Deuteronomium 25:11-19
11 Als twee mannen aan het vechten zijn en de vrouw van een van hen mengt zich erin om haar man te helpen en grijpt de ander bij zijn schaamdelen, 12 dan moet zonder pardon haar hand worden afgehakt. 13 U mag niet twee verschillende gewichten, waarvan het ene te zwaar is en het andere te licht, in uw buidel hebben. 14 En u mag ook niet twee verschillende maatkannen, waarvan de één te groot is en de ander te klein, in huis hebben. 15 U moet het doen met één gewicht en één maatkan, die zuiver en geijkt zijn. Dan zult u lang leven in het land dat de HEER, uw God, u geven zal. 16 Want de HEER heeft een afschuw van iedereen die oneerlijk zakendoet. 17 Vergeet niet wat de Amalekieten u hebben aangedaan tijdens uw tocht uit Egypte. 18 Toen u uitgehongerd en uitgeput was hebben ze gewetenloos, zonder enig ontzag voor God, de achterhoede overvallen, waar de zwaksten zich bevonden. 19 Vergeet het niet! En wanneer straks de HEER, uw God, u rust heeft gegeven in het land dat u als grondgebied van Hem krijgt, door u te verlossen van de vijanden die u omringen, zorg er dan voor dat niets onder de hemel nog aan het volk van Amalek herinnert. (NBV21)
De Tora gaat overal over. Soms lijkt het te gaan over kleine details. Maar dat lijkt zo. Het gedeelte van vandaag begint met een gevecht tussen mannen en de mogelijke rol die een vrouw daarbij zou kunnen spelen. Ook vrouwen moeten zorgen voor het kunnen voortplanten door mannen. Zelfs als ze hun eigen man willen beschermen moeten ze de ander niet de toekomst ontnemen. Vrouwen en mannen zijn daarom gelijk. Respect en zorg voor elkaar, zelfs voor je vijanden, is wat voortdurend in deze gedragsregels doorklinkt.
Geen valse gewichten gebruiken, geen valse maatkannen gebruiken. Iedereen zal een afschuw moeten ontwikkelen van oneerlijk zaken doen. Als jij een ander benadeelt zal iemand jou ook wel eens benadelen. Als je ziet dat een ander benadeeld wordt zeg er dan wat van want voor je het weet ben jij het slachtoffer. En, wie weet, benadeel je een arme, een bondgenoot van de God van Israël. Delen, dat staat voorop en het laagste is iemand in de rug aanvallen, dat doe je door vals te handelen. Dat deden de Amalekieten toen Israël door hun woestijn trok.
Niets in uw goddelijke land mag aan zulke laaghartige lafaarts herinneren. Alles van dat gedrag strijdt met wat je mag verwachten van bewoners van een land van vrede en recht. Die aanval in de rug heeft eeuwenlang een spoor getrokken in Israël. Het volk zou eigenlijk geweldloos leven en nu werd het gedwongen tot geweld. Dat moet je tot het uiterste weten te vermijden. Bij die aanval had God gezorgd voor een overwinning op Amalek, maar het maakte de intocht in het beloofde land anders. Gelukkig mogen we elke dag proberen de wereld geweldloos te maken en dusweer opnieuw aan de opbouw van dat land overvloeiend van melk en honing beginnen, ook vandaag weer.