazareth wel niet betekende. Dan kwamen die Christenen aan met het verhaal dat we vandaag lezen. Hoe zo’n gemeenschap van Christenen leek op het volk van Israël in de woestijn. Daar waar ze ontdekt hadden hoe sterk ze op elkaar waren aangewezen, waar ze gehoord hadden dat ze hun naaste lief moesten hebben als zichzelf. En hoe die Jezus van Nazareth hen diezelfde boodschap had voorgehouden en hoe ze soms net als het volk Israel de neiging hadden daar tegen in opstand te komen. Maar die Christenen verwierpen elke vorm van geweld en wilden door Liefde voor de minsten de wereld veranderen. En dat willen we toch vandaag ook nog.

 

De nakomelingen van Abraham

Hebreeën 2:13-18

13 Zo zegt Hij ook: ‘Ik zal steeds op Hem vertrouwen,’ en verder: ‘Hier sta Ik met de kinderen die God Mij gegeven heeft.’ 14 Omdat die kinderen mensen zijn van vlees en bloed, is de Zoon een mens geworden als zij, om door zijn dood definitief af te rekenen met de heerser over de dood, de duivel, 15 en zo allen te bevrijden die door hun angst voor de dood hun leven lang in slavernij verkeerden. 16 Het moge duidelijk zijn: Hij is niet begaan met het lot van engelen, Hij is begaan met het lot van de nakomelingen van Abraham. 17 Daarom moest Hij in alles gelijk worden aan zijn broeders en zusters; alleen dan zou Hij in aangelegenheden tussen God en zijn volk een barmhartige en betrouwbare hogepriester zijn, die verzoening bewerkt voor hun zonden. 18 Juist omdat Hij zelf, toen Hij op de proef werd gesteld, het lijden doorstaan heeft, kan Hij ieder die beproefd wordt bijstaan.(NBV21)

We lezen in het ritme van het leesrooster van het Nederlands Bijbelgenootschap niet alleen de gemakkelijke stukken uit de Bijbel. Vandaag staat er een wat ingewikkelder stuk op het rooster. En dat komt omdat we al lang ontgroeid zijn aan de discussies uit het begin van onze jaartelling tussen Christenen, Joden, Griekse filosofen en mensen die de drie zo graag met elkaar en met andere aantrekkelijke godsdiensten en overtuigingen wilden verenigen. Die laatste kennen de geleerden nog het meest als gnostici. Deze brief aan de Hebreeën gaat de discussie niet uit de weg. In de discussie wordt in de eerste plaats aansluiting gezocht bij het Oude Testament. Je hoort in zogenaamd Christelijke kring nog wel eens beweren dat als je eenmaal de Heilige Geest ontvangen hebt het Oude Testament eigenlijk niks meer te vertellen heeft. Dat wordt in het Nieuwe Testament op vele plaatsen bestreden maar de brief aan de Hebreeën is er wel heel duidelijk in.

Dat de kinderen van God, broeders en zusters zijn en nakomelingen van Abraham zijn wordt met vele aanhalingen uit het Oude Testament gesteld. In die traditie wordt de plaats van de mens op de aarde op die manier verwoord. We horen allemaal bij Gods volk en zijn daarom allemaal Gods kinderen. Het gaat niet om engelen of andere onduidelijke geesten. Het gaat om concrete mensen en met name om mensen die zelf lijden. Als je broer of je zus lijdt dan schiet je die broer of zus immers te hulp? Dan rust je niet voordat je alles hebt gedaan wat in je vermogen ligt om je broer of zus te helpen? Daar hoef je toch zelfs geen dankjewel voor te ontvangen? Dit hoofdstuk uit de brief aan de Hebreeën vertelt ons dat alle mensen onze broers en zusters zijn. Of ze blank zijn of zwart, katholiek, protestant, Islamiet, atheïst of bijgelovig, allemaal zijn het onze broeders en zusters en als ze lijden dan wordt van ons gevraagd ze te hulp te schieten met alles wat in ons is.

Dat is ons namelijk voorgeleefd door Jezus van Nazareth die dat zelfs aan het kruis wist vol te houden. De briefschrijver noemt hem daarom hogepriester. Hij vervulde voor alle mensen de taak die de hogepriester in de Tempel in Jeruzalem op de grote verzoendag voor heel het volk Israël vervulde. Door de gebeden en rituelen op die grote verzoendag kreeg het volk de gelegenheid weer helemaal opnieuw te beginnen met de Wet en met de God die hen de Wet van heb Uw naaste lief als Uzelf had geschonken. Ook al hadden ze er in het afgelopen jaar een potje van gemaakt, God gaf hen de kans opnieuw te beginnen, steeds weer. Zo weten we door Jezus van Nazareth dat ook wij er steeds weer opnieuw mee mogen beginnen. Onze broers en onze zusters hoeven niet vergeefs te roepen over het onrecht hun aangedaan, over het geweld, de honger en de vernedering. Wij mogen ze te hulp komen met alles wat in ons is.

 

De komende wereld

Hebreeën 2:5-12

5 Welnu, de komende wereld, waarover wij hier spreken, heeft Hij niet aan engelen onderworpen. 6 Integendeel, iemand heeft ergens getuigd: ‘Wat is de mens dat U aan hem denkt, het mensenkind dat U naar hem omziet? 7 U hebt hem voor korte tijd lager dan de engelen geplaatst; U hebt hem met eer en luister gekroond, 8 alles hebt U aan hem onderworpen.’ Doordat Hij alles aan hem onderworpen heeft, rest er niets dat niet aan hem is onderworpen. Dat alles aan hem onderworpen is, zien wij echter nu nog niet; 9 wel zien we dat Jezus, die voor korte tijd lager geplaatst was dan de engelen, vanwege zijn lijden en dood met eer en luister gekroond is. Door Gods genade kwam zijn dood iedereen ten goede. 10 Want om vele kinderen in zijn luister te laten delen achtte God, voor wie en door wie alles bestaat, het passend de grondlegger van hun redding door het lijden naar de uiteindelijke volmaaktheid te voeren. 11 Hij die heiligt en zij die geheiligd worden hebben een en dezelfde oorsprong, en daarom schaamt Hij zich er niet voor hen zijn broeders en zusters te noemen 12 wanneer Hij zegt: ‘Ik zal uw naam bekendmaken aan mijn broeders en zusters, U loven in de kring van mijn volk.’(NBV21)

De schrijver van deze preek zegt in het gedeelte van vandaag dat het niet uitmaakt of de boodschap nu van engelen komt of van God zelf. Die nieuwe hemel en die nieuwe aarde staan in elk geval niet onder heerschappij van de engelen. Voor die nieuwe hemel en die nieuwe aarde moet je aan mensen denken. Als eerste aan Jezus van Nazareth die door zijn lijden en zijn dood die nieuwe aarde als het ware al gestalte gaf. Zo ziet het er uit. Tot in de dood weigeren de liefde te verloochenen. Aan een slavenkruis al stervend nog medelijden vragen voor hen die je vervolgen. Als je dat kan dan kun je ook blijven delen al vervolgt de hele wereld je omdat je het opneemt voor de armen, voor de hongerigen, voor de gevangenen, voor de minsten in de wereld. Als je dat kan dan hoort ook die nieuwe hemel en die nieuwe aarde jou toe. God heeft ondanks al het gedrag van de mens alles aan de mens onderworpen. Wij zijn ons vaak niet bewust van de verantwoordelijkheid die dat met zich meebrengt.

Wij piepen er graag onderuit, roepend dat je nu eenmaal niet alles op je nek kunt nemen. Dat kun je misschien niet maar je bent wel mee verantwoordelijk voor alles. Je hoort in zogenaamd Christelijke kring nog wel eens beweren dat als je eenmaal de Heilige Geest ontvangen hebt het Oude Testament eigenlijk niks meer te vertellen heeft. Dat wordt in het Nieuwe Testament op vele plaatsen bestreden maar de preek voor de Hebreeën is er wel heel duidelijk in. Dat de kinderen van God, broeders en zusters zijn en nakomelingen van Abraham zijn wordt met vele aanhalingen uit het Oude Testament gesteld. In die traditie wordt de plaats van de mens op de aarde op die manier verwoord. We horen allemaal bij Gods volk en zijn daarom allemaal Gods kinderen. Het gaat dus niet om engelen of andere onduidelijke geesten. Het gaat om concrete mensen en met name om mensen die zelf lijden. Als je broer of je zus lijdt dan schiet je die broer of zus immers te hulp? Dan rust je niet voordat je alles hebt gedaan wat in je vermogen ligt om je broer of zus te helpen? Daar hoef je toch zelfs geen dankjewel voor te ontvangen?

Dit hoofdstuk uit de brief aan de Hebreeën vertelt ons dat alle mensen onze broers en zusters zijn. Of ze blank zijn of zwart, katholiek, protestant, Islamiet, atheïst of bijgelovig, allemaal zijn het onze broeders en zusters en als ze lijden dan wordt van ons gevraagd ze te hulp te schieten met alles wat in ons is. Dat is ons namelijk voorgeleefd door Jezus van Nazareth die dat zelfs aan het kruis wist vol te houden. Het gaat duidelijk niet om één klein volk maar om de gehele mensheid. Ooit was er een volk gekozen om duidelijk te maken hoe de mensheid zich te gedragen had en uit dat volk was op die manier een mens geboren die dat ook volgehouden had. Die mens mag door de hele mensheid gevolgd worden.

 

Een rechtmatige straf

Hebreeën 1:10–2:4

10 En ook: ‘In het begin hebt U, Heer, de aarde gegrondvest, en de hemel is het werk van uw handen. 11 Zij zullen vergaan, maar U houdt stand, ze zullen als een gewaad verslijten, 12 als een mantel zult U ze oprollen, als een gewaad zullen ze worden verwisseld; maar U blijft dezelfde, en uw jaren zullen geen einde nemen.’ 13 Tegen wie van de engelen heeft Hij ooit gezegd: ‘Neem plaats aan mijn rechterhand, tot Ik van je vijanden een bank voor je voeten heb gemaakt’? 14 Zijn zij niet allen dienende geesten, uitgezonden om hen bij te staan die de redding als erfenis zullen ontvangen? 1 Daarom moeten wij onze aandacht des te meer richten op wat we gehoord hebben, dan zullen we niet uit de koers raken. 2 Want als het door engelen gesproken woord al zo veel rechtskracht bezat dat op elke overtreding en ongehoorzaamheid een rechtmatige straf volgde, 3 hoe zullen wij dan aan die straf ontkomen wanneer we geen acht slaan op de grote redding die begonnen is met de woorden van de Heer, en die voor ons bevestigd werd door hen die deze woorden hebben gehoord? 4 Ook God zelf getuigde daarvan, door tekenen en wonderen en allerlei grote daden te verrichten, en door overeenkomstig zijn wil steeds de heilige Geest te schenken. (NBV21)

God heeft zijn engelen niet boven zijn zoon gesteld. Engelen zijn en blijven boodschappers. De schrijver van deze preek zegt in het gedeelte van vandaag dat het niet uitmaakt of de boodschap nu van engelen komt of van God zelf. Die nieuwe hemel en die nieuwe aarde staan in elk geval niet onder heerschappij van de engelen.Voor die nieuwe hemel en die nieuwe aarde moet je aan mensen denken. Als eerste aan Jezus van Nazareth die door zijn lijden en zijn dood die nieuwe aarde als het ware al gestalte gaf. Zo ziet het er uit. Tot in de dood weigeren de liefde te verloochenen. Aan een slavenkruis al stervend nog medelijden vragen voor hen die je vervolgen. Als je dat kan dan kun je ook blijven delen al vervolgt de hele wereld je omdat je het opneemt voor de armen, voor de hongerigen, voor de gevangenen, voor de minsten in de wereld. Als je dat kan dan hoort ook die nieuwe hemel en die nieuwe aarde jou toe.

De schrijver van deze preek citeert hier Psalm 8 over de plaats van de mens. Een citaat overigens uit de Griekse vertaling van de Hebreeuwse Bijbel. Want in de Hebreeuwse Bijbel staat niet “U hebt hem lager dan de engelen geplaatst” maar “U hebt hem bijna tot een God gemaakt”, in elk geval staat daar al dat God ondanks al het gedrag van de mens alles aan de mens heeft onderworpen. Wij zijn ons vaak niet bewust van de verantwoordelijkheid die dat met zich meebrengt. Wij piepen er graag onderuit, roepend dat je nu eenmaal niet alles op je nek kunt nemen. Dat kun je misschien niet maar je bent wel mee verantwoordelijk voor alles. Je hoort in zogenaamd Christelijke kring nog wel eens beweren dat als je eenmaal de Heilige Geest ontvangen hebt het Oude Testament eigenlijk niks meer te vertellen heeft. Dat wordt in het Nieuwe Testament op vele plaatsen bestreden maar de preek voor de Hebreeën is er wel heel duidelijk in. Dat de kinderen van God, broeders en zusters zijn en nakomelingen van Abraham zijn wordt met vele aanhalingen uit het Oude Testament gesteld. In die traditie wordt de plaats van de mens op de aarde op die manier verwoord. We horen allemaal bij Gods volk en zijn daarom allemaal Gods kinderen.

Het gaat dus niet om engelen of andere onduidelijke geesten. Het gaat om concrete mensen en met name om mensen die zelf lijden. Als je broer of je zus lijdt dan schiet je die broer of zus immers te hulp? Dan rust je niet voordat je alles hebt gedaan wat in je vermogen ligt om je broer of zus te helpen? Daar hoef je toch zelfs geen dankjewel voor te ontvangen? Dit hoofdstuk uit de brief aan de Hebreeën vertelt ons dat alle mensen onze broers en zusters zijn. Of ze blank zijn of zwart, katholiek, protestant, Islamiet, atheïst of bijgelovig, allemaal zijn het onze broeders en zusters en als ze lijden dan wordt van ons gevraagd ze te hulp te schieten met alles wat in ons is. Dat is ons namelijk voorgeleefd door Jezus van Nazareth die dat zelfs aan het kruis wist vol te houden. De briefschrijver noemt hem daarom hogepriester. Hij vervulde voor alle mensen de taak die de hogepriester in de Tempel in Jeruzalem op de grote verzoendag voor heel het volk Israël vervulde. Door de gebeden en rituelen op die grote verzoendag kreeg het volk de gelegenheid weer helemaal opnieuw te beginnen met de Tora en met de God die hen de leer van heb Uw naaste lief als Uzelf had geschonken. Zo mogen wij ook elke dag weer opnieuw beginnen, ook vandaag weer.

 

Langs velerlei wegen

Hebreeën 1:1-9

1 Op velerlei wijzen en langs velerlei wegen heeft God in het verleden tot de voorouders gesproken door de profeten; 2 nu, aan het einde van de tijd, heeft Hij tot ons gesproken door zijn Zoon, die Hij heeft aangesteld als erfgenaam van alles wat bestaat, en door wie Hij het heelal geschapen heeft. 3 Hij straalt Gods luister uit, Hij is zijn evenbeeld, met zijn machtig woord draagt Hij alles wat bestaat. Hij heeft, na de reiniging van de zonden te hebben voltrokken, plaatsgenomen aan de rechterzijde van Gods hemelse majesteit, 4 ver verheven boven de engelen omdat Hij een eerbiedwaardiger naam geërfd heeft dan zij. 5 Tegen wie van de engelen heeft God immers ooit gezegd: ‘Jij bent mijn Zoon, Ik heb Je vandaag verwekt’? Of: ‘Ik zal een vader voor Hem zijn, en Hij voor Mij een zoon’? 6 En verder zegt Hij als Hij de eerstgeborene de wereld binnenleidt: ‘Laten al Gods engelen Hem aanbidden.’ 7 Over de engelen zegt God: ‘Hij maakt zijn engelen tot windvlagen, en zijn dienaren tot een vlammend vuur.’ 8 Maar tegen de Zoon zegt Hij: ‘God, uw troon houdt stand tot in alle eeuwigheid, en de scepter van het recht is de scepter van uw koningschap. 9 Gerechtigheid hebt U liefgehad en onrecht gehaat; daarom, God, heeft uw God U gezalfd met vreugdeolie, als enige uit uw kring.’ (NBV21)

Vandaag beginnen we een preek te lezen. En we doen de preek eigenlijk onrecht door die in stukjes te knippen en elke dag een stukje van die preek te lezen. Van wie die preek is weten we niet. Vroeger dacht men dat de preek van Paulus was maar dat is niet zo. Je hoeft deze preek overigens niet hardop voor te lezen om die te begrijpen want deze preek is niet voor het voorlezen gemaakt maar voor het lezen, de hele preek is zorgvuldig als een pamflet opgebouwd. De preek heeft als opschrift “Hebreeën” Dat is een andere naam voor de Joden en het betekent dat je goed op de hoogte moet zijn met de Hebreeuwse Bijbel wil je de preek begrijpen. Doel van de preek is dan ook duidelijk te maken wat de verhouding is tussen Jezus van Nazareth en alles wat in de Hebreeuwse Bijbel werd beschreven. In elke geval wordt in die Hebreeuwse Bijbel, wij noemen dat Oude Testament, beschreven dat er één God is die je mag aanbidden en dat je in elk geval geen mens moet aanbidden. Vraag is dan hoe dat zit.

Dat deze preek voor de Hebreeën in het Nieuwe Testament, de Christelijke Bijbel terecht is gekomen is niet zo vreemd. In de eerste Christelijke gemeenten werd elke week uit de Hebreeuwse Bijbel gelezen. In die verhalen herkende men het woord en het werk van de Messias, de bevrijder, de Christus. Je samen bezig houden met een preek als deze voor de Hebreeën zal veel mensen geholpen hebben bij het begrijpen van wat ze lazen. De verklaring van de Hebreeuwse Bijbel en het daaruit leren over Jezus van Nazareth was voor Christenen erg belangrijk. Denk maar aan die twee mannen die op de Paasdag naar Emmaüs liepen en onderweg uitgelegd kregen uit de Hebreeuwse Bijbel waarom de Messias moest lijden en sterven en na drie dagen uit de dood opstaan. Denk ook maar eens aan de diaken Filippus die op zijn weg naar Samaria een Moorse kamerling ontmoet die in het boek van de profeet Jesaja zit te lezen en hem vervolgens uitlegd wat daar bedoeld wordt. De kamerling laat zich uiteindelijk dopen.

In het eerste hoofdstuk dat we vandaag lezen gaat het gelijk over de betekenis van Jezus van Nazareth. Welke plaats neemt hij in onder de hemelse figuren. Over die figuren, engelen en zo, was buiten de Hebreeuwse Bijbel een hele literatuur ontstaan, het een nog fantastischer dan het andere. Maar over engelen wordt ook in de Hebreeuwse Bijbel gesproken. Zij brengen goddelijke boodschappen aan de mensen en zij vereren de God van Israël in zijn woonplaats. We zeggen dan de hemel maar daar wordt de bescherming mee bedoeld die God boven de aarde heeft gezet. Iets anders dan de blauwe lucht die we zien dus. Die engelen zijn dienaren van God, zoals mensen dienaren van God kunnen zijn. Maar de Messias is de Zoon van God, die zit naast de God van Israël op zijn troon. Door hem heeft de God van Israël direct tot mensen gesproken, in woord en in daad, daarmee is hij meer dan de profeten. Voor ons is die daad zeer belangrijk, het onvoorwaardelijk houden van mensen zelfs door de dood heen is voor ons na te volgen in zijn Geest. Daar mogen we elke dag opnieuw mee beginnen, ook vandaag weer.