Zijn zegelring

Ester 3:1-11

1 Na verloop van tijd gaf koning Ahasveros een hoge positie aan Haman, de zoon van Hammedata, een nakomeling van Agag: hij plaatste hem boven alle rijksgroten aan zijn hof. 2 Alle hoge functionarissen van de koning die in de Koningspoort waren, vielen telkens voor Haman op de knieën en bogen zich voor hem neer, want zo had de koning het geboden. Alleen Mordechai knielde of boog nooit. 3 De functionarissen van de koning in de Koningspoort spraken Mordechai daarover aan: ‘Waarom overtreedt u het gebod van de koning?’ 4 Dit vroegen ze hem elke dag weer, zonder dat hij zich iets van hun woorden aantrok. Toen lichtten ze Haman erover in, om te zien of Mordechai in zijn houding zou volharden; hij had hun namelijk verteld dat hij een Jood was. 5 Toen Haman te weten kwam dat Mordechai niet voor hem knielde of boog, werd hij woedend, 6 en hij besloot Mordechai uit de weg te ruimen. Maar nadat men hem had verteld uit welk volk Mordechai stamde, was de dood van Mordechai alleen hem niet genoeg: vanaf dat moment zon Haman op middelen om alle Joden in Ahasveros’ rijk om te brengen, heel Mordechais volk. 7 In de eerste maand van het twaalfde regeringsjaar van koning Ahasveros, de maand nisan, liet Haman in zijn bijzijn het poer werpen, dat wil zeggen het lot, over alle dagen en over alle maanden, een voor een, tot en met de twaalfde maand, de maand adar. 8 Daarna zei Haman tegen koning Ahasveros: ‘Er is een bepaald volk dat over alle provincies van uw rijk verspreid leeft en te midden van de andere volken zijn eigen leven leidt. Hun wetten verschillen van die van alle andere volken en aan de wetten van de koning houden ze zich niet. De koning is er niet bij gebaat hen ongemoeid te laten. 9 Als het de koning goeddunkt, laat er dan een bevel op schrift gesteld worden dat ze moeten worden uitgeroeid. Dan zal ik tienduizend talent zilver afdragen aan de ambtenaren van de koning om in de koninklijke schatkist te storten.’ 10 De koning deed zijn zegelring af en gaf die aan Haman, de zoon van Hammedata, de nakomeling van Agag, de vijand van de Joden. 11 ‘Over dat zilver kunt u vrij beschikken,’ zei hij tegen Haman, ‘en ook over dat volk: doe ermee wat u het beste lijkt.’ (NBV21)

We maken kennis met Haman. Tenminste in het verhaal, want in onze geschiedenis kennen we Haman al heel lang. Haman was de nakomeling van Agag en daarmee was hij een Amelekiet. Eens, toen het volk Israel door de woestijn trok, weigerden de Amelekieten het volk de doortocht en probeerden ze het volk uit te roeien. Sindsdien was er diepe vijandschap tussen de twee volken. In de Joodse geschiedenis duikt er sindsdien altijd een afstammeling van Agag op die er op uit is het Joodse volk te vernietigen. Zo ook in dit verhaal over Ester. De aanleiding is de weigering van Mordechai te buigen voor Haman. Een weigering die tot vandaag de dag mensen in verwarring kan brengen. Want moet je geen respect betonen voor hen die boven je gesteld zijn?

Voor Mordechai is er echter maar één die boven hem gesteld is en dat is God. Ook wij zeggen Heer tegen onze God en erkennen daarmee dat er geen ander de baas is over ons doen. Als je echt denkt boven iedereen te staan dan moet je tegen die houding van gelijkwaardigheid wel in verzet gaan. Dat doet Haman dan ook. In onze geschiedenis zal direct de persoon van Adolf Hitler in gedachten komen. Toen Duitsland voorzitter was van de Europese Unie kwam ook de vraag op tafel hoe om te gaan met zijn erfenis. Duitsland had een aantal voorstellen. Ten eerste een verbod op het Hakenkruis. Dat verbod is van tafel omdat het hakenkruis voor Hindoes een heilig symbool is. Een reden die ons te denken moet geven. Hindoes geloven dat het kwade telkens in een andere vorm opnieuw geboren wordt tot het geworden is tot het goede.

Elke keer als wij het hakenkruis zien moeten we ons dus afvragen of het kwade dat leidde tot de Holocaust niet weer onder ons is opgedoken in een of andere vorm. Ten tweede werd voorgesteld de ontkenning van de Holocaust strafbaar te stellen. Die ontkenning doet tot vandaag de dag nog steeds de wonden openrijten die bij slachtoffers en nabestaanden zijn geslagen. Een ontkenning effent ook de weg voor een nieuwe holocaust, het is het denken van Haman. Dat de oude bondgenoot van Duitsland, Italië, zich het meest verzet tegen dit verbod moet ons wantrouwig tegenover de Italiaanse regering maken. Beschermen zij het kwade? Het verhaal over een Haman, vijand van de Joden, die zich boven alle anderen verheven wil zien, moet ons dag in dag uit waarschuwen voor alle heersers en heersertjes. Jezus van Nazareth leerde ons dat alleen een dienaar kan heersen. Laten wij dus niet buigen voor hen die denken boven ons te kunnen staan.

 

Als pleegvader

Ester 2:15-23

15 Toen het de beurt was van Ester-de dochter van Abichaïl, die een oom was van haar pleegvader Mordechai-verlangde zij niets anders mee te nemen dan wat haar werd aangeraden door Hegai, de eunuch die de koning als haremwachter diende. En allen die Ester zagen, keken vol bewondering naar haar. 16 Zo werd Ester bij koning Ahasveros gebracht, in het koninklijk paleis, in het zevende jaar van zijn regering, in de tiende maand, de maand tebet. 17 En de koning voelde voor Ester meer liefde dan voor alle andere vrouwen, meer dan alle andere meisjes verwierf zij zijn gunst en genegenheid. Daarom deed hij haar de koninklijke hoofdband om en maakte haar koningin in de plaats van Wasti. 18 De koning richtte een groot feestmaal aan voor al zijn rijksgroten en hoge functionarissen, het Feestmaal van Ester. Ook kondigde hij voor alle provincies een rustdag af, en met een vrijgevigheid die men van een koning mag verwachten deelde hij geschenken uit. 19 Eens, toen er opnieuw jonge meisjes bij elkaar werden gebracht, deed Mordechai dienst in de Koningspoort. 20 Ester had nog steeds niet verteld uit welke familie of welk volk ze stamde, zoals Mordechai haar op het hart had gedrukt; ze gehoorzaamde Mordechai zoals voorheen, toen hij als pleegvader voor haar zorgde. 21 Toen Mordechai dus in de Koningspoort zat, gebeurde het dat twee eunuchen die de koning als lijfwacht dienden, Bigtan en Teres, uit verbittering een plan beraamden om koning Ahasveros om het leven te brengen. 22 Dit voornemen kwam Mordechai ter ore en hij bracht koningin Ester ervan op de hoogte, en Ester vertelde namens Mordechai alles aan de koning. 23 De zaak werd onderzocht en de beschuldiging bleek gegrond. De beide mannen werden aan een paal gehangen. En in aanwezigheid van de koning werd dit alles opgetekend in de kronieken. (NBV21)

De Koninklijke loopbaan van Ester begint goed. Mocht Wasti nog op komen draven voor een dronken koning en zijn beschonken rijksgroten, voor Ester wordt speciaal een feestmaal bereid haar ter ere. Het ene feestmaal is dus het andere niet. Nauwkeurig wordt overigens opgetekend hoe het in de harem van zo’n koning toeging. Een verhaal dat haar sporen in zowel de Europese als de Arabische literatuur gekregen heeft. Je kunt de sprookjes uit 1001 nacht er zonder moeite aan vast plakken. In de Europese literatuur bestaat een toneelbewerking door de Franse toneelschrijver Racine. Speciaal geschreven ooit voor een meisjesschool in fraaie alexandrijnen, net zoals de Gijsbrecht van Vondel. Koning Ahasveros komt in dat stuk zijn troon niet af. Die koningstroon beheerst het toneel en daar draait alles om.

Tussen het feest dat uitliep op de verstoting van Koningin Wasti en de keuze van Ester tot koningin liggen volgens geleerden toch een aantal jaren en in de geschiedenisboeken kun je teruglezen dat die wrede koning Xerxes in die tijd een veldtocht tegen Griekenland heeft gehouden. Toen het verhaal over Ester werd geschreven was die informatie zo vanzelfsprekend dat het maar zou afleiden, maar voor ons maakt het ineens duidelijk waarom er tegen de koning werd samengespannen. Oorlog brengt immers maar onrust mee en verlies van geld om kostbare feesten te organiseren. Die Mordechai, de oom van Ester, hoorde het in de poort van de koning wordt er dan vertaald. Maar in de Joodse termen is de Poort ook de rechtbank, daar werd recht gesproken. De Poort van de Koning zou dan gemakkelijk de hoogste rechtbank kunnen zijn waar eigenlijk door de Koning recht zou moeten worden gesproken.

In het verhaal van Ester was het maar goed dat ze zo’n ingang bij de koning had dat ze hem kon waarschuwen namens Mordechai, een aanwijzing dat Mordechai zelfs wellicht één van de rechters in de Koninklijke rechtbank was. Wij weten dat dergelijke aanslagen problemen alleen maar erger maken. Of het nu gefrustreerde Moslims zijn die aanslagen plegen tegen het Westen, of legers die proberen ontevreden groepen neer te slaan, uiteindelijk ontstaan er spiralen van kwaad tot erger waar onschuldigen nog het meest slachtoffer van worden. Offers die niet in verhouding staan tot het doel van de aanslagen. Waarschuwen daartegen kan kennelijk niet hard genoeg. Toch horen we nog al te vaak dat er op geslagen moet worden om vrede en orde te krijgen in plaats van dat er geluisterd moet worden en recht gedaan aan gevoelens van onvrede die mensen kunnen hebben. Stem geven aan de ontrechten en stemlozen is dan de boodschap. Mordechai luisterde en zag het gevaar, Ester gehoorzaamde en waarschuwde. Nu is de vraag wat wij gaan doen.

Iedere dag wandelde Mordechai

Ester 2:1-14

1 Na verloop van tijd, toen de woede van koning Ahasveros bedaard was, gingen zijn gedachten weer uit naar Wasti; hij overdacht wat ze had gedaan en wat er over haar besloten was. 2 Zijn kamerdienaars opperden: ‘Er zouden voor de koning mooie jonge meisjes gezocht moeten worden, meisjes die nog maagd zijn. 3 De koning zou in alle provincies van zijn rijk gevolmachtigden moeten aanstellen met de opdracht op zoek te gaan naar de mooiste meisjes en die bij elkaar te brengen in de burcht van Susa, in het vrouwenverblijf. Daar zouden ze onder toezicht van Hegai moeten worden gesteld, de eunuch die de koning als haremwachter dient, en een schoonheidsbehandeling moeten krijgen. 4 En het meisje dat de koning het meest bevalt, zou dan koningin moeten worden in de plaats van Wasti.’ Dit voorstel vond instemming bij de koning en hij voerde het uit. 5 Nu woonde er in de burcht van Susa een zekere Mordechai, een Jood. Hij was een zoon van Jaïr, de zoon van Simi, de zoon van Kis, uit de stam Benjamin. 6 Hij was een van de ballingen uit Jeruzalem die samen met Jechonja, de koning van Juda, door koning Nebudukadnessar van Babylonië in ballingschap waren weggevoerd. 7 Deze Mordechai was de pleegvader van Hadassa, ook Ester genoemd, die een nicht van hem was en geen vader en moeder meer had. Na de dood van haar ouders had Mordechai haar als dochter aangenomen. Het meisje was mooi en aantrekkelijk. 8 Toen nu het besluit van de koning in een verordening bekend was gemaakt en er veel meisjes bij elkaar werden gebracht in de burcht van Susa, waar ze onder toezicht van Hegai kwamen te staan, werd ook Ester naar het koninklijk paleis overgebracht en onder toezicht van deze haremwachter gesteld. 9 Het meisje beviel hem en won zijn gunst. Daarom liet hij haar zonder uitstel de schoonheidsbehandeling en het voorgeschreven voedsel geven en stelde hij zeven voortreffelijke dienaressen uit het koninklijk paleis tot haar beschikking. Bovendien bracht hij haar samen met deze dienaressen over naar het mooiste gedeelte van het vrouwenverblijf. 10 Ester had niet verteld uit welk volk of welke familie ze afstamde; Mordechai had haar namelijk op het hart gedrukt dit niet bekend te maken. 11 En iedere dag wandelde Mordechai langs de voorhof van het vrouwenverblijf om te weten te komen hoe het met Ester ging en wat er met haar zou gebeuren. 12 Een meisje was aan de beurt om bij koning Ahasveros te komen wanneer na twaalf maanden haar schoonheidsbehandeling overeenkomstig de voorschriften voor de vrouwen voltooid was: zes maanden werd ze behandeld met mirreolie, zes maanden met balsem en andere schoonheidsmiddelen. 13 En telkens als er een meisje na deze voorbereiding naar de koning ging, werd haar uit het vrouwenverblijf alles wat ze wenste meegegeven naar het koninklijk paleis. 14 ’s Avonds ging ze daar naar binnen, ’s morgens keerde ze terug; ze kwam dan in een ander deel van het vrouwenverblijf, dat onder toezicht stond van Saäsgaz, de eunuch die de koning diende als bewaker van de bijvrouwen. Ze ging niet opnieuw naar de koning, tenzij hij haar begeerde en zij persoonlijk bij hem werd ontboden. (NBV21)

In het boek Ester komt de Naam van God niet voor. Het hele boek draait er om dat de wereld op z’n kop wordt gezet. En dat begon met Koningin Wasti die nee zei waar een ja voor de hand had gelegen. Nu zij zich niet meer wilde onderwerpen aan de mannenmacht van de Koning en zijn gezellen kon ze vertrekken. Maar een koning zonder Koningin is ook maar niks. En de mannen van de mannenmacht kijken graag naar begeerlijke mooie vooral jonge vrouwen. In onze dagen merken we dat het uitdraait op misdrijven, minderjarige meisjes die gedwongen of verleid worden oudere mannen te behagen en te bevredigen. De Bijbel had ons dat al veel eerder verteld. Man en vrouw zijn gelijk, mensen, geen voorwerpen om elkaar te bevredigen.

Nu willen ouders altijd het beste voor hun kinderen. Je zal ke cochter maar Koningin kunnen laten worden. Dat wilde ook Mordechai wel, een Jood, geen Pers, uit de stam van Benjamin nog wel, de kleinste stam. In het machtige rijk van Ahasveros een onbeduidend mannetje. Maar een mannetje met een razend knap nichtje dat hij als zijn eigen dochter opvoedde. De machtige mannetjes van het paleis hadden het voor elkaar gekregen om een wedstrijd uit te schrijven voor de nieuwe Koninging. Uit het hele land werden de mooiste meisjes naar het Paleis gehaald. Daar werden ze nog mooier dan mooi gemaakt. Uiteindelijk zou de Koning mogen kiezen maar de wedstrijd was zo ingericht dat de mannetjes aan het hof er lang plezier van zouden hebben.

Maar de wedstrijd liep uit op een teleurstelling. Bij het voorstellen van de kandidates viel die Ester al zo erg in de gunst van de Koning dat alle voorronden werden overgeslagen en Ester direct bij de Koning in de gunst viel. Mordechai was al bang voor al die op meisjes beluste mannetjes en hield op een afstand de ontwikkelingen in de gaten. Dat zou hij blijven doen. Zo werd de zorg voor elkaar waar de God van Israël toe had opgeroepen wel op een heel bijzondere manier uitgevoerd. Wij doen dat niet. Kinderen die uit huis worden geplaatst worden echt niet zo in de gaten gehouden. Daar hebben de zogenaamde kinderbeschermers het veel te druk voor. Die zitten te wachten op rechtzaken, vullen veel formulieren in en reizen het liefst grote afstanden het land door. Ze zouden er beter aan doen Mordechai te volgen en de kinderen die uit huis geplaatst zijn in de gaten te houden.

 

Wat zegt de wet?

Ester 1:13-22

13 Hij wendde zich tot de wijzen, die kennis bezaten van het verleden. De koning was namelijk gewoon zijn zaken voor te leggen aan al zijn wet- en rechtsgeleerden. 14 Zijn meest vertrouwde raadsheren waren Karsena, Setar, Admata, Tarsis, Meres, Marsena en Memuchan, de zeven rijksgroten van Perzië en Medië; zij hadden vrij toegang tot de koning en bekleedden de hoogste posten in het rijk. 15 ‘Wat zegt de wet?’ vroeg de koning. ‘Wat moet er gebeuren met koningin Wasti, nu ze geen gehoor heeft gegeven aan het koninklijk bevel dat haar door de eunuchen is overgebracht?’ 16 Daarop verklaarde Memuchan ten overstaan van de koning en de rijksgroten: ‘Niet alleen tegenover de koning heeft koningin Wasti zich misdragen, maar ook tegenover alle rijksgroten en alle volken in de provincies van koning Ahasveros. 17 Immers, wat de koningin heeft gedaan, zal alle vrouwen ter ore komen en hen ertoe aanzetten hun echtgenoten te minachten. Ze zullen zeggen: “Koning Ahasveros gaf bevel om koningin Wasti bij hem te brengen, maar ze kwam niet.” 18 Nog vandaag zullen de vrouwen van alle rijksgroten van Perzië en Medië, zodra ze hebben gehoord wat de koningin heeft gedaan, zich hierop beroepen tegenover hun echtgenoten, en dat zal leiden tot veel minachting en ergernis. 19 Als het de koning goeddunkt, laat hij dan een koninklijk besluit uitvaardigen dat schriftelijk in de wetten van Perzië en Medië wordt vastgelegd, zodat het niet kan worden herroepen. Hierin moet bepaald worden dat Wasti koning Ahasveros niet meer onder ogen mag komen en dat de koning haar koninklijke waardigheid aan een ander zal geven, die beter is dan zij. 20 Als in het hele rijk-en dat is groot! -bekend wordt dat de koning een dergelijke verordening heeft uitgevaardigd, dan zullen alle vrouwen, van de hoogste tot de laagste, hun echtgenoten met respect bejegenen.’ 21 Het voorstel van Memuchan vond instemming bij de koning en de rijksgroten, en de koning volgde het op. 22 Hij stuurde brieven naar alle provincies van zijn rijk, naar elke provincie in haar eigen schrift en naar elk volk in zijn eigen taal. Daarin stond dat iedere man thuis heer en meester moest zijn, en dat hij de taal van zijn eigen volk moest spreken. (NBV21)

Dat het een wet is van Meden en Perzen is zelfs in ons taalgebruik een spreekwoord geworden. Merkwaardigerwijze wordt er mee bedoeld dat het een onveranderlijke, onaantastbare wet is geworden. Niet zoals dat hier in het verhaal over Ahasveros en Wasti staat :een wet van Heidenen en Heersers. Want dat is het natuurlijk wel. Al die mannetjes voelen zich behoorlijk genomen. Wijzen worden ze genoemd en als je er een toneelstuk van zou maken kon er op dat moment in het stuk hartelijk worden gelachen door het publiek. Die Koningin Wasti had niet alleen de Koning tuk, ze had al die rijksgroten en belangrijke mannetjes tuk, als alle vrouwen haar voorbeeld zouden volgen dan zou er geen mannenmacht meer overblijven.

Je zou toch bijna zeggen dat mensen die mee willen doen met het verhaal van Israël en van Jezus van Nazareth, die geloven in God en zijn Bijbel zoals ze ook wel zeggen, zouden weten dat de wetten van heersers als Ahasveros vals en onwaar zijn. Merkwaardig is dan toch op te merken dat mannen die het hardste roepen dat ze nog de taal van de Bijbel spreken en zich aangevallen te voelen door iedereen die daaraan afbreuk wil doen, de mannen van de Staatkundig Gereformeerde Partij bijvoorbeeld, de Heidense wet van Ahasveros tot Goddelijke Wet hebben verheven en vrouwen buiten de politiek willen houden. Koningin Wasti heeft al helemaal in het begin van het carnavalsverhaal duidelijk gemaakt dat die mannetjes en heren helemaal niet kunnen zonder verstandige vrouwen. Ze maakt duidelijk dat vrouwen gelijkwaardig zijn aan mannen. Die mannen hebben een Wet met een hoofdletter nodig om hun macht tot uitdrukking te brengen.

De vrouwen hebben slechts een woord van drie letters nodig: NEE!. Volgens dit verhaal moest elke man de taal van zijn eigen volk spreken. Vrouwen hoefden helemaal niet te spreken, in stilte schudden met het hoofd van nee is meer dan voldoende. Het moet ook een waarschuwing voor vrouwen zijn. Eeuwenlang immers doen mannen al of de Wet van Ahasveros ook de Wet van God is. Vrouwen laten zich dat maar al te gemakkelijk gezeggen. Ze zouden vandaag van Wasti moeten leren dat elke wet die vrouwen uitsluit of tot minder verklaard een Heidense en Goddeloze wet is. Koning Ahasveros zocht inmiddels een betere vrouw en wij weten dat in een volgende akte in het spel ene Ester haar entree zal maken. Zal die dan wel gehoorzaam zijn? Of zal die Esther een eigen politieke betekenis krijgen in het verhaal. Het carnavalsverhaal uit de Bijbel leest als een vervolgverhaal, het blijft spannend.

 

De koninklijke hoofdband

Ester 1:1-12

1 Het was in de tijd van Ahasveros, de Ahasveros die regeerde over een rijk dat zich uitstrekte van India tot Nubië en dat honderdzevenentwintig provincies telde. 2-3 In het derde jaar van zijn regering, toen hij in de burcht van Susa zetelde, richtte deze koning Ahasveros een feestmaal aan voor al zijn rijksgroten en hoge functionarissen; alle bevelhebbers van het leger van Perzië en Medië, de adel en de hoofden van de provincies waren aanwezig. 4 Vele dagen spreidde hij de rijkdom en luister van zijn koningschap tentoon en de pracht en praal van zijn majesteit-honderdtachtig dagen lang. 5 Toen deze dagen voorbij waren, richtte de koning een feestmaal aan voor alle bewoners van de burcht van Susa, van hoog tot laag. Dit duurde zeven dagen, en het werd gehouden in de binnenhof van de tuin van het koninklijk paleis. 6 Draperieën van fijn linnen, wit en blauwpurper van kleur, waren aan albasten zuilen bevestigd met roodpurperen koorden van byssus en zilveren ringen; op een mozaïekvloer van porfier, albast, parelmoer en gekleurde stenen stonden rustbanken van goud en zilver. 7 Er werd wijn geschonken in gouden bekers, die allemaal verschillend waren, en er was koninklijke wijn in overvloed, zoals men dat bij een koning mag verwachten. 8 En bij het drinken gold de regel: geen beperkingen; de koning had alle hofmeesters opgedragen aan ieders wensen tegemoet te komen. 9 Ook Wasti, de koningin, richtte een feestmaal aan, voor de vrouwen in het paleis van koning Ahasveros. 10 Op de zevende dag, toen de koning door de wijn in een vrolijke stemming was, beval hij Mehuman, Bizzeta, Charbona, Bigta, Abagta, Zetar en Karkas-de zeven eunuchen die zijn persoonlijke dienaren waren- 11 om koningin Wasti, getooid met de koninklijke hoofdband, bij hem te brengen; hij wilde de rijksgroten van de volken haar schoonheid laten zien, want zij was mooi. 12 Maar toen haar het bevel van de koning door de eunuchen werd overgebracht, weigerde koningin Wasti te komen. Dit ergerde de koning zeer en hij ontstak in woede. (NBV21)

Vandaag beginnen we te lezen in het boek Ester. Een verhaal voor Carnaval en dat zullen we de bij het lezen van dit boek ook hier uitbundig merken. Of Carnaval dan iets met de Bijbel te maken heeft? Reken maar van wel. “Zijn woord wil deze wereld omgekeerd” dichtte ooit Huub Oosterhuis met in gedachten de lofzang van Maria, en met Carnaval is de wereld een klein beetje omgekeerd. Trek een deftig pak aan, zet een bijzondere hoed op je hoofd, hang een fraaie keten om en je bent net een hoge heer, een rijksgrote of hoge functionaris. Met Carnaval is de grootste zot de baas en die maakt daarmee alle praal van de hoge heren, de rijken en machtigen, in drie dagen voor een heel jaar belachelijk.

De Joden hebben hiervoor hun Purim feest, een feest van maskerades en jolijt, wij hebben het Carnaval. In de Bijbel vinden we hierover het boek Ester dat traditioneel rond het Purimfeest wordt gelezen en waaraan we hier beginnen. Een fantastisch sprookjesachtig feest richt de koning aan. Ahasveros heet hij hier en in de geschiedenis is hij bekend als de wrede koning Xerxes. Hij is koning over de halve wereld zegt het verhaal hier aan het begin. En maanden lang wordt er feest gevierd. Hard werken dus voor het personeel van de koning, de koks, de lakeien, de bedienden, dag in dag uit, avond aan avond en elke nacht sjouwden ze met eten en drinken, stonden ze te koken en af te wassen. Reken maar dat ze blij waren toen het feest voorbij was. En toen kregen ze nog een feest, aangeboden door een koning die er kennelijk niet genoeg van kon krijgen.

De eerste 12 verzen van dit verhaal schilderen ons het prachtige paleis, met een overdadig feest en allemaal deftige mannetjes die met hun veren pronken. Geen wonder dat de koningin maar een eigen feest begint. Als je zoveel maanden het feestgedruis voor je deur hebt gehad begin je er vanzelf trek in te krijgen. En dan wordt het spannend. Natuurlijk, bij een feest horen voor de mannen mooie vrouwen. Als je een mooie vrouw hebt wil je er mee pronken nietwaar, net als met de gouden bekers, de draperieën en het linnen tafellaken. Maar vrouwen zijn geen voorwerpen. Vrouwen zijn mensen net als mannen. En daarom vertelt het verhaal dat Koningin Wasti de wereld omdraait en zich niet laat bewonderen, zeker niet als ze alleen maar een hoofdband als kleding moet dragen, ze weigert. Misschien dat vele vrouwen het goede voorbeeld moeten volgen en zich niet langer laten gebruiken, misschien ook dat vele mannen er van moeten leren en moeten ophouden hun vrouwen als voorwerp te gebruiken. Voor ons geldt in elk geval dat we ons op een feest kunnen voorbereiden.

 

Als mest op het land

Psalm 83

1 Een lied, een psalm van Asaf. 2 God, houd u niet stil, zwijg niet, God, zie niet lijdzaam toe. 3 Uw vijanden roeren zich, trots heffen uw haters het hoofd. 4 Tegen uw volk smeden zij een complot, ze spannen tegen uw lieveling samen 5 en zeggen: ‘Kom, wij verdelgen dit volk, Israëls naam wordt nooit meer genoemd.’ 6 Zij hebben samen plannen gesmeed en zich tegen U verenigd: 7 de tenten van Edom en de Ismaëlieten, Moab en de zonen van Hagar, 8 Gebal en Ammon en Amalek, Filistea en de bewoners van Tyrus. 9 Zelfs Assyrië heeft zich aangesloten en de hand gereikt aan de zonen van Lot. sela 10 Doe met hen als met Midjan, als met Sisera en Jabin in het Kisondal, 11 die bij Endor werden vernietigd en als mest op het land bleven liggen. 12 Behandel hun vorsten als Oreb en Zeëb, hun leiders als Zebach en Salmunna, 13 die zeiden: ‘Wij bezetten het land waar God zijn woning heeft.’ 14 Mijn God, maak hen tot distelpluis, tot kaf dat verwaait in de wind. 15 Zo snel als vuur het bos verbrandt, als vlammen de bergen verschroeien, 16 laat zo uw storm hen voortjagen, uw wervelwind hen verwarren. 17 Overdek hen met schande, dan zullen zij vragen naar uw naam, HEER. 18 Laat hen beschaamd staan, in verwarring raken en eerloos verloren gaan, voorgoed. 19 Dan zullen zij weten dat uw naam HEER is, dat U alleen de Allerhoogste bent op aarde. (NBV21)

Vandaag zingen we mee met Psalm 83. Uit de vermelding dat het een psalm van Asaf is mogen we opmaken dat de Psalm gezongen werd bij de Tempel. Daar waar de Wet van de liefde werd bewaard en beoefend kwam het volk bij elkaar, waarschijnlijk voor een vastendag, samen te delen, maar ook om zich samen sterk te voelen als kinderen van de God die ooit had gezegd met hen mee te gaan. Want elk volk heeft zo zijn vijanden en zeker Israël kent een lange geschiedenis met volken die dat vruchtbare land wel zouden willen beheersen en zelfs bewonen. Er worden hier zelfs 10 vijandige volken genoemd waarvan er een aantal zelfs nog familie van Israël zijn. Edom, afstammelingen van Esau en de Ismaëlieten, afstammelingen van de oudste zoon van Abraham. Kennelijk waren ook de afstammelingen van Lot, de neef van Abraham in conflict geraakt met Israël. In de nieuwe Bijbelvertaling duikt overigens ineens Assyrië op in het rijtje, een land dat in andere vertalingen niet voorkomt.

De geleerden zijn het er niet over eens welke vijand hier nu weer wordt aangeduid. Het meest waarschijnlijk is de Arabische stam van de Assurieten die in het boek Genesis worden genoemd. Dat plaatst het ontstaan van de Psalm tenminste voor de ballingschap. God wordt gevraagd te doen met de vijanden wat er ook met de vijanden gebeurde in de dagen van de Rechters. In het Hebreeuws klinkt dit lied rauw en onheilspellend. Een paar duizend mensen dit lied horen zingen moet diepe indruk gemaakt hebben op de vijanden. Toch zingt de Psalm ook uit dat men niet zozeer voor eigen belang oorlog wil voeren. Juist de hebberigheid van de vijanden wordt veroordeeld. Daarom moet het een oorlog van de Heer zelf worden, ter bescherming van de armen, van de zwakken ook. Jezus van Nazareth zou veel later oproepen zelfs je vijanden lief te hebben. Een volk heeft niet altijd de keus geen oorlog te voeren als het wil blijven bestaan.

Maar uit deze Psalm kunnen we al leren dat er een groot verschil is tussen een veroveringsoorlog, waarbij de Wet van heb Uw naaste lief als Uzelf met voeten wordt getreden en een verdedigingsoorlog waarbij de nadruk ligt op het verdedigen van de zwaksten in de samenleving. In de dagen waarin deze Psalm ontstond was elk volk op zichzelf aangewezen. Bondgenootschappen werden gesmeed om er zelf beter van de worden. Bondgenootschappen gericht op onderlinge hulp en bijstand waren zeldzaam. Tegenwoordig hebben we de Verenigde Naties als organisatie gericht op het brengen van vrede en bescherming van de zwaksten op onze aarde. Daarom kunnen oorlogen worden afgemeten aan de vraag of ze met of zonder toestemming van de Verenigde Naties gevoerd worden. Maar dat we samen vragen om kracht om de armsten op aarde te beschermen is zeker vandaag een bede die we samen zingend kunnen aanheffen.

 

Wees barmhartig

Lucas 6:27-38

27 Tegen jullie die naar Mij luisteren zeg Ik: heb je vijanden lief, wees goed voor wie jullie haten, 28 zegen wie jullie vervloeken, bid voor wie jullie slecht behandelen. 29 Als iemand je op de wang slaat, bied hem dan ook de andere wang aan, en weiger iemand die je je bovenkleed afneemt ook je onderkleed niet. 30 Geef aan ieder die iets van je vraagt, en eis je bezit niet terug als iemand het je afneemt. 31 Behandel anderen zoals je wilt dat ze jullie behandelen. 32 Is het een verdienste als je liefhebt wie jullie liefhebben? Want ook de zondaars hebben degenen lief die hen liefhebben. 33 En is het een verdienste als je weldaden bewijst aan wie weldaden bewijzen aan jullie? Ook de zondaars handelen zo. 34 En is het een verdienste als je geld leent aan degenen van wie jullie iets terug verwachten? Ook zondaars lenen geld aan zondaars in de verwachting alles terug te krijgen. 35 Nee, heb je vijanden lief, doe goed en leen geld aan anderen zonder iets terug te verwachten; dan zullen jullie rijkelijk worden beloond, en zullen jullie kinderen van de Allerhoogste zijn, want ook Hij is goed voor wie ondankbaar en kwaadwillig is. 36 Wees barmhartig zoals jullie Vader barmhartig is. 37 Oordeel niet, dan zal er niet over je geoordeeld worden. Veroordeel niet, dan zul je niet veroordeeld worden. Vergeef, dan zal je vergeven worden. 38 Geef, dan zal je gegeven worden; een goede, stevig aangedrukte, goed geschudde en overvolle maat zal je worden toebedeeld. Want de maat die je voor anderen gebruikt, zal ook voor jullie worden gebruikt.’ (NBV21)

In heel veel commentaren wordt net gedaan of Jezus van Nazareth in deze toespraken iets geheel nieuws introduceert. We lezen een vergelijkbare toespraak immers ook in het Evangelie van Mattheus. Bij Mattheus staat Jezus op een berg terwijl de schrijver van het Lucas Evangelie er de nadruk op legt dat Jezus tussen de mensen, tussen zijn leerlingen, in staat. Nieuw is het echter niet wat Jezus hier onderwijst. In het boek van de profeet Jeremia staat ook zoiets. Daar gaat het om een brief van de profeet aan de ballingen in Babel. Die zitten met de vraag of ze mee moeten werken met het regiem dat hen heeft weggevoerd of zich juist moeten verzetten en de boel moeten saboteren. Het antwoord van de profeet is dan een oproep om zo veel mogelijk het goede te doen. Ze moeten delen met de armen, zorgen voor gezondheid, voldoende voedsel en er voor zorgen dat de mensen je gaan waarderen vanwege de zorg die je voor ze hebt.

Dan kunnen de machthebbers uiteindelijk niet meer om je heen schrijft Jeremia en als je dan vraagt om het volk terug te laten gaan kunnen ze dat niet meer weigeren. Jezus spreekt hier in een situatie van gewelddadige bezetting en onderdrukking van het volk. De strategie die hij hier voorschrijft is dan zo slecht nog niet. Die strategie is niet opgaan in de ideologie en afgoderij van de bezetter maar je eigen normen en waarden gebruiken om de nadruk te leggen op het goede. Delen van wat je hebt, wordt het genomen met geweld laat dan merken dat geweld niet nodig is, sta bekend als vrijgevig, behandel anderen zoals je zelf wilt worden behandeld. Heb je naaste dus lief als jezelf. Een gewelddadige samenleving heeft daar namelijk geen antwoord op. Ook mensen die kwaad willen hebben namelijk hen lief die hen liefhebben. Uiteindelijk is dat altijd wederzijds. “Doe goed” is daarom vanouds de centrale boodschap in de Bijbel. Want alleen uit het goede kan het goede voortkomen. Uit het kwade komt immers niets goeds voort.

Veel mensen twijfelden bijvoorbeeld aan het nut van het bombarderen van IS in Irak en Syrië. Dat je door alle aanhangers van IS te doden het probleem uit de wereld helpt is een illusie. Op de een of andere manier zal duidelijk gemaakt worden dat het doden van iedereen die niet op dezelfde manier een geloof beleefd als men zelf doet, een echte oplossing in de weg staat. Het geweld lijkt soms onvermijdelijk maar mag nooit een doel in zichzelf zijn. Vrede is meer dan de afwezigheid van geweld, in vrede gaan mensen groeien en samenlevingen bloeien. Maar hoe we dat duidelijk maken is onduidelijk. Bestrijding van discriminatie in ons bedrijfsleven zou een klein begin kunnen zijn, ophouden elkaar verketteren en haatzaaien zou ook kunnen helpen. Zorgen dat de feitelijke waarheid de basis blijft van discussies, leugens aan de kaak stellen. Daarom zullen we ook onze vijanden lief moeten hebben want pas in liefde kan vijandschap verdwijnen en pas als vijandschap is verdwenen kan het vrede worden.

Treuren en huilen

Lucas 6:12-26

12 Op een van die dagen trok Jezus zich terug op de berg om tot God te bidden, en Hij bracht de hele nacht door in gebed. 13 Toen de dag aanbrak, riep Hij zijn leerlingen bij zich en koos twaalf van hen uit, die Hij apostelen noemde: 14 Simon, aan wie Hij de naam Petrus gaf, diens broer Andreas, Jakobus en Johannes, Filippus en Bartolomeüs, 15 Matteüs en Tomas, Jakobus, de zoon van Alfeüs, en Simon, bijgenaamd de Zeloot, 16 Judas, de zoon van Jakobus, en Judas Iskariot, die een verrader werd. 17 Toen Hij met hen de berg was afgedaald, bleef Hij staan op een plaats waar het vlak was. Daar had een groot aantal van zijn leerlingen zich verzameld, evenals een menigte mensen uit heel Judea en Jeruzalem en uit de kuststreek van Tyrus en Sidon. 18 Ze waren gekomen om naar Hem te luisteren en zich van hun ziekten te laten genezen; ook degenen die gekweld werden door onreine geesten werden genezen. 19 De hele menigte probeerde Hem aan te raken omdat er kracht van Hem uitging en Hij iedereen genas. 20 Hij richtte zijn blik op zijn leerlingen en zei: ‘Gelukkig jullie die arm zijn, want voor jullie is het koninkrijk van God. 21 Gelukkig jullie die nu honger hebben, want je zult verzadigd worden. Gelukkig wie nu huilt, want je zult lachen. 22 Gelukkig zijn jullie wanneer de mensen jullie omwille van de Mensenzoon haten en buitensluiten en beschimpen en je naam door het slijk halen. 23 Wees verheugd als die dag komt en spring op van blijdschap, want jullie zullen rijkelijk beloond worden in de hemel. Vergeet niet dat hun voorouders de profeten op dezelfde wijze hebben behandeld. 24 Maar wee jullie die rijk zijn, jullie hebben je deel al gehad. 25 Wee jullie die nu verzadigd zijn, want je zult honger lijden. Wee jullie die nu lachen, want je zult treuren en huilen. 26 Wee jullie wanneer alle mensen lovend over je spreken, want hun voorouders hebben de valse profeten op dezelfde wijze behandeld. (NBV21)

De keus van de twaalf zoals die door de schrijver van het Lucas evangelie wordt geschetst roept weer nieuwe vragen op. We hebben het al eens over de beschrijving in het Evangelie van Marcus gehad en ook Mattheus heeft er zo zijn eigen verhaal over. Alle drie de evangelisten willen wellicht iets anders vertellen. Lucas heeft het heel nadrukkelijk over afgezanten, zendelingen, die werden gekozen uit meerdere volgelingen. Na de dood van Jezus moesten immers een aantal mensen in de nieuwe massabeweging gezag krijgen. Gezag ontleend aan een opdracht van Jezus zelf had natuurlijk de hoogste waarde. Die afgezanten staan bij Lucas echter niet boven de menigte maar er tussen. Heel nadrukkelijk wordt verteld dat Jezus de berg afkwam. Jezus bad nooit in het openbaar, maar trok zich altijd terug om te bidden. Dat gaat nu eenmaal beter in de stilte dan in de drukte vooraan in de kerk, op de TV of de hoek van de straat.

Gezanten die mooi bidden zodat iedereen het kan horen, ja die zelfs oproepen om met hen mee te bidden tot God, zijn dan ook geen afgezanten van Jezus van Nazareth. Het beeld van het genezen van mensen in een grote menigte en van een grote menigte van mensen is iets wat typisch voor het Evangelie van Lucas is. Die mensen verzamelden zich rond Jezus, zijn afgezanten, zijn leerlingen en iedereen die met die beweging mee wilde doen. Die nadruk op de Liefde maakte dat er kracht van Jezus uit ging. Nooit hoefde je je buitengesloten te voelen. Nooit had je het gevoel niet mee te kunnen komen, niet gezien of niet gehoord te worden. Nee lammen gingen lopen, blinden konden zien en doven konden horen werd er gezegd. Mee doen in een beweging die zich bekommerd om medemensen kunnen we nog steeds, zeker als je arm bent, dan heb je immers niets te verliezen.

Arme mensen hebben nu eenmaal niets anders te verliezen dan de liefde voor elkaar en die liefde hebben ze hard nodig om te kunnen overleven. De armen weten hoe het is om door de woestijn te trekken, je hebt elkaar en de liefde voor elkaar, meer dan hard nodig. Jezus van Nazareth wist dat en spreekt hen in dit gedeelte moed in. “Gelukkig zijn jullie” vertaalt ook de NBV21. “Zalig” heette dat in oudere vertalingen en trouwens ook nog in de Naardense Bijbel. “Makarios” staat er in de oorspronkelijk Griekse tekst en ouderen onder ons denken gelijk aan een Cypriotische Bisschop die zijn volk vrij maakte van Griekse en Turkse overheersing en naar onafhankelijkheid voerde. Tegenwoordig moeten we de mensen van zijn eiland helpen, ze dreigen anders zo arm te worden dat wij er last van krijgen. En in een tijd van toenemende verwijdering tussen volken zou het kunnen helpen van Grieken en Turken op Cyprus weer één volk te maken. Elke dag kunnen we weer opnieuw beginnen er te zijn voor de zwaksten, ook vandaag.

 

Geen bijzondere waarde.

2 Kronieken 9:13-31

13 Koning Salomo ontving jaarlijks zeshonderdzesenzestig talent goud, 14 nog afgezien van het goud dat de handelaars en kooplieden meebrachten. Ook de Arabische vorsten en de stadhouders van Israël droegen goud en zilver aan Salomo af. 15 De koning liet tweehonderd grote schilden maken van gedreven goud; in één zo’n schild werd zeshonderd sjekel gedreven goud verwerkt. 16 En ook nog driehonderd kleinere schilden van gedreven goud; in één zo’n schild werd driehonderd sjekel goud verwerkt. Deze schilden liet hij opstellen in de hal die het Woud van de Libanon werd genoemd. 17 Van ivoor liet hij een grote troon maken, die werd verguld met zuiver goud. 18 Zes treden leidden naar de troon, waaraan ook een gouden voetenbank was bevestigd en armleuningen aan weerskanten van de zitting. Naast de armleuningen stonden twee leeuwen 19 en op de zes treden stonden er twaalf, één aan elke kant van iedere tree. In geen enkel koninkrijk was ooit zo’n troon gemaakt. 20 Al het drinkgerei van koning Salomo was van goud en al het andere vaatwerk in het Woud van de Libanon was verguld, want aan zilver hechtte men in de tijd van Salomo geen bijzondere waarde. 21 De koning beschikte namelijk over een handelsvloot die, bemand door zeelieden van Churam, op Tarsis voer en eens in de drie jaar binnenliep met een lading goud, zilver, olifantstanden, apen en pauwen. 22 Koning Salomo overtrof alle andere koningen op aarde in rijkdom en wijsheid. 23 Van heinde en ver kwamen koningen naar Salomo toe om te luisteren naar de wijsheid waarmee God hem vervuld had. 24 En allemaal brachten ze geschenken mee: zilveren en gouden voorwerpen, gewaden, wapens, reukwerk, paarden en muildieren. Dat ging zo jaar in jaar uit. 25 Salomo beschikte over vierduizend stalplaatsen voor paarden en wagens, en over twaalfduizend wagenmenners. Die waren deels bij de koning in Jeruzalem ondergebracht en deels in garnizoenssteden verspreid over het land. 26 Salomo had de heerschappij over alle koningen tussen de Eufraat en het land van de Filistijnen, en tot aan de grens met Egypte. 27 Dankzij koning Salomo was zilver in Jeruzalem even gewoon als steen, en was er aan cederhout net zo’n overvloed als aan wilde vijgenbomen in het heuvelland. 28 Paarden werden voor Salomo aangevoerd uit Egypte en verschillende andere landen. 29 Verdere bijzonderheden over Salomo zijn van begin tot eind opgetekend in de geschriften van de profeet Natan, in de profetie van Achia uit Silo en in de visioenen van de ziener Jedo over Jerobeam, de zoon van Nebat. 30 Veertig jaar regeerde Salomo vanuit Jeruzalem over heel Israël, 31 tot hij bij zijn voorouders te ruste ging. Hij werd begraven in de Davidsburcht, en zijn zoon Rechabeam volgde hem op. (NBV21)

Genoeg over Salomo. Er valt nog veel over deze Koning te vertellen maar dan moet je maar de geschriften van de profeet Natan lezen of de profetie van Achia uit Silo of in de visioenen van de ziener Jedo over Jerobeam, de zoon van Nebat. Daar staat de rest van het verhaal in. Die boeken zijn verloren gegaan. Bijna zou je zeggen “helaas” Maar zo is het niet. Wie zich afvraagt waarom er eigenlijk zo weinig over de tweede twintig jaar van de regering in het boek Kronieken staat heeft hier het antwoord. In dit boek staat het belangrijkste, dat waar het echt over moet gaan. Ten eerste de Tempelbouw, over die twintig jaar wordt uitgebreid vertelt. Daar waren de eerste lezers van de Kronieken ook mee bezig. Ze zullen zich af en toe best afgevraagd hebben waar ze het allemaal voor doen, er was immers veel weerstand tegen de herbouw van de Tempel onder leiding van Ezra en Nehemia.

De schrijver van de Kronieken geeft het antwoord. Als je de Tempel, met de richtlijnen voor de menselijke samenleving, centraal stelt in je samenleving dan groeit je land in rijkdom en aanzien. Dat wordt je zo rijk dat zilver weinig meer waard is. Stel je dat eens voor, zilver niks meer waard. Voor ons bijna onvoorstelbaar. Voor de Bijbel niet, in de Bijbel is het zelfs niet onbestaanbaar dat goud niks meer waard is. In een nieuw Jeruzalem zullen de straten van goud zijn, we kunnen van goud gewoon straatstenen maken, meer is het niet waard. De rijkdom die we hebben komt van de God van Israël. Als iedereen dat zou beseffen en bereid zou zijn te delen van wat God geeft dan hoeven we niet steeds meer en nog meer, dan hebben we altijd genoeg.En in een samenleving die rust op recht en gerechtigheid straalt het als een licht dat niet verborgen kan blijven. Jeruzalem wordt een stad waar alle volken naar kijken, van heinde en verre komen de Koningen van de wereld naar Salomo die de vreze voor God als begin van alle wijsheid kent.

En denk niet dat die Koningen op het idee komen dat ze die rijkdom wel zouden kunnen stelen. Paarden en wagens in overvloed, een gastenhuis met duizend gouden schilden. Elke stad kende een eigen garnizoen dat voor de veiligheid moest zorgen. Dat is het vooruitzicht dat aan de bouwers van Jeruzalem wordt geschilderd. Dat vooruitzicht ligt in hun verleden. We kennen het dus al, we kunnen het ons voorstellen. Zo weten wij wat een land is dat in vrede leeft, dat is ons land, een vrede die we kunnen verspreiden, tot aan de einden der aarde is ons opgedragen. Wij weten wat zorg en aandacht opleveren. De gemiddelde leeftijd in ons land is in de laatste honderd jaar bijna verdubbeld. Dat streven naar vrede, recht en gerechtigheid, naar delen van wat God ons geeft mogen we dus nooit opgeven, geen dag.

 

Hoe wijs Salomo was

2 Kronieken 9:1-12

1 De roem van Salomo was tot de koningin van Seba doorgedrongen. Ze ging naar hem toe om hem met raadsels op de proef te stellen en kwam naar Jeruzalem met een grote karavaan dromedarissen beladen met reukwerk, een grote hoeveelheid goud, en edelstenen. Ze bracht Salomo een bezoek en legde hem alle vragen voor die ze had bedacht. 2 En Salomo wist op al haar vragen een antwoord, er was er niet één waarop hij het antwoord schuldig moest blijven. 3 Toen de koningin van Seba merkte hoe wijs Salomo was en ze het paleis zag dat hij gebouwd had, 4 de gerechten die bij hem op tafel kwamen, de wijze waarop zijn hovelingen aanzaten, de kleding en de goede manieren van zijn bedienden en schenkers en de plechtige stoet waarin hij zich naar de tempel van de HEER begaf, was ze buiten zichzelf van bewondering. 5 Ze zei tegen de koning: ‘Het is dus echt waar wat ik in mijn land over u en uw wijsheid heb horen vertellen. 6 Ik geloofde het niet, maar nu ik hierheen ben gekomen en het met eigen ogen gezien heb,
moet ik toegeven dat ik nog niet de helft te horen heb gekregen. Uw wijsheid is nog veel groter dan wordt gezegd.7 Wat zijn uw hovelingen, die voortdurend in uw gezelschap verkeren en al uw wijze woorden horen, bevoorrecht! 8 Geprezen zij de HEER, uw God, die zo veel behagen in u schept dat Hij u op de troon heeft gezet om in zijn naam koning te zijn. Uw God heeft Israël zo lief dat Hij het voor altijd wil doen standhouden. Daarom heeft Hij u als koning aangesteld om recht en gerechtigheid te handhaven.’ 9 De koningin van Seba schonk Salomo honderdtwintig talent goud en een grote hoeveelheid reukwerk en edelstenen. Het reukwerk dat de koningin van Seba aan koning Salomo gaf, was van onovertroffen kwaliteit. 10 De zeelieden van Churam en Salomo die het goud uit Ofir hadden meegebracht, voerden ook sandelhout en edelstenen mee. 11 Uit het sandelhout liet Salomo trappen maken voor de tempel van de HEER en het koninklijk paleis, en ook lieren en harpen voor de zangers. Nooit eerder was er in Juda zoiets gezien. 12 Koning Salomo gaf de koningin van Seba alles waar ze maar om vroeg. Hij gaf haar zelfs meer dan zij voor hem had meegebracht. Daarna keerde ze met haar gevolg naar haar eigen land terug. (NBV21)

Vandaag lezen we een verhaal dat door de eeuwen heen veel indruk heeft gemaakt. Het verhaal van de Koningin van Seba. Maar het wordt over het algemeen op een zeer vrouwonvriendelijke manier verteld. Die koningin kwam naar Salomo vanwege zijn wijsheid. Het was kennelijk niet haar bedoeling bij Salomo te blijven, of zo maar een vakantiebezoek te brengen. Ze had zich goed voorbereid en vooraf de vragen overwogen die wilde stellen. En ze was zeer onder de indruk. Salomo had orde in de chaos geschapen die een grote hofhouding kan meebrengen. Iedereen had een plaats en alles had een tijd waarop het moest gebeuren. Alle kleren waren mooi, heel en schoon. Maar het begon met de vragen. En dat wordt vaak overgeslagen. Wat kan een vrouw nu vragen dat een man niet kan beantwoorden?

Dat is dus zeer vrouwonvriendelijk. En dat doet de Koningin onrecht. Het gaat haar om recht en gerechtigheid. En een vorst of vorstin die haar onderdanen tot hun recht wil laten komen is meer dan goud waard. De meeste machthebbers denken immers dat de onderdanen er zijn om hen te laten schitteren, zodat ze als machthebbers tot hun recht komen. Bij een staatsbezoek hoort ook het uitwisselen van geschenken. Ook in de Nederlandse paleizen staat het vol met zulke geschenken. Goud, reukwerk en edelstenen kreeg Salomo. Geschenken van hoge kwaliteit. Maar er kwam nog meer naar het paleis van Salomo, sandelhout en nog meer edelstenen. Er wordt wel eens gesproken over de handel waarmee Salomo dit heeft verdiend. Maar daarover is in de Bijbel niets te lezen. De zeelui gingen en kwamen beladen met schatten weer terug.

Salomo sloeg de pas verkregen schatten niet op in zijn paleis. De God van Israël kwam eerst en hij liet daarom de Tempel nog mooier maken dan die al was. Er kwamen trappen van sandelhout, er kwamen lieren en harpen voor de priesterkoren en de orkesten van de levieten. Zo iets hadden de mensen nog nooit gezien. Maar niet alleen de gasten kwamen met geschenken, ook de gastheer wist van geschenken die de vriendschap onderhouden. Uiteindelijk leek het een wedstrijdje te worden in wie de rijkste was. Salomo won dat, de Koningin kreeg meer dan ze had meegebracht. Het hele verhaal roept voor ons de vraag op waar dat rare idee vandaan kwam dat een vrouw niet zou kunnen besturen, niet in de politiek of op de kansel zou thuishoren. De Bijbel zet twee verstandige, succesvolle koningen naast elkaar, de een vrouw, de ander man en ze doen voor elkaar niet onder. Daar kunnen we soms nog wel eens een voorbeeld aan nemen.