Wie mij kwaad doen

Psalm 140

1 Voor de koorleider. Een psalm van David. 2 Bevrijd mij, HEER, van wie mij kwaad doen, behoed mij voor hun bruut geweld. 3 In hun hart bedenken zij boze plannen, heel de dag zoeken ze strijd. 4 Hun tong is scherp als die van een slang, achter hun lippen schuilt het gif van een adder. sela 5 Houd mij, HEER, uit de handen van schurken, behoed mij voor hun bruut geweld. Ze zijn op mijn ondergang uit, 6 in hun hoogmoed leggen ze strikken, ze spannen met touwen een net en zetten een val op mijn weg. sela 7 Ik roep tot de HEER: ‘U bent mijn God, luister, HEER, naar mijn smeekgebed. 8 HEER, mijn God, machtige redder, U beschermt mij op de dag van de strijd. 9 HEER, geef de schurken niet wat zij begeren, doorkruis hun plannen als zij opstaan tegen mij. sela 10 Dat het hoofd van mijn belagers wordt getroffen door de vloek van hun lippen.11 Dat gloeiende kolen op hen neerstorten, dat ze vallen in een kuil waaruit ze nooit meer opstaan. 12 Dat er in het land voor lasteraars geen plaats is, dat het kwaad onderdrukkers tot de dood achtervolgt.’ 13 Dit weet ik: de HEER beschermt de zwakken, Hij doet recht aan de armen 14 De rechtvaardigen zullen uw naam prijzen, de oprechten wonen in uw nabijheid. (NBV21)

Vandaag een Psalm die je met de lijdenden mee kunt zingen. Met de mensen in Syrië die nog eens laten zien hoe gewelddadig het regiem was waaronder ze zoveel jaren gebukt gingen. Wordt het nieuwe regiem echt beter? Al is elke onderdrukking nu eenmaal uiteindelijk gewelddadig zoals de inwoners van Wit Rusland je zullen toevoegen en ook de Palestijnen zullen roepen. De schurken hebben in deze Psalm de overhand. Wel drie maal worden ze bijna bij name genoemd en dan lijkt het wel of ze zelf zo machtig als God geworden zijn. Oekraïners zullen het herkennen uit de Russische retoriek. Maar de Psalmdichter weet dat de weg van God niet tevergeefs wordt ingeslagen. Juist de liefde voor mensen zal uiteindelijk bevrijding brengen. Onophoudelijk wordt het regiem in Birma aangesproken op hun plicht de democratie terug te brengen. De Olympische Spelen en de gewelddadige onderdrukking van de Tibetaanse demonstraties dwongen de westerse mogendheden het regiem in China aan te spreken op hun plicht de mensenrechten te eerbiedigen. Mensenrechten waar ook de vrijheid van meningsuiting voor sporters behoort.

Maar als we die regiems aanspreken vanwege hun fouten dan moeten we niet blind worden voor de fouten in ons eigen land. De Psalm bidt dat er geen plaats zou moeten zijn in het land voor lasteraars. Kwaadspreken over anderen, aanzetten tot haat, onwaarheden verspreiden over bevolkingsgroepen behoren tot het kwaad waar de psalmdichter onder lijdt en waarvan hij verlost wil worden. Die lasteraars kennen we ook in onze dagen en in ons land. Gemakkelijk kunnen we zeggen dat de beschuldiging van de Chinese autoriteiten aan de Tibetaanse demonstranten van plundering en geweld propaganda is en een rechtvaardiging voor het doodschieten van ongewapende mensen. Maar wie arresteert de haatzaaiers in ons land? De lasteraars die alle moslims er van beschuldigen met geweld de Nederlandse samenleving te willen overnemen? Die onterecht roepen dat we een enge regering hebben?

De leugenaars die van hardwerkende mensen en hun in zware arbeid versleten ouders er van beschuldigen op onze uitkeringen, waarvoor ze zelf de verzekeringspenningen hebben betaald, te teren? Velen, advocaten en direct betrokkenen, hebben zorgvuldig onderbouwd aanklachten ingediend bij het Openbaar Ministerie. Kritische studenten aan rechtenfaculteiten hebben wel eens geopperd dat de hoge aantallen allochtonen in de gevangenissen ook veroorzaakt worden door racistische tendensen in het justitie apparaat. Echte bewijzen daarvoor zijn er tot nu toe niet. Maar het uitblijven van elke maatregel tegen de haatzaaiers en lasteraars in ons eigen land, het negeren van al die aanklachten maken dat de verdenkingen van die studenten ook de verdenkingen worden van allen die op een Stille Zaterdag naar de Dam in Amsterdam gingen protesteren tegen haat zaaien en van allen die zich zorgen maken over de verharding in onze eigen samenleving.

 

Wie zo doet

Psalm 15

1 Een psalm van David. HEER, wie mag gast zijn in uw tent, wie mag wonen op uw heilige berg? 2 Wie de volmaakte weg gaat en doet wat goed is, wie oprecht de waarheid spreekt. 3 Hij doet aan lasterpraat niet mee, hij benadeelt een ander niet en drijft niet de spot met zijn naaste. 4 Hij veracht wie geen achting waard is, maar eert wie ontzag heeft voor de HEER. Zijn eed breekt hij niet, al brengt het hem nadeel, 5 voor een lening vraagt hij geen rente, hij verraadt geen onschuldigen voor geld. Wie zo doet, komt nooit ten val. (NBV21)

Op deze eerste werkdag van de goede week zingen we mee met Psalm 15. Een korte psalm over de vraag wie nu eigenlijk hoort bij het verhaal van Israël, wie de richtlijnen voor de menswaardige samenleving die het volk in de woestijn ontving realiseert. We zingen dit vandaag omdat je juist in de goede week bepaald mag worden aan waar het in het leven eigenlijk om draait. Niks moet en alles mag, zo worden soms ook vakanties gevierd. Maar psalm 15 roept je terug naar de werkelijkheid en zet je weer met beide voeten op de grond. Dat is overigens niks ernstigs, het is ook niet zwaar. De Psalm spreekt jou aan en herinnert je aan wat de Joden “de vreugde van de wet” noemen. Het gaat immers om de richtlijnen voor de menselijke samenleving. Je hoeft een ander niet te veroordelen om wat die doet maar je mag de waarheid over je eigen gevoel vertellen. Wanneer voel jij de pijn als een ander iemand leed toevoegd, je mag de naaste van die ander zijn.

Christenen doen aan lasterpraat niet mee. Dat gaat verder dan de mond houden. Voor Christenen telt elk mens mee en de ene mens doet meer goed dan de andere maar het gaat er om elk mens op te roepen het goede te doen. Het goede doen voor mensen is van een ander houden als van jezelf. In de Bijbel wordt dan het huwelijk als voorbeeld gebruikt voor een liefde tussen twee mensen die net zo groot en weldadig kan zijn als de liefde tussen God en de mensen. Christenen worden daarom in deze Psalm opgeroepen niet te oordelen over de wijze waarop mensen van elkaar kunnen houden maar een voorbeeld te nemen aan de liefde en trouw die ook niet heteroseksueel georiënteerden mensen kunnen laten zien. En ook daar gaat het net zo vaak mis als onder mannen en vrouwen die met elkaar trouwen en waarvan het grootste deel uiteindelijk weer gaat scheiden.

Deze psalm maakt het ons niet gemakkelijk. We bestrijden dus lasterpraat. We bestrijden dus ook bespotting van hen die anders doen als wijzelf. De cartoons tegen de Islam worden dus net zo veracht als de tekenaars zelf de anderen verachten. Cartoons die ons onze gewoonten als een spiegel voorhouden worden daarentegen wel weer gewaardeerd. De psalm maakt het ons ook op een ander gebied niet gemakkelijk. Wie goed doet vraagt geen rente. In de Islam heet dat Halal lenen. Het Christendom heeft deze richtlijn voor de menselijke samenleving niet overgenomen. Wij kunnen mensen eindeloos verleiden om leningen af te sluiten om mee te kunnen blijven doen met de samenleving van het nieuwste de beste. Leningen met hoge renten die mensen diep in de problemen kunnen brengen. We zijn samen verantwoordelijk voor de regels die dit mogelijk maken. De bankiers belasteren en beschuldigen van hebberigheid is er volgens deze Psalm niet bij, we zouden voorbij zien aan onze eigen hebberigheid. Geen wonder dat de Psalmdichter begint met de vraag wat je moet doen om bij dat volk van God te horen. Aan het antwoord moeten we elke dag werken, ook vandaag weer.

 

Hun mantels

Matteüs 21:1-9

1 Toen ze Jeruzalem naderden en bij Betfage op de Olijfberg kwamen, stuurde Jezus twee leerlingen eropuit 2 met de opdracht: ‘Ga naar het dorp dat daar ligt. Zodra je het binnenkomt, zul je een ezelin vinden die daar vastgebonden staat met haar veulen. Maak de dieren los en breng ze bij Me. 3 En als iemand jullie iets vraagt, antwoord dan: “De Heer heeft ze nodig.” Dan zul je ze meteen meekrijgen.’ 4 Dit is gebeurd omdat in vervulling moest gaan wat door de profeet gezegd is: 5 ‘Zeg tegen vrouwe Sion: “Kijk, je koning is in aantocht, Hij is zachtmoedig en rijdt op een ezelin en op een veulen, het jong van een lastdier.”’ 6 De leerlingen gingen op weg en deden wat Jezus hun had opgedragen. 7 Ze brachten de ezelin en het veulen mee, legden er mantels overheen en Jezus ging erop zitten. 8 Vanuit de menigte spreidden velen hun mantels op de weg uit, anderen braken takken van de bomen en spreidden die uit op de weg. 9 De talloze mensen die voor Hem uit liepen en achter Hem aan kwamen, riepen luidkeels: ‘Hosanna voor de Zoon van David! Gezegend Hij die komt in de naam van de Heer. Hosanna in de hoogste hemel!’ (NBV21)

De vraag is of Jezus van Nazareth de Koning is waarover de profeet heeft geschreven of niet? Eigenlijk blijft het antwoord verborgen. Hoe dat Koningschap van Jezus van Nazareth er uit zou komen te zien zouden ze merken als ze in Jeruzalem kwamen. Hier is dus niet een Koning die een mooi pak aantrekt. Een gebedsgenezer op een groot podium met een koor en orkest achter zich om de genezingen met passende muziek te begeleiden. Als we Jezus van Nazareth willen volgen dan hoort onze aandacht dus niet bij de grote podia, de glitter en het klatergoud, maar naar de kant van de weg waar de mensen zitten die alleen nog irritant kunnen schreeuwen. En die mensen zijn er ook vandaag nog volop, vandaag werd in meer dan 3000 steden in de VS gedemonstreerd tegen president Trump, die de democratische spelregels aan zijn laars lapt en de armsten, de zwaksten, dood laat schieten.

Als het over Jezus gaat dan gaat het niet over een populistisch christendom waar het aantal telt en de pret die het geeft. Niet de rode loper gaat uit, waar geen mens over mag lopen voordat de koning is gepasseerd, maar de mantels en de takken van de bomen. Dat krijg je pas als je luistert naar het geroep van de mensen die aan de kant van de weg leven. En op weg naar Jeruzalem maakten de mensen de twijgen van de bomen los en legden ze hun mantels op de grond als een rode loper voor een nieuwe koning. Hosanna riepen ze en je mag je best afvragen wat dat betekent. Oorspronkelijk was het een roep om hulp, maar in de loop van de tijd was het ook een uitroep van vreugde geworden. Misschien is de beste vertaling wel iets als “Hiep, Hiep, help”. Al die mensen waren op weg naar Jeruzalem om het feest van Pesach te vieren. Dan moest je offeren, dan moest je een maaltijd houden met de familie, de priesters, de armen en de vreemdelingen uit je dorp.

Dat wat Jezus daar overkwam was niet nieuw. De profeten hadden het al gezegd. Hoog te paard rijdt onrecht langs de wegen, zoals Oosterhuis dat weergeeft, maar de Koning naar Gods hart die de hele wereld zal verlossen van ellende, geweld en onderdrukking rijdt op een ezel, die is aanraak baar. Als je toch al in een opperbeste stemming bent dat wordt het nog mooier als zo’n verwachting over de komst van een echte bevrijder wordt nagespeeld. Iedereen speelt dan ook mee. Mantels worden op de grond gelegd, takken van de bomen gerukt en de zogenaamde jubelpsalmen klinken alom uit volle borst, Hossanna is zoiets als Hiep, Hiep, hoera, Leve de Koning zegt de voorzitter van de Eerste Kamer op een dergelijk moment. In die optocht mogen wij meelopen. De minsten voorop, bevrijde slaven, slachtoffers van de Holocaust, vluchtelingen voor geweld en onrecht, gewetensgevangenen noem maar op. Wij rukken wel de takken van de bomen, en leggen bij het begin van de lente onze winterjassen op de grond..

 

God zelf spreekt hen vrij

Romeinen 8:31-39

31 Wat moeten wij hier verder over zeggen? Als God voor ons is, wie kan dan tegen ons zijn? 32 Zal Hij, die zijn eigen Zoon niet heeft gespaard, maar Hem omwille van ons allen heeft prijsgegeven, ons dan met Hem ook niet alles schenken? 33 Wie zal Gods uitverkorenen aanklagen? God zelf spreekt hen vrij. 34 Wie zal hen veroordelen? Christus Jezus, die gestorven is, meer nog, die is opgewekt, zit aan de rechterhand van God en pleit voor ons. 35 Wat zal ons scheiden van de liefde van Christus? Tegenspoed, ellende of vervolging, honger of armoede, gevaar of het zwaard? 36 Er staat geschreven: ‘Om U worden wij dag na dag gedood en afgevoerd als schapen voor de slacht.’ 37 Maar wij zegevieren in dit alles glansrijk dankzij Hem die ons zijn liefde heeft bewezen. 38 Ik ben ervan overtuigd dat dood noch leven, engelen noch machten noch krachten, heden noch toekomst, 39 hoogte noch diepte, of wat er ook maar in de schepping is, ons zal kunnen scheiden van de liefde van God, die Hij ons bewezen heeft in Christus Jezus, onze Heer. (NBV21)

Niks, helemaal niks, is in staat ons te scheiden van de liefde van God. Zo sterk is het voorbeeld dat we gekregen hebben in het voorbeeld van Jezus van Nazareth, de bevrijder. Het gedeelte dat we vandaag lezen heet in de taal van onze dagen : “Niemand kan ons wat maken” En dan moet je bedenken dat Paulus en de gelovigen in Rome te maken hebben met een overheid die uit pure willekeur handelt. Zo waren Judeeërs, waaronder Judeeërs die Jezus van Nazareth als de beloofde Messias erkenden, uit Rome verbannen, zo mochten ze er weer in. Maar elders werden Christenen gedood omdat ze niet wilden offeren voor het beeld van de Keizer. Ook Paulus zelf kwam van de ene gevangenis in de andere omdat hij oproer zou veroorzaken door het vertellen over zijn geloof in Jezus van Nazareth. Dan durf je toch wel als je de stoere taal gebruikt die we vandaag te lezen krijgen. Zo’n uitspraak: “als God voor ons is wie zou dan tegen ons zijn?” is mooie troost voor vrome christenen.

Maar als je in een concentratiekamp bent beland omdat je je verzet tegen een regiem dat verstandelijk gehandicapten en psychiatrische patiënten systematisch dood en mensen vergast omdat ze Jood zijn of zigeuner of homo dan klinkt die uitspraak ineens heel anders en is het maar de vraag of wij hem vandaag de dag nog na durven zeggen. Zelfs de dood aan het kruis van Jezus van Nazareth vanwege zijn onbuigzame en onverwoestbare liefde voor de mensen, zelfs voor de mensen die hem aan dat kruis hingen en hem er toe veroordeelden, doet ons aarzelen om op God te bouwen als het gevolg zo verschrikkelijk kan zijn. Toch zijn er tal van gelovigen die ons daar in zijn voorgegaan. In de Protestantse Kerken is de theoloog Dietrich Bonhoeffer een sprekend voorbeeld. Hij schreef in brieven die uit het concentratiekamp werden gesmokkeld over zijn geloof en waarom hij het niet opgaf.

Dat geloof was het enige dat hem behoedde net zo slecht te worden als de nazi’s die hem hadden opgesloten. Dat geloof gaf hem in dat hij moest blijven proberen die nazi’s op andere gedachten te brengen en de mensen er van te overtuigen dat verstandelijk gehandicapten, psychiatrisch patiënten, Joden, Sinti en Roma, homo’s, vrijmetselaars, Jehova’s getuigen, en al die anderen die werden opgesloten, vervolgd en vermoord, omdat ze anders waren als nazi’s vonden dat ze moesten zijn, hun broeders en zusters waren, van wie je moest willen blijven houden. We weten nu dat het goede doen en niet dan het goede, waartoe Paulus ons oproept, iets te maken heeft met het goede blijven doen ook al wordt dat door iedereen veroordeeld. Paulus geeft ons mee dat als iedereen ons veroordeelt, God zelf ons in elk geval vrij spreekt. Die troost is er als er geen andere is. Voorlopig zijn er nog heel veel gelovigen die werken aan die nieuwe aarde waar de hemel op te vinden zal zijn, wij mogen meewerken en daarvan kan inderdaad niemand ons van afhouden.

In deze hoop

Romeinen 8:22-30

22 Wij weten dat de hele schepping nog altijd als in barensweeën zucht en lijdt. 23 En zij niet alleen, ook wijzelf, die als voorschot de Geest hebben ontvangen, ook wij zuchten in onszelf in afwachting van de openbaring dat we kinderen van God zijn: de verlossing van ons sterfelijk bestaan. 24 In deze hoop zijn we gered. Als we echter nu al zouden zien waarop we hopen, zou het geen hoop meer zijn. Wie hoopt er nog op wat hij al kan zien? 25 Maar als wij hopen op wat we nog niet zien, blijven we in afwachting daarvan volharden. 26 En bovendien komt de Geest onze zwakheid te hulp; wij weten immers niet wat we in ons gebed tegen God moeten zeggen, maar de Geest zelf pleit voor ons met woordloze zuchten. 27 God, die ons hart doorgrondt, weet wat de Geest wil zeggen, want de Geest pleit voor de heiligen overeenkomstig Gods wil. 28 En wij weten dat voor wie God liefhebben, voor wie volgens zijn voornemen geroepen zijn, alles bijdraagt aan het goede. 29 Wie Hij van tevoren heeft uitgekozen, heeft Hij ook van tevoren bestemd om het evenbeeld te worden van zijn Zoon, die de eerstgeborene moest zijn van talloze broeders en zusters. 30 Wie Hij hiertoe heeft bestemd, heeft Hij ook geroepen; en wie Hij heeft geroepen, heeft Hij ook vrijgesproken; en wie Hij heeft vrijgesproken, heeft Hij ook laten delen in zijn luister. (NBV21)

Moet de schepping nog geboren worden? Dat zou een heel ander licht op Genesis 1 werpen. Daar zou dan geen sprake zijn van een afgeronde schepping maar van een begin. En God is begonnen en heeft vervolgens de aarde aan de mens toevertrouwd. Dat was niet genoeg want de mens liet zich verleiden om net als God te worden, met de kennis van goed en kwaad. Maar de mens is geen God, de mens werd echt een schepsel, met geboorte en dood. De voltooiing van de schepping kon daarop niet plaatsvinden omdat het toevertrouwen van de aarde aan de mens een uiterst dubieuze zaak was geworden. En juist in onze dagen blijkt hoe slecht wij met de aarde om weten te gaan, hoe we net als de dieren steeds ons korte termijn eigen belang voorop stellen in plaats van het belang van een beheer op lange termijn.

We moeten er maar op hopen dat het goed zal komen. En omdat we er zo sterk op hopen en er van overtuigd zijn dat door de opstanding van Jezus van Nazareth de dood zo is overwonnen dat het ook echt goed zal komen kunnen we er ook al vast wat aan doen. Kunnen we de opwarming van de aarde voorkomen? Ja het kan. Kunnen we zo voedsel produceren dat iedereen te eten heeft? Ja het kan. Kunnen we overal op aarde vrede hebben? Ja het kan. En waarom kan het? Omdat onze God ons mensen de aarde heeft toevertrouwd maar ons niet in de steek heeft gelaten. God heeft zijn zoon gestuurd. En zoals zijn zoon handelde kunnen wij ook handelen, met liefde, dat is leven in de Geest van God. Het is duidelijk dat de propaganda voor de Liefde meer nodig is dan ooit.

Denk nu niet dat de hele last op de schouders van Christenen alleen gekomen is. Christenen zijn geroepen die hoop levend te houden en te verkondigen tot aan de einden der aarde. Daarom zijn het ook Christenen die vreedzaam de A12 blokkeren. Daarom zijn het ook Christenen die overal op aarde roepen om verantwoordelijkheid voor de aarde. Of het in Nederland is waar grond verspild wordt door een verstikkende manier van landbouw. of op de Malediven waar het uitbaggeren van een lagune door een Nederlands bedrijf de prachtige natuur bedreigt. Gelovigen in de komst van een nieuwe hemel en een nieuwe aarde zijn geroepen om iedereen mee te krijgen in het voltooien van de schepping, het behoud en de groei van alles wat goed is.

 

Ten prooi aan zinloosheid

Romeinen 8:12-21

12 Broeders en zusters, we zijn dus niet langer gebonden aan het aardse, om volgens aardse maatstaven te leven. 13 Als u wel zo leeft, zult u zeker sterven. Als u echter uw zondige praktijken doodt door de Geest, zult u leven. 14 Allen die door de Geest van God worden geleid, zijn kinderen van God. 15 U hebt de Geest niet ontvangen om opnieuw als slaven in angst te leven, u hebt de Geest ontvangen om Gods kinderen te worden-door Hem roepen wij God aan met ‘Abba, Vader’.16 De Geest zelf verzekert onze geest dat wij Gods kinderen zijn. 17 En als we zijn kinderen zijn, zijn we ook zijn erfgenamen: erfgenamen van God, samen met Christus. Want wij delen in zijn lijden om ook met Hem te kunnen delen in Gods luister. 18 Ik ben ervan overtuigd dat het lijden van deze tijd in geen verhouding staat tot de luister die ons in de toekomst zal worden geopenbaard. 19 De schepping ziet er reikhalzend naar uit dat de luister van Gods kinderen openbaar wordt. 20 Want de schepping is ten prooi aan zinloosheid, niet uit eigen wil, maar door Hem die haar daaraan heeft onderworpen. Maar er is hoop, 21 omdat ook de schepping zelf zal worden bevrijd uit de slavernij van de vergankelijkheid en zal delen in de vrijheid en luister die Gods kinderen geschonken wordt. (NBV21)

Je gaat pas erven als er iemand dood is. Maar erfgenamen zelf kunnen nog wel eens in aanzien stijgen als blijkt dat hen een grote erfenis te wachten staat. Is God dood en zijn wij dan de erfgenamen? Dat is niet wat Paulus bedoelt. Hij bedoelt dat we gelijk zijn aan Jezus van Nazareth die God aansprak als zijn Vader. Zo mogen wij ook God aanspreken als onze Vader en zijn wij dus ook erfgenamen. Wat is onze erfenis dan? Dat is het visioen van een wereld waar geen tranen meer zullen zijn, waar de lam en de leeuw samen zullen neerliggen en een kind zal spelen in het hol van de slang. Visioenen zoals Jesaja ze ooit opschreef en die volgens Paulus de erfenis zullen zijn voor Joden en Heidenen samen. Zo maar, voor iedereen voor het grijpen? Nee dus. Wij zullen moeten delen in het lijden van Jezus van Nazareth om met hem te kunnen delen in dat visioen. Moeten we dus allemaal maar aan een kruis gaan hangen? In onze tijd is dat een onzinnige vraag. In de tijd dat Paulus deze brief aan de gemeente in Rome schreef niet helemaal een onzinnige vraag. Op een andere plaats in de brief aan de gemeente in Rome schrijft Paulus over mensen die hij had ontmoet op zijn reizen die uit Rome afkomstig waren. Zij waren uit Rome verbannen omdat er relletjes waren geweest tussen Joden en Christenen en Keizer Claudius had Joden de toegang tot Rome ontzegd omdat, zo staat in het edict, er een opstand was geweest onder leiding van ene Chrestos.

Het afzweren van Tempels met godenbeelden en Priesters, het afzweren van leven met standsverschillen en cultuurverschillen was een groot risico. Wee degene die er een gewoonte van maakt te delen met armen, te zorgen voor zieken en stervenden, gevangenen te bezoeken, de hongerenden te voeden en de naakten te kleden. Ook de gemeente van christenen in Rome kwam bijeen in één van de huizen van de gelovigen om samen het brood te breken en de beker rond te laten gaan in herinnering aan Jezus van Nazareth en als oefening in het je naaste liefhebben als jezelf. Een dergelijke manier van leven ondermijnt de “samenleving van meer en beter”. Zeker als dat een slavenmaatschappij is waar een leven niet telt. Wat het is om als slaven in angst te leven weet die gemeente in Rome maar al te goed. Dagelijks zien zij dat om hen heen. Maar ze weten ook dat de slavenhouders eigenlijk in angst leven. Als die slaven in opstand komen dan kunnen ze hun leven verliezen. De weg die de christenen kozen, met slaven en slavenhouders als gelijken, was om broeders en zusters van elkaar te worden, samen een nieuwe gemeenschap te vormen. Dat deden ze door God hun Vader te noemen. Zo kunnen ook wij de angst voor elkaar overwinnen door te weten dat God ons aller Vader is, van Hollanders en vreemdelingen, van Allochtonen en Autochtonen, van iedereen die bij ons woont. Pas als wij dat erkennen komen de visioenen van de profeten uit. Maar het kan, wij kunnen het.

Het zijn soms mooie zinnen die in de brieven van Paulus staan en waar we achteloos overheen lezen omdat er weer van die ingewikkelde filosofische redeneringen op volgen. Toch vormen dit soort zinnetjes vaak de sleutel die het begrijpen van die redeneringen mogelijk maken. Zo ook hier. Want wie heeft de schepping aan zinloosheid onderworpen? Voor veel theologen een duistere zaak, ze slaan dat stukje dan ook graag over. Maar zijn wij het niet zelf die de schepping zoals we die zien en ervaren als zinloos ervaren? Het water stroomt van hoog naar laag, er zijn vier seizoenen en tal van natuurwetten en al eeuwen is de aarde en alles wat daarop is hetzelfde. Ze draait vandaag om haar as en morgen ook en de aarde draait dit jaar om de zon en volgend jaar opnieuw. Het gaat allemaal niet vooruit en niet achteruit. Je kunt op die manier ook moeilijk zeggen dat ze Gods lof verkondigt want het is allemaal nietszeggend. Voor jonge mensen wil het leven op die manier ook zinloos worden. De armen hebben we altijd al bij ons gehad, we horen van oorlogen en geruchten van oorlogen en mensen streven altijd eerder naar meer en beter dan naar vrede en gerechtigheid. Zo was het, zo is het en zo lijkt het altijd te moeten blijven. Maar Paulus schetst ons een beeld van hoop. Hij heeft het over een geboorte van iets nieuws. Geloven dat al die zinloosheid in de wereld voorbij kan gaan. Geloven dat het echt mogelijk is dat alle hongerenden gevoed zullen worden, dat recht wordt gedaan aan mensen, dat alle tranen gedroogd zullen worden, dat we daarvoor nu aan het werk kunnen gaan elke dag opnieuw.

 

Het aardse streven

Romeinen 8:1-11

1 Dus wie in Christus Jezus zijn, worden niet meer veroordeeld. 2 De wet van de Geest die in Christus Jezus leven brengt, heeft u immers bevrijd van de wet van de zonde en de dood. 3 Want waartoe de wet niet in staat was, machteloos als hij was door onze aardse natuur, dat heeft God tot stand gebracht. Vanwege de zonde heeft Hij zijn eigen Zoon als mens in dit zondige bestaan gestuurd; zo heeft Hij in dit bestaan met de zonde afgerekend, 4 opdat alles wat de wet eist in ons tot vervulling wordt gebracht. Wij leven immers niet volgens aardse maatstaven, maar volgens die van de Geest. 5 Wie beheerst wordt door het aardse, streeft aardse zaken na, maar wie beheerst wordt door de Geest, streeft na wat de Geest wil. 6 Het aardse streven leidt tot de dood, maar het streven waartoe de Geest aanzet leidt tot leven en vrede. 7 Het aardse streven staat vijandig tegenover God, want het onderwerpt zich niet aan zijn wet en is daar ook niet toe in staat. 8 Wie beheerst wordt door het aardse, kan God niet behagen. 9 U daarentegen wordt beheerst door de Geest, want de Geest van God woont in u. Iemand die de Geest van Christus niet heeft, behoort Christus ook niet toe. 10 Als Christus echter in u leeft, is uw lichaam weliswaar door de zonde ten dode opgeschreven, maar de Geest schenkt u leven, omdat u door God rechtvaardig bent verklaard. 11 Want als de Geest van Hem die Jezus uit de dood heeft opgewekt in u woont, zal Hij die Christus heeft opgewekt ook uw sterfelijk lichaam levend maken door zijn Geest, die in u woont. (NBV21)

Terug bij de beroemde brief van Paulus aan de gemeente in Rome, een gemeente die hij niet zelf had gesticht. Paulus maakt nog al eens tegenstellingen die wij zo niet kennen. Hier maken we kennis met de tegenstelling tussen wat wij willen en wat de Geest wil. Als we doen wat wij willen dan gaat het verkeerd en als we doen wat de Geest van God, of de Geest van Jezus van Nazareth ons ingeeft dan gaat het goed. Je zou toch zeggen dat gewone, eenvoudige mensen altijd het goede willen. Want wie wil er nou ruzie met de buurman, wie wil er nu stelen of de boel oplichten, of roven en moorden. Natuurlijk zijn er boeven en die moeten gevangen gezet worden en gestraft voor hun daden, maar het aantal boeven onder ons is altijd maar een kleine minderheid. De meesten van ons willen het goede, willen zelfs best helpen als het er op aan komt. Maar gaan we voor het goede ook door het vuur? Toen het Pinksterfeest werd toen kwam de Geest over de volgelingen van Jezus van Nazareth die bij elkaar zaten in Jeruzalem en toen zagen de mensen tongen als van vuur. Vanaf die tijd gingen ze door het vuur voor het goede. Nu, wij meestal niet. Ze mogen schelden wat ze willen op onze allochtone buurvrouw, bij ons mag ze rustig op de koffie komen, maar ons te weer stellen tegen die grootsprekers die zo bang zijn voor een vreemd geloof en een vreemdeling doen we niet.

En we laten al die mensen die onze allochtone buurvrouw niet kennen dus rustig op die laffe angsthazen stemmen. We gaan niet door het vuur voor een samenleving waar ook de vreemdelingen aan tafel mogen plaatsnemen, zonder op te houden vreemdeling te zijn. We kennen ook de verhalen van mensen die op een donkere koude winteravond in het water vielen en waar tientallen mensen bij stonden te kijken en te wachten tot de brandweer te laat zou komen om ze uit het water te halen. Samen door het vuur gaan voor het goede is er dan ineens niet bij. En natuurlijk willen we promotie en meer verdienen, dat er dan collega’s moeten worden ontslagen is jammer maar onvermijdelijk. En natuurlijk willen we goedkope kleding, dat die door jonge kinderen in barre omstandigheden is gemaakt weten we niet en willen we eigenlijk ook niet weten. Ook willen we goedkoop en gemakkelijk te maken voedsel, dat er geen enkele eerbied meer is voor het leven van dieren en de grondstoffen die we van God kregen snel worden opgemaakt kunnen wij ook niet helpen.

We zijn God niet en doen niet alles goed is ons excuus en sommigen van ons hebben vroeger nog op de catechisatie geleerd dat de mens niet bekwaam is tot enig goed en slechts geneigd tot alle kwaad. Een mooi excuus dat volledig uit haar verband gehaald prima kan dienen om onze onverschilligheid tegenover het kwade ook nog een vroom tintje te geven. We zijn inderdaad God zelf niet en daarom wijst Paulus maar weer eens op Jezus van Nazareth, dat was ook een mens, die wel deed wat God vroeg, houden van je naaste als van jezelf. Die zag de lijdende mens langs de kant van de weg en hield de liefde vol zelfs door de dood heen. Loop nu niet weg met de overtuiging dat Jezus zo goed kon zijn omdat hij God was, nee God heeft zijn zoon gezonden om ons te laten zien dat het ook voor ons is weggelegd, leven in het goede, niet dan het goede nastreven. In zijn geest mogen wij ook leven. Alleen moeten we wat wij gewoon vinden vervangen door wat we leren van Jezus van Nazareth. Gelukkig dat we daar elk moment weer opnieuw mee mogen beginnen.

 

Het profetenhuis

1 Samuël 19:18-24

18 David had zich uit de voeten gemaakt en een veilig heenkomen gezocht. Hij was naar Rama gegaan, naar Samuel, en had hem alles verteld wat Saul hem had aangedaan. Samen gingen ze naar het profetenhuis en namen daar hun intrek. 19 Toen Saul hoorde dat David in het profetenhuis in Rama verbleef, 20 stuurde hij er mannen naartoe om hem gevangen te nemen. Daar aangekomen zagen ze de hele profetengemeenschap in vervoering, onder toezicht van Samuel. Ook Sauls mannen werden door de geest van God overmand en ook zij raakten in vervoering. 21 Toen Saul hiervan hoorde, stuurde hij andere mannen, maar ook die raakten in vervoering. Saul gaf niet op en stuurde een derde groep, maar ook die raakte in vervoering. 22 Ten slotte ging hij er zelf op af. Toen hij bij de grote put in Sechu aankwam, vroeg hij: ‘Waar zijn Samuel en David?’ ‘Die zijn in het profetenhuis in Rama,’ luidde het antwoord. 23 Saul begaf zich naar Rama en onderweg werd ook hij overmand door de geest van God. De hele weg naar het profetenhuis was hij in vervoering, 24 en daar aangekomen trok ook hij zijn kleren uit en raakte buiten zinnen in het bijzijn van Samuel, waarna hij naakt voor hem op de grond viel. Zo bleef hij een hele dag en nacht liggen, en sindsdien zegt men: Hoort Saul nu ook al bij de profeten? (NBV21)

David vlucht naar Samuël. Rond Samuël had zich een hele gemeenschap van profeten gevormd die samen een soort commune, of een soort klooster, moeten hebben gevormd. Die profetenscholen krijgen bij ons maar weinig aandacht. Maar als we over Elia en Elisa lezen dan komen we ook die profetenscholen tegen. Ook Jesaja wordt bij een dergelijke school gerekend en er zijn geleerden die menen dat het boek Jesaja in een dergelijk school is ontstaan. Bij Oosterse godsdiensten hoort dan ook dat je samen in trance raakt. Pas bij Paulus vinden we waarschuwingen tegen het overmatig zo diep in trance raken dat er niemand meer is die begrijpt wat er wordt gezegd en gedaan.

Maar ook Samuël laat Saul in de steek. Als Saul soldaten naar Rama, waar Samuël woont stuurt dan raken die net zo goed in trance als de profeten rond Samuël. Telkens weer mislukt daardoor de arrestatie. Zelfs als Saul ten einde raad zelf maar naar Rama trekt raakt hij onderweg al in vervoering en kronkelt naakt en tierend voor Samuël op de grond, een hele dag en een hele nacht. Hier klinkt het nieuwe spreekwoord dat zich bij overdreven godsdienstigheid afvraagt of ook Saul al bij de profeten hoort. Het gaat in het gedeelte van vandaag over profeteren. En wel over het profeteren door het enthousiasme dat je opbrengt voor de zaak van de God van Israël.

Door het knippen van Bijbelverhalen raak je soms het zicht wat kwijt, maar Saul profeteert als de boze geest over hem vaardig wordt door met zijn speer te werpen. Ook als hij de profetenschool van Samuël en zijn soldaten in vervoering voor God ziet gaat hij profeteren, hij trok zijn kleren uit en viel tierend op de grond voor Samuël. Ook hij verkondigd het woord van God, God heeft voor David gekozen. Alleen doet Saul dat in negatieve zin, net als in onze dagen de klimaathysterici doen die uit alle macht ontkennen dat de mens voor de aarde moet zorgen en de aarde niet moet willen uitputten of opwarmen.

 

Een pluk geitenhaar

1 Samuël 19:1-17

1 Saul maakte aan zijn hovelingen en zijn zoon Jonatan bekend dat hij Davids dood wenste. Maar Jonatan, die zeer op David gesteld was, 2 waarschuwde hem: ‘Mijn vader Saul is van plan je te doden. Wees op je hoede morgenochtend, houd je schuil en blijf waar je bent. 3 Ik ga dan met mijn vader de stad uit, houd bij jou in de buurt halt en breng het gesprek op jou. Daarna zal ik je laten weten hoe de zaken staan.’ 4 Jonatan hield tegen zijn vader Saul een pleidooi voor David. Hij sprak als volgt: ‘Laat de koning zich niet vergrijpen aan zijn dienaar David. Hij heeft u immers niets misdaan. Integendeel, hij heeft u juist grote diensten bewezen. 5 Met gevaar voor eigen leven heeft hij de Filistijn verslagen, en de HEER heeft Israël een grote overwinning bezorgd. U hebt het met eigen ogen gezien en was er opgetogen over. Waarom zou u dus onschuldig bloed vergieten door David te doden zonder dat daar aanleiding toe is?’ 6 Saul liet zich door Jonatan overreden en zwoer: ‘Zo waar de HEER leeft, hij zal niet worden gedood.’ 7 Toen riep Jonatan David en vertelde hem hoe het gesprek verlopen was. Hij bracht David bij Saul en David kwam weer aan het hof wonen, zoals eerst. 8 Ondertussen ging de oorlog voort. Weer trok David tegen de Filistijnen ten strijde, bracht hun een grote slag toe en joeg ze op de vlucht. 9 En weer werd Saul gekweld door een kwade geest van de HEER. Hij zat thuis, zijn speer in de hand, terwijl David muziek voor hem maakte. 10 Weer probeerde hij David met zijn speer aan de muur te spiesen, maar weer kon David hem ontwijken en boorde de speer zich in de muur. David vluchtte weg en zocht nog diezelfde nacht een veilig heenkomen. 11 Saul stuurde mannen naar Davids huis om het te bewaken en hem de volgende ochtend te doden. Maar Davids vrouw Michal waarschuwde hem: ‘Breng je vannacht nog in veiligheid, anders is het morgen met je gedaan.’ 12 Ze hielp hem uit het venster naar beneden, en hij maakte zich uit de voeten en wist te ontkomen. 13 Toen nam Michal het beeld van de huisgod en legde dat in het bed. Om het hoofd vlocht ze wat geitenhaar en ze dekte het beeld toe met een deken. 14 Saul stuurde mannen om David gevangen te nemen, maar Michal zei dat hij ziek was. 15 Toen stuurde Saul hen opnieuw naar Davids huis om zich er met eigen ogen van te overtuigen dat David er was, en hij droeg hun op: ‘Breng hem hier, desnoods met bed en al, zodat hij ter dood kan worden gebracht.’ 16 Toen de mannen binnenkwamen, zagen ze dat er een beeld in bed lag, met een pluk geitenhaar om zijn hoofd. 17 ‘Waarom heb je mij zo bedrogen?’ vroeg Saul aan Michal. ‘Je hebt mijn aartsvijand helpen ontsnappen!’ ‘Ik moest wel,’ antwoordde Michal. ‘Hij zei tegen me: “Help me ontsnappen, of moet ik je soms doden?”’ (NBV21)

Van God en alle mensen verlaten. Zo kun je je ook voelen als je heel alleen een veel te zware verantwoordelijkheid hebt te dragen. Zo zal het Saul ook vergaan zijn. Als hij besluit zijn rivaal David ter dood te laten brengen, zo doen machtige mannen immers, dan zijn het eerst zijn eigen kinderen die hem daarin tegenhouden en er van afbrengen. Jonathan, zijn oudste zoon, lokt hem mee naar het veld en weet hem daar te overtuigen van het belang van David voor Israël. Maar dat is niet genoeg. Jonathan heeft een eigen belang, hij houdt van David. Als Saul zou slagen in het doden van David zou dat een groot verlies voor Jonathan betekenen. Saul laat zich schijnbaar overhalen. Je wil immers nooit als moordzuchtig bekend staan, maar als je een boze geest de schuld kan geven dan helpt dat.

Maar als Saul Jonathan weet te misleiden en te negeren dan is er nog een dochter van Saul. Michal was verliefd geworden op David, net als Saul en omdat Saul beloofd had dat David mocht trouwen met een dochter van de Koning had Michal haar zin gekregen. Ook Michal had dus een groot eigenbelang bij het overleven van David. Hoe meer David in aanzien steeg hoe meer ook Michal in aanzien zou stijgen. Als Saul David dus in diens eigen huis wil laten arresteren dan is daar de dochter van Saul Michal die een truc verzint om David de tijd te geven te vluchten. Wij kijken misschien even vreemd op van het beeld van de huisgod, maar we moeten niet vergeten dat ook Rachel, stammoeder van Israël, al de huisgoden van Laban had meegenomen toen ze met Jacob naar Israël trok.

In die traditie staat ook Michal, de verbinding tussen het huis van Saul en dat van David. Dat er maar één God is dat is in de Bijbel maar heel langzaam tot het volk doorgedrongen. De God van Israël was de beste, was ook de voorzitter van de Raad van Goden leert de psalmist ons, maar er waren allerlei machten en krachten die ook als God werden aanbeden en die je tenminste kon vragen hun invloed bij de God van Israël hun invloed aan te wenden. Op die manier heeft ook de kerk heel lang heiligen gekend die je voorspraak kunt vragen. Michal maakt al duidelijk dat het nep is, dat is het tot op de dag van vandaag.

 

Davids aartsvijand.

1 Samuël 18:17-30

17 Toen zei Saul tegen David: ‘Hier is mijn oudste dochter Merab. Ik bied je haar als vrouw aan, op voorwaarde dat je in mijn dienst je heldhaftigheid blijft tonen en voor de HEER ten strijde trekt’ -want hij dacht bij zichzelf: Ik hoef hem niet zelf om het leven te brengen, laten de Filistijnen dat maar doen. 18 David antwoordde: ‘Wie ben ik en wat heeft mijn familie, de verwanten van mijn vader, in Israël te betekenen, dat ik een schoonzoon van de koning mag worden?’ 19 Toen de dag was aangebroken dat Merab, de dochter van Saul, met David in het huwelijk zou treden, werd ze uitgehuwelijkt aan Adriël uit Mechola. 20 Ondertussen was Sauls dochter Michal verliefd geworden op David. Saul hoorde hiervan en het kwam hem goed uit. 21 Ik bied hem Michal als vrouw aan, dacht hij, dan loopt hij door haar in de val en kunnen de Filistijnen hem om het leven brengen. Tegen David zei hij: ‘Je kunt alsnog mijn schoonzoon worden, door met mijn tweede dochter te trouwen.’ 22 En zijn hovelingen droeg hij op: ‘Gaan jullie eens met David praten, maar doe dat onopvallend. Zeg tegen hem: “Zie je wel dat de koning op je gesteld is? En al zijn dienaren mogen je graag. Grijp dus je kans om de schoonzoon van de koning te worden.”’ 23 Sauls hovelingen brachten deze woorden aan David over, maar hij antwoordde: ‘Jullie denken zeker dat het zo eenvoudig is om schoonzoon van de koning te worden. Ik ben anders maar een arm en eenvoudig man.’ 24 Toen ze aan Saul vertelden wat David gezegd had, 25 zei hij: ‘Zeg tegen David dat de koning niet aan een bruidsprijs hecht en dat hij genoegen neemt met de voorhuiden van honderd Filistijnen, als wraak op zijn vijanden.’ Het was zijn bedoeling dat David op die manier zou sneuvelen in de strijd tegen de Filistijnen. 26 De hovelingen brachten Sauls woorden aan David over, en die stemde er toen mee in om schoonzoon van de koning te worden. Nog binnen de termijn voldeed hij aan de gestelde voorwaarde. 27 Hij rukte met zijn troepen uit en doodde tweehonderd Filistijnen. Hun voorhuiden nam hij mee om ze aan de koning af te dragen. Het waren er meer dan genoeg om de hand van de koningsdochter te verwerven, en Saul gaf hem zijn dochter Michal tot vrouw. 28 Uit dit alles maakte Saul op dat de HEER David bijstond. Bovendien had zijn dochter Michal David lief. 29 Zijn angst voor David nam nog toe, en van toen af was hij Davids aartsvijand. 30 En telkens als de Filistijnse bevelhebbers een aanval op Israël ondernamen, streed David met meer succes tegen hen dan een van Sauls andere dienaren. Zo oogstte hij steeds meer roem.(NBV21)

David werd een concurrent van Saul, in de populariteit met het volk die aan David tienduizend dode Filistijnen toedichtte en aan Saul maar duizend. Maar Saul had David ook nodig als therapeut, de harp verzachtte zijn woede. Saul probeert nu David in die dubbele relatie te treffen. Hij biedt hem de hand van zijn oudste dochter en maakt hem legeroverste over duizend soldaten. Maar als David zal trouwen met Merab trouwt zij met een ander en als legeroverste staat David tegen een overmacht van Filistijnen. Op beide fronten wordt David echter toch winnaar Want de andere dochter van Saul wordt verliefd op David zodat het huwelijk dat zal volgen een huwelijk uit liefde wordt en niet uit berekening. En de oorlogen die David moet voeren worden door hem steeds gewonnen.

Zelfs als Saul terugvalt op de gewoonte van Abraham, voorhuiden van vijanden afsnijden als bewijs van overwinning, wint David nog. In de eerste oorlog die in Genesis wordt beschreven voert Abraham oorlog om Lot en de bondgenoten in Kanaän te beschermen. Als teken van overwinning neemt Abraham de voorhuiden van de vijanden. Daarna laat hij zichzelf besnijden zodat hij onoverwinnelijk wordt. Nu moet David de voorhuiden van de onbesneden Filistijnen nemen om Michal voor zich te winnen. Een riskante operatie want je kunt niet letten op wat de vijand doet. Maar weer heeft David succes en hij neemt het dubbele aantal mee naar huis.

Het is het uiteindelijke bewijs voor Saul dat hij niet langer in de gunst staat bij de God van Israël. Het lukt hem niet zijn rivaal te laten sneuvelen in de strijd met de Filistijnen. Het zal veel verder in het verhaal David overigens wel lukken een rivaal te laten sneuvelen in de strijd om Batseba. Saul wordt gewoon bang voor David en angst is een slechte raadgever. Het verhaal laat het contrast zien tussen Koningen en bestuurders zoals wij ze ook kennen en Koningen en bestuurders zoals de God van Israël die wil. David blijft volhouden een eenvoudig man te zijn die zich in dienst van volk en koning stelt ter ere van zijn God. Saul blijft streven naar eer en glorie voor zichzelf, desnoods ten koste van zijn eigen onderdanen en ten koste van zijn meest succesvolle legeraanvoerder. Wij mogen dus leren te letten op regeerders die meer letten op eigen eer en glorie, op eer en glorie voor het volk dat ze regeren dan dat ze letten op vrede en recht, ook vandaag weer.