Zuiver en heilig

1 Tessalonicenzen 3:1-13

1-2 Omdat we het niet langer uithielden, besloten we Timoteüs naar u toe te sturen, onze broeder en Gods medewerker in de verkondiging van het evangelie van Christus. Zelf bleven we in Athene achter. Timoteüs moest u sterken en aanmoedigen in uw geloof, 3 zodat u zich niet uit het veld zou laten slaan door de tegenspoed die u ondervindt. U weet tenslotte zelf dat wij die moeten ondergaan. 4 Toen we bij u waren, hebben we u al gezegd dat ons tegenspoed te wachten stond; die is dan ook gekomen, zoals u ondervonden hebt. 5 Ik heb Timoteüs dus gestuurd omdat ik het niet langer kon uithouden. Ik wilde weten of uw geloof standhield, want ik was bang dat de verleider u had verleid en onze inspanningen voor niets waren geweest. 6 Maar nu is Timoteüs teruggekomen met het goede bericht over uw geloof en liefde. Hij heeft ons bovendien verteld met hoeveel respect u altijd over ons spreekt en hoe u er even vurig naar verlangt ons te zien als wij u. 7 Daardoor, broeders en zusters, zijn we over u gerustgesteld. In al onze nood en ellende voelen we ons gesterkt door uw geloof, 8 want nu opnieuw blijkt dat u standvastig bent in de Heer, leven we weer op. 9 Kunnen we God ooit genoeg voor u danken, voor alle vreugde die u ons schenkt ten overstaan van onze God? 10 Wij bidden dag en nacht met volle overgave dat we u weer zullen zien en kunnen aanvullen wat er nog aan uw geloof ontbreekt. 11 Mogen God, onze Vader, en onze Heer Jezus ons pad naar u leiden. 12 Moge de Heer uw liefde voor elkaar en ieder ander groter maken, zodat uw liefde even overvloedig wordt als onze liefde voor u. 13 Moge de Heer u door die liefde kracht geven, zodat u zuiver en heilig voor onze God en Vader zult staan wanneer onze Heer Jezus komt met al zijn heiligen. Amen. (NBV21)

Die jonge gemeenten hadden het niet gemakkelijk. Steeds kwamen er mensen langs die de baas wilden zijn en deden of zij de wijsheid in pacht hadden. Omdat de schrijvers van de brief zelf inmiddels elders aan het werk waren konden ze zelf niet naar Salonici terug gaan. Ze besloten Timoteüs te sturen om de gemeente een hart onder de riem te steken. En Timoteüs was teruggekomen met goede berichten. Het gaat goed met dat kleine groepje mensen van de weg, zo heette de beweging, in Tessalonica, Noord Griekenland, dat deel van Griekenland dat tot op de dag van vandaag Macedonië wordt genoemd. In dit oudste geschrift uit het Nieuwe Testament worden die goede berichten ook opgesomd. Ze willen elkaar graag weerzien, Paulus en zijn gezelschap en de groep gelovigen waar de brief aan gericht is. Maar waarom dan, wat is er zo bijzonder? Aan het eind blijkt het pas, de liefde voor elkaar en voor ieder ander groeit daar, die groeit zo groot dat die dezelfde afmetingen aanneemt als de liefde tussen zielsverwanten. De liefde voor elkaar is nog voor te stellen en dat die mensen van Paulus houden, omdat die ze tot de groep gemaakt heeft die ze zijn, is ook nog voorstelbaar maar hoe zit het met die “Liefde voor ieder ander”.

Er wordt zo gemakkelijk overheen gelezen maar in een stad als Tessalonica met vele tempels en vele religies is die Christelijke gemeente wel een heel erg vreemde club. Daar is geen godenbeeld. Ze hebben geen tempel en zijn ook niet van plan er één te bouwen, ze hebben geen Priesters die het exclusieve recht hebben tussen de gelovigen en de godheid te bemiddelen. De aanbidding van hun God gaat zelfs niet om henzelf. Ze zoeken geen eer en geen roem, ze maken geen reclame, ze pretenderen niet dat ze alles kunnen oplossen, ze helpen alleen maar. Ze tonen belangstelling voor zieken, voor slaven, voor armen, voor hongerigen, voor mensen die geen kleding hebben en zich niet kunnen tonen, voor vreemdelingen die geen thuis hebben, ze troosten de stervenden en de bedroefden. Onder mensen in nood en onder de armen van de stad groeit hun reputatie. Ze zijn eerlijk en nergens op uit. Het is als een godsdienst zonder God. Ze hebben niet alleen geen beeld om te aanbidden, ze mogen zelfs geen beeld van hun God maken, niet in steen, of hout, of edelmetaal of edelsteen, maar zelfs ook niet woord.

Alleen hun daden drukken uit wat hun geloof is, dat is die liefde voor ieder ander. Ze hebben zelfs hun vijanden lief. In de loop van de geschiedenis zijn wij veel van de positie van de gemeente in Tessalonica kwijt geraakt. Wij hebben onze kerkgebouwen, onze priesters en dominees, onze gerespecteerde plaats in de samenleving. Maar zijn we het zicht op de hongerigen en de dorstigen, de naakten en de ontheemden, de gevangenen en de zieken niet een beetje kwijtgeraakt? De vreemdelingen onder ons kunnen onweersproken en ongestraft apart worden gezet. Zelfs een bijbeltiendaagse over het thema vreemdelingen maakte niet de tongen los en zette niemand in beweging. Alleen de vluchtelingen die bijna lopend naar hier zijn gekomen en de reis over de Middellandse zee hebben overleefd werden massaal geholpen, maar mogen inmiddels op onze kosten wegrotten in helse kampen in Griekenland. Zou Paulus vandaag toch aan ons kunnen schrijven dat wat we vandaag lezen over de mensen in Salonici? Het respect voor kerken in de samenleving is zo ver gezonken dat een kerkasiel voor hier gewortelde kinderen inmiddels al twee jaar moet duren.

Onze hoop en vreugde

1 Tessalonicenzen 2:13-20

13 Wij danken God dan ook onophoudelijk dat u zijn woord, dat u van ons ontvangen hebt, niet hebt aangenomen als een boodschap van mensen, maar als wat het werkelijk is: het woord van God, dat werkzaam is in u, die gelooft. 14 Het is u, broeders en zusters, immers net zo vergaan als Gods gemeenten in Judea die Christus Jezus toebehoren. U hebt even zwaar onder uw stadsgenoten geleden als zij onder de Joden. 15 Die hebben de Heer Jezus en de profeten gedood en ons tot het uiterste vervolgd. Ze zijn God niet welgevallig en keren zich tegen alle mensen, 16 omdat ze ons beletten andere volken bekend te maken hoe ze kunnen worden gered. De maat van hun zonden raakt nu vol, en Gods veroordeling is ten volle over hen gekomen. 17 Broeders en zusters, nu wij voor korte tijd van u gescheiden zijn bent u wel uit het oog, maar niet uit het hart, en omdat we zo naar u verlangden hebben we ons alle moeite gegeven u te zien. 18 We stonden dan ook meer dan eens op het punt naar u toe te komen-ik, Paulus, niet in de laatste plaats-,maar Satan heeft het ons belet. 19 Want wie is onze hoop en vreugde? Wie is onze erekrans wanneer we voor Jezus, onze Heer, staan bij zijn komst? Wie anders dan u? 20 Ja, u bent onze eer en vreugde. (NBV21)

We lezen vandaag een stuk uit de Bijbel dat ons in de eerste plaats leert hoe gevaarlijk het is om teksten uit de Bijbel uit hun verband te halen en uit te leggen zonder de rest van de Bijbel er bij te betrekken. Als je dat namelijk niet doet dan lijkt het of Paulus hier alle Joden beschuldigd van Godsmoord omdat zij er toe hadden aangezet dat de Romeinen Jezus van Nazareth aan het kruis moesten nagelen. We laten zo buiten beschouwing was Paulus verder over Joden gezegd heeft en dat hij zelf Jood was, Dat zijn medeschrijvers ook Joden waren en dat, misschien nog het belangrijkste, een groot deel van de Christelijke gemeente Joods was. Dat we zo zijn gaan denken komt misschien omdat religieuze bewegingen in het algemeen al snel bij de borstkloppers gaan behoren, zij hebben de waarheid in pacht gekregen en de anderen moeten zich daarbij aanpassen. In Christelijke kerken wordt het nog al eens voorgesteld of de Christelijke kerk, die veel later uiteen zou vallen in kerkgenootschappen, zich van haar Joodse wortels afscheidde op het Pinksterfeest dat in het boek Handelingen werd beschreven.

Niets is minder waar. Het heeft waarschijnlijk eeuwen geduurd voor er een Rabbijns Jodendom en een Christendom als helder te onderscheiden religieuze stromingen waren ontstaan. Binnen het Jodendom zoals dat in de dagen van Paulus nog bestond woedde een felle discussie. Wie of wat was nu het ware Jodendom? Waren dat de vele messiassen die een gewelddadige opstand tegen de Romeinen preekten? In de Bijbel kennen we dan Bar Abbas als strijder tegen Romeinen en die werd verkozen boven de naar vrede strevende Jezus van Nazareth. Maar er waren ook Essenen die zelfs de woestijn introkken om maar niet besmet te worden met invloeden uit het Heidendom. Daarnaast en daartussen waren er Christenen die bijeen kwamen om uit de Griekse vertaling van de Hebreeuwse Bijbel te lezen, verhalen te vertellen over Jezus van Nazareth en waar ook Heidenen welkom waren om mee te doen.

Centraal stond bij deze jonge gemeenten een innerlijk Christendom, al je handelingen in de samenleving moesten in overeenstemming gebracht kunnen worden met de opdracht van God je naaste lief te hebben als jezelf. Op een andere plaats schrijft Paulus dat hij wil dat Gods opdracht in je hart gebeiteld zou worden. Hij grijpt daarbij ook terug op de profeten die hetzelfde al hadden geschreven. Zo waren de jonge Christelijke gemeenten klem komen te zitten tussen hun eigen Heidense omgeving die hen vroeg offers te blijven brengen aan de Heidense goden en de Joodse ijveraars die wilden dat bekeerde Heidenen alle regels uit de Tora naar de letter zouden uitvoeren. Wij leven al eeuwen na de scheiding die zich heeft voltrokken. Toch dienen we dezelfde God en wat we lezen in de Bijbel lezen we op basis van de Hebreeuwse Bijbel. Joden Godsmoordenaars noemen is dus zeer sterk te verwerpen. Als je dat doordenkt dan zou Jezus van Nazareth zelfmoord hebben gepleegd. Niet de Joden zijn verantwoordelijk voor het kwaad in de wereld, maar alle mensen, wij net zo goed en slecht als de anderen. Pas het volgen van de weg van de God van Israël in liefde kan ons daarvan bevrijden. God zij ons daartoe genadig.

 

Een dekmantel voor hebzucht

1 Tessalonicenzen 2:1-12

1 U weet zelf, broeders en zusters, dat ons bezoek aan u niet tevergeefs is geweest. 2 Ondanks de mishandelingen en beledigingen die wij, zoals u bekend is, in Filippi te verduren hadden, vonden we in vertrouwen op onze God de moed u bekend te maken met zijn evangelie. Daarvoor hebben we ons tot het uiterste ingespannen. 3 Onze oproep berust niet op een dwaling, op oneerlijkheid of bedrog. 4 Wij spreken alleen omdat God ons daartoe waardig heeft gekeurd en ons het evangelie heeft toevertrouwd-niet om mensen te behagen, maar God, die ons hart doorgrondt. 5 U weet dat we u nooit naar de mond hebben gepraat en dat onze woorden nooit een dekmantel voor hebzucht waren. God is onze getuige. 6 We hebben ook niet geprobeerd de gunst van mensen af te dwingen, niet bij u en niet bij anderen. 7 Hoewel we ons als apostelen van Christus hadden kunnen laten gelden, zijn we u tegemoet getreden met de tederheid van een voedster die haar kinderen koestert. 8 Vanuit die genegenheid voor u waren we niet alleen bereid u te laten delen in Gods evangelie, maar ook in ons eigen leven. Zo dierbaar was u ons geworden. 9 U herinnert u, broeders en zusters, hoe we ons hebben ingezet en ingespannen, hoe we dag en nacht hebben gewerkt om niemand van u tot last te zijn. Op die manier hebben we u het evangelie van God verkondigd. 10 U kunt getuigen, net als God zelf, hoe toegewijd, hoe oprecht en zuiver we bij u, die tot geloof gekomen bent, hebben geleefd. 11 U weet dat we voor ieder van u waren als een vader voor zijn kinderen. 12 We hebben u aangespoord en bemoedigd en u op het hart gedrukt zo te leven dat u eer bewijst aan de God die u roept tot zijn koninkrijk en luister. (NBV21)

Er is in Tessalonica een bloeiende gemeente ontstaan. Altijd zijn er mensen die van zo’n succes misbruik willen maken. Ze willen wel een graantje meepikken van het enthousiasme van de nieuw ontstane beweging. Ze willen zelfs wel boegbeeld worden van die nieuwe beweging, als het maar genoeg oplevert. In de dagen dat er nog kamerleden waren die partijgenoten voordroegen voor het burgermeesterschap gebeurde het wel dat een succesvolle kleine partij overspoeld werd door mensen die namens die partij wel ergens burgemeester wilden worden. Ze waren best bereid daarvoor lid te worden van die partij. Gelukkig maar dat tegenwoordig gemeenteraden de nieuwe burgemeester voordragen na een uitgebreide sollicitatieprocedure. Maar nieuwe partijen merken na een succes in verkiezingen telkens weer dat er mensen waren die zich hadden aangesloten om hun eigen belang te dienen. Het is dus heel wel denkbaar dat ook de nieuwe gemeente in Tessalonica werd bezocht door mensen die de gemeente wel wilden helpen maar die zichzelf eigenlijk nog het beste wilden helpen.

Het driemanschap dat de brief heeft geschreven roept nog eens in herinnering hoe ze zichzelf hadden opgesteld bij de ontwikkeling van de nieuwe gemeente. Paulus had er gewerkt, Timoteüs had er later een korte tijd gewerkt en Silvanus had in de omgeving gewerkt. Van Paulus is bekend dat hij zich er op voor liet staan riemensnijder of tentenbouwer te zijn en daarmee voor zijn eigen brood wist te zorgen. Nergens wilde hij afhankelijk zijn van de gemeente waarvoor hij werkte. Niet dat hij er op tegen was als apostelen door een gemeente in leven werden gehouden, sommige van die apostelen namen ook hun gezin mee, maar het moest niet het uitgangspunt zijn voor het werk in de gemeente. Voorgangers die rijk worden van hun werk in de gemeente waren voor de briefschrijvers dan ook ondenkbaar. Voor ons niet. Het succes dat sommige voorgangers hebben wordt afgemeten aan de bereidheid van gelovigen om hen geld te geven. Misschien moeten we in zulke gevallen zeggen dat hoe rijker een voorganger van zijn werk is geworden, hoe verder zijn boodschap van de Bijbel afstaat.

De brief was begonnen met het compliment dat de gemeente in Tessalonica een voorbeeld was voor andere gemeenten in de omgeving. Nu stellen de briefschrijvers zich als voorbeeld voor de leidinggevenden die zich bij de gemeente aandienen. Zijn die nieuwe leidinggevenden als vaders voor hun kinderen? Welke vader laat zijn kinderen voor zijn eigen inkomen en welvaart werken? Het gaat ook vandaag in de Christelijke gemeente niet om eer voor kerkleden of voorgangers. Het gaat nog steeds om de eer van de God van Israël. In Tessalonica hadden ze geleerd dat de God van Israël bij de armen en onmondigen was, dat het onderscheid tussen slaven en vrijen was weggevallen en dat het niet alleen mannen waren die in de gemeente mee mochten praten. Een gemeente als in Tessalonica liet zien dat die verwarrende samenleving met al die verschillende mensen die elkaar ook vaak niet konden verstaan, omgesmeed kon worden in een liefhebbende gemeenschap, waar mensen voor elkaar zorgden, waar hongerigen gevoed werden en zieken verzorgd. Die manier van gemeente zijn is zo aantrekkelijk dat uiteindelijk iedereen daaraan mee zal willen doen, ook vandaag nog.

 

Een voorbeeld

1 Tessalonicenzen 1:1-10

1 Van Paulus, Silvanus en Timoteüs. Aan de gemeente in Tessalonica, die toebehoort aan God, de Vader, en de Heer Jezus Christus. Genade zij u en vrede. 2 Wij danken God altijd voor u allen: wij noemen u onophoudelijk in onze gebeden 3 en brengen dan ten overstaan van onze God en Vader in herinnering hoeveel uw geloof tot stand brengt, hoe krachtig uw liefde is en hoe standvastig u blijft hopen op de komst van onze Heer Jezus Christus. 4 God heeft u lief, broeders en zusters. Wij weten dat Hij u heeft uitgekozen: 5 onze verkondiging aan u overtuigde immers niet alleen door onze woorden, maar ook door de overweldigende kracht van de heilige Geest. U weet hoeveel we voor u hebben betekend toen we in uw midden waren. 6 U hebt ons nagevolgd, en daarmee de Heer: onder zware beproevingen hebt u de boodschap van het evangelie ontvangen met de vreugde van de heilige Geest. 7 Zo bent u een voorbeeld geworden voor alle gelovigen in Macedonië en Achaje. 8 Want het woord van de Heer heeft zich vanuit uw gemeente niet alleen in Macedonië en Achaje verspreid, uw geloof in God vindt ook weerklank buiten die gebieden. Wij hoeven daarover niets te vertellen; 9 iedereen praat erover hoe wij door u zijn ontvangen en hoe u zich van de afgoden hebt afgewend om u tot God te keren-om Hem, de levende en ware God, te dienen 10 en om uit de hemel zijn Zoon te verwachten, die Hij uit de dood heeft doen opstaan: Jezus, die ons redt van het komende oordeel. (NBV21)

Vandaag beginnen we te lezen in de brief aan de Tessalonicenzen, de eerste brief die onder dit adres in het Nieuwe Testament is opgenomen. De Tessalonicenzen woonden in de stad die tegenwoordig Salonica heet, in Griekenland dus. Het moet een welvarende stad zijn geweest. Een havenstad op de route van Rome naar Turkije. Het begin van de brief is een begin zoals dat in vele brieven uit de eerste eeuw na het begin van de jaartelling is aangetroffen. Niet alleen brieven van Christelijke hand maar ook in veel andere brieven. De schrijvers worden genoemd en de geadresseerde wordt gegroet. Dan wordt de godheid gedankt dat de geadresseerde nog steeds in staat was de brief te lezen. Als schrijvers van de brief worden Paulus, Silvanus en Timoteüs genoemd. De brief is gericht aan de gemeente van God de vader en de Heer Jezus Christus. De term gemeente staat hier voor een samengeroepen vergadering van vrije burgers. Zulke vergaderingen werden regelmatig door een stadsbestuur bijeen geroepen om zaken te regelen en wetten vast te stellen.

Maar het gaat in deze brief niet om de burgers van een stad maar om de burgers van een nieuw Koninkrijk. De term “Heer” is immers de term waarmee de Romeinse keizers werden aangeduid. Het gaat hier dus om burgers van een ander rijk. Het rijk waar Jezus Christus de Heer van was. En dan is een vergadering van vrije burgers gelijk ook een bijzondere aanduiding. Het is namelijk helemaal niet gezegd dat de vrije burgers in het rijk van Christus ook gelijk vrije burgers in het Romeinse Rijk waren. Tessalonica was een stad met mensen uit zeer veel landen. Vrije mensen en slaven. Er was ook een synagoge in de stad. Aan de manier waarop over de gemeente wordt geschreven mag men afleiden dat de diversiteit in de stad ook weerspiegeld werd in de diversiteit van de gemeente. Daar waren slaven en vrijen dus gelijk, vrijgekocht door Jezus Christus heet het dan. Dat was revolutionair en riep begrijpelijkerwijs het nodige verzet op. De economie van het Romeinse Rijk was op slaven gebaseerd. Slaven konden tot hoge uitvoerende bestuurlijke functies komen. Soms werden ze als beloning voor bewezen diensten vrijgelaten. Maar een vrijgelaten slaaf was nooit een ondermijning van de maatschappelijke orde want een gelijkheid met vrijen ontstond er niet.

De termen die worden gebruikt om de gemeente in Tessalonica te beschrijven en die zijn ontleent aan de gebruikelijk politieke en bestuurlijke gang van zaken wijzen er al op dat er hier iets bijzonders gebeurde. Niet de bestaande samenleving was het voorbeeld dat moest worden gevolgd maar er was werkelijk iets nieuw gebeurd. In Tessalonica was een groep mensen verenigd die de liefde voor mensen voorop stelde. Zij volgde de God van Israël staat er, denk dan gerust aan de Tora, de regels voor de menselijke samenleving en zij schaarden zich onder het voorbeeld van Jezus van Nazareth. Die was hun Heer, die had dus de regels vastgesteld die door de gemeente in Tessalonica werden gevolgd. Of ze het verhaal over de Bergrede al kenden weten we niet, het staat niet in het gedeelte dat we vandaag lezen, maar dat de liefde centraal stond en ze een voorbeeld waren voor gemeenten die later waren ontstaan wijst er op dat er een voorbeeldgemeente was ontstaan waar de gezindheid die uit de Evangeliën spreekt een duidelijke prominente plaats had. Zo’n voorbeeld gemeente zou niet als slecht worden beoordeeld bij de wederkomst van Jezus. De vraag aan ons die hier wordt gesteld is natuurlijk of onze plaatselijke kerken ook zulke voorbeeldgemeenten zijn en hoe er over ons geoordeeld zou worden. Dat oordeel is niet aan ons, maar dat werken aan het worden van een lichtend licht in de samenleving is wel aan ons. Aan hen ligt de vraag voor hoeveel statushouders kunnen en willen ze huisvesten voor een korte periode.

 

De HEER is uw heerser.

Rechters 8:22-32

22 De Israëlieten zeiden tegen Gideon: ‘U hebt ons bevrijd uit de greep van Midjan. Wees daarom onze heerser, en na u uw zoon, en de zoon van uw zoon.’ 23 Maar Gideon antwoordde: ‘Ik zal uw heerser niet zijn, en mijn zoon zal uw heerser niet zijn, want de HEER is uw heerser. 24 Maar ik wil u iets anders vragen: laat ieder mij een ring
geven uit de buit die hij op de Midjanieten heeft behaald.’ (Deze afstammelingen van Ismaël droegen hun rijkdommen immers in de vorm van gouden sieraden bij zich.) 25 ‘Maar natuurlijk!’ antwoordden ze, en er werd een mantel uitgespreid waarin iedereen een ring wierp. 26 De gouden ringen die hij van de Israëlieten ontving wogen samen wel zeventienhonderd sjekel. Daar kwamen dan nog bij de gouden maantjes en oorringen en de purperen mantels van de Midjanitische koningen, en de halssieraden van hun dromedarissen. 27 Gideon liet van dit alles een priestergewaad maken. Hij gaf het een plaats in Ofra, waar heel Israël het als een afgod kwam vereren. Dit zou uiteindelijk leiden tot de ondergang van Gideon en zijn familie. 28 Midjan kwam de nederlaag niet meer te boven en moest het hoofd buigen voor Israël. Onder Gideon had het land veertig jaar rust. 29 Gideon zelf, de zoon van Joas, die ook wel Jerubbaäl wordt genoemd, ging weer in Ofra wonen. 30 Hij verwekte zeventig zonen, want hij had vele vrouwen. 31 Van zijn bijvrouwen woonde er een in Sichem. Ook zij schonk hem een zoon, en die gaf hij de naam Abimelech. 32 Gideon, de zoon van Joas, stierf in gezegende ouderdom. Hij werd bijgezet in het graf van zijn vader Joas in Ofra, waar de afstammelingen van Abiëzer wonen. (NBV21)

Natuurlijk keek iedereen tegen Gideon op. Je zult maar een leger hebben verslagen dat ongeveer 100 keer groter was. Een leger van een vijand die jaar op jaar de oogst kwam roven. Een leger zo sterk en machtig dat het volk trucs ging verzinnen om toch wat te eten over te houden. Rotsspleten en spelonken werden geliefde plaatsen om voedsel te verbergen. Gideon zelf stond het graan te dorsen in een wijnpers. En pas midden in de nacht durfde hij het altaar van Baäl te slopen en de paal van Asjeera om te hakken. Zelfs toen de vijand op de vlucht was geslagen durfden de stedelingen hem niet te eten te geven. Toch wil Gideon geen koning worden. Er is immers maar één machthebber en dat is God zelf, zoals er maar één regel is: heb God lief boven alles en het tweede daaraan gelijk is heb je naaste lief als jezelf.

Het kan niet vaak genoeg worden herhaald want macht is zo verleidelijk. Of het nu in het groot is of in het klein, een monumentje wil iedereen wel voor zichzelf opgericht zien. Ook Gideon ontkomt niet helemaal aan de verleiding als hij een deel van de oorlogsbuit vraagt om er een standbeeld van de laten maken waar het volk eer aan kan gaan bewijzen. Maar het volk had veertig jaar rust. Gideon nam het er overigens wel van alsof hij een koning was. Hij had kennelijk een grote harem met zeventig zonen want hij had vele vrouwen staat er. Niet zo heel vreemd na een oorlog trouwens want dan plegen er nogal wat mannen te sneuvelen. En er was de plicht om voor je familie te zorgen, om te zorgen ook dat weduwen weer nageslacht kregen die voor hen konden zorgen. We komen ooit nog wel eens het boek Ruth te lezen dat daarover gaat.

Het is dan ook geen wonder dat één van die vrouwen haar zoon de naam Abimelech gaf. Dat betekent “Mijn vader is koning”. Een dubbelzinnige naam want dat kan natuurlijk net zo goed op Gideon als op God slaan. Abimelech werd dan ook koning, maar ja dat was niet bedoeling en het volk begon weer achter afgoden aan te lopen. We leren het ook nooit lijkt het. Rijkdom en aanzien blijven de overhand houden. Het shownieuws is belangrijker dan de faillissementen. De vuurpijl van André Hazes belangrijker dan in Nederland geboren en getogen  kinderen die door Bart van den Brink dreigen te worden uitgewezen ondanks de gevaren in een voor hen onbekend land. Ook wij hebben de Rechters die ons de juiste richting wijzen hard nodig.

 

Afranselen met doorntakken

Rechters 8:4-21

4 Ook Gideon was dus met zijn driehonderd manschappen de Jordaan overgestoken om de Midjanieten te achtervolgen, hoewel ze de uitputting nabij waren. 5 Daarom vroeg hij aan de burgers van Sukkot: ‘Ik zit Zebach en Salmunna achterna, de koningen van Midjan. Geef mijn soldaten wat te eten, want ze zijn uitgeput.’ 6 Maar het stadsbestuur van Sukkot zei: ‘Waarom zouden wij uw leger te eten geven? Hebt u Zebach en Salmunna soms al in handen gekregen?’ 7 ‘Nee, dat niet,’ antwoordde Gideon. ‘Maar zodra de HEER Zebach en Salmunna aan mij uitlevert, zal ik u komen afranselen met doorntakken en distels uit de woestijn, daar kunt u van op aan!’ 8 Van Sukkot ging hij verder naar Penuel. Hij deed de burgers van Penuel hetzelfde verzoek als hij de burgers van Sukkot had gedaan, en kreeg van hen hetzelfde antwoord. 9 Daarop bedreigde hij ook de burgers van Penuel, met de woorden: ‘Zodra ik ongedeerd terugkeer, zal ik uw toren met de grond gelijkmaken.’ 10 Zebach en Salmunna hadden intussen hun kamp opgeslagen in Karkor. Ze waren met ongeveer vijftienduizend man, meer was er van het leger van de woestijnvolken niet over. Honderdtwintigduizend geoefende krijgslieden waren al gesneuveld. 11 Gideon volgde de nomadenroute ten oosten van Nobach en Jogboha en slaagde erin het kamp van de Midjanieten, die zich veilig waanden, te overrompelen. 12 De beide koningen Zebach en Salmunna probeerden in de algemene verwarring te ontkomen, maar hij haalde ze in en nam ze gevangen. 13 Gideon, de zoon van Joas, keerde via de Cherespas uit de strijd terug. 14 Onderweg kreeg hij een jongen uit Sukkot te pakken. Hij hoorde hem uit en liet hem de namen opschrijven van de oudsten en de leden van het stadsbestuur; het waren er zevenenzeventig. 15 Toen ging hij naar Sukkot en zei: ‘Kijk, hier heb ik Zebach en Salmunna, met wie u mij hebt gehoond door te zeggen: “Waarom zouden wij uw leger te eten geven? Hebt u Zebach en Salmunna soms al in handen gekregen?”’ 16 Hij nam de oudsten gevangen en liet doorntakken en distels uit de woestijn halen. En de burgers van Sukkot hebben het geweten! 17 Ook haalde hij de toren van Penuel omver en doodde hij de inwoners van die stad. 18 Gideon vroeg aan Zebach en Salmunna: ‘Wat waren dat voor mannen die u bij de Tabor hebt gedood?’ ‘Ze zagen er net zo uit als u,’ antwoordden ze. ‘Het leken stuk voor stuk wel koningszonen.’ 19 Toen zei Gideon: ‘Dat waren mijn volle broers, de zonen van mijn eigen moeder. Zo waar de HEER leeft, als u hen toen in leven had gelaten, zou ik u nu niet doden.’ 20 En hij droeg zijn oudste zoon Jeter op: ‘Vooruit, dood ze!’ Maar de jongen trok zijn zwaard niet; hij durfde niet, omdat hij nog zo jong was. 21 Zebach en Salmunna zeiden: ‘Doet u het dan zelf. U bent mans genoeg.’ Toen doodde Gideon hen zelf. De gouden maantjes die de nek van hun dromedarissen sierden nam hij mee. (NBV21)

Geschiedenis verhalen zijn niet altijd even betrouwbaar. Als een leger op de ene plaats verslagen is kan het zijn dat elders nog gewoon gevochten worden. Nu is de Bijbel gelukkig geen geschiedenis. Wie de Bijbel als geschiedenisboek zou lezen zou tot de ontdekking komen dat het verhaal dat we vandaag lezen in de feiten een aantal tegenstellingen heeft met de feiten die in de verhalen hiervoor zijn verteld. Maar die feiten en feitjes zijn voor de boodschap van het verhaal en de boodschap van het verhaal hiervoor niet echt belangrijk. Die boodschappen zijn zo belangrijk dat de schrijvers van de verhalen over Gideon zich niet bekommerd hebben over de verschillen in de verschillende verhalen die je zoal tegenkomt.

Hier hebben we het verhaal over de bewoners van Sukkot en Penuël. Ze moeten kiezen. Worden ze van de hond of van de kat gebeten. Ze wonen in het gebied waar Midjan de baas was. Nu is die baas verslagen door ene Gideon uit Israël. Die kan dan wel heel sterk zijn maar hoe lang zou die het uithouden als sterkste kracht in het hele gebied. Als ze voor hem kiezen komen dan straks de legers van Midjan weer terug en straffen ze hen die voor die Gideon hadden gekozen. Ze kiezen voor de vertrouwde machtsverhoudingen. Tot nu toe was Midjan altijd de sterkste geweest en had vrij in Israël kunnen plunderen zodat Sukkot en Penuël daar een stuk minder last van hadden gehad. De keus lijkt voor de hand te liggen.

Maar Gideon is veroordeeld tot de bloedwraak. Die uit Midjan hadden zijn naaste broers gedood. Net als hij waren het de zonen van zijn vader uit de dezelfde moeder. In een samenleving waar mannen meerdere vrouwen konden trouwen waren er broers en zusters die dichter bij je stonden dan de andere broers en zusters. Als die broers die het dichtst bij je stonden onrechtvaardig gedood waren moest je ook volgens de Tora wraak nemen en de moordenaars doden. Je volk liep gevaar als de moordenaars van je eigen broers vrij konden blijven gaan. De inwoners van Sukkot en Penuël hadden geen respect voor deze rechtsplicht voor Gideon. Zoals zo vaak gaat het in de Bijbel om de keuze tussen recht voor iedereen of het recht van de sterkste. Dat zal ook onze keuzes moeten bepalen. Iedere dag opnieuw.

 

De heftigste verwijten

Rechters 7:23–8:3

23 Gideon liet de weerbare Israëlieten uit Naftali, Aser en Manasse terugroepen om de Midjanieten te achtervolgen. 24 Ook liet hij in heel het bergland van Efraïm de volgende boodschap overbrengen: ‘Ga de Midjanieten tegemoet en snijd hun de pas af door de Jordaanoever te bezetten tot aan Bet-Bara.’ Na deze oproep bezetten de mannen van Efraïm de Jordaanoever tot aan Bet-Bara. 25 Ze overmeesterden Oreb en Zeëb, de beide legeraanvoerders van de Midjanieten. Oreb werd gedood bij de Rots van Oreb, en Zeëb bij de Perskuip van Zeëb. Ze zetten de achtervolging op de Midjanieten in en brachten de hoofden van Oreb en Zeëb naar Gideon, die inmiddels de Jordaan was overgestoken.1 Daarbij zeiden ze: ‘Waarom hebt u ons er niet bij betrokken toen u tegen Midjan ten strijde trok? Dat is toch geen manier van doen!’ Ze maakten hem de heftigste verwijten, 2 maar Gideon antwoordde: ‘Wat ik deed, is toch niets vergeleken bij wat u gedaan hebt? Efraïm heeft de kroon gezet op het werk van Abiëzer. 3 God heeft de beide legeraanvoerders van Midjan, Oreb en Zeëb, aan u uitgeleverd. Daarbij valt alles wat ik heb kunnen doen toch in het niet?’ Toen Gideon de zaak zo voorstelde, bedaarde de woede van de mannen van Efraïm. (NBV21)

We herkennen de situatie. Wie mag met wie mee aan tafel zitten als de plannen voor oorlog en vrede moeten worden gemaakt. Dat gaat meestal niet over de overwinning, over het beperken van doden, maar over de eer. Wie mag pronken met de overwinning over onoverwionnelijk geachte vijanden. Natuurlijk krijgt in de Bijbel God alle eer. Maar tussen de regels door gaat het dan over de vraag wie God meer lief heeft dan de ander en dus meer eer gunt.
Gideon krijgt er mee te maken. Want oorlog voeren met vluchtende soldaten garandeert bijna vanzelf een overwinning.

Gideon was een heel slim legerleider. Hij had de overwinning op het kamp van Midjan verkregen zonder één vijand te hoeven doden. Dat zou tegenwoordig ieder land wel willen. Alleen lawaai maken zou genoeg moeten zijn. Sinds de inzet van kruisraketten hoeven legerleiders een deel van hun troepen niet meer naar een slachtveld te sturen. Vanuit comfortabel ingerichte kantoren worden kruisraketten bestuurd alsof het computerspelletjes zijn. De huidige drones zijn hun opvolgers en duizend drones sturen naar een vijand zorgen voor veel schade en doden bij de vijand terwijl je eigen soldaten buiten schot blijven.

Gideon wijst de kritiek af door te wijzen op de overwinningen die Efraïm had behaald. Zij hadden zich gericht op de soldaten die op de vlucht de Jordaan waren overgestoken. Dat kon niet overal maar op de plaatsen waar het oversteken gemakkelijk was werden de soldaten van Efraïm neergezet en die haalden de overwinning. Zelfs de vorsten van Midjan werden gevangen genomen en dat gaf een aanzienlijke eer. Je kon zelfs een optocht organiseren waar de vorsten nog even werden getoond te midden van de soldaten, en de generaals en koningen die hadden overwonnen. Veel volken vinden dat een mooie eervolle zaak. Dat Gideon had overwonnen zonder te doden blijft dan buiten beschouwing. Misschien moeten wij op zoek naar onze Gideon die de drones weet te overwinnen zonder vijanden, ook mensen, te doden.

Rond het kamp staan

Rechters 7:9-22

9 Die nacht zei de HEER tegen Gideon: ‘Het is zover! Doe een aanval op hun kamp; Ik geef het je in handen. 10 En als je geen aanval durft te wagen, sluip dan met je knecht Pura naar beneden 11 om te horen waar ze het over hebben. Dat zal je moed geven voor de aanval.’ Samen met zijn knecht Pura sloop Gideon tot vlak bij de voorposten van de vijand. 12 De Midjanieten waren met de Amalekieten en nog andere woestijnvolken als sprinkhanen over de vlakte uitgezwermd. Ze hadden zo veel dromedarissen als er zand is op het strand langs de zee. 13 Toen Gideon aankwam, was er juist iemand aan het vertellen wat hij had gedroomd. ‘Wat ik nu toch gedroomd heb!’ zei hij. ‘Een gerstebrood rolde razendsnel rond door het kamp, botste tegen een tent aan en kegelde die omver, zodat hij in elkaar zakte.’ 14 ‘Dat kan niets anders zijn dan het zwaard van de Israëliet Gideon, de zoon van Joas,’ verklaarde zijn kameraad. ‘Dat betekent dat God hem ons met ons hele kamp in handen heeft gegeven.’ 15 Zodra Gideon de droom en de uitleg ervan had gehoord, boog hij zich dankbaar neer. Terug in het kamp spoorde hij de Israëlieten aan: ‘Het is zover! De HEER geeft jullie het kamp van Midjan in handen!’ 16 Hij verdeelde de driehonderd man in drie groepen en gaf ieder van hen een ramshoorn en een lege kruik met een brandende fakkel erin. 17 Toen zei hij: ‘Let goed op wat ik doe. Wanneer ik de voorposten van het kamp ben genaderd, moeten jullie precies hetzelfde doen als ik. 18 Blazen wij, ik en mijn groep, op de ramshoorn, dan moeten jullie ook op je ramshoorn blazen, rond heel het kamp, en schreeuwen: “Voor de HEER en Gideon!”’ 19 Aan het begin van de middelste nachtwake, vlak na de wisseling van de wacht, kwam Gideon met zijn groep van honderd man bij de voorposten van het kamp. Ze bliezen op hun ramshoorns en sloegen de kruiken die ze bij zich hadden aan stukken. 20 Alle drie de groepen bliezen nu op hun ramshoorns en sloegen hun kruiken kapot. Ze hielden hun fakkels in de linkerhand en hun ramshoorns in de rechter en schreeuwden: ‘Te wapen voor de HEER en Gideon!’ 21 Ze bleven rond het kamp staan en brachten de Midjanieten in rep en roer. 22 Terwijl de driehonderd Israëlieten op hun ramshoorns bliezen, liet de HEER de Midjanieten in heel het kamp het zwaard tegen elkaar opnemen, tot ze uiteindelijk op de vlucht sloegen in de richting van Serera, naar Bet-Hassitta, tot aan de rivieroever bij Abel-Mechola, boven Tabbat. (NBV21)

Die Bijbelse helden lijken altijd zo overtuigd van hun gelijk en de hulp die ze krijgen van de God van Israël. Dat komt omdat we twijfel en onzekerheid er zo graag buiten laten. Neem nu dit verhaal over Gideon. Iedereen weet wel dat Gideon met een handvol strijders een strijdmacht versloeg met soldaten ontelbaar als zandkorrels aan de zee. Maar was die Gideon zo zeker van z’n zaak? Het verhaal vertelt dat de God van Israël hem influisterde dat hij dat leger zou kunnen verslaan. Maar geloofde Gideon dat ook? Welnee hij vertrouwde het van geen kant. Gelukkig mocht hij op zoek naar bewijzen voor de overtuiging die hem werd aangepraat. En die bewijzen lagen in de mentaliteit, de overtuiging, van de tegenstander. Dromen bleken te worden uitgelegd als tekenen van ondergang. Een brood dat zich verspreidde over alle soldaten van de vijand van Israël werd ervaren als een molensteen die om de nekken van de tegenstanders werd gehangen. Als men zo bang was dan mocht je toch een overwinning wel verwachten.

Ook wordt er over de Bijbel gesproken als een boek met in het Oude Testament een bundel gruwelijk bloederige verhalen. Maar waar vloeit er bloed in het verhaal van Gideon? Niet in het meest beroemde gedeelte, de aanval met 300 man op het leger van Midianieten, Amelekieten en andere woestijnvolken. Twee kruiken, een hoorn en een fakkel waren genoeg om dat massale leger op de vlucht te jagen. Overwinningen werden in de dagen dat de Bijbel ontstond altijd aan de goden toegeschreven. De God van het volk dat gewonnen had was de sterkste gebleven. Maar wat deed die God eigenlijk? In het verhaal van Gideon bleek dat de goden helemaal niks hoeven te doen. Het gaat om de mensen die moeten geloven dat hun God de sterkste is. De God van Gideon had zijn gelovigen opgedragen niet te doden, het is één van de meest vreemde van de 10 geboden. Dat gebod volgden de soldaten na. Lawaai maken, jezelf durven te laten zien, dat waren de wapens van de bende van Gideon. En omdat de soldaten zelfs het brood van de Israëlieten als een bedreiging waren gaan zien kreeg deze Gideonsbende de overhand.

Zoals in de onafhankelijkheidsoorlog Amerikaanse boeren de goed geoefende troepen van de Engelse Koning naar de Golf van Mexico joegen verdreven de 300 soldaten van Gideon de troepen van de woestijnvolken tot over de Jordaan terug de woestijn in. In Amerika zingen ze nog steeds over die dappere boeren die hun onafhankelijkheid wisten te veroveren op het machtige Engelse Rijk. Zo klinkt het verhaal over Gideon en zijn bende nog steeds als bemoediging voor onderdukte volken die hun vrijheid willen krijgen. Ook in ons land klinkt de roep om een streep te trekken tegen de opvreters en uitbuiters. Speculanten op de beurzen worden steeds rijker terwijl de armen in ons land de broekriem moeten aantrekken en gepensioneerden beroofd worden van hun pensioenen. Tot wanneer blijven we dat tolereren, tot wanneer blijven we een onmenselijk vreemdelingenbeleid tolereren dat kinderen hier laat opvoeden en dan stuurt naar landen waar ze geen enkele band mee hebben kunnen krijgen. Wanneer slaan wij onze kruiken tegen elkaar en roepen we om de rechtvaardigheid waartoe de God van Israël ook ons volk heeft opgeroepen?

Driehonderd man

Rechters 7:1-8

1 De volgende morgen vroeg sloeg Jerubbaäl, Gideon dus, met zijn troepen zijn kamp op bij de Charodbron. De Midjanieten lagen iets noordelijker, in de vallei aan de voet van de More. 2 Toen zei de HEER tegen Gideon: ‘Het leger dat je bij je hebt is te groot. Ik lever de Midjanieten niet aan jullie uit, want Ik wil niet dat Israël zich erop beroemt dat het zich op eigen kracht heeft bevrijd. 3 Maak daarom bekend dat iedereen die bang is, kan vertrekken en via het bergland van Gilead terug naar huis kan gaan.’ Daarop vertrokken tweeëntwintigduizend man; tienduizend bleven er over. 4 Maar de HEER zei tegen Gideon: ‘Het leger is nog steeds te groot. Laat je manschappen naar het water gaan, daar zal Ik voor jou een keus uit hen maken. Ik zal je zeggen wie er met je mee moeten gaan en wie niet.’ 5 Gideon liet de mannen naar het water gaan, en de HEER zei tegen hem: ‘Degenen die het water met hun tong oplikken, zoals honden doen, die moet je apart zetten van degenen die knielen om te drinken.’ 6 Driehonderd man likten het water op met hun tong, de overigen knielden om te drinken en schepten het water op met hun hand. 7 ‘Met die driehonderd man die het water met hun tong oplikten, zal Ik jullie bevrijden,’ zei de HEER tegen Gideon. ‘Door hun toedoen zal Ik Midjan aan je uitleveren. De rest van het leger kan naar huis terugkeren.’ 8 Gideon hield dus alleen die driehonderd man bij zich en stuurde de rest van de Israëlieten weg, elk naar zijn eigen woonplaats. Maar eerst had hij hun proviand overgenomen, en al hun ramshoorns. Het kamp van de Midjanieten lag beneden hem, in de vallei. (NBV21)

Wie op de derde dinsdag van september die hele stoet vrome en keurige politici hoorde uitleggen dat het volgend jaar met de rijken beter gaat en met de armen niet slechter, zinkt de moed in de schoenen als je er aan denkt hoe je van dit land werkelijk een rechtvaardige samenleving kan maken. Ramspoed bedreigt ons, De oorlog in Oekraïne woedt voort en Amerika beperkt de import van goederen en diensten en wil de export opdrijven. Als we nu eerlijk delen lopen we de kans straks niet meer tot de allerrijkste landen op de wereld te horen. Die boodschap klinkt boven alles uit, zeker boven de zelfgenoegzaamheid van de politici. De armen in het land gaan er volgend jaar dus echt op achteruit. De maatregelen die het kabinet neemt zijn toch al alleen voor de rijken fors beter.

Zelfs de rijken in het buitenland die in Nederland een deel van hun vermogen hebben belegd. Een rechtvaardige verdeling noemen ze dat. Net als de ziektekosten. Mensen moeten volgens jaar fors meer betalen, allemaal hetzelfde meer en dat is voor de mensen met de laagste inkomens een grotere hap uit hun inkomen dan voor de mensen met de hogere inkomens. Om de gezondheidszorg voor de rijken betaalbaar te houden moeten de armen dus bijpassen. Van een systeem van betalen naar draagkracht kan voor deze regering geen sprake zijn. Gelukkig hebben we vandaag het verhaal van Gideon die ook een vijand moest bestrijden. Een vijand die als een sprinkhanenzwerm het volk kwam beroven. Niets bleef er over van de oogst waarvoor ze zo ijverig hadden gezorgd.

Gideon mocht er op vertrouwen dat slechts een handvol toegewijde mensen genoeg was om de bedreiging af te wenden. Volgend jaar zijn er verkiezingen voor de Provinciale Staten en daarmee ook voor de Eerste Kamer. We weten nu al welke staten, welke gedeputeerden, goed weten te zorgen voor de armen in de provincie. Die zorgen dat jongeren niet in koude buurten hoeven rond te hangen, dat de uitkeringen op peil zijn en de scholen in aantrekkelijke gebouwen zijn gehuisvest. En als maar een handvol mensen blijven vragen wat de partijen van plan zijn met de armsten in de provincie, met de zieken en gehandicapten, met de ouderen, met de vreemdelingen en de vluchtelingen dan veranderd het vanzelf. Als door een gerstebrood rollend van de berg zal dan ook dit kabinet weggevaagd worden of tenminste haar keus voor de rijken moeten stoppen.

 

Ik wil graag weten

Rechters 6:33-40

33 Weer sloten de Midjanieten, de Amalekieten en andere woestijnvolken uit het oosten zich aaneen. Ze staken de Jordaan over en sloegen hun tenten op in de vallei van Jizreël. 34 Toen kwam de geest van de HEER over Gideon. Hij blies op de ramshoorn om de afstammelingen van Abiëzer onder de wapenen te roepen 35 en zond boden naar het gebied van Manasse om daar iedereen op te roepen. Hij stuurde ook boden naar de stammen Aser, Zebulon en Naftali, en ook die voegden zich bij hem. 36 Toen zei Gideon tegen God: ‘Ik wil graag weten of het werkelijk uw bedoeling is door mijn toedoen Israël te bevrijden, zoals U hebt gezegd. 37 Daarom leg ik hier op de dorsvloer een wollen vacht. Als er morgenochtend dauw ligt op de wol terwijl de grond eromheen droog is, dan weet ik zeker dat U inderdaad door mijn toedoen Israël zult bevrijden.’ 38 En zo gebeurde het. De volgende morgen wrong Gideon de wol uit. En er kwam water uit, wel een kom vol. 39 Toen zei Gideon tegen God: ‘U moet niet kwaad op me worden als ik nog één keer aandring, maar ik wil nog een laatste proef nemen: nu moet de wol droog blijven en de grond eromheen nat zijn van de dauw.’ 40 Die nacht deed God wat Gideon had gevraagd: de wol bleef droog en de grond eromheen werd nat van de dauw. (NBV21)

Waar blijft u met uw wonderen? Zo liet Huub Oosterhuis eens een van zijn vele liederen beginnen. Goden brengen wonderen niet waar? Nou meestal niet eigenlijk. Gideon weet dat heel goed. Hij weet dat als hij de juiste God volgt hij aan het begin van een strijd geen wonderen moet verwachten. Het roven door de vijand heeft de oorlog uitgeroepen en dus gaat alles door zoals God heeft geschapen. Een onbehandelde schapenvacht trekt alle vocht aan, ook al is de lucht droog, een gewassen schapenvacht blijft droog, ook al is de lucht vochtig. Inderdaad zo is het, het volk kan bevrijd worden van de afgoden. Hij heeft de stammen van Israël niet vergeefs bijeen geroepen.

De feiten kennen van een oorlog is ook volgens de Bijbel niet onbelangrijk. Uitgangspunt in de Bijbel is delen in plaats van oorlog voeren. Maar bij het vormen van een volk met een eigen grond en eigen grens was er een waarschuwing geweest. Wordt niet als de andere volken met eigen legers en het ene volk voelt zich beter als het andere. Dat risico liepen ook de Zionisten die vanaf het begin van de vorige eeuw het land Palestina in het bezit namen. Zij wilden een volk zijn zoals de andere volken. Vandaag zeggen we treurig dat het hen gelukt is. Ook zijn maken koloniën, net als wij eeuwen geleden deden. Ook zij weten van genocide plegen, zoals ook wij in de vorige eeuw hebben moeten ervaren.

Zelfs het oorlog voeren zonder God hadden ze al onder Koning Saul geleerd. Zoals Rusland Oekraïne binnenviel zo voerde Saul zijn oorlog. David deed dat anders en ook Gideon legt in het verhaal de verantwoording steeds uitdrukkelijk bij de God die het volk ooit uit Egypte had geleid. En wij? Wij zijn verdeeld. De Holocoust had nooit moeten gebeuren en is ondanks alle dappere verzetsmensen waarvan velen zijn vermoord toch een zwarte vlek op onze geschiedenis. Wij hebben standbeelden van generaals die op ons bevel volken uitroeiden om de winst van hun producten ons ten goede te laten komen. En ook nu worden Rusland en de regering van Israël door sommigen gesteund. Het “Gij zult niet doden” wordt in onze, door de armen en gehandicapten gefinancierde, herbewapening niet serieus genomen. Het wordt tijd voor een nieuwe opstand daartegen en een bevrijding van ons geweld.