Er is geen god buiten Mij.

Jesaja 44:1-8

1 Nu dan, luister, Jakob, mijn dienaar, Israël, dat Ik heb uitgekozen: 2 Dit zegt de HEER, die jou gemaakt heeft en al in de moederschoot gevormd, en die je steeds te hulp komt: Wees niet bang, mijn dienaar Jakob, Jesurun, die Ik heb uitgekozen. 3 Ik zal water uitgieten op dorstige grond, waterstromen over het droge land. Ik zal mijn geest uitgieten over je nazaten en mijn zegen over je telgen. 4 Zij zullen ontkiemen tussen het gras, uitbotten als wilgen langs het water. 5 De een zal zeggen: ‘Ik hoor bij de HEER,’ de ander zal Jakobs naam gebruiken, een derde schrijft op zijn hand: ‘Van de HEER’ en tooit zich met de naam Israël. 6 Dit zegt de HEER, Israëls koning en bevrijder, de HEER van de hemelse machten: Ik ben de eerste en de laatste, er is geen god buiten Mij. 7 Wie is zoals Ik? Laat hij het woord nemen. Laat hij vertellen en aan Mij ontvouwen wat er te gebeuren stond vanaf de dag dat Ik de mensheid schiep, en laat hij onthullen wat er gebeuren gaat. 8 Vrees niet, laat je niet door angst verlammen: heb Ik het je niet vanaf het begin laten horen, heb Ik het je niet aldoor verteld? Jullie zijn mijn getuigen: is er een god buiten Mij, of een andere rots? Ik ken er geen. (NBV21)

We lezen vandaag een belangrijk stukje uit de Bijbel. Shakespeare laat in een van zijn toneelstukken de hoofdpersoon zeggen dat er meer is tussen hemel en aarde. Een uitspraak die vaak wordt geciteerd. Er is toch altijd wel iets dat boven ons uit gaat en dat invloed uitoefent op ons leven zonder dat wij dat door hebben. Sommigen noemen dat God, anderen komen niet verder dan “iets” De Bijbel leert ons iets anders. Er is niets tussen hemel en aarde. In alle Bijbelboeken die voor het gedeelte staan dat we vandaag lezen gaan de schrijvers er nog van uit dat er misschien wel andere goden zijn, maar dat de God van Israël de sterkste is en de baas is over alle goden. In de ballingschap zijn de Israëlieten er achter gekomen dat het anders zit. Er is maar één God, de God van Israël, alle andere goden, machten en krachten, zijn verzinsels. Die God van Israël oefent ook geen macht uit over mensen zonder dat ze het merken. Met die God van Israël zijn afspraken te maken, hij heeft richtlijnen gegeven voor een menselijke samenleving en je kunt afspreken je samenleving volgens die richtlijnen in te richten.

Je hoeft dan ook niet duidelijk te maken dat je in tegenstelling tot de aanhangers van andere goden bij de God van Israël hoort. Dat is vanzelfsprekend, er is immers geen andere God. In die richtlijnen die het volk Israël gekregen heeft staat het advies aan het volk om de richtlijnen op te schrijven en aan de deurpost van je huis te timmeren, ja aan een band te bevestigen die je om je hoofd draagt of in de hoekdraden te verwerken van de mantel die je draagt. Tot op de dag van vandaag kun je de Joden tegenkomen die dat ook werkelijk doen. Het gaat dus om die richtlijnen, niet om bij welke godsdienst je hoort. Paulus zal later aan zijn gemeenten schrijven dat hij hoopt dat die richtlijnen in je hart worden opgeschreven. Heb uw naaste lief als uzelf is de samenvatting van de richtlijn waarmee je niet alleen de God van Israël eer bewijst maar ook de wereld een stukje beter maakt. Als iedereen op de wereld volgens die richtlijn zou leven dan wordt de wereld zo mooi dat God zelf op deze wereld zal willen gaan wonen.

Dat er één God is en dat al die andere goden waar mensen over spreken niet bestaan is ook in onze dagen belangrijk. Wij mensen hebben immers allemaal een verschillend beeld van die ene God. Die God openbaart, doet zich kennen, zich aan mensen zoals mensen dat nodig hebben. Of men de God van Israël volgt of zelf een eigen god geschapen heeft is alleen aan de gevolgen voor de samenleving te merken. Aan de vruchten herkent men de boom. Als mensen anders praten over hun God dan dat je gewend bent wil dus nog lang niet zeggen dat ze niet in dezelfde God geloven. Dat oordeel kunnen wij mensen niet over een ander vellen. Alleen als de god van die ander zogenaamd alleen zijn aanhangers wil laten leven en iedereen die anders spreekt over zijn geloof dood wil laten maken kunnen we zeggen dat er sprake moet zijn van een niet bestaande afgod. De God van Israël is immers tegen het doden van mensen, het niet doden van mensen is één van zijn belangrijke richtlijnen. Verder mag iedereen mee doen aan het inrichten van de samenleving volgens zijn richtlijnen. Alleen al door elke dag opnieuw te beginnen met de naaste lief te hebben als jezelf. Ook vanmorgen weer.

Voer zelf het woord

Jesaja 43:22-28

22 Maar jij hebt niet tot Mij geroepen, Jakob, jij gaf je geen moeite voor Mij, Israël. 23 Je hebt niet aan Mij je schapen geofferd, Mij met je offers geen eer bewezen. Ik heb je niet met graanoffers belast en je niet vermoeid met de plicht om wierook voor Mij te branden. 24 Je hebt van je zilver geen kalmoes voor Mij gekocht, Mij niet verzadigd met het vet van je offers. Nee, je hebt Mij met je zonden belast, Mij vermoeid met al je wandaden. 25 Ik, Ik ben het die omwille van zichzelf je misdaden tenietdoet en aan je zonden niet meer denkt. 26 Klaag Mij maar aan, laten we samen een rechtszaak aangaan, en voer zelf het woord om je zaak te bepleiten. 27 Je eerste voorvader heeft al gezondigd en je woordvoerders zijn steeds tegen Mij opgestaan. 28 Daarom heb Ik de dienaren van het heiligdom ontwijd, Jakob aan de vernietiging prijsgegeven
en Israël aan spot en hoon. (NBV21)

De eerste vraag die mensen stellen is waarom die God van Israël eigenlijk dat volkje van slaven en zwervers had uitgekozen om voor hen juist God te zijn. Het antwoord van Leo Baeck, de rabbijn van Berlijn tijdens het bewind van de nazi’s, was, dat het volk Israël was uitgekozen om de lof aan die God gaande te houden. Die God had immers hemel en aarde geschapen en de chaos veranderd in mensenland, die God had de mensen menselijkheid geleerd en daar was het volk Israël het voorbeeld van. Die God had voor alle mensen in de wereld zijn Zoon gezonden opdat heel de aarde de lof van die God zou zingen. Leo Baeck schreef dan ook een prachtig boek dat in het Nederlands werd vertaald als “Het Evangelie is Joods” Een zeer lezenswaardig boek dat ook in een Nederlandse vertaling is verschenen. Het was in 1938 het laatste boek dat hij voor de tweede wereldoorlog kon publiceren. Die God van Israël is een merkwaardig God. De manier waarop die God in de geschiedenis ingrijpt gaat altijd via mensen. Als mensen doorkrijgen wat die God van mensen vraagt, hoe een menselijke samenleving ingericht kan worden, dat die richtlijnen voor de menselijke samenleving een geschenk van die God zijn waarvoor je dankbaar kunt zijn, dat al het goede in de wereld afkomstig is van die God dan groeit die God in macht en aanzien.

Als mensen denken dat ze het zelf wel kunnen, dat ze meer zijn dan een ander, dat ze kunnen schelden en afgeven op anderen omdat die anders geloven of ergens anders vandaan komen dan trekt die God zich terug en wijst op de afloop. Er is een staat Israël en in onze staat hebben Joodse instellingen en Synagogen extra bescherming, Nazi’s worden vervolgd en beschimpt en hun gedachtengoed is verboden. Maar waarom dan die offers? In een fatsoenlijke godsdienst hield men vroeger met offers de God in leven. Als je te weinig offers bracht dan stierf die God of dan verzwakte die God zo zeer dat je als volk kon worden overwonnen. Maar als al het goede van de God van Israël afkomstig is waarom die God dan offers brengen? Dat brengen van offers is in de Bijbel dan ook helemaal niet vanzelfsprekend. Er zijn profeten die roepen dat God geen offers wil maar gerechtigheid. Die gedachte vind je ook in het boek van de profeet Jesaja. Die offers zijn bedoeld om je te oefenen in delen. Dat je al dat goede van die God hebt gekregen was niet om jou te verzadigen maar om te zorgen dat de zwakste in de samenleving ook beschermd zou worden.

In de Bijbel gaat het dan om de weduwe en de wees, de vreemdeling en de armen. Bij de Tempel moest je met hen en met de Tempeldienaren een maaltijd houden. Offers breng je dus als er geen armen meer zijn. Armen zijn er niet meer als jij en als jouw volk voldoende hebben gedeeld. Daar was in Israël vaak geen sprake van, net als dat er bij ons geen sprake van is. De zorg voor ouderen, zieken, gehandicapten is in onze dagen een last waarop bezuinigd moet worden. Voedselbanken die werken met voedseloverschotten moeten het tekort aan delen aanvullen. Als supermarkten en groothandels efficiënter gaan werken hebben ze minder overschot en komen de voedselbanken te kort. Geen wonder dat veel kerken inzamelcentra geworden zijn voor de voedselbanken. Dat is pas eer bewijzen aan de God van Israël, die wil niet in leven worden gehouden door offers maar vraagt een teken dat we willen delen. Daarmee kunnen we elke dag opnieuw beginnen. Ook vandaag weer

 

Nu ontkiemt het

Jesaja 43:14-21

14 Dit zegt de HEER, jullie bevrijder, de Heilige van Israël: Omwille van jullie zend Ik iemand naar Babel; Ik maak alle Chaldeeën tot vluchteling en jaag hen jammerend hun schepen op. 15 Ik ben de HEER, jullie Heilige, de schepper van Israël, jullie koning. 16 Dit zegt de HEER, die een weg baande door de zee en een pad door machtige wateren, 17 die paarden en wagens liet uitrukken, een heel leger van geweldenaars – daar lagen ze, en ze stonden niet meer op, ze zijn vergaan, als een kwijnende vlam gedoofd. 18 Blijf niet staan bij wat eertijds is gebeurd, denk niet terug aan het verleden. 19 Zie, Ik ga iets nieuws verrichten, nu ontkiemt het – heb je het nog niet gemerkt? Ik baan een weg door de woestijn, maak rivieren in de wildernis. 20 De wilde dieren zullen Mij eer bewijzen, de jakhalzen en de struisvogels, omdat Ik water schep in de woestijn en rivieren in de wildernis; het volk dat Ik heb uitgekozen, laat Ik drinken. 21 Dit is het volk dat Ik mij gevormd heb, het zal mijn lof verkondigen. (NBV21)

De Heilige van Israël, wat zet je de God van Israël toch ver weg als je zo over die God spreekt. Jezus van Nazareth deed dat toch anders, die sprak over die God als Onze Vader, maar gelijk liet hij zijn volgelingen bidden dat de Naam van die God “geheiligd” moet worden. Dat Heilig is hier niet iets onaanraakbaar, of onveranderbaar, iets massiefs, maar dat Heilig betekent dat God één is, samenvalt met zijn daden en zijn woorden. En hier wordt van die God zeer uitdrukkelijk gezegd dat die God een bevrijder is. De inwoners van Babel, hier de Chaldeeën genoemd, worden verdreven. En dat gebeurde ook, Cyrus van Perzië nam Babel in en zal de belangrijkste groepen van de hofhouding inderdaad verbannen hebben. In het boek Daniël kunnen we lezen dat die Chaldeeën de belangrijkste adviseurs van de koning van Babel waren en dat ze pretendeerden de toekomst te kunnen voorspellen. Daniël pretendeerde dat niet, hij ging te rade bij zijn God.

Voor de profeet stellen al die hoge heren dus niks voor. Ook die nieuwe veroveraar Cyrus van Perzië niet. Die noemt zich wel koning maar dat is hij niet. Voor het volk Israël is er maar één echte Koning en dat is de God van Israël. Dat was ook al zo toen Israël zelf nog Koningen had. Saul viel omdat hij niet bij al zijn handelingen te rade ging bij de God van Israël. David en later Salomo deden dat wel, zij stelden zich op als dienaren van het volk van de God van Israël, zij kregen dan ook een ereplaats in de geschiedenis van Israël. Daarna waren er steeds meer koningen die ook andere goden achterna liepen of toestonden dat het volk andere goden achterna liepen. Alleen de Koningen die de God van Israël weer centraal probeerden te stellen, zoals Josia en Hizkia, worden positief beoordeeld. Maar de geschiedenis van Israël bleef een geschiedenis van de bevrijding van een slavenvolk uit Egypte, een bevrijding door de enige God die telt.

Maar nu breekt een nieuwe tijd aan. Het voormalige slavenvolk dat werd bevrijd uit Egypte heeft haar belofte niet waargemaakt. Ze hadden een verbond gesloten en beloofd hun samenleving in te richten volgens de richtlijnen die ze in de woestijn van de God van Israël hadden gekregen. Van die richtlijnen waren ze afgeweken. Ze waren andere goden achterna gelopen en ze hadden de zorg voor de weduwe en de wees verwaarloosd. De armen werden armer, de rijken konden huis aan huis bouwen en akker aan akker rijgen. Van de belofte dat iedere familie die de akker was kwijtgeraakt die na vijftig jaar weer terug zou krijgen kwam niks meer terecht. Dit had geleid tot de ballingschap. In die ballingschap was het volk tot inkeer gekomen. De verhalen over de God van Israël en hoe het volk met die God was opgegaan werden opgeschreven en weer verteld. Nu was er een tijd dat die God liet zien wat hij waard was. De woestijn zou weer bloeien als een roos, het land weer overvloeien van melk en honing. De boodschap is natuurlijk dat ook wij verlost kunnen worden van oorlog en onderdrukking. Dat besmettelijke ziekten kunnen worden bestreden, dat honger niet meer nodig is. Als wij ook onze samenleving volgens de richtlijnen van die God inrichten, onze naaste liefhebben als onszelf en bereid zijn onvoorwaardelijk te delen van hetgeen ons is toegevallen. Elke dag opnieuw mogen we daarmee beginnen. Ook vandaag weer.

Jullie hoorden het

Jesaja 43:8-13

8 Laat dit volk naar voren treden, een blind volk, ook al heeft het ogen, doof, ook al heeft het oren. 9 Alle volken zullen zich verzamelen, alle naties komen bijeen. Wie van hun goden heeft aangekondigd wat eertijds nog te gebeuren stond? Laten zij getuigen leveren om hun gelijk te bewijzen, opdat ieder die hen hoort zal zeggen: ‘Het is zo!’ 10 Mijn getuige zijn jullie – spreekt de HEER –, mijn dienaar, die Ik uitgekozen heb opdat jullie Mij zouden kennen en vertrouwen, en zouden inzien dat Ik het ben. Vóór Mij is er geen god gevormd, en na Mij zal er geen zijn. 11 Ik, Ik ben de HEER! Buiten Mij is er niemand die redt. 12 Ik heb redding aangekondigd en redding gebracht, jullie hoorden het van Mij, niet van een vreemde. Jullie zijn mijn getuige – spreekt de HEER –, dat Ik alleen God ben 13 en dat Ik blijf wat Ik ben. Wanneer Ik mijn macht laat gelden is er niemand die redding bieden kan. Wat Ik tot stand breng, wie maakt het ongedaan? (NBV21)

De geloofsbelijdenis van het volk Israël is “Hoor Israël, uw God is één” Eigenlijk is er maar één God, hoe de andere volken er ook over denken. Dat horen en dat inzien is de taak van dat volk. Dan krijgt het volgen van de Tora, de onderwijzing door Mozes en door God ook zin. Want die God van Israël is een God die slaven bevrijdt en de Tora leert hoe je een samenleving inricht waarin mensen bevrijdt zijn van onderdrukking en ellende. Christenen zullen dat uiteindelijk ervaren als zelfs een bevrijding van de dood. Maar die God kan pas een God voor de mensen zijn als die mensen in die God gaan geloven, dan gaan die mensen de Weg van die God. Zonder dat mensen geloven blijft die God natuurlijk wel een God maar dat God zijn heeft onder mensen geen betekenis meer. Andersom, als mensen de Weg van die God volgen, de Weg van de Tora, de inrichting van de menselijke samenleving dan krijgt dat God zijn van de God van Israël een echte betekenis, ook al zie en hoor je alleen de mensen die in hem geloven en zijn Weg gaan.

De profeet Jesaja gebruikt hier, als zo vaak, een beeld uit de rechtspraak. Het volk is getuige van de God van Israël. Is die God een bevrijder uit de slavernij? Heeft die God, als eerste en enige God beloofd het volk weer thuis te brengen uit de ballingschap? Het zijn vragen die een beschuldiging inhouden. Als je nee zegt op die beide vragen dan is die God van Israël geen God die anders is dan de andere Goden. En alleen het volk kan getuigen van het werkelijke antwoord. Zoals getuigen voor een rechtbank vertellen wie de verdachte is en kan zijn, omdat ze hem kennen of omdat ze dat wetenschappelijk hebben onderzocht. In dit geval gaat het om getuigen die het aan den lijve hebben ervaren. Ook al volgen ze de Tora niet, zijn ze dus doof en blind voor de God van Israël, toch mochten ze terugkeren naar Jeruzalem om daar de Stad en de Tempel weer op te bouwen. Die belofte hadden ze vanaf het begin van de ballingschap. Door die belofte konden ze vasthouden aan de leefregels die ze van de God van Israël hadden gekregen, de voedselvoorschriften, de besnijdenis van de jongetjes, het houden van de Sabbat.

Eigenlijk is het volgen van de Tora de beste getuigenis van de macht en de grootheid van de God van Israël. Jezus van Nazareth zal daarom het volk houden dat het niet gaat om te roepen Here, Here, maar om het doen van de wil van de Vader. Ook Baäl betekent “Heer” in het Hebreeuws en dus alleen “Heer” roepen alsof je de God van Israël eert kan in werkelijkheid het nalopen van andere goden zijn. Pas in het liefhebben van de naaste als jezelf wordt duidelijk hoe sterk de God van Israël eigenlijk is. In dat liefhebben krijgt geen vijand, geen macht of kracht werkelijk greep op jou. Zelfs de dood is geen prikkel dat je gedrag zal kunnen bepalen. De God van Israël is en blijft jouw God. Jacobus zal aan de eerste Christelijke gemeenten schrijven dat geloof zonder lief te hebben, zonder de werken zal hij dat noemen, een dood geloof is. Tegenwoordig zeggen we dan een God is dood geloof. Het is geen geloof waar je zelf beter van wordt. Gelovigen die zich inzetten voor de bevrijding van slaven in welke vorm dan ook lopen de kans gevangen te worden gezet, gemarteld te worden en zelfs gedood te worden. Maar ze weten eindelijk mens te zijn zoals God dat bedoeld heeft en niet de marionet die de machten en krachten in de wereld van mensen maken. Elke dag opnieuw kunnen we in deze bevrijding gaan delen, ook vandaag weer, door de Weg van het liefhebben van de zwakste te volgen.

 

Ik houd zo veel van je

Jesaja 43:1-7

1 Welnu, dit zegt de HEER, die jou schiep, Jakob, die jou vormde, Israël: Wees niet bang, want Ik zal je vrijkopen, Ik heb je bij je naam geroepen, je bent van Mij! 2 Moet je door het water gaan – Ik ben bij je; of door rivieren – je wordt niet meegesleurd. Moet je door het vuur gaan – het zal je niet verteren, de vlammen zullen je niet verschroeien. 3 Want Ik, de HEER, ben je God, de Heilige van Israël, je redder. Voor jou geef Ik Egypte als losgeld, Nubië en Seba ruil Ik in tegen jou. 4 Jij bent zo kostbaar in mijn ogen, zo waardevol, en Ik houd zo veel van je dat Ik de mensheid geef in ruil voor jou, ja alle volken om jou te behouden. 5 Wees niet bang, want Ik ben bij je. Ik haal je nakomelingen uit het oosten terug, uit het westen breng Ik jullie bijeen. 6 Tegen het noorden zeg Ik: Geef hier! Het zuiden gebied Ik: Laat los! Breng mijn zonen terug van verre, mijn dochters van de einden der aarde, 7 allen over wie mijn naam is uitgeroepen, en die Ik omwille van mijn majesteit geschapen heb, gemaakt en gevormd. (NBV21)

Wat is er toch zo bijzonder aan dat Bijbelse volk Israël, niet te verwarren met de inwoners van de huidige staat Israël. Dat Bijbelse volk Israël laat zich kennen als een slavenvolk, voortdurend wordt het onderdrukt, in slavernij en in ballingschap gehouden en bedreigd door grootmachten en buurvolken. Daarmee verschilt het eigenlijk niet met vele andere volken. Tot op vandaag de dag zijn er overal op de wereld volken aan te wijzen die wel zelfstandig een eigen land in vrede zouden willen besturen maar daar de kans niet voor krijgen. Een aantal van die volken zijn zelfs verenigd in een alternatieve Verenigde Naties, die bij de echte Verenigde Naties aandacht proberen te vragen voor hun recht op zelfbeschikking. Het unieke van het Bijbelse volk Israël is dus niet dat slavenbestaan, die bedreigingen door grootmachten en buurvolken. Het unieke van dat volk is dat het hoorde van een God heeft die zegt: “Ik heb je bij je naam geroepen, je bent van mij!”

Dat Bijbelse volk Israël was gekozen om te laten zien hoe machtig die bijzondere God van Israël eigenlijk was. Het was een bevrijdende God. De machtige volken en de buurvolken die het bedreigden vergingen, daar liep het slecht mee af maar dat Bijbelse volk Israël zou blijven en daarmee zou het goed gaan. Ook al was dat volk over de wereld verspreid geraakt die God zou er voor zorgen dat het volk weer bij elkaar zou kunnen wonen en een eenheid kunnen vormen. Als dat zou gebeuren dan zouden alle volken op de wereld daar geweldig van schrikken en zo’n bewondering voor krijgen dat ze net zo zouden gaan leven als dat Bijbelse volk zou doen. Iedereen zou dan de God van Israël eren als de God die echt vrede op de wereld had gebracht en die alle ellende die mensen elkaar kunnen aandoen tot een verleden had gebracht. Dat zou een heel mooie nieuwe wereld hebben voortgebracht.

Er was echter wel een voorwaarde voor een dergelijke afloop van de geschiedenis. Dat was dat het Bijbelse volk Israël de samenleving zou inrichten volgens de richtlijnen die het volk bij de bevrijding uit de slavernij in Egypte midden in de woestijn had gekregen. Het verhaal over dat Bijbelse volk Israël vertelt dat het bijna nog helemaal geen volk was toen ze die richtlijnen in de woestijn kregen. Ze waren gewend aan goden waar je mooie beelden van maakt, maar daar had die God van Israël een geweldige hekel aan. Ze waren gewend dat er meesters en knechten waren, maar voor de God van Israël was iedereen gelijk. Ze waren gewend aan koningen die belastingen oplegden om mooi te kunnen leven en oorlogen te kunnen voeren, maar de God van Israël duldde alleen koningen die dienaren van hun volk waren en vrede brachten, uiteindelijk was David een dergelijke koning. Het is natuurlijk nooit gelukt ook dat volk te worden dat God voor ogen stond. Maar dat verhaal heeft de eeuwen overleefd. Het is de hoop geworden van alle mensen die naar bevrijding van dood en ellende snakken. Door Jezus van Nazareth werd duidelijk dat de dood niet het laatste woord heeft, maar het begin kan zijn van die bevrijding die de God van Israël had beloofd. Zijn volgelingen proberen nu elke samenleving zo in te richten als in die richtlijnen staat, samengevat als heb je naaste lief als jezelf. Iedereen mag daaraan meedoen, elke dag opnieuw, ook vandaag.

 

Als een barende vrouw

Jesaja 42:14-25

14 Al zo lang heb Ik niets gezegd, Ik heb gezwegen, me beheerst. Nu schreeuw Ik het uit als een barende vrouw, Ik zucht en Ik zwoeg tegelijk. 15 Bergen en heuvels laat Ik uitdrogen en alles wat er groeit verdorren, rivieren maak Ik tot eilanden, waterplassen vallen droog. 16 Blinden laat Ik gaan over onbekende wegen, op paden die ze niet kennen voer Ik hen. Voor hen uit verander Ik duisternis in licht, ruig land maak Ik vlak. Ja, deze dingen zal Ik doen, niets daarvan zal Ik nalaten. 17 Wie op afgodsbeelden vertrouwt, tegen een godenbeeld zegt: ‘U bent onze god,’ zal terugdeinzen en zich diep schamen. 18 Doven, luister! Blinden, open je ogen en zie! 19 Is er iemand zo blind als mijn dienaar, zo doof als de bode die Ik zend? Is er iemand zo blind als dit gestrafte volk, blind als de dienaar van de HEER? 20 Het ziet veel, maar onthoudt niets, het heeft zijn oren open, maar hoort niets. 21 De HEER schepte er behagen in de grote kracht van zijn onderricht te tonen omwille van zijn rechtvaardigheid. 22 Maar nu is het volk beroofd en geplunderd, zijn jonge strijders zijn geketend en in de gevangenis gegooid. Een prooi zijn zij geworden, en niemand die hen redt; ze zijn buitgemaakt, en niemand die zegt: ‘Geef terug!’ 23 Is er iemand onder jullie die dit hoort, die aandachtig luistert en begrijpt wat er nu volgt? 24 Wie heeft Jakob tot buit gemaakt, Israël uitgeleverd aan plunderaars? Is het niet de HEER, Hij tegen wie wij hebben gezondigd? Zij wilden niet e weg gaan die Hij wees, niet luisteren naar zijn onderricht. 25 Hij stortte zijn brandende toorn over hen uit in allesverterend krijgsgeweld. Ze waren omringd door vlammen, maar zagen niet in waarom, ze stonden in brand, maar trokken er geen lering uit. (NBV21)

Ze zeggen wel eens dat je de Bijbel niet letterlijk moet nemen maar geestelijk moet verstaan. Voor veel mensen is dat onbegrijpelijk, als je het letterlijk neemt dan ligt de tijd waarin de woorden van de Bijbel werden opgeschreven wel heel erg ver achter ons en wat is geestelijk dan. Is dat de Bijbel zo lezen dat je er zelf beter van wordt? De boodschap is toch vaak dat je er helemaal niet beter van wordt, dat je het lijden op je moet nemen en niet bang moet zijn voor de dood. Het antwoord is dat je de Bijbel serieus moet nemen. Natuurlijk is het opgeschreven in een tijd die ver achter ons ligt. Maar de achterliggende boodschap is nog steeds niet veranderd. Nog steeds zijn er oorlogen en is er onderdrukking, nog steeds zijn er rijken en armen, nog steeds wordt op de wereld honger geleden. We maken alleen geen goden meer van hout en steen die we versieren met goud en diamanten. In de 16de eeuw waren er in veel kerken nog van die beelden te vinden. Die moest je vragen om je te helpen in moeilijke tijden en aan hen moest je het dan maar overlaten. Toen de mensen zelf leerden lezen en de drukpers haar intrede had gedaan snapten ze dat je om de Geest van God moet vragen en zelf de ellende de wereld uit moest helpen in die Geest. We kregen dan ook een beeldenstorm.

Tegenwoordig hebben we dus geen beelden maar hebben we opvattingen. De vrije markt, alles moet in het kader van de vrije markt. De militaire paraatheid, ook zo’n begrip, als we militair verzwakken dan zullen we als land ook economisch verzwakken. De lasten die verminderd moeten worden. Als onze gezamenlijke zorg voor bejaarden, zieken en gehandicapten meer geld gaat kosten dan wordt de last te groot en moeten ze meer voor zichzelf gaan zorgen, of maar in een hoekje van een kamer langzaam doodgaan. Het zijn de afgoden van onze dagen, verpakt een fraaie toespraken, partijprogramma’s van zogenaamde vrijheidslievende partijen en opgeluisterd met onleesbare maar mooi uitziende boeken. Het stukje dat we vandaag uit het boek van de profeet Jesaja lezen zou vandaag zo omgeschreven kunnen worden op onze vrije markteconomie. De vrije markteconomie is er overigens alleen voor de rijken. Gewone mensen hebben nog maar één brievenbus om de post te versturen, gewone mensen onderhandelen niet met zorgverleners en ziekenhuizen over de kwaliteit en de prijs van de zorg, gewone mensen hebben echt nog maar één firma die gas en elektriciteit in huis brengt. De vrije markteconomie is een afgod die niets doet voor de armen, de zieken, de gehandicapten, de mensen die buiten de maatschappij zijn komen te staan.

Die aanbidding van economie en vrije markt komt ook door ons verlangen de toekomst te beheersen. Alles willen we in onze dagen zelf in de hand houden. Voor een oproep als we vandaag in het eerste deel van de passage uit het boek van de profeet Jesaja lezen dat het volk Israël als een blinde door de woestijn zal worden geleid zijn wij doof. Wij kijken wel uit ons als een blinde te laten leiden. Wij vinden liever apparaten uit om blinden auto te laten rijden dan voor een goede scholing, begeleiding en medische behandeling van blinden te zorgen. Wij blijven blind voor de gevolgen van ons handelen. In het tweede deel van het Bijbelgedeelte van vandaag worden we dan ook opgeroepen onze eigen blindheid af te werpen en onze oren te openen voor de boodschap van de God van Israël. Alleen door de Liefde krijgen we een betere wereld. Alleen als we het kunnen opbrengen zelfs onze vijanden lief te hebben kunnen we de vrede bereiken die ons is beloofd. Alleen door de liefde voor de naaste als voor onszelf kunnen we de hongerigen voeden, wie wil nu honger hebben, kunnen we de bedroefden troosten, de blinden echt laten zien en de lammen laten huppelen. Dat kan niet af en toe als er weer eens een actie op de televisie is, hoe goed die actie ook is, maar het moet en het mag elke dag opnieuw, dag in dag uit, tot het eind van de geschiedenis, ook vandaag dus.

Wat mijn lippen hebben toegezegd

Psalm 66

1 Voor de koorleider. Een lied, een psalm. Heel de aarde, juich voor God, 2 bezing de eer van zijn naam, breng Hem eer en lof. 3 Zeg tot God: ‘Hoe ontzagwekkend zijn uw daden, uw vijanden kruipen voor U, zo groot is uw macht. 4 Laat heel de aarde voor U buigen en zingen, uw naam bezingen.’ sela 5 Kom en zie de werken van God, zijn daden vervullen de mens met ontzag: 6 Hij heeft de zee veranderd in droog land, zijn volk trok te voet door de rivier. Laten wij ons dan in Hem verheugen: 7 machtig heerst Hij, voor eeuwig, zijn ogen waken over de volken. Laat niemand zich tegen Hem verzetten. sela 8 Prijs, o volken, onze God, laat luid uw lof weerklinken, 9 Hij heeft ons het leven gegeven en onze voeten voor struikelen behoed. 10 U hebt ons beproefd, o God, ons gezuiverd, gezuiverd als zilver, 11 ons in een vangnet gedreven, ons een zware last op de schouders gelegd. 12 Strijdwagens zijn over ons heen gereden, wij zijn door vuur en door water gegaan, maar U bracht ons naar een land van overvloed. 13 Ik zal met offers uw huis binnengaan en doen wat ik U beloofd heb, 14 wat mijn lippen hebben toegezegd, mijn mond in nood heeft gesproken: 15 ‘Vetgemeste schapen zal ik U aanbieden, een geurig offer van rammen, ik zal stieren en bokken slachten.’ sela 16 Kom en hoor wat ik wil vertellen, ieder die ontzag heeft voor God, hoor wat Hij voor mij heeft gedaan. 17 Toen mijn mond Hem aanriep, lag een lofzang op mijn tong. 18 Had ik kwaad in mijn hart gevonden, de Heer had mij niet gehoord. 19 Maar God heeft mij gehoord, Hij heeft geluisterd naar mijn gebed. 20 Geprezen zij God, Hij heeft mijn gebed niet afgewezen, mij zijn gunst niet onthouden. (NBV21)

Zo, met deze psalm kunnen we er even tegenaan. De werken van God zijn groots. Nou niet denken dat het om individuen gaat, om een individuele redding, of vrede in je hart of zo, nee het gaat om de volken die de weg van God zouden moeten volgen. In deze dagen is dat wel extra belangrijk. We komen net uit de ene crisis en gaan de volgende al weer in en als elk volk voor zich een oplossing probeert te vinden dan zijn er alleen oplossingen voor de sterksten, voor de rijksten en dat bedoelt deze Psalm dus echt niet. Alle volken op aarde zullen moeten opkomen voor de armen, voor de zwakken. De rijken moeten bereid zijn om werkelijk te delen, want pas als de hulp voor de armen op gang komt durven mensen in zee te gaan met plannen voor vrede. Die voorwaarden, die door dat slavenvolk in de woestijn werden ontdekt en die ze voortaan toeschreven aan hun bijzondere God, een God die met ze meetrok, die er voor iedereen was, en waarvan je je geen beeld kon vormen, die werken juist voor de armen en kunnen hen bevrijden van de ellende die ze is overkomen.

Het komt er op aan vol te houden. De volken van de aarde zullen werkelijk schouder aan schouder moeten gaan staan en bereid zijn ook internationaal de regels die ze samen opstellen te controleren en af te dwingen. Delen van vaccins met de armste landen is onbetwistbaar, het is een coronamaatregel waar hard voor moet worden gestreden. Oude vijandschappen mogen daarbij niet tellen Je vijanden liefhebben zou Jezus dat ooit eens noemen en we weten hoe moeilijk dat is. Na meer dan 70 jaar is elk jaar de aanwezigheid van Duitsers bij de herdenking van de Tweede Wereldoorlog nog steeds een gevoelige zaak. We zullen dus naast de armen moeten blijven staan, niet bij elke oprisping van geweld roepen dat het bewijst dat het toch niet gaat, zo van “zie je wel”. Zoals over de piraten en de chaos in Somalië zo gemakkelijk gezegd wordt.

De zwaarste straffen zijn aan piraten in Somalieland gegeven, maar dat land wordt door de westerse naties niet erkend en niemand weet nog waarom niet. Dat er twee landen zijn met Somalië in hun naam wordt ons nergens verteld, de ene staat is een democratie, de andere een rotzooi. Daar gaat het nog steeds om een land dat klem zit in een oorlog tussen vijanden op basis van ideologie, de ene overtuiging tegen de andere. Gesprekken over en weer, respect voor opvattingen en zorg voor eerlijk delen zijn daar nog altijd niet aan de orde. Het kan wel, dat wat met God werd bereikt in de woestijn, dat wat de dichter van deze psalm tot zingen bracht, belooft dat ook in Afghanistan en al die landen waar oorlog woedt een begin van vrede kan worden gemaakt. Maar alle volken zullen mee moeten willen doen.

 

Weg ermee!

Johannes 2:13-25

3 Kort voor het Joodse pesachfeest reisde Jezus naar Jeruzalem. 14 Daar trof Hij op het tempelplein de handelaars in runderen, schapen en duiven aan, en de geldwisselaars die daar altijd zaten. 15 Hij maakte een zweep van touw en joeg ze allemaal de tempel uit, met hun schapen en runderen. Hij smeet het geld van de wisselaars op de grond, gooide hun tafels omver 16 en riep tegen de duivenverkopers: ‘Weg ermee! Jullie maken een markt van het huis van mijn Vader!’ 17 Zijn leerlingen dachten aan wat er geschreven staat: ‘De hartstocht voor uw huis zal Mij verteren.’ 18 Maar de Joden vroegen: ‘Met welk teken kunt U bewijzen dat U dit mag doen?’ 19 Jezus antwoordde hun: ‘Breek deze tempel maar af, en Ik zal hem in drie dagen weer opbouwen.’ 20 ‘Zesenveertig jaar heeft de bouw van deze tempel geduurd,’ zeiden de Joden, ‘en U wilt hem in drie dagen weer opbouwen?’ 21 Maar Hij sprak over de tempel van zijn lichaam. 22 Na zijn opstanding uit de dood herinnerden zijn leerlingen zich dat Hij dit gezegd had, en zij geloofden de Schrift en alles wat Jezus gezegd had. 23 Toen Jezus op het pesachfeest in Jeruzalem was, kwamen velen tot geloof in zijn naam, omdat ze de tekenen zagen die Hij verrichtte. 24 Maar Jezus had geen vertrouwen in hen, omdat Hij hen allemaal kende. 25 Niemand hoefde Hem iets te vertellen over de mensen, want Hij wist wat er in een mens omgaat. (NBV21)

Als je dit verhaal vandaag voor het eerst zou lezen zou je kunnen denken dat het over een dierenactivist ging. Iemand die met geweld in actie komt om het leven van dieren te beschermen. Want die schapen en die runderen en trouwens ook die duiven zijn bedoeld om geofferd te worden, met één haal van een mes worden ze gedood om daarna leeg te bloeden voor ze op een altaar gebraden worden. Maar het gaat in dit verhaal niet om de dieren maar om de mensen. Voor de toeschouwers zal het een rare actie geweest zijn. In de geboden stond toch dat je weliswaar een tocht moest maken rond het Pesach feest naar Jeruzalem om daar bij de Tempel een maaltijd te houden met de Priesters, de tempeldienaars, je familie en de armen, maar je hoefde de offerdieren niet van heinde en ver mee te slepen. Je mocht ook een deel van je vee verkopen en van het geld in Jeruzalem de offerdieren kopen. Gelukkig dat daar ook geldwisselaars waren want de kans dat je je eigen vee aan vreemdelingen verkocht was groter dan dat je eigen arme landslieden in staat waren voldoende vee te kopen. Zo kon je tenminste goed aan de geboden voldoen.

Waarom dan die ophef en dat geweld? De leerlingen van Jezus van Nazareth beginnen het langzaam door te krijgen. Die Tempel in Jeruzalem was een heel bijzonder godsdienstig gebouw. Wij kennen zulke gebouwen niet meer echt, maar in de dagen van Jezus van Nazareth had iedere stad één of meer tempels waar je goden kon ontmoeten. Prachtige beelden stonden er en deftige priesters namen offers in ontvangst die aan die beelden werden opgedragen. Dat vond je allemaal niet in die Tempel in Jeruzalem. Daar stond niks, ja een kandelaar en een tafel met brood. En ze vertelden dat achter een gordijn een grote kist stond met stenen platen er in. Op die stenen platen stond die Wet gebeiteld, van heb Uw naaste lief als Uzelf. Daar draaide alles om wat er in die Tempel gebeurde. En Jezus van Nazareth had gezien dat die bedoeling was verdwenen.

Want als je moest handelen om offerdieren te kopen dan bleef er maar weinig meer over voor de armen. Dan gingen de handel en de winst boven eerlijk delen met elkaar. Dan was er geen verschil meer tussen een gewone markt en de Tempel van die vreemde God zonder beeld. Daarom werd een zweep gemaakt van touwtjes, zoals er oorspronkelijk stond. Joden die dit verhaal lezen denken dan direct aan de touwtjes aan het gebedskleed, met 163 knopen, net zoveel als er geboden zijn. Met die touwtjes, je mag denken: met alle geboden, sloeg Jezus van Nazareth de handelaren de Tempel uit. En toen ze vroegen waar hij het recht vandaan haalde realiseerde hij zich dat we allemaal Tempel van God zijn, in ons allen wordt die Wet bewaard van heb Uw naaste lief als Uzelf, opdat we naar die Wet leven, dag in dag uit, door al onze handel en wandel in het teken te stellen van het delen van wat we hebben met de armsten op aarde.

De derde dag

Johannes 2:1-12

1 Op de derde dag was er een bruiloft in Kana, in Galilea. De moeder van Jezus was er, 2 en ook Jezus en zijn leerlingen waren op de bruiloft uitgenodigd. 3 Toen de wijn bijna op was, zei de moeder van Jezus tegen Hem: ‘Ze hebben geen wijn meer.’ 4 ‘Vrouw, wat wilt u van Me?’ zei Jezus. ‘Mijn tijd is nog niet gekomen.’ 5 Daarop sprak zijn moeder de bedienden aan: ‘Doe maar wat Hij jullie zegt, wat het ook is.’ 6 Nu stonden daar voor het Joodse reinigingsritueel zes stenen watervaten, elk met een inhoud van twee à drie metrete. 7 Jezus zei tegen de bedienden: ‘Vul de vaten met water.’ Ze vulden ze tot de rand. 8 Toen zei Hij: ‘Schep er nu wat uit, en breng dat naar de ceremoniemeester.’ Dat deden ze. 9 En toen de ceremoniemeester het water dat wijn geworden was, proefde – hij wist niet waar die vandaan kwam, maar de bedienden die het water geschept hadden wisten het wel – riep hij de bruidegom 10 en zei tegen hem: ‘Iedereen zet zijn gasten eerst de goede wijn voor en als ze dronken zijn de minder goede. Maar u hebt de beste wijn tot nu bewaard!’ 11 Dit heeft Jezus in Kana, in Galilea, gedaan als eerste teken; Hij toonde zo zijn grootheid en zijn leerlingen geloofden in Hem. 12 Daarna ging Hij naar Kafarnaüm, met zijn moeder, zijn broers en zijn leerlingen, en daar bleven ze een paar dagen. (NBV21)

Als we het opschrift van het verhaal van vandaag noemen, “De bruiloft te Kana” dan springen gelovigen en ongelovigen op en roepen “daar werd water in wijn veranderd”. Vanaf de vroegste tijden heeft dit verhaal diepe indruk gemaakt. Helaas om de verkeerde reden, want de verandering van water in wijn is helemaal niet de kern van het verhaal. Want als er een bruiloft is, wie gaan er dan trouwen? Daar heeft het verhaal het niet over. Het gaat ook helemaal niet over twee mensen die met elkaar trouwen. Het gaat over Jezus van Nazareth en zijn optreden en het verhaal is eigenlijk het slot van het verhaal dat we eerder hebben gelezen, de doop, de werving van volgelingen. En dan op de derde dag, dan is er die bruiloft. Die derde dag doet natuurlijk denken aan de dag van de opstanding. Omdat het aan het begin van het Evangelie staat, en niet aan het einde, zijn er veel geleerden geweest die andere verklaringen hebben gezocht. Maar de Bijbel rekent nu eenmaal niet met kalenders en agenda’s, de Bijbel is geen geschiedenisboek, de Bijbel vertelt over wat onze geschiedenis veranderd en het optreden van Jezus van Nazareth heeft de geschiedenis ingrijpend veranderd.

Op het eind van het verhaal van Jezus van Nazareth wordt gezegd dat we de verklaring van alles wat er wordt verteld moeten zoeken in de Hebreeuwse Bijbel. En dat verhaal over dat eerste optreden van Jezus van Nazareth begint met een citaat uit de Hebreeuwse Bijbel. Uit het Grieks vertaalt men het antwoord van Jezus van Nazareth op de mededeling dat er geen wijn meer is met “Mijn tijd is nog niet gekomen”, letterlijk staat er “uw zaak is mijn zaak niet” en dat is een zin uit een verhaal over een moeder en een zoon. De zoon was gestorven en de moeder spreekt daarover de profeet Elia aan, Elia geeft letterlijk hetzelfde antwoord als Jezus van Nazareth hier. Maria zal dat begrepen hebben want ze gaat verder met een ander citaat uit de Hebreeuwse Bijbel als ze tegen de dienaren zegt : “doe maar wat hij jullie zegt, wat het ook is” Het zijn de woorden van de Farao als hij Jozef aanstelt als onderkoning van Egypte. In het verhaal van Elia wordt de zoon weer levend en in het verhaal van Jozef worden de Egyptenaren en de nakomelingen van Jacob gered van de hongerdood. En de bruiloft? Op allerlei plaatsen in de Hebreeuwse Bijbel wordt het verbond tussen God en het volk Israël vergeleken met een bruiloft.

Dit eerste verhaal gaat dus over een feest ter ere van de richtlijn die het verbond bezegelde, heb uw naaste lief als uzelf. Het oude leven, het leven alleen voor jezelf en voor je eigen gewin en genot, moet worden afgewassen, daarvoor zijn de reinigingsvaten. Daar doorheen wordt je geleid als je gaat naar het land dat overvloeit van melk en honing het land Kana-an. Op die manier leven is op zichzelf al een feest, een veel mooier feest dan het wereldse bruiloftsfeest waarop iedereen zich bedrinkt en vol laat lopen. Jezus van Nazareth is geen tovenaar die met een toverstokje boven vaten met water staat te zwaaien. Dat willen veel predikers en zogenaamde evangelisten de mensen graag laten geloven. Jezus van Nazareth gaat ons voor op de Weg van de God van Israël, door het water waar ons oude leven wordt afgewassen naar het nieuwe leven van breken van brood en delen van de beker met wijn, het leven na de opstanding uit de dood. Een leven dat we elke dag opnieuw mogen beginnen als we om ons heen kijken en ons leven in dienst stellen van de liefde voor de minsten in onze samenleving. Dat mag dus ook vandaag weer, daarmee maken we ook vandaag tot een feestdag.

De zoon van God.

Lucas 3:23-38

23 Jezus begon zijn werk toen Hij ongeveer dertig jaar was. Hij was, zoals algemeen werd aangenomen, de zoon van Jozef, die een zoon was van Eli, 24 de zoon van Mattat, de zoon van Levi, de zoon van Melchi, de zoon van Jannai, de zoon van Josef, 25 de zoon van Mattatias, de zoon van Amos, de zoon van Naüm, de zoon van Hesli, de zoon van Naggai, 26 de zoon van Maät, de zoon van Mattatias, de zoon van Semeïn, de zoon van Josech, de zoon van Joda, 27 de zoon van Joanan, de zoon van Resa, de zoon van Zerubbabel, de zoon van Sealtiël, de zoon van Neri, 28 de zoon van Melchi, de zoon van Addi, de zoon van Kosam, de zoon van Elmadan, de zoon van Er, 29 de zoon van Jozua, de zoon van Eliëzer, de zoon van Jorim, de zoon van Mattat, de zoon van Levi, 30 de zoon van Simeon, de zoon van Juda, de zoon van Josef, de zoon van Jonan, de zoon van Eljakim, 31 de zoon van Melea, de zoon van Menna, de zoon van Mattatta, de zoon van Natan, de zoon van David, 32 de zoon van Isaï, de zoon van Obed, de zoon van Boaz, de zoon van Selach, de zoon van Nachson, 33 de zoon van Amminadab, de zoon van Admin, de zoon van Arni, de zoon van Chesron, de zoon van Peres, de zoon van Juda, 34 de zoon van Jakob, de zoon van Isaak, de zoon van Abraham, de zoon van Terach, de zoon van Nachor, 35 de zoon van Serug, de zoon van Reü, de zoon van Peleg, de zoon van Eber, de zoon van Selach, 36 de zoon van Kenan, de zoon van Arpachsad, de zoon van Sem, de zoon van Noach, de zoon van Lamech, 37 de zoon van Metuselach, de zoon van Henoch, de zoon van Jered, de zoon van Mahalalel, de zoon van Kenan, 38 de zoon van Enos, de zoon van Set, de zoon van Adam, de zoon van God. (NBV21)

Er waren tijden dat kinderen dit uit hun hoofd moesten leren. Maar het geslachtsregister van Jezus zoals de schrijver van het Lucasevangelie het hier heeft opgetekend gaat niet zozeer over de namen dan wel over de betekenis. Het begint bij een dertigjarige Jezus en gaat terug op Adam, ja op God zelf. De boodschap is dat alle mensen familie zijn en alle mensen zijn dus familie van Jezus, ja alle mensen zijn familie van God. Het opstellen van stambomen is voor veel mensen een hobby. In onze samenleving kom je enkele honderden jaren terug uit. Soms ontdekt men dat er ergens in het verleden ooit iemand in de adelstand werd verheven die familie blijkt te zijn. Maar via Sem, Cham of Jafeth de zonen van Noach zijn we allemaal afstammelingen van Adam, en dus van God. Wat doen wij onze broeders en zusters dus aan. Wat doen wij de kinderen van God op deze wereld aan.

Zien wij in de armen van de wereld de kinderen van God? Zien wij in die raar geklede mannen en vrouwen van de Islam de kinderen van onze God? Zijn wij soms bang voor de kinderen van onze God? Er zijn politici die ons voorhouden dat we bang moeten zijn en onze broeders en zusters moeten uitwijzen en terugsturen naar het land dat onze God hen gegeven heeft. Maar als onze God tegen de voorvader van Jezus, Abraham, zei dat die uit zijn land moest trekken waarom zegt God dat nu niet tegen onze broeders en zusters die ons de vraag komen stellen hoe wij tegen onze broeders en zusters aankijken. Niemand vlucht voor de lol. Jozef ontvluchtte met zijn gezin het Bethlehem van Herodes. Hij zou er bij ons niet ingekomen zijn, hij had in de regio best een plek kunnen vinden. Wij bouwen hier graag een muur om onze broeders en zusters buiten de deur te houden.

Enige tijd geleden werd er een vrouw opgepakt in ons land die hierheen was gevlucht met een groot deel van haar, en dus onze, familie. Zij werd opgesloten in Schiphol-Oost in afwachting van haar uitzetting. Haar drie zoons hebben een verblijfsvergunning, haar vier zusters hebben hier een verblijfsvergunning, haar bejaarde moeder heeft hier een verblijfsvergunning, maar zij werd uit het huis van haar zoon weggehaald en opgesloten. Vrienden van haar omschreven haar als een goed mens en de dominee die haar kent sprak op zondag in zijn kerk over goddelozen die de regels verzonnen en uitvoeren die haar afsnijden van haar familie, en van ons, en van de veiligheid die ze hier vond. Zij komt ook voor in het geslachtsregister van Jezus, als nakomelinge. Wij kunnen alleen maar werken voor een beter vreemdelingenbeleid door in onze omgeving te helpen bij de opvang van vreemdelingen. Door daarmee mee te gaan doen in het verhaal, in het geslachtsregister, van Jezus van Nazareth.