Geen poort blijft gesloten

Jesaja 45:1-13

1 Dit zegt de HEER tegen Cyrus, zijn gezalfde, die Hij bij de rechterhand neemt, aan wie Hij volken onderwerpt, voor wie Hij koningen ontwapent, voor wie Hij deuren opent- geen poort blijft gesloten: 2 Ik zal voor je uit gaan, Ik zal ringmuren slechten, bronzen deuren verbrijzelen, ijzeren grendels stukbreken. 3 Ik zal je verborgen schatten schenken, diep weggeborgen rijkdommen. Dan zul je weten dat Ik de HEER ben, de God van Israël, die jou bij je naam roept. 4 Omwille van mijn dienaar Jakob, van Israël, dat Ik heb uitgekozen, heb Ik je bij je naam geroepen en je met een erenaam getooid, ofschoon je Mij niet kende. 5 Ik ben de HEER, er is geen ander, buiten Mij is er geen god. Ik heb je omgord met wapens, ofschoon je Mij niet kende. 6 Zo zal iedereen, van oost tot west, weten dat er niets is buiten Mij. Ik ben de HEER, er is geen ander 7 die het licht vormt en het donker schept, die vrede maakt en onheil schept. Ik ben het, de HEER, die al deze dingen doet. 8 Hemel, laat gerechtigheid neerregenen, laat haar neerstromen uit de wolken. Laat de aarde zich openen zodat redding zal ontkiemen en gerechtigheid ontspruiten. Ik, de HEER, heb dit alles geschapen. 9 Wee degene die de strijd aanbindt met Hem door wie hij gevormd is- een potscherf tussen de potscherven. Zegt de klei soms tegen wie hem vormt: ‘Wat ben je eigenlijk aan het maken?’ of: ‘Deze pot heeft niet eens oren!’ 10 Wee degene die tegen zijn vader zegt: ‘Wat heb je verwekt?’ en tegen zijn moeder: ‘Wat hebben je barensweeën gebracht?’ 11 Dit zegt de HEER, de Heilige van Israël, die Israël gevormd heeft: Wilden jullie Mij ondervragen over het lot van mijn kinderen, of Mij iets voorschrijven omtrent het werk van mijn handen? 12 Ik ben het die de aarde maakte en de mens op aarde schiep; mijn handen hebben de hemel uitgespannen, Ik riep het sterrenleger tevoorschijn. 13 Ik ben het die Cyrus liet opstaan in gerechtigheid, steeds opnieuw baan Ik voor hem de weg. Hij zal mijn stad herbouwen; hij geeft mijn ballingen de vrijheid terug, zonder betaling of steekpenningen te eisen -zegt de HEER van de hemelse machten. (NBV21)

Gerechtigheid, dat is wat de God van Israël ons geeft. Gerechtigheid in de zin dat ieder tot zijn of haar recht komt. Die hemel is ooit door God boven ons gezet als een bescherming, een schild tegen de wateren van boven. En wateren kunnen dodelijk zijn. In de taal van het volk Israël staat het water vaak voor de dood. Denk maar eens aan het verhaal over Noach toen God opnieuw wilde beginnen met de aarde en de mensen voor wie God die aarde en de hemel er boven gemaakt had. Die gerechtigheid staat niet ter discussie. Voor sommige mensen is dat wel beangstigend. Zij vinden zichzelf maar slecht en als ze tot hun recht moeten komen dan blijft er maar weinig van hen over. Ze zijn niet in staat tot enig goed dus het kwaad wordt zichtbaar als de gerechtigheid van de God van Israël hen treft. Maar het is niet anders. Met de moderne technologie kunnen we niet meer zeggen dat wij mensen niet kunnen bepalen wanneer het wel of niet regent, maar daar maken we zo weinig gebruik van dat je rustig kunt zeggen dat je de regen niet kunt ontlopen. God laat het over de goeden en de slechten regenen.

Maar in dit gedeelte van het boek van de profeet Jesaja gaat de God van Israël tekeer tegen die mensen die zich zo slecht vinden. God heeft toch geen slechte mensen geschapen? Toen God de mens had geschapen, man en vrouw schiep hij hen, zag God dat het goed was. Maar het waren mensen die zelf wel wilden uitmaken wat goed en wat slecht was. Als ze dat konden waren ze immers gelijk aan God geworden. Ze gedragen zich als de klei die tegen de pottenbakker zegt dat de pot die gemaakt is geen oren heeft, of de baby die aan de vader en moeder vraag wat ze eigenlijk hebben voortgebracht. Belachelijk als je het zo stelt. Maar dat doen mensen die over zichzelf en over anderen een oordeel vellen. Ze ontkennen de God van Israël zoals de Bijbel ons die leert kennen. Een God die bevrijdt, ondanks het slechte dat mensen doen. Een God die barmhartig en genadig is, zoals Mozes zag toen hij de richtlijnen voor de menselijke samenleving kreeg. Als mensen die richtlijnen volgt dan merken ze dat ze het goede kunnen doen en niet dan het goede.

Die God van Israël maakt zelfs het slechte goed. Die Cyrus van Perzië was geen gelovige van de God van Israël. Dat hij iets zou weten van de grootheid van die God, van het machtige dat die God kan doen is zeer onwaarschijnlijk. Maar hij doet wat de God van Israël wil, hij bevrijdt het volk uit de ballingschap en zorgt er voor dat ze terugkeren naar hun land en daar de Tempel en Jeruzalem weer herbouwen. Er zullen overigens een heleboel Judeeërs blijven wonen in het land van hun ballingschap. Ze hebben daar immers hun bestaan opgebouwd, hun kinderen zijn er geworteld. Maar het zijn niet langer ballingen, het zijn vrije mensen geworden. Vrije mensen die het vrij staat hun God te dienen en hun Godsdienst te belijden. Zij zijn het die zorgen dat mensen tot hun recht komen, zij zijn het die hun naaste liefhebben als zichzelf, die oog hebben voor de zieken en gehandicapten en aandacht en recht vragen voor de weduwe en de wees. Door Jezus van Nazareth kunnen wij ons aansluiten bij hun gemeenschap en het goede doen en niets dan het goede. Daartoe worden wij geroepen elke dag opnieuw, ook vandaag weer.

Het zal weer bewoond worden

Jesaja 44:21-28

21 Neem deze dingen ter harte, Jakob, neem ze ter harte, Israël, want jij bent mijn dienaar. Ik heb je gevormd, je bent mijn dienaar, Israël, Ik zal je niet vergeten. 22 Ik heb je misdaden als een wolk doen verdampen, je zonden als de ochtendnevel. Keer terug naar Mij: Ik zal je vrijkopen. 23 Juich, hemel, want de HEER heeft dit gedaan, jubel, diepten van de aarde, bergen, breek uit in gejuich, en ook jullie, bossen met al je bomen: ja, de HEER koopt Jakob vrij, in Israël toont Hij zijn luister. 24 Dit zegt de HEER, je bevrijder, die je al in de moederschoot heeft gevormd: Ik, de HEER, ben het die alles gemaakt heeft, de enige die de hemel heeft uitgespannen, die zelf de aarde heeft uitgespreid. 25 Die de tekenen van orakelpriesters verstoort en waarzeggers ontmaskert, die wijzen naar de achtergrond dringt en hun kennis bespottelijk maakt, 26 die het woord van zijn dienaar gestand doet en vervult wat zijn boden hebben voorzegd. Die van Jeruzalem zegt: ‘Het zal weer bewoond worden,’ en van Juda’s steden: ‘Ze zullen herbouwd worden, en wat verwoest was, laat Ik herrijzen.’ 27 Die de diepste oceaan gebiedt: ‘Word droog! Ik zal je waterstromen droogleggen.’ 28 Die over Cyrus zegt: ‘Dit is mijn herder, alles wat Ik wil, brengt hij ten uitvoer: hij geeft opdracht om Jeruzalem te herbouwen en voor de tempel de fundering te leggen.’ (NBV21)

We willen zo graag weten wat de toekomst ons brengt. Dat lied van Jaqueline E. van der Waals:” Wat de toekomst brengen moge, mij geleid des Heren hand” is ons niet genoeg. Waarzeggers, astrologen, mediums, instraalsters ze verdienen kapitalen aan onze behoefte de toekomst te kennen. Wie de Weg van de God van Israël wil gaan keert zich af van die onzinvertellers. De toekomst ligt al vast net als het verleden. Niet de toekomst van elk van ons individueel, wij hebben nog steeds de keus deel uit te maken van de toekomst van die God of juist niet met die God de toekomst in te gaan. In de Bijbel vertellen profeten over de toekomst. Maar ze vertellen eerder hoe het in licht van hun tijd zal aflopen dan dat ze iets nieuws vertellen dat nog niet aan het gebeuren was. Jesaja heeft het over de terugkeer van ballingen en de herbouw van Jeruzalem en de Tempel. De herrijzing van Juda als herkenbare eenheid voor bewoning door de mensen die de Weg van de God van Israël zijn gegaan.

Die terugkeer is eigenlijk al begonnen toen ze er in de ballingschap voor kozen toch vast te blijven houden aan de richtlijnen voor de menselijke samenleving die ze van die God hadden gekregen. Ze hadden de verhalen er over bijeengebracht, opgeschreven waar dat nog nodig was, op een rij gezet waar ze versnipperd waren geraakt. De profeet ziet in de politieke veranderingen in zijn tijd een teken dat er ook voor zijn volk wat te veranderen staat. Die koning Cyrus van Perzië is een heel ander soort koning dan de koningen van Babel die ze hadden leren kennen. Die Cyrus, of Kores zoals hij ook wel in de Bijbel genoemd word, bestuurt zijn rijk zoals een herder zijn kudde schapen bestuurt. Hij zorgt er voor dat ze grazige weiden hebben en helder fris water waar ze kunnen drinken. Cyrus versterkte zijn rijk door bondgenoten te maken van de overwonnen volken. Bondgenoten zouden minder snel in opstand komen dan vernederde volken.

En die leeggeroofde landen waar de bevolking in ballingschap was gebracht waren een welkome prooi voor rovers en buurvolken die nog niet onder de macht van Cyrus waren gebracht. Sterke steunpunten waren veel belangrijker, welke godsdienst er dan werd beleden was minder relevant. Cyrus kwam nog uit de cultuur die geloofde dat elke land en elke stad haar eigen God had die je eer moest bewijzen als je toevallig in dat land of die stad kwam. Die Judeeërs hadden dat begrepen, zij kwamen uit Juda en bleven dus vasthouden aan hun eigen God. Nu dat konden ze beter doen in hun eigen land, dan bleven ze vrienden van Cyrus. Zo bondgenootschappen vormen, met respect voor je bondgenoten is dus volgens de Bijbel het meest vruchtbaar. Hoe wordt er met ons als bondgenoot omgegaan? Een vraag die niet alleen tussen naties hoeft te gelden maar ook tussen overheid en burgers, tussen burgers onderling, tussen werkgevers en werknemers en noem maar op. Een vraag die je elke dag opnieuw mag stellen.

 

Ze begrijpen het niet

Jesaja 44:9-20

9 Mensen die godenbeelden maken zijn niets, en hun dierbare maaksels zullen hun niet baten. De mensen die van deze goden getuigen, zien niets en weten niets, zij zullen beschaamd staan. 10 Wie vormt er nu een god en giet zo’n nutteloos beeld? 11 Die ambachtslieden zijn maar mensen, en daarom zullen al hun bewonderaars te schande staan. Laten ze bijeenkomen en zich opstellen; ze zullen sidderen en zich schamen, zonder uitzondering. 12 Een smid hanteert gereedschap om ijzer te smeden in een gloeiend vuur. Hij vormt het met een hamer en bewerkt het met krachtige hand. Maar als hij honger krijgt, verliest hij zijn kracht, en als hij geen water drinkt, raakt hij uitgeput. 13 Een beeldsnijder spant een meetlint en geeft de ruwe omtrek aan met een beitel. Dan snijdt hij een figuur uit met een fijn mes en tekent de precieze vorm af met een passer. Hij maakt er een menselijke figuur van, een prachtig beeld, om in een huis te zetten. 14 Iemand velt een paar ceders, of hij kiest een pijnboom en een eik, die hij in het bos met andere bomen heeft laten opgroeien; of een laurierboom die hij heeft geplant en die groeide door de regen. 15 Ze dienen hem tot brandhout: hij gebruikt het om zich te warmen, of om er brood op te bakken. Of hij bewerkt het tot een god, waarvoor hij knielt; hij maakt er een godenbeeld van waarvoor hij zich neerbuigt. 16 Met de ene helft stookt hij een vuur, waarop hij vlees bereidt; hij roostert het vlees en doet zich er tegoed aan. Hij wordt warm en zegt: ‘Ha, lekker warm! Ik zie de gloed van het vuur!’ 17 Van de rest maakt hij een god, een godenbeeld waarvoor hij knielt en zich neerbuigt in gebed: ‘Red mij, want u bent mijn god.’ 18 Ze begrijpen het niet, ze beseffen het niet; blijkbaar zitten hun ogen dichtgeplakt, waardoor ze niets zien en het hun aan inzicht schort. 19 Het dringt niet tot hen door, ze missen de kennis en het inzicht om te bedenken: Met de ene helft heb ik een vuur gestookt, op de gloeiende houtskool heb ik brood gebakken en vlees geroosterd om te eten. Van wat overbleef heb ik een gruwelijk beeld gemaakt. Ik buig me dus neer voor een blok hout. 20 Wat zij koesteren is as! Hun misleide geest heeft hen op een dwaalspoor gebracht. Ze zijn niet meer te redden, want ze vragen zich niet af: Is wat ik in mijn hand houd eigenlijk geen bedrog? (NBV21)

We vinden het nog steeds mooi, idolen en beelden van hen die we bewonderen. Wat wij koesteren is as, zegt de profeet Jesaja hier. Zelfgemaakte beelden die je kunt opstoken als het koud is en de brandstof op is. Dat is het enige dat die goden je te bieden hebben. De mens is volgens Jesaja helemaal kwijt dat God de mens heeft geschapen naar zijn beeld en gelijkenis. De mensen maken goden naar hun beeld. Zijn wij dat mechanisme kwijt? Alleen in Rooms-Katholieke streken kom je nog met zilver en goud bekleede beelden tegen die op de ruggen van gelovigen worden rondgedragen door de dorpen en de steden. Daar moeten nog kaarsen voor worden ontstoken omdat ze het anders koud krijgen. Maar de ongelovigen zullen zeggen dat ze te verstandig zijn geworden voor dergelijke afgoderij.

En is dat zo? Vaak wordt de menselijke rede verheven tot godheid. Een rede die zowel het goede als het kwade voort kan brengen. Atoomsplitsing zowel als nanotechnologie. De rede is zeker geen God die het goede doet, het goede verlangt, het goede teweeg brengt, niets dan het goede. Dan zijn er ook de economische goden winst en profijt. Als winst en profijt, het marktmechanisme, ons en de samenleving maar regeren dan zullen alle problemen uit de samenleving verdwijnen. Concurentie bevordert kwaliteit en dus moet alles via de markt geregeld worden. Maar lang niet alles laat zich via de markt regelen. Schone lucht om te ademen is niet te verkopen en dus niet te koop. Het schoon houden van lucht levert dus niets op en het wordt onder de vrije markt ook nooit schoon, alleen onder dwang van een overheid die eerst let op mensen en dan pas op winst en profijt. Ook de economische goden brengen dus zeker niet alleen het goede en niet dan het goede.

Dan zijn er mensen die tot goden worden verheven. Schrijvers, wetenschappers, politici, sportlieden, zangers en zangeressen, koningen en prinsessen, modellen en sterren. Maar dat zijn mensen als wij, zij brengen op hun terrein misschien iets goeds, maar nooit het algoede. Hun prestaties zijn mooi en om te bewonderen maar zelden zijn er mensen te vinden die er ook wat aan hebben. Zijn er hongerigen die er door gevoed worden, wordt er vrede door gesticht? Het woord van Jesaja dat we vandaag lezen blijkt nog net zo actueel als in de tijd dat er tempels waren waar beelden vereerd werden, toen er nog beelden stonden op de hoeken van de straten en godenbeelden op akkers werden gezet om vruchtbaarheid op te wekken. Het zijn niet de beelden van een God die ons een betere wereld moeten brengen. Het is het Woord van een God, de richtlijnen die hij de mensen heeft gegeven. Pas als we delen worden we rijker, pas als we meewerken aan zijn Koninkrijk zal dat Koninkrijk ook komen. En dat meewerken mogen we elke dag opnieuw. Ook vandaag weer.

De eerste en de laatste

Jesaja 44:1-8

1 Nu dan, luister, Jakob, mijn dienaar, Israël, dat Ik heb uitgekozen: 2 Dit zegt de HEER, die jou gemaakt heeft en al in de moederschoot gevormd, en die je steeds te hulp komt: Wees niet bang, mijn dienaar Jakob, Jesurun, die Ik heb uitgekozen. 3 Ik zal water uitgieten op dorstige grond, waterstromen over het droge land. Ik zal mijn geest uitgieten over je nazaten en mijn zegen over je telgen. 4 Zij zullen ontkiemen tussen het gras, uitbotten als wilgen langs het water. 5 De een zal zeggen: ‘Ik hoor bij de HEER,’ de ander zal Jakobs naam gebruiken, een derde schrijft op zijn hand: ‘Van de HEER’ en tooit zich met de naam Israël. 6 Dit zegt de HEER, Israëls koning en bevrijder, de HEER van de hemelse machten: Ik ben de eerste en de laatste, er is geen god buiten Mij. 7 Wie is zoals Ik? Laat hij het woord nemen. Laat hij vertellen en aan Mij ontvouwen wat er te gebeuren stond vanaf de dag dat Ik de mensheid schiep, en laat hij onthullen wat er gebeuren gaat. 8 Vrees niet, laat je niet door angst verlammen: heb Ik het je niet vanaf het begin laten horen, heb Ik het je niet aldoor verteld? Jullie zijn mijn getuigen: is er een god buiten Mij, of een andere rots? Ik ken er geen. (NBV21)

We lezen vandaag een belangrijk stukje uit de Bijbel. Shakespeare laat in een van zijn toneelstukken de hoofdpersoon zeggen dat er meer is tussen hemel en aarde. Een uitspraak die vaak wordt geciteerd. Er is toch altijd wel iets dat boven ons uit gaat en dat invloed uitoefent op ons leven zonder dat wij dat door hebben. Sommigen noemen dat God, anderen komen niet verder dan “iets” De Bijbel leert ons iets anders. Er is niets tussen hemel en aarde. In alle Bijbelboeken die voor het gedeelte staan dat we vandaag lezen gaan de schrijvers er nog van uit dat er misschien wel andere goden zijn, maar dat de God van Israël de sterkste is en de baas is over alle goden. In de ballingschap zijn de Israëlieten er achter gekomen dat het anders zit. Er is maar één God, de God van Israël, alle andere goden, machten en krachten, zijn verzinsels. Die God van Israël oefent ook geen macht uit over mensen zonder dat ze het merken. Met die God van Israël zijn afspraken te maken, hij heeft richtlijnen gegeven voor een menselijke samenleving en je kunt afspreken je samenleving volgens die richtlijnen in te richten.

Je hoeft dan ook niet duidelijk te maken dat je in tegenstelling tot de aanhangers van andere goden bij de God van Israël hoort. Dat is vanzelfsprekend, er is immers geen andere God. In die richtlijnen die het volk Israël gekregen heeft staat het advies aan het volk om de richtlijnen op te schrijven en aan de deurpost van je huis te timmeren, ja aan een band te bevestigen die je om je hoofd draagt of in de hoekdraden te verwerken van de mantel die je draagt. Tot op de dag van vandaag kun je de Joden tegenkomen die dat ook werkelijk doen. Het gaat dus om die richtlijnen, niet om bij welke godsdienst je hoort. Paulus zal later aan zijn gemeenten schrijven dat hij hoopt dat die richtlijnen in je hart worden opgeschreven. Heb uw naaste lief als uzelf is de samenvatting van de richtlijn waarmee je niet alleen de God van Israël eer bewijst maar ook de wereld een stukje beter maakt. Als iedereen op de wereld volgens die richtlijn zou leven dan wordt de wereld zo mooi dat God zelf op deze wereld zal willen gaan wonen.

Dat er één God is en dat al die andere goden waar mensen over spreken niet bestaan is ook in onze dagen belangrijk. Wij mensen hebben immers allemaal een verschillend beeld van die ene God. Die God openbaart, doet zich kennen, zich aan mensen zoals mensen dat nodig hebben. Of men de God van Israël volgt of zelf een eigen god geschapen heeft is alleen aan de gevolgen voor de samenleving te merken. Aan de vruchten herkent men de boom. Als mensen anders praten over hun God dan dat je gewend bent wil dus nog lang niet zeggen dat ze niet in dezelfde God geloven. Dat oordeel kunnen wij mensen niet over een ander vellen. Alleen als de god van die ander zogenaamd alleen zijn aanhangers wil laten leven en iedereen die anders spreekt over zijn geloof dood wil laten maken kunnen we zeggen dat er sprake moet zijn van een niet bestaande afgod. De God van Israël is immers tegen het doden van mensen, het niet doden van mensen is één van zijn belangrijke richtlijnen. Verder mag iedereen mee doen aan het inrichten van de samenleving volgens Zijn richtlijnen. Alleen al door elke dag opnieuw te beginnen met de naaste lief te hebben als jezelf. Ook vanmorgen weer.

 

Klaag Mij maar aan

Jesaja 43:22-28

22 Maar jij hebt niet tot Mij geroepen, Jakob, jij gaf je geen moeite voor Mij, Israël. 23 Je hebt niet aan Mij je schapen geofferd, Mij met je offers geen eer bewezen. Ik heb je niet met graanoffers belast en je niet vermoeid met de plicht om wierook voor Mij te branden. 24 Je hebt van je zilver geen kalmoes voor Mij gekocht, Mij niet verzadigd met het vet van je offers. Nee, je hebt Mij met je zonden belast, Mij vermoeid met al je wandaden. 25 Ik, Ik ben het die omwille van zichzelf je misdaden tenietdoet en aan je zonden niet meer denkt. 26 Klaag Mij maar aan, laten we samen een rechtszaak aangaan, en voer zelf het woord om je zaak te bepleiten. 27 Je eerste voorvader heeft al gezondigd en je woordvoerders zijn steeds tegen Mij opgestaan. 28 Daarom heb Ik de dienaren van het heiligdom ontwijd, Jakob aan de vernietiging prijsgegeven en Israël aan spot en hoon. (NBV21)

De eerste vraag die mensen stellen is waarom die God van Israël eigenlijk dat volkje van slaven en zwervers had uitgekozen om voor hen juist God te zijn. Het antwoord van Leo Baeck, de rabbijn van Berlijn tijdens het bewind van de nazi’s, was, dat het volk Israël was uitgekozen om de lof aan die God gaande te houden. Die God had immers hemel en aarde geschapen en de chaos veranderd in mensenland, die God had de mensen menselijkheid geleerd en daar was het volk Israël het voorbeeld van. Die God had voor alle mensen in de wereld zijn Zoon gezonden opdat heel de aarde de lof van die God zou zingen. Leo Baeck schreef dan ook een prachtig boek dat in het Nederlands werd vertaald als “Het Evangelie is Joods” Een zeer lezenswaardig boek dat ook in een Nederlandse vertaling is verschenen. Het was in 1938 het laatste boek dat hij voor de tweede wereldoorlog kon publiceren. Die God van Israël is een merkwaardig God. De manier waarop die God in de geschiedenis ingrijpt gaat altijd via mensen. Als mensen doorkrijgen wat die God van mensen vraagt, hoe een menselijke samenleving ingericht kan worden, dat die richtlijnen voor de menselijke samenleving een geschenk van die God zijn waarvoor je dankbaar kunt zijn, dat al het goede in de wereld afkomstig is van die God dan groeit die God in macht en aanzien.

Als mensen denken dat ze het zelf wel kunnen, dat ze meer zijn dan een ander, dat ze kunnen schelden en afgeven op anderen omdat die anders geloven of ergens anders vandaan komen dan trekt die God zich terug en wijst op de afloop. Er is een staat Israël en in onze staat hebben Joodse instellingen en Synagogen extra bescherming, Nazi’s worden vervolgd en beschimpt en hun gedachtengoed is verboden. Maar waarom dan die offers? In een fatsoenlijke godsdienst hield men vroeger met offers de God in leven. Als je te weinig offers bracht dan stierf die God of dan verzwakte die God zo zeer dat je als volk kon worden overwonnen. Maar als al het goede van de God van Israël afkomstig is waarom die God dan offers brengen? Dat brengen van offers is in de Bijbel dan ook helemaal niet vanzelfsprekend. Er zijn profeten die roepen dat God geen offers wil maar gerechtigheid. Die gedachte vind je ook in het boek van de profeet Jesaja. Die offers zijn bedoeld om je te oefenen in delen. Dat je al dat goede van die God hebt gekregen was niet om jou te verzadigen maar om te zorgen dat de zwakste in de samenleving ook beschermd zou worden.

In de Bijbel gaat het dan om de weduwe en de wees, de vreemdeling en de armen. Bij de Tempel moest je met hen en met de Tempeldienaren een maaltijd houden. Offers breng je dus als er geen armen meer zijn. Armen zijn er niet meer als jij en als jouw volk voldoende hebben gedeeld. Daar was in Israël vaak geen sprake van, net als dat er bij ons geen sprake van is. De zorg voor ouderen, zieken, gehandicapten is in onze dagen een last waarop bezuinigd moet worden. Voedselbanken die werken met voedseloverschotten moeten het tekort aan delen aanvullen. Als supermarkten en groothandels efficiënter gaan werken hebben ze minder overschot en komen de voedselbanken te kort. Geen wonder dat veel kerken inzamelcentra geworden zijn voor de voedselbanken. Dat is pas eer bewijzen aan de God van Israël, die wil niet in leven worden gehouden door offers maar vraagt een teken dat we willen delen. Daarmee kunnen we elke dag opnieuw beginnen. Ook vandaag weer

 

Een heilige weg

Psalm 77

1 Voor de koorleider. Op de wijs van Jedutun. Van Asaf, een psalm. 2 Luid roep ik God, ik schreeuw het uit, luid roep ik God-dat Hij mij hoort. 3 Op de dag van mijn nood zoek ik de Heer, bij nacht hef ik mijn handen, rusteloos, mijn ziel laat zich niet troosten. 4 Ik denk aan God en moet zuchten, mijn gedachten vermoeien mijn geest. sela 5 U laat me mijn ogen niet sluiten, van onrust vind ik geen woorden, 6 ik zie terug op voorbije tijden, op de dagen en jaren van vroeger, 7 bij nacht denk ik aan mijn spel op de snaren, mijn hart zoekt, mijn geest vraagt: 8 Zou de Heer voor eeuwig verstoten, zou Hij niet langer liefhebben? 9 Is zijn trouw voorgoed verdwenen, zijn woord voor eens en altijd verstomd? 10 Vergeet God genadig te zijn, verbergt zijn ontferming zich achter zijn toorn? sela 11 En ik zeg: ‘Ik weet wat mij kwelt, de hand van de Allerhoogste is niet meer dezelfde.’ 12 Ik denk terug aan de daden van de HEER – ja, ik denk aan uw wonderen van vroeger, 13 overweeg elk van uw werken en houd in gedachten uw grote daden. 14 Uw weg, God, is een heilige weg- welke god is zo groot als onze God? 15 U bent de God die wonderen doet, U hebt de volken uw macht getoond, 16 uw arm heeft uw volk bevrijd, de kinderen van Jakob en Jozef. sela 17 Toen het water U zag, o God, toen het water U zag, begon het te beven, een huivering trok door de oceanen. 18 De wolken stortten water, de hemel dreunde luid, uw pijlen flitsten heen en weer, 19 uw donder rolde dreunend rond, bliksems verlichtten de wereld, de aarde trilde en schokte. 20 Door de zee liep uw weg, door de wijde wateren uw pad, maar uw voetsporen bleven onzichtbaar. 21) U leidde uw volk als een kudde door de hand van Mozes en Aäron. (NBV21)

Vandaag zingen we een Psalm uit de bundel van Asaf, de leider van de zangers bij de Tempel in Jeruzalem. Het is een Psalm die bedoeld was om begeleid te worden door instrumenten. De Psalm zelf spreekt al over snarenspel maar de Jeduthun die genoemd wordt was een autoriteit die een bijzondere rol had bij het brandofferaltaar en wiens nakomelingen de taak hadden de instrumenten van de tempelzangers te bewaren. Op de wijs van het lied dat Jeduthun zong en speelde bij het brandofferaltaar werd ook dit meditatieve lied van Asaf gezongen. Zo af en toe moet je je gedachten eens laten gaan over de vraag hoe de zaken in elkaar zitten. De dichter kent de tegenslagen die men in het leven tegenkomt. Maar de dichter heeft ook weet van de grote daden die het volk is overkomen en die aan God worden toegeschreven. Al die zaken namelijk die je kunt toeschrijven aan liefde voor het volk kunnen niet anders dan van God komen. De bevrijding van de slavernij uit Egypte was misschien wel het grootste wonder.

Egypte was immers het doodsland, het land van slavernij en onderdrukking waarin het onmogelijk was om te leven, waar de eerstgeborenen gedood moesten worden en stierven. Door het water van de dood wist het volk hieruit te ontkomen. De rest van het verhaal behoeft geen toelichting. Als je bij de Tempel in Jeruzalem zit dan weet je als geen ander waarover het gaat. Want in die ontsnapping, midden in de woestijn ontdekte het volk Israel, de kinderen van Jacob en Jozef, de richtlijnen voor een menselijke samenleving, daar werd God zelf ontmoet. Die richtlijnen die zeggen dat je je naaste lief moet hebben als jezelf. De richtlijnen die zeggen dat alleen door te delen overleven mogelijk is. De leer van Mozes die zegt dat je er voor moet zorgen dat iedereen, zelfs de minste en de zwakste, mee moet kunnen blijven doen.

Die richtlijnen werden bewaard in de Tempel in Jeruzalem. Geen beeld van God is daar nodig, ieder mens werd immers geschapen naar het beeld van God, alleen die richtlijnen in steen gehouwen alsof de leer van Mozes, de Thora, gegrift staat in het hart van het volk. Die leer van Mozes, met haar richtlijnen voor een menselijke samenleving, regeert uiteindelijk alle volken want ooit zullen de volken in de wereld inzien dat vrede en gerechtigheid pas bereikt zullen worden als de volken bereid zijn elkaar lief te hebben als zichzelf en te delen met elkaar wat ze hebben en er voor te zorgen dat iedereen op aarde, ook de minste en de zwakste mee kan doen aan die samenleving. Dat wonder is begonnen met de uittocht uit Egypte. Aan dat wonder mogen we allemaal deel hebben door ons te laten leiden door die richtlijnen. In het verhaal zoals wij dat kennen gaat het zelfs door de dood zelf heen. En als de dood het niet kan tegenhouden wie zou ons er dan van af kunnen brengen onze naasten lief te hebben als onszelf.

Een beter verbond

Hebreeën 7:20-28

20 Bovendien is er sprake van een bekrachtiging onder ede. De Levitische priesters ontvingen het priesterschap zonder dat het door een eed bekrachtigd werd, 21 Jezus daarentegen ontving het mét een dergelijke bekrachtiging, toen tegen Hem werd gezegd: ‘De Heer heeft gezworen, en komt op zijn eed niet terug: “Jij bent priester voor eeuwig.”’ 22 Daardoor staat Jezus garant voor een beter verbond. 23 Zij moesten met velen zijn, omdat de dood hun belette priester te blijven, 24 maar omdat Hij blijft tot in eeuwigheid, is ook zijn priesterschap eeuwig. 25 Zo kan Hij allen die God door Hem naderen volkomen redden, omdat Hij voor altijd leeft en zo voor hen kan pleiten. 26 Een hogepriester als Hij hadden we ook nodig, iemand die heilig, schuldeloos en zuiver is, van de zondaars afgescheiden en ver boven de hemelsferen verheven. 27 Hij hoeft niet, zoals de andere hogepriesters, elke dag eerst offers op te dragen voor zijn eigen zonden en dan voor die van het volk; dat heeft Hij immers voor eens en altijd gedaan toen Hij zichzelf offerde. 28 De wet stelt mensen aan als hogepriester, en mensen zijn behept met zwakheid, maar met de bekrachtiging onder ede die later werd uitgesproken dan de wet, is de Zoon aangesteld, die voor altijd de volmaaktheid heeft bereikt. (NBV21)

De komst van de Christus, in de persoon van Jezus van Nazareth is volgens de schrijver van deze brief een totale breuk met het verleden. In die zin dat wat er in het verleden aan regels en gewoonten is ingesteld nu haar betekenis krijgt. Er wordt duidelijk wat het doel was van de keuze van een volk waar alle volken in de wereld zich aan zouden kunnen spiegelen. Heel duidelijk wordt dat volgens het gedeelte dat we vandaag lezen aan het Priesterschap. Er waren priesters en er was de Hogepriester. Die Hogepriester had direct contact met God. Hij mocht in het Heilige der Heilige komen, het afgescheiden gedeelte van de Tempel waar de ark van het verbond stond. De andere priesters hadden tot taak de maaltijden te bereiden die mensen met elkaar, met hun familie, de armen en de vreemdelingen en met de dienaren in de Tempel moesten houden.

Zij moesten er voor zorgen dat mensen zich konden reinigen, dat er dieren waren waar niets aan mankeerde en dat het geld dat gebruikt werd om het eten te kopen geen afbeelding van mensen had. De offermaaltijd voor het feest van Pesach was de godsdienstoefening die door Jezus van Nazareth was overgenomen en die zijn volgelingen elke eerste dag van de week hielden in het delen van brood en wijn. Tijdens de kruisiging was het gordijn dat de afscheiding vormde met het Heilige der Heiligen gescheurd, iedereen had toegang, iedereen was Priester. Volgens de brief is Jezus van Nazareth de Hogepriester die een direct contact met God had.

Maar als wij allen priester zijn kunnen we ook de maaltijd verzorgen die aan de Priesters was opgedragen.. In elke voedselbank kun je zorgen voor maaltijden met de armsten in je stad, door eerlijke handelsverhoudingen te eisen en alvast te kopen bij Fair Trade winkels kun je delen met de armen in de hele wereld. Daarmee worden we een volk van Priesters en Koningen, zo werden die eerste christengemeenschappen ook wel genoemd. Waarom zou dat vandaag niet op ons kunnen slaan? Onze gemeenschappen laten zien hoe het er in de samenleving hoort toe te gaan. Delen van wat we hebben met de minsten. Desnoods nemen we ze op in onze kerken, zoals nu met gewortelde kinderen gebeurd. Zo hopen we dat onze bestuurders zich aan die barmhartigheid gaan spiegelen.

 

Zijn onvergankelijk leven

Hebreeën 7:11-19

11 Had het Levitische priesterschap-dat de basis vormde voor de wet die het volk ontving-de volmaaktheid gebracht, dan was het niet meer nodig geweest te zeggen dat er een andere priester zou worden aangesteld, een priester zoals Melchisedek, en niet zoals Aäron. 12 Maar wanneer het priesterschap verandert, verandert onherroepelijk ook de wet. 13 Welnu, degene over wie dit alles wordt gezegd, behoort tot een andere stam, waarvan niemand zich in dienst van het altaar gesteld heeft. 14 Het is immers bij iedereen bekend dat onze Heer is voortgekomen uit Juda, en deze stam is door Mozes nooit met priesters in verband gebracht. 15 Nog duidelijker wordt het nu deze nieuwe priester, het evenbeeld van Melchisedek, 16 geen priester geworden is op grond van de in de wet vereiste menselijke afstamming, maar door de kracht van zijn onvergankelijk leven. 17 Over Hem wordt immers verklaard: ‘Jij bent priester voor eeuwig, zoals Melchisedek.’ 18 Het eerder gegeven gebod wordt ongeldig verklaard omdat het te beperkt is en niet voldoet 19 -de wet heeft trouwens in geen enkel opzicht de volmaaktheid gebracht-,maar de hoop op iets beters treedt ervoor in de plaats, waardoor wij God dichter kunnen naderen. (NBV21)

Het zal voor de Joden in de nieuwgevormde Christengemeenschappen raar geweest zijn als ze zomaar horen spreken over Jezus van Nazareth als priester en zelfs als Hogepriester. Leuk natuurlijk dat Jezus van Nazareth vergeleken wordt met Melchisedek de priester koning van Salem, maar dat was een Heiden, Jezus van Nazareth was een Jood. In de woestijn, toen het volk van Israël de onderwijzing van Mozes ontving, was de stam van Levi aangewezen als dienaren van de Tora. Zij hadden geweigerd om het gouden kalf te aanbidden dat als symbool van de nieuwe God van Israël was gegoten. Volgens hen was die God niet een God van vruchtbaarheid maar een God van bevrijding. Zij hadden het goed begrepen.

Maar de richtlijn van heb Uw naaste lief als Uzelf was een wet geworden zoals de Romeinse wetten, met saaie en dorre regeltjes waar gewone mensen geen weg in weten en met uitspraken van geleerde rechters die door nog minder mensen begrepen worden. Het is een poging eerlijk en onafhankelijk de mensen te behandelen maar het houdt geen rekening met de mensen zelf. De manier waarop Jezus van Nazareth met die Wet was omgegaan werd de nieuwe maat waarmee de christengemeenschappen zichzelf wilden meten. Bevrijdend voor mensen die gevangen zaten in angst en onderdrukking, bevrijdend door liefde voor minsten in de samenleving.

Voor de Joden in de nieuwe christengemeenschappen zal het citaat uit Psalm 110, “Jij bent priester voor eeuwig” als een mokerslag hebben gewerkt. Als Jezus van Nazareth op basis van die uitspraak Hogepriester was geworden dan betekent het dat iedereen Priester was geworden, Joden en Heidenen. Daarmee was die vergelijking met Melchisedek ook een heel logische vergelijking geworden. Alleen de Hogepriester had op de Grote Verzoendag de taak om de zonden van het volk op zich te nemen en God te vragen om vergeving. Dat had Jezus van Nazareth aan het kruis gedaan, door de liefde voor de naaste ook door de dood heen te dragen had hij het mogelijk gemaakt dat iedereen met die liefde telkens opnieuw kon beginnen.

 

Koning van de vrede

Hebreeën 7:1-10

1 Want deze Melchisedek, koning van Salem en priester van de allerhoogste God, ging Abraham tegemoet toen deze terugkeerde van zijn overwinning op de koningen, en zegende hem, 2 waarna Abraham hem een tiende van alle buit gaf. Zijn naam betekent ‘koning van de gerechtigheid’, en verder is hij ook koning van Salem, dat is ‘koning van de vrede’. 3 Hij heeft geen vader of moeder, geen stamboom, geen oorsprong of levenseinde; hij is priester voor altijd, en daarin lijkt hij op de Zoon van God. 4 Hieraan kunt u zien hoe belangrijk hij was: Abraham, de aartsvader, gaf hem een tiende van wat hij had buitgemaakt. 5 De afstammelingen van Levi die het priesterambt ontvangen, moeten volgens de wet tienden heffen van het volk, dat wil zeggen van hun broeders en zusters, die toch ook nakomelingen van Abraham zijn. 6 Maar hoewel hij niet met hen verwant was, heeft Melchisedek tienden geïnd van Abraham en de man gezegend die de beloften ontvangen had. 7 Het staat buiten kijf dat de mindere altijd gezegend wordt door de meerdere. 8 Bovendien worden in het ene geval tienden ontvangen door sterfelijke mensen, in het andere door iemand van wie wordt getuigd dat hij leeft. 9 Zo zouden we dan kunnen zeggen dat ook Levi, de ontvanger van tienden, tienden afgedragen heeft, en wel via Abraham, 10 aangezien Levi nog in de schoot van zijn vader was toen Melchisedek Abraham tegemoetkwam. (NBV21)

De schrijver van de preek voor de Hebreeën is zeer geïntrigeerd door het verhaal uit Genesis 14 over de ontmoeting van Abraham met Melchisedek de koning van Salem. Dat was vanuit Joods standpunt een Heiden, maar hij was toch priester en koning tegelijk. De geschiedenis van deze priester koning is onbekend maar hij leeft voort in de Bijbel en dat wordt in de eerste plaats benadrukt door de schrijver van deze brief. Bijzonder is niet alleen wat die priester koning deed maar ook de reactie van Abraham. Die erkende kennelijk het priesterschap van Melchisedek want hij gaf hem 10 procent van de opbrengst van de oorlog die hij had gevoerd. Die 10 procent is evenveel als de Joden aan de Tempeldienaars de levieten moesten geven. Die 10 procent voor de levieten had overigens een andere achtergrond. Toen het land Israël onder de stammen werd verdeeld kregen de levieten geen land. Zij kregen tot taak recht te spreken en de dienst aan God te onderhouden, de Tempeldiensten te verrichten en te zorgen dat het volk op de hoogte zou blijven van de leer van Mozes die het volk in de Woestijn had ontvangen.

Die priester koning Melchisedek werd daardoor echter wel nog meer bijzonder. Hij immers had nergens naar gevraagd toen Abraham Lot had bevrijd en de vijanden van Kanaaän had verslagen. Hij was Abraham tegemoet gekomen met brood en wijn en had Abraham gezegend in naam van God de allerhoogste, schepper van hemel en aarde. Zo spraken ook de Joden over hun God en de Christenen kenden het delen van brood en wijn maar al te goed, dat deden ze elke week weer ter nagedachtenis van Jezus van Nazareth. Abraham had aan Melchisedek 10 procent van de buit gegeven als antwoord op de zegen maar aan de koning van Sodom geweigerd iets te geven, die had mogen nemen wat van hem gestolen was. Abraham had de mensen die gevangen genomen waren bevrijd maar wilde daar zelf niet rijk van worden. Dat was nog eens rechtvaardig. Melchisedek betekent in het Hebreeuws rechtvaardige koning en de naam van zijn stad Salem werd later beschouwd als een oude naam voor Jeruzalem, daar werd als eerste in een stad de naam van de God van Israël hoog gehouden.

Maar, wil deze preekschrijver ons vertellen, die Godsdienst is niet exclusief voor de Joden, die is begonnen met Abraham, maar die was ook al begonnen met Melchisedek. Die levieten kunnen nog zo dik doen en vinden dat ze belangrijk zijn maar het gaat er uiteindelijk om wie de rechtvaardige genoemd wil worden. Abraham gaf daarvoor het goede voorbeeld, hij kwam op voor de mensen wiens gasten hij en zijn neef waren en wilde daarvan niet profiteren. Priester Koning Melchisedek herkende dit als de weg van zijn God en beloonde dat. Wij mogen ons opnieuw afvragen hoe het zit met recht en rechtvaardigheid. Als we mensen in arme landen willen helpen moet onze industrie daar dan rijker van worden? Of zorgen we dat de mensen zelf er op vooruitgaan? Het is de actuele vraag in ontwikkelingssamenwerking, het zou geen vraag moeten zijn in Kerk in actie, zoals Melchisedek noch Abraham vragen stelde als het ging om gerechtigheid. We mogen er elke dag aan werken, ook vandaag weer.

 

God is rechtvaardig

Hebreeën 6:9-20

9 We zeggen dit nu wel, geliefde broeders en zusters, maar we zijn ervan overtuigd dat u iets beters wacht: uw redding. 10 Want God is rechtvaardig: Hij vergeet niet wat u hebt gedaan, hoeveel liefde u aan zijn naam hebt betoond door sinds jaar en dag steun te verlenen aan de heiligen. 11 Het is onze vurige wens dat ieder van u tot het einde toe dezelfde ijver aan de dag blijft leggen, totdat alles waarop wij hopen verwezenlijkt zal zijn, 12 en dat u niet vertraagt en achterblijft, maar in het spoor treedt van hen die dankzij hun standvastig geloof de beloofde erfenis ontvangen hebben. 13 Toen God aan Abraham zijn belofte deed, kon Hij bij niemand zweren die hoger was dan Hijzelf, en dus zwoer Hij plechtig bij zichzelf: 14 ‘Ik zal je rijkelijk zegenen en je talloze nakomelingen geven.’ 15 En zo heeft Abraham, dankzij zijn standvastig vertrouwen, gekregen wat hem beloofd was. 16 Mensen zweren altijd bij iemand die hoger is dan zijzelf, en met hun eed bekrachtigen ze de waarheid en beëindigen ze elke twist. 17 Toen God de erfgenamen van de belofte ervan wilde doordringen hoe vast zijn voornemen was, stelde Hij zich op dezelfde manier met een eed garant. 18 Zo heeft Hij ons met twee onherroepelijke daden krachtig moed willen inspreken-en dat God liegt is uitgesloten. Het is onze toevlucht vast te houden aan de hoop op wat voor ons in het verschiet ligt. 19 Die hoop is als een betrouwbaar en zeker anker voor onze ziel, en reikt tot voorbij het voorhangsel, 20 waar Jezus als voorloper al is binnengegaan, ten behoeve van ons: Hij is hogepriester voor eeuwig, zoals Melchisedek. (NBV21)

Wie de brief aan de Hebreeën goed wil begrijpen moet thuis zijn in de Bijbel. Je komt er niet door een aantal willekeurige zinnetjes aan elkaar te rijgen en dan te doen of je de Bijbel hebt begrepen, je moet weten waar de schrijver van de brief het over heeft en dat zijn geen abstracte dingen maar heel concrete verhalen over geloof en over de bijzondere betekenis van het geloof in de God van Israël. We hadden gelezen dat je niet zomaar afvallig kon worden van het geloof en dan het lidmaatschap van de gemeente weer kon oppakken alsof je een oude jas weer opnieuw aandeed. Daar was boete voor nodig en het inzicht in hetgeen je verkeerd had gedaan. Maar, zegt het begin van het gedeelte van vandaag, als je werkelijk anders wil doen, als je echt wil leven uit liefde, dan hoor je er echt bij en dan kun je er steeds opnieuw bij horen. Maar dan moet je ook echt uit en door de liefde blijven leven. Dat begint bij een leven als Abraham die wegtrok uit zijn eigen land om vader van vele volkeren te worden. Dat was de belofte die hij van zijn God te horen had gekregen.

Temidden van de vele goden waarin de mensen rond Abraham geloofde moest dat volgens hem wel de hoogste God zijn geweest. Die belofte aan Abraham kreeg pas veel later echter gestalte, toen Abraham er al lang niet meer was, maar Abraham hield vol en bleef geloven dat de God van die belofte de enige God voor hem was. Dat is dus een manier waarop ook al die Heidenen die Christen geworden waren konden geloven. Dat nieuwe Koninkrijk was er nog lang niet, is er zelfs in onze dagen nog niet, maar ondanks alle goden die ons omringen, alle idolen waar wij ons op zouden moeten richten, blijft de belofte van dat Koninkrijk ons in beweging zetten naar de minsten in de wereld. De briefschrijver noemt dat een hoop als een anker voor de ziel. Een taalgebruik dat ons in het dagelijks leven onbekend is maar het gaat hier om de manier waarop we leven, de manier waarop we naar de wereld kijken, de manier waarop we met mensen omgaan.

Wij kijken niet naar de top maar naar de mensen van onderen, de armsten en de minsten bepalen ons gedrag omdat ons de belofte is gedaan dat deze wereld omgekeerd zal worden. Die belofte lag ook achter dat voorhangsel. Daar immers mocht alleen de hogepriester komen, daar stond de ark in de Tempel waarin de richtlijnen werden bewaard die in de woestijn door de God van Israël aan het volk waren gegeven. De richtlijnen die zich lieten samenvatten in het “heb Uw naaste lief als Uzelf”. Dat was de bijzondere betekenis van het geloof in de God van Israël. Dat was door Jezus van Nazareth door de dood heen volgehouden. Dat maakte hem tot hogepriester voor eeuwig, Koning van de vrede, broeder van de minsten. Wat wij daarom de minsten aandoen doen we hem aan en onze God verlangt geen ander offer dan brood voor de hongerigen, kleding voor de naakten en recht voor de armen. Dat offer kunnen we ook vandaag nog brengen, zeker nu zo veel vluchtelingen ons daarom vragen.