1 Samuël 14:4-15
4 Aan weerszijden van het ravijn dat Jonatan wilde oversteken om bij de Filistijnse wachtpost te komen, staken twee rotspieken uit: de Boses in het noorden, tegenover Michmas, en de Senne in het zuiden, tegenover Gibea. 5 6 Jonatan zei tegen zijn wapendrager: ‘Laten we oversteken naar de wachtpost van die onbesnedenen. Misschien is de HEER op onze hand. Hij kan immers evengoed met weinigen voor een overwinning zorgen als met velen.’ 7 ‘Doe wat uw hart u ingeeft,’ antwoordde de wapendrager. ‘Ik volg u op de voet.’ 8 ‘Luister,’ zei Jonatan, ‘we steken over en zorgen dat de soldaten ons zien. 9 Misschien zeggen ze tegen ons: “Halt! Verroer je niet tot we bij jullie zijn!” Dan blijven we staan en gaan we niet naar ze toe. 10 Maar als ze zeggen: “Kom maar op!”, dan klimmen we naar boven, want dat is voor
ons het teken dat de HEER ze aan ons uitlevert.’ 11 Ze zorgden er dus voor dat de bezetting van de Filistijnse wachtpost hen tweeën in het oog kreeg. De Filistijnen zeiden tegen elkaar: ‘Kijk, de Hebreeën komen uit hun holen tevoorschijn.’ 12 En de soldaten van de wachtpost riepen naar Jonatan en zijn wapendrager: ‘Kom maar op, dan zullen we jullie weleens leren!’ ‘Volg mij,’ zei Jonatan tegen zijn wapendrager, ‘de HEER heeft ze aan Israël uitgeleverd!’ 13 Jonatan klom op handen en voeten naar boven, met zijn wapendrager achter zich aan. Waar hij kwam, vielen de Filistijnen neer, en zijn wapendrager gaf hun de genadestoot. 14 Bij dit eerste treffen doodden Jonatan en zijn wapendrager twintig man. Dit alles speelde zich af op een terrein half zo groot als een span ossen in één dag kan ploegen. 15 Er ging een siddering door het kamp in het veld en door de bezetting van de wachtpost, en ook de stoottroepen rilden van schrik. De aarde beefde, en alle Filistijnen sidderden van angst voor God.(NBV21)
De Hebreeuwse Bijbel laat ons in het verhaal van vandaag zien hoe onvruchtbaar de wens tot geweld is. Daar wordt je uiteindelijk zelf het slachtoffer van. Beter is het recht van de zwakste tot uitgangspunt te nemen. Dat recht is recht op leven en dat moet beschermd worden zoals Jonathan deed. Zorgen dat de plunderingen van de oorgst stoppen. Ook wij kunnen de inzet van geweld daaraan afmeten en dan is het verhaal van Saul en Jonathan geen verhaal uit een ver en primintief verleden maar een hulp om onze Weg met de God van Israël op de juiste manier te gaan. Israël was een volk van ongewapende strijders. Niemand had een zwaard of een speer. Er was immers geen smid meer in Israel.
Daar gingen de Filistijnen in de fout. Zij doen of ook hun verstand in hun wapen zit. Iemand zonder wapen kan immers geen gevaar betekenen. Nu waren in Israël ook stenen uit een beek of rivier gevaarlijke wapens in handen van slingeraars. David had er eens een reus mee overwonnen. En in een heel volk zijn er altijd uitzonderingen, Jonathan en zijn vader hadden nog wel een zwaard en dat hadden zee kunnen weten. Vertrouwen op wapens is dus niet erg slim. Dat was toen zo, dat is natuurlijk nog steeds zo. Onze raketten en drones raken op. We sturen ze weg en de meeste blijven ook weg nadat ze schade hebben aangericht.
Jonathan maakt gebruik van de hoogmoed van de Filistijnen. Maar hij leunt niet eenzijdig op zijn God. Of zijn God hem helpt of zijn handelen goed keurt blijkt achteraf. Jonathan opent twee mogelijkheden. De Filistijnen houden rekening met de mogelijke kracht en moed van Israël ook zonder wapens, of de Filistijnen vertrouwen op hun wapens als almachtig. Dat laatste doen ze dus. Maar dat eerste had een uitweg geboden. Niemand kan de God van Israël voor zijn karretje spannen. Dat kon toen niet, dat kan nu ook niet. Niet inzake oorlog, niet inzake ziekte en genezing. Roepen dat iemand moet genezen in de naam van Jezus, of God is bedrog plegen, is het verzoeken van God. De Bijbel leert ons anders, leert ons vertrouwen op mensen, die doen goed of die doen kwaad. Wij zoeken het goede, niet anders dan het goede, elke dag opnieuw.