De uitleg die zij u geven

Deuteronomium 17:8-20

8 Met betrekking tot moord of doodslag, rechtsvordering en geweldpleging kunnen zich in uw steden rechtszaken voordoen waarin het te moeilijk is om vonnis te wijzen. In dergelijke gevallen moet u naar de plaats gaan die de HEER, uw God, zal uitkiezen. 9 Daar raadpleegt u de Levitische priesters en de rechter die daar op dat moment zetelt, en zij zullen uitspraak doen. 10 Doe precies wat zij u voorschrijven en volg de aanwijzingen die u van hen krijgt nauwkeurig op. 11 Houd u aan de uitleg die zij u geven en aan het vonnis dat ze uitspreken. Wijk daar op geen enkele manier van af. 12 Degene die het waagt om de woorden van de rechter of van de priester die daar voor de HEER, uw God, dienstdoet in de wind te slaan, moet ter dood gebracht worden. Zo moet u het kwaad uit Israëls midden verwijderen. 13 Het hele volk moet daardoor worden afgeschrikt, zodat ze zoiets geen tweede keer wagen. 14 Wanneer u in het land gekomen bent dat de HEER, uw God, u zal geven en u het in bezit hebt genomen en er woont, zegt u misschien: ‘Laten we een koning aanstellen, net zoals de volken om ons heen.’ 15 U moet dan een koning aanstellen die door de HEER, uw God, zal worden uitgekozen. U mag alleen iemand uit uw eigen volk aanstellen, het mag niet iemand uit een ander land of van een ander volk zijn. 16 Hij mag niet veel paarden bezitten, want dan zou hij zijn volksgenoten naar Egypte kunnen terugsturen om voor uitbreiding van zijn stallen te zorgen, in strijd met de waarschuwing van de HEER dat we nooit meer die weg terug mogen gaan. 17 Evenmin is het de koning toegestaan veel vrouwen te hebben, want dat zou hem tot afgodendienst kunnen verleiden. En verder mag hij ook geen zilver en goud ophopen. 18 Als de koning eenmaal over zijn rijk heerst moet hij een afschrift van dit wetboek laten maken, naar de tekst die bij de Levitische priesters berust. 19 Hij moet het onder handbereik hebben en erin lezen zolang hij leeft. Zo leert hij ontzag te hebben voor de HEER, zijn God, en alle wetten uit dit boek in acht te nemen. 20 Dan zal hij zich niet inbeelden dat hij meer is dan zijn volksgenoten en zal hij op geen enkele manier afwijken van de geboden. Dan zullen hij en zijn nakomelingen lange tijd regeren over het volk van Israël. (NBV21)

De Bijbel is vaak zeer praktisch en zeer menselijk. Er zijn geboden, maar die kennen uitzonderingen, en er zijn idealen maar die zijn niet altijd haalbaar. Het ideaal van de Bijbel was een volk dat de God van Israël als koning had en dat genoeg had aan de richtlijnen die in de Woestijn waren gegeven. Een volk dat samen die richtlijnen zou volgen zou ook zeer onaantrekkelijk zijn voor andere volken om te veroveren. Maar in de loop van de geschiedenis zou blijken dat een volk zonder koning vervalt tot een soort anarchisme dat geweld voortbrengt. In het boek Rechters kunnen we lezen dat uiteindelijk ieder deed wat goed was in eigen ogen, de Wet van de God van Israël, van heb uw naaste lief als uzelf, was niet meer terug te vinden.

Ook in onze dagen willen velen zo veel mogelijk regels afschaffen en ieder zelf verantwoordelijk voor eigen leven maken. Zorgen voor de armen, voor de minsten, voor de zieken en gehandicapten, de weduwe en de wees, is er dan niet meer bij, die moeten zelf zien werk en inkomen te vinden, ook al wil niemand ze hebben. Al voor het volk zich in Kanaän heeft gevestigd zijn er dus al regels voor de Koning die eigenlijk niet wordt gewild. Als het volk een Koning wil dan moet het volk zelf een Koning uit hun midden kiezen, democratie voorop in de Bijbel. Het moet een Koning zijn die het eigen volk aanvoert, het volk moet zorgen dat dat ook kan. Dus geen wapens kopen in het buitenland, niet meer naar het dodenrijk van Egypte. Ook niet een hele harem van veel vrouwen er op na houden, dat levert maar afgodendienst op, net als rijkdom van een koning.

Niet een koning dus als Salomo later zou zijn. Nee een koning moet de richtlijn uit de Woestijn, het heb uw naaste lief als uzelf, onder handbereik houden. Niet er in knippen en plakken naar goeddunken maar de tekst uit de Tempel, die van de Levieten, in zijn geheel onder handbereik hebben. Uiteindelijk wordt de regel dat de Koning het boek Deuteronomium in de armleuning van zijn troon of stoel moet bewaren. Om die richtlijn tot gelding te brengen ben je Koning en niet om je eigen wetten aan het volk op te leggen. Een Koning is nu eenmaal niet meer dan een ander, dat is tot in onze dagen nog steeds zo, ook in ons Koninkrijk der Nederlanden. Een Koning regeert bij de gratie Gods. Er is een scheiding tussen kerk en staat. De Thora bemoeit zich niet met de vraag of er wel of geen Koning is. Maar geeft richtlijnen hoe het recht kan worden bewaard, met Levieten als rechters en een volk dat gaat over de Koning. Dat recht staat centraal, ook vandaag nog.

Niets dan het recht.

Deuteronomium 16:18–17:7

18 Stel in alle steden die de HEER, uw God, u in uw stamgebieden zal geven, rechters en griffiers aan, die zorg moeten dragen voor een zuivere rechtspraak. 19 U mag het recht niet schenden en niet partijdig zijn. U mag geen steekpenningen aannemen, want steekpenningen maken wijzen blind en veranderen eerlijke mensen in leugenaars. 20 Zoek het recht en niets dan het recht. Dan zult u in leven blijven en mag u het land dat de HEER, uw God, u zal geven, in bezit nemen. 21 U mag naast het altaar dat u voor de HEER, uw God, gaat bouwen geen Asjerapaal of wat voor gewijde paal ook plaatsen, 22 en ook geen gewijde steen, want de HEER, uw God, heeft daarvan een afschuw. 1 Ook mag u Hem geen rund, schaap of geit met een of ander gebrek offeren, want ook daarvan heeft Hij een afschuw. 2 Wanneer zich in een van de steden die de HEER, uw God, u zal geven, iemand bevindt, man of vrouw, die doet wat slecht is in de ogen van de HEER door de regels van het verbond te overtreden, 3 door tegen zijn gebod in andere goden te vereren, de zon, de maan of de sterren, en daarvoor neer te knielen, 4 en het komt u ter ore, dan moet u zorgvuldig navraag doen. Als blijkt dat het waar is, als onomstotelijk vaststaat dat deze gruwelijke dingen onder het volk van Israël hebben plaatsgevonden, 5 dan moet u de man of vrouw die zich zo misdragen heeft de stad uit brengen en buiten de poort stenigen tot de dood erop volgt. 6 Het doodvonnis mag alleen op grond van de verklaring van ten minste twee getuigen worden voltrokken, één getuigenverklaring is onvoldoende. 7 De getuigen moeten, samen met de rest van het volk, de dader stenigen tot de dood erop volgt, en zelf moeten zij de eerste steen werpen. Zo moet u het kwaad uit uw midden verwijderen. (NBV21)

Toen er in Nederland twee rechters voor de strafrechter werden gedaagd op verdenking van meineed was het een grote schok voor ons land. Sinds mensenheugenis gaan we uit van een eerlijke, onafhankelijke, niet te beïnvloeden rechtspraak. Zelfs in het toch redelijk oude Bijbelboek Deuteronomium wordt de eerlijke rechtspraak nauwkeurig omschreven. Voor een volk dat zichzelf respecteert is dat van het grootste belang. Natuurlijk lukt het niet altijd en niet overal. De schrijver van het boek Prediker verzucht zelfs ergens dat als hij kijkt naar de plaats van het recht hij onrecht ziet. Maar dat we in het recht het recht en niets dan het het recht moeten zoeken ligt voor ons voor de hand. We spreken dan al snel over controle op de rechters. Wie bepaald of ze wel onafhankelijk zijn? De Bijbel geeft geen antwoord op die vraag, het volk zelf moet de rechters aanstellen en hen de opdracht geven te zorgen voor een zuivere rechtspraak. Daar moeten die rechters dus zelf voor zorgen al zullen ze misschien vaker dan tot nu toe verantwoording moeten afleggen over hun gedrag.

Het is het hele volk dat verantwoordelijk is voor een zuivere rechtspraak. Want het volk is ook verantwoordelijk voor een zuivere godsdienst. De offerdieren moeten dieren zonder gebrek zijn. Als je daar niet nauwkeurig op let dan verval je al snel tot afgoderij suggereert de tekst. En afgoderij is het ergste dat het volk kan overkomen. Een ieder die afgodendienst bewust doet moet uit het volk verwijderd worden en als het onbewust is dan moet zo iemand gewaarschuwd worden, doet iemand dat nog een keer dan is het meer dan bewust en kan zo iemand doodvallen. Een zuivere rechtspraak leidt dus ook tot een zuiver volk kun je uit dit gedeelte lezen. Het kwaad moet in de kiem gesmoord worden, de rechtspraak moet er voor zorgen dat het hele volk afgeschrikt wordt zodat ze het niet nog een keer wagen. Het klinkt hard maar het is een poging om het volk een land te laten houden dat God gegeven heeft, een land overvloeiende van melk en honing, waar iedereen zou willen leven.

Hoe doen wij dat? Zijn wij er samen verantwoordelijk voor dat er een zuivere rechtspraak is? Nemen wij onze verantwoordelijkheid voor het smoren van het kwaad in de kiem? Het lijkt er niet op. De politie moet de regels van onze samenleving maar handhaven en als ze er ons als individu er op aanspreken kunnen ze een grote mond krijgen. Als er al overlast wordt veroorzaakt grijpen we zelden samen in maar verwijten we een overheid dat er niks aan gedaan wordt. Buurtgemeenschappen gaan zelden meer samen na waardoor het gevoel van onveiligheid stijgt. Mensen zetten zich zelden samen aan de maaltijd om de gang van zaken in de gemeenschap te bespreken. Israël had haar Tent der ontmoeting waar het volk regelmatig samen maaltijd moest houden. Wij hebben buurthuizen, wijkcentra en kerken waar we bijeen kunnen komen. We leren van Deuteronomium dat een zuivere rechtspraak bij onszelf begint, maar daar moeten we dan wel samen mee willen beginnen, ook vandaag weer.

Niets dan het recht.

Psalm 150

1 Halleluja! Loof God in zijn heilige woning, loof Hem in zijn machtig gewelf, 2 loof Hem om zijn krachtige daden, loof Hem om zijn oneindige grootheid. 3 Loof Hem met hoorngeschal, loof Hem met harp en lier, 4 loof Hem met dans en tamboerijn, loof Hem met snaren en fluit. 5 Loof Hem met klinkende bekkens, loof Hem met slaande cimbalen. 6 Alles wat adem heeft, loof de HEER. Halleluja! (NBV21)

Dit is de laatste Psalm uit het boek van de Psalmen. Het is zeker niet het laatste lied dat in de Bijbel staat want het wemelt in de Bijbel van de liederen. Wij kennen niet al die liederen als lied want de grondtalen van de Bijbel staan soms zo ver van ons af dat het bijna niet te doen is om de poëzie van de Bijbel om te zetten in een poëzie die voor ons ook te zingen is. Het is daarom opmerkelijk dat dat met de poëzie uit het boek van de Psalmen wel het geval is. Er zijn verschillende vertalingen die op muziek zijn gezet waardoor je de Psalmen kunt zingen. Bekend is bijvoorbeeld de vertaling van de dichteres Ida Gerhardt en de theologe Marie van der Zeijde, maar ook de Psalmen uit de Naardense Bijbel zijn inmiddels op muziek gezet.  In de Protestantse Kerk is het zogenaamde Geneefse Psalter bekend. Tijdens de reformatie in de zestiende eeuw vonden de predikanten in Geneve dat het volk moest kunnen zingen in de eredienst. De oproep uit deze Psalm 150 stond voor hen daarbij centraal.

De leidende theoloog en hervormer uit die dagen Johannes Calvijn steunde hun streven en moedigde dichters en componisten aan om alle psalmen zo te bewerken dat ze voor het volk zingbaar werden in hun eigen taal. In Nederland werd dat voorbeeld gevolgd en uiteindelijk wonnen de psalmen die zingbaar waren op de melodieën uit Geneve het pleit in de kerken. Nog halverwege de vorige eeuw hebben dichters op verzoek van de kerken een nieuwe berijming gemaakt. Maar Psalm 150 beperkt zich niet tot zingen. Allerlei instrumenten worden ingeroepen om de lof van de Heer te bezingen. En de lof van de Heer kun je alleen maar bezingen als je gezorgd hebt dat iedereen daar aan mee kan doen, dat er niemand meer is die hongerig, naakt, ziek of gevangen langs de kant van de weg moet blijven zitten. Dan alleen kun je oproepen dat alles wat adem heeft de Heer moet loven. Dan pas kan ook het Halleluja klinken, het werkwoord dat de dienst aan God weergeeft en dus gaat over de dienst aan de minsten in onze samenleving.

Zang en muziek zijn niet het enige om God te loven. Ook de dans moet er aan te pas komen. God loven doe je met alles wat in je is. Wat dat betreft kunnen onze Nederlandse kerken soms nog heel veel leren van de kerken uit de zogenaamde arme landen, daar zijn de christenen vaak heel wat rijker in hun lofuitingen dan in onze deftige rijke westerse kerken. Wie in de Bijlmer in Amsterdam wel eens een kerkdienst van vreemdelingen heeft meegemaakt zal onder de indruk gekomen zijn van zang, snarenspel en dans die onophoudelijk de lof van God uitdragen. Die lof wordt dan uitgedragen door mensen die in onze samenleving op het minimum moeten leven, uitgebuit en vervolgd worden, op alle manieren aan de kant worden gezet. Zij hebben maar één sterke bondgenoot, God, mogen wij leren dienaren van die God te worden. En als iemand de adem wordt ontnomen zullen we hard moeten protesteren.

 

Brandde ons hart

Lucas 24:28-35

28 Ze naderden het dorp waarheen ze op weg waren. Jezus deed alsof Hij verder wilde reizen. 29 Maar ze drongen er sterk bij Hem op aan om dat niet te doen en zeiden: ‘Blijf bij ons, want het is bijna avond en de dag loopt ten einde.’ Hij ging met hen mee en bleef bij hen. 30 Toen Hij met hen aanlag voor de maaltijd, nam Hij het brood, sprak het zegengebed uit, brak het en gaf het hun. 31 Nu werden hun ogen geopend en herkenden ze Hem. Maar Hij werd onttrokken aan hun blik. 32 Daarop zeiden ze tegen elkaar: ‘Brandde ons hart niet toen Hij onderweg met ons sprak en de Schriften voor ons ontsloot?’ 33 Ze stonden op en gingen meteen terug naar Jeruzalem, waar ze de elf en de anderen aantroffen, 34 die tegen hen zeiden: ‘De Heer is werkelijk uit de dood opgewekt en Hij is aan Simon verschenen!’ 35 De twee leerlingen vertelden wat er onderweg gebeurd was en hoe Hij zich aan hen kenbaar had gemaakt door het breken van het brood. (NBV21)

Het is duidelijk dat Jezus van Nazareth een andere weg kiest dan de twee die van Jeruzalem naar Emmaüs zijn gegaan. In elk geval niet de weg van de militaire opstand. Wie immers het zwaard opnemen zullen door het zwaard vergaan. Maar als de twee er blijk van geven hun bezit en voedsel te willen delen met de vreemdeling dan neemt Jezus van Nazareth de uitnodiging aan. En bij het breken van het brood en het uitspreken van de zegening herkennen de twee de opgestane Heer.

Het lege graf was niet genoeg om tot geloof in de opgestane bevrijder te komen, daarvoor is zelfs een ontmoeting rond het Oude Testament niet genoeg, pas in de gebaren van breken en delen, gezegend zodat er goeds van uit gaat, wordt de Messias, de Christus herkent. En dan gaat de weg terug naar Jeruzalem, nu niet naar de Tempel of naar het graf maar naar de gemeenschap, want hen moet de bevrijding, de opstanding, verkondigd worden. Er is een andere weg ontdekt dan de weg van opstand en geweld. De volgelingen van Jezus van Nazareth, de elf die het dichtst bij hem waren geweest waren er al over in gesprek.

Petrus was zelf gaan kijken naar het lege graf nadat de vrouwen over het ontbreken van het lijk van Jezus van Nazareth hadden verteld. Hij had daar Jezus van Nazareth zelf ontmoet. En in dit verhaal en het verhaal van twee uit Emmaüs zullen ook de anderen Jezus van Nazareth als opgestane Messias ontmoeten. Wij zullen dat ook moeten. Dit is geen verhaal uit een ver verleden. Dit is een verhaal van vandaag. Als we er voor kiezen voedsel naar Gaza te brengen en het geweld te veroordelen volgen we de weg van Jezus, en welke weg wij kiezen doet ons elke dag afvragen of het inderdaad de weg van Jezus is.

 

De enige vreemdeling

Lucas 24:13-27

13 Diezelfde dag gingen twee van de leerlingen op weg naar Emmaüs, een dorp dat zestig stadie van Jeruzalem verwijderd ligt. 14 Ze spraken met elkaar over alles wat er was voorgevallen. 15 Terwijl ze zo met elkaar in gesprek waren, kwam Jezus zelf naar hen toe en liep met hen mee, 16 maar hun blik werd vertroebeld, zodat ze Hem niet herkenden. 17 Hij vroeg hun: ‘Waar lopen jullie toch over te praten?’ Daarop bleven ze somber gestemd staan. 18 Een van hen, die Kleopas heette, antwoordde: ‘Bent U dan de enige vreemdeling in Jeruzalem die niet weet wat daar deze dagen gebeurd is?’ 19 Jezus vroeg hun: ‘Wat dan?’ Ze antwoordden: ‘Wat er gebeurd is met Jezus van Nazaret, een machtig profeet in woord en daad in de ogen van God en van het hele volk. 20 Onze hogepriesters en leiders hebben Hem ter dood laten veroordelen en laten kruisigen. 21 Wij leefden in de hoop dat Hij degene was die Israël zou bevrijden, maar inmiddels is het de derde dag sinds dit alles gebeurd is. 22 Bovendien hebben enkele vrouwen uit ons midden ons in verwarring gebracht. Toen ze vanmorgen vroeg naar het graf gingen, 23 vonden ze zijn lichaam daar niet en ze kwamen vertellen dat er engelen aan hen waren verschenen, die zeiden dat Hij leeft. 24 Een paar van ons zijn toen ook naar het graf gegaan en troffen het aan zoals de vrouwen hadden gezegd, maar Jezus zagen ze niet.’ 25 Toen zei Hij tegen hen: ‘Hebben jullie dan zo weinig verstand en zijn jullie zo traag van begrip dat jullie niet geloven in alles wat de profeten gezegd hebben? 26 Moest de messias al dat lijden niet ondergaan om zijn glorie binnen te gaan?’ 27 Daarna verklaarde Hij hun wat er in al de Schriften over Hem geschreven stond, en Hij begon bij Mozes en de Profeten. (NBV21)

Je moet wel een vreemdeling zijn om niet te weten waar mannen uit Jeruzalem het over zouden kunnen hebben. En aangezien rond het Pesachfeest veel van de Joden van buiten Israël de gelegenheid te baat namen om naar de Tempel in Jeruzalem te reizen, daar te offeren en in Jeruzalem het voorgeschreven Pesachmaal te houden zou die vreemdeling wel eens de enige vreemdeling kunnen zijn die van niets weet en die alles ontgaan is. Ook vandaag de dag gaan pelgrims naar Jeruzalem zonder iets te merken van de spanningen tussen Israël en Palestina, zonder zelfs de bezetting van Oost-Jeruzalem op te merken als een echte bezetting door een vreemde mogendheid. De twee mannen zijn op weg naar Emmaüs. Dat is geen onschuldige plaatsnaam in het verhaal. Als Emmaüsgangers zijn Kleopas en zijn vriend bekend geworden maar de betekenis van Emmaüs is uit onze manier van vertellen verdwenen. En dat is jammer want het suggereert voor lezers uit de tijd dat Lucas dit heeft opgeschreven, zo vlak na de verwoesting van de Tempel in Jeruzalem, een keuze voor geweld. In het jaar 68 sloeg Vespasianus, Romeins veldheer en later keizer, in Emmaüs een groot legerkamp op van waaruit hij de aanval op Jeruzalem zou organiseren, de aanval waarbij uiteindelijk de Tempel verwoest zou worden.

Emmaüs was een strategisch belangrijke plek. In het eerste boek van de Makkabeeën vervult Emmaüs een vooraanstaande rol in de strijd van Israël tegen de Hellenistische overheersing. Dit boek is wel niet opgenomen in de boeken van de Bijbel maar als zogenaamd apocriefboek is het goed om gelezen te worden. De keus om naar Emmaüs te gaan lijkt daarom een keus voor de militaire strijd tegen het Romeinse Rijk. Na de dood van Jezus van Nazareth zouden er vele opstanden uitbreken. Uiteindelijk zouden ze uitlopen op de verwoesting van de Tempel en de verspreiding van de bevolking van Judea en Galilea over heel het Romeinse Rijk. Tegen die achtergrond moeten we het gesprek lezen dat op de weg naar Emaüs gevoerd wordt. Lucas gebruikt hier in het Grieks een woord dat wij later zouden vertalen met preken maar dat hier vertaald is met vertellen. Ze vertellen aan Jezus van Nazareth, de vreemdeling die met hen is op komen lopen, dan wat er gebeurd is. Hoe heel het volk hem beschouwde als een machtig en groot profeet. En de uitdrukking “heel het volk” staat hier in het verhaal van Lucas voor de twaalfde en laatste maal.

Het verhaal is nu rond, van heel het volk dat beschreven moest worden is het nu heel het volk geworden dat Jezus van Nazareth als profeet erkend heeft. Maar het einde is eigenlijk alleen verwarring. Engelen die zeggen dat hij leeft, een leeg graf, vrouwen die zich daarover opwinden, wat moeten ze er mee. En dan begint de vreemdeling te spreken, of preken misschien. Wat hij precies gezegd heeft staat er niet. Het gaat over Mozes en de Profeten, de Hebreeuwse Bijbel, wat wij het Oude Testament noemen. Daar gaat het niet meer om een lokale bevrijder zoals in het boek van de Rechters staan, maar daar gaat het over alle volken die zich naar Jeruzalem keren, daar gaat het over de hele bewoonde wereld. Zo zullen volgens Paulus de eerste gemeenten naar Jezus van Nazareth kijken, voor hen is hij de Christus, de Messias geworden die de hele wereld bevrijden zal. Zo leeft hij en zo leeft hij voort. Zo mogen wij hem navolgen, ook vandaag weer.

 

Wie de dood nabij zijn

Psalm 102:19-29

19 Laat dit voor het nageslacht worden opgeschreven, dan zal een herboren volk de HEER loven 20 als de HEER heeft neergezien van zijn heilige hoogte, zich vanuit de hemel naar de aarde heeft neergebogen 21 om het zuchten van gevangenen te horen, om vrij te laten wie de dood nabij zijn. 22 Dan wordt in Sion de naam van de HEER geprezen, zijn lof gezongen in Jeruzalem 23 als volken en koninkrijken bijeenkomen om de HEER te aanbidden. 24 Hij heeft halverwege mijn kracht gebroken, Hij heeft mijn levensdagen verkort. 25 Ik smeek: Mijn God, neem mij niet midden in het leven weg, uw jaren duren van geslacht op geslacht. 26 Vóór alle tijden hebt U de aarde gegrondvest, de hemel is het werk van uw handen. 27 Zij zullen vergaan, maar U houdt stand, zij zullen als kleren verslijten, U verwisselt ze als een gewaad en zij verdwijnen, 28 maar U blijft dezelfde, uw jaren nemen geen einde. 29 De kinderen van uw dienaren zullen veilig wonen, ook op hun nageslacht rust uw oog. (NBV21)

De Psalm waarin we gisteren zijn gaan lezen heeft een gevaarlijk vervolg. We lazen gisteren dat deze Psalm een klaagpsalm is van een individuele gelovige. Er is iemand die in grote nood is komen te verkeren en zich tot God wendt met een vraag om hulp en bijstand. Wij kunnen dat ook in onze dagen goed voorstellen. Mensen worden ziek, niet voor elke ziekte is er een genezing mogelijk, mensen krijgen ongevallen en gaan dood, relaties worden verbroken, ruzies kunnen uitbreken in de beste families, je kunt werk verliezen, invalide worden en noem maar op. Er is veel rampspoed en ellende die je ongevraagd en onverwacht kan overkomen en je mag God op je blote knieën danken als dat jou tot nu toe bespaard is gebleven. Maar als het je overkomt hoedt je dan voor de goedkope clichés  achter de wolken schijnt de zon, na regen komt zonneschijn, iedere wolk heeft een zilveren rand. Ook godsdienst kan dan zo’n goedkoop cliché worden. Geef je hart  maar aan de Here Jezus en alles zal goed komen. Laat God toe in je hart en je problemen gaan voorbij. De mensen die je dat soort clichés toeroepen maken zich er maar gemakkelijk mee af. Ze doen niks voor je, ze laten het over aan onzichtbare machten om je te troosten en te steunen.

Verdriet mag. Onmacht is menselijk. Het leven is niet altijd eerlijk. Ook het tweede gedeelte van de Psalm die we in deze dagen lezen geeft je geen garantie op geluk en genezing. Het enige dat de dichter van deze Psalm doet is om zich heen kijken. Die God tot wie hij zich heeft gewend was een steun als je door een donker dal gaat, dat donkere dal verdwijnt niet maar je eigen onmacht wordt er een beetje minder van. Genade is dus kracht die je krijgt om het leed te dragen. De dichter ziet de tegenstelling tussen de menselijke zwakheid en de Goddelijke grootheid. Als je een geliefde hebt verloren mag je dus zeer erg verdrietig zijn, God is dat ook, die roept alle mensen op om te troosten, echt te troosten, om te zorgen voor mensen die een geliefde heeft verloren, om hen te steunen en kracht te geven. “Dit is het uur” vertaalt de Nieuwe Bijbelvertaling en vroeger stond er dan “dit is het  bepaalde/bestemde uur” Er hoort dus wat voor. De Naardense Bijbel vertaalt die vreemde Hebreeuwse term als “samenkomstuur”. Dat klinkt als mensen die bij de bedroefden en onderdrukten zijn. Dat klinkt als een samenkomst met God. En mensen die er voor jou zijn, met jou mee gaan, zijn een troost, net als het gevoel dat er een God is die je vasthoudt een troost kan zijn.

Iedereen weet dat na verloop van tijd alle onheil wel een keer minder wordt of soms zelfs overgaat. De tijd heelt alle wonden is het cliché dat er bij hoort. Maar die wonden kunnen lelijke littekens achterlaten. Littekens die je leven verder zullen bepalen, die handelen hinderen, die je voorzichtiger en angstiger maken in het contact met anderen. Ouders die een kind verliezen blijven soms hun hele leven huilen ergens in een hoekje van hun hart, je ziet er niks meer van maar het verdriet zit er altijd en gaat nooit meer over. De Psalmdichter heeft er weet van. Ooit was er Jeruzalem met de Tempel van de God van Israël. Daar stond niet een beeld van die God waarvoor je moest buigen. Die God trekt met je mee wie je ook bent en hoe je pad in het leven ook gaat. Maar daar werd de richtlijn bewaard waarmee iedereen op de wereld een echte samenleving in kan richten, heb je naaste lief als jezelf. Als je de warmte weet te ervaren die er van die richtlijn uit gaat weet je ook dat het niet anders kan dat ooit alle volken op de wereld hun samenleving volgens die richtlijn gaan inrichten. Dan is gedeelde smart werkelijk halve smart, breekt eindelijk de vrede aan en zullen alle tranen langzaam opdrogen. We kunnen er elke dag alvast mee beginnen, de bedroefden troosten, de hongerigen voeden, vrede stichten, ook vandaag al.

Een uil in de woestijn

Psalm 102:1-18

1 Gebed van een ongelukkige die dreigt te bezwijken en zijn klacht uitstort voor de HEER. 2 HEER, hoor mijn gebed, laat mijn hulpkreet U bereiken. 3 Verberg uw gelaat niet voor mij, nu ik in nood verkeer. Wil naar mij luisteren, antwoord mij haastig nu ik roep. 4 Mijn dagen vervliegen als rook, mijn gebeente gloeit als vuur. 5 Mijn hart is verschroeid en verdord als gras, ik vergeet mijn brood te eten. 6 Ik ben door mijn klagen tot op het bot vermagerd. 7 Ik ben als een uil in de woestijn, een steenuil in een verlaten bouwval, 8 slaap ken ik niet, ik ben eenzaam als een vogel op het dak. 9 Mijn vijanden honen mij weg, heel de dag word ik bespot en verwenst. 10 As is het brood dat ik eet, het water dat ik drink vermeng ik met tranen, 11 want uw toorn is tegen mij ontbrand, U tilde mij op en smeet mij neer. 12 Mijn dagen gaan heen als een schaduw, ik moet verdorren als gras. 13 Maar U, HEER, troont voor eeuwig, uw roem zal duren, geslacht na geslacht. 14 U zult opstaan en u over Sion ontfermen, de tijd van genade is gekomen, dit is het uur, 15 want uw dienaren hebben de stenen van Sion lief, de ruïnes vervullen hen met deernis.16 Alle volken zullen de naam van de HEER vrezen, alle koningen van de aarde zijn majesteit eren 17 als de HEER Sion heeft opgebouwd en in majesteit is verschenen, 18 als Hij zich neigt tot het gebed van de ontheemden en zich van hun bidden niet afkeert. (NBV21)

Vandaag zingen we met de kerk een klacht van een verdrukte mee. Een noodkreet als gebed tot de Allerhoogste. Deze psalm is een van de zeven zogenaamde boetepsalmen die gezongen worden op de hoogtijdagen van het volk Israël, voor je kunt feesten moet je eerst boete weten te doen. En feest is het want we zijn op weg naar het Pinksterfeest. Ongelukkigen die dreigen te bezwijken zijn er nog genoeg. Vluchtelingen die vcrwelkomd waren in Oekraïne en zich daar hadden gevestigd en toen met de Oekraïners gevlucht zijn voor de oorlog die Rusland had ontketend zijn vanaf nu ook in Nederland niet meer welkom. Vluchtelingen zijn voor velen in ons land helemaal niet welkom. Ook mensen die hier tijdelijk werk verrichten, oogsten bijvoorbeeld, zijn niet welkom, wie de oogst dan mag doen blijft een raadsel.

De verdrukten hebben geen ander dan God om hun noodkreten heen te richten en God heeft zijn kinderen op aarde om te laten zien wat voor God dat eigenlijk is. Maar deze psalm is een gebed van een individu, niet een psalm die door een koor wordt gezongen als vertegenwoordiger van een volk dat onder verdrukking lijdt. Dat ook het persoonlijke politiek kan zijn staat buiten discussie. Zeker in onze dagen kan elk christenmens rustig zingen dat de vijanden de mens weg honen, dat ze heel de dag bespot en verwenst worden. Want wie heeft nu de vijanden lief? Wie wil vrede tot elke prijs? Wie wil buurten en wijken zo ingericht zien dat mensen voor elkaar zorgen en dat vreemdelingen op dezelfde manier behandeld worden als zijzelf? Als het goed is zijn het in elk geval de Christenen die dat willen. In de Joodse traditie wordt deze Psalm gezongen op de vastendagen. De belangrijkste daarvan is Jom Kippoer, de grote verzoendag, als de gelovige beleid dat zonder de God van Israël alleen de dood op de mens wacht en dat verzoening met God de enige kans op leven geeft.

Die verzoening is weer gerechtigheid doen, de mensen tot hun recht laten komen, weer de naaste lief hebben als  jezelf, weer de Tora uitvoeren, de samenleving inrichten zoals de Tora dat gevraagd heeft. Kortom het verbond dat werd verbroken moet weer gerepareerd worden. Op zulke dagen past het niet de schuld bij een ander te leggen, dat past natuurlijk nooit want over een ander oordelen is op zich al een fout. Op zulke dagen past het nog eens extra nauwkeurig naar je eigen handelen te kijken. Wat is jouw aandeel in het lijden dat je overal om je heen ziet. Hoe komt het dat de aarde voor zoveel mensen op de wereld een onleefbaar oord is, een oord van chaos, onderdrukking en geweld. Soms moet je tot het oordeel komen dat het oordelen dat je doet over anderen die anderen uitlokt dan maar geweld te gaan gebruiken tegen jou en de groep waartoe je behoort, wie haat zaait zal haat oogsten. Soms zul je je pogingen te komen tot een wereld van eerlijk delen, van vrede en vrijheid, moeten verdubbelen en soms moet je het gewoon maar aan God overlaten. Bij die God kun je gerust komen klagen, dat helpt je soms ook.

 

Kletspraat

Lucas 24:1-12

1 Maar op de eerste dag van de week gingen ze bij het ochtendgloren naar het graf met de geurige olie die ze bereid hadden. 2 Bij het graf aangekomen zagen ze echter dat de steen voor het graf was weggerold, 3 en toen ze naar binnen gingen, vonden ze het lichaam van de Heer Jezus niet. 4 Ze wisten zich geen raad. Plotseling stonden er twee mannen in stralende gewaden bij hen. 5 Ze werden door schrik bevangen en bogen het hoofd. De mannen zeiden tegen hen: ‘Waarom zoeken jullie de levende bij de doden? 6 Hij is niet hier, Hij is uit de dood opgewekt. Herinner je wat Hij jullie gezegd heeft toen Hij nog in Galilea was: 7 de Mensenzoon moest worden uitgeleverd aan zondaars en moest gekruisigd worden en op de derde dag opstaan.’ 8 Toen herinnerden ze zich zijn woorden. 9 De vrouwen keerden terug van het graf en gingen aan de elf en aan alle anderen vertellen wat er was gebeurd. 10 Het waren Maria van Magdala, Johanna, en Maria, de moeder van Jakobus, en nog een aantal andere vrouwen die hen vergezelden. Ze vertelden de apostelen wat er was gebeurd, 11 maar die vonden het maar kletspraat en geloofden hen niet. 12 Petrus echter stond op en rende naar het graf. Hij bukte zich om te kijken, maar zag alleen de linnen doeken liggen. Daarop ging hij terug, vol verwondering over wat er gebeurd was. (NBV21)

Na de dood van Jezus van Nazareth zijn zijn volgelingen nergens meer. Een lid van het Sanhedrin, de religieuze raad die hem had veroordeeld, had zijn begrafenis verzorgd en alleen de vrouwen die met hem meegereisd waren vanuit Galilea waren voor hem blijven zorgen. Nog voor de Sabbath, de voorgeschreven rustdag, hadden ze gezorgd voor geurige olie en balsem om het lichaam te verzorgen voor de grafrust. Zij waren het dan ook die op de eerste dag van de week, bij het ochtendgloren, naar het graf toegingen. De steen die de rotsspelonk, waarin het graf was uitgehouwen, had afgesloten was echter al weggerold en het lichaam van Jezus van Nazareth was daar niet te vinden. Dat was even schrikken. Er waren echter mensen die het door hadden, de levende is niet bij de doden, als je zelfs na de dood nog voor iemand blijft zorgen dan is die iemand niet dood maar die leeft.Zo had Jezus van Nazareth er zelf ook over gesproken. Hij zou gekruisigd moeten worden maar op de derde dag weer opstaan. De dood door de doden, de mensen die kiezen voor de dood om hun macht uit te oefenen of te behouden, is voor de mensen die kiezen voor het leven niet het einde.

Na die ontdekking komen de volgelingen van Jezus van Nazareth pas weer in beeld. Al die tijd waren ze afwezig maar nu krijgen ze de boodschap te horen, de herhaling van wat Jezus van Nazareth had gezegd en dat het was gebeurd, het graf was leeg. Nu krijgen de vrouwen ook een naam, Maria uit Magdala, Johanna, Maria de moeder van Jakobus die als eersten vertelden, maar er waren nog meer vrouwen bij geweest. Die vertelden aan de door Jezus van Nazareth zelf aangestelde zendelingen, in het Grieks Apostelen, wat ze hadden meegemaakt. Die Apostelen vonden het maar kletspraat. De opstanding uit de doden is ongelofelijk, ook vandaag de dag nog. We kunnen er ons geen voorstelling van maken. Geen andere ook dan een leeg graf met de doeken opgevouwen op de bank waarop de lijken werden neergelegd. Lucas vertelt dan ook niet over de opstanding zelf maar wat mensen hebben meegemaakt op die eerste dag van de week. Alleen Petrus ging zelf kijken wat er gebeurd was en ook hij zag niet anders dan een leeg graf met de linnen doeken en hij was vol verwondering.

Het heeft ook voor ons dan ook niet veel zin verder te speculeren over wat er allemaal wel niet gebeurd zou kunnen zijn. De levende is niet onder de doden en het heeft niet zoveel zin om je met de doden bezig te houden. Kennelijk is de Liefde van God zo sterk dat die het zelfs door de dood heen uit kan houden. Dat is natuurlijk een geweldige ontdekking. In onze wereld wordt de Liefde als een van de zachte krachten beschouwd. De Liefde zou uitlopen op de dood als je geen geweld gebruikt. In het verhaal van de Bijbel, en het wordt ons vier maal verteld, loopt geweld uit op de dood en loopt de Liefde uit op het leven. Dat was de betekenis van het Pesach verhaal toen het volk Israël uit trok het land van de dood, het is de betekenis van Pasen toen de dood van Jezus van Nazareth niet het einde van het verhaal bleek te zijn maar het begin van nieuw leven. Pasen is een lentefeest en het nieuwe leven dat zonder geweld begint na de doodse winter helpt ons begrijpen wat het is de Liefde vol te houden ook al moet dat door de dood heen. We mogen dat vandaag vieren en er de rest van het jaar van leven.

 

In plaats van regen

Psalm 105:23-45

23 Israël trok weg naar Egypte, Jakob verbleef als vreemde in het land van Cham. 24 God maakte zijn volk zeer vruchtbaar, machtiger dan wie het belaagden. 25 Hij veranderde hun hart: ze gingen zijn volk haten en spanden samen tegen zijn dienaren. 26 Hij stuurde Mozes, zijn dienaar, en Aäron, de man van zijn keuze. 27 Zij kondigden zijn wondertekenen aan, machtige daden in het land van Cham. 28 Hij stuurde duisternis en het werd duister- waren ze niet doof voor zijn woorden? 29 Hij veranderde hun waterstromen in bloed en liet al hun vissen sterven. 30 Hun land krioelde van kikkers, tot in de kamers van hun koningen. 31 Hij sprak en er kwam ongedierte en een muggenplaag in heel hun gebied. 32 In plaats van regen gaf Hij hagel, hevige branden ontstak Hij in hun land, 33 Hij trof hun wijnstok en vijgenboom en verwoestte de bomen in hun gebied. 34 Hij sprak en de sprinkhaan kwam met zijn larven, niet te tellen, 35 die vrat al het groen van de velden, die vrat het gewas van hun akkers. 36 Hij trof de eerstgeborenen in hun land, hun sterke oudste zonen. 37 Hij liet zijn volk vertrekken met zilver en goud, niemand in hun stammen ging strompelend weg. 38 Egypte was vervuld van angst en zag hen met vreugde gaan. 39 Hij hing een wolk op als gordijn en ontstak vuur om de nacht te verlichten. 40 Op hun vraag liet Hij kwartels komen, met brood uit de hemel stilde Hij hun honger, 41 Hij sloeg de rots open en er vloeide water, een rivier stromend in uitgedroogd land. 42 Hij dacht aan zijn heilig woord, gegeven aan Abraham, zijn dienaar, 43 Hij liet zijn volk in vreugde vertrekken, zijn uitverkoren volk jubelend gaan. 44 Hij gaf hun het land van andere volken, het bezit van vreemde naties viel hun ten deel. 45 Zij moesten daar zijn geboden naleven en zich houden aan zijn wetten. Halleluja! (NBV21)

Men vraagt zich wel eens af waarom in Nederland niemand zich eigenlijk beter mag vinden dan een ander. Dat heeft een duidelijk Bijbelse achtergrond. Je kunt wel denken dat je iets voor elkaar gekregen hebt, maar niemand kan iets alleen, iedereen heeft anderen nodig om iets voor elkaar te krijgen. Uiteindelijk is het God die bepaald of het zal lukken of niet. Zo kan de farao van Egypte gedacht hebben dat hij besliste over de vrijlating van Jozef, omdat hij nu eenmaal de heerser over de volken was, maar de dichter van deze Psalm weet wel beter, het is God die het zo heeft gestuurd. Die farao zou door schade en schande er achter komen dat hij inderdaad nergens iets over te vertellen heeft. Het was diezelfde God die Mozes en Aäron er op uitstuurde om de vrijlating van zijn volk te krijgen. In deze Psalm keert Cham weer terug. Dat was een van de drie zonen van Noach, de man met wie God opnieuw de geschiedenis van de mensen is begonnen.

Cham zou de dienaar van de andere twee zonen worden. Hij wordt beschreven als de voorvader van vele volken, onder die volken ook het volk van Egypte. Een mooie manier om op een voor buitenstaanders onbegrijpelijke manier te laten weten dat je dat machtige Egypte eigenlijk beschouwd als een ondergeschikt volk. In onze westerse cultuur is Cham vaak geschilderd als voorvader van Afrikanen en die vermeende ondergeschiktheid werd dan gebruikt als rechtvaardiging van de slavernij. Een onjuist gebruik van de Bijbel dus. Cham wordt in deze Psalm gebruikt als beeld door vreemdelingen en slaven. In hun positie is de behoefte aan omkering van verhoudingen verklaarbaar. Niet de uitbuiters en de slavenmakers zijn de baas maar de God van Israël en daarmee het volk van vreemdelingen en slaafgemaakten, uiteindelijk zal dat volk uitmaken hoe het met de wereld zal aflopen. Als je de Psalm nauwkeurig leest zie je zelfs dat die God de harten van de Egyptenaren ging veranderen zodat ze zijn volk gingen haten. Die haat, die afkeer, die angst was nodig om de macht van die God te laten zien.

Wellicht dat zij die bang zijn voor de Islam ons willen laten zien hoe machtig de God van de Islam is maar gelovigen in de God van Israël en in Jezus van Nazareth weten dus dat er geen enkele reden is om bang te zijn voor de Islam of een overspoeling van de cultuur door Moslims, integendeel. De machtige daden waarop deze Psalm attent maakt zijn bedoeld om hoop te geven aan verdrukten. Die vreemdelingen en slaafgemaakten in Egypte was het land beloofd overvloeiende van melk en honing, dat land is hen uiteindelijk ook gegeven. Toen het volk veel later toch vreemde goden achterna liep en in ballingschap werd weggevoerd werd opnieuw dat land aan hen beloofd, de ballingen keerden dan ook weer en bouwden opnieuw de Tempel op. Toen als gevolg van een groot aantal opstanden uiteindelijk de Tempel verwoest werd zorgde het leven in liefde van Jezus van Nazareth en het volhouden van die liefde door de dood heen er voor dat het geloof in de God van Israël zich verspreidde over de hele aarde. En ons geloof en ons verder dragen van die liefde, onze bereidheid om te delen met de armsten kan er voor zorgen dat uiteindelijk die aarde er komt die ons beloofd is, een aarde waar geen tranen meer zullen zijn, waar niemand heerst over een ander. Daar mogen we vandaag weer voor aan het werk.

 

Over de hele aarde.

Psalm 105:1-22

1 Loof de HEER, roep luid zijn naam, maak zijn daden bekend onder de volken, 2 zing en speel voor Hem, spreek vol lof over zijn wonderen, 3 beroem u op zijn heilige naam. Wees blij van hart, u die de HEER zoekt. 4 Zie uit naar de HEER en zijn macht, zoek voortdurend zijn nabijheid. 5 Gedenk de wonderen die Hij heeft gedaan, de oordelen die Hij heeft uitgesproken, 6 nageslacht van Abraham, zijn dienaar, kinderen van Jakob, door Hem verkozen. 7 Hij is de HEER, onze God, zijn besluiten gelden over de hele aarde. 8 Tot in eeuwigheid zal Hij gedenken zijn belofte aan duizend geslachten, 9 het verbond dat Hij sloot met Abraham en voor Isaak bevestigde met een eed. 10 Voor Jakob verhief Hij het tot wet, voor Israël tot een eeuwig verbond, 11 toen Hij zei: ‘Ik zal jou Kanaän geven, dat land wordt je onvervreemdbaar bezit.’ 12 Toen zij daar nog maar korte tijd waren, een handjevol vreemdelingen, 13 zwierven zij van volk naar volk, van het ene koninkrijk naar het andere. 14 Hij stond niet toe dat iemand hen verdrukte, ter wille van hen strafte Hij koningen: 15 ‘Raak mijn gezalfden niet aan, doe mijn profeten geen kwaad.’ 16 Hij riep een hongersnood over het land af en vernietigde elke voorraad brood. 17 Hij stuurde een van hen vooruit: Jozef, die als slaaf werd verkocht. 18 Ze klonken zijn voeten in ketenen, sloten zijn hals in ringen van ijzer, 19 totdat zijn voorspelling uitkwam, het woord van de HEER hem vrijsprak. 20 De koning beval hem los te laten, de heerser der volken liet hem vrij. 21 Hij stelde hem aan als heer van zijn huis, als beheerder van heel zijn bezit, 22 om zijn prinsen aan banden te leggen en zijn oudsten wijsheid te leren. (NBV21)

Vandaag zingen we een lofpsalm. Of daar veel aanleiding toe is. We zitten met een oorlog bij de buren, laten toe dat het volk van Gaza wordt uitgeroeid, hebben een groot tekort aan mensen die het werk willen doen waar we van moeten leven en vanmorgen overleed een zeer menselijke Paus. Als er een paar mensen aan de top van banken en het bedrijfsleven besluiten te veel aan bonussen in hun zak te steken dan zijn honderdduizenden ineens hun vaste baan weer kwijt. De Psalm roept om toch even terug te kijken. Er wordt opgeroepen te denken aan de wonderen die de God van Israël heeft gedaan. En er wordt ook gezinspeeld op die wonderen zelf en wat ze voor ons te betekenen kunnen hebben. Want moet je je voorstellen, die Abraham was maar een zwerver, die trok naar Kanaän in de overtuiging dat zijn nakomelingen dat hele land zouden beërven. Zelf lukte het hem niet om meer dan een grafspelonk te kopen. Maar ook Izaäk zijn zoon had dezelfde overtuiging. En diens zoon Jakob moest zelf vluchten, terug op de weg die Abraham ooit was gegaan.

Die Jakob trouwde wel met verschillende vrouwen en werd een rijk man met grote kudden en veel personeel en twaalf zonen maar ook die Jakob bleef de nodige ellende niet bespaard. Toen hij eindelijk in dat beloofde land gevestigd was raakte hij een zoon kwijt, werd een dochter van hem verkracht door een aantal stedelingen en ging zijn lievelingsvrouw al in het kraambed dood. Toen er uiteindelijk een hongersnood uitbrak moest die Jakob met al zijn zonen en zijn hele hebben en houwen toevlucht nemen tot een vreemd land, Egypte, daar bleek zijn verloren zoon gezorgd te hebben voor het nodige voedsel en een stuk land waar ze als veetelers konden verder leven. Zo rijpte het idee dat die nakomelingen van Abraham, Izaäk en Jakob een bijzondere bescherming genoten, dat men dit volk niet te na moest komen. Zeker niet hen die het woord van de vreemde God doorgaven. Die God die maar bleef beloven dat het volk een groot volk zou worden en dat ze een land zouden krijgen overvloeiende van melk en honing.

Maar als wij deze Psalm meezingen dan mogen wij weten dat die belofte uiteindelijk zou uitkomen. Dat die belofte zelfs ging gelden voor de hele bewoonde wereld, dat er uiteindelijk een wereld zal komen waar alle tranen gedroogd zullen zijn en waar die God zelf zal komen wonen. Dat heeft het volk door de donkerste perioden van hun geschiedenis heen geholpen, te beginnen met de slavernij in Egypte uitlopend op een ballingschap in Babel en inlijving in het wereldrijk van Rome. Dan moet een overgang naar een wereld zonder gif en uitstoot van gevaarlijke gassen ook wel mogelijk zijn. Dan moet een mindere oogst ons niet afschrikken. In onze samenleving is er altijd iets te betekenen voor mensen die het nog minder hebben. Wat wij ook wij hebben wij kunnen het altijd delen met hen die het echt nodig hebben, dat hebben we geleerd van een Paus die de voeten van gedetineerden ging wassen. Want we weten dat dan ook die nieuwe wereld zal aanbreken, dat dan alle ellende voorbij zal zijn. Daar mogen we vandaag om bidden, daar mogen we ons vandaag op bezinnen maar het mooiste is dat we er vandaag ook weer aan mogen werken.