Wees niet opstandig

Ezechiël 1:28b–3:3

28b Ik hoorde een stem, 1 die tegen mij zei: ‘Mensenkind, kom overeind, dan zal Ik met je spreken.’ 2 Terwijl deze woorden klonken, voer er een geest in mij die me weer overeind deed komen, en ik hoorde dat er opnieuw tegen mij werd gesproken: 3 ‘Mensenkind, Ik stuur jou naar de Israëlieten, naar dat weerspannige volk dat tegen Mij in opstand is gekomen. Tot op de dag van vandaag verzetten ze zich tegen Mij, zoals ook hun voorouders hebben gedaan. 4 Naar dat volk, dat zo halsstarrig en eigenzinnig is, stuur Ik jou. Je moet tegen hen zeggen: “Dit zegt God, de HEER … ” 5 En of ze nu horen willen of niet-het is immers een opstandig volk-,ze zullen weten dat er een profeet in hun midden is geweest. 6 Maar jij, mensenkind, jij hebt van hun woorden niets te vrezen, je hoeft voor hen niet bang te zijn, al zijn ze als brandnetels en doornstruiken en belagen ze je als schorpioenen. Je hoeft je door dat volk niet te laten afschrikken of angst te hebben voor hun woorden, hoe opstandig ze ook zijn. 7 Je moet hun laten weten wat Ik te zeggen heb, of ze nu horen willen of niet, hoe opstandig ze ook zijn. 8 Jij, mensenkind, luister naar mijn woorden en wees niet opstandig zoals dat volk. Doe je mond wijd open en eet wat Ik je te eten geef.’ 9 Ik keek, en zag een hand die naar mij was uitgestrekt en een boekrol vasthield. 10 Die werd voor mijn ogen uitgerold en ik zag dat hij aan beide kanten beschreven was. Dit stond erop te lezen: Klaagliederen, en gezucht en gesteun. 1 De stem zei tegen mij: ‘Mensenkind, eet op wat je wordt voorgehouden; eet deze rol op en ga naar de Israëlieten om te profeteren.’ 2 Ik opende mijn mond en kreeg de boekrol te eten, 3 en de stem zei: ‘Mensenkind, vul je maag en je buik met deze rol, die Ik je geef.’ Ik at de rol op; hij was zo zoet als honing. (NBV21)

Overweldigd door het geweldige visioen werpt Ezechiël zich op de grond. Wat moet je met een beeld van de oppergod van Babel, de donderwolk Marduk, die gebruikt wordt als een zonnewagen door de God van Israël? Daarmee hoef je niet bij dat volk aan te komen. Ze zijn niet voor niets in ballingschap gevoerd. Hun God heeft het verloren. Maar de macht en de glorie, die het visioen aan Ezechiël heeft laten zien, brengen hem op andere gedachten. Het is alsof hij een stem hoort die hem vertelt niet bang te zijn voor de woorden van zijn volk. Ezechiël blijft in beelden spreken, al zijn ze als brandnetels en doornstruiken en belagen ze je als schorpioenen je hoeft je niet te laten afschrikken. Zo’n beeld doet denken aan de cynici uit onze dagen, die spreken van knuffelaars en theedrinkers als ze het hebben over mensen die in onze samenleving vrede en verdraagzaamheid willen brengen. Net als Ezechiël moet die taal ons niet laten afschrikken en ons gewoon laten doen waar we in geloven.

Maar dan moeten we zelf ook niet opstandig willen zijn. Bang voor een verbaal sterke tegenstander die haat zaait en mensen tegen elkaar opzet. Die niet de problemen wil oplossen die er zijn, dus niet wil dat we spreken met mensen die overlast veroorzaken en met hen de maaltijd gaan gebruiken zodat de overlast kan verdwijnen en onze samenleving versterkt. Die alleen in termen van zij en wij, van kwaad en goed, wil praten. Wij moeten ons niet van de wijs laten brengen en blijven op de Weg die de God van Israël ons heeft gewezen. De Weg die ook aan de profeet Ezechiël werd gewezen. Ook al was dat volk in ballingschap gevoerd, zat het aan de oevers van de rivieren van Babylon en weende het als het terugdacht aan het verwoeste Jeruzalem, zoals ons in Psalm 137 wordt geschilderd, toch moest Ezechiël de boodschap van bevrijding door de God van Israël brengen.

Weer komt er zo’n treffend beeld zoals dat heel het boek van de profeet Ezechiël door zal gebeuren. Hier gaat het om een boekrol die gegeten moet worden. Later zou een Engelse schrijver het eten van een boekje gebruiken in Alice in Wonderland, het verhaal vol absurde gebeurtenissen. Maar zo absurd is dit niet. Die boekrol was niet zomaar een boekrol. De Leer van Mozes, de boeken van de profeten en de geschriften waren in boekrollen opgeschreven, heel de Hebreeuwse Bijbel zoals ze die mee naar Babel hadden genomen was in boekrollen opgeschreven. Op de boekrol die Ezechiël nu te zien kreeg stonden klaagliederen en gezucht en gesteun. Moest hij het daarvan hebben? Je proeft de aarzeling in het verhaal. Maar de klaagliederen en het gezucht en gesteun smaakten zoet als honing. En wie in onze dagen werkt in de voedselbanken voor mensen in nood, in de Fair Trade winkels, als vrijwilliger in thuiszorg of ziekenhuis, weet dat het geklaag en gesteun waarbij je mag helpen uiteindelijk gaat smaken als zoete honing, want je mag het leed verzachten, je mag meegaan met mensen die het nodig hebben, ze weer in beweging brengen en een toekomst laten zien. Dat mag dus ook vandaag weer.

 

Waarheen Gods geest hen leidde

Ezechiël 1:15-28a

15 Opnieuw keek ik naar de wezens, en ik zag bij elk van de vier een wiel op de grond staan, aan de voorkant.16 De wielen glansden alsof ze gemaakt waren van turkoois en ze hadden alle vier dezelfde vorm: ze leken op een wiel midden in een ander wiel. 17 Ze gingen met de vier wezens mee, zonder om te draaien. 18 Hun velgen waren angstwekkend hoog, en elk van de vier velgen was afgezet met ogen. 19 Als de wezens zich bewogen, gingen de wielen mee, en als de wezens opstegen van de aarde, stegen ook de wielen op. 20 Waarheen Gods geest hen leidde, daarheen gingen de wezens: zij volgden de geest en de wielen stegen met hen op, want een en dezelfde geest leidde de wezens en de wielen. 21 Als de wezens zich bewogen, bewogen ook de wielen, en als ze stilstonden, stonden ook de wielen stil. Als ze van de aarde opstegen, stegen ook de wielen op; een en dezelfde geest leidde immers de wezens en de wielen. 22 En boven de hoofden van de wezens was een soort koepel, glinsterend als ijs, angstwekkend-deze koepel strekte zich hoog boven hun hoofden uit. 23 Daaronder stonden ze. Hun uitgespreide vleugels raakten die van de wezens aan weerszijden en hun twee andere vleugels waren toegevouwen en bedekten hun lichamen. 24 Toen hoorde ik het geluid van hun vleugels. Het klonk als het gebulder van de zee, als de stem van de Ontzagwekkende, als het rumoer van een mensenmassa, als een dreunend leger. Wanneer ze stilstonden vouwden ze hun vleugels weer toe. 25 Toen hoorde ik ook een geluid boven de koepel boven hun hoofd-maar zijzelf stonden stil met toegevouwen vleugels. 26 En boven de koepel zag ik iets dat leek op een troon van saffier, en daarboven, op die troon, zag ik een gedaante als van een mens. 27 Vanaf wat zijn heupen leken te zijn naar boven toe zag ik iets dat glansde als wit goud en door iets als vuur omgeven was, en naar beneden toe zag ik iets als vuur, omgeven door een stralende gloed. 28 Zoals de boog die bij regen verschijnt in de wolken, zo zag die gloed eruit. Dit was de aanblik van de stralende verschijning van de HEER, en toen ik dit alles zag, wierp ik me voorover op de grond. (NBV21)

Wat een gedoe, die beschrijving van de wagen van de wezens met de wielen die wel of niet over de aarde rijden met al die ogen op de velgen en daarop een troon met iets als van een mens. Voor onervaren bijbellezers een brij van onbegrijpelijke beelden. Wat laat die profeet Ezechiël ons nou helemaal zien. Om te beginnen een kubus, zoiets als de Kaabah in Mekka, die kubus waar de Moslims zich heen buigen. Men neemt aan dat in het boek Ezechieël met die kubus de Tempel in Jeruzalem wordt bedoeld, compleet met een koepel zoals de Al Aksa moskee die op de Tempelberg staat. In de Tempel werden de platen met de tien grondregels bewaard. Maar daarboven uit troont de God van Israël. “Op iets dat leek op een troon” zegt de profeet. Menselijke woorden om het goddelijke uit te drukken. Dat geldt ook voor de beschrijving van de God zelf. “een gedaante als van een mens”. De mens is immers naar Gods beeld en gelijkenis geschapen. De mens valt niet samen met God, God gaat verre boven de mens uit. Maar als je God moet beschrijven gebruik je maar menselijke beelden, andere woorden, andere beelden hebben we niet om over God te spreken, maar als we genoeg afstand inbouwen dan moet het maar zo.

We hadden al gezien dat die dieren de goden van Babel voorstelden. Maar dan die ogen, al die ogen op de velgen. Geleerden strijden er nog over wat daarvan de precieze betekenis kan zijn. Niet dat we het wel weten maar ogen worden in religieuze afbeeldingen nog wel eens gebruikt als waarschuwing: god ziet alles. Vroeger kregen kinderen nog wel eens een zogenaamd alziend oog in een plaat op hun slaapkamer hangen, als waarschuwing dat God alles ziet. Nu beseft Ezechiël ook dat al die goden, al die krachten en machten van hemel en aarde onderworpen zijn aan de God van Israël. Die prachtige wagen met die schitterende troon wordt bestuurd door de Geest van God. Al die machten en krachten, al die goden en godjes, met hun alziende ogen, hun spionerende ogen, zijn uiteindelijk onderworpen aan de God van Israël. In onze dagen zijn het de geheime diensten, zelfs die van bevriende mogendheden, die alles willen zien, waardoor mensen moeten zwijgen en in het verborgen hun dromen moeten dromen.

Ezechiël ziet dat zelfs ballingen in een vreemd en machtig land dat vol staat met tempels en godenbeelden niet bang hoeven te zijn voor het verlies van hun identiteit. Ook in de ballingschap laat de God van Israël niet los het werk dat hij begonnen is. Dat volk, dat als lichtend voorbeeld van de liefde van God de wereld de glorie van God zou laten zien, komt er. Het is een geweldig visioen. Het is ook een dapper visioen. Zonder de troon met God er op is het visioen al indrukwekkend genoeg. Het schittert zoals ook in onze dagen dictaturen kunnen schitteren, ze weten alles en het lijkt of ze alles beheersen. Maar dat beheersen gaat alleen met geweld. In Syrië kunnen we dat dagelijks zien, zeker nu na de val van het regiem de verhalen over geweld en onderdrukking verteld kunnen worden. Langzaam hoort de wereld de roep van de onderdrukten die ondanks de dreiging met de dood de straat op gaan in Iran. Langzaam wordt de liefde voor het leven zo groot dat de wereld de dood van demonstranten niet meer accepteert. Als wij dat willen zal ook hier de Liefde van God, Gods geest zelf, de wagens van dictators en politici gaan besturen. Via internet kunnen we de demonstranten steunen, de vrijheid gestalte geven. Dat moeten we dus ook maar doen vandaag.

 

Ze zagen eruit als fakkels

Ezechiël 1:1-14

1 Op de vijfde dag van de vierde maand in het dertigste jaar, toen ik te midden van de ballingen bij het Kebarkanaal woonde, opende zich de hemel en kreeg ik een visioen van God. 2-3 (Op de vijfde dag van die maand, en wel in het vijfde jaar van koning Jojachins ballingschap, richtte de HEER zich tot de priester Ezechiël, de zoon van Buzi, in het land van de Chaldeeën, bij het Kebarkanaal. Daar werd hij door de hand van de HEER gegrepen.) 4 Dit is wat ik zag: een stormwind, komend uit het noorden, een grote gloeiende wolkenmassa, een vuur van bliksemflitsen. Daar middenin zag ik iets dat glansde als wit goud. 5 In het midden van het vuur zag ik iets dat leek op een viertal wezens. Zo zagen ze eruit: ze leken op mensen 6 maar ze hadden elk vier gezichten en vier vleugels. 7 Hun benen waren recht en hun voeten, die blonken als gepolijst brons, leken op de hoeven van een kalf. 8 Aan hun vier zijden, onder hun vleugels, zag ik mensenhanden. De gezichten en vleugels van de vier wezens zagen er zo uit: 9 hun vleugels raakten elkaar, en omdat ze aan elke kant een gezicht hadden, hoefden de vier wezens zich niet om te draaien als ze zich voortbewogen. 10 Hun gezichten leken van voren op het gezicht van een mens en van rechts op de muil van een leeuw, van links op de kop van een stier en van achteren op de bek van een adelaar. 11 Dat waren hun gezichten. Twee van hun vleugels waren naar boven uitgespreid en raakten die van de wezens aan weerszijden, en met de andere twee bedekten ze hun lichaam. 12 Elk van de wezens bewoog zich recht vooruit, waarheen de geest van God hen ook maar dreef, en ze hoefden zich, waarheen ze ook gingen, niet om te draaien. 13 Ze zagen eruit als iets dat leek op brandende, vurige kolen; ze zagen eruit als fakkels. Er ging vuur heen en weer tussen de wezens, een gloeiend vuur, en er kwam bliksem uit het vuur. 14 En zo flitsten de wezens heen en weer, als bliksemstralen. (NBV21)

Vandaag beginnen we te lezen in het boek van de profeet Ezechiël. Wie dat precies was weten we niet. In zijn boek komt zijn naam een keer of drie voor en zijn naam betekent zoiets als “De Heer is een redder”. Hij was opgeleid tot priester en was met de elite van Jeruzalem in ballingschap gevoerd naar Babel. Nu is een profeet geen toekomstvoorspeller, geen waarzegger, maar een profeet zegt de waarheid over de samenleving waarin hij leeft. En die waarheid was een en al somberheid. Ooit was er in het Ur der Chaldeeën een familie geweest die meende een stem van een God gehoord te hebben. Die stem had de familie bevolen uit het land van de Chaldeeën weg te trekken omdat uit die familie een groot volk zou voortkomen. Ze waren naar Haran gegaan, daar was aan de zoon Abram opnieuw die God verschenen en had hem opgedragen door te reizen naar Kanaaän want dat land zou die God hem geven. Dat was niet gemakkelijk geweest, dat wist Ezechiël ook wel, maar uiteindelijk hadden ze in Juda een welvarende staat met in het centrum een prachtige hoofdstad Jeruzalem met een echte Tempel voor de God van Israël. En de belofte dat ze dat land en die stad voor eeuwig zouden bezitten.

Maar nu zaten ze in het land van de Chaldeeën bij het Kebarkanaal. Ze keken uit op de machtigste stad van de wereld, op Babel, met zelfs wereldwonderen, hangende tuinen die je nergens kon zien. De goden van Babel hadden alle andere goden verslagen en in Babel hadden ze nog al veel goden. Oppergod was de God van de donder, Mardoek, die had ook de God van Israël verslagen zo was aan de ballingen verteld. Daar zat Ezechiël toen hij door de hand van de Heer werd gegrepen. Op de een of andere manier kon hij kennelijk niet geloven dat de God van Abraham was overwonnen, dat de God van Mozes en de richtlijnen voor een menselijke samenleving was overwonnen door een dondergod. Hoe zat het dan wel in elkaar? Toen zag hij de donderwolk in de verte. Daar kwam de God Mardoek, de wolk schitterde en wezens flitsten heen en weer als bliksemstralen. Mardoek was de baas van alle goden van Babel en dat was te zien merkte Ezechiël. Hij zag wezens met vleugels en dierenlichamen en gezichten als van mensen. In Irak, waar Babel ooit lag, konden wij vroeger in vakanties ook dat soort beelden opzoeken. In de verhalen over Alexander de Grote zijn ze ook te vinden. Nu zijn ze waarschijnlijk gesneuveld in weer een oorlog, maar ze waren er wel.

Er was iets bijzonders met die beelden. Ze hadden vleugels, elk vier, twee waren er omhoog gericht en raakten elkaar. Ezechiël dacht direct terug aan het allerheiligste dat hij had geleerd. In een kamer in de Tempel in Jeruzalem stond een kist van acaciahout, daar werden de grondregels voor de menselijke samenleving bewaard. Op die kist stonden twee Cherubim, beelden van goud, met vleugels naar elkaar gericht. Zij gaven aan hoe heilig die kist wel niet was. Het was de voetenbank van zijn God op aarde. De beelden uit de onweerswolk van Mardoek hadden ook twee vleugels waarmee ze vlogen, voor elke windrichting waren er vleugels, die wolk ging de hele wereld over. En ze werd gestuurd door de Geest van de God van Israël zag Ezechiël. Het was te raar voor woorden. Een verslagen God die de godenwereld van het machtige Babel bestuurde? Ezechiël is de profeet van het zien. De profeten van het horen, Jesaja en Jeremia, Amos en al die anderen hadden het volk niet echt weten te bereiken. Nu kwam er een profeet van het zien. Misschien hebben wij die ook wel nodig. Ook in onze dagen lijkt het er op dat de God van Israël, de vader van Jezus, dood is. Wie gelooft daar nog in? Andere machten hebben het voor het zeggen in de wereld. Het draait om geld en om macht. Misschien dat wij ook kunnen zien dat ook die machten gestuurd worden door een God die van mensen vraagt macht dienstbaar te maken aan de zwaksten en geld te delen met wie het nodig hebben. Als we dat beeld vasthouden gaan we heel anders naar onze wereld kijken.

Tot het doodsgevaar is geweken

Psalm 57

1 Voor de koorleider. Op de wijs van Verdelg niet. Van David, een stil gebed, toen hij voor Saul was gevlucht in een spelonk. 2 Wees mij genadig, God, wees mij genadig, want bij U is mijn leven geborgen. In de schaduw van uw vleugels zal ik schuilen, tot het doodsgevaar is geweken. 3 Ik roep tot God, de Allerhoogste, tot God, die mij beschermt. 4 Uit de hemel zal Hij hulp sturen, wie mij bedreigt wordt smadelijk verjaagd. sela Ja, God stuurt mij zijn liefde en trouw. 5 Tussen leeuwen moet ik liggen, tussen dieren die mensen verslinden, hun tanden zijn speren en pijlen, hun tong is een geslepen zwaard. 6 Verhef u boven de hemelen, God, laat uw glorie heel de aarde vervullen. 7 Ze hadden een net op mijn weg gespannen om mij ten val te brengen, ze hadden voor mij een kuil gegraven, maar vielen er zelf in. sela 8 Mijn hart is gerust, o God, mijn hart is gerust, ik wil voor U zingen en spelen. 9 Ontwaak, mijn ziel, ontwaak met harp en lier, ik wil het morgenrood wekken. 10 U, Heer, zal ik loven onder de volken, over U zingen voor alle naties. 11 Hemelhoog is uw liefde, tot aan de wolken reikt uw trouw. 12 Verhef u boven de hemelen, God, laat uw glorie heel de aarde vervullen. (NBV21)

Er zijn van die omstandigheden waarin het voelt alsof er een mes door je hart gaat. Ziekte, werkloosheid, oorlog, onderdrukking noem maar op, we kunnen ons er allemaal wel iets bij voorstellen. Vandaag voor velen omdat een voetbalwedstrijd verloren werd. In de loop van de eeuwen zijn er altijd liederen geschreven om mensen de gelegenheid te geven die omstandigheden een plaats te geven, om er mee verder te kunnen in het leven. De Psalm die we vandaag meezingen uit het boek van de Psalmen is zo’n lied. In het Hebreeuws staat het er ook boven: Miktam, de juiste vertaling er van kennen we niet maar het heeft iets met inscriptie te maken, of kleinood zoals Luther vertaald, maar reken maar dat samen met de uitroep “verdelg niet” het de bedoeling heeft het letterlijk doorboren van je hart tegen te gaan.

Het is dan ook wat, die omstandigheden die de dichter van de Psalm door het hart snijden. David wordt hier genoemd in een verhaal dat in de boeken van Samuël wordt verteld. David had Goliath verslagen en was als jonge harpspeler, als musicus naar het hof van Saul ontboden om daar de Koning met zijn muziek rust te geven, te kalmeren als deze zich zal op te winden over al de oorlogen die gevoerd moest worden. Ook David kon de oorlog aan tegen de buurvolken die Israël steeds kwamen leegroven. Maar Saul was jaloers geworden en David had moeten vluchten. Hij was een ordinaire bendeleider geworden in de woestijn die zich schuil moest houden voor zijn koning. Samen met zijn manschappen had hij zich in een spelonk moeten verbergen.

Maar juist in die ellendige omstandigheden trekt de God van Israël met je mee. Daar zingt deze Psalm van. Het hart wordt gevormd door een uitspraak die bij ons een spreekwoord is geworden: “wie een kuil graaft voor een ander valt er zelf in”. Koningen die alleen zichzelf kunnen zien, die geen andere machten naast zich dulden worden tot dictators en krijgen vroeg of laat het hele volk tegen zich. In de Oekraïne zien we dat van dag tot dag. De liefde en het recht zullen vrede brengen, God brengt uitkomst zeggen we dan op z’n Bijbels. Maar het zegt ook dat we onder alle omstandigheden vast moeten houden aan het heb uw naaste lief als uzelf. Dat was wat Jezus van Nazareth ons ook heeft voorgeleefd. Het volk Israël herkende in die manier van leven de regeringsperiode van Koning David, wij kennen het als de liefde tot gids maken op ons dagelijks levenspad. Welke omstandigheden ons ook overkomen, dat kunnen we volhouden, elke dag opnieuw ook vandaag weer.

 

Kijk zelf maar

1 Samuël 24:1-23

1 David trok zich met zijn mannen terug in de rotsholen in de buurt van Engedi. 2 Toen Saul bij terugkeer van zijn veldtocht tegen de Filistijnen hoorde dat David zich in de woestijn bij Engedi bevond, 3 koos hij drieduizend van de beste soldaten van Israël uit en ging met hen in het rotsachtige gebied waar de steenbokken leven, op zoek naar David en zijn mannen. 4 Onderweg kwam hij langs schaapskooien waarachter een spelonk lag. Daar ging hij naar binnen en hurkte neer om zijn behoefte te doen. En juist achter in die spelonk hadden David en zijn mannen zich verstopt. 5 Davids mannen zeiden tegen hem: ‘Dit is je kans! Dit is het moment waar de HEER op doelde toen Hij zei: “Ik zal je vijand aan je uitleveren; je kunt met hem doen wat je goeddunkt.”’ David stond op en sneed stilletjes een reep van Sauls mantel af. 6 Zijn hart bonsde ervan, 7 en hij zei tegen zijn mannen: ‘De HEER verhoede dat ik mijn koning, de gezalfde van de HEER, iets zou aandoen en mijn hand tegen hem zou opheffen. Hij is immers door de HEER zelf als koning aangewezen.’ 8 Zo maande David zijn mannen tot kalmte en weerhield hij ze ervan om Saul te overvallen. Saul was opgestaan en weer naar buiten gegaan. 9 Nu haastte ook David zich naar buiten en hij riep hem achterna: ‘Mijn heer en koning!’ Toen Saul omkeek, knielde David neer, boog diep voorover 10 en zei: ‘Waarom schenkt u gehoor aan de mensen die beweren dat ik u kwaad wil doen? 11 Vandaag hebt u aan den lijve kunnen ondervinden dat de HEER u in die spelonk aan mij had uitgeleverd. Ze zeiden dat ik u moest vermoorden, maar ik was met u begaan en ik zei bij mezelf dat ik mijn hand niet tegen mijn heer moest opheffen, omdat u immers de gezalfde van de HEER bent. 12 Kijk zelf maar, vader, hier heb ik een stuk van uw mantel; ik heb een reep van uw mantel afgesneden, maar ik heb u niet vermoord. Ziet u wel dat ik niets kwaads of verkeerds tegen u in de zin heb? Ik heb u niets misdaan, maar u jaagt me op en staat me naar het leven.13 Laat de HEER beslissen wie van ons beiden in zijn recht staat en laat de HEER mij op u wreken; ik zal mijn hand niet tegen u opheffen. 14 Zoals het oude spreekwoord luidt: Slechte mensen, slechte daden. Nee, ik zal mijn hand niet tegen u opheffen. 15 Achter wie zit de koning van Israël eigenlijk aan? Op wie maakt u jacht? Een dode hond, een nietige vlo! 16 De HEER zal uitspraak doen en beslissen wie van ons beiden in zijn recht staat. Hij zal mijn zaak onderzoeken en verdedigen en mij recht verschaffen tegenover u.’ 17 Nadat David was uitgesproken, vroeg Saul: ‘Is het jouw stem die ik daar hoor, David, mijn zoon?’ Toen barstte hij in tranen uit 18 en zei: ‘Jij staat in je recht en ik niet, want jij hebt kwaad met goed vergolden. 19 Je hebt zojuist getoond dat je het goed met me voorhebt: de HEER had me aan jou uitgeleverd, en toch heb je me niet gedood. 20 Wie laat ooit zijn vijand gaan als hij hem op zijn weg vindt? Moge de HEER je belonen voor wat je vandaag voor mij hebt gedaan. 21 Nu weet ik zeker dat jij koning zult worden en dat je het koningschap van Israël vast in handen zult houden. 22 Maar zweer me bij de HEER dat je mijn nakomelingen niet zult uitroeien, zodat mijn naam binnen de familie behouden blijft.’ 23 David zwoer wat Saul van hem vroeg. Toen ging Saul terug naar huis en David en zijn mannen trokken weer de bergen in. (NBV21)

Het is geen toeval, het is hetgeen je toe valt in het leven. Mensen willen vaak graag greep hebben op het leven en ontkennen daarom dat er onverwachte en onverklaarbare gebeurtenissen zijn. Toeval bestaat niet. Maar die onverwachte en onverklaarbare gebeurtenissen zijn er wel. Soms vallen ze achteraf te beredeneren. Maar nog vaker zijn er zoveel ontelbare zaken die de gang van ons leven bepalen dat er van redeneren en verklaren niets terecht komt. Gelovigen wijzen dan op hun God die het al zou besturen. Nu zijn er naast goede en welkome zaken ook kwade en onwelkome zaken die je in het leven kunnen toevallen. Niemand immers weet wanneer een geliefde zal sterven, niemand wenst ook dat een geliefde voortijdig zal sterven. Toch gebeurt het dag in dag uit dat mensen hun partner verliezen, dat ouders hun kinderen verliezen en kinderen hun ouders. Is het de God die dat bestiert? We moeten er niet aan denken dat er een God is die de dood van geliefden wil, of de dood van je kinderen. Dat God een grens aan het leven heeft gesteld is al meer dan genoeg.

We moeten dus heel voorzichtig zijn God allerlei gebeurtenissen in het leven in de schoenen te schuiven. David bijvoorbeeld in ons verhaal laat het uit zijn hoofd de God van Israël verantwoordelijk te maken voor de schijterij van Saul. Want daar gaat dit verhaal om. David heeft zich verscholen in een van de grote grotten in de woestijn rond de Bokkenbron, Engedi. Met 600 man zit hij achterin een grot als Saul met 3000 soldaten naar hem op zoek gaat. Maar Koning, Keizer, Admiraal, hun behoefte doen moeten ze allemaal. Zelfs Saul die met kop en schouders boven een ieder uitsteekt moet achter een muurtje bij de ingang van een grot zijn voeten bedekken zoals er zo netjes in het Hebreeuws staat. De mannen van David zien er de hand van de God van Israël in. Hier is de kans om van Saul verlost te worden, Saul kan gedood worden. Maar David kijkt wel uit. Hij heeft de richtlijnen van de God van Israël en die moeten in elke situatie worden toegepast. “Gij zult niet doden”schalt het door zijn hoofd. Dit is immers zelfs de gezalfde van God. Daarom snijdt hij alleen een reep van de mantel. Het bewijs dat hij het goede wil doen.

Dat hij zich daarmee het koningschap van Saul toeëigent kan hij niet weten. Toen Saul een reep van de mantel van Samuël scheurde kreeg Saul te horen dat op die manier zijn koningschap van hem afgescheurd zou worden. En Saul kan nu niet anders dan beamen dat David de wettige koning van Israël zal worden. Nederig vraagt hij David om tenminste zijn familie de kans te geven voort te leven zodat zijn naam niet verloren zal gaan. En David kan niet anders dan daar in toe te stemmen. Zo gaan beiden uiteen. Gaan ze nu als vrienden verder? Is het conflict uit de wereld? Het lijkt er niet op. Saul gaat terug naar het hof, hij is weer de koning die hij was. David trekt met zijn mannen verder de woestijn in. Hij is weer de vluchteling die hij was. De ontmoeting was hen beiden toe gevallen en had hen beiden het leven geschonken. Zo mogen ook wij met al die zaken die ons toe vallen omgaan. Het goede blijven doen en niet dan het goede. Verdriet hebben om hen die ons ontvallen, troosten hen die verdriet hebben om hen die hen ontvallen zijn. De zieken verzorgen, de naakten kleden, de hongerigen voeden. Toevallig mag dat elke dag opnieuw, ook vandaag weer.

 

‘Moge de HEER u zegenen’

1 Samuël 23:14-28

14 David en zijn mannen verschansten zich in rotsholen in de met kloven doorsneden woestenij ten oosten van Zif. Saul liet elke dag naar David zoeken, maar God leverde hem niet aan hem uit. 15 David, die in Choresa zat, in de woestijn van Zif, merkte wel dat Saul het nog steeds op zijn leven gemunt had. 16 Sauls zoon Jonatan zocht David in Choresa op om hem te zeggen dat hij op God moest blijven vertrouwen. 17 ‘Je hoeft niet bang te zijn,’ zei hij, ‘mijn vader Saul zal je niet te pakken krijgen. Jij zult koning van Israël worden en ik zal de tweede man zijn. En dat weet mijn vader zelf ook.’ 18 Nadat ze samen ten overstaan van de HEER hun vriendschapsverbond hadden bevestigd, ging Jonatan terug naar huis; David bleef in Choresa. 19 Ondertussen waren enkele inwoners van Zif naar Gibea gegaan om Saul te vertellen: ‘Weet u wel dat David zich bij ons in Choresa schuilhoudt, in de rotsholen van de Chachila, ten zuiden van de Jesimon? 20 U bent er toch zo op gebrand om op David af te gaan, koning? Doe het dan nu; wij zullen ervoor zorgen dat hij u in handen valt.’ 21 ‘Moge de HEER u zegenen,’ antwoordde Saul. ‘U bent tenminste met mij begaan. 22 Maar ga eerst nog een keer precies na waar hij zit en wie hem daar gezien heeft, want men heeft me verteld dat hij bijzonder listig te werk gaat. 23 Zorg ervoor dat u al zijn schuilplaatsen te weten komt en kom dan met de precieze gegevens bij me terug. Dan zal ik met u meegaan, en als hij zich inderdaad bij u bevindt, zal ik hem tussen alle duizenden inwoners van Juda weten te vinden.’ 24 Daarop vertrokken de bezoekers om Saul voor te gaan naar Zif. David en zijn mannen bevonden zich inmiddels in de woestijn bij Maon in de Araba, ten zuiden van de Jesimon. 25 Toen David hoorde dat Saul en zijn mannen hem op het spoor waren, trok hij naar de rotskloof. Saul, die had vernomen dat David zich in de woestijn bij Maon bevond, begon daar jacht op hem te maken. 26 Saul volgde het pad aan de ene kant van de kloof en David en zijn mannen het pad aan de andere kant. David deed zijn uiterste best om Saul voor te blijven, maar Saul en de zijnen sloten David en zijn mannen in. Juist toen ze op het punt stonden hen te overmeesteren, 27 kwam er een bode op Saul af, die zei: ‘U moet onmiddellijk meekomen, de Filistijnen zijn het land binnengevallen!’ 28 Saul staakte de achtervolging van David en ging de Filistijnen tegemoet. Daarom noemt men die plaats Sela-Hammachlekot. (NBV21)

Angst is een slechte raadgever. In de Bijbel staat op tal van plaatsen en in zeer verschillende bewoordingen het “Vrees niet”. In het gedeelte dat we vandaag lezen is David degene die bang is. En niet ten onrechte zo blijkt. Hij heeft zich in een woestijn verborgen met zijn zeshonderd soldaten. Dat kan niet onopgemerkt blijven. Zelfs zijn vriend Jonathan, de zoon van Saul, weet hem te vinden. Het is een hartelijk bezoek. De banden die de twee hadden gebonden worden nog eens aangehaald en bevestigd. Het is Jonathan die zijn vriend een hart onder de riem steekt en bemoedigt. David hoeft echt niet bang te zijn dat Saul hem zal overwinnen. De toekomst ziet er volgens Jonathan anders uit. David zal koning worden en Jonathan zal zijn eerste minister worden. Met die belofte gaan de vrienden weer uiteen. Maar David is er niet gerust op. De inwoners van de woestijn Zif ook niet. Een legertje vrijbuiters in je buurt is altijd een risico. Ze moeten eten, zoeken vertier en aangezien er niemand is die ze betaalt zullen ze moeten plunderen. De Zifieten gaan dus naar Saul.

Maar Saul heeft al eens voor gek gestaan. David is zeer slim en niet zomaar gevangen. De Zifieten moeten daarom zorgvuldig nagaan waar dat legertje vrijbuiters hun onderkomen heeft en waar hun schuilplaatsen zijn. Als Saul dan goed op te hoogte is gaat hij op pad. David heeft inmiddels inderdaad een nieuwe schuilplaats gevonden. Hij is nog verder de woestijn in getrokken. Steeds verder van de bewoonde wereld vandaan. In een berggebied waar nog nauwelijks iets wil groeien. Het leger van Saul, goed gevoed en goed getraind met een achterland dat hen voorziet van eten en drinken, loopt daarom ook snel in op David. Maar als Saul op het punt staat met zijn leger David gevangen te nemen wordt het leger van Saul weggeroepen omdat er een leger Filistijnen misbruik dreigt te maken van de afwezigheid van de Koning. David wordt dus gered door de Filistijnen. Zoiets kun je niet voorspellen. Voor de latere lezers van het verhaal was het een bewijs dat de God van Israël gebruik maakt van alles in de wereld om de zijnen te helpen. De plek waar het gebeurde krijgt een naam zodat men zich het kan blijven herinneren: “Rots van de verdeling”.

Ook wij zijn vaak bang als het om ons geloof in de God van Israël gaat. Zeker in een wereld die steeds vijandiger lijkt te staan tegenover geloof en religieuze instituten. En natuurlijk moet je niet zo flink willen zijn voortdurend over jouw goede geloof te praten en het ongeloof van de anderen te veroordelen. Van alleen praten is nooit iemand beter geworden. Getuigenis afleggen van je geloof doe je door te doen wat God van ons vraagt, je naaste liefhebben als jezelf. En als je je bezig houdt met het helpen van de zwaksten, opkomt voor de minsten, dan hoef je inderdaad niet bang te zijn. Dan zul je zien dat uiteindelijk de mensen die het goede zoeken je gaan bewonderen. En als je dan gevraagd wordt hoe je dat volhoudt dan kun je vertellen over je geloof. Dan vertel je misschien hoe zelfs een David rond moest trekken in de woestijn achtervolgd door zijn eigen koning omdat hij nu eenmaal het goede wilde doen en niet dan het goede. Want tot het goede doen zijn we geroepen. Daar mogen we elke dag weer opnieuw mee beginnen. Ook vandaag weer.

Komaan, ruk op

1 Samuël 23:1-13

1 Het was David ter ore gekomen dat de Filistijnen een aanval deden op Keïla en het graan van de dorsvloeren wegroofden. 2 David raadpleegde de HEER en vroeg: ‘Zal ik de strijd met deze Filistijnen aanbinden?’ De HEER antwoordde: ‘Ja, bind de strijd aan met de Filistijnen; je zult Keïla bevrijden.’ 3 Maar Davids mannen zeiden: ‘We zitten hier in Juda al zo in angst, wat moet het dan niet worden wanneer we naar Keïla gaan, de Filistijnse gelederen tegemoet?’ 4 Daarom raadpleegde David nogmaals de HEER, en de HEER antwoordde: ‘Komaan, ruk op naar Keïla; Ik lever de Filistijnen aan je uit.’ 5 Toen ging David met zijn manschappen naar Keïla en leverde slag met de Filistijnen. Hij voerde hun veestapel weg en bracht hun grote verliezen toe. Zo bevrijdde David de inwoners van Keïla. 6 Daar in Keïla zocht ook Achimelechs zoon Abjatar zijn toevlucht bij David. Het priestergewaad had hij meegenomen. 7 Toen Saul hoorde dat David Keïla was binnengetrokken, dacht hij: Door een stad binnen te gaan met poorten en grendels heeft hij zichzelf ingesloten. God heeft hem aan mij uitgeleverd! 8 Hij riep het leger onder de wapenen met de bedoeling om David en zijn mannen in Keïla in het nauw te drijven. 9 David wist wel dat Saul kwaad in de zin had. Daarom vroeg hij de priester Abjatar om met het priestergewaad bij hem te komen. 10 Toen zei hij: ‘HEER, God van Israël, men heeft uw dienaar verzekerd dat Saul voorbereidingen treft om naar Keïla te gaan en de stad vanwege mij te vernietigen. 11 Zullen de burgers van Keïla mij aan hem uitleveren? Is Saul inderdaad onderweg, zoals men mij heeft verteld? HEER, God van Israël, ik smeek U, laat het uw dienaar toch weten!’ ‘Ja, hij is onderweg,’ antwoordde de HEER, 12 en David vroeg: ‘Zullen de burgers van Keïla mij en mijn mannen aan Saul uitleveren?’ ‘Ja, dat zullen ze doen,’ antwoordde de HEER. 13 Daarop vertrokken David en zijn mannen uit Keïla en begonnen rond te zwerven, nu hier en dan daar. Hun aantal was inmiddels aangegroeid tot ongeveer zeshonderd. Toen Saul hoorde dat David uit Keïla was ontkomen, brak hij zijn veldtocht af. (NBV21)

David zoekt de grenzen van Israël op. Nog steeds moet het volk beschermd worden tegen de invallen van de Filistijnen. Dat blijkt als zij de Judese grensstad Keïla overvallen. Dat was een stad met sterke muren die je niet zo maar kon innemen. Geen wonder dat de manschappen van David beducht waren om met een handjevol, 400 soldaten waren er, tegen een echt Filistijns leger op te trekken. Maar David had de verzekering van de God van Israël gekregen dat hij de Filistijnen zou verslaan. Dit was immers zijn taak geworden, het volk te verlossen van de invallen van de rovers. Tot twee maal toe krijgt hij de verzekering dat hij zal overwinnen. En dat doet hij dus ook. De stad valt en de bewoners worden bevrijdt van de Filistijnen. Hoe David die antwoorden kreeg vermeld het verhaal niet, maar het gooien van het lot zal een rol hebben gespeeld. In het vervolg van het verhaal speelt de priestermantel van Abimelech namelijk een rol. Die geeft de antwoorden op de vragen die David stelt. Deze priestermantel en de priester komen ter sprake als het om Saul gaat. Zit de Koning nog steeds achter David aan en zullen de inwoners van Keïla David uitleveren aan het leger van Israël?

Op beide vragen wordt bevestigend geantwoord. Saul heeft ondertussen al een leger op de been gebracht om Keïla in te nemen. Achter de muren van die stad en achter de dubbele poort zit David immers gevangen. De dobbelstenen, de Efod, uit de priestermantel geven echter aan David op tijd een antwoord zodat hij op tijd kan vertrekken en zich weer kan verschuilen in de grotten van het rotsgebergte. Het legertje van David groeit ondertussen wel. De Priestermantel met de Efod werd al genoemd in het verhaal van Mozes en is zeer lang een instrument van de godsdienst van Israël gebleven om antwoorden te krijgen van de God van Israël. Voor ons lijken het primitieve verhalen die hier verteld worden. Een koning uit oeroude tijden heeft ruzie met een rivaal. De wereldliteratuur wemelt van dat soort verhalen. Dat de een of de ander, de goede of de slechte, geholpen wordt door een God, door dobbelstenen of de ingewanden van een vogel is ook niet vreemd. Die ingewanden vindt je in verhalen over Romeinse Keizers, ook al verhalen van ver voor onze tijd.

Verschilt de communicatie met de God van Israël dan niet met de communicatie met Heidense afgoden? In concrete vragen, moeten we oorlog voeren of niet, zit de Koning ons achterna of niet, lijkt het er wel sterk op. Alleen het geloof in de God van Israël, het geloof in de richtlijnen voor een menselijke samenleving maakt dat de interpretatie van het antwoord ook een juiste kan zijn. Het volk is het volk van God en moet alleen al daarom beschermd worden, Saul is nu eenmaal er op uit David te doden dus hij zal ook nu wel weer komen. Wij hebben geen priesters meer met een Efod, wij hebben de verhalen van de Bijbel, maar ook voor ons geldt dat we de juiste antwoorden krijgen als we die verhalen geloven. Wat zouden wij nodig hebben als we tot de minsten, tot de papierlozen of gehandicapten, tot de hongerigen of de armen, zouden behoren? Het antwoord op die vragen mag ook vandaag weer ons handelen bepalen. Net als de antwoorden van God het handelen van David bepaalden.

In Hem vind Ik vreugde

Matteüs 12:1-21

1 In die tijd liep Jezus op sabbat eens door de korenvelden. Zijn leerlingen hadden honger en begonnen aren te plukken en ervan te eten. 2 Toen de farizeeën dat zagen, zeiden ze tegen Hem: ‘Kijk, uw leerlingen doen iets dat op sabbat niet mag.’ 3 Hij antwoordde: ‘Hebt u niet gelezen wat David deed toen hij en zijn metgezellen honger hadden, 4 hoe hij het huis van God binnenging en er met hen van de toonbroden at, terwijl noch hij noch zijn mannen daarvan mochten eten, alleen de priesters? 5 En hebt u niet in de wet gelezen dat de priesters die op sabbat in de tempel dienstdoen en zo de sabbat ontwijden, onschuldig zijn? 6 Ik zeg u: hier gaat het om iets groters dan de tempel! 7 Als u begrepen had wat bedoeld wordt met: “Barmhartigheid wil Ik, geen offers,” dan zou u geen onschuldigen hebben veroordeeld. 8 Want de Mensenzoon is heer over de sabbat.’ 9 Hij trok weer verder en kwam in hun synagoge. 10 Daar stond iemand met een misvormde hand. Omdat ze Jezus wilden aanklagen, vroegen ze: ‘Is het toegestaan iemand op sabbat te genezen?’ 11 Hij antwoordde: ‘Stel dat u maar één schaap hebt en dat valt op sabbat in een kuil, wie van u zou het niet vastgrijpen en het er weer uit halen? 12 En is een mens niet veel meer waard dan een schaap? Daaruit volgt dat we op sabbat goed mogen doen.’ 13 Toen zei Hij tegen de man: ‘Steek uw hand uit.’ Hij stak hem uit en zijn hand genas en was weer even gezond als de andere. 14 De farizeeën vertrokken en overlegden hoe ze Hem uit de weg konden ruimen. 15 Jezus wist dat en week uit naar elders. Grote massa’s mensen volgden Hem, en Hij genas hen allen. 16 Hij verbood hun uitdrukkelijk bekend te maken wie Hij was. 17 Zo moest in vervulling gaan wat gezegd is door de profeet Jesaja: 18 ‘Hier is mijn dienaar, Hem heb Ik uitgekozen, Hem heb Ik lief, in Hem vind Ik vreugde. Ik zal Hem vervullen met mijn Geest, Hij zal alle volken het oordeel aanzeggen. 19 Hij zal niet twisten of schreeuwen, op straat wordt zijn stem niet gehoord. 20 Het geknakte riet breekt Hij niet af noch dooft Hij de kwijnende vlam, totdat Hij in het oordeel zegeviert. 21 Op zijn naam zullen alle volken hun hoop vestigen.’ (NBV21)

In de wereldbeweging voor internationale gerechtigheid klinkt het tegenwoordig van: “Wij willen geen liefdadigheid maar gerechtigheid.” Het had uit de Bijbel kunnen komen. De vraag is altijd wat je voorop zet: wetten, regels en fatsoen, of mensen. En als je mensen voorop stelt, gaat het dan alleen om je eigen mensen, je eigen volk, of zet je de armsten, de zwaksten in de wereld voorop. Matteüs vertelt daar een verhaal over dat gaat over de leerlingen die op de Sabbat, de dag dat je niet werken mag, toch zorgen voor hun eten, dat mocht dus niet. Die formele opstelling wijst Jezus af. Het gaat om de mensen niet om de regels. En daar moeten machthebbers het mee doen. Niet dat je nu ineens mag werken op de Sabbat, of bij ons de zondagsrust moet worden afgeschaft. De grootste uitvinding van Israël was nu eenmaal die Sabbat. Mensen leven niet bij werken alleen, mensen moeten samen kunnen komen en zich bezig houden met Liefde en met wat dat kan betekenen in hun dagelijks leven. Dat geldt niet alleen voor de Joden, dat geldt ook voor ons.

Om die liefde draaide het immers. De Tora kent naast het Sabbatsgebod nog een regel. Bij de oogst moet je het graan aan de rand van de akkers laten staan voor de armen. En nergens staat dat de armen op de Sabbat honger moeten lijden. De discipelen waren arm en hadden honger. Zij werkten dus niet echt maar maakten gebruik van de wetten voor hen. En er zijn ook altijd uitzonderingen, David wordt genoemd en zelfs de Priesters mogen werken op de Sabbat. In hoeverre je op grond van je geloof de wet mag overtreden is dus geen vraag maar soms een plicht. We kennen allemaal het gezegde dat als het kalf verdronken is men de put dempt. In het bovenstaande Bijbelstuk gaat het over een schaap dat in een kuil valt. Maar iemand genezen op de Sabbat? Jezus deed het. De autoriteiten van zijn tijd vonden het maar niks, zo openlijk de wet overtreden en, zo vertelt Matteüs, ze maakten plannen om Jezus uit de weg te ruimen. In de geschiedenis is er in de naam van “geloof” al heel wat bloed vergoten. Jezus van Nazareth zou er zelf een slachtoffer van worden. Later ook veel van zijn volgelingen.

Maar ook in dit deel van het verhaal vluchtte Jezus van Nazareth voor de autoriteiten uit zijn tijd. Was dat “genezen” dan zijn werk? Dat “genezen” kan ook vertaald worden met dienen, hij diende hen allen. Dat sluit ook aan bij het citaat dat Matteüs gebruikt uit het boek van de profeet Jesaja om duidelijk te maken wat Jezus van Nazareth eigenlijk aan het doen was. Jezus van Nazareth was aan het recht verkondigen. Het vasthouden aan hun unieke overtuiging dat delen met elkaar en zorg voor de minsten de grootste kans op overleving betekenden zouden in de geschiedenis steeds weer het volk van de overheersers bevrijden. In die overtuiging ging ook Jezus van Nazareth te werk. Het geknakte riet is weinig meer waard, een kwijnende vlam geeft niet meer voldoende licht, maar Jezus van Nazareth doet de zwakken weer recht. Zo werd hij de vervulling van de Wet van heb Uw naaste lief als Uzelf, de vervulling van een profetie als die van Jesaja. Maar hij riep ons op hem na te volgen, vandaag en morgen en elke dag opnieuw

Eenvoudige mensen

Matteüs 11:16-30

16 Waarmee zal Ik deze generatie vergelijken? Ze lijkt op kinderen die op het marktplein zitten en elkaar toeroepen: 17 “Toen we voor jullie op de fluit speelden, wilden jullie niet dansen, toen we een klaaglied zongen, wilden jullie niet rouwen.” 18 Want toen Johannes kwam, en niet at en dronk, zei men: “Hij is door een demon bezeten.” 19 Nu is de Mensenzoon gekomen, Hij eet en drinkt wel, en nu zegt men: “Kijk toch eens, wat een veelvraat, wat een dronkaard, die vriend van tollenaars en zondaars.” Maar de Wijsheid wordt door heel haar optreden in het gelijk gesteld.’ 20 Daarop maakte Hij de steden waar bijna al zijn wonderen hadden plaatsgevonden, het verwijt dat ze niet tot inkeer waren gekomen: 21 ‘Wee Chorazin, wee Betsaïda, want als in Tyrus en Sidon de wonderen waren gebeurd die bij jullie gebeurd zijn, dan zouden de inwoners van die steden zich allang in een boetekleed gehuld en met stof bedekt hebben en tot inkeer gekomen zijn. 22 Ik zeg jullie: op de dag van het oordeel zal het lot van Tyrus en Sidon draaglijker zijn dan dat van jullie. 23 En jij, Kafarnaüm, dacht jij tot in de hemel verheven te worden? In het dodenrijk zul je afdalen! Want als in Sodom de wonderen waren gebeurd die bij jou gebeurd zijn, dan was het tot op de huidige dag blijven bestaan. 24 Ik zeg je dat op de dag van het oordeel het lot van Sodom draaglijker zal zijn dan dat van jou.’ 25 In die tijd zei Jezus ook: ‘Ik loof U, Vader, Heer van hemel en aarde, omdat U deze dingen voor wijzen en verstandigen verborgen hebt gehouden, maar ze aan eenvoudige mensen hebt onthuld. 26 Ja, Vader, zo heeft het U behaagd. 27 Alles is Mij toevertrouwd door mijn Vader. Niemand kent de Zoon behalve de Vader, en niemand kent de Vader behalve de Zoon, en iedereen aan wie de Zoon het wil openbaren. 28 Kom allen bij Mij, jullie die vermoeid zijn en onder lasten gebukt gaan, Ik zal jullie rust geven. 29 Neem mijn juk op je en leer van Mij: Ik ben zachtmoedig en nederig van hart. Dan zullen jullie werkelijk rust vinden, 30 want mijn juk is zacht en mijn last is licht.’ (NBV21)

Een paar keer per jaar komen de leiders van de 9 rijkste landen bij elkaar, ze noemen zich de G9. Ze kunnen niet zeggen dat ze het niet hebben geweten, de Verenigde Naties hebben het besloten, miljoenen hebben het geroepen: laat ons geschiedenis van “armoede” maken, dan maken we samen geschiedenis. Dan leren onze achterkleinkinderen dat in de eenentwintigste eeuw de mensheid zo verstandig was geworden dat het niet meer werd gepikt dat er elke 3 seconden een kind stierf aan armoede. Maar lijken deze leiders op de kinderen die op het marktplein spelen en elkaar toeroepen dat ze als het goed gaat niet willen dansen en als het slecht gaat niet willen rouwen? Jezus wijst op de wonderen die kunnen gebeuren, als je zoveel mensen in beweging ziet komen, iedere keer weer rond de G9 bijeenkomsten, dan kun je niet achter blijven dan wil je meedoen in de beweging tegen de armoede. Gerechtigheid heeft iets dwingends er valt niet aan te ontkomen. Toch zul je merken dat er omheen gedraaid zal worden. In de dagen van Jezus waren de dorpen waar de zendelingen van Jezus, de Apostelen, heen gegaan waren hardnekkig, volgens Jezus waren de steden van de heidenen meer bereid de richtlijnen voor de menselijke samenleving te gaan volgen dan de dorpen die juist door het volgen van die richtlijnen waren ontstaan.

Die dorpen, waaronder Kafernaüm, het dorp waar Jezus zijn toevlucht had gezocht, konden afdalen tot in het diepst van het dodenrijk, die dorpen konden doodvallen. In onze dagen zou dat voor de wereldleiders kunnen gelden als ze de onrechtvaardige tariefmuren in stand houden en met enorme landbouwsubsidies de oneerlijke concurrentie op de wereldmarkten in stand blijven houden. Maar het lijkt wel of er steeds nieuwe excuses gezocht worden voor uitstel van het eerlijk delen. Als het goed gaat in de wereld en er door de rijke landen meer en meer verdient wordt dan groeien nieuwe economieën als India en China te hard en moet er gematigd worden. Dat de armen in India en China nog helemaal niet meedoen in de nieuw verworven rijkdom blijft buiten beschouwing. Dat de hongerenden in de wereld moeten wachten op voeding tot de auto’s in de rijke landen vrolijk en goedkoop rijden op biobrandstof is het omkeren van de wereld zelf, zoals de bodem onder Sodom werd omgekeerd, lijken we dat nu zelf te gaan doen. Hoogste tijd voor gerechtigheid. Op zich is het allemaal niet zo ingewikkeld wat er nodig is, we zoeken een God die het voor elkaar maakt. Waar is God? We weten het niet. Wat kan God? We weten het niet. Zo eenvoudig is het. Zoals een beroemd Zwitsers theoloog in de vorige eeuw al schreef, als we God zeggen weten we niet wat we zeggen en voor wie gelooft is het zeker dat we dat niet weten. Daarom moet je niet vragen naar God maar naar wat er met de minsten gebeurd. Eenvoudige mensen, die niet zo veel gestudeerd hebben, die hard moeten werken om te overleven, zij weten waar het op aan komt. Komt het naar je toe of wordt het van je afgenomen.

En daar waar alle mensen tellen, waar iedereen belangrijk is, waar niemand beter is dan een ander, waar liefde voor alle mensen de norm is, daar komt het voor gewone mensen zeker naar je toe. In de gewone wereld is dat nu juist bijna nergens het geval. Daar moet je je mond houden en doen wat zogenaamd belangrijke mensen zeggen. Dat blijkt bijvoorbeeld vaak bij de jaarlijkse herdenking van de afschaffing van de slavernij, en de herdenking dus van het leed van de slaven. Daar zijn veel afstammelingen van slaven bij aanwezig. Een deel van die afstammelingen komt uit Suriname maar kunnen die hun familie over laten komen? Bejaarde ooms en tantes, of grootouders voor wie ze eigenlijk moeten zorgen? Nee dus, keurig Nederlands spreken, hard werken of anders terugkeren dat is het beleid. Andere afstammelingen van slaven komen van de Antillen, dat beleid is nog duidelijker, aanpassen of oprotten. Er zijn zelfs politieke partijen die ongestraft kunnen oproepen de eilanden en de bijbehorende mensen maar te verkopen. Slaven werden gehaald, door Nederlandse handelaren, uit Afrika. Tegen de sprekers en spreeksters bij de jaarlijkse herdenking is herhaaldelijk luid en niet mis te verstaan geprotesteerd. Mijn juk is zacht, mijn last is licht zei Jezus. Wij denken dan aan het juk van het melkmeisje met haar twee emmertjes. Maar slaven en hun afstammelingen denken aan het juk van de ossen voor de ploeg, als de os het niet trekt mogen slaven het proberen. Het beeld dat Jezus van Nazareth gebruikt doet vermoeden dat hij dat juk mee op zich neemt. Daarom is zijn juk zacht, gewerkt moet er worden, maar als we zijn voorbeeld willen volgen dan nemen we het juk van de slaven van vandaag mee op ons en werken we schouder aan schouder met hen aan de rechtvaardige samenleving, aan het koninkrijk van God.

 

Wie oren heeft

Matteüs 11:2-15

2 Toen Johannes in de gevangenis over het optreden van de messias hoorde, stuurde hij enkele van zijn leerlingen naar Hem toe 3 met de vraag: ‘Bent U degene die komen zou of moeten we een ander verwachten?’ 4 Jezus antwoordde: ‘Zeg tegen Johannes wat jullie horen en zien: 5 blinden zien en verlamden lopen, mensen die onrein zijn door een huidziekte worden gereinigd en doven horen, doden worden opgewekt en aan armen wordt het goede nieuws bekendgemaakt. 6 Gelukkig is degene die aan Mij geen aanstoot neemt.’ 7 Toen ze weer vertrokken, begon Jezus met de mensen over Johannes te spreken: ‘Waar zijn jullie in de woestijn naar gaan kijken? Naar het wuiven van het riet in de wind? 8 Wat zijn jullie dan gaan zien? Een mens die rijk gekleed ging? Welnee, wie rijk gekleed is verkeert in koninklijke kringen. 9 Maar wat zijn jullie dan wel gaan zien? Een profeet? Jazeker, zeg Ik jullie, en zelfs meer dan een profeet. 10 Hij is degene over wie geschreven staat: “Let op, Ik zend mijn bode voor Je uit, hij zal een weg voor Je banen.” 11 Ik verzeker jullie: onder allen die uit een vrouw geboren zijn is nooit iemand verschenen die groter was dan Johannes de Doper; maar in het koninkrijk van de hemel is de kleinste nog groter dan hij. 12 Sinds de dagen van Johannes de Doper wordt het koninkrijk van de hemel door geweld bedreigd en proberen geweldenaars het aan zich te onderwerpen. 13 Want alle profetieën van de Profeten en de Wet reiken tot de dagen van Johannes. 14 En voor wie het wil aannemen: hij is Elia, die komen zou. 15 Laat wie oren heeft goed luisteren! (NBV21)

Er zijn mensen die graag Jezus als voorbeeld nemen en vandaag vragen we ons af of we daar ook wat aan hebben. Om de strijd tegen de armoede altijd bij ons te dragen is er zelfs eens een wit polsbandje ingevoerd. Soms zou je willen dat alle polsbandjes vervangen worden door een regenboogpolsbandje, dat herinnert ons aan de strijd tegen kanker, tegen aids, tegen zinloos geweld, tegen armoede en tegen alle andere slechte dingen in de wereld. Maar het eerste witte polsbandje werd ooit uitgereikt aan CDA politicus Jan Peter Balkenende. Dat Jan komt van Johannes, die immers het stof van de mensen afspoelde om ze op een nieuwe manier te laten beginnen, dat Peter komt van Petrus, de Simon die als zendeling door Jezus er op uit was gestuurd om de boodschap te brengen dat de slaaf gelijk was aan zijn meester en die C in het CDA komt van Christus wat in het Grieks gezalfde betekent en de titel was die men aan Jezus had gegeven. Je mag dan ook van een eerste minister of fractievoorzitter uit het CDA verwachten dat er iets verandert aan de armoede. Aan Jezus werd dat ook gevraagd, wat brengt u te weeg?

Hij zei alleen dat ze moesten kijken, blinden zagen weer licht, lammen leerden lopen, doden werden opgewekt en aan de armen werd goed nieuws verkondigd. Als je naar de huidige samenleving kijkt dan zie je daar toch nog weinig van. Natuurlijk de gezondheidszorg heeft wonderen verricht en bereid zich voor op nog meer wonderen na coronatijd. Maar het aantal werklozen neemt hand over hand toe zonder dat iemand plannen maakt voor de toekomst. De rijen voor de voedselbanken worden elke dag groter. De polsbandjes zijn uit de samenleving verdwenen maar daarmee kennelijk ook het verlangen structureel iets aan de samenleving te veranderen. Er zijn mensen die zoveel geld hebben dat huizen voor mensen met minder geld zo duur worden dat het aantal daklozen toeneemt en afzien van huurverhogingen is voor die rijken geen sprake. Kinderen hier geboren of langer dan 5 jaar hier woonachtig zijn nog steeds onzeker over hun toekomst, zij zijn geworteld maar hebben honder duizend noodkreten aan het parlement nodig om hen te laten blijven.. Wie kijkt naar onze samenleving ziet van alles maar bijna niets van dat wat Jezus wilde laten zien.

Sinds Johannes opriep om juist die weg te gaan en het stof van het oude leven af te spoelen wordt dat Koninkrijk met geweld bedreigd. Het gaat zelfs zover dat mensen het zich willen toe eigenen en wie was het ook al weer die een beperking van de hypotheekrenteaftrek, waardoor de meeste subsidie in ons land bij de rijkste mensen terecht komt, onbespreekbaar heeft verklaard? Jezus neemt het zeer op voor Johannes, hoe verschillend ze ook zijn beiden gaat het om de mensen lopend op de weg van de dood zich naar het leven te laten keren. Want de dag dat armen bevrijd worden zal komen, brandend als een oven. Johannes was, net als de profeet Elia, daar een wegbereider voor. Toen Jezus uiteindelijk afscheid nam van zijn leerlingen, nadat hij was gekruisigd en opgestaan, op de berg waar hij zijn interpretatie van de leefregels voor de mensen had gegeven, gaf hij zijn leerlingen de opdracht zijn boodschap over de hele wereld te verspreiden, tot de aarde voltooid zal zijn staat er. Als de aarde voltooid is zal de aarde goed zijn staat er geschreven. Er is dus nog veel werk aan de winkel, want de armen worden nog steeds armer en onrecht en geweld zijn overal te vinden.