Offers en gaven verlangt u niet

Psalm 40

1 Voor de koorleider. Van David, een psalm. 2 Vol verlangen heb ik op de HEER gewacht en hij boog zich naar mij toe, hij heeft mijn roep om hulp gehoord. 3 Hij trok mij uit de kuil van het graf, uit de modder, uit het slijk. Hij zette mij neer op een rots, een vaste grond voor mijn voeten. 4 Hij gaf mij een nieuw lied in de mond, een lofzang voor onze God. Mogen velen het zien vol ontzag en vertrouwen op de HEER. 5 Gelukkig de mens die vertrouwt op de HEER en zich niet keert tot hoogmoedigen, tot hen die verstrikt zijn in leugens. 6 Veel wonderen hebt u verricht, veel goeds voor ons besloten, HEER, mijn God. Niemand is te vergelijken met u! Wil ik erover spreken, ervan verhalen, het is te veel om op te sommen. 7 Offers en gaven verlangt u niet, brand- en reinigingsoffers vraagt u niet. Nee, u hebt mijn oren voor u geopend 8 en nu kan ik zeggen: ‘Hier ben ik, over mij is in de boekrol geschreven.’ 9 Uw wil te doen, mijn God, verlang ik, diep in mij koester ik uw wet. 10 Wanneer het volk bijeen is, spreek ik over uw rechtvaardigheid, ik houd mijn lippen niet gesloten, u weet het, HEER. 11 Ik zwijg niet over uw goedheid, maar getuig van uw trouw en uw hulp. In de kring van het volk verheel ik niet hoe liefdevol, hoe trouw u bent. 12 U, HEER, u weigert mij uw ontferming niet, uw liefde en uw trouw zullen mij steeds bewaren, 13 ook nu rampen mij omringen, talloos vele, nu mijn zonden mij achtervolgen en ik geen uitweg zie, nu ze talrijker zijn dan de haren op mijn hoofd en de moed mij is ontzonken. 14 Wil uitkomst brengen, HEER, HEER, kom mij haastig te hulp. 15 Laat beschaamd en vernederd worden wie mij naar het leven staan, met schande terugwijken wie mijn ongeluk zoeken, 16 van schaamte verstommen wie de spot met mij drijven. 17 Wie bij u hun geluk zoeken zullen lachen en vrolijk zijn, wie van u hun redding verwachten zullen steeds weer zeggen: ‘Groot is de HEER.’ 18 Ik ben arm en zwak, Heer, denk aan mij. U bent mijn helper, mijn bevrijder, mijn God, wacht niet langer. (NBV)

Vandaag zingen we eigenlijk twee psalmen. Het gedeelte van de Psalm van vandaag vanaf vers 14 vinden we ook in Psalm 70. Ooit zijn de twee psalmen tot één lied samengevoegd. En hoe kan dat, het lijken toch twee verschillende liederen? Het eerste is een dankzegging en het tweede een roep om hulp. Omgekeerd kunnen we ons dat wel voorstellen. Iemand zit in nood, roept God om hulp en dankt vervolgens voor de redding. Maar omgekeerd is dan toch een beetje raar. Als je de psalm nauwkeurig leest kan het toch duidelijk worden. Want waar gaat die dankzegging over? Over het Woord van God, over de boekrol waar je over jezelf kunt lezen en over het volk waartegen voortdurend erover gesproken moet worden. En dan gaat het over de dienst aan God. Een rare God was dat in de dagen dat de psalm werd geschreven. Alle goden hadden tempels met altaren waarop offers werden gebracht om de goden gunstig te stemmen. In die tempels stonden de mooiste beelden van die goden.

Maar de schrijver van de psalm en zijn volk hadden zulke tempels niet. Die God van hen had zelfs geen naam, alleen de belofte dat die God er zou zijn voor hen. Die God kon je niet gunstig stemmen door brand- en reinigingsoffers maar alleen door het houden van dat gebod van heb je naaste lief als jezelf. Als je dat doet dan herken je jezelf ineens in het verhaal dat in het boek over dat gebod staat opgetekend. Daar staan de verhalen over mensen die probeerden zich aan dat gebod te houden, hoe ze er soms in slaagden en hoe ze soms mislukten in hun pogingen. Maar als je anderen probeert te overtuigen van het nut van de naaste lief te hebben als jezelf dan loop je zeer de kans bespot te worden, aangevallen, uitgestoten, belasterd, achtervolgd. Dat was zo in de dagen dat de psalm werd geschreven, dat is zo in onze dagen.

Wie komt er op voor de slachtoffers van de vluchtelingenramp in Griekenland, wie vraagt in een tijd van dreigende werkloosheid nog om eerlijke handelsverhoudingen met de armste landen, wie vraagt in een tijd van toenemende culturele spanningen nog om samenwerking en samen leven met vreemdelingen, wie durft het nog op te brengen een rechtvaardige behandeling te vragen voor vluchtelingen die in ons land zijn ontvangen? De moed om te strijden voor een rechtvaardige samenleving zinkt je soms letterlijk in de schoenen. Dan is een schreeuw om hulp meer dan gerechtvaardigd. Die schreeuw om hulp volgt daarom op de dankbaarheid de wet van houden van je naaste als van jezelf te hebben ontdekt, gehouden en uitgedragen. Juist de belofte die de naam van de God van de psalmist met zich meebrengt er te zijn juist in de meest donkere tijden maakt dat de schreeuw om hulp ook de belijdenis is van de macht van die God, de macht van de liefde van die God, de liefde die je zelf mag uitstralen. Wanhoop daarom vandaag niet, werk aan de rechtvaardige samenleving van die God.

Ik zal haar zegenen

Genesis 17:15-27

15 Verder zei God tegen Abraham: ‘Wat je vrouw Sarai betreft, voortaan moet je haar niet Sarai noemen maar Sara. 16 Ik zal haar zegenen en jou bij haar een zoon geven. Ik zal haar zo rijk zegenen dat er volken uit haar zullen voortkomen en er koningen van haar zullen afstammen.’ 17 Abraham boog zich diep neer, maar lachte en dacht: Hoe zou iemand van honderd nog een kind kunnen krijgen? En Sara, zou zij op haar negentigste nog een kind ter wereld kunnen brengen? 18 En hij antwoordde God: ‘Ik zou al gelukkig zijn als Ismaël onder uw bescherming mocht staan.’ 19 Maar God zei: ‘Nee, je vrouw Sara zal je een zoon baren, die je Isaak moet noemen, en met hem zal ik mijn verbond voortzetten. Het zal een eeuwigdurend verbond zijn, dat ook voor zijn nakomelingen zal gelden. 20 En wat Ismaël betreft, ik verhoor je: ik zal hem zegenen, hem vruchtbaar maken en hem veel, heel veel nakomelingen geven. Twaalf stamvorsten zal hij verwekken en er zal een groot volk uit hem voortkomen. 21 Maar mijn verbond zal ik voortzetten met Isaak, de zoon die Sara je volgend jaar omstreeks deze tijd zal baren.’22 Nadat God zo met hem gesproken had, ging hij bij Abraham vandaan. 23 Nog diezelfde dag besneed Abraham zijn zoon Ismaël, allen die in zijn huis geboren waren en allen die hij gekocht had, kortom al zijn mannelijke huisgenoten, zoals God hem had opgedragen. 24 Abraham was negenennegentig jaar toen hij besneden werd, 25 en zijn zoon Ismaël was dertien. 26 Zo werden op een en dezelfde dag Abraham en zijn zoon Ismaël besneden 27 en ook al Abrahams huisgenoten, zowel zij die in zijn huis geboren waren als zij die van vreemdelingen waren gekocht. (NBV)

Ons erfrecht is er eeuwenlang vanuit gegaan dat de oudste zoon het familiebezit zou erven. In sommige landen is dat nog steeds het geval. Voor een agrarische samenleving is dat ook niet zo vreemd. Als je een stuk land hebt en je wilt dat gelijk verdelen onder alle kinderen die het zware werk op het land aankunnen, en overal is er het vooroordeel dat dat de zonen zouden zijn, dan is er van dat land snel niet veel meer over, in elk geval niet genoeg om van de leven. Dat geldt overigens ook voor een winkel, waar een gezin van kan leven maar twee niet, of een vergelijkbaar familiebedrijf. De Bijbel verzet zich tegen dat automatisme van het recht van de eerstgeborene, zeker dat van de eerste de beste. Voortdurend wordt dat recht ondermijnd. Ook hier weer.

Daar waar je zou verwachten dat Ismaël als eerstgeboren zoon van Abraham ook de eerste erfgenaam zou zijn draait God dat om. Natuurlijk hoort Ismaël er volledig bij, ook hij wordt immers besneden. Maar de erfgenaam zal de nog ongeboren Izaäk zijn. Christelijke aanhangers van de monarchie zouden dit wel eens tot zich door mogen laten dringen. Niet de eerste is volgens de Bijbel automatisch de meest geschikte maar de volgende, soms zelfs de laatste. Misschien is dus gravin Leonore uit onze Koninklijke familie, wel een betere koningin van Nederland dan Prinses Amalia. Als het volk Israel uit Egypte bevrijd moet worden zijn trouwens de eerstgeborenen de prijs die het volk van Egypte moet betalen voor het verzet tegen de vrijheid.

De verhalen die we deze dagen over Abraham en Ismaël lezen zijn overigens ook een bron van verwantschap tussen Joden, Christenen en Moslims. Ook Moslims zullen zich herkennen in hun voorvader Abraham die besneden werd omdat hij geloofde in de Ene God. Zo ver staan we dus niet van elkaar af en de Islamitische cultuur maakt net zo goed van ouds deel uit van onze samenleving als de Joodse en de Christelijke. De twaalf stammen van Israël staan net als de twaalf apostelen en de twaalf vorsten van Ismaël voor de volken van de hele wereld. Alle volken zullen naar Jeruzalem moeten zien waar de Wet van Liefde en Recht was opgeslagen. Met Abraham was de reis begonnen, maar de reis is nog niet afgelopen.

Leid een onberispelijk leven.

Genesis 17:1-14

1 Toen Abram negenennegentig jaar was, verscheen de HEER aan hem en zei: ‘Ik ben God, de Ontzagwekkende. Leef in verbondenheid met mij, leid een onberispelijk leven. 2 Ik wil met jou een verbond aangaan en ik zal je veel, heel veel nakomelingen geven.’ 3 Abram boog zich diep neer en God sprak: 4 ‘Ik doe jou deze belofte: je zult de stamvader worden van een menigte volken. 5 Je zult voortaan niet meer Abram heten maar Abraham, want ik maak je de vader van vele volken. 6 Ik zal je bijzonder vruchtbaar maken. Er zullen veel volken uit je voortkomen en onder je nazaten zullen koningen zijn. 7 Ik sluit een verbond met jou en met je nakomelingen, met alle komende generaties, een eeuwigdurend verbond: ik zal jouw God zijn en die van je nakomelingen. 8 Heel Kanaän, het land waar je nu als vreemdeling woont, zal ik jou en je nakomelingen voor altijd in bezit geven, en ik zal hun God zijn.’ 9 Ook zei God tegen Abraham: ‘Jij moet je houden aan dit verbond met mij, evenals je nakomelingen, generatie na generatie. 10 Dit is de verplichting die jullie op je moeten nemen: alle mannen en jongens moeten worden besneden. 11 Jullie moeten je voorhuid laten verwijderen; dat zal het teken zijn van het verbond tussen mij en jullie. 12 In elke generatie opnieuw moet iedereen van het mannelijk geslacht besneden worden wanneer hij acht dagen oud is. Dit geldt niet alleen voor wie tot je eigen volk behoort maar ook voor jullie slaven, of ze nu bij jullie geboren zijn of van vreemdelingen zijn gekocht; 13 iedereen die bij jullie geboren is of door jullie is gekocht, moet worden besneden. Zo zal dit verbond met mij voorgoed zichtbaar zijn aan jullie lichaam. 14 Een onbesnedene, een mannelijk persoon van wie de voorhuid niet verwijderd is, moet uit de gemeenschap gestoten worden, omdat hij het verbond verbroken heeft.’ (NBV)

Het lijkt wat negatief gesteld, als je niet wil meedoen moet je er maar uit. Maar wie horen volgens dit verhaal bij het volk van het verbond? Niet alleen Abraham, zoals hij voortaan heet, en zijn vrouwen en kinderen, maar ook de knechten en zelfs de slaven. In het verhaal over de oorlog tegen de koningen van Irak en, Iran, toen de neef van Abraham Lot was ontvoerd, lazen we al dat Abraham in staat was zelf een legertje van 318 man op de been te brengen. Er ontstaat dus op dit moment al een gemeenschap van vele honderden mensen. In de verhalen die we tegenwoordig over Abraham horen lijkt het soms alsof hij samen met zijn vrouw Sara, een tent en een kudde schapen rondzwerft maar zo is het niet. De droom die Abraham maar niet los laat, dat hij de vader van vele volken zal worden, wordt in zijn directe leven werkelijkheid. Hij gaat bijna alleen uit Charan op reis maar wordt zeker na zijn bezoek aan Egypte steeds rijker en dus zijn gezelschap steeds groter.

Let op dat hier ook de slaven mee mogen doen. Die horen er gewoon bij. Dat zijn broeders. De mensen die in ons land als vreemdeling hebben gewoond en die al jaren lang op een definitieve beslissing op hun verzoek tot verblijf zitten te wachten hebben het geluk niet dat ze zo snel worden meegeteld. Mensen die de pech hebben hier niet welkom te zijn maar ook in hun land van herkomst niet terug mogen keren worden zelfs in onze gevangenis opgesloten, zelfs als hun regering luid en duidelijk laat weten die wie ooit het land ontvlucht is niet mag terugkeren. Dat opsluiten gebeurd in ons land dus met mensen die geen enkel misdrijf hebben begaan. Geen wonder dat de PKN daar bij het hof voor de mensenrechten tegen heeft geprotesteerd. Dat hele volkje van Abraham zoals hij voortaan heten zal moet besneden worden. Een medische ingreep waarover in onze dagen veel te doen is. Waarom zou je een stuk huid van iemand verwijderen zonder dat daar een noodzaak voor is. In de dagen van Abraham was het een daad, een verklaring van zelfvertrouwen.

Toen Abram oorlog had gevoerd met de vijanden van Sodom, degenen die zijn neef Lot had ontvoerd, had hij van de soldaten die hij had overwonnen de voorhuiden afgesneden. Hij had ze dus niet gedood zoals de gewoonte was en lang de gewoonte zou blijven, maar hij had de voorhuiden meegenomen als teken van overwinning. Nu maakte hij zijn eigen volkje, zijn volk in wording, onoverwinnelijk. Niemand kon meer de voorhuiden van zijn mensen meenemen. De God van Abraham had hem immers beloofd dat al die besnedenen onder het verbond zouden vallen dat ze een groot volk zouden worden. Paulus zou later schrijven dat we ons innerlijk moeten laten besnijden, niemand immers kan ons afhouden van de Liefde van God en het geloof dat we mee mogen bouwen en op weg zijn naar een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, elke dag mogen we daarheen op weg gaan als zelfverzekerde mensen die van dat pad niet af te brengen zijn.

Een Egyptische slavin

Genesis 16:1-16

1 Abrams vrouw Sarai baarde hem geen kinderen. Nu had zij een Egyptische slavin, Hagar. 2 ‘Luister, ‘zei Sarai tegen Abram, ‘de HEER houdt mijn moederschoot gesloten. Je moest maar met mijn slavin slapen, misschien kan ik door haar nakomelingen krijgen.’ Abram stemde met haar voorstel in 3 en Sarai gaf hem haar Egyptische slavin Hagar tot vrouw; Abram woonde toen tien jaar in Kanaän. 4 Hij sliep met Hagar en zij werd zwanger. Toen Hagar merkte dat ze zwanger was, verloor ze elk respect voor haar meesteres. 5 Sarai zei tegen Abram: ‘Voor het onrecht dat mij wordt aangedaan ben jij verantwoordelijk! Ik heb je mijn slavin ter beschikking gesteld, en nu ze weet dat ze zwanger is toont ze geen enkel respect meer voor mij. Laat de HEER maar beoordelen wie er in zijn recht staat: ik of jij.’ 6 Abram antwoordde: ‘Het is jouw slavin, doe met haar wat je goeddunkt.’ Toen maakte Sarai haar het leven zo zwaar dat ze vluchtte. 7 Een engel van de HEER trof haar in de woestijn aan bij een waterbron, de bron die aan de weg naar Sur ligt. 8 ‘Hagar, slavin van Sarai, waar kom je vandaan en waar ga je heen?’ vroeg hij. ‘Ik ben gevlucht voor Sarai, mijn meesteres, ‘antwoordde ze. 9 ‘Ga naar je meesteres terug, ‘zei de engel van de HEER, ‘en wees haar weer gehoorzaam.’ 10 En hij vervolgde: ‘Ik zal je heel veel nakomelingen geven, zo veel dat ze niet te tellen zullen zijn. 11 Je bent nu zwanger en je zult een zoon ter wereld brengen. Die moet je Ismaël noemen, want de HEER heeft gehoord hoe zwaar je het te verduren had. 12 Een wilde ezel van een mens zal hij zijn: hij schopt iedereen, iedereen schopt hem. Met al zijn verwanten zal hij in onmin leven.’ 13 Toen riep zij de HEER, die tot haar had gesproken, zo aan: ‘U bent een God van het zien. Want, ‘zei ze, ‘heb ik hier niet hem gezien die naar mij heeft omgezien?’ 14 Daaraan dankt de bron die daar is zijn naam, Lachai-Roï; hij ligt tussen Kades en Bered. 15 Hagar bracht een zoon ter wereld, en Abram noemde de zoon die zij hem gebaard had Ismaël. 16 Abram was zesentachtig jaar toen Hagar hem Ismaël baarde. (NBV)

Zo op het eerste gezicht is dit een verhaal over vrouwenonderdrukking maar in werkelijkheid een verhaal over hoe we echt met elkaar om horen te gaan. Sarai, de vrouw van Abram, had al 10 jaar in het vruchtbare Kanaän gewoond en nog steeds geen kinderen gekregen. Dan mag je wel aannemen dat je onvruchtbaar blijft. Ze verzint dus een list, een Egyptische Slavin genaamd Hagar moet namens haar maar een kind krijgen. Hagar betekent volgens sommigen zwerfster, volgens anderen vluchtelinge, in elk geval is het een vreemdelinge. Die Hagar heeft het dus helemaal gemaakt, zwanger van de grote vader, want Abram betekent grote vader, dus is zij de eerste onder de vrouwen. Sarai pikt dit niet en neemt wraak. Hagar vlucht en dan komt God tussenbeide.

Die God van Abram die aan Abram en zijn kinderen een groot nageslacht heeft beloofd, heeft dat nageslacht dus ook aan de zoon van Hagar beloofd. Ook al zal dat volk van Ismaël in oorlog zijn met het volk van de andere kinderen van Abram, beiden zullen ze groot geacht worden. Achteraf natuurlijk gemakkelijk te zeggen dat ze gelijk had. Maar je moet maar durven vertrouwen op zo’n belofte als je de woestijn bent ingevlucht omdat je zo vernederd bent. Dat Abram de zoon toch opneemt als zoon van Hagar, door hem Ismael te noemen, betekent dat Hagar er voortaan ook bij hoort, net als Sarai maar zeker niet als de mindere. Zo gaan we dus met elkaar om, ook een zwervende vreemdelinge hoort er bij. Abram weet dat, hij is immers zelf nog een zwervende vreemdeling in Kanaän. Zwangere vrouwen wegsturen, kinderen in de gevangenis stoppen, vreemdelingen met de nek aankijken en vernederen, het hoort allemaal niet bij het verhaal van God.

Die God van Abram, en dus ook de God van Hagar, ziet op de minsten, op de zwaksten, en heeft de bedoeling dat wij ze daardoor ook gaan zien. Juist een goede behandeling voor vreemdelingen, maakt ons tot een christelijk volk, dat zijn we dus nog lang niet. Er wordt al een aantal jaren om gevraagd. Mensen in de gevangenis stoppen als ze geen misdrijf hebben begaan is niet de oplossing. Mensen die hier zonder toestemming zijn tot criminelen verklaren is ook geen oplossing. Als je wilt dat ze teruggaan naar het land waar ze vandaan komen breng ze er dan heen. Eindelijk is dat ook door de PKN doorgedrongen en hebben ze een klacht ingediend bij de Europese Rechter. Ze verdienen onze steun en zorg voor vreemdelingen in de knel mag elke dag opnieuw, ook vandaag weer.

Heb uw naaste lief als uzelf.

Romeinen 13:8-14

8  Wees elkaar niets schuldig, behalve liefde, want wie de ander liefheeft, heeft de gehele wet vervuld. 9  Want: ‘Pleeg geen overspel, pleeg geen moord, steel niet, zet uw zinnen niet op wat van een ander is’ deze en alle andere geboden worden samengevat in deze ene uitspraak: ‘Heb uw naaste lief als uzelf.’ 10  De liefde berokkent uw naaste geen kwaad, dus de wet vindt zijn vervulling in de liefde. 11 U kent de huidige tijd: het moment is gekomen waarop u uit de slaap moet ontwaken, want de redding is ons meer nabij dan toen we tot geloof kwamen. 12  De nacht loopt ten einde, de dag nadert al. Laten we ons daarom ontdoen van de praktijken van de duisternis en ons omgorden met de wapens van het licht. 13  Laten we daarom zo eerzaam leven als past bij de dag en ons onthouden van bras- en slemppartijen, ontucht en losbandigheid, tweespalt en jaloezie. 14  Omkleed u met de Heer Jezus Christus en geef niet toe aan uw eigen wil, die begeerten in u opwekt. (NBV)

Wat mag nu wel en wat mag nu niet? Hele boeken zijn er over volgeschreven en we nemen elkaar zo graag de maat van goed en kwaad. We hebben er zelfs een wetenschap van gemaakt: de ethiek. Maar volgens Paulus is er voor eenvoudige gelovigen een eenvoudige uitweg uit het labyrint van goed en kwaad: de liefde. Al die wetten en regels zijn vervuld als je je naaste lief hebt als jezelf. Daarom kunnen we zo vaak zeggen dat de Tempel in Jeruzalem de Tempel was van je naaste liefhebben als jezelf, en dat als er staat dat volken zich naar Jeruzalem wenden dat betekent dat ook die volken het heb je naaste lief als je zelf tot hoofdregel van het dagelijks gedrag maken. De wet vindt zijn vervulling in de liefde. Dat betekent ook dat wat op het ene moment goed is voor de een op een ander moment kwaad kan zijn voor de ander, de liefde voor de naaste bepaalt dat immers en het oordeel is niet aan mensen maar aan God.

Paulus kan dit ook schrijven want als Jood weet hij dat de eerste zonde was dat Adam en Eva wilden eten van de boom van kennis van goed en kwaad, waarmee zij gelijk aan God wilden worden. Dat kunnen wij mensen niet en dat moeten we ook niet willen nastreven. Voor ons is de liefde, het goede doen voor onze medemens, het enige dat ons te doen staat. Alle overwegingen over het kwade, over de duisternis behoren voor ons voorbij te zijn. Wij omgorden ons met de wapens van het licht. Wapens, want het is niet eenvoudig om alleen het goede te doen. We moeten immers het kwade overwinnen door het goede. Het gedeelte van vandaag begint ook met iets aan iemand schuldig te zijn. Dat betekent dat we niemand afwijzen, nooit nee zeggen tegen een persoon, wel nee zeggen tegen een verzoek om iets te doen, maar dan duidelijk maken hoe we dat nee nodig hebben uit liefde voor die persoon. We zijn aan de ander dus altijd alleen de liefde schuldig.

Dat roept ons ook op de ander te wijzen op hetgeen iemand kan schaden, op fouten, op onderdrukking en uitbuiting. Daar zijn geen grenzen in, tot aan de hoogste overheid toe zijn wij immers niet dan de liefde verschuldigd en wat onze minste broeders en zusters is aangedaan is Jezus van Nazareth aangedaan en daarmee ons aangedaan. Maar wij zeggen dat uit liefde, ieder moet de kans krijgen zich anders te gaan gedragen en zich aan te sluiten bij de beweging van de liefde. Zo laten we ook onszelf gezeggen, want we mogen aannemen dat iemand die ons op onze fouten wijst dat doet uit liefde en in elk geval mogen we dankbaar zijn als we onze fouten mogen herstellen. Daarom mogen we in ons gedrag van alle dag, waarin we mensen als broeders en zusters zien en niet als objecten van lustbevrediging, waarin we altijd onszelf blijven op wie een beroep kan worden gedaan, werken aan de komst van het Koninkrijk, niet om er zelf beter van te worden, maar omdat we de ander liefhebben, ook vandaag weer.

Geef iedereen wat hem toekomt

Romeinen 13:1-7

1 Iedereen moet het gezag van de overheid erkennen, want er is geen gezag dat niet van God komt; ook het huidige gezag is door God ingesteld. 2  Wie zich tegen dit gezag verzet, verzet zich dus tegen een instelling van God, en wie dat doet roept over zichzelf zijn veroordeling af. 3  Wie doet wat goed is heeft van de gezagsdragers niets te vrezen, alleen wie doet wat slecht is. U wilt niets van de overheid te vrezen hebben? Doe dan wat goed is en ze zal u prijzen, 4  want ze staat in dienst van God en is er voor uw welzijn. Maar wanneer u doet wat slecht is, kunt u haar beter vrezen: ze voert het zwaard niet voor niets, want ze staat in dienst van God, en door hem die het slechte doet zijn verdiende straf te geven, toont ze Gods toorn. 5  U moet haar gezag dus erkennen, en niet alleen uit angst voor Gods toorn, maar ook omwille van uw geweten. 6  Daarom betaalt u ook belasting en staat wie belasting int in dienst van God. 7 Geef iedereen wat hem toekomt: belasting aan wie u belasting verschuldigd bent, accijns aan wie u accijns verschuldigd bent, ontzag aan wie ontzag toekomt, eerbied aan wie eerbied toekomt. (NBV)

We moeten vandaag heel voorzichtig zijn met hetgeen we lezen. Met de verzen die vandaag op het leesrooster staan is heel wat onrecht goedgepraat en als we dat weer doen dan lezen we de Bijbel verkeerd. De Bijbel moet niet gelezen worden uit het oogpunt van de machthebbers maar uit het oogpunt van de machtelozen. Wat immers de minsten is gedaan is aan God zelf gedaan. Het ging hiervoor over de vijand en hoe je het kwade dient te overwinnen door het goede. Geldt dat dan ook voor de overheid? In het verhaal over de overheid heeft Paulus het voortdurend over God. En God was immers de enige Heer over de wereld. Een overheid is dan ook ingesteld door God. Daarmee heeft de overheid niet een eigen recht van bestaan en kan ze handelen naar eigen inzicht. Het goed of fout van de overheid wordt beoordeeld door God en dient beoordeeld te worden in het licht van God.

Het vers dat volgt op het gedeelte van vandaag zegt dat je niemand iets schuldig moet zijn dan de liefde. Dat geldt dus ook en juist voor de overheid. Want de geschiedenis van Israël leert dat een anarchistische staat niet tot vrede en gerechtigheid voert. Lees er het Bijbelboek Rechters maar eens op na. En een wereldregering zoals er eigenlijk in het Romeinse Rijk was is nodig. De handel moet beschermd worden, burgers moeten in vrede kunnen leven, bij conflicten moet er recht gesproken kunnen worden. In onze tijd hebben we het over onderwijs en zorg. En wie minder belasting wil betalen en minder files op de wegen wil moet echt thuis blijven en niet naar buiten komen. Alles wat we met elkaar willen kost geld en dat moet rechtvaardig worden geïnd en rechtvaardig worden beheerd en uitgegeven. Er is niets tegen een goede overheid maar alles tegen een slechte overheid.

Het volk in de woestijn dat het gebod had gekregen de naaste lief te hebben als zichzelf kreeg ook een inrichting van een samenleving met een overheid. Groepen kozen vertegenwoordigers en Mozes had rechters aangesteld. Met die vertegenwoordigers werd overlegd en zo moest de samenleving in de woestijn kunnen functioneren. Onze democratie heeft er nog de sporen van. Maar het functioneert pas als ook de zwaksten mee kunnen doen, als groepen in de samenleving bereid zijn samen te leven en niet tegen elkaar worden opgezet. Zorg is daarom van groot belang voor het functioneren van de samenleving, net als respect voor brandweer-, ambulance- en politiepersoneel. Het gedeelte van vandaag onderwerpt de burger dus niet aan een overheid maar bevrijdt de burger van angst voor de overheid. Niemand heeft recht op een wapen, het zwaard van de overheid die kan ons beschermen. Aan ons om het goede te doen, de overheid het goede voor te houden en te bouwen aan een samenleving zoals de God van Israël die ons heeft voorgehouden, ook vandaag weer.

Verafschuw het kwaad

Romeinen 12:9-21

9  Laat uw liefde oprecht zijn. Verafschuw het kwaad en wees het goede toegedaan. 10  Heb elkaar lief met de innige liefde van broeders en zusters en acht de ander hoger dan uzelf. 11  Laat uw enthousiasme niet bekoelen, maar laat u aanvuren door de Geest en dien de Heer. 12  Wees verheugd door de hoop die u hebt, wees standvastig wanneer u tegenspoed ondervindt, en bid onophoudelijk. 13  Bekommer u om de noden van de heiligen en wees gastvrij. 14  Zegen uw vervolgers; zegen hen, vervloek hen niet. 15  Wees blij met wie zich verblijdt, heb verdriet met wie verdriet heeft. 16  Wees eensgezind; wees niet hoogmoedig, maar zet uzelf aan tot bescheidenheid. Ga niet af op uw eigen inzicht. 17  Vergeld geen kwaad met kwaad, maar probeer voor alle mensen het goede te doen. 18  Stel, voorzover het in uw macht ligt, alles in het werk om met alle mensen in vrede te leven. 19  Neem geen wraak, geliefde broeders en zusters, maar laat God uw wreker zijn, want er staat geschreven dat de Heer zegt: ‘Het is aan mij om wraak te nemen, ik zal vergelden.’ 20  Maar ‘als uw vijand honger heeft, geef hem dan te eten, als hij dorst heeft, geef hem dan te drinken. Dan stapelt u gloeiende kolen op zijn hoofd’. 21  Laat u niet overwinnen door het kwade, maar overwin het kwade door het goede. (NBV)

Het kwaad verafschuwen dat willen we meestal wel.  Maar dan het goede toegedaan zijn, dat is veel moeilijker. We hebben immers de neiging het kwaad met kwaad te vergelden. De dader van de aanslag op een Koptische Kerk in Egypte krijgt de doodstraf. Is dat terecht? De Bijbel gebiedt ons voor het leven te kiezen. Die aanslag verafschuwen we, het is het kwade, maar hoe zijn we dan het goede toegedaan? Durven we ons te verplaatsen in de positie van de armen in Egypte? Durven we mee te voelen met hun wanhoop over een uitzichtloze samenleving? Kennen we de wetten die de Egyptische boeren verhinderen op onze markten op een eerlijke wijze te concurreren met onze boeren? Kennen we de wanhoop over de goedkope massaproducten die ook Egypte overspoelen en waardoor plaatselijke producenten geen kans krijgen? Zetten we onze verontwaardiging over het kwade dan om in de bereidheid eerlijk te delen? Gaan we dan meer aan ontwikkelingssamenwerking doen?

Zien we in dat samenwerking altijd beter is dan verdeeldheid zaaien? We moeten ons zeker laten aanvuren door de Geest van Jezus van Nazareth, onze vijanden leren lief te hebben. Juist daarin standvastig zijn is niet eenvoudig als je de grote woorden over een tweedeling in de wereld hoort, zoals er mensen zijn die ons wijs willen maken dat de tweedeling gaat tussen geloven en niet tussen rijken en armen. Daarom zegt Paulus hier gastvrij te zijn. Die heiligen zijn onze broeders en zusters, maar in Bijbelse termen zijn alle mensen onze broeders en zusters en wat de minste is aangedaan is Jezus van Nazareth zelf aangedaan. Daarom moeten we onze vervolgers zegenen en niet vervloeken. We hebben altijd wegen om ook van onze vervolgers uiteindelijk het goede te laten uitgaan. De armen die bij ons aankloppen met de vraag hen een plaats, werk en veiligheid te geven zijn de broeders en zusters van Jezus en van ons, wat we hen aandoen doen we Jezus aan.

We zullen bij onszelf te rade moeten gaan om het kwaad niet met het kwaad te vergelden. Een rechte rug voor Christenen betekent dat de linkerwang wordt toegekeerd, dat Christenen weigeren geweld tegenover geweld te stellen, dat ze dat volhouden en voorhouden ook als ze bedreigd en vervolgd worden. Daarom moet je alles in het werk stellen om de vrede te bewaren en geen wraak nemen. De wraak van onze God is zoet, die roept mensen hem te dienen door elkaar lief te hebben. En juist door meer aan ontwikkelingssamenwerking te doen zelfs in Egypte en Rwanda. We doen dat door mensen te scholen in democratie, door onrechtvaardige handelsmuren te slechten. Zo stapelen we gloeiende kolen op de hoofden van de aanslagplegers. Dan hoeven er geen doodstraffen te worden uitgedeeld maar kunnen we samen kiezen voor het leven, ook vandaag weer.

De ware eredienst

Romeinen 12:1-8

1 Broeders en zusters, met een beroep op Gods barmhartigheid vraag ik u om uzelf als een levend, heilig en God welgevallig offer in zijn dienst te stellen, want dat is de ware eredienst voor u. 2  U moet uzelf niet aanpassen aan deze wereld, maar veranderen door uw gezindheid te vernieuwen, om zo te ontdekken wat God van u wil en wat goed, volmaakt en hem welgevallig is. 3  Met een beroep op de genade die mij geschonken is, zeg ik u allen dat u zichzelf niet hoger moet aanslaan dan u kunt verantwoorden, maar verstandig over uzelf moet denken. Denk overeenkomstig het geloof, dat is de maatstaf die God u heeft gegeven. 4  Zoals ons ene lichaam vele delen heeft en die delen niet allemaal dezelfde functie hebben, 5  zo zijn we samen één lichaam in Christus en zijn we, ieder apart, elkaars lichaamsdelen. 6  We hebben verschillende gaven, onderscheiden naar de genade die ons geschonken is. Wie de gave heeft te profeteren, moet die in overeenstemming met het geloof gebruiken. 7  Wie de gave heeft bijstand te verlenen, moet bijstand verlenen. Wie de gave heeft te onderwijzen, moet onderwijzen. 8  Wie de gave heeft te troosten, moet troosten. Wie iets weggeeft, moet dat zonder bijbedoeling doen. Wie leiding geeft, moet dat doen met volle inzet. Wie barmhartig voor een ander is, moet daarin blijmoedig zijn. (NBV)

Vandaag vallen we de brief van Paulus aan de Romeinen binnen. Een belangrijke brief, zeker in de tijd van de hervorming. Niet lang geleden was het 500 jaar geleden dat de Hervorming van de Rooms Katholieke kerk begon met de stellingen van Maarten Luther. Hij was daartoe gekomen door het bestuderen van deze brief aan de Romeinen. Paulus heeft het in het gedeelte van vandaag over de vorming van de gemeente. Dat een Christen zichzelf door gebed en studie moest veranderen maar buiten de Christelijke gemeenschap, in de wereld, dezelfde kon blijven is een oud misverstand, we leven niet in twee werelden maar in één wereld, Gods wereld, goed of kwaad. Daarom benadrukt Paulus dat we samen één lichaam zijn, niemand is beter of slechter dan een ander, ieder moet zich bewust zijn wat hij of zij kan en er op uit zijn het beste uit de ander naar boven te halen. Daarom moet je leren denken vanuit het geloof.

De theoloog Karl Barth schreef bij dit vers in het begin van de vorige eeuw dat je daarvoor zeker de krant moet lezen. Daar kun je leren hoe er in de wereld gedacht wordt. In onze dagen lees je daar over kinderen die in ons land geboren zijn, hier zijn opgegroeid, op school zitten en op een sportvereniging of zelfs op de muziekschool, zich dus gedragen als alle Nederlandse kinderen. Alleen hun ouders zijn ooit uit een ver arm land naar Nederland gekomen om hier te werken en daarvoor een redelijk loon te krijgen zodat ze hun kinderen een goede toekomst willen geven. Onze regering is zo dapper die kinderen naar landen te sturen waar ze nooit eerder geweest zijn en waarvan ze zelfs de taal niet spreken. Omdat hun ouders al lang uit hun land weg zijn is er geen onderdak, is er geen inkomen en gaan ze een toekomst tegemoet van diepe, bittere armoede met om hen veel geweld en soms zelfs onderdrukking en uitbuiting. Let wel: die kinderen worden niet teruggestuurd, ze zijn er nooit geweest.

Wij richten ons kennelijk liever op ons eigen welzijn, de hypotheekrenteaftrek voor de rijksten, de prijs van het kaartje voor het concert van het Concertgebouworkest. En denk nu niet dat we samen niet in staat zijn de problemen in de wereld aan te pakken. Kijk eens wat er voor een gaven zijn in een samenleving. De Christelijke gemeente mag daarbij het voorbeeld zijn en Paulus schetst haar ook als zodanig, maar in onze samenleving mogen wij oproepen dat voorbeeld te volgen. Wie de nood van de armsten en de minsten onder woorden kan brengen en Gods stem daarbij kan laten horen, profeteren noemt Paulus dat, moet dat doen in overeenstemming met het geloof dat God heerst op aarde. Wie kan uitleggen moet uitleggen, wie kan troosten moet troosten. Weggeven doen we zonder iets terug te willen krijgen en leiding geven we om een betere samenleving te krijgen. Wie barmhartig voor een ander is mag daarin blijmoedig zijn. Ik schrijf “mag”, in onze vertaling staat “moet” maar als je barmhartig bent, je hand over je hart weet te strijken, weet dat er geen tegenzin meer over kan blijven alleen maar vreugde over het goede dat je samen met anderen kunt veroorzaken. Samen mogen we er elke dag opnieuw weer aan werken, laten we het ook vandaag weer doen.

Maak mij nooit te schande

Psalm 71

1 Bij u, HEER, schuil ik, maak mij nooit te schande, 2 red en bevrijd mij, doe mij recht, hoor mij en kom mij te hulp. 3  Wees de rots waarop ik kan wonen, waar ik altijd heen kan gaan. U hebt mijn redding bevolen, mijn rots en mijn burcht, dat bent u. 4 Mijn God, bevrijd mij uit de hand van schurken, uit de greep van wrede onderdrukkers. 5 U bent mijn enige hoop, HEER, mijn God, van jongs af vertrouw ik op u. 6 Al vanaf mijn geboorte steun ik op u, al in de moederschoot was u het die mij droeg, u wil ik altijd loven. 7  Voor velen ben ik een teken, u bent mijn veilige schuilplaats. 8 Heel de dag is mijn mond vervuld van uw lof en uw luister. 9 Verstoot mij niet nu ik oud word, verlaat mij niet nu mijn kracht bezwijkt. 10 Mijn vijanden spreken over mij, ze loeren op mij en spannen samen, 11 ze zeggen: ‘God heeft hem verlaten, jaag hem op, grijp hem, niemand die hem redt.’ 12 God, blijf niet ver van mij, mijn God, kom mij haastig te hulp, 13 laat mijn tegenstanders van schaamte bezwijken, wie mijn ongeluk zoeken, met schande worden bedekt. 14 Ik blijf naar u uitzien, altijd, u lof brengen, meer en meer. 15 Mijn mond verhaalt van uw gerechtigheid, van uw reddende daden, dag aan dag, hun aantal kan ik niet tellen. 16  Spreken zal ik over uw macht, HEER, mijn God, de rechtvaardigheid roemen van u alleen. 17 God, u onderwees mij van jongs af aan, en steeds nog vertel ik uw wonderen. 18 Nu ik oud en grijs ben, verlaat mij niet, o God, zodat ik het nageslacht, elk nieuw kind, kan verhalen van de macht van uw arm. 19 Uw gerechtigheid rijst hoog op, o God, u hebt grootse daden verricht. God, wie is aan u gelijk? 20 U hebt mij doen zien veel ellende en nood-laat mij nu herleven, laat mij herrijzen uit de diepten van de aarde. 21  Verhoog mij in aanzien, omgeef mij met uw troost. 22  Dan zal ik u loven bij het spel op de harp, u en uw trouw, mijn God. Ik zal voor u zingen bij de lier, Heilige van Israël. 23 Mijn lippen zullen juichen wanneer ik voor u zing, ik zal jubelen omdat u mij hebt verlost. 24 Mijn tong zal heel de dag van uw gerechtigheid spreken: wie mijn ongeluk zoekt, zal te schande staan.(NBV)

Vandaag zingen we een Psalm zonder opschrift. Bij de meeste Psalmen staat er iets boven, “Een Psalm van David” bijvoorbeeld. Maar hier niet. Er zijn maar een paar psalmen zonder opschrift, verweesde Psalmen worden die ook wel genoemd. Toen de Hebreeuwse Bijbel in het Grieks werd vertaald, omdat veel Joden die buiten Israël woonden het Hebreeuws niet meer kenden, is er aan deze Psalm toch een opschrift meegegeven. Daar staat dan ineens “Voor de zonen van Jonadab en de eerste ballingen” Die eerste ballingen waren de Rechabieten. Maar het opschrift was niet te vinden in de Hebreeuwse Bijbel die opgeschreven werd nadat de vertaling in het Grieks ruim was verspreid. Sinds de Statenvertaling verscheen is het opschrift dan ook verdwenen. Maar de gedachte die er achter zit is niet zo vreemd. God wordt om recht gevraagd voor mensen die onrecht is aangedaan. Er wordt in kerkelijke kringen nog al eens geroepen dat de mens gered moet worden. En de roep om gered te worden staat ook in deze psalm. Maar gered worden waarvan? De meeste mensen voelen zich tot helemaal niet gevangen of zijn bang te verdrinken.

In de kerk wordt dan gezegd dat mensen gered moeten worden van de zonden. Hun eigen zonden om het helemaal duidelijk te maken. En daar vraagt deze Psalm helemaal niet om. Er is geen sprake van zonden van de psalmdichter. Integendeel de psalmdichter beschrijft zichzelf als een trouw volgeling van de weg van de God van Israël. Heel de dag is zijn mond vervuld van de lof en de luister van zijn God. Waarvan moet men dan gered worden? Van het onrecht dat wordt aangedaan. Van vijanden die tegen je samenspannen. Wat nu God roepen die uit, die God bestaat niet en wij kunnen ook wel zonder. Dat doet onrecht aan alle mensen die de weg van de liefde volgen, die zich inzetten voor anderen, die luisteren naar de roep van de God van Israël om hun naaste lief te hebben als zichzelf. Je mag overigens best bang zijn van Bijbel dat de veranderingen in de wereld je zullen overweldigen. De veranderingen die je worden opgedrongen worden dan beschouwd als veranderingen die je worden opgedrongen door vijandige machthebbers. Mensen die bang zijn komen daarbij niet tot hun recht, zij worden niet gehoord.

En je zal maar net een baan hebben die op de tocht staat omdat jij behoorlijk verdiend, meer als een goedkope arbeidskracht die in het buitenland kan worden gehuurd. Je zal maar net een huis hebben gekocht waarvoor een hypotheek werd afgesloten die je nog maar net kunt aflossen, bij werkloosheid sta je bijna ook direct op straat met je gezin. Je zult ook maar in een buurt wonen waar mensen elkaar niet echt kennen en zeker niet op elkaar letten, in tal van volkswijken was dat toch de kracht van de wijk. De oplossing voor die angst is volgens de Bijbel niet het zich met geweld verzetten tegen die veranderingen maar zelf mee vorm geven aan de noodzaak dat die veranderingen met liefde voor de minsten gepaard moeten gaan. Dan ontmoet je nieuwe mensen, dan kunnen er vriendschappen ontstaan, dan groeit de economie waardoor je baan zekerder wordt. Dan zijn er ineens meer mensen die je kent en die op jou en je gezin willen letten. De kracht van samen komt weer terug en jij komt zeker tot je recht.

Hun onderdrukkers

Genesis 15:12-21

12 Toen de zon op het punt stond onder te gaan, viel Abram in een diepe slaap. Opeens werd hij overweldigd door angst en diepe duisternis. 13 Toen zei de HEER: ‘Wees ervan doordrongen dat je nakomelingen als vreemdeling zullen wonen in een land dat niet van hen is en dat ze daar slaaf zullen zijn en onderdrukt zullen worden, vierhonderd jaar lang. 14 Maar ik zal hun onderdrukkers ter verantwoording roepen, en dan zullen ze wegtrekken, met grote rijkdommen. 15 Wat jou betreft: je zult in vrede met je voorouders worden verenigd en in gezegende ouderdom begraven worden. 16 Pas de vierde generatie zal hierheen terugkeren, want pas dan hebben de Amorieten zo veel misdaden bedreven dat de maat vol is.’ 17 Toen de zon ondergegaan was en het helemaal donker was geworden, was daar plotseling een oven waar rook uit kwam, en een brandende fakkel die tussen de dierhelften door ging. 18 Die dag sloot de HEER een verbond met Abram. ‘Dit land, ‘zei hij, ‘geef ik aan jouw nakomelingen, van de rivier van Egypte tot aan de grote rivier, de Eufraat: 19 het gebied van de Kenieten, Kenizzieten en Kadmonieten, 20 de Hethieten, Perizzieten en Refaïeten, 21 de Amorieten, Kanaänieten, Girgasieten en Jebusieten.’ (NBV)

De dromen laten Abram maar niet los. Hij zou het begin zijn van een groot volk, maar kinderen heeft hij niet, hij zou het land erven waar hij nu in rondtrok maar hij had nog geen snipper land in eigendom en godsdienstige rituelen had hij ook al niet. Dan droomt hij dat het nog wel heel lang kan duren voordat de dromen zoals hij ze heeft uitkomen. Wel tot de vierde generatie. Dat is wel vierhonderd jaar. Tot die tijd zullen zijn nakomelingen zelfs in slavernij gehouden worden. Wij weten inmiddels dat het volk Israel 400 jaar in Egypte verbleef en toen uittrok door de woestijn, daar haar godsdienst vorm en inhoud gaf en toen pas het beloofde land veroverde. Abram moet blij geweest zijn te zien dat dat delen van het offer door God zelf werd opgelost.

En de onderdrukkers worden altijd en overal ter verantwoording geroepen. Want al die mannen in hun streepjespakken met mooie stropdassen om kunnen nu wel zo brallerig snoeven op de rijkdom die ze aan de rijken hebben weggegeven. Maar op deze wereld gaat het verwerven van de meeste rijkdom ten koste van anderen, van de niet rijken maar van de armen en dat zijn toch het meest ook nog vrouwen. Daarnaast zijn het aanhangers van godsdiensten die dat stelen van de armen religieus denken te kunnen motiveren. In de Islam de fundamentalisten die er niet aan willen dat de Profeet vrouwen een ereplaats wilde geven en juist elke vorm van onderdrukking wilde bestrijden. In het Christendom de bevindelijke protestanten en de Rooms Katholieke Kerk die vrouwen thuis en buiten Kerk en samenleving willen houden alsof er niet geschreven staat dat in Christus man noch vrouw is.

De droom van Abram ,waarin een wereld komt waar iedereen mee mag doen en mee mag delen, is nog lang niet uitgekomen. Het lijkt soms wreed te klinken dat de God van Israël alle landen van al die volken die daar genoemd worden aan de nakomelingen van Abram wil geven en die volken dus dakloos wil maken. Maar zo zit het niet. In een wereld waar iedereen mee mag doen, waar iedereen deel heeft aan dat verbond dat de God met Israël heeft gesloten, verdwijnen de nationale identiteiten die het eigen volk stellen boven andere volken. Niet jezelf eerst maar altijd samen want van delen wordt je rijker. Het is een droom die een hele plezierige wereld opleverd, de scheiding tussen arm en rijk, Jood en Heiden, man en vrouw, oud en jong is daar verdwenen schrijft Paulus in zijn brief aan de Galaten. Hij schrijft er bij dat we er alvast mee mogen beginnen. En een dergelijke wereld is er nog lang niet. Daar moeten we nog hard aan werken. Dat mag elke dag opnieuw.