Ze vereren uw goden niet

Daniël 3:1-12

1 Op een dag gaf koning Nebukadnessar opdracht een gouden beeld te maken, zestig el hoog en zes el breed, en hij liet het opstellen in de provincie Babel, in de vlakte van Dura. 2 Vervolgens ontbood hij de satrapen, stadhouders, gouverneurs, staatsraden, schatbewaarders, rechters, magistraten en alle bestuurders van de provincies; ze moesten de inwijding bijwonen van het beeld dat koning Nebukadnessar had opgericht. 3 De satrapen, stadhouders, gouverneurs, staatsraden, schatbewaarders, rechters, magistraten en alle bestuurders van de provincies kwamen bijeen om het beeld dat koning Nebukadnessar had opgericht in te wijden. Ze stelden zich op voor het door Nebukadnessar opgerichte beeld. 4 Een heraut riep met luide stem: ‘Volken en naties, welke taal u ook spreekt, luister naar dit bevel. 5 Zodra u de muziek hoort van hoorn, panfluit, lier, luit, citer, dubbelfluit en andere instrumenten, valt u op uw knieën neer en buigt u in aanbidding voor het gouden beeld dat koning Nebukadnessar heeft opgericht. 6 Wie niet neerknielt en buigt, zal onmiddellijk in een brandende oven worden gegooid.’ 7 En dus knielden alle volken en naties, welke taal zij ook spraken, zodra ze de muziek van hoorn, panfluit, lier, luit, citer en andere instrumenten hoorden, en bogen zij in aanbidding voor het gouden beeld dat koning Nebukadnessar had opgericht. 8 Enkele Chaldeeën namen de gelegenheid te baat en traden naar voren om de Judeeërs te beschuldigen. 9 Ze zeiden tegen koning Nebukadnessar: ‘Majesteit, leef in eeuwigheid! 10 U hebt bevolen dat iedereen die de muziek van hoorn, panfluit, lier, luit, citer, dubbelfluit en andere instrumenten hoort, op zijn knieën moet neervallen en het gouden beeld moet aanbidden, 11 en dat ieder die weigert in een brandende oven moet worden gegooid. 12 Er zijn enkele Judese mannen aan wie u het bestuur over de provincie Babel hebt opgedragen, Sadrach, Mesach en Abednego. Deze mannen storen zich niet aan uw bevel, majesteit. Ze vereren uw goden niet en buigen niet voor het gouden beeld dat u hebt opgericht.’(NBV)

Het is voor een dictator niet gemakkelijk altijd aan de macht te blijven. Zeker niet als je ook nog over overwonnen volken moet regeren. We hadden al gelezen dat koning Nebukadnessar een zeer onzekere koning was. Daarom is het niet verwonderlijk dat hij een gouden beeld laat oprichten zodat zijn onderdanen opnieuw een eed van trouw kunnen afleggen. In de tijd dat het boek Daniël zeer populair werd, de tijd van het apocriefe boek Maccabeeën, werden Joden ook gedwongen een beeld te aanbidden. Dit verhaal over de trouw van vrome Joden in Babel zal ongetwijfeld een inspiratiebron voor verzet geweest zijn. Het beeld heeft in dit verhaal typisch Babylonische afmetingen. De 6 was het hoogste getal in Babel. Onze tijdmeting met 60 tallen is nog afkomstig van de Babyloniërs.

En in een dictatuur slaapt de verrader nooit. Dat was toen zo en dat is ook vandaag de dag nog zo. Het boek Daniël is in verschillende talen geschreven. We nemen altijd maar aan dat de Hebreeuwse Bijbel in het Hebreeuws is geschreven maar delen van het boek Daniël zijn geschreven in het Aramees, de taal van na de ballingschap die ook door Jezus van Nazareth is gesproken. De muziekinstrumenten die hier genoemd worden zijn Griekse muziekinstrumenten. Dat was voor de mensen uit de tijd van de bezetting door de Grieken toch gemakkelijker te herkennen, al waren deze muziekinstrumenten ook al wel bekend ten tijde van de ballingschap.

Sadrach, Mesach en Abetnego, de vrienden van Daniël weigeren het gouden beeld te aanbidden en daarmee de eed van trouw aan de koning af te leggen. Heidense Koningen beschouwden zich nu eenmaal graag als goden, onaantastbaar en onoverwinnelijk. Maar het aanbidden van een mens is een gruwel voor gelovigen in de God van Israël, toen en nu niet anders. De drie nemen dan ook het risico op de dood. Als de God van Israël ze wil redden is die daarvoor machtig genoeg. Maar, zo niet, dan niet, dan hebben ze tenminste gehoorzaamd aan de Wet van die God. Een houding die bij de zeven jongemannen en hun moeder ook bekend is uit het boek Makabeeën. Een blinde gehoorzaamheid aan een overheid past niet bij gelovigen. Altijd moet je de gevolgen onder ogen zien voor de minsten, dat is vandaag niet anders

U bent dat hoofd van goud!

Daniël 2:36-49

36 Dit was uw droom, en nu zullen wij de koning zeggen wat hij betekent: 37 U, majesteit, koning der koningen, aan wie de God van de hemel het koningschap, en macht, kracht en eer heeft verleend, 38 aan wiens hand hij de mensen, de dieren van het veld en de vogels van de hemel heeft toevertrouwd, waar zij ook wonen, aan wie hij heerschappij heeft geschonken over allen-u bent dat hoofd van goud! 39 Na u zal een ander koninkrijk opkomen, minder machtig dan het uwe, en daarna nog een, van brons, dat zal heersen over de hele aarde. 40 Een vierde koninkrijk ten slotte zal hard als ijzer zijn. IJzer verbrijzelt en vermorzelt alles, en net als ijzer dat verplettert, zal het al die andere rijken verbrijzelen en verpletteren. 41 U zag dat de voeten en tenen voor een deel uit pottenbakkersleem en voor een deel uit ijzer bestonden; dat betekent dat het koninkrijk verdeeld zal zijn. Het zal iets van de hardheid van ijzer hebben, daarom zag u ijzer voor u, vermengd met kleiachtige leem. 42 Dat de tenen en voeten deels van ijzer en deels van leem waren, betekent dat het koninkrijk voor een deel sterk zal zijn, voor een deel broos. 43 U zag ijzer vermengd met kleiachtige leem; dat betekent dat die delen zich zullen vermengen in het nageslacht, maar ze zullen zich niet verbinden, zoals ijzer zich niet met leem laat verbinden. 44 Maar ten tijde van die koninkrijken zal de God van de hemel een rijk laten opkomen dat nooit te gronde zal gaan en dat nooit op een ander volk zal overgaan. Het zal al die koninkrijken verbrijzelen en vernietigen, maar zelf zal het eeuwig bestaan 45 precies zoals u zag dat er een steen van de berg losraakte zonder dat er een mensenhand aan te pas kwam, en het ijzer, brons, leem, zilver en goud verbrijzelde. De grote God heeft de koning laten weten wat er in de toekomst te gebeuren staat. De droom is waar, en de uitleg betrouwbaar.’ 46 Toen knielde koning Nebukadnessar neer en boog voor Daniël, en hij beval een offer te bereiden en reukwerk aan hem op te dragen. 47 De koning zei tegen Daniël: ‘Het is waar, uw God is de God der goden en de heer der koningen. Hij onthult mysteries en daardoor hebt u dit mysterie kunnen onthullen.’48 Toen benoemde de koning Daniël in een hoge functie en gaf hem vele grote geschenken; hij maakte hem heerser over de hele provincie Babel en benoemde hem tot hoofd van alle wijzen van Babylonië. 49 Op Daniëls verzoek droeg de koning het bestuur van de provincie Babel over aan Sadrach, Mesach en Abednego, terwijl Daniël zelf aan het hof van de koning bleef. (NBV)

Drie lagen zitten er vandaag in het verhaal van Daniël. De eerste is hoe je een koning tot vriend maakt, de tweede hoe je je eigen volk hoop geeft en de derde is hoe God zijn dienaren gebruikt. Die koning was zo onzeker geworden over zijn eigen positie dat hij er ‘s nachts wakker van werd. Hij wist ook heel goed dat al die wichelaars aan het hof hem alleen maar naar de mond zouden praten. Geestenfluisteraars en hun collega’s zeggen nu eenmaal alleen wat mensen graag willen horen. Daarom had hij zijn droom verborgen gehouden en geëist dat ze die zouden weten en dan zouden kunnen uitleggen. Daniël was met behulp van de openbaring van de God van Israël tot de ontdekking gekomen wat er nu eigenlijk aan de hand was. En toen was die droom niet zo moeilijk meer. Maar tegen een machtige Koning zeg je nu eenmaal niet zo gemakkelijk dat het eigenlijk een bangelijk en onzeker ventje is.

Hoe hij ook straalt hij staat op lemen voeten. Daniël kiest daarom een andere mogelijke uitleg. Hij maakt elk onderdeel van het standbeeld in het verhaal tot een eigen rijk, elk minder sterk als het vorige. En dan verminder je de angst van de Koning want je schuift de vermorzeling naar een verre toekomst waar de Koning geen deel meer aan heeft. Achteraf kreeg Daniël natuurlijk gelijk want er zijn altijd meerdere rijken aan te wijzen die voorbij gaan al zijn er ook uitleggers die wijzen op de opvolger van de Koning en op diens opvolgers die allen in de Bijbel wel ergens genoemd worden en die inderdaad steeds zwakker zijn dan Nebukadnessar. Voor het onderdrukte volk geeft deze uitleg van Daniël hoop. De onderdrukking hoeft niet altijd te duren. Het zal geleidelijk aan minder erg worden en op een dag zal er een einde aan komen. De God van Israël zal de wrede onderdrukkers vermorzelen.

Die hoop is niet tevergeefs, nergens in de geschiedenis is het een dictator gelukt een rijk te vestigen dat eeuwig stand houdt. Het geloof in de God van Israël, in de bevrijding van slaven en onderdrukten is altijd langer vol te houden dan de dictatuur zelf en altijd lukt het de regeringen van dictators omver te werpen al kost het soms vele doden. Maar ook een dictator kan niet alleen regeren. Hij heeft dienaren nodig, instellingen en instituties. Ooit had het volk Israël een Jozef in Egypte die kon zorgen voor graan. In dit verhaal heeft het volk een Daniël die heerser werd over de provincie, hoofd van alle wijzen en er voor zorgde dat zijn vrienden en landgenoten het bestuur van de provincie opgedragen kregen. Kijk zo zorgt de God van Israël voor zijn dienaren. Ook wij kunnen dus gerust blijven werken aan een wereld van recht en gerechtigheid, van vrede en eerlijk delen met allen. Die wereld komt, elke dag kunnen we er aan werken, ook vandaag.

U zag een groot beeld

Daniël 2:24-35

24 Toen ging Daniël naar Arjoch, die van de koning opdracht had gekregen de wijzen van Babylonië ter dood te brengen. Hij ging naar hem toe en zei: ‘Breng de wijzen van Babylonië niet ter dood. Leid mij voor de koning. Ik zal de droom van de koning duiden.’ 25 Arjoch leidde Daniël zo snel hij kon voor de koning en zei tegen hem: ‘Ik heb onder de Judese ballingen iemand gevonden die de droom van de koning kan uitleggen.’26 De koning vroeg Daniël, die ook Beltesassar genoemd werd: ‘Kunt u me werkelijk vertellen wat ik heb gedroomd en wat die droom betekent?’27 Daniël antwoordde de koning: ‘Wijzen, bezweerders, magiërs noch toekomstvoorspellers kunnen het mysterie dat de koning wil begrijpen aan hem onthullen. 28 Maar er is een God in de hemel die mysteries onthult. Hij heeft koning Nebukadnessar laten weten wat er aan het einde van de tijd zal gebeuren. De droom en de visioenen die tijdens uw slaap in u opkwamen, waren deze:
29 Tijdens uw slaap, majesteit, kwamen gedachten bij u op over wat er in de toekomst gebeuren zal; hij die mysteries onthult, heeft u laten weten wat de toekomst zal brengen. 30 Dit mysterie is mij onthuld, niet door enige wijsheid die ik op anderen voor zou hebben, maar opdat ik de uitleg aan de koning zou overbrengen en u zou begrijpen wat er in uw hart omgaat. 31 U, majesteit, hebt een visioen gehad. U zag een groot beeld. Dat beeld was reusachtig en bezat een prachtige glans. Het stond voor u en de aanblik ervan was afschrikwekkend. 32 Het hoofd van het beeld was van zuiver goud, zijn borst en armen waren van zilver, zijn buik en lendenen van brons, 33 zijn benen van ijzer, zijn voeten deels van ijzer, deels van leem. 34 U zag hoe een steen losraakte, zonder dat er een mensenhand aan te pas kwam, hoe de steen tegen de ijzeren en lemen voeten van het beeld sloeg en ze verbrijzelde. 35 Op hetzelfde ogenblik verpulverden het ijzer, leem, brons, zilver en goud. Het werd als kaf op een dorsvloer in de zomer; de wind voerde het mee, totdat er geen spoor meer van te vinden was. Maar de steen die tegen het beeld was geslagen, werd een hoge berg die de hele aarde bedekte. (NBV)

Wat voor licht ging Daniël op in de nacht toen hij aan de God van Israël vroeg wat die Koning nu eigenlijk gedroomd had. Nu die Koning was een Koning van de Perzen. De Perzen geloofden dat een volk het recht had andere volken aan zich te onderwerpen als dat volk sterker was. Het recht van de sterkste was het recht dat op aarde diende te heersen. Van een volk met lemen voeten had dat volk van Perzen zich opgewerkt tot een volk met een gouden hoofd. Het was een wereldrijk geworden dat alle volken en alle goden aan zich had onderworpen. Als dat waar was dan kon het omgekeerde ook waar zijn. Stel er komt een volk of een macht die sterker is als het volk van de Perzen, dan wordt heel dat bouwwerk van de wereldmacht in elkaar gestort. Dat zou die koning gedroomd moeten hebben, hij stond immers op het hoogtepunt van zijn macht.

Daniël gaat daarom naar de Koning en vertelt hem dat het verhaal van de God van Israël duidelijk maakt hoe de wereld in elkaar zit en waar je op moet letten. En dan krijgen we het verhaal over het standbeeld dat wordt verpletterd. Het hoofd van goud, borst en armen van zilver, buik en lendenen van brons, benen van ijzer en voeten van leem en ijzer. Een man op lemen voeten heeft zelfs onze spreekwoorden gehaald. De uitleg van Daniël bewaren we nog even. Maar dat heersers en machthebbers zich moeten spiegelen aan die geschiedenis van mensen met de God van Israël is duidelijk. Het zal duidelijk zijn dat Daniël gedacht moet hebben aan het feit dat alle macht op aarde gegeven is aan de God van Israël, de schepper van hemel en aarde. Als de Perzen het sterkste volk zouden willen blijven dan zouden ze zich moeten richten naar de God van Israël.

Want hoe vergaat het bijvoorbeeld heersers die zich niet houden aan het “Gij zult niet doden”. Wat zijn heersers waard die hun volk laten beschieten als het in verzet komt, hoe loopt het met hen af? Nebukadnessar was verontrust geraakt over de mogelijkheid dat het beeld dat hij van zichzelf had verpulverd zou kunnen worden. Vandaag is de vraag of wij ons dat bewust zijn en wat wij doen met heersers die zich niets aantrekken van het gebod van de God van Israël hun naaste lief te hebben als zichzelf. We zien dat mensen in beweging komen tegen de ongebreidelde macht die machthebbers zich soms zelf toedelen. Belarus, het wit Rusland, is daarvan een recent voorbeeld. Hoe het zit met de macht, wordt de macht nog uitgeoefend samen met de bevolking zijn vragen die gesteld worden. Wij mogen ons elke dag die vragen stellen. Ook vandaag weer dus.

Het licht woont bij hem.

Daniël 2:13-23

13 Toen het bevel werd uitgevaardigd om de wijzen te doden, liepen ook Daniël en zijn vrienden gevaar. 14 Daarom wendde Daniël zich discreet en tactvol tot Arjoch, de commandant van de koninklijke lijfwacht, die de wijzen van Babylonië moest doden. 15 Hij vroeg de gevolmachtigde van de koning: ‘Waarom heeft de koning zo’n wreed bevel uitgevaardigd?’ Daarop legde Arjoch hem de zaak uit. 16 Daniël ging naar de koning en vroeg hem respijt, opdat hij hem zijn droom zou kunnen verklaren. 17 Vervolgens ging hij naar huis, bracht zijn vrienden Chananja, Misaël en Azarja op de hoogte 18 en vroeg hun de God van de hemel te smeken zich barmhartig te tonen en het mysterie te onthullen, zodat hij en zijn vrienden niet met de rest van de wijzen van Babylonië ter dood zouden worden gebracht. 19 Het mysterie werd aan Daniël onthuld in een nachtelijk visioen. Daarop prees hij de God van de hemel. 20 Hij zei: ‘Geprezen zij de naam van God, van eeuwigheid tot eeuwigheid, want hij bezit wijsheid en kracht. 21 Hij verandert tijden en uren, hij zet koningen af en stelt koningen aan, hij geeft de wijzen hun wijsheid, en de verstandigen hun kennis. 22 Hij onthult diepe, verborgen dingen, hij weet wat in duister is gehuld, en het licht woont bij hem. 23 U, God van mijn voorouders, loof ik en roem ik, want u hebt mij wijsheid en kracht geschonken, en mij onthuld wat wij u hebben afgesmeekt, u hebt ons laten weten wat de koning verontrust.’ (NBV)

Wat was het nu dat die Koning Nebukadnessar zo verontruste dat hij er nachtmerries van kreeg en het risico wilden lopen dat al zijn astrologen, waarzeggers, instralers, geestenfluisteraars en magiërs ter dood zouden worden gebracht? Dat was de vraag waarvoor Daniël stond want hij vertrouwde er op het antwoord daarop te kunnen vinden. En dat antwoord moest te vinden zijn bij de God van Israël. Want Daniël had er op vertrouwd dat uiteindelijk zou blijken dat die God van Israël een betrouwbare God zou zijn. Maar wanneer die God zou antwoorden was onbekend. Hij liet zich dus uitleggen wat de urgentie van de Koning was en waarom hij zo’n wreed bevel had uitgevaardigd. Daarna ging hij naar huis en vroeg zijn vrienden om God te vragen hen genadig te zijn en hen te laten weten wat de droom van de koning was geweest. En midden in de nacht kreeg Daniël een droom die hem duidelijk maakte wat het antwoord was op de vraag van de Koning.

De volgende morgen dankt Daniël zijn God en geeft aan waar het antwoord ligt: “Hij zet koningen af en stelt koningen aan”. Nog voordat Daniël de Koning had verteld wat God hem had duidelijk gemaakt zong hij een lofzang. Die lofzang lijkt een spannend verhaal te onderbreken maar verteld eigenlijk hoe je kunt ontdekken wat er met een ander aan de hand is. Uitgangspunt is dat alles wat je hebt of wat er is uit Gods hand komt. Ook is duidelijk dat het ons onduidelijk is wat God gedaan heeft en vooral waarom en met wat voor doel. Dat uitgangspunt, alles wat in die Psalm van Daniël wordt vermeld had hem tot de ontdekking gevoerd van wat de Koning moest hebben gedroomd. Een geweldige ontdekking. En zo voor de hand liggend.

Vanaf Koning Saul had Israël niet anders meegemaakt. Elke koning van Juda en elke koning van Israël, de twee rijkjes waar het land in uiteen was gevallen, werd gemeten naar de gehoorzaamheid aan de God van Israël. En toen heel het volk van generatie op generatie zich had afgekeerd van die God werd het volk in ballingschap weggevoerd. Als je ergens naar moet kijken is het of de God van Israël met of tegen de koning is. En een verstandig en wijs koning begint met zich af te vragen hoe zijn verhouding met de God van Israël is. Een vraag die wij ons ook kunnen stellen, hoe is onze verhouding met de naaste, durven wij te luisteren naar het roepen van de meest kwetsbaren, alleengaande kinderen in een kamp in Griekenland, of geven wij onze orde en het behoud van dure wijken de voorrang. Zeg het maar tegen God

Ik heb een droom gehad

Daniël 2:1-12

1 In het tweede jaar van zijn regering kreeg Nebukadnessar een droom die hem zo verontrustte dat hij de slaap niet meer kon vatten. 2 De koning gaf opdracht de magiërs, bezweerders, tovenaars en Chaldeeën bijeen te roepen om hem te vertellen waar zijn droom over ging. Toen ze voor de koning verschenen waren, 3 zei hij tegen hen: ‘Ik heb een droom gehad die mij verontrust, daarom wil ik weten wat ik gedroomd heb.’ 4 De Chaldeeën zeiden tegen de koning: ‘Majesteit, leef in eeuwigheid! Vertel uw dienaren uw droom, dan zullen wij hem verklaren.’ 5 Toen zei de koning tegen de Chaldeeën: ‘Mijn besluit staat vast. Als u me niet vertelt wat ik heb gedroomd en wat die droom betekent, laat ik u in stukken hakken en zal ik uw huizen in puin leggen. 6 Voldoet u aan mijn verzoek, dan zal ik u overladen met kostbare geschenken en eerbewijzen. Zeg me dus wat ik gedroomd heb en wat die droom betekent.’ 7 Zij antwoordden nogmaals: ‘Laat de koning zijn droom aan zijn dienaren vertellen, dan zullen wij hem verklaren.’ 8 Daarop zei de koning: ‘Ik weet heel goed dat u tijd probeert te winnen, want u merkt dat mijn besluit vaststaat. 9 Er is maar één oordeel over u mogelijk als u niet kunt vertellen wat ik heb gedroomd. U hebt afgesproken mij iets voor te liegen in de hoop dat de situatie verandert. Vertel me dus mijn droom, dan weet ik dat u die kunt verklaren.’ 10 De Chaldeeën antwoordden de koning: ‘Er is geen mens ter wereld die aan het verzoek van de koning kan voldoen; daarom heeft geen koning, hoe groot en machtig ook, iets dergelijks ooit van een magiër, bezweerder of Chaldeeër gevraagd. 11 Wat de koning vraagt is te moeilijk, niemand zal het de koning kunnen vertellen, behalve de goden, maar die verkeren niet onder de stervelingen.’ 12 Hierop verloor de koning zijn geduld en hij gaf woedend het bevel alle wijzen van Babylonië ter dood te brengen. (NBV)

Vandaag lezen we uit het boek Daniël het eerste deel van een spannend verhaal. Een verhaal over hoop, maar hoop is pas echt iets waard als er eerst wanhoop was. En voor wanhoop is alle reden. De eerste die wanhopig werd was de koning van Babel Nebukadnessar. Die kreeg een nachtmerrie en wilde graag weten waarom en hoe. Nu krijg je dromen niet voor niks. In de negentiende eeuw was er een psychiater die ontdekte dat we onbewust conflicten in ons zelf, of conflicten met onze omgeving, herbeleven en veranderen in onze dromen. Die psychiater was Sigmund Freud en hij schreef dikke boeken over droomduiding. Want zomaar een mooi verhaaltje ophangen om een droom uit te leggen dat is er niet bij. Dat had die koning Nebukadnessar ook door. Het had geen zin zijn droom te vertellen, de uitleg ligt voor slimme droomuitleggers dan wel voor de hand. Dus had hij een truc, echte waarzeggers zouden ook wel de droom kunnen vertellen.

Maar echte waarzeggers bestaan niet. De geestenfluisteraars, de instralers of hoe ze allemaal mogen heten hebben trucs om net te doen of ze weten wat mensen denken en wat mensen nog van hun overleden dierbaren willen weten. Als je die charlatans werkelijk voor een proef zet dan blijkt er helemaal niks van hun pretenties te kloppen. Erger nog, in televisieprogramma’s overdag treden mensen op die er op uit zijn mensen zo lang mogelijk aan de telefoon te houden maar die geen idee hebben waar ze eigenlijk mee bezig zijn. Het zijn de Chaldeeën, de magiërs, bezweerders en tovenaars van onze tijd. We hebben eigenlijk een koning nodig als Nebukadnessar die net zo wreed is. In onze dagen zouden we ze niet meer dood maken maar waarom niet een test waarin ze eerst maar eens moeten bewijzen wat ze kunnen voor ze met hun kunsten geld mogen verdienen. Er zal niemand overblijven en er kan dan ook niemand meer voor de gek gehouden worden.

Nebukadnessar nam een wreed besluit, een besluit dat hoort bij een koning van Babel die de schatten uit de Tempel in Jeruzalem heeft geroofd en het volk in ballingschap heeft gebracht. Al die charlatans worden ter dood gebracht als ze niet in staat zijn om de droom van de koning te vertellen en uit te leggen, in die volgorde. Dat moet flink schrikken zijn geweest. Want die waarzeggers waren ook de voorlopers van onze planbureaus. Zij bepaalden welke richting het bestuur zou moeten inslaan, wat de juiste keuzes waren voor de bestuurders. Daar werden dus ook mensen in getraind en geschoold. Daniël en zijn vrienden bijvoorbeeld. Ook Daniël schrikt en brengt het samen met zijn vrienden bij de God van Israël. En dan eindigt het eerste deel van het verhaal. Alsof we ons eerst maar eens moeten ontdoen van al die waarzeggers, fluisteraars, instralers en sterrenwiggelaars waar wij de mensen door voor de gek laten houden. Daar mogen we onze stem wel eens wat harder tegen verheffen. Want het zal nog blijken dat alleen een echt vertrouwen in de God van Israël helpt. Voorlopig aan het werk dus met de charlatans, dat mag elke dag, ook vandaag weer.

De proef op de som

Daniël 1:1-21

1 In het derde regeringsjaar van Jojakim, de koning van Juda, trok Nebukadnessar, de koning van Babylonië, op naar Jeruzalem en belegerde de stad. 2 De Heer leverde Jojakim, de koning van Juda, aan hem uit en gaf hem een deel van de voorwerpen van Gods tempel in handen. Hij nam ze mee naar Sinear, naar de tempel van zijn eigen god, en liet ze daar in de schatkamer zetten. 3 De koning gaf het hoofd van zijn eunuchen, Aspenaz, opdracht een aantal Israëlieten van koninklijke en voorname afkomst naar zijn paleis te brengen. 4 Het moesten jongemannen zonder lichamelijke gebreken zijn, aantrekkelijk om te zien, rijk aan kennis, ontwikkeld en met een scherp verstand, en bovendien geschikt om aan het hof te dienen. Aspenaz moest hen onderwijzen in de geschriften en de taal van de Chaldeeën. 5 De koning wees hun een dagelijkse hoeveelheid toe van de spijzen en de wijn van zijn tafel. Na drie jaar onderricht zouden ze in dienst van de koning treden.6 Onder hen waren enkele Judeeërs: Daniël, Chananja, Misaël en Azarja. 7 Maar de hoofdeunuch gaf hun andere namen; Daniël noemde hij Beltesassar, Chananja Sadrach, Misaël Mesach en Azarja Abednego. 8 Daniël was vastbesloten zich aan de reinheidsvoorschriften te houden en hij vroeg de hoofdeunuch toestemming zich van de spijzen en de wijn van de tafel van de koning te onthouden. 9 God zorgde ervoor dat de hoofdeunuch Daniël gunstig gezind was. 10 Toch zei de hoofdeunuch tegen hem: ‘Ik ben bang voor mijn heer, de koning; hij heeft bepaald wat jullie zullen eten en drinken, en als hij vindt dat jullie er slechter uitzien dan jullie leeftijdsgenoten zal hij mij daarvoor verantwoordelijk stellen.’ 11 Daarop richtte Daniël zich tot de kamerheer die de hoofdeunuch aan hem en aan Chananja, Misaël en Azarja had toegewezen: 12 ‘Neem de proef op de som en laat uw dienaren tien dagen alleen groente eten en water drinken.
13 Vergelijk ons uiterlijk daarna met dat van de jongemannen die de koninklijke spijzen eten, en beslis dan over uw dienaren op grond van wat u ziet.’ 14 De kamerheer ging op het voorstel in en gaf hun tien dagen. 15 Aan het eind van de tien dagen zagen zij er gezonder en beter doorvoed uit dan alle jongemannen die de koninklijke spijzen voorgezet hadden gekregen. 16 Dus diende de kamerheer hun geen koninklijke spijzen en wijn meer op, maar gaf hij hun alleen nog groente. 17 En God schonk de vier jongemannen wijsheid, kennis en verstand van alle geschriften; bovendien was Daniël bij machte alle mogelijke visioenen en dromen uit te leggen. 18 Toen de door de koning vastgestelde tijd verstreken was, leidde de hoofdeunuch alle jongemannen voor Nebukadnessar. 19 De koning sprak met hen, en niemand kon zich met Daniël, Chananja, Misaël en Azarja meten. Zij traden in dienst van de koning. 20 En over welke kwestie van wijsheid of inzicht de koning hen ook raadpleegde, hij vond hen tien keer zo voortreffelijk als alle magiërs en bezweerders in heel zijn rijk. 21 Daniël bleef aan het hof tot het eerste jaar van het koningschap van Cyrus. (NBV)

Vandaag beginnen we te lezen in het boek Daniël. Er wordt vaak gesproken over Daniël als over een profeet maar in de Hebreeuwse Bijbel hoort het boek Daniël niet bij de boeken van de profeten maar bij de geschriften. Het boek lijkt zowel op een geschiedenisboek als op een profetenboek waarin geschetst wordt hoe de ontwikkelingen in de wereld af zullen lopen als je ze vanuit het perspectief van de God van Israël bekijkt. Het boek Daniël is bij uitstek het boek van de hoop in de Bijbel. Hoe zwart de omstandigheden ook zijn, er is altijd hoop op betere tijden. Het volk Israël ontleent die hoop aan de belofte van de God van Israël dat het volk uiteindelijk zal wonen in een land overvloeiende van melk en honing in een wereld waar alle tranen gedroogd zullen zijn en de dood er niet meer zal zijn. Die troost was zeker nodig toen het volk uit ballingschap was teruggekeerd maar het land bezet werd door wrede Griekse heersers. Men neemt aan dat in die dagen het boek Daniël zijn definitieve vorm heeft gekregen. Het verhaal begint ogenschijnlijk onschuldig. Jeruzalem was veroverd door de koning van Baylonië. Die had de schatten van de Tempel meegenomen en in een Tempel van zijn eigen god gezet. Ook was hij zo slim geweest zijn eigen ambtenarenapparaat te versterken met de slimste jonge mannen van Israël.

Vier slimme en gezonde jonge mannen werden uitgekozen om opgeleid te worden tot bestuurder voor Babel. Ze zouden goed verzorgd worden en het zou ze aan niets ontbreken. Ze kregen ook nieuwe namen, namen die te maken hadden met de godsdienst van Babel en die ze eigenlijk inlijfden in de nieuwe cultuur waar ze deel van zouden uitmaken. En daar haakte er iets bij Daniël, want hij was Jood en wilde Jood blijven. Hoe je wordt aangesproken door een ander kun je niet veranderen, maar waar haal je dan je eigen identiteit nog vandaan? Voor Daniël lag de sleutel in de spijswetten Die spijswetten uit de Tora, de eerste vijf boeken van het oude testament worden hier reinheidsvoorschriften genoemd. En rein was volgens de Wet van de God van Israël alles dat apart gesteld was ter ere van God en dat geen gebrek vertoonde. Dat Daniël en zijn vrienden alleen water en groente zouden mogen eten was zwaar overdreven. De Wetten zoals ze staan opgeschreven geven heel wat meer ruimte. Maar voor hen die kiezen voor het leven, voor respect voor het leven van dieren, is een veganistisch dieeët helemaal zo vreemd niet.

Ook in onze dagen zijn er mensen die er voor kiezen gedurende bepaalde tijden van het jaar alleen verse groenten van het seizoen te eten en water te drinken. Ze reinigen daarmee hun lichaam van alle stoffen die er eigenlijk niet in thuishoren. Ook Daniël en zijn vrienden bleven er zeer gezond bij en toen de opleiding was afgelopen bleken ze slim en gezond te zijn. Over Daniël staat er nog wat extra’s hij kon ook dromen uitleggen en visioenen verklaren. Dat doet denken aan een andere telg uit het geslacht Israël dat het tot een hoge post in een vreemd land zou schoppen. Jozef, die door zijn broers als slaaf was verkocht en onderkoning van Egypte werd door zich de God van zijn vader te herinneren. Kennelijk is er een paralel met Daniël. Voor ons mag het ons aan het denken zetten waar wij apart staan van onze samenleving die op winst en profijt is gericht, waar alles voor winst en profijt moet wijken. Zijn wij te herkennen als gelovigen in de God van Israël wiens godsdienst gebaseerd is op delen van wat je hebt? Daniël stelt ons vandaag de vraag door zijn optreden. Ieder van ons moet zelf een antwoord geven. Maar dat we apart mogen staan door te werken voor het Koninkrijk van de God van Israël staat vast, dat mag ook vandaag weer.

Allen zien hoopvol naar U uit

Psalm 145

1 Een loflied van David. U, mijn God en koning, wil ik roemen, uw naam prijzen tot in eeuwigheid. 2  Elke dag opnieuw wil ik u prijzen, uw naam loven tot in eeuwigheid: 3 ‘Groot is de HEER, hem komt alle lof toe, zijn grootheid is niet te doorgronden.’ 4 Laat geslacht na geslacht van uw schepping verhalen, uw machtige daden verkondigen. 5 Laten zij spreken over de glorie van uw majesteit, ook ik wil uw wonderen bekendmaken. 6 Laten zij getuigen van uw geduchte daden, ook ik wil van uw grootheid vertellen. 7 Laten zij de roem van uw goedheid verbreiden, uw gerechtigheid luid bezingen: 8  ‘Genadig en liefdevol is de HEER, hij blijft geduldig en groot is zijn trouw. 9 Goed is de HEER voor alles en allen, hij ontfermt zich over heel zijn schepping.’ 10 Laten al uw schepselen u loven, HEER, en uw getrouwen u prijzen. 11 Laten zij getuigen van de luister van uw koningschap, spreken over uw machtige werken, 12 aan de stervelingen uw machtige daden verkondigen, de glorie en de glans van uw koningschap: 13 ‘Uw koningschap omspant de eeuwen, uw heerschappij omvat alle geslachten.’ 14 ‘Een steun is de HEER voor wie is gevallen, wie gebukt gaat richt hij op. 15 Allen zien hoopvol naar u uit, u geeft brood, op de juiste tijd. 16  Gul is uw hand geopend, u vervult het verlangen van alles wat leeft. 17 Rechtvaardig is de HEER in alles wat hij doet, zijn schepselen blijft hij trouw. 18 Allen die hem aanroepen is de HEER nabij, die hem roepen in vast vertrouwen. 19 Hij vervult het verlangen van wie hem eren, hij hoort hun klacht en komt te hulp. 20 De HEER waakt over wie hem liefhebben, maar wie hem afwijzen, vaagt hij weg.’ 21 Laat zo mijn mond de lof spreken van de HEER, en alles wat leeft zijn heilige naam prijzen, tot in eeuwigheid. (NBV)

Alle Godlof in deze psalm zou bijna verhullen dat er ook uitgezien wordt naar wat nog moet komen. Elk jaar in september kent de kerk de zogenaamde vredeszondag. We staan dan stil bij hetgeen we moeten doen om de vrede in de wereld dichterbij te krijgen. Vrede zij in elk geval met U. Ook rond de Kerstdagen is de roep om vrede niet van de lucht. David, aan wie deze Psalm is toegeschreven was de vredevorst bij uitstek. Hij wist in Israël niet alleen vrede te brengen maar ook veiligheid. Voor David koning werd kwamen buurvolken elk jaar de oogst van de boeren roven. Af en toe waren er Rechters geweest die telkens een korte periode van vrede wisten te brengen maar het volk verlangde naar een duurzame vrede. De volken hadden daarvoor Koningen. Die konden een permanent leger op de been brengen en daarmee de vrede voor hun volk verzekeren. Israël had een God als Koning. Maar van die God was geen beeld, alleen een aantal richtlijnen voor een vreedzame samenleving. Maar ze kregen een Koning. Alleen die Koning bleef oorlog voeren, die Koning bracht geen vrede.

Toen David Koning werd voerde hij een andere strategie in. Een strategie die ook door wereldmachten werd gebruikt. In elke overwonnen stad legerde David een aantal soldaten van zijn leger en elk volk moest aan Israël belasting betalen. Dat David een meer blijvende vrede had gebracht aan een volk dat zich eigenlijk nooit goed had kunnen verdedigen maakte hem tot de vredevorst, een man naar Gods hart staat er geschreven. Maar kreeg David daarvoor ook de eer? Niet dus. Hij had oorlog gevoerd. Hij had mensen gedood en mensen laten doden. En in de richtlijnen voor de menselijke samenleving staat heel uitdrukkelijk “Gij zult niet doden”. Daarom kon David niet een Tempel voor de God van Israël laten bouwen. In die Tempel immers stond niet een beeld van de God van Israël, nergens was daar een spoor te vinden van een God als de machtigste, van een God die zijn volk tot het voornaamste volk op aarde had gebracht. Integendeel. Er stond een tafel met brood, er stond een kandelaar met zeven armen, er brandde een lamp. En in het binnenste waar niemand mocht komen stond een kist van acaciahout met twee gouden cherubijnen er op. In die kist werden de grondregels voor die samenleving bewaard.

In die Tempel werd ook geofferd. Maar dan niet om die God te voeden of groter te maken maar om te laten zien dat het volk bereid was te delen van hetgeen hen was toegevallen. Daarmee werd de God van Israël de steun van de armen zoals deze Psalm zo lyrisch bezingt. Armen mogen er immers altijd op rekenen dat er mensen zijn die de God van Israël volgen en dus bereid zijn te delen met de minsten, die bereid zijn om mensen die geen kansen meer lijken te hebben de kans geven opnieuw te beginnen. De jubel die in deze Psalm opklinkt doet denken aan het jubeljaar. In dat jaar, elke vijftig jaar opnieuw, zou elke familie die het door God gegeven stukje land in Israël was kwijtgeraakt dat stukje land weer terugkrijgen. Zo zou een menselijke samenleving in stand kunnen blijven. Ook de familie van David had een dergelijk stukje land. Dat lag in Bethlehem, het land van de vader van David, Isaï. Het land waar David als herder achter de schapen was weggeroepen om Koning te worden van Israël. Ooit zouden twee van zijn afstammelingen, Jozef en Maria, weer aan die richtlijn herinneren. Hun plaats was het door God aan de familie gegeven stukje land. En toen ze daarheen gingen en hun zoon baarden klonk opnieuw de Psalm die we vandaag meezingen, ere zij God. En zo  mogen wij elkaar elke dag toewensen: Vrede zij met U!

De twee platen van het verbond

Exodus 34:19-35

19  Alles wat als eerste de moederschoot verlaat behoort mij toe. Ieder eerstgeboren mannelijk dier van je kudde is voor mij, zowel van je runderen als van je schapen en geiten. 20  Elk eerstgeboren veulen van een ezel moet je vrijkopen met een schaap of geit. Koop je het niet vrij, dan moet je het de nek breken. Ook alle oudste zonen moet je vrijkopen.  Niemand mag met lege handen voor mij verschijnen. 21  Zes dagen lang mag je werken, maar op de zevende dag moet je rust houden, ook in de ploegtijd en in de oogsttijd. 22 Vier het Wekenfeest wanneer je de eerste opbrengst van de tarweoogst binnenhaalt, en het Inzamelingsfeest wanneer het jaar ten einde loopt. 23  Driemaal per jaar moeten alle mannen voor de Machtige, de HEER, de God van Israël, verschijnen. 24  Ik zal de andere volken voor jullie verdrijven en je een uitgestrekt gebied geven; niemand zal dan je akkers in bezit durven nemen wanneer je driemaal per jaar op reis gaat om voor de HEER, je God, te verschijnen. 25 Als je een offerdier voor mij slacht, mag het bloed van het dier alleen vloeien wanneer er niets aanwezig is dat zuurdesem bevat, en van het offerdier voor het pesachfeest mag niets tot de volgende morgen bewaard worden. 26 De allereerste opbrengst van je akker moet je naar het heiligdom van de HEER, je God, brengen. Een geitenbokje mag je niet koken in de melk van zijn moeder.’ 27  De HEER zei tegen Mozes: ‘Stel deze geboden op schrift, want op grond van deze geboden sluit ik met jou en de Israëlieten een verbond.’ 28   Veertig dagen en veertig nachten bleef Mozes daar bij de HEER, zonder te eten of te drinken. En hij schreef de tekst van het verbond, de tien geboden, op de platen. 29 Mozes daalde de Sinai af, met de twee platen van het verbond bij zich. Hij wist niet dat zijn gezicht glansde doordat hij met de HEER had gesproken. 30 Toen Aäron en de andere Israëlieten de glans op Mozes’ gezicht zagen, durfden zij niet naar hem toe te gaan, 31  maar Mozes riep hen bij zich. Aäron en de leiders van het volk kwamen bij hem en Mozes sprak met hen. 32 Daarna kwamen ook de andere Israëlieten. Hij droeg hun op zich te houden aan alles wat de HEER hem op de Sinai gezegd had. 33 Toen hij uitgesproken was, bedekte hij zijn gezicht met een doek. 34  Steeds wanneer Mozes voor de HEER verscheen om met hem te spreken, deed hij de doek af, totdat hij weer naar buiten kwam. Als Mozes de Israëlieten dan zei wat hem opgedragen was, 35 zagen zij hoe zijn gezicht glansde. Daarna bedekte hij zijn gezicht met de doek, totdat hij opnieuw met de HEER ging spreken. (NBV)

In het Bijbelstuk dat we vandaag lezen staat dat je tenminste drie maal per jaar naar het hart van het verbond uit de woestijn moet gaan. Hier wordt nog bedoeld dat alle mannen naar de Tabernakel moeten. In het boek Deuteronomium wordt dit gedeelte van het verbond uitgebreid voor mensen die al in het beloofde land wonen. Ook daar staat dat je drie maal per jaar naar God moet komen, maar die ontmoet je dan in de Tempel in Jeruzalem. En alleen je daar laten zien is niet genoeg. Je moet er een maaltijd houden. Met de Priesters en Levieten van de Tempel. Maar ook met je familie, je meiden en knechten, je slaven en slavinnen, de armen uit je dorp en de vreemdelingen die bij je wonen. Kennelijk moeten we wat vaker in beweging komen en blijven om gerechtigheid voor de armen ook echt af te dwingen. Dan neemt niemand meer ons onze akkers af. Die drie bezoeken aan de Tempel vallen samen met de drie oogstfeesten waar ook hier sprake van is.

Het eerste is het feest voor het begin van de gerstoogst. Gerst is het voedsel voor de armen. Om te laten zien dat je die oogst niet binnen haalt om er alleen zelf rijk van te worden laat je van het eerste deel zien dat je dat van God gekregen hebt en bereid bent om met God te delen. Op dat feest wordt de bevrijding uit Egypte gevierd. Het is het Pesachfeest, met ongezuurd brood en een geslacht lam dat je mag braden maar ook direct moet opeten. Het tweede feest is het begin van de tarweoogst. Tarwe is luxe dat is voor de rijken, maar ook van die oogst mag je laten zien dat je die van God hebt gekregen en bereid bent te delen met Gods kinderen. Dat feest is het Wekenfeest en dan wordt gevierd dat in de Woestijn God een verbond sloot met zijn volk, een verbond dat zou leiden naar een overvloed van melk en honing. Het derde feest kennen wij niet meer zo. Het viert het begin van fruitoogst in het najaar. Ook dit is van God ontvangen en is er voor om gedeeld te worden.

Het volk viert in het najaar dat het in gebrekkige tenten door de woestijn trok, waar God zorgde voor voldoende eten en drinken. Mozes straalde toen hij eindelijk richtlijnen van het verbond op de stenen platen had en het volk zo ver dat ze het accepteerden. Tien simpele regels. Geen andere Goden, geen beelden van God maken, niet zomaar zeggen dat God het wel zou willen, één dag in de week rusten, vader en moeder in ere houden, niet liegen, niet stelen, niet moorden, niet ontrouw zijn, niet jaloers zijn op een ander. Simpele regels die een heel volk in beweging zouden zetten. Regels die de wereld op z’n kop zouden moeten zetten. Want wat is dat nu voor een Godsdienst die niet meer zegt over de dienst aan God dan deze 10 regels. Dat land waar de Bijbel van droomt, het land waar voor iedereen te eten is, waar alle leed geleden en alle strijd gestreden is, ligt dus voor de hand. Het ligt 10 regels verder en de bereidheid om alles wat je toevalt te delen met God en met zijn kinderen. Begin er maar eens mee.

Genadig, geduldig, trouw en waarachtig

Exodus 34:1-18

1 De HEER zei tegen Mozes: ‘Hak twee stenen platen uit, gelijk aan de vorige. Dan zal ik op die platen de geboden schrijven die ook op de eerste stonden, die jij stukgegooid hebt. 2 Morgenvroeg moet je gereed zijn, want dan moet je de Sinai op gaan. Kom daar, op de top van de berg, bij mij. 3 Laat niemand met je mee naar boven gaan, op de hele berg mag niemand te zien zijn, en ook de schapen, geiten en runderen mogen niet in de nabijheid van de berg grazen.’ 4  Mozes hakte twee stenen platen uit, net als de vorige, en ‘s morgens ging hij in alle vroegte de Sinai op, zoals de HEER hem had opgedragen. De twee stenen platen droeg hij bij zich. 5 De HEER daalde neer in een wolk, hij kwam naast Mozes staan en riep de naam HEER uit. 6  De HEER ging voor hem langs en riep uit: ‘De HEER ! De HEER ! Een God die liefdevol is en genadig, geduldig, trouw en waarachtig, 7 die duizenden geslachten zijn liefde bewijst, die schuld, misdaad en zonde vergeeft, maar niet alles ongestraft laat en voor de schuld van de ouders de kinderen en kleinkinderen laat boeten, en ook het derde geslacht en het vierde.’ 8 Onmiddellijk viel Mozes op zijn knieën en boog zich neer. 9 ‘Als u mij goedgezind bent, Heer, ‘zei hij, ‘trekt u dan met ons mee, ook al is dit volk onhandelbaar. Schenk ons vergeving voor onze schuld en zonde en maak ons tot uw eigen bezit.’ 10 De HEER antwoordde: ‘Ik wil een verbond sluiten. Voor de ogen van heel je volk zal ik zulke wonderbaarlijke daden verrichten als er onder geen enkel volk op aarde ooit verricht zijn, en het hele volk dat bij jou is, zal zien welke ontzagwekkende dingen ik, de HEER, voor jou zal doen. 11 Jullie moeten je houden aan de geboden die ik je vandaag geef. Ik zal de Amorieten, de Kanaänieten, Hethieten, Perizzieten, Chiwwieten en Jebusieten voor je verdrijven. 12 Wacht je ervoor een verbond te sluiten met de inwoners van het land waarheen je op weg bent, want dat zou jullie ondergang zijn. 13 Breek hun altaren af, verbrijzel hun gewijde stenen en hak hun Asjerapalen om, 14 want jullie mogen niet voor een andere god neerknielen. De HEER, de Afgunstige, duldt immers geen andere goden naast zich. 15 Sluit geen verbond met de inwoners van dat land, want wanneer die zich met hun goden afgeven en offers aan hen brengen, zouden ze jullie uitnodigen om aan hun offermaaltijden deel te nemen. 16 En als jullie uit hun dochters voor je zonen vrouwen kiezen, en die vrouwen geven zich met hun goden af, zullen ze ook je zonen daartoe verleiden. 17 Maak geen godenbeelden. 18 Vier steeds het feest van het Ongedesemde brood, en wel op de daarvoor vastgestelde dagen van de maand abib, de maand waarin jullie weggetrokken zijn uit Egypte. Eet dan zeven dagen lang ongedesemd brood, zoals ik je heb opgedragen. (NBV)

Hoe vaak krijgen mensen echt een tweede kans nadat ze fouten hebben gemaakt? Die rechercheur uit Maastricht die na 37 jaar trouwe dienst een fiets stal op zijn werk in elk geval niet Trouwe Bijbellezers lezen vandaag dat Mozes opnieuw een verbond met God mag sluiten, nieuwe stenen platen voor de kist in de Heilige Tent. Die eerste fout was niet de fout van Mozes, het was de fout van het volk dat te weinig vertrouwen in die God had gehad, en van Aäron die te gemakkelijk met dat volk meeging. De ene heerser inruilen voor de andere levert in de geschiedenis voor geen enkel volk een voordeel op dus ook nu niet. Het verbond dat Mozes zal gaan sluiten en dat we een andere keer zullen lezen laat daar geen twijfel over.

De eerste benadering laat ruimte voor samen, die bevrijding is te delen, en geeft de mogelijkheid voor ommekeer, een heerser kan altijd nog dienaar worden. Een geknecht volk kan zich altijd bevrijden. Een tweede kans is altijd aanwezig. Nationalisme leidt altijd tot de vraag of het wat uitmaakt of je van de kat of van de hond gebeten wordt, die bevrijding is ook niet te delen, je hoort er bij of niet, je kunt er nooit bij gaan horen. Op die tweede kans heeft elke veroordeelde recht was het oordeel van het Europese Hof. Wij moeten voor mensen die tot een levenslange gevangenisstraf veroordeeld zijn daarvoor nog een goede vorm vinden.

Maar een tweede kans is ook de norm die ons voorgehouden is door dat verbond dat in de woestijn werd gesloten. Alleen fanatieke radicalen gunnen niemand een tweede kans, hoewel ook de profeet Mohammed zijn nieuwe godsdienst pas te vuur en te zwaard verdedigde nadat hij zijn met geweld optredende vijanden nog een kans had geboden op bekering, of overgave, beginnen de terroristen van New York, Madrid en Londen met het doden van mensen waarvan ze denken hen als hun vijand  te moeten beschouwen, ook al beschouwen die mensen hen helemaal niet als vijand. Het onderscheid tussen hen en ons is de tweede kans, zoveel hebben we tenminste van die God van Mozes wel geleerd. Zelfs terroristen verdienen een tweede kans.

Jou ben ik goedgezind

Exodus 33:12-23

12 Mozes zei tegen de HEER: ‘U draagt mij wel op het volk verder te laten trekken, maar u hebt mij niet laten weten wie u met mij mee zult sturen, terwijl u toch gezegd hebt: “Jou heb ik uitgekozen, jou ben ik goedgezind.”13 Als dat werkelijk zo is, laat mij dan weten wat uw plannen zijn. Dan leer ik u kennen en weet ik zeker dat u mij goedgezind bent. Vergeet toch niet dat deze mensen uw volk zijn.’ 14 De HEER antwoordde: ‘Moet ik dan zelf meegaan om je gerust te stellen?’ 15 Mozes zei: ‘Als u niet zelf meegaat, laat ons dan niet verder trekken. 16 Hoe zou moeten blijken dat u mij goedgezind bent, mij en ook uw volk, tenzij u met ons meegaat? Alleen dan nemen wij immers een bijzondere plaats in onder de volken die de aarde bewonen.’ 17 De HEER zei tegen Mozes: ‘Ik verzeker je dat ik zal doen wat je vraagt, want ik ben je goedgezind en ik heb je uitgekozen.’ 18 ‘Laat mij toch uw majesteit zien, ‘zei Mozes. 19 Hij antwoordde: ‘Ik zal in mijn volle luister voor je langs gaan en in jouw bijzijn de naam HEER uitroepen: ik schenk genade aan wie ik genade wil schenken, en ik ben barmhartig voor wie ik barmhartig wil zijn. 20  Maar, ‘zei hij, ‘mijn gezicht zul je niet kunnen zien, want geen mens kan mij zien en in leven blijven.’ 21 Toen sprak de HEER: ‘Er is een plaats op de rots waar je dicht bij mij kunt komen staan. 22  Als dan mijn majesteit voor je langs gaat, zal ik je in een kloof laten schuilen en mijn hand beschermend voor je houden tot ik voorbij ben. 23  Als ik mijn hand weghaal, zul je mij van achteren zien; mijn gezicht mag niemand zien.’ (NBV)

Vertalingen maken het soms moeilijk om te begrijpen wat er eigenlijk staat. Toen Mozes in het begin van zijn verhaal met God vroeg hoe God heette, goden hebben immers namen, was het antwoord “Ik zal er zijn”, zo kun je nauwelijks iemand noemen en de manier waarop het oorspronkelijk is opgeschreven is dan ook onuitspreekbaar. Het is dan ook onvoorstelbaar, een God waarvan je je geen beeld kunt vormen, die niet een naam heeft als andere Goden, maar die belooft altijd bij je te zijn. Een God ook die in het centrum van het heiligdom voor die God een kist laat zetten met daarin de tekst van het wederzijdse verbond tussen het volk en die God. Dat verbond werd gesloten in het hart van de woestijn. God liefhebben is hetzelfde als je naaste liefhebben als jezelf is de kern van dat verbond.

Lezers van dit verhaal zijn die God “Heer” gaan noemen. Je wilt toch niemand anders als baas, als machthebber, als aanvoerder, als leider, als manager, dan iemand die er altijd voor jou zal zijn en die als wet heeft dat je je naaste moet liefhebben als jezelf. Jezelf liefhebben mag dus ook, als je je naaste maar even lief hebt. Als het volk een eigen gouden god heeft gemaakt twijfelt Mozes of “Ik zal er zijn” nog wel mee wil met dit volk. Mozes daagt God daarom uit om zich als Heer, als koning, als majesteit te laten zien. En God neemt de uitdaging aan, een leider van een volk die zo overduidelijk dat leiderschap alleen maar ziet als dienst aan het volk, die het voor het volk opneemt als dat volk de fout in gaat beantwoord aan dat verbond uit de woestijn als geen ander. Die leiders moeten we vandaag de dag met een lantaarntje zoeken.

Geen maximum aan de inkomens maar de verhoging van de BTW blijft in stand. Met een fooi tracht men al die mensen af te kopen die in beweging kwamen tegen de armoede. Het lijkt er op dat mensen met een gewoon inkomen er op vooruitgaan, maar hun boodschappen worden duurder dus gaan ze er op achteruit. Over eerlijke handelsvoorwaarden werd niet gesproken. Het is dus weer aan onszelf om de wet van eerlijk delen, van rechtvaardigheid in het midden van de discussie te stellen. Alle keren dat we politici van welke partij ook tegenkomen zullen we moeten vragen naar een eerlijker handelssysteem. Stap komende week eens binnen bij een wereldwinkel of Fair Trade zaak in de buurt. Die mensen weten hoe de prijsverschillen tot stand zijn gekomen, waar de concurrentie oneerlijk is. Dan leidt God zelf ons uit de wereld van armoede en ongelijkheid naar een wereld van vrede en recht.