Driehonderd man

Rechters 7:1-8

1 De volgende morgen vroeg sloeg Jerubbaäl, Gideon dus, met zijn troepen zijn kamp op bij de Charodbron. De Midjanieten lagen iets noordelijker, in de vallei aan de voet van de More. 2 Toen zei de HEER tegen Gideon: ‘Het leger dat je bij je hebt is te groot. Ik lever de Midjanieten niet aan jullie uit, want Ik wil niet dat Israël zich erop beroemt dat het zich op eigen kracht heeft bevrijd. 3 Maak daarom bekend dat iedereen die bang is, kan vertrekken en via het bergland van Gilead terug naar huis kan gaan.’ Daarop vertrokken tweeëntwintigduizend man; tienduizend bleven er over. 4 Maar de HEER zei tegen Gideon: ‘Het leger is nog steeds te groot. Laat je manschappen naar het water gaan, daar zal Ik voor jou een keus uit hen maken. Ik zal je zeggen wie er met je mee moeten gaan en wie niet.’ 5 Gideon liet de mannen naar het water gaan, en de HEER zei tegen hem: ‘Degenen die het water met hun tong oplikken, zoals honden doen, die moet je apart zetten van degenen die knielen om te drinken.’ 6 Driehonderd man likten het water op met hun tong, de overigen knielden om te drinken en schepten het water op met hun hand. 7 ‘Met die driehonderd man die het water met hun tong oplikten, zal Ik jullie bevrijden,’ zei de HEER tegen Gideon. ‘Door hun toedoen zal Ik Midjan aan je uitleveren. De rest van het leger kan naar huis terugkeren.’ 8 Gideon hield dus alleen die driehonderd man bij zich en stuurde de rest van de Israëlieten weg, elk naar zijn eigen woonplaats. Maar eerst had hij hun proviand overgenomen, en al hun ramshoorns. Het kamp van de Midjanieten lag beneden hem, in de vallei. (NBV21)

Wie op de derde dinsdag van september die hele stoet vrome en keurige politici hoorde uitleggen dat het volgend jaar met de rijken beter gaat en met de armen niet slechter, zinkt de moed in de schoenen als je er aan denkt hoe je van dit land werkelijk een rechtvaardige samenleving kan maken. Ramspoed bedreigt ons, De oorlog in Oekraïne woedt voort en Amerika beperkt de import van goederen en diensten en wil de export opdrijven. Als we nu eerlijk delen lopen we de kans straks niet meer tot de allerrijkste landen op de wereld te horen. Die boodschap klinkt boven alles uit, zeker boven de zelfgenoegzaamheid van de politici. De armen in het land gaan er volgend jaar dus echt op achteruit. De maatregelen die het kabinet neemt zijn toch al alleen voor de rijken fors beter.

Zelfs de rijken in het buitenland die in Nederland een deel van hun vermogen hebben belegd. Een rechtvaardige verdeling noemen ze dat. Net als de ziektekosten. Mensen moeten volgens jaar fors meer betalen, allemaal hetzelfde meer en dat is voor de mensen met de laagste inkomens een grotere hap uit hun inkomen dan voor de mensen met de hogere inkomens. Om de gezondheidszorg voor de rijken betaalbaar te houden moeten de armen dus bijpassen. Van een systeem van betalen naar draagkracht kan voor deze regering geen sprake zijn. Gelukkig hebben we vandaag het verhaal van Gideon die ook een vijand moest bestrijden. Een vijand die als een sprinkhanenzwerm het volk kwam beroven. Niets bleef er over van de oogst waarvoor ze zo ijverig hadden gezorgd.

Gideon mocht er op vertrouwen dat slechts een handvol toegewijde mensen genoeg was om de bedreiging af te wenden. Volgend jaar zijn er verkiezingen voor de Provinciale Staten en daarmee ook voor de Eerste Kamer. We weten nu al welke staten, welke gedeputeerden, goed weten te zorgen voor de armen in de provincie. Die zorgen dat jongeren niet in koude buurten hoeven rond te hangen, dat de uitkeringen op peil zijn en de scholen in aantrekkelijke gebouwen zijn gehuisvest. En als maar een handvol mensen blijven vragen wat de partijen van plan zijn met de armsten in de provincie, met de zieken en gehandicapten, met de ouderen, met de vreemdelingen en de vluchtelingen dan veranderd het vanzelf. Als door een gerstebrood rollend van de berg zal dan ook dit kabinet weggevaagd worden of tenminste haar keus voor de rijken moeten stoppen.

 

Ik wil graag weten

Rechters 6:33-40

33 Weer sloten de Midjanieten, de Amalekieten en andere woestijnvolken uit het oosten zich aaneen. Ze staken de Jordaan over en sloegen hun tenten op in de vallei van Jizreël. 34 Toen kwam de geest van de HEER over Gideon. Hij blies op de ramshoorn om de afstammelingen van Abiëzer onder de wapenen te roepen 35 en zond boden naar het gebied van Manasse om daar iedereen op te roepen. Hij stuurde ook boden naar de stammen Aser, Zebulon en Naftali, en ook die voegden zich bij hem. 36 Toen zei Gideon tegen God: ‘Ik wil graag weten of het werkelijk uw bedoeling is door mijn toedoen Israël te bevrijden, zoals U hebt gezegd. 37 Daarom leg ik hier op de dorsvloer een wollen vacht. Als er morgenochtend dauw ligt op de wol terwijl de grond eromheen droog is, dan weet ik zeker dat U inderdaad door mijn toedoen Israël zult bevrijden.’ 38 En zo gebeurde het. De volgende morgen wrong Gideon de wol uit. En er kwam water uit, wel een kom vol. 39 Toen zei Gideon tegen God: ‘U moet niet kwaad op me worden als ik nog één keer aandring, maar ik wil nog een laatste proef nemen: nu moet de wol droog blijven en de grond eromheen nat zijn van de dauw.’ 40 Die nacht deed God wat Gideon had gevraagd: de wol bleef droog en de grond eromheen werd nat van de dauw. (NBV21)

Waar blijft u met uw wonderen? Zo liet Huub Oosterhuis eens een van zijn vele liederen beginnen. Goden brengen wonderen niet waar? Nou meestal niet eigenlijk. Gideon weet dat heel goed. Hij weet dat als hij de juiste God volgt hij aan het begin van een strijd geen wonderen moet verwachten. Het roven door de vijand heeft de oorlog uitgeroepen en dus gaat alles door zoals God heeft geschapen. Een onbehandelde schapenvacht trekt alle vocht aan, ook al is de lucht droog, een gewassen schapenvacht blijft droog, ook al is de lucht vochtig. Inderdaad zo is het, het volk kan bevrijd worden van de afgoden. Hij heeft de stammen van Israël niet vergeefs bijeen geroepen.

De feiten kennen van een oorlog is ook volgens de Bijbel niet onbelangrijk. Uitgangspunt in de Bijbel is delen in plaats van oorlog voeren. Maar bij het vormen van een volk met een eigen grond en eigen grens was er een waarschuwing geweest. Wordt niet als de andere volken met eigen legers en het ene volk voelt zich beter als het andere. Dat risico liepen ook de Zionisten die vanaf het begin van de vorige eeuw het land Palestina in het bezit namen. Zij wilden een volk zijn zoals de andere volken. Vandaag zeggen we treurig dat het hen gelukt is. Ook zijn maken koloniën, net als wij eeuwen geleden deden. Ook zij weten van genocide plegen, zoals ook wij in de vorige eeuw hebben moeten ervaren.

Zelfs het oorlog voeren zonder God hadden ze al onder Koning Saul geleerd. Zoals Rusland Oekraïne binnenviel zo voerde Saul zijn oorlog. David deed dat anders en ook Gideon legt in het verhaal de verantwoording steeds uitdrukkelijk bij de God die het volk ooit uit Egypte had geleid. En wij? Wij zijn verdeeld. De Holocoust had nooit moeten gebeuren en is ondanks alle dappere verzetsmensen waarvan velen zijn vermoord toch een zwarte vlek op onze geschiedenis. Wij hebben standbeelden van generaals die op ons bevel volken uitroeiden om de winst van hun producten ons ten goede te laten komen. En ook nu worden Rusland en de regering van Israël door sommigen gesteund. Het “Gij zult niet doden” wordt in onze, door de armen en gehandicapten gefinancierde, herbewapening niet serieus genomen. Het wordt tijd voor een nieuwe opstand daartegen en een bevrijding van ons geweld.

 

Uit vrees

Rechters 6:25-32

25 Diezelfde nacht zei de HEER tegen Gideon: ‘Neem de stier van je vader, dat prachtbeest dat nu al zeven jaar gespaard is. Sloop het altaar dat je vader voor Baäl heeft opgericht en hak de Asjerapaal die ernaast staat om. 26 Bouw voor de HEER, je God, een altaar op het hoogste punt van het ommuurde terrein, zoals het hoort. Maak met het hout van de omgehakte Asjerapaal een vuur om de stier te offeren.’ 27 Gideon nam tien van zijn knechten mee en deed wat de HEER hem had opgedragen. Uit vrees voor zijn familie en stadsgenoten durfde hij het niet overdag te doen, daarom deed hij het ’s nachts. 28 De volgende ochtend zagen de inwoners van de stad dat het altaar van Baäl was afgebroken en dat de Asjerapaal ernaast was omgehakt. Ze zagen ook dat de stier was geofferd, en wel op een nieuw altaar. 29 Ze vroegen zich af wie dat gedaan kon hebben, en na enig onderzoek kwamen ze erachter dat Gideon, de zoon van Joas, de schuldige was. 30 Toen eisten ze van Joas: ‘Lever uw zoon aan ons uit. Hij moet sterven, want hij heeft het altaar van Baäl gesloopt en de Asjerapaal omgehakt.’ 31 Maar Joas zei tegen de mensen die bij zijn huis te hoop waren gelopen: ‘U wilt het voor Baäl opnemen? U wilt hem te hulp komen? Wie het voor Baäl opneemt, zal nog voor de ochtend sterven! Als Baäl een god is, zal hij wel voor zichzelf opkomen wanneer iemand zijn altaar heeft gesloopt.’ 32 En hij gaf Gideon de naam Jerubbaäl, en zei: ‘Laat Baäl het maar tegen hem opnemen omdat hij zijn altaar heeft gesloopt.’ (NBV21)

Je moet maar durven. Die Gideon ging in tegen alles wat het fatsoen, het geloof en de normen en waarden van de mensen om hem heen van hem vroegen. Hij sloeg het altaar van de hoofdgod van de vruchtbaarheid in stukken, hij hakte de heilige paal , die de vruchtbaarheid van het land van zijn vader moest garanderen, het was een soort bewaakgod, in stukken en stookte daarmee een vuur, hij offerde een stier maar niet de eerste de beste maar de tweede. Een stier met het symbool van de heerschappij van de Ene over de hele aarde, een stier van zeven jaar. Dat doe je niet zo maar, Gideon deed het in de nacht. Hij vernietigde alles waar de mensen van geloofden dat het hun bestaan op orde hield en het voortbestaan garandeerde, stiekum dus.

Maar de mensen ontdekten wie het had gedaan en riepen hem ter verantwoording. Nou was de heilige paal van de vader van Gideon, dus die liep het risico. Het was die vader die de juiste keuzes ging maken. Als er een bewaakgod was die beledigd was dan moest die maar het juiste proces voeren. En als je de processen aan de afgoden overlaat dan komt er niets van terecht. Het achterna lopen van de afgoden van onze tijd kan overigens wel de nodige slachtoffers eisen. Al jaren worden misdrijven tegen kinderen groot opgeblazen. Alsof niet elk leven evenveel waard is wordt een moord op kind extra groot uitgemeten. De afgod van het succes en de afgod van de sensatie vragen een offer, een verdachte en een levenslange veroordeling. Nooit een vraag hoe het zover is gekomen, waarom sex onbespreekbaar is, zeker voor en met kinderen.

De veiligheid van onze kinderen zou de veroordeling van een dader vragen, maar als die veroordeling ingewikkeld is en het offer aan de god van succes in de weg staat gebeurt er niks. Zeker  als Kerkelijke gemeenschappen binnen hun gemeenschap met ernstige schendingen van kinderen worden geconfronteerd dan is er zo’n groot conflict met het beeld van fatsoen dat een kerk wil uitstralen dat je misbruik van kinderen maar liever in de doofpot stopt. Ook aanzien en fatsoen kunnen goden zijn met een altaar, soms worden er kinderen op geofferd.  Gideon ging nog eens na of de natuur wel echt zo natuurlijk was, een onbehandelde schapenvacht trekt alle vocht aan, ook al is de lucht droog, een gewassen schapenvacht blijft droog, ook al is de lucht vochtig. Inderdaad zo is het, het volk kan bevrijd worden van de afgoden. Laten we voor de veiligheid van onze kinderen hopen dat het opnieuw lukt.

 

Je hoeft niet bang te zijn

Rechters 6:11-24

11 Toen kwam de engel van de HEER en Hij nam plaats onder de terebint bij Ofra, op het land van Joas, een afstammeling van Abiëzer. Joas’ zoon Gideon was juist bezig tarwe te dorsen. Om ervoor te zorgen dat de Midjanieten de tarwe niet zouden zien, deed hij dat in de wijnpers. 12 De engel van de HEER vertoonde zich aan hem en zei: ‘De HEER zij met je, dappere krijgsman.’ 13 ‘Mag ik U vragen,’ antwoordde Gideon, ‘als de HEER ons werkelijk bijstaat, waarom overkomt dit ons dan allemaal? Waar blijft Hij dan met zijn wonderbaarlijke daden, waarover onze voorouders hebben verteld? Uit Egypte heeft Hij ze geleid, zeiden ze toch? Maar nu heeft Hij ons in de steek gelaten en uitgeleverd aan de Midjanieten!’ 14 Toen wendde de HEER zich tot Gideon en zei: ‘Toon je moed en bevrijd Israël, dat is mijn opdracht.’ 15 ‘Mag ik U vragen,’ antwoordde Gideon, ‘hoe zou ik Israël kunnen bevrijden? Mijn familie heeft in onze stam, Manasse, niets in te brengen, en ikzelf ben de jongste van de familie.’ 16 De HEER antwoordde: ‘Dat kun je omdat Ik je bijsta. Je zult de Midjanieten verslaan alsof je met niet meer dan één man te doen had.’ 17 Toen zei Gideon: ‘Heer, als U het bent die tot mij spreekt en ik uw gunst geniet, geef me dan een teken. 18 Gaat U vooral niet weg, ik wil iets halen om U aan te bieden.’ ‘Goed,’ antwoordde de HEER, ‘Ik blijf hier totdat je terugkomt.’ 19 Gideon ging snel naar huis, maakte een geitenbokje klaar en bakte ongedesemd brood van een efa tarwebloem. Hij legde het vlees in een mand en goot het kookvocht in een kom, bracht het naar degene die onder de terebint zat te wachten en bood het Hem aan. 20 De engel van God zei tegen hem: ‘Leg het vlees en de broden hier op dit rotsblok en giet het kookvocht erover uit.’ Gideon deed wat hem gevraagd was. 21 Toen raakte de engel van de HEER met het uiteinde van zijn staf het voedsel aan en meteen laaide er een vuur uit het rotsblok op dat het vlees en de broden verteerde. Tegelijk was ook de engel van de HEER verdwenen. 22 Toen begreep Gideon dat het de engel van de HEER was geweest, en hij riep uit: ‘Ach HEER, mijn God! Ik heb oog in oog gestaan met de engel van de HEER!’ 23 Maar de HEER stelde hem gerust: ‘Je hoeft niet bang te zijn, je zult niet sterven.’ 24 Gideon bouwde op die plek een altaar voor de HEER, en noemde het ‘De HEER geeft rust’. Tot op de dag van vandaag staat dat altaar in Ofra, waar de afstammelingen van Abiëzer wonen. (NBV21)

Waar blijft die God van Israël die toch beloofd heeft in goede en kwade dagen met je mee te trekken? Een vraag die vaak wordt gesteld in grote nood. Waar is de God die het volk Israël uit de slavernij van Egypte heeft geleid. Nou was Mozes daar de grote leider van het volk dat van die God eigenlijk maar een paar simpele regels had gekregen, regels waar ze maar steeds van afweken. Toen Gideon dan ook de oproep hoorde om terug te keren naar die simpele regels stelde hij dezelfde vraag. En het antwoord was weer even simpel: ” doe het zelf”. Iets te simpel, Goden doen toch wonderen nietwaar. Dus haalde Gideon de gebruikelijke offeranden van huis, een beetje deftig, en het werd op een altaar gelegd. Maar de boodschapper van God stak er een vuurtje onder, at het op en verdween. Zo stond het ook in het verhaal over de richtlijnen uit de woestijn, met het altaar en de tafel met brood.

De offers waren voor de priesters. Je hoeft de God van Israël niet in leven te houden met offers, Gideon was een slimme vogel, om de Midjanieten te misleiden dorste hij het graan in een wijnpers. En hij was ook zo slim om zich het oude verhaal van die richtlijnen uit de woestijn te herinneren. Die God was het, die God die geen beelden wilde, die de offers voor de priesters bestemde, die woonde in een tent waar alleen een kist in stond. Een kist met daarin de stenen waarop het contract stond dat die God met het volk had gesloten, hou van je naaste zoals je van jezelf houdt. Heel anders dan de goden van de volken om Gideon heen, die beelden hadden op de akkers.

De goden van goud en beloften, van vruchtbaarheid en winst, de goden die mensen in alle tijden graag achterna lopen. Nog één obstakel was er. Gideon en zijn famillie waren maar gewone boeren, niks van aanzien en zeker geen erkende leiders. Maakt niks uit zegt het verhaal. Iedereen die er in geloofd kan er aan meedoen kan er tegen in opstand komen, tegen de onderdrukking, tegen de diefstal, tegen de profiteurs. Genoeg is genoeg. En dat is ook het motto van de demonstraties tegen de etnische tweedeling in onze samenleving. Willen we echt in een land wonen waar onze burgerrechten worden afgepakt omdat we bang gemaakt worden voor elkaar? Nee toch? Genoeg is genoeg. Je hebt voor het verzet tegen haat zaaien en tweedeling geen leiders nodig. Je kunt er gewoon mee beginnen door een maaltijd te houden met de armen, het personeel van je Kerk, en met de vreemdelingen die in de buurt wonen zeggen de richtlijnen uit de woestijn.

 

Groet alle heiligen

Filippenzen 4:10-23

10 De Heer heeft mij veel vreugde gegeven nu u eindelijk uw zorg voor mij hebt kunnen tonen. U dacht altijd al aan mij, maar vond niet de gelegenheid het te laten zien. 11 Ik zeg dit niet omdat ik gebrek lijd; ik heb geleerd om in alle omstandigheden tevreden te zijn. 12 Ik weet wat het is om gebrek te lijden, maar ook wat het is om in rijkdom te leven. Ik heb alles aan den lijve ondervonden: overvloed en honger, rijkdom en gebrek. 13 Ik ben tegen alles bestand door Hem die mij kracht geeft. 14 Toch hebt u er goed aan gedaan in mijn moeilijkheden te delen. 15 U weet zelf, Filippenzen, dat toen ik na mijn vertrek uit Macedonië met de verkondiging van het evangelie begon, uw gemeente de enige is geweest die gedeeld heeft in mijn tegoeden en tekorten. 16 Al in Tessalonica hebt u mij meer dan eens iets gestuurd om mijn tekorten aan te vullen. 17 Niet dat het mij om uw gaven te doen is, ik ben er juist op uit dat het tegoed op uw rekening oploopt. 18 Nu is alles mij vergoed, en heb ik zelfs veel meer ontvangen. Het ontbreekt mij aan niets dankzij de gaven die Epafroditus namens u heeft gebracht; ze zijn een geurig en aangenaam offer, dat God behaagt. 19 Mijn God zal uit de overvloed van zijn majesteit elk tekort van u aanvullen, door uw eenheid met Christus Jezus. 20 Aan onze God en Vader komt de eer toe tot in alle eeuwigheid. Amen. 21 Groet alle heiligen, die één zijn met Christus Jezus. De broeders en zusters die bij mij zijn, laten u groeten. 22 Alle heiligen laten u groeten, vooral zij die in dienst van de keizer staan. 23 De genade van de Heer Jezus Christus zij met u. (NBV21)

Onze riemensnijdende tentenbouwer Paulus van Tarzus had het niet altijd even gemakkelijk op zijn zogenaamde zendingsreizen. Hij had dan wel vaak het geluk ontvangen te worden door rijke nieuw geworven Christenen, vooral vrouwen worden daarbij in de Bijbel genoemd, maar als de gemeente eenmaal vaste grond had dan waren er weduwen, armen, slaven en zieken die de aandacht vroegen en het geld van de jonge gemeente nodig hadden. Paulus moest dan met werk zelf de kost verdienen en omdat ook het onderwijzen en steunen van de jonge gemeente tijd kostte was dat niet eenvoudig. Toch blijkt uit veel brieven dat Paulus er een eer in stelde zelf in zijn eigen onderhoud te voorzien. Een gemeente van Jezus van Nazareth is er niet om voorgangers rijk te maken of zelfs maar een gemakkelijk leventje te bezorgen, ook vandaag de dag niet.

Gemeenten die eenmaal op orde waren en Paulus niet meer nodig hadden kwamen als hij vertrokken was pas tot de ontdekking hoeveel hij eigenlijk waard was geweest. Verschillende keren lees je in de brieven van Paulus dan ook bedankjes voor de gaven die de gemeenten Paulus achterna hadden gestuurd. Dat lees je hier ook. Later zou Paulus zelfs een inzameling beginnen onder de door hem gestichte gemeenten om de gemeente in Jeruzalem te steunen. Die had het erg moeilijk door de door Paulus begonnen vervolgingen en Paulus roept de gemeenten dan ook herhaaldelijk op geld voor hen bijeen te brengen. In het allerlaatste zinnetje van de brief, net voor de zegenbede, steekt Paulus de gemeente in Filippi nog even een hart onder de riem. Hij reisde niet alleen rond dus is het niet zo vreemd dat hij besluit met de groeten te doen van iedereen die met hem meer reisde.

Maar dat het vooral degenen zijn die in dienst van de keizer staan is vreemder. Wie dat geweest zijn weten we niet, maar als het geloof in Jezus van Nazareth al doorgedrongen is in het huis van de Keizer van Rome dan kan een omwenteling in de Romeinse Rijk niet ver meer zijn. En in de dagen van Paulus leefde men in de veronderstelling dat de nieuwe hemel en de nieuwe aarde onder handbereik waren. Dat geloof mogen we vandaag ook delen. Als we willen dat onze samenleving hoort bij een wereld waarin iedereen mee mag doen, waar gedeeld wordt met de minsten en gezorgd wordt met de zwaksten hoeven we er alleen maar mee te beginnen, gewoon de naaste liefhebben als jezelf. Daar mag je iedereen in meenemen en elke dag opnieuw mee beginnen, ook vandaag. Dat is de genade van Jezus van Nazareth, de echte Heer van de wereld.

Vriendelijke mensen.

Filippenzen 4:1-9

1 Daarom, dierbare broeders en zusters, die ik liefheb en naar wie ik verlang, die mijn vreugde en erekrans zijn, blijf standvastig in de Heer. 2 Euodia en Syntyche, ik dring er bij u op aan eensgezind te zijn in de Heer. 3 En u, trouwe vriend, vraag ik hen te helpen. Ze hebben samen met mij voor het evangelie gestreden, evenals Clemens en mijn overige medewerkers, van wie de namen in het boek van het leven staan. 4 Laat de Heer uw vreugde blijven; ik zeg u nogmaals: wees altijd verheugd. 5 Laat iedereen u kennen als vriendelijke mensen. De Heer is nabij. 6 Wees over niets bezorgd, maar vraag in alle omstandigheden aan God wat u nodig hebt en dank Hem in uw gebeden. 7 Dan zal de vrede van God, die alle verstand te boven gaat, uw hart en gedachten in Christus Jezus bewaren. 8 Ten slotte, broeders en zusters, laat u leiden door al wat waar is, al wat edel, rechtvaardig, zuiver, beminnelijk en eervol is, kortom door al wat deugdzaam is en lof verdient. 9 Doe alles wat ik u heb geleerd en overgedragen, wat ik u heb verteld en laten zien. Dan zal de God van de vrede met u zijn. (NBV21)

Eendracht maakt macht. Het is in onze geschiedenis een spreuk uit de ontstaansgeschiedenis van ons land. In de negentiende eeuw kwam de spreuk weer tevoorschijn toen de arbeiders ontdekten dat uitvoering geven aan de spreuk hun beweging een enorme kracht gaf. We lezen vandaag echter dat de spreuk oorspronkelijk gericht was aan de gemeente in Filippi. Je zou dus verwachten dat de kerken met alles wat in hen is de spreuk tot gelding zouden brengen. Nu is het nog te begrijpen dat als je in elkaar niet meer herkent tot één kerk te behoren dat de wegen uit elkaar gaan maar dat kerken zelf een interne verdeeldheid preken als horende bij de Bijbel is totaal onbegrijpelijk. De oproep tot eenheid wordt door Paulus gedaan aan twee vrouwelijke leidinggevenden van de gemeente.

En onderscheid maken tussen mannen en vrouwen in de kerkelijke gemeente is dus in flagrante strijd met de boodschap van de Bijbel, met name met het Nieuwe Testament. Daar waar dat onderscheid nog wordt gepraktiseerd en vrouwelijke ambtsdragers niet worden toegelaten is dus geen sprake van een Christelijke Kerk. We worden zelfs uitdrukkelijk opgeroepen om de vrouwelijke voorgangers te helpen. Ook zij strijden voor het Evangelie, de bevrijding van de armen, in de dagen van Paulus het opheffen van het onderscheid tussen slaven en vrijen, tussen Heidenen en Joden, tussen mannen en vrouwen. Paulus roept dit niet voor niets.

Een Christelijke gemeente moet nu eenmaal herkenbaar zijn en in zijn dagen was het verlies van dat onderscheid moeilijk genoeg uit te dragen. Maar uit het Oude Testament leerde de gemeente dat de God van Israël een God was die met je meetrok. Jezus van Nazareth had zelfs beloofd daar waar de gemeente bijeen kwam aanwezig te zijn. Daar mag je blij om zijn, dat geeft je kracht, zeker als jouw gemeente ook echt te herkennen is als een gemeente van God, aandacht schenkt aan alles wat waar is, alles wat edel is, alles wat rechtvaardig is, alles wat zuiver is, alles wat lieflijk is, alles wat eervol is. Breng gerust alles onder woorden wat daarvoor nodig is, vragen aan God noemt Paulus dat. Dat is het verbond dat God met de zijnen gesloten heeft, tot op de dag van vandaag mogen we daaruit leven, in vrede en in vreugde, maar vooral in eenheid met elkaar.

 

U dwaalt

Matteüs 22:23-33

23 Ook kwamen er enkele sadduceeën naar Hem toe-sadduceeën beweren dat er geen opstanding uit de dood is-en ze vroegen Hem: 24 ‘Meester, Mozes heeft gezegd: “Indien iemand kinderloos sterft, moet zijn broer met de weduwe trouwen omdat hij haar zwager is, en voor zijn broer nakomelingen verwekken.” 25 Nu kennen wij een geval met zeven broers. De eerste trouwde, maar stierf kinderloos en liet zijn vrouw na aan zijn broer. 26 Hetzelfde gebeurde met de tweede en de derde broer, tot aan de zevende toe. 27 Het laatst van allen stierf de vrouw. 28 Wiens vrouw zal zij dan bij de opstanding zijn? Alle zeven zijn ze immers met haar getrouwd geweest.’ 29 Jezus gaf hun ten antwoord: ‘U dwaalt, u kent de Schriften niet, en de macht van God evenmin! 30 Want bij de opstanding trouwen de mensen niet en worden ze niet uitgehuwelijkt, ze zijn dan als engelen in de hemel. 31 Hebt u niet gelezen wat God u over de opstanding van de doden heeft gezegd? Dit is wat Hij zei: 32 “Ik ben de God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jakob.” Hij is geen God van doden, maar van levenden.’ 33 Toen de talrijke omstanders dit hoorden, waren ze diep onder de indruk van zijn onderricht. (NBV21)

Religie wordt vaak verbonden met het leven na dood. Of we geloven willen in een leven na de dood is dan de vraag. Een vraag die ook aan Jezus van Nazareth wordt gesteld. Door gelovigen in God, maar die niet geloven in een leven na de dood. Die Sadduceeën verwierpen de gedachte dat er een leven na de dood zou zijn, de Farizeeën geloofden wel in de opstanding van de doden. Jezus van Nazareth geeft ze in zoverre gelijk dat we bij het geloof in God niet het leven na de dood maar het leven voor de dood moeten beschouwen. Ooit zal God een woning op aarde maken maar dat gebeurt pas als iedereen op de hele wereld geleerd heeft de richtlijnen voor de menselijke samenleving te volgen, als alle volken zich naar Jeruzalem keren heet het ergens anders in de Bijbel. Wanneer dat gebeurt is duister, het komt als een dief in de nacht staat er weer ergens anders en we weten het niet.

Het is ook niet belangrijk. Het is overigens wel belangrijk voor fundamentalisten en andere zogenaamde gelovigen in Amerika. Daar zijn veel mensen bezig met de Bijbel op schoot en een rekenmachine om uit te rekenen wanneer de wereld zal vergaan en God zich op de aarde zal vestigen. In de Bijbel wordt wel gesproken over aardbevingen, overstromingen en oorlogen als tekenen van het einde der wereld maar die zijn er eigenlijk altijd wel en ook altijd al wel geweest. In onze tijd weten we er meer van omdat we ze bijna rechtstreeks op de televisie kunnen meemaken. De beelden van Katarina in New Orleans waren tijdens de storm al zeer indrukwekkend. De beelden van de slachtoffers van aardbevingen in Pakistan gaan toch weer erg lijken op eerdere beelden uit Turkije. Telkens weer worden we beproefd of we werkelijk zo menslievend zijn. Giro 555 staat bijna altijd open en vooral voor een wederopbouw is veel geld nodig. Stel je eens voor dat zo goed als je hele stad of je hele dorp is verwoest. Het duurt jaren voor je er als gemeenschap weer bovenop bent. En over oorlogen in onze dagen zullen we maar zwijgen.

En die verre ellende moet ook de aandacht voor de ellende dichtbij niet doen verslappen. Er worden nog steeds kinderen in gevangenissen gestopt omdat hun ouders niet terug kunnen keren naar het land waar ze vandaan komen. Ook de voedselbanken blijven het druk hebben in ons land. We hebben grote aandacht voor de voedselcrisis en de stijgende voedselprijzen. Het verbruik van biobrandstof wordt beperkt omdat je sommige grondstoffen voor die brandstof beter kunt opeten maar we hebben ook nog een klimaatcrisis. Eigenlijk is dus de eerste vraag bij de hervorming van het belastingstelsel hoe we eerlijk kunnen delen met de armsten in de wereld. Anders lopen we de kans miljoenen tot een dood te veroordelen. Er is dus nog steeds geen plaats in ons midden voor de God van houden van je naaste als van jezelf, maar we kunnen er wel aan werken.

 

Een belastingmunt

Matteüs 22:15-22

15 Nu trokken de farizeeën zich terug om te overleggen hoe ze Hem met een uitspraak in de val konden lokken. 16 Ze stuurden enkele van hun leerlingen samen met een aantal herodianen naar Hem toe, met de vraag: ‘Meester, wij weten dat U oprecht bent en in alle oprechtheid onderricht geeft over de weg van God. U trekt u niets aan van het oordeel van anderen, want U ziet niemand naar de ogen. 17 Zeg ons daarom wat U vindt: is het toegestaan de keizer belasting te betalen of niet?’ 18 Maar Jezus had hun boze opzet door en zei: ‘Waarom stelt u Me op de proef, huichelaars? 19 Laat Me eens een belastingmunt zien.’ Ze reikten Hem een denarie aan. 20 Hij vroeg hun: ‘Van wie is dit een afbeelding en van wie is het opschrift?’ 21 Ze antwoordden: ‘Van de keizer.’ Daarop zei Hij tegen hen: ‘Geef dan wat van de keizer is aan de keizer, en geef aan God wat God toebehoort.’ 22 Ze waren zeer verbaasd toen ze dit hoorden. Ze lieten Hem met rust en gingen weg. (NBV21)

Nog steeds wordt het verhaal, dat vandaag wordt gelezen, uitgelegd alsof het over belastingen gaat. En alsof het een oproep is de overheid te gehoorzamen. Niets is minder waar. Het is het omdraaien van wat er werkelijk staat. Lees maar. De vraag die aan Jezus van Nazareth wordt gesteld is of het geoorloofd is belasting te betalen. Jezus van Nazareth vraagt dan om een belastingmunt. Die heeft hij kennelijk niet zelf in bezit. Ook zijn leerlingen hebben niet zo’n munt. Dat is niet zo vreemd en heeft niets met armoede te maken. Maar op de belastingmunten die je in Judea moest gebruiken stond de afbeelding van de Keizer van Rome. Romeinse stadhouders als Pontius Pilatus vonden dat een eer. Koning Herodes, die over Galilea ging keek wel uit. Munten met de beeltenis van een mens, of een dier, of van wat dan ook, werden door Galileërs geweigerd. Die raakten ze niet aan. Dat kwam door een strikte uitleg van het gebod uit Exodus dat je geen gesneden beelden moest maken, je zou immers eens in de verleiding komen die beelden te aanbidden.

Ook die verleiding is minder vreemd dan het klinkt. Romeinse Keizers beschouwden zich als Godheid. Jezus van Nazareth heeft dus niet een dergelijke munt, de Farizeeën wel. Maar dan stelt hij de vraag wiens beeld er op staat. Is niet de mens geschapen naar Gods beeld? Staat er dus niet het beeld van God op die munt en zou je die munt niet moeten gebruiken op de manier die God wil dat bezit gebruikt wordt? De belastingen van Keizers, Koningen en andere absolute machthebbers zijn en waren niet te vergelijken met de belastingen die we tegenwoordig betalen. Wij betalen belastingen ook om te delen met de armen, om de zorg te kunnen betalen en de hulp aan arme landen. De Keizer uit dit verhaal leefde zelf in weelde van die belastingen. Hij voelde zich zo machtig dat hij zich god op aarde voelde en zich ook zo liet vereren. Jezus van Nazareth ziet het grote verschil met de God waarvoor hij volgelingen zoekt. Van die God mag je je geen beeld vormen. Naar Gods beeld is immers elk mens gemaakt, man zowel als vrouw. En de Wet van die God is niet als de wet van de Keizer, de absolute gehoorzaamheid aan de Keizer, maar je naaste liefhebben als jezelf als gehoorzaamheid aan God. Daarom kon Jezus rustig zeggen dat die keizer z’n heidense muntjes zelf maar moest houden.

In het oorspronkelijke Grieks staat dat ze zijn munten maar terug moeten geven. Als er belasting betaald moet worden doe dat dan volgens de Wet die God al lang daarvoor in de woestijn had gegeven. Belastingen komen in onze dagen al lang niet meer alleen van absolute heersers. Al zijn er machthebbers genoeg die zich als godjes willen laten vereren. We hebben echter verenigingen die nadenken waarvoor we samen geld willen uitgeven, wie dat geld zou moeten betalen en die de uitvoering van die plannen ook controleren. Politieke Partijen heten die verenigingen. Van echte democratische politieke partijen mag iedereen lid worden. Binnenkort mogen we weer uitmaken wie we de beste vinden, door op een partij te stemmen bij verkiezingen. Via onderhandelingen komt er dan een provinciaal bestuur, een gemeentebestuur, een bestuur van het waterschap, of een regering, die de ideeën van de partijen uitvoert. Mensen die in het verhaal van Jezus geloven kijken dan welke vereniging zorgt voor de zwakken in de samenleving, waar echt wordt gedeeld, waar rechtvaardigheid te vinden is. Waar dus ook de rijken het grootste deel betalen en niet het grootste deel subsidie in de wacht slepen zoals bij de hypotheekrenteaftrek het geval is. Daarom is belasting betalen niet genoeg maar moeten we ons actief bemoeien met wie ons regeert en hoe ze dat doen, wij hebben die mogelijkheid, wij kunnen vragen voor de armen te zorgen en niet de rijken te beschermen.

 

Iedereen die je tegenkomt.

Matteüs 22:1-14

1 Daarop vertelde Jezus hun opnieuw een gelijkenis: 2 ‘Het is met het koninkrijk van de hemel als met een koning die een bruiloftsfeest gaf voor zijn zoon. 3 Hij stuurde zijn dienaren eropuit om de genodigden voor de bruiloft bijeen te roepen, maar die wilden niet komen. 4 Daarna stuurde hij andere dienaren op pad met de opdracht: “Zeg tegen de genodigden: ‘Ik heb het feestmaal bereid, ik heb mijn stieren en het mestvee laten slachten. Alles staat klaar, kom dus naar de bruiloft!’” 5 Maar ze negeerden hen en vertrokken, de een naar zijn akker, de ander naar zijn handel. 6 De overigen namen zijn dienaren gevangen, mishandelden en doodden hen. 7 De koning ontstak in woede en stuurde zijn troepen eropaf, hij liet de moordenaars ombrengen en hun stad in brand steken. steken. 8 Vervolgens zei hij tegen zijn dienaren: “Alles staat klaar voor het bruiloftsfeest, maar de genodigden waren het niet waard. 9 Ga daarom naar de toegangswegen van de stad en nodig voor de bruiloft iedereen uit die je tegenkomt.” 10 De dienaren gingen de straat op en brachten alle mensen die ze tegenkwamen bijeen, zowel goede als slechte. En de bruiloftszaal vulde zich met gasten voor de maaltijd. 11 Toen de koning binnenkwam om te zien wie er allemaal aanlagen, zag hij iemand die geen bruiloftskleed droeg,12 en hij vroeg hem: “Vriend, hoe ben je hier binnengekomen terwijl je niet eens een bruiloftskleed aanhebt?” De man wist niets te zeggen. 13 Daarop zei de koning tegen zijn hofdienaars: “Bind hem aan handen en voeten en gooi hem eruit, in de uiterste duisternis, waar men jammert en knarsetandt.” 14 Velen zijn geroepen, maar slechts weinigen uitverkoren.’ 15 Nu trokken de farizeeën zich terug om te overleggen hoe ze Hem met een uitspraak in de val konden lokken. 16 Ze stuurden enkele van hun leerlingen samen met een aantal herodianen naar Hem toe, met de vraag: ‘Meester, wij weten dat U oprecht bent en in alle oprechtheid onderricht geeft over de weg van God. U trekt u niets aan van het oordeel van anderen, want U ziet niemand naar de ogen. 17 Zeg ons daarom wat U vindt: is het toegestaan de keizer belasting te betalen of niet?’ 18 Maar Jezus had hun boze
opzet door en zei: ‘Waarom stelt u Me op de proef, huichelaars? 19 Laat Me eens een belastingmunt zien.’ Ze reikten Hem een denarie aan. 20 Hij vroeg hun: ‘Van wie is dit een afbeelding en van wie is het opschrift?’ 21 Ze antwoordden: ‘Van de keizer.’ Daarop zei Hij tegen hen: ‘Geef dan wat van de keizer is aan de keizer, en geef aan God wat God toebehoort.’ 22 Ze waren zeer verbaasd toen ze dit hoorden. Ze lieten Hem met rust en gingen weg.(NBV21)

Een merkwaardig verhaal staat er vandaag op het dagelijks leesrooster van het Nederlands Bijbelgenootschap, dat wij hier dagelijks volgen. Zo op het eerste gezicht een vrolijk verhaal. Maar het gaat over de hogepriesters en de Farizeeën en het laat ons iets zien van wat het Koninkrijk van God zou betekenen. Het koninkrijk van God is als een bruiloftsfeest. Maar de mensen die uitgenodigd zijn komen niet. Die hebben geen tijd, zijn te druk met hun zaken en werk of worden zelfs boos als iemand ze durft uit te nodigen. Het moet een feest zijn van delen en zorgen voor elkaar, waar tranen worden gewist, lammen leren lopen en blinden weer kunnen zien, waar iedereen er bij mag horen. Nu hebben heel veel mensen helemaal geen zin in dat eerlijk delen. Dat kennen we in onze tijd ook. We zorgen voor onszelf en iedereen kan toch voor zichzelf zorgen. Er zijn zelfs mensen die boos worden als je zelfs maar suggereert dat er mensen zijn die hulp nodig hebben, ook financiële hulp en dat we met die mensen zouden moeten willen delen.

En in onze haastige samenleving hebben ook steeds minder mensen tijd om vrijwilligerswerk te doen. Alle vrijwilligersorganisaties hebben te maken met dat tekort. Dat handelaren en zogenaamde harde werkers niet willen komen omdat ze eerlijk moeten delen snappen we nog wel een beetje. Dat mensen boos worden als je naar hun inkomen en eigendom wijst snappen we ook, zeker als ze veel hebben en een groot inkomen hebben. Maar die ene gast die geen bruiloftskleed wil aantrekken? Als je jezelf maar waardeloos vindt dan is van een ander houden als van jezelf ook al snel klaar en niet aantrekkelijk. En dan roepen sommigen nog dat er veel geroepen zijn en weinig uitverkoren, het tegendeel is waar: er wordt er maar één uitgegooid! We gaan er misschien iets van snappen als we ons realiseren dat Jezus altijd iedereen wil laten meedoen met zijn Koninkrijk. Ook de mensen die niet willen komen, zelfs de mensen die de boodschappers ombrengen. Uiteindelijk roept de Koning iedereen, de goeden en de slechten staat er.

En als je het dan nog niet door hebt, nog niet mee wil doen met een heel bijzonder verhaal dat iedereen ten goede komt, dan moet je het zelf weten. Dan worden er soldaten op je stad afgestuurd om die in brand te steken en dan wordt je gekneveld en buiten geworpen waar geween zal zijn en tandengekners. Heel langzaam moet je tegenwoordig dapper worden om te blijven geloven dat eerlijk delen ook kan. Zelfs als het hele bouwwerk van grijpen en graaien op instorten staat wordt nog gevraagd of belastingbetalers er wel genoeg winst uit weten te halen. Alsof het inkomen en het bezit van mensen met een bescheiden pensioen dat op een bank staat niet beschermd mag worden. Alsof dat kleine beetje reserve dat een arme heeft niet veilig gesteld mag worden. En dan die huizen. Huren van de bank, hypotheek nemen noemen ze dat, was voor mensen met een bescheiden inkomen altijd al riskant. Want een bank zorgt niet voor onderhoud en reparatie. Maar eigendom van een huis hoort nu eenmaal zo schijnt het. Ze zijn in verleiding gebracht door de aanbidders van winst en profijt. Mogen we de slachtoffers niet beschermen en ze zo uitnodigen voor die maaltijd in het Koninkrijk?

 

Schaamteloosheid

Filippenzen 3:12-21

12 Niet dat ik al zover ben en mijn doel al heb bereikt. Maar ik doe mijn uiterste best, in de hoop te kunnen grijpen waarvoor Christus Jezus mij gegrepen heeft. 13 Broeders en zusters, ik beeld me niet in dat ik het al heb bereikt, maar één ding is zeker: ik vergeet wat achter me ligt en richt mij op wat voor me ligt. 14 Ik ga recht op mijn doel af: de hemelse prijs waartoe God in Christus Jezus roept. 15 Hierop moeten wij ons allen als volmaakte mensen richten. Mocht u er op enig punt anders over denken, dan zal God het u wel duidelijk maken. 16 In ieder geval, laten we op de ingeslagen weg voortgaan. 17 Volg mij na, broeders en zusters, en kijk naar hen die leven volgens het voorbeeld dat wij u gegeven hebben. 18 Ik heb u al vaak gezegd, en zeg nu zelfs met tranen in mijn ogen: Velen leven als vijand van het kruis van Christus 19 en gaan hun ondergang tegemoet. Hun god is hun buik, hun eer is schaamteloosheid en hun aandacht is alleen gericht op aardse zaken. 20 Maar wij hebben ons burgerrecht in de hemel, en van daar verwachten wij onze redder, de Heer Jezus Christus. 21 Met de kracht waarmee Hij in staat is alles aan zich te onderwerpen, zal Hij ons armzalig lichaam gelijkmaken aan zijn verheerlijkt lichaam. (NBV21)

Een schrijver van Bijbelboeken, een van de eerste zendelingen buiten Palestina, stichter van een groot aantal gemeenten, die als bemoediging aan een jonge gemeente schrijft dat hij nog niet zover is dat hij er zeker van is ooit uit de dood op te staan. Het mag ons dus niet van het werk afbrengen als we twijfelen aan alle vrome praat over het hiernamaals, het oordeel na de dood, of de hemel of de hel. Zul je ooit de mensen van de dood achter je kunnen laten is de vraag. Hun god is hun buik, in onze dagen in onze streken een zeer herkenbaar beeld. Het gaat volgens Paulus om het hemelse doel waar we als volmaakte mensen op af moeten gaan. Dat is dus de naaste liefhebben als jezelf.  De ruzie over koopkracht, bezuinigingen, meevallers en tegenvallers beheerst hen die hun eer leggen in schaamteloosheid en hun aandacht alleen gericht houden op aardse zaken. Niet de discussie over armen, over zieken, over zwakken in de samenleving, niet de vraag of er goed gezorgd wordt voor hen die zorg nodig hebben, over de slachtoffers van toeslagenbeleid, jeugdzorg en gaswinning.

Wel de hogere energierekening willen compenseren voor de rijken zodat verkwisting kan doorgaan en zuiniger en verantwoorder energiegebruik achterwege kan blijven maar je niet afvragen of de kinderen onder ons wel goed beschermd worden. We moeten ons er ook al die jaren na het schrijven van de brief aan de mensen in Filippi niet door laten ontmoedigen. Uiteindelijk komt dat Koninkrijk van recht en vrede er, zal de hemel op aarde neerdalen en maakt God een tent voor zichzelf om hier te wonen. Elke dag weer mogen we opnieuw beginnen om aan dat rijk te werken, om mensen te werven voor het uitvoeren van de Wet van recht en vrede. Elke dag weten we ook dat er manieren verzonnen worden om de rijken rijker, de machtigen machtiger te maken. Elke dag ook zien we wel wat over het hoofd of bezwijken we voor de verleiding de boel even de boel te laten.

Elke keer mogen we opnieuw beginnen. Omdat we er bij willen horen. En pas op dat je je niet laat verleiden door al die predikers die ook in deze donkere dagen geluk en voorspoed beloven. Val op je knieën, laat Jezus in je hart en alle verdriet en ellende vallen van je af. Niets is minder waar. Als je wilt kijken met de ogen van Jezus van Nazareth dat zie je geen schitterende lichten in de stad, maar de zwervers in de kou. Dan zie je geen schitterende natuurparken in Afrika, maar hongerige kinderen en moeders die geen huis meer hebben om hun kinderen te slapen te leggen. Dan zie je geen vrede met engelen in de heldere lucht, maar wapenhandel en oorlog die we kunnen uitbannen. Dan doet het leed in de wereld je net zo veel pijn als Jezus van Nazareth voelde aan het kruis, maar je weet dat je dan pas echt tot leven komt, alsof je opnieuw wordt geboren.