Altijd de minste willen zijn

1 Petrus 5:1-14

1 Ik doe een beroep op de oudsten onder u. Als uw mede-oudste en als ooggetuige van Christus’ lijden, en omdat ik evenals u zal delen in de luister die binnenkort zal worden geopenbaard, vraag ik u: 2 Hoed de kudde van God waarvoor u de verantwoordelijkheid hebt, houd goed toezicht-niet gedwongen maar vrijwillig, zoals God dat wil, en niet om er zelf beter van te worden maar met belangeloze toewijding. 3 Stel u niet heerszuchtig op tegenover de kudde die aan u is toevertrouwd, maar geef het goede voorbeeld. 4 Dan zult u wanneer de hoogste herder verschijnt deel krijgen aan zijn luister, de lauwerkrans die nooit verwelkt. 5 En u, jongeren, moet van uw kant het gezag van de oudsten erkennen. Overigens, in de omgang met elkaar moet ieder van u altijd de minste willen zijn, want God keert zich tegen hoogmoedigen, maar aan nederigen schenkt Hij zijn genade. 6 Onderwerp u dus nederig aan Gods grote macht, dan zal Hij u op de bestemde tijd verheffen. 7 Leg de last van uw zorgen op Hem, want u ligt Hem na aan het hart. 8 Wees waakzaam, wees op uw hoede, want uw vijand, de duivel, zwerft rond als een brullende leeuw, op zoek naar een prooi. 9 Stel u tegen hem teweer, gesterkt door uw geloof, in het besef dat uw broeders en zusters, waar ook ter wereld, hetzelfde lijden moeten doorstaan. 10 Maar al moet u nog korte tijd lijden, God, de bron van alle genade, die u geroepen heeft om in Christus deel te krijgen aan zijn eeuwige luister, Hij zal u sterk en krachtig maken, zodat u staande zult blijven en niet zult wankelen. 11 Hem komt de macht toe, tot in eeuwigheid. Amen. 12 Met de hulp van Silvanus, die ik als een betrouwbare broeder beschouw, heb ik u deze korte brief geschreven, om u moed in te spreken en om u er nadrukkelijk van te verzekeren dat het werkelijk de genade van God is die u staande houdt. 13 Uw mede-uitverkorenen in Babylon en mijn zoon Marcus groeten u. 14 Groet elkaar met een kus als teken van uw onderlinge liefde. Vrede zij met u allen, die één bent met Christus. (NBV21)

Er zijn toch maar weinig kerkleiders, oudsten zeg maar, die in de loop van de geschiedenis deze passage uit 1 Petrus hebben gelezen. Zelfs de zich opvolger van Petrus noemende Paus kun je er toch niet van verdenken dat hij zich op hetzelfde niveau stelt als de parochiebesturen binnen zijn kerk. In de Protestantse kerken gaat het misschien wat minder hiërarchisch toe maar ook daar dwingt men bij tijd en wijle voorgangers en kerkenraden tot zaken die men niet wil. En toch is de briefschrijver geheel in de lijn met het verhaal van Jezus van Nazareth. Hij citeert zelfs het boek Spreuken als hij spreekt over God die de hoogmoedigen weerstaat maar de nederigen genade geeft. En dat U na aan Zijn hart ligt leest U al in Psalm 55. Zo vreemd is deze omkering van waarden dus niet. In de wereld zijn de machthebbers hoogverheven, in de gemeenschap met Jezus van Nazareth zijn het de dienaren, de minsten, die de macht hebben en de dienst uitmaken. Zo hoort het ook in de kerk te gaan, juist als voorbeeld voor de wereld. Maar we zijn hardleers en zo gaat het dus meestal niet.

Die oudsten die door studie kennis hebben verworven over de Bijbel, die vanuit het hart van het verhaal uitleg kunnen geven en het licht van de Bijbel kunnen laten schijnen over de samenleving zodat we aan de slag kunnen in het Koninkrijk van God, verdienen onze aandacht. Als zij in staat zijn zich als dienaren op te stellen verwerven zij vanzelf gezag. Soms lijken ze roependen in de woestijn. Maar als we zelf van tijd tot tijd terugkeren tot het lezen van de Bijbel dan zullen we merken dat ze het aanhoren meer dan waard zijn, meer als die kerkleiders en oudsten die zich voornaam voordoen, met prachtige gewaden en een grote omhaal van woorden, waar veel aan religie te beleven valt, maar die niets weten te doen voor de armen in de wereld en van rechtvaardigheid geen weet hebben. Ieder van ons kan overigens de oudsten van de eigen gemeente helpen door zelf de minste te willen zijn. In iedere kerk en in iedere gemeente is altijd zoveel werk dat handen meer zeggen dan kritiek. Daarin kan zelfs het geringste kerklid het voorbeeld zijn voor de leiders, ook vandaag. Je moet waakzaam blijven want de lasteraar gaat rond als en brullende leeuw. Vanouds wordt hier “duivel” vertaald.

Maar lasteraar is eigenlijk een betere vertaling en als je niet in de duivel geloofd is die vertaling misschien ook wel gelijk een betere waarschuwing. In de tijd dat deze brief werd geschreven gingen er vele vooroordelen over de Christenen rond. Ze zouden een ezel aanbidden, ze zouden kinderen offeren, ze zouden mensenvlees eten en noem maar op. De waarschuwing uit deze brief is dus niet een vroom praatje om je niet in te laten met een geestelijke tegenstander van God. Die tegenstanders zijn al lang overwonnen, maar wat mensen in de strijd kunnen brengen tegen het idee dat slaafgemaakten moeten worden vrijgelaten, afgoden afgezworen en rijkdom eerlijk gedeeld is onuitputtelijk. Daarvoor moeten we zelfs tot in onze tijd uitkijken. Het voorbeeld van Jezus van Nazareth, de oproep van Johannes de doper een mantel weg te geven als je er twee hebt aan iemand die er geen heeft, mag niet in het publieke debat terecht komen. Hongeren en dorsten naar gerechtigheid mag achter de eigen voordeur maar moet niet onze samenleving beïnvloeden, dat hoor je van tegenstanders. Elke dag moeten we laten zien dat we nu juist een woord voor de wereld hebben, ook vandaag weer.

Draag uw lot

1 Petrus 4:12-19

12 Geliefde broeders en zusters, wees niet verbaasd over de vuurproef die u ondergaat; er overkomt u niets uitzonderlijks. 13 Hoe meer u deel hebt aan Christus’ lijden, des te meer moet u zich verheugen, en des te uitbundiger zal uw vreugde zijn wanneer zijn luister geopenbaard wordt. 14 Als u gehoond wordt omdat u de naam van Christus draagt, prijs u dan gelukkig, want dat betekent dat de Geest van God in al zijn luister op u rust. 15 Laat niemand van u moeten lijden omdat hij een moordenaar is, een dief, misdadiger of onruststoker. 16 Maar als u lijdt omdat u christen bent, schaam u dan niet en draag uw lot tot Gods eer. 17 Besef goed dat de tijd van het oordeel is aangebroken. Dat oordeel begint bij Gods eigen mensen. Als het bij ons begint, hoe zal het dan aflopen met hen die weigeren het evangelie van God te gehoorzamen? 18 Als de rechtvaardige al ternauwernood gered wordt, hoe zal het dan gaan met de goddeloze en de zondaar? 19 Daarom moeten allen die lijden omdat God dat wil, het goede blijven doen en hun leven in handen leggen van de trouwe schepper. (NBV21)

Dit gedeelte heeft veel verzetsstrijders in de Tweede Wereldoorlog gesteund. Het was niet gemakkelijk in verzet te komen tegen de Duitse bezetter. Uiteindelijk nam ook maar een klein deel van de bevolking daadwerkelijk deel aan het verzet. Verraad lag altijd op de loer. Martelingen, gevangenis, executie wachtten hen die gepakt waren. Maar de christelijke opdracht is altijd en onder alle omstandigheden het goede blijven doen. Onderduikadressen zoeken, bonnen zoeken, mensen beschermen, dat was de kern van het verzet. Dat gold ook voor de mensen van de slaventrail. De organisatie die in de negentiende eeuw slaafgemaakten in Noord Amerika hielp ontsnappen naar Canada. Velen van hen waren Christenen, ze waren vaak niet zwart, maar blank en hielpen vanuit eigen overtuiging. Ook zij liepen vaak gevaar voor hun eigen leven. Dat gold ook voor mensen die de Apartheid bestreden in Zuid-Afrika. De blanken onder hen verloren familie, vrienden en kennissen in de blanke maatschappij alleen omdat zij in anders gekleurde mensen hun broeders en zusters herkenden. Maar ook zij konden niet anders dan het goede te blijven doen en niet dan het goede.

In onze dagen lijkt het veel veiliger om het goede te doen. Maar zij die zich openlijk uitspreken voor samen leven en samen maaltijd houden met de vreemdelingen in ons land kunnen haatmails en geweld verwachten. Niet van een fanatieke religieuze minderheid maar van grote groepen Nederlanders die van delen nooit gehoord schijnen te hebben. De briefschrijver citeert een tekst uit het boek Spreuken, het elfde hoofdstuk vers 31, waar het gaat over de rechtvaardige die met moeite wordt gered en waar de schrijver van het boek zich afvraagt hoe het dan de goddeloze en de zondaar zal vergaan. Die vraag moeten we in onze samenleving dus ook stellen als het gaat om die tallozen die zich afzetten tegen een samenleving waarin mensen van verschillende afkomst en overtuiging vreedzaam naast elkaar kunnen leven. Een samenleving waarin we bereid zijn te delen met de armsten in de wereld omdat die armsten onze broeders en zusters zijn. Die tallozen in ons land zal het Evangelie moeten worden voorgehouden. Niet door enkelingen maar door allen die in God geloven, niet af en toe maar onophoudelijk.

Juist in een land waar zovelen er trots op lijken te zijn dat ze “God in hun hart hebben gesloten, of nog erger “Jezus in hun hart hebben”, wat dat dan ook zou mogen betekenen, mag je toch verwachten dat de roep om liefde tot de naaste onophoudelijk klinkt. Daar mag je van mensen die zich Christelijk noemen verwachten dat ze zich niet op de rijken richten. En niet die rijken middeninkomens toedichten. Zich dus niet verzetten tegen inkomensnivellering maar zich richten op de armen in eigen land en de armsten in de wereld. Je mag van hen verwachten dat ze kinderen die hier zijn geboren als hun eigen kinderen beschouwen en niet langer als vreemdelingen. Als mensen zeggen dat ze hun leven hebben toevertrouwd aan hun Schepper waarom doen dan zo weinig mensen iets voor de vreemdelingen in ons land en tegen de vreemdelingenhaat? Waarom wachten wij met het bekeren van de mensen om ons heen tot de Weg van Jezus van Nazareth? Een vraag om vandaag een antwoord op te vinden, een antwoord dat die mensen van het verzet uit de geschiedenis gevonden hadden in de Bijbel.

 

Wees helder van geest

1 Petrus 4:1-11

1 Nu dan, omdat Christus tijdens zijn leven op aarde heeft geleden, moet u zich wapenen met dezelfde gezindheid als Hij. Immers, wie in zijn aardse leven geleden heeft, heeft afstand genomen van de zonde. 2 Dan laat u zich gedurende de rest van uw leven niet meer leiden door menselijke verlangens maar door Gods wil. 3 U hebt al genoeg tijd verspild aan allerlei zaken waarin de heidenen plezier hebben: losbandigheid, wellust, dronkenschap, bras- en slemppartijen en verwerpelijke afgodendienst. 4 Zij vinden het vreemd dat u niet langer meedoet aan hun liederlijke uitspattingen en ze spreken daarom kwaad over u. 5 Maar ze zullen zich daarvoor moeten verantwoorden tegenover Hem die zich gereedhoudt om recht te spreken over levenden en doden. 6 Ook aan de doden is het evangelie verkondigd, opdat ook zij, al ondergaan ze zoals alle mensen het oordeel over hun aardse bestaan, bij God in de geest kunnen leven. 7 Het einde van alles is nabij. Kom daarom tot bezinning en wees helder van geest, zodat u kunt bidden. 8 Heb elkaar vóór alles innig lief, want liefde bedekt tal van zonden. 9 Wees gastvrij voor elkaar, zonder te klagen. 10 Laat ieder van u de gave die hij van God gekregen heeft, gebruiken om de anderen te helpen, zoals het goede beheerders van Gods veelsoortige gaven betaamt. 11 Voert u het woord, laten het dan Gods woorden zijn die u spreekt. Helpt u anderen, doe dat dan vanuit de kracht die God u geeft. Want zo doet u alles tot eer van God, dankzij Jezus Christus, aan wie alle eer en macht toekomt, tot in alle eeuwigheid. Amen. (NBV21)

Je ziet de dominee op zondag toch echt niet op het Kerkhof de preek houden. Zo’n dominee zou door de kerkenraad snel naar een psychiater worden verwezen. Een beroep op 1 Petrus 4 vers 6 zal die dominee niet helpen. De schrijver van deze brief moet dus iets anders bedoelen dan dat er ook op het kerkhof moet worden gepreekt op zondag. Het moderne begrip van comazuipen maakt ons misschien duidelijk waar het hier om gaat. De Statenvertaling en de Naardense Bijbel hebben het tenminste ook over wijnzuiperijen waar de Nieuwe Bijbelvertaling het heeft over bras- en slemppartijen. Wie zich daaraan overgeeft is zichzelf niet. En als je er zelfs van in coma raakt dan lijk je dood. Ja als je stomdronken bent dan ben je eigenlijk al dood. Gelovigen weten best van drinken en feestvieren. Maar gelovigen hebben zoveel ontzag voor mensen dat ze dat zonder alcohol ook heel goed kunnen en zich er voor hoeden om hun eigen persoonlijkheid te verliezen. Voortdurend zijn ze immers gericht op het welzijn van anderen. Anderen zijn nooit voorwerpen waarmee je je eigen lust kunt bevredigen. En meedoen met feesten omdat het zo hoort, omdat je er een idool mee eert, een moderne afgod mee aanbidt is er al helemaal niet bij.

Christenen worden daarom nogal eens uitgemaakt voor saaie pieten. Dat hebben ze ook wel een beetje aan zichzelf te danken. Ze doen vaak net of ze niet mee mogen doen. Maar Paulus had al geschreven dat alles geoorloofd is. Het gaat er dan ook niet om dat ze niet mogen, maar dat ze niet willen. Zo gaan we immers niet met elkaar en met anderen om. Daar is niks saais aan, want samen genieten is ook voor christenen het hoogste goed. Wijn behoort zelfs bij de maaltijd die het hoogste is wat de christelijke gemeenschap kan bereiken, de maaltijd waarbij je alles deelt, tot jezelf toe. De wijn staat dan voor het levensvocht, voor het bloed dat bij alle levenden door de aderen stroomt. Van dat leven blijf je af zegt de Bijbel. Wijn kan je dus aansterken, bemoedigen, verwarmen, weer leven geven, maar wijn zal je nooit mogen bedwelmen, van het bewuste leven mogen beroven. Daarom kan de schrijver van de Petrusbrief zeggen dat ook aan doden de boodschap van bevrijding is verkondigd. Het succes van de verspreiding van het geloof in Jezus van Nazareth heeft in de eerste eeuwen van onze jaartelling de mensen doen geloven dat het einde van de wereld nabij was. Als iedereen zou geloven dan zou het einde immers echt komen? Dat laatste blijft waar maar we zijn inmiddels tot de ontdekking gekomen dat het einde van de wereld nog ver weg is want het zal nog wel even duren voordat iedereen echt gaat geloven.

Voor ieder van ons als mens blijft het toch zaak om te doen alsof het einde nabij is. We leven immers maar kort en hebben dus relatief weinig tijd om mensen te winnen voor het Koninkrijk van God. Daarom blijft het verhaal van de Bijbel belangrijk ook al moeten we de vermaningen voor het einde der tijden niet al te letterlijk nemen voor onze tijd. Zo’n oproep om gastvrij voor elkaar te zijn bijvoorbeeld mag ons best weer eens aan het denken zetten. Elk zomer zwermen veel Nederlanders uit over de wereld en elke herfst komen ze terug met verhalen over de enorme gastvrijheid die er in andere landen heerst. Zelfs binnen ons land zijn er verhalen over de grote verschillen in gastvrijheid tussen de verschillende provincies. Nu zal het gericht zijn op de verdienste uit toerisme wel mee een bron zijn van gastvrijheid maar toch is de een gemakkelijker in het ontvangen van vreemdelingen dan de ander. En juist in het ontvangen van vreemdelingen kan de gelovige zich onderscheiden van de ongelovige. Het ontvangen van de rijke vreemdeling uit een aan ons verwante cultuur is niet moeilijk, zeker niet als die vreemdeling een taal spreekt die we tenminste nog een klein beetje kunnen verstaan. Maar de arme vreemdeling, uit een ander continent, met niet alleen een onverstaanbare taal maar ook een onbegrijpelijk geloof en een totaal onbekende cultuur en leefwijze. Die gastvrij weten te ontvangen, die recht weten te doen in je eigen samenleving, dat is pas getuigen van een geloof in het verhaal van Jezus. Zeker als je kinderen in het nauw gaat opvangen in een Kerk, daar kunnen we overigens al anderhalf jaar dagelijks aan meedoen.

Smaad en verdrukking

Hebreeën 10:26-39

26 Wanneer we willens en wetens blijven zondigen nadat we de waarheid hebben leren kennen, is er geen enkel offer voor de zonden meer mogelijk, 27 en kunnen we niet anders dan huiverend wachten op het oordeel en op het vuur dat de tegenstanders gretig zal verslinden. 28 Voor wie de wet van Mozes naast zich neerlegt is er geen pardon; wanneer er ten minste twee getuigen een verklaring tegen hem afleggen, moet hij sterven. 29 Hoeveel zwaarder zal dan de straf niet zijn, denkt u, voor wie de Zoon van God vertrapt, het bloed van het verbond ontheiligt-terwijl hij erdoor geheiligd is-en de Geest van de genade veracht? 30 We kennen immers degene die gezegd heeft: ‘Het is aan Mij om wraak te nemen, Ik zal vergelden,’ en ook: ‘De Heer zal oordelen over zijn volk.’ 31 Huiveringwekkend is het te vallen in de handen van de levende God! 32 Herinner u de dagen van weleer, toen u, door het licht beschenen, in een moeizame worsteling met het lijden hebt standgehouden: 33 enerzijds kreeg u publiekelijk smaad en verdrukking te verduren, anderzijds was u solidair met hen die hetzelfde moesten doormaken. 34 U hebt meegeleefd met de gevangenen onder u, en toen u van uw bezittingen beroofd werd, hebt u dat in vreugde aanvaard, in de wetenschap dat u iets beters bezit, een blijvend bezit voor uzelf. 35 Geef die onbeschroomdheid dus niet op, u zult er rijk voor worden beloond. 36 Blijf juist volharden, want als u de wil van God doet, zult u ontvangen wat u beloofd is. 37 Immers: ‘Nog een heel korte tijd, dan komt Hij die komen zal, Hij blijft niet lang meer weg, 38 en dan zullen mijn rechtvaardigen leven door hun geloof,’ maar ook: ‘Wie terugdeinst ben Ik niet langer welgezind.’ 39 Wij echter behoren niet tot degenen die terugdeinzen en ten onder gaan, maar tot hen die door hun geloof behouden blijven. (NBV21)

Het is toch mooi te weten dat God het je vergeeft als je fouten maakt. Dat geeft rust. Bijna zou je zeggen dat je dan niet zo hoeft op te letten, dat je niet je best hoeft te doen. Als je dan ook nog zegt dat God de Pakistanen straft met overstromingen en de homo’s met Aids dan hoef je dus ook geen voedsel en tenten te sturen en jongeren voor te lichten over diversiteit en veilig vrijen. Een mooi makkelijk leven schep je dan voor jezelf. Je gelooft in God, je vindt dat iemand niet mag moorden, niet mag liegen, geen overspel mag plegen en niet achter de spullen van de buurman mag aanzitten. Keurig toch allemaal, God vindt het vast goed en als we toevallig een fout maken dan vergeeft God het wel. Gelukkig is er de brief aan de Hebreeën om ons van deze nachtmerrie te bevrijden. Zo is het namelijk helemaal niet. Als iemand zo onverschillig is dat hij of zij fouten blijft maken en niet van fouten wil leren, geen echte spijt heeft en zich wil omkeren in het leven naar een leven van alleen het goede doen en niet anders dan het goede dan wordt die iemand behandeld als een ongelovige.

Geloof in God is dus lang niet genoeg, geloven dat God bestaat is geen garantie dat je bij dat Koninkrijk van God hoort. Als een dominee, priester of evangelist zegt dat je in de handen van de levende God bent, berg je dan maar wat volgens deze brief is dat huiveringwekkend. Wij hoeven elkaar niet te beoordelen of te veroordelen, integendeel, maar we mogen elkaar wel voorhouden dat we voortdurend bezig moeten zijn het goede te doen. Dat we dat niet altijd volhouden, dat we ons niet overal bewust van kunnen zijn, dat we niet al het kwade dat mensen doen kunnen herkennen dat staat vast. Maar telkens als we weer iets ontdekken waarmee we een ander onrecht doen, waarmee we misschien kwade situaties in stand houden dan moeten we de wil hebben om dat bij onszelf te veranderen, op te houden mee te werken aan het kwade en het goede te gaan doen. Wij weten bijvoorbeeld lang niet altijd hoe onze kleren of schoenen  gemaakt worden. We kunnen inmiddels weten dat veel van onze kleding onder onmenselijke omstandigheden door kinderen wordt gemaakt, of door mensen die daar nauwelijks voor betaald krijgen.

We kunnen ook in elke kledingwinkel vragen waar de kleding die ze verkopen gemaakt wordt en wat daarvoor aan de makers wordt betaald. Dat is lastig, je wordt als vervelend aangekeken, maar als je werkelijk wilt meewerken aan het Koninkrijk van God dan zul je moeten ophouden mee te werken aan situaties waarin aan mensen onrecht wordt aangedaan. Hetzelfde geld voor ons voedsel. In het gedeelte dat we vandaag lezen staat iets over de Wet van Mozes. Die kent spijswetten waar we ons als Christenen niet meer aan hoeven houden. Maar de eerbied voor het leven dat uit die wetten spreekt dienen ook wij op te brengen. Al ons voedsel komt immers van God, al de dieren die er voor sterven zijn ook in Gods hand. Daarom is het goed te letten op omstandigheden waaronder de dieren die ons tot voedsel zijn geleefd hebben en gestorven zijn. Diervriendelijk, biologisch en niet als grondstoffen in een industrie die alleen let op productie en winst. Als de leeuw en het lam samen in de wei zullen grazen dan is het niet aan ons als roofdieren te keer te gaan. Maak je dus bewust van de gevolgen van je eigen gedrag en doe het goede, dan pas wordt het kwade je vergeven.

 

Elkaar aansporen tot liefde

Hebreeën 10:19-25

19 Broeders en zusters, dankzij het bloed van Jezus kunnen we zonder schroom het heiligdom binnengaan. 20 Hij heeft voor ons met zijn lichaam, door het voorhangsel heen, een nieuwe, levende weg gebaand, 21 en doet nu als hogepriester dienst in het huis van God. 22 Laten we God dan naderen met een oprecht hart en een vast geloof, nu ons geweten gereinigd is door de besprenkeling van ons hart, en ons lichaam met zuiver water is gewassen. 23 Laten we zonder te wankelen datgene blijven belijden waarop we hopen, want Hij die de belofte heeft gedaan is trouw. 24 Laten we op elkaar letten en elkaar aansporen tot liefde en goede daden, 25 en in plaats van weg te blijven van onze samenkomsten, zoals sommigen doen, elkaar juist bemoedigen, en dat des te meer naarmate u de dag van zijn komst ziet naderen. (NBV21)

Soms moet je even de wenkbrauwen fronsen als je, zoals wij, dagelijks het leesrooster van het Nederlands Bijbelgenootschap volgt. Je valt dan ogenschijnlijk in een willekeurig stukje Bijbel dat op zich vrij onbegrijpelijk kan blijven. Maar als je even je best doet dan wordt het al snel duidelijk. Hier moet je even teruglezen in dit hoofdstuk 10. En dan zie je dat het gaat over de wet, over priesters en over offers. De profeten in het oude Testament hadden al gezegd dat de God van Israël geen offers wil maar zorg voor de armen. Oorspronkelijk waren de offers in de Tempel ook bedoeld om te delen met de armen, de vreemdelingen en met de tempeldienaars. De mensen die de hele dag bezig waren met de bestudering van de wet, het helpen bij het delen van het voedsel en te zorgen dat de Tempel goed bruikbaar bleef, waren vrijgesteld van arbeid, ze moesten dus wel meeeten. Maar in de loop van de geschiedenis waren er steeds meer heidense gebruiken de Tempel binnengeslopen en was men offers gaan zien als een geschenk voor God in ruil waarvoor God dan allerlei gunsten zou verlenen.

Dat is de God van Israël een gruwel. Een gevolg was dat de rituelen belangrijker geworden waren dan de Wet van heb uw naaste lief als uzelf. De stenen platen die als symbool van de Wet in de Tempel werden bewaard, in de oorspronkelijke ark die door de woestijn was gesjouwd, waren achter een dik gordijn terecht gekomen waar alleen nog de Hogepriester op hoogtijdagen toegang had. De schrijver van de brief aan de Hebreeën nu vertelt in het gedeelte dat we vandaag lezen dat Jezus van Nazareth een nieuwe manier van godsdienst beleven heeft geopend. Dat voorhangsel is gescheurd en de Wet is weer voor iedereen toegankelijk geworden. De Hogepriester trekt zich niet langer terug maar leeft de Wet voor en zorgt dat iedereen volgens die Wet kan gaan leven. Daartoe leggen we ons oude leven af en gaan we als nieuw zelf naar God toe. Dat oude leven was het leven van ikke, ikke, ikke en de rest kan stikken en het nieuwe leven is dat van elkaar lief te hebben en het goede doen en niet dan het goede. Dat moet je samen doen, samen met de kerk van over de hele wereld.

Niemand kan alle problemen van de wereld zelf op de nek nemen, maar als verenigde christenheid kan er heel veel bereikt worden. Daarvoor hoor je dus ergens naar een gemeenschap te gaan waar je deel van kunt uitmaken, waar de verhalen uit de Bijbel worden gelezen en mensen samen doen om te zorgen dat het goede dat ze doen over de hele wereld te merken is. Want hoe meer van dat goede wordt gedaan, hoe meer van dat goede te merken is, hoe dichter bij dat Koninkrijk van God komt, hoe eerder God op deze aarde kan komen wonen. Juist in deze dagen wordt bekend dat de regering het geld voor ontwikkelingssamewerking efficiënter wil gaan besteden. Dat betekent dat Fair trade winkels bij ons en U in de buurt Uw en onze steun meer nodig hebben dan ooit. Vrijwilligers, klanten, steun, het is allemaal welkom, zodat bij ons eerlijke markten voor producenten in de armste landen van de wereld geopend kunnen worden en we echt leren voor elkaar op de hele wereld te zorgen, ook vandaag weer.

 

Deze ene offergave

Hebreeën 10:11-18

11 De priesters blijven dagelijks hun dienst verrichten en steeds opnieuw dezelfde offers opdragen, die de zonden nooit kunnen wegnemen, 12 terwijl Hij, na zijn eenmalig offer voor de zonden, voorgoed zijn plaats aan Gods rechterhand heeft ingenomen, 13 waar Hij wacht tot van zijn vijanden een bank voor zijn voeten is gemaakt. 14 Door deze ene offergave heeft Hij hen die zich door Hem laten heiligen voorgoed tot volmaaktheid gebracht. 15 Hiervan legt ook de heilige Geest voor ons getuigenis af, want nadat Hij gezegd heeft: 16 ‘Dit is het verbond dat Ik in de toekomst met hen zal sluiten,’ spreekt de Heer: ‘In hun hart zal Ik mijn wetten leggen, in hun verstand zal Ik ze neerschrijven, 17 en aan hun zonden en hun wetteloosheid zal Ik niet meer denken.’ 18 Waar dat alles vergeven is, daar is geen offer voor de zonde meer nodig. (NBV21)

De wetten van het Oude Testament laten zich samenvatten in het “Heb God lief boven alles en dat doe je door je naaste lief te hebben als jezelf” Daar komen geen offers aan te pas. Dat is ook geen Wet maar een richtlijn voor de inrichting van een menselijke samenleving. Die richtlijn en de uitwerking daarvan werden bewaard in de Tempel in Jeruzalem. Het dienen van de God van Israël, het liefhebben van die God, dat moest je oefenen bij die Tempel. Om te zorgen dat die richtlijnen ook in de praktijk werden gebracht en om de mensen daarbij te helpen waren er Priesters. In de oudste geschriften van de Bijbel kun je dan ook lezen dat die Priesters recht spraken. De priesters werden bijgestaan door de Levieten en Levieten vond je aanvankelijk in elke stad en in elk dorp, ze hielden zich daar bezig met de rechtspraak. Zo kwamen de mensen, ook de armsten tot hun recht. Om Priesters en Levieten niet uit te laten sterven bracht het volk offers. Die moesten de liefde tot God tot uitdrukking brengen en Priesters en Levieten mochten er van leven.

Dat delen met de armen werd voor de Priesters en Levieten in de loop van de eeuwen bijzaak. Dat terwijl in het boek Deuteronomium de oefening in het delen met de armen zeer concreet werd beschreven in de opdracht drie maal per jaar een reis te maken naar het Heiligdom en daar een maaltijd te houden met de Priesters en Levieten, met je familie, met je knechten, met slaven en slavinnen, met de armen uit je dorp en de vreemdelingen die bij je woonden. De schrijver van de preek aan de Hebreeën kan dan ook met een gerust geweten zeggen dat het herhalen van telkens dezelfde offers door de Priester niemand bevrijdt van zonden. Want zonde was nu net het niet willen delen, de armen uitbuiten, de weduwe op straat zetten, die zieken en gehandicapten laten sterven. Er moest dus een nieuwe manier van offeren en godsdienstoefening gevonden worden.

Daar gaat dit stuk uit de brief aan de Hebreeën over. Daar wordt de profeet Jeremia aangehaald die al had gezegd dat de Wet van heb je naaste lief als jezelf niet alleen moet worden overgelaten aan de Priesters in de Tempel of aan de autoriteiten, de regering, in het land. Die richtlijn zal in ieder van ons in het verstand gebeiteld en in het hart gebrand moeten zijn. Dan alleen kan er een menselijke samenleving ontstaan. Wij zitten dus al helemaal op een verkeerd spoor als we het Oude Verbond, het Oude Testament, als puur Joods beschouwen en het Nieuwe Verbond, het Nieuwe Testament als exclusief Christelijk. Die opvatting heeft tot geweldige wreedheid tegen de Joden geleid, de Christenheid zal zich daarvoor blijvend moeten schamen. Het Nieuwe Testament is net zo Joods als het Oude, het Nieuwe Testament is een uitleg van het Oude Testament en volgt bij die uitleg de richtlijnen die de profeten van de ballingschap hebben gegeven. En als wij die richtlijn van de God van Israël volgen en blijven volgen, elke dag opnieuw, dan worden onze zonden vergeven, dan verdwijnt het onmenselijke uit onze samenleving. Het lukt niet altijd maar dat is niet echt erg, elke dag opnieuw mogen we er weer mee beginnen, onze naaste liefhebben als onszelf, ook vandaag weer.

 

Uw wil te doen

Hebreeën 10:1-10

1 Omdat de wet slechts een voorafschaduwing toont van al het goede dat nog komen moet en daarvan niet de gestalte zelf laat zien, heeft hij ook niet de kracht om degenen die jaar in jaar uit God naderen met steeds dezelfde offers ooit tot volmaaktheid te brengen. 2 Anders zouden die offers allang niet meer gebracht worden; degenen die aan de dienst deelnemen, zouden immers als ze eenmaal gereinigd zijn geen enkel zondebesef meer hebben. 3 Het tegendeel is echter waar: elk jaar worden met die offers de zonden weer in herinnering geroepen- 4 bloed van stieren en bokken kan immers onmogelijk zonden wegnemen. 5 Daarom zegt Christus bij zijn komst in de wereld: ‘Offers en gaven hebt U niet verlangd, maar U hebt Mij een lichaam gegeven; 6 brand- en reinigingsoffers behaagden U niet. 7 Toen heb Ik gezegd: “Hier ben Ik,” want dit staat in de boekrol over Mij geschreven: “Ik ben gekomen, God, om uw wil te doen.”’ 8 Eerst zegt Hij: ‘Offers en gaven hebt U niet verlangd, brand- en reinigingsoffers behaagden U niet’ -ook al zijn dit offers die volgens de wet worden gebracht. 9 Dan zegt Hij: ‘Hier ben Ik, Ik ben gekomen om uw wil te doen,’ waarmee Hij het eerste opheft om het tweede van kracht te doen zijn. 10 Op grond van die wil zijn wij geheiligd door het offer van het lichaam van Jezus Christus, voor eens en altijd. (NBV21)

We hebben nog al een rare opvatting over offers als we de Bijbel mogen geloven. Vandaag lezen we een stukje waarin de schrijver van de preek aan de Hebreeën probeert uit te leggen wat nu eigenlijk in Christelijke zin een offer is en waar we met onze opvattingen over offers fout zitten. Hij heeft het niet gemakkelijk want hij moet twee soorten opvattingen bestrijden die verschillen maar ook op elkaar lijken. In de eerste plaats de Heidense opvatting. Daarin worden goden gevoed en tevreden gesteld met offers door de gelovigen. Dat de Priesters die offers opeten doet verder in die opvatting niet ter zaken. Dat het offervlees soms wordt verhandeld ook niet, het kopen en eten van dat offervlees kan je zelfs dichterbij die god brengen. Veel Christenen zagen daarom af van het eten van offervlees dat afkomstig was van offers gebracht in de Heidense Tempels.

Dan is er ook nog de Joodse opvatting over offers. Niet de oorspronkelijke Bijbelse opvatting maar een opvatting die er in de eeuwen onder invloed van de Heidense opvatting ingeslopen was. De Joodse gelovigen wisten best dat hun God niet gevoed hoefde te worden. Die God had immers zelf alles geschapen en had het leven aan mens en dier gegeven. Zo’n God hoeft het eten niet te krijgen van mensen. Maar kreeg uit respect voor het leven wel het leven terug dat hij gegeven had. Dat werd gedaan door het bloed, de drager van het leven, uit te sprenkelen over het altaar. Maar de offers die werden gebracht zouden God wel gunstig stemmen volgens de Priesters en Levieten, die offers zouden de zondaren bevrijden van hun zonden. De schrijver van deze preek bestrijdt dat. Hij heeft machtige stemmen aan zijn zijde want al in de profeten stond geschreven dat de God van Israël niet zal te wachten op offers van de gelovigen maar op gerechtigheid.

Zo is het dan ook met het offer dat Jezus van Nazareth aan het kruis heeft gebracht. Hij heeft zich immers opgeofferd om het uitbreken van een bloedige opstand te voorkomen. Hij liet het zwaard van zijn vrienden weer in de schede steken en genas de vijandelijke soldaat die was verwond. Aan het kruis bad hij voor wie hem vervolgden en vroeg zelfs zijn Vader het hen niet aan te rekenen. De wil om zelfs door de dood heen de Liefde de boventoon te laten volgen heiligt iedereen, dat kan iedereen navolgen, dat is een offer waar we dankbaar voor kunnen zijn want in de wereld zouden we zeggen dat zoiets nooit opgebracht kan worden. Afzien van geweld en zelfs je vijanden lief hebben als jezelf is ergerlijk of een dwaasheid. Maar het is de wil van onze God, daarmee betrachten we gerechtigheid, we doen recht aan het leven zelf door voor ons gelijk geen levens te eisen maar liefde. Het is dan ook niet het bloed van Jezus dat onze zonden afwast maar de navolging van zijn keuzes die ons Gods richtlijn laat volgen. Elke dag mogen we dat weer opnieuw doen, ook vandaag weer.

 

Voor eens en altijd

1 Petrus 3:13-22

13 Overigens, wie zou u kwaad doen als u zich volledig inzet voor het goede? 14 Maar zelfs als u zou lijden omwille van de gerechtigheid, dan bent u toch gelukkig te prijzen. Wees daarom niet bang voor de mensen en laat u door niets in verwarring brengen; 15 erken Christus als Heer en eer Hem met heel uw hart. Vraagt iemand u waarop de hoop die in u leeft gebaseerd is, wees dan steeds bereid om u te verantwoorden. 16 Doe dat dan vooral zachtmoedig en met respect, houd uw geweten zuiver; dan zullen de mensen die zich honend uitlaten over uw goede levenswandel in eenheid met Christus, zich over hun laster schamen. 17 Het is beter te lijden-indien God dat wil-omdat men goeddoet dan omdat men kwaad doet. 18 Ook Christus immers heeft, terwijl Hij zelf rechtvaardig was, geleden voor de zonden van onrechtvaardigen, voor eens en altijd, om u zo bij God te brengen. Naar het lichaam werd Hij gedood maar naar de geest tot leven gewekt. 19 Hij is naar de geesten gegaan die gevangenzaten, om dit alles aan hen te verkondigen. 20 Ten tijde van Noach weigerden zij te gehoorzamen, toen God geduldig wachtte en de ark gebouwd werd. In de ark werden slechts enkele mensen, acht in totaal, door de watervloed heen gered, 21 en dat water is een voorafbeelding van het water van de doop, die niet het vuil van uw lichaam wast maar een vraag is aan God om een zuiver geweten. De doop brengt redding dankzij de opstanding van Jezus Christus, 22 die de hemel is binnengegaan en nu aan Gods rechterhand zit, terwijl de engelen, machten en krachten aan Hem onderworpen zijn. (NBV21)

De oorlog en het lijden in de wereld, die de wereld maken tot een plaats van verwarring, brengen ook ons vaak in verwarring. Als we het goede willen doen en niet dan het goede, wat is dan het goede en hoe weten we dat. Ons eigen lot maakt ons niet uit, zelfs al zouden we zelf moeten lijden dan weten we dat we de gerechtigheid nastreven. Maar de oorlog is er niet verder door weg en het lijden van de mensen wordt er niet minder door. In de Nieuwe Bijbelvertaling staat dan de opwekking niet bang te zijn voor de mensen. Een vertaling in hedendaags Nederlands die we snappen. Maar de Naardense Bijbel geeft wat beter weer wat er bedoeld wordt : “Vreest niet wat zij te vrezen geven”. Dat oorlog niet minder wordt en dat lijden niet ophoudt is iets wat men ons voortdurend voorhoud. Bijna iedereen in Nederland gelooft inmiddels dat het nooit vrede op aarde zal worden. En dat betekent eigenlijk dat men het geloof heeft opgegeven. Want als Christus, de Bevrijder, de Heer van de wereld is, dan komt er onherroepelijk een tijd dat het vrede is en dat alle tranen gedroogd zullen zijn. Dat is het Evangelie van de bevrijding van de armen dat we mogen verkondigen en waarin alle mensen van de wereld mogen gaan geloven.

Want oorlog en het geweld dat daar mee gepaard gaat en lijden voor mensen dat het veroorzaakt, zijn geen natuurwetten. Dat lijden van mensen is het direct gevolg van mensen die oorlog voeren. Daarom roept de Bijbel op onophoudelijk te ijveren voor de vrede. De hoop op een betere wereld die daardoor in ons leeft kunnen we verantwoorden. Ook rationeel, als je nadenkt over de wereld, dan is vrede en het uitbannen van lijden de enige optie die er is in het leven, niemand wil immers dat anderen blijven lijden. Als je dat wil dan vinden we je toch al heel snel ziek en gestoord. Christenen worden nog al eens bespot om hun zachtmoedigheid, om hun onophoudelijk roepen om vrede en vasthouden aan rechtvaardigheid voor de armsten. Maar wie nadenkt over de wereld, het leven en de mensen zal moeten toegeven dat er een betere wereld is als we alle mensen respecteren en tot hun recht laten komen. Daarom is het goede te doen en niet dan het goede dat wat ons te doen staat, of we geloven of niet.

Daarbij hebben we natuurlijk het voorbeeld van Jezus van Nazareth. Die zichzelf opofferde om een bloedige opstand van zijn volk te voorkomen. Pas veertig jaar later liet men zich toch verleiden tot die opstand en werd zelfs de Tempel in Jeruzalem verwoest. Dat de schrijver van deze brief de lezers oproept tot zachtmoedigheid en vasthouden aan dat voorbeeld is dus niet verwonderlijk. Maar dat geldt ook voor ons. De gewoonte onder de volken is om kwaad met kwaad te vergelden. Maar wapens en soldaten sturen daar waar voedsel en gerechtigheid worden gevraagd roept voortdurend nieuw geweld op. We weten dat er geen vloed meer zal komen die alle mensen zal wegvagen zoals in de dagen van Noach. Voor ons maakt het dus niet meer uit hoe lang het duurt voordat iedereen in de wereld het voorbeeld van Jezus van Nazareth volgt, zolang we er zelf maar mee bezig zijn en anderen mee nemen om er ook mee aan de slag te gaan.

 

Een zacht en stil gemoed

1 Petrus 3:1-12

1 Voor u, vrouwen, geldt hetzelfde: erken het gezag van uw man. Dan zullen mannen die weigeren Gods woord te gehoorzamen daarvoor gewonnen worden door het gedrag van hun vrouw, zonder dat zij iets hoeft te zeggen, 2 omdat ze zien hoe zuiver u leeft uit ontzag voor God. 3 Uw schoonheid moet niet gelegen zijn in uiterlijkheden, zoals kunstig gevlochten haar, gouden sieraden of elegante kleding, 4 maar in wat verborgen ligt in uw hart, in een zacht en stil gemoed. Dat is een onvergankelijk sieraad dat God kostbaar acht. 5 Daarmee tooiden zich vroeger ook de heilige vrouwen die hun hoop op God vestigden en het gezag van hun man erkenden, 6 zoals Sara; zij gehoorzaamde Abraham en noemde hem haar heer. U bent haar dochters wanneer u het goede doet en u geen angst laat aanjagen. 7 U, mannen, moet verstandig omgaan met uw vrouw, die kwetsbaarder is dan u. Behandel haar met respect, want zij deelt samen met u in de genade van het nieuwe leven. Dan staat niets uw gebeden in de weg. 8 Tot slot, wees allen eensgezind, leef met elkaar mee, heb elkaar lief als broeders en zusters, wees barmhartig en bereid de minste te zijn. 9 Vergeld geen kwaad met kwaad, en als u wordt uitgescholden, scheld dan niet terug; zegen juist, opdat u ook zelf zegen ontvangt, want daartoe bent u geroepen. 10 Immers: ‘Wie het leven liefheeft en goede jaren wil genieten, laat hij zijn tong behoeden voor het kwaad en zijn lippen voor woorden van bedrog, 11 laat hij het kwaad mijden en doen wat goed is, laat hij naar vrede streven en die najagen. 12 Want het oog van de Heer rust op de rechtvaardigen en zijn oor luistert naar hun hulpgeroep, maar Hij keert zich tegen wie kwaad doen.’ (NBV21)

Hier kan een geweldige bron van misverstanden ontstaan. Het gaat hier in elk geval niet om vrouwen van christelijke mannen zo blijkt uit de tekst. Maar het is een truc om ongelovige mannen tot geloof te brengen zonder dat de vrouwen daar iets over hoeven te zeggen. Ook hier gaat het er om door het goede te doen, onwetende dwazen de mond te snoeren, ja zelfs die dwazen tot geloof te brengen. Het gaat hier dus om een strategie en niet om een gebod. Die strategie past in de cultuur waarin ook de brief werd geschreven. Het gaat om het goede te doen zonder angst en vrees. Daarmee alleen al maakt de briefschrijver vrouwen onafhankelijk van hun mannen. Het is hun beslissing hoe zich te gedragen. Als ze geloven in de boodschap van de bevrijding van de armen willen ze niets liever dan dat ook hun mannen daarin gaan geloven. Hoe meer mensen gaan houden van hun naaste als van zichzelf hoe beter. En om dat als echtpaar samen te kunnen doen is pas echt een vreugde die je in een relatie kan genieten. Daarom besluit dit gedeelte met een vermaning aan de mannen, de mannen die dus al wel geloven. Vrouwen hebben nu eenmaal in menige samenleving een zwakkere positie dan mannen. Dat was ongetwijfeld in de tijd van de briefschrijver ook zo.

Als dus aan vrouwen het advies klinkt het gezag van de man te erkennen mag dat nooit als bewijs aangevoerd worden dat vrouwen en mannen andere posities in het huwelijk of in de samenleving behoren in te nemen. Samen delen ze in het nieuwe leven en samen moeten ze daar dus ook vorm aangeven. Mannen die verstandig omgaan met hun vrouw zorgen dat ze carriére kan maken als ze daar de capaciteit voor heeft, dat ze in de gemeenteraad, de provinciale staten of de Tweede Kamer gekozen kan worden als ze daar de capaciteit voor heeft. Samen moet je de zorg voor je gezin vorm geven, dat betekent dat de man evenveel zorg op zich neemt als de vrouw. De schrijver van de Petrusbrief stelt de vanzelfsprekendheden in de samenleving aan de orde. De vanzelfsprekendheid dat vrouwen thuis zitten en mannen hun gang kunnen gaan, Maar ook de vanzelfsprekendheid waarmee iedereen denkt te mogen zeggen wat men wil, zelfs als het schelden en beledigen is, Het klinkt zo gemakkelijk om te roepen dat schelden geen zeer doet. Maar je zal maar voor mongool uitgescholden worden als je broertje of zusje het syndroom van Down heeft. Dan kan het door je ziel snijden als mensen zo denigrerend doen over jouw verwanten die weinig kunnen maar wel hun best doen en waar geen greintje kwaad aan valt te ontdekken. Schelden doet eigenlijk altijd pijn.

Daarom probeert men er ook in de Tweede Kamer wat aan te doen. Iemand voor gek verklaren of idioot geeft geen pas. Maar wie de politici raadpleegt zal het opvallen dat zij die zich verzetten tegen het verruwende taalgebruik zelf niet schelden. Ze hebben met de briefschrijver door dat terugschelden je op het zelfde niveau zet als degene die gescholden heeft. Je vergeldt dan kwaad met kwaad en dat is het laatste wat je moet doen. We proberen immers het kwaad te mijden, uit te roeien als het even kan, en niet dan het goede te doen. Het aller moeilijkst is het te doen wat hier wordt aangeraden, zegen juist. Dat betekent dat je moet proberen dat slechte van het schelden om te keren tot het goede. Want tot het goede zijn we geroepen en het zal duidelijk zijn dat als het je werkelijk lukt zo’n scheldsituatie om te keren in een zegenend gesprek waar goeds uit kan voortkomen dat je zelf ook gezegend bent. Nu hebben we geleerd om schelden te vermijden. Van echt schelden kunnen we dan ook schrikken, zo schrikken dat we geen weerwoord meer hebben. Omkeren tot iets goeds kan dan helemaal niet. We moeten ons daarom soms vertrouwd maken met schelden. Neem maar eens iemand in gedachten die je uit zou willen schelden en luister op een stil plekje naar jezelf en hoe het zou klinken. Houd pas op als je ervan overtuigd ben dat het wel leuk klinkt en opwindend, maar dat het verkeerd is. Als je dat kunt lukt het je ook een scheldsituatie om te draaien. Samen werken aan de samenleving, daartoe roept ook de Bijbel ons  op, elke dag en elke dag mogen we er opnieuw aan beginnen.

 

Het gezag van uw meesters

1 Petrus 2:18-25

18 Slaven, erken het gezag van uw meesters en heb ontzag voor hen, niet alleen voor goede en vriendelijke, maar ook voor slechte. 19 Het is een blijk van genade als iemand, doordat zijn aandacht op God gericht is, in staat is onverdiend leed te verdragen. 20 Immers, wanneer u de slagen verdraagt die u krijgt als straf voor wangedrag, levert dat u toch geen aanzien op? Het is echter een blijk van Gods genade wanneer u verdraagt wat u moet lijden voor uw goede daden. 21 Dat is uw roeping; ook Christus heeft geleden, omwille van u, en heeft u daarmee een voorbeeld gegeven. Treed dus in de voetsporen van Hem 22 die geen enkele zonde beging en nooit bedrieglijke taal sprak. 23 Hij werd gehoond en hoonde zelf niet, Hij leed en dreigde niet, Hij liet het oordeel over aan Hem die rechtvaardig oordeelt. 24 Hij heeft onze zonden gedragen met zijn lichaam aan het kruishout, opdat wij, dood voor de zonde, rechtvaardig zouden leven. Door zijn striemen bent u genezen. 25 Eens dwaalde u als schapen, nu bent u naar uw herder teruggekeerd, naar Hem die uw ziel behoedt. (NBV21)

Dit is een gedeelte dat gemakkelijk misverstanden kan oproepen. Als je slaveneigenaar bent zou je het wel elke dag aan je slaven willen voorlezen nietwaar. In de negentiende eeuw verzette de Gereformeerde voorman Izaäk da Costa zich tegen de afschaffing van de slavernij met een beroep op deze Bijbelpassage. De slaven moesten dankbaar zijn voor de slavernij, want dat staat er nietwaar. En moeten wij vandaag nog met deze boodschap aankomen? Het misverstand ontstaat als je de Bijbel in stukjes hakt, zoals we ook doen bij het dagelijks Bijbelleesrooster van het Nederlands Bijbelgenootschap, het rooster dat we hier dag in dag uit volgen. Het hoofdstuk van de brief waaruit we ook vandaag lezen gaat over het goede doen en niets dan het goede. Je moet zelfs aan de Keizer en de gouverneurs gehoorzamen om onverbeterlijke dwazen tot inzicht te brengen. En zo is het ook voor gemeenteleden die slaaf zijn. Die gemeenteleden komen wij in onze kerken niet meer tegen. Wij waren over het algemeen die dwazen die door schade en schande hebben moeten leren dat slaven en slavinnen in de eerste plaats broeders en zusters zijn.

Maar tegenwoordig spreken we nog wel eens over loonslaven, werknemers die het minste verdienen, het smerigste werk doen en daarmee bedrijven en de samenleving gezond en dus overeind houden. De loonslaven die onze treinen schoonhouden bijvoorbeeld. In het begin van de vorige eeuw nog waren er christelijke werkgevers die hun werknemers verboden zich te verenigen in een vakbond. Pas toen een oprichter van zo’n vakbond ook een ziekenfonds oprichtte en aantoonde dat de zorg voor zieke collega’s, ook al kregen ze geen loon tijdens hun ziekte, een plicht was ook voor christelijke werknemers, verdween heel langzaam de weerstand tegen die modernistische ontwikkelingen. In de dagen dat de eerste brief van Petrus geschreven werd waren er regelmatig slavenopstanden, wij kennen nog die van Spartacus. Die eindigden altijd in een bloedbad voor slaven. Pas als slaven zorg voor elkaar hadden en hun meesters en medeslaven als gelijken gingen behandelen, wilden delen met elkaar, dan konden ook slaveneigenaars zich bewust worden van de medemenselijkheid die slaven vragen.

Voor ons is de kwestie van de slavernij overigens niet een zaak van vroeger en voorbij. In de kledingindustrie, in de industrie van goedkope consumptiegoederen komt slavernij van kinderen en armen nog tot vandaag de dag voor. Ook bloeddiamanten en grondstoffen voor mobiele telefoons worden door slaven gedolven, vaak onder de meest erbarmelijke omstandigheden. En veel vrouwen die in de seksindustrie werken zijn eigenlijk slavinnen. Het is niet aan ons om die slaven en slavinnen gehoorzaamheid voor te houden of tot opstand op te roepen, integendeel. Het is aan ons om hen stem te geven en zij die ervan profiteren op te roepen daarmee op te houden en onze regering op te roepen om te stoppen met de import van slavengoederen en slavenhouders op te sporen en te doen bestraffen. Elke slaaf is een broeder en elke slavin een zuster. Wat hen wordt aangedaan wordt ook ons aangedaan. Pas dan kunnen we straks op de eerste juli ook echt Bevrijdingsdag vieren.