Tegen de vijand

Psalm 60

1 Voor de koorleider. Op de wijs van De lelie van het getuigenis. Een stil gebed van David, ter lering, 2 toen hij vocht tegen de Arameeërs uit Naharaïm en Soba, en toen Joab op zijn terugtocht de Edomieten in de Zoutvallei versloeg, twaalfduizend man. 3 God, U hebt ons verstoten, ons uiteengeslagen, uw toorn over ons uitgestort. Keer ons lot ten goede. 4 U hebt het land geschokt en gespleten, genees zijn scheuren, want het stort ineen. 5 U hebt uw volk zwaar laten lijden, ons een bittere wijn laten drinken. 6 Geef een teken aan wie ontzag hebben voor U, laat hen ontkomen aan de pijlen van de boog. sela 7 Bevrijd uw geliefde volk, help het met uw machtige hand, verhoor ons. 8 God heeft gesproken in zijn heiligdom: ‘Juichend zal Ik Sichem verdelen, het dal van Sukkot uitmeten. 9 Van Mij is Gilead, en van Mij is Manasse, Efraïm is de helm op mijn hoofd, Juda de scepter in mijn hand. 10 Moab is mijn wasbekken, op Edom zet Ik mijn voet. Filistea, juich Mij toe!’ 11 Wie voert mij de vesting binnen, wie zal mij naar Edom leiden? 12 Bent U het niet, God, U die ons verstoten had? Voert U niet, God, onze legers aan? 13 Sta ons bij tegen de vijand, de hulp van mensen is vergeefs. 14 Met God zullen wij triomferen, Hij zal onze vijanden vertrappen. (NBV21)

Vandaag een psalm die regelmatig in de Tempel klonk als het volk zich weer eens bedreigd voelde door een buitenlandse vijand. Dat staat er toch niet boven zou je zo zeggen. Er staat toch dat dit een stil gebed van David is dat hier ter lering staat. Maar dat stil gebed van David moet dat lied “De lelie van het getuigenis” zijn geweest, waaraan oorspronkelijk de melodie van deze Psalm werd ontleend. Die melodieën van de psalmen kennen we niet meer, maar we weten wel dat bij nationale rampen men in de Tempel bijeen kwam om liederen te zingen, vooral liederen die verhalen vertelden van gelijksoortige gebeurtenissen en waaruit het volk moed zou kunnen putten. Moeten wij misschien ook nog eens doen, liederen zingen over de oorsprong van de crisis, over bankdirecteuren die zich verreikten en de boel bedrogen en over bestuurders van bedrijven die zichzelf onverantwoorde beloningen toekenden, tot de zeepbellen knapten en de armen de gevolgen van de crisis konden betalen.

Dat Edom, dat in deze Psalm genoemd wordt, is een broedervolk, het stamde af van Esau, en het is dus geen wonder dat de nakomelingen van Jacob worden verstoten als ze zonder verdere aanleiding oorlog voerden met hun broeders. Volgens het verhaal waren ze immers op de terugtocht nadat God hun de overwinning op de Arameeërs had geschonken. Die Joab was een generaal die wel meer op eigen houtje opereerde en de priesters van de Tempel hadden graag in spannende tijden een lied bij de hand die de militaire kliek van het land waarschuwde niet te veel op eigen houtje te opereren maar zorgvuldig te luisteren naar wat de God van Israël volgens de priesters te zeggen had. Zeker ook nog als het verhaal gaat over het land, waar God zijn schoen heeft gepland, dat aan beide zijden van de Jordaan lag, het hele land dus met andere woorden.

Uiteindelijk zal God dus overwinnen, je moet de moed nooit opgeven. God beproefd het volk zodat duidelijk wordt wie volhoudt in het zorgen voor de minsten, wie de geboden van de God van Israël blijft onderhouden. Daar hoort ook het “Gij zult niet doden” bij, daar hoort het je naaste liefhebben als jezelf bij als samenvatting van de manier waarop je de God van Israël hoort lief te hebben boven alles. Maar daar hoort ook inzicht bij. Het is de God van Israël die het land heeft gegeven, met die God werd een verbond gesloten voor het land werd verdeeld onder de stammen van Israël en vervolgens onder de families tot een eeuwig erfdeel. Als Edom weer wraak wil nemen, en Edom voerde ook met regelmaat oorlog met Israël, dan zal het de God van Israël moeten zijn die de maat van de oorlog bepaalt, die de leiding neemt van de strijd. Zo zullen ook wij dus in onze crisis weer te rade moeten gaan bij die God. Moeten inzien dat we alleen van delen rijker worden en dat leiding geven dienen betekent. Elke dag mogen we daar opnieuw aan werken, ook vandaag weer.

Laat je terechtwijzen

Spreuken 19:15-29

15 Als je lui bent, verslaap je je tijd, als je laks bent, zul je honger lijden. 16 Wie de geboden naleeft, behoudt zijn leven, wie de weg van de HEER veracht, zal sterven. 17 Wie vrijgevig is voor een arme, leent aan de HEER, die zal hem zijn weldaad vergoeden. 18 Tuchtig je zoon, dan is er hoop, zo voorkom je dat hij de dood vindt. 19 Wie zijn drift niet beheerst, moet boeten, als je hem ontziet, wordt het alleen maar erger. 20 Luister naar raad, laat je terechtwijzen, uiteindelijk maakt het je wijs. 21 Een mens maakt allerlei plannen, wat wordt uitgevoerd, is het plan van de HEER. 22 Trouw is voor de mens het hoogste goed, je kunt beter arm dan onbetrouwbaar zijn. 23 Ontzag voor de HEER beschermt je leven, je kunt rustig gaan slapen, er overkomt je niets. 24 Een luiaard laat zijn hand in de schaal rusten, hij brengt hem zelfs niet naar zijn mond. 25 Straf je een spotter, dan leren onnozelen daarvan, straf je een verstandig mens, dan groeien diens kennis en inzicht. 26 Wie zijn vader mishandelt en zijn moeder wegjaagt is een onwaardige zoon, die zich misdraagt. 27 Mijn zoon, luister maar niet langer naar mijn onderricht als je mijn wijze woorden in de wind wilt slaan. 28 Een onbetrouwbare getuige spot met het recht, een wetteloze zwelgt in onrecht. 29 Voor spotters staat de straf al vast, voor de rug van dwazen ligt de stok al klaar. (NBV21)

Er moet gewerkt worden. Tenminste volgens het Spreukenboek. Gaan geloven in de God van Israël is pas het begin. Begin van alle wijsheid en die wijsheid is, zoals we al eerder lazen, dat je je naaste lief moet hebben als jezelf. Voor luiheid is daarbij geen plaats, je verslaapt je tijd en als je laks bent, onverschillig dus ook, dan zul je honger lijden. Nee het gaat om het volgen van de richtlijnen, het gaan van de weg van de Heer staat er zo deftig in de Bijbel. Maar dat deftige is gewoon een manier van vertalen, dat gebeurde nu eenmaal door deftige gestudeerde heren en dames. Want de arme is de vertegenwoordiger van God in ons leven. Als we barmhartigheid laten zien, onze hand uitsteken naar de outcast, dan lenen we aan God. En van een God mogen we verwachten dat die met rente terugbetaald.

Nu niet direct denken dat je rijker zult worden van het helpen van de armen, of dat je gezonder zult worden of langer zult leven, dat je geen tegenslag meer in het leven zult tegenkomen. Integendeel. Ook in onze dagen wordt de voortdurende onbaatzuchtige aandacht en zorg voor de minsten in de samenleving belachelijk gemaakt, in sommige landen bestraft zelfs. Wat we krijgen, met rente, is een betere wereld, in plaats van de ongelukkige arme die je tegenkwam krijg je een gelukkige arme die weer verder kan in het leven, aan wie recht is gedaan en die een plaats in de samenleving heeft ingenomen. Verwacht dus zelfs geen dankbaarheid.

Zorg dat je je eigen kinderen ook in die geest opvoedt. In de vorige vertaling stond hier dat je je zoon moet kastijden wanneer er nog hoop is. Tuchtigen klinkt wat milder, al betekent het hetzelfde. In de Naardense Bijbel die dicht bij de grondtekst probeert de Bijbel in het Nederlands te vertalen wordt gesproken over “vermanen”. Het gaat er in alle vertalingen en dus in de Bijbel om, dat je je kinderen niet moet laten doodvallen zolang er nog hoop is dat ze gaan meewerken aan die nieuwe aarde. Aan woedende medemensen, ook aan woedende kinderen, heb je dus niks, zelf kwaad worden en je kind slaan is daarom uit den boze. Maar zwijg niet over fouten omdat je geen conflict wil. Als er fouten gemaakt worden heb je een conflict en herstellen is dan geboden. Zo grijpt dat boek Spreuken ondanks zijn schijnbare oppervlakkige spreekwoorden diep in in ons leven van alle dag. Gelukkig dat we elke dag weer opnieuw mogen beginnen, ook vandaag weer.

Wie zijn verstand gebruikt

Spreuken 19:1-14

1 Beter een arme die onberispelijk leeft dan een leugenaar – zo iemand is dwaas. 2 IJver zonder kennis leidt tot niets,
wie overijld te werk gaat, begaat al snel een misstap. 3 Dwaasheid brengt een mens op een dwaalspoor, maar hij verwijt het de HEER. 4 Rijkdom maakt veel vrienden, een arme komt alleen te staan. 5 Een valse getuige blijft niet ongestraft, wie leugens verkondigt, gaat niet vrijuit. 6 Velen dingen naar de gunst van een voornaam persoon, ieder is de vriend van een vrijgevig mens. 7 Een arme wordt door al zijn broers gehaat, meer nog door zijn vrienden, ze gaan hem uit de weg; als hij een beroep op ze doet, is dat tevergeefs. 8 Wie zijn verstand gebruikt, heeft zijn leven lief, wie zich laat leiden door inzicht, is geluk op het spoor. 9 Een valse getuige blijft niet ongestraft, wie leugens verkondigt, gaat te gronde. 10 Weelde past niet bij een dwaas, nog minder past het dat een slaaf heerst over vorsten. 11 Een verstandig mens houdt zijn woede in toom, het siert hem als hij fouten door de vingers ziet. 12 Als het brullen van een leeuw, zo is de woede van een koning, als dauw op het gras, zo is zijn goedgunstigheid. 13 Een dwaze zoon is voor zijn vader een ramp, het geruzie van een vrouw is als een dak dat altijd lekt. 14 Huis en have erf je van je voorouders, maar een vrouw met inzicht krijg je van de HEER. (NBV21)

Het gedeelte dat we vandaag lezen uit het boek Spreuken gaat over de arme. Op het eerste gezicht is het weer zo’n losse verzameling spreekwoorden maar als je je realiseert dat armen bevrijd willen worden van hun armoede dat zijn de verschillende spreuken niet zo vreemd. Ze waarschuwen de armen om niet met list en bedrog te proberen zich te bevrijden van de armoede. Ze roepen de rijken op de armen niet langer te isoleren maar hen te bevrijden van de armoede. Dat kan ook voor de rijken voordelig zijn, iedereen is immers een vriend van een vrijgevig persoon. En ook rijken kunnen arm worden is een waarschuwing die je herhaaldelijk in de Bijbel tegenkomt.

In de Bijbel komt het begrip arme meestal als een positief begrip voor. Mensen zijn niet zelf schuldig aan hun armoede. Luiheid, bandeloosheid, verkwisting zijn gedragingen die voor de rijken leiden tot armoede en daardoor een straf zijn voor de rijken, dwaas gedrag noemt de Spreuken dat. Maar armen zelf zijn je broeders en zusters die je tot hulp moet komen. Nog sterker, armen hebben dezelfde rechten als rijken en zullen tot hun recht moeten komen. Ze hebben talenten, eigenschappen die een verrijking zijn voor de samenleving, verrijking dus ook voor de rijken, en alleen daarom al zouden ze bevrijd moeten worden van hun armoede. Dat delen je rijker maakt is juist in onze dagen zeer sterk te merken.

In onze dagen wordt soms gepleit voor de verlaging van ontwikkelingssamenwerking. De steun aan de armsten in de wereld heeft de afgelopen zestig jaar niet echt geholpen klinkt het dan. Nu het bedrijfsleven inspringt groeien economieën pas en komen er dus nieuwe welvarende landen. Dat het bedrijfsleven vraagt om een gezonde, gevoede, opgeleide bevolking wordt dan vergeten. Juist gezondheidszorg, landbouw en voeding, scholing waren de kernpunten van ontwikkelingssamenwerking. Daarnaast is ook vaak gezorgd voor een moderne infrastructuur, voor wegen, voor banken, voor havens, voor een stabiel bestuur. Dat is kennelijk zo goed gelukt dat nu het bedrijfsleven kansen ziet om nieuwe markten aan te boren en geld te verdienen. Armen zijn er echter nog steeds, want delen staat nog altijd niet voorop. Daar moeten we dus nog aan werken, elke dag opnieuw, ook vandaag weer.

Kom, volg Mij

Matteüs 4:18–25

18 Toen Hij langs het meer liep, zag Hij twee broers, Simon, die Petrus genoemd wordt, en zijn broer Andreas. Ze wierpen hun net uit in het meer, het waren vissers. 19 Hij zei tegen hen: ‘Kom, volg Mij, Ik zal van jullie vissers van mensen maken.’ 20 Ze lieten meteen hun netten achter en volgden Hem. 21 Even verderop zag Hij twee andere broers, Jakobus, de zoon van Zebedeüs, en zijn broer Johannes. Ze waren met hun vader in hun boot bezig met het herstellen van de netten. Hij riep hen 22 en meteen lieten ze de boot en hun vader Zebedeüs achter en volgden Hem. 23 Hij trok rond in heel Galilea; Hij gaf de mensen onderricht in hun synagogen, verkondigde het goede nieuws over het koninkrijk en genas iedere ziekte en elke kwaal onder het volk. 24 Het nieuws over Hem verspreidde zich in heel Syrië. Allen die ergens aan leden en gekweld werden door een ziekte of door pijn, en ook bezetenen en maanzieken en verlamden, werden bij Hem gebracht en Hij genas hen. 25 En grote groepen mensen volgden Hem, uit Galilea en de Dekapolis, uit Jeruzalem en Judea en uit het gebied aan de overkant van de Jordaan. (NBV21)

Vandaag eens een lekker herkenbaar en eenvoudig lijkend Bijbelverhaal. Toen Jezus langs het water liep en Simon en Andreas liep, de eerste regel van een lied voor kinderen. Maar is het zo eenvoudig als het lijkt? Het wordt eenvoudig omdat wij de Bijbeltekst in stukjes knippen. Het verhaal dat hiervoor staat is het verhaal over het begin van het optreden van Jezus. Hij blijkt een vluchteling te zijn. Na zijn doop door Johannes de doper had gij 40 dagen in de woestijn doorgebracht. Toen hij uit de woestijn terug kwam hoorde hij van de gevangenschap van Johannes de Doper. Hij week uit naar Galilea en vestigde zich in Nazareth. Een vluchteling dus.

En daarom is het verhaal van Matteüs vreemd. Een vluchteling die in een klein onbetekenend dorp als Nazareth was opgegroeid, omdat zijn vader en moeder bang waren voor een confrontatie met de Koning. Een vluchteling die naar Galilea was gevlucht omdat ook hij meende een risico op vervolging te lopen. Een onbekende want zijn optreden moest nog beginnen. Die onbekende vluchteling liep op een dag langs het meer, de belangrijkste bron van inkomsten en riep een aantal vissers om Hem te volgen. Daar moet iets bijzonders aan de hand zijn geweest. Ze lieten hun werk vallen en volgden die onbekende vluchteling staat er. En toen hij hen tot volgen had bewogen ging hij optreden.

Wij lezen dat verhaal ook graag omgekeerd. Een prediker die het Koninkrijk van God verkondigd alle zieken geneest en door heel het volk wordt gevolgd wil je ook wel volgen. Maar een onbekende vluchteling, op de vlucht voor de heersende macht? Het gezag dat Jezus uitstraalt moet voldoende geweest zijn menen de geleerden. De band met Johannes die hem tot vluchten beweegt zou ook een rol gespeeld kunnen hebben. Heel het volk had zich laten dopen en hier was het begin van de voortzetting van die beweging. Misschien staat het er zo eenvoudig omdat het een geboorteverhaal is. De geboorte van de gemeente, de Messiaanse gemeente die niet voor zichzelf werkt maar voor de zwaksten. En vreemdelingen weren? Wellicht sturen we Jezus wel terug de Middellandse zee op, je weet maar nooit.

In de schaduw van de dood

Matteüs 4:12-17

12 Toen Jezus hoorde dat Johannes gevangengenomen was, week Hij uit naar Galilea. 13 Hij keerde niet terug naar Nazaret, maar ging in Kafarnaüm wonen, aan het meer, in het gebied van Zebulon en Naftali. 14 Zo moest in vervulling gaan wat gezegd is door de profeet Jesaja: 15 ‘Land van Zebulon en Naftali, gebied aan het meer en aan de overkant van de Jordaan, Galilea van de heidenen, luister: 16 Het volk dat in duisternis leefde, zag een schitterend licht, en zij die woonden in de schaduw van de dood werden door het licht beschenen.’ 17 Vanaf dat moment begon Jezus zijn verkondiging. ‘Kom tot inkeer,’ zei Hij, ‘want het koninkrijk van de hemel is nabij!’(NBV21)

Je moet maar durven. Een gedachte die regelmatig opkomt als je de verhalen over Jezus van Nazareth leest. We hebben het verhaal van Johannes gelezen die aan de Jordaan bij de woestijn mensen opriep weer volgens de richtlijnen van de God van Israël te gaan leven en, als teken dat ze hun leven wilden veranderen, hen doopte. Er stond toen in dat verhaal dat van heinde en ver mensen toestroomden om zich door hem te laten dopen. Maar die Johannes werd door Koning Herodes gevangen genomen. Geen wonder dat Jezus van Nazareth onderdook. Hij ging in een streek wonen waar vroeger de stammen Zebulon en Naftali hadden gewoond. Dat waren twee van de tien stammen die in de tijd van de ballingschap verloren waren gegaan. Al in de tijd van de profeet Jesaja heette hun gebied het Galilea van de heidenen, van hen die de goddelijke richtlijnen niet kennen.

Al die duistere en donkere gegevens moeten je niet tot wanhoop drijven schrijft Matteüs dan. Hij roept in herinnering dat de profeet Jesaja ook de mensen uit deze streek had voorgehouden dat in de duisterste duisternis altijd een licht zal opgaan. Een gedachte die we ook vandaag moeten vasthouden. Overal in de wereld zijn nog mensen die in de schaduw van de dood leven. Ook aan die mensen is de boodschap van de Bijbel dat ze door het licht zullen worden beschenen. Aan ons om er aan te gaan werken dat het ook zal gebeuren. Jezus van Nazareth begon juist in die ook voor hem duistere tijden met zijn verkondiging. En je moet maar durven, in een tijd dat alles uitzichtloos lijkt, de mensen voor te houden dat het beste Koninkrijk dat denkbaar is nabij is. De hemel op aarde, het koninkrijk van de hemel, ligt om de hoek voor het grijpen. In het vervolg op wat Johannes al geroepen had klinkt ook hier de roep tot inkeer. We zullen het echt anders moeten doen.

In een oorlog vallen er slachtoffers en misschien moeten we zelfs blij zijn dat de oorlog nog niet zo onpersoonlijk is geworden dat de soldaten buiten schot blijven. Nederlandse soldaten kwamen om samen met Afghaanse soldaten, vrouwen, kinderen, ouderen en jongeren en ook samen met Talibanstrijders. Gewonden blijven achter. Onze gewonden worden gerevalideerd en krijgen nieuwe kansen, maar is er een noodzaak ook Oekraïne te helpen? Er zijn in Nederlandse ziekenhuizen of revalidatiecentra nog geen Oekraïners gerevalideerd. Nederlandse militaire artsen deden voor de burgerbevolking wat ze konden. We zeggen wel dat we volken willen helpen maar kennelijk blijven we onszelf belangrijker vinden dan onze broeders en zusters in landen waar de bevolking op de vlucht is voor oorlog en geweld. Zelfs hun kinderen laten we letterlijk in de kou staan. Pas als we tot inkeer zijn gekomen en iedereen mee willen laten delen in dat Koninkrijk dat nabij is zal dat Koninkrijk ook komen.

Mijn mond zal U loven

Psalm 63

1 Een psalm van David, toen hij in de woestijn van Juda was. 2 God, U bent mijn God, U zoek ik, naar U smacht mijn ziel, naar U hunkert mijn lichaam in een dor en dorstig land, zonder water. 3 In het heiligdom heb ik U gezien, uw macht en majesteit aanschouwd. 4 Uw liefde is meer dan het leven, mijn lippen zingen uw lof. 5 U wil ik prijzen, mijn leven lang, roepend uw naam, de handen geheven. 6 Dan wordt mijn ziel verzadigd met uw overvloed, jubel ligt op mijn lippen, mijn mond zal U loven. 7 Liggend op mijn bed denk ik aan U, wakend in de nacht prevel ik uw naam. 8 U bent altijd mijn hulp geweest, ik juich in de schaduw van uw vleugels. 9 Ik ben aan U gehecht, met heel mijn ziel, uw rechterhand houdt mij vast. 10 Laat verzinken in de diepten der aarde wie mij naar het leven staan, 11 laat hen ten prooi vallen aan jakhalzen, lever hen uit aan het zwaard. 12 Maar de koning zal zich verheugen in God, wie Hem trouw zweert, prijst zich gelukkig – leugenaars wordt de mond gesnoerd. (NBV21)

Vandaag zingen we weer een liedje mee uit het boek van de Psalmen. Een liedje van verlangen is het wel genoemd. Veel Psalmen zijn aan Koning David toegeschreven, van hem werd immers gezegd dat hij zo op de harp kon spelen dat zelfs de kwaadste koning in een milde bui kwam. Dit zou dan een van de vroege liederen van David geweest moeten zijn. Uit de tijd dat hij nog geen koning was maar een soort roverhoofdman die, vervolgd door zijn koning, met een klein legertje in de woestijn verbleef en van daaruit invallen pleegde bij de buurvolken van Israël. Hij hield zich daarmee in leven en beteugelde de roofzucht van de buurvolken die de nare gewoonte hadden in de oogsttijd de oogst van de boeren van Israël te komen inpikken. Koning David is in de loop van de geschiedenis van Israël het symbool geworden van hoe God zou willen dat een Koning regeert. Centraal daarbij staat de Tempel in Jeruzalem, waar David overigens nog geen weet van heeft gehad.

Voor David was er nog de Tabernakel, de tent die het volk door de woestijn had gesjouwd en waarin de Goddelijke richtlijnen werden bewaard. De richtlijnen die het volk in de Woestijn had gekregen en waardoor ze zouden kunnen overleven en uiteindelijk een land zouden kunnen bereiken dat overvloeit van melk en honing. Die Tabernakel was ook de tent der ontmoeting. Daar kreeg het volk contact met wat hun God van hen wilde. Daar moesten ze oefenen in het delen van wat ze hebben met de armen en met de vreemdelingen. Offeren moesten ze om het delen te oefenen, maaltijden moesten ze houden met de tempeldienaren, de armen, hun familie en de vreemdelingen die hen bij het werk hielpen. Een volk dat zo leeft is een machtig volk, dat bezingt David in deze Psalm. Voor een dergelijk leven kun je je God een leven lang prijzen, want een leven op die manier gaat het gewone leven ver te boven, je deelt je leven immers met velen en vele delen hun leven met jou.

Maar waarom spreekt men dan bij deze Psalm over een liedje van verlangen? In het tweede deel van de Psalm gaat het over de vijanden van David. Die vijanden zijn er in overvloed. Leugenaars die vertellen dat David de Koning van zijn troon wil stoten om zelf de macht te grijpen. Buurvolken die ondanks de verdediging toch blijven proberen de boeren van Israël van hun oogst te blijven beroven. David vraagt zijn God om verlost te worden van deze vijanden, maar voorlopig zit hij nog gewoon in de woestijn. Er wordt wel eens beweerd dat als je nu maar in God gaat geloven, of in Jezus Christus, al je problemen als sneeuw voor de zon zullen verdwijnen. Deze Psalm weerspreekt dat. God trekt met je mee en de God van Israël heeft weet van het lijden van de mensen. De God van Israël roept voortdurend op om elkaar te helpen en daarmee te verlossen van het lijden of het lijden te verzachten. Door zo te leven wordt het lijden ook van jezelf verzacht. Maar de God van Israël is geen tovergod die het duister van elk mens apart in licht doet verkeren. Bij de God van Israël zijn juist in het duister de lichtpuntjes beter zichtbaar, dat is ook wat David op de been houdt, dat maakt dat wij vandaag dat liedje van verlangen mee mogen zingen. Dat verlangen brengt licht voor de hele wereld. Want ook wij verlangen naar een wereld waar iedereen zorg heeft voor de naaste.

Een zieke geest

Spreuken 18:13-24

13 Wie antwoordt zonder eerst te luisteren handelt dwaas en maakt zichzelf belachelijk. 14 Door geestkracht overwint een mens zijn ziekte, maar wie geneest een zieke geest? 15 Een verstandig mens verwerft kennis, een wijze is gespitst op inzicht. 16 Wie geschenken uitdeelt, opent deuren voor zichzelf, hij verschaft zich toegang tot de machtigen. 17 Wie als eerste pleit, lijkt zijn recht te krijgen, maar dan komt zijn tegenstander, en die vecht het aan. 18 Het lot kan een geschil beslechten, het bemiddelt zelfs tussen de grootste heethoofden. 19 Een verongelijkte broer is ontoegankelijker dan een vesting, ruzie is als de vergrendelde poort van een burcht. 20 Wie iets goeds zegt, heeft een gevoel van welbehagen, hij voedt zich met de vruchten van zijn mond. 21 Woorden hebben macht over leven en dood, wie zijn tong koestert, plukt daarvan de vruchten. 22 Wie een vrouw gevonden heeft, heeft geluk gevonden, hij ontvangt de gunst van de HEER. 23 Een arme bidt en smeekt, een rijkaard antwoordt hem hardvochtig. 24 Wie veel vrienden heeft, raakt snel geruïneerd, een echte vriend is meer waard dan een broer. (NBV21)

In het Nieuwe Testament lezen we dat Jezus van Nazareth boze geesten uitdreef. Hij gaf zelfs zijn leerlingen de macht boze geesten uit te drijven. In onze dagen hebben we niet zoveel meer met boze geesten. We spreken over psychiatrische aandoeningen die dan in meer of minder ernstige mate kunnen voorkomen. Veel van die aandoeningen zijn terug te herleiden op angst. Soms als angst die ooit begrijpelijk of zelfs nuttig was maar waarvan de reactie op die angst als symptoom van een afwijking blijft bestaan, soms als een blijvende angst voor het leven of voor wat dan ook. In de hele Bijbel wordt angst voortdurend bestreden, het “vreest niet” klinkt in allerlei variaties. Wie de “genezingen” van Jezus van Nazareth en zijn apostelen nog eens naleest ziet dat mensen ineens weer mee kunnen doen in hun samenleving. In een maatschappij die onderdrukt wordt door een wrede bezetter moet je wel heel vrij van angst zijn en een heel gezonde geest hebben wil je gewoon weer mee kunnen gaan doen.

Het boek Spreuken wijst eigenlijk ook op de aanwezigheid van de “zieke geest” die mensen tegenhoudt zich als wijze te gedragen. De angst voor verlies van bezit, van toekomst, van een gewaarde plaats in de samenleving drijft mensen tot een handelen dat ze eigenlijk verwerpen. De angst voor vreemdelingen of het vreemde kan dat nog versterken. Zogenaamd slimme politici spelen in op die angst en proberen daar hun voordeel mee te doen, wijze politici bestrijden die angst ook al lopen ze het risico daar zelf verlies door te lijden. De roep om openheid naar de wereld, zonder angst te durven rondkijken, geschenken uitdelend aan wie ze nodig heeft, klinkt door het hele boek Spreuken in een bijzondere vorm. Veel van de verhalen uit de Bijbel gaan over die onbaatzuchtige gastvrijheid maar hier staat het nog eens zo dat het algemeen toepasbaar wordt.

Dat uitdelen van geschenken moet je overigens niet gebruiken om vrienden mee te krijgen. Wie veel vrienden heeft raakt snel geruïneerd, het boek Spreuken is ook niet zonder humor. Het relativeert ook. Zo zijn gelijk hebben en gelijk krijgen twee verschillende dingen. Soms heeft het weinig zin je energie te verspillen aan het krijgen van gelijk. Volgens Spreuken kun je dan net zo goed het lot werpen, kruis of munt zeggen wij dan, dat lost ook de meest ernstige conflicten op. Je kunt beter letten op je woorden en het goede blijven zeggen en het goede blijven doen. Van de rijken hoef je het niet verwachten, maar de zorg voor de minsten, voor de zwakken levert je ook volgens het boek Spreuken uiteindelijk de rijkdom en de vrede op waar elk mens eigenlijk op uit is. Gelukkig maar dat wij dat elke dag opnieuw mogen proberen, ook vandaag weer.

 

Een sterke toren

Spreuken 18:1-12

1 Een zelfzuchtig mens volgt alleen zijn eigen wil, hij kant zich tegen alle goede raad. 2 Een dwaas hecht geen belang aan inzicht, hij wil alleen zijn eigen mening kwijt. 3 Goddeloosheid brengt verachting met zich mee, een schanddaad gaat gepaard met smaad. 4 De woorden van een goed mens zijn als diepe wateren, ze zijn een sprankelende beek, een bron van wijsheid. 5 Het is niet goed een schuldige te bevoordelen en een onschuldige zijn recht te onthouden. 6 De woorden van een dwaas zaaien tweedracht, wat hij zegt, leidt tot een vechtpartij. 7 Met zijn woorden stort een dwaas zichzelf in het verderf, hij zet een valstrik voor zichzelf met wat hij zegt. 8 De woorden van een lasteraar zijn als lekkernijen die makkelijk in de maag verdwijnen. 9 Lui zijn in je werk is niet anders dan hard werken aan je ondergang. 10 De naam van de HEER is een sterke toren, de rechtvaardige snelt erheen, en is veilig. 11 Een rijkaard denkt dat zijn bezit een vesting is, achter een muur waant hij zich veilig. 12 Wie zichzelf in de hoogte steekt, komt ten val, bescheidenheid gaat aan eerbetoon vooraf. (NBV21)

De verzen uit gedeelte dat we vandaag in het Spreukenboek lezen hebben meer onderling verband dan je op het eerste gezicht zou zeggen. In de eerste drie verzen komen achtereenvolgens de zonderlinge, de dwaze en de slechte mens voor. Om dan te wijzen op het gesproken woord, van een goed mens, van een rechter, van een dwaas en van een lasteraar. Wat goed klinkt hoeft dus niet altijd goed te zijn. Als je een onderling verband legt tussen de verzen dan zie je dat het doel dat mensen drijft verschillend kan zijn maar dat een eigen agenda kan betekenen dat wat op het eerste gezicht rechtvaardig en logisch klinkt bij nadere beschouwing, vooral als blijkt waar men op uit is, wel eens slecht en onrechtvaardig kan zijn. De laatste vier verzen uit het gedeelte van vandaag zijn een omarming. Eerst wie lui is en tot slot wie zichzelf in de hoogte steekt. Ondergang en val verbinden beiden.

Daar tussenin de vaste burcht van de gelovige en de schijnzekerheid van de rijke. In de Nieuwe Bijbelvertaling staat natuurlijk de sterke toren maar die moet je denken in de zin van het lied van Luther: “Een vaste burgt is onze God, een toevlucht voor de zijnen”. Die God trekt met ons mee, die God laat het licht schijnen over de zwakken, de minsten op aarde. Die God zorgt dat mensen die langs de kant van de weg zijn komen te liggen weer mee kunnen gaan doen en tot hun recht komen. Als er tenminste gelovigen zijn die de stem van die God willen horen en die God willen volgen op zijn Weg naar een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Uit de manier waarop die God een sterke toren wil zijn blijkt ook de schijnveiligheid van de rijke. Naastenliefde is niet te koop. Een muur bouwen van je rijkdom brengt je niet verder in het leven, je wordt een slaaf van je rijkdom.

Er zijn in ons land gelukkig tallozen die zich bezig houden met de zorg voor de zwakken. Denk maar aan de vrijwilligers in ziekenhuizen en verzorgingscentra, de mensen in de voedselbanken en Fair Trade winkels. De schrijvers voor Amnesty, de geldinzamelaars voor talloze projecten in ontwikkelingslanden en al die anderen die op de een of andere manier in eigen dorp, straat of stad zich inzetten voor een betere leefomgeving, aan het kader in vakbonden dat strijd voor rechtvaardige verhoudingen in het werk. Er zijn er bijna te veel om op te noemen. Toch hoor je ze maar zelden, ze vragen bijna nooit om maatschappelijke erkenning, om voorrang in het maatschappelijk verkeer. Ze zijn bescheiden en als ze geëerd worden vanwege de vele jaren dat ze hun vaak moeilijke en ondankbare werk hebben volgehouden hoor je ze zeggen dat ze het deden omdat ze het zo fijn vonden. Ook die mensen staan in de Bijbel, ze staan in verband met eerbetoon, daar horen ze, maar dat zoeken ze niet. We mogen dankbaar zijn dat we ons er elke dag bij aan mogen sluiten, ook vandaag weer.

 

Een vrolijk hart

Spreuken 17:15-28

15 Wie een schuldige vrijspreekt en wie een onschuldige veroordeelt, beiden zijn de HEER een gruwel. 16 Welk nut heeft geld in de hand van een dwaas? Dom als hij is, kan hij toch geen wijsheid kopen. 17 Een vriend is je altijd toegedaan, je broer is geboren om te helpen in tijden van nood. 18 Wie al te makkelijk een handslag geeft, wie zomaar borg staat voor een ander, ontbreekt het aan verstand. 19 Wie van ruzie houdt, doet een ander graag geweld aan, wie een grote mond opzet, zoekt zijn eigen ondergang. 20 Wie onbetrouwbaar is, vindt geen geluk, wie een valse tong heeft, stort zichzelf in het verderf. 21 Wie een dwaas heeft verwekt, wordt gekweld door verdriet, er is geen vreugde voor de vader van een zot. 22 Een vrolijk hart bevordert een goede gezondheid, een sombere geest verzwakt het lichaam. 23 Een wetteloze haalt een buidel geld tevoorschijn, hij koopt om en kromt de paden van het recht. 24 Een verstandig mens heeft wijsheid op het oog, een dwaas staart weg in wazige verten. 25 Een dwaze zoon is een groot verdriet voor zijn vader en bitterheid voor haar die hem heeft gebaard. 26 Een onschuldige een boete opleggen is verwerpelijk, een edel mens zweepslagen geven is in strijd met het recht. 27 Wie rijk is aan kennis is karig met woorden, iemand met inzicht is bezonnen. 28 Een zwijgende dwaas houdt men voor wijs, zolang hij zijn mond houdt, lijkt hij verstandig. (NBV21)

De verzameling vermaningen uit het Spreukenboek laat zich gemakkelijk oppervlakkig lezen. Het is als het spreekwoordenboek maar dan zonder de uitleg er bij. Dat komt eigenlijk omdat het boek Spreuken zelf al uitleg is. Het is de uitleg van de filosofie van de God van Israël. Hoe zit het eigenlijk in het gewone leven van alledag en waar zou je op moeten letten zijn de vragen die hier aan de orde zijn. Wij lezen de Bijbel nog wel eens als een boek met regels van wat mag en wat niet mag. Maar dat is een heel verkeerde manier van lezen. Volgens Paulus bijvoorbeeld gaat het in de Bijbel om het bereiken van vrijheid, zorgen dat je nergens van afhankelijk bent. Denk dan maar eens aan de rol van het geld in ons dagelijks leven. Daar zijn we van afhankelijk voor eten en drinken, maar dat verdienen we door te werken. Maar als we ook voor ons recht, voor ons geluk, voor onze liefde afhankelijk worden van geld dan gaat het met ons leven toch de verkeerde kant op. En dat is nu net de boodschap die je vandaag in het Spreukenboek kan lezen.

Het eerste vers van vandaag gaat overigens over de rechtspraak. Recht en gerechtigheid zijn sleutelbegrippen in de hele Bijbel, je komt ze voortdurend tegen. De rechtvaardige is iemand die de ander recht doet, tot zijn of haar recht laat komen. De goddeloze brengt de ander schade toe en staat alleen op zijn eigen recht. Een rechtvaardige rechter komt op voor de zwakken en laat ook hen tot hun recht komen. In ons rechtssysteem ontbreekt dat nog wel eens, al te gemakkelijk wordt soms van mensen verwacht dat ze zichzelf kunnen verdedigen en in het kinderrecht wordt bijna blindelings uitgegaan van de roddel en achterklap die rapporteurs van kinderbescherming en jeugdzorg de rechters voorleggen. Maar wijsheid is niet te koop, wijsheid en inzicht zijn ook niet voor te schrijven. Je kunt de wijsheid van de God van Israël alleen voorhouden en voorleven.

Voor dat voorhouden reikt Spreuken nu deze soms oppervlakkig lijkende verzen aan. In moeilijke situaties is het soms raadzaam je even terug te trekken en in het boek Spreuken op zoek te gaan naar het bij de situatie passende vers. Door dat voor te houden kan iemand aan het denken worden gezet, kan iemand zich nog eens bezinnen op waar die eigenlijk mee bezig is en ander gedrag gaan vertonen. Dwingen heeft geen zin, ruzie maken is een ander geweld aan doen. Overtuigen en voorleven zijn de twee middelen die het spreukenboek aanbeveelt. En voor ouders en kinderen opvoeden. Want een dwaas verwek je door je kind verkeerd op te voeden. Ook daar is het voorleven een belangrijk element. Maken we het leven nu niet somber en zwaar? Welnee, volgens de Spreuken bevordert een vrolijk hart een goede gezondheid. Juist het vermogen begrip voor een ander op te brengen, iemand tot zijn of haar recht laten komen, een hand uitsteken om iemand die gevallen is weer op te laten staan verlichten het alledaagse bestaan en laten het weer even stralen. Wij mogen daar elke dag weer opnieuw mee beginnen, ook vandaag weer.

Verheven woorden

Spreuken 17:1-14

1 Beter een stuk droog brood en vrede dan vlees in overvloed en ruzie. 2 Een verstandige slaaf staat boven een onwaardige zoon, hij zal met de broers in de erfenis delen. 3 De smeltkroes toetst het zilver, de oven toetst het goud,
de HEER toetst het mensenhart. 4 Een slecht mens is gespitst op kwaadsprekerij, een bedrieger luistert graag naar laster. 5 Wie een verschoppeling bespot, beledigt zijn schepper, wie zich over iemands ongeluk verheugt, blijft niet ongestraft. 6 Kleinkinderen zijn voor grootouders de kroon op hun leven, kinderen zijn trots op hun voorouders. 7 Verheven woorden passen niet bij een onverlaat, leugens des te minder bij een edel mens. 8 Wie steekpenningen betaalt, denkt edelstenen weg te geven, zo hoopt hij overal succes te hebben. 9 Wie fouten toedekt, streeft vriendschap na, wie ze telkens oprakelt, verliest zijn vrienden. 10 Een verstandig mens wordt meer geraakt door een verwijt dan een dwaas door honderd slagen. 11 Een kwaadaardig mens is alleen op ruzie uit, er wordt een onheilsbode op hem afgestuurd. 12 Beter dat je een berin ontmoet die beroofd is van haar jongen dan een dwaas met al zijn dwaasheid. 13 Als je telkens goed met kwaad vergeldt, verdwijnt het kwaad nooit uit je huis. 14 Wie een ruzie begint, ontketent een stortvloed; staak de strijd voordat hij losbarst. (NBV21)

Vandaag weer zo’n schijnbaar losse verzameling vermaningen uit het Spreukenboek. Wij zijn dat niet meer zo gewoon. Wij kennen conventies, fatsoensregels, die kun je houden of overtreden maar ze schaden verder niemand. De staat kent daarbij ook nog wetten waar iedereen zich aan moet houden. En dan zijn er ook nog wetten die ook in het wetboek van de staat staan maar die iedereen bijna als van nature kent, zoals je mag niet doden en je mag niet stelen. De staat mag soms wel doden, al hebben we dat ook liever niet. Het volk Israël kende toch ook van die wetten? Wat moeten we dan met de vermaningen van het boek Spreuken? Het volk Israël kende zeker wetten maar dat zijn niet de wetten zoals onze Staat die kent. Het zijn meer de wetten die we van nature kennen en die worden samengevat in “Heb uw naaste lief als uzelf”. De geschiedenis die God met Israël is gegaan, een andere als wij uit geschiedenisboekjes kennen, is er een van staat, naar leerhuis en synagoge, naar gemeente, van een religieuze politiek naar een ethische religie.

En ethiek is de beschrijving van het handelen van elk individu, van het maken van de keuzes ten goede. En daar gaat het in het gedeelte uit het boek Spreuken van vandaag ook over. De eerste vermaningen die echt opvallen zijn de “beter dan” spreuken. Meestal zijn die tegengesteld aan wat we zo in het dagelijks leven gewend zijn. Beter een stuk droog brood dan een huis vol met voedsel klinkt als een dwaze uitspraak, maar beter vrede dan ruzie is al heel wat verstandiger en als je een huis vol voedsel maar met ruzie moet inruilen voor wat minder eten maar vrede dan wordt het al aantrekkelijker. Dat geldt ook voor de andere “beter dan” uitspraken in dit gedeelte. Je moet er even over nadenken en dan valt soms het kwartje en is het zo dwaas nog niet. Het boek Spreuken is niet voor niks wijsheidsliteratuur, wijsheid als begin van de kennis van de God van Israël en begin van hoe om te gaan met heb uw naaste lief als uzelf.

De andere vermaningen die echt opvallen gaan over de tegenstelling verstandig en onverstandig. Nu zul je onverstandig niet zo vaak tegenkomen. Spreuken spreekt dan vaker over onwaardig, schande brengend. En met iemand die je schande brengt deel je niet zo graag. Een slaaf, deel uitmakend van de familie, die verstandig is in de zin van de Bijbel, daar deel je graag mee. Die zoekt zichzelf niet die zoekt het belang van de familie. Het is een slaaf als die van Abraham, die op reis ging om een vrouw voor Izaäk te zoeken en met Rebecca thuis kwam. Zo’n slaaf mag meedelen in de erfenis. Spreuken roept ons ook in dit gedeelte op om het belang van de ander, van de minste allereerst, voorop te stellen. Die wijsheid mogen we ons elke dag weer opnieuw eigen maken, ook vandaag weer.