Vol verwachting

Lucas 3:10-20

10 De mensen vroegen hem: ‘Wat moeten we dan doen?’ 11 Hij antwoordde: ‘Wie twee stel onderkleren heeft, moet delen met wie er geen heeft, en wie eten heeft moet hetzelfde doen.’ 12 Er kwamen ook tollenaars om zich te laten dopen, en die vroegen hem: ‘Meester, wat moeten wij doen?’ 13 Hij zei tegen hen: ‘Vorder niet meer dan wat jullie is opgedragen.’ 14 Ook soldaten kwamen hem vragen: ‘En wij, wat moeten wij doen?’ Tegen hen zei hij: ‘Jullie mogen niemand afpersen en je ook niet laten omkopen, neem genoegen met je soldij.’ 15 Het volk was vol verwachting, en allen vroegen zich af of Johannes misschien de messias was, 16 maar Johannes zei tegen hen: ‘Ik doop jullie met water, maar er komt iemand die machtiger is dan ik; ik ben het zelfs niet waard om de riemen van zijn sandalen los te maken. Hij zal jullie dopen met de heilige Geest en met vuur; 17 Hij houdt de wan in zijn hand om zijn dorsvloer te reinigen, het graan zal Hij bijeenbrengen in zijn schuur en het kaf in onblusbaar vuur verbranden.’ 18 Op deze en andere wijze spoorde hij het volk aan en verkondigde hij hun het goede nieuws. 19 Maar de tetrarch Herodes, die door Johannes was terechtgewezen in verband met Herodias, de vrouw van zijn broer, en vanwege al zijn andere wandaden, 20 voegde aan alle slechte dingen die hij had gedaan nog toe dat hij Johannes opsloot in de gevangenis. (NBV21)

Die Johannes moet een verpletterende indruk gemaakt hebben, heel het volk liet zich door hem dopen. Paulus zal veel later op zijn reizen in Klein Azië nog volgelingen van Johannes tegenkomen aan wie hij moet uitleggen hoe de verhouding was tussen Jezus van Nazareth en Johannes de Doper. In het verhaal zoals ons dat vertelt wordt in het Evangelie van Lucas neemt Jezus van Nazareth de prediking van de oproep tot verandering naadloos over van Johannes de Doper als deze eenmaal door koning Herodes gevangen is gezet. Deze Herodes was de opvolger van de Herodes die koning was toen Johannes en Jezus geboren werden. Sommigen vragen zich trouwens af door wie Jezus van Nazareth eigenlijk gedoopt was want eerst wordt verteld dat Johannes de Doper gevangen is gezet en daarna wordt verteld dat ook Jezus van Nazareth gedoopt werd.

Hoe het ook zij, toen Jezus van Nazareth zijn werk begon wilde iedereen wel de kant uit van delen en zorgen voor de naaste zoals Johannes de Doper had verkondigd. Dat de geschiedenis van Johannes de Doper diepe indruk had gemaakt blijkt ook uit de geschiedschrijving van het volk van Israël. Joden wezen de aanbidding van de Romeinse Keizer als god af, ze hielden een vrije dag in de week en ze hadden ingewikkelde regels over wat ze wel en niet mochten eten. In het Romeinse Rijk waren ze daarom vaak buitenbeentjes. De Joodse Historicus Flavius Josephus schreef in het begin van onze jaartelling een paar boeken ter verdediging van de Joden. In zijn boek over de Joodse geschiedenis komt ook Johannes de Doper voor. Tegenover de liederlijkheid van het hof van Herodes wordt Johannes de Doper geschilderd als een goed man die de Joden opgeroepen had deugdzaam te leven door gerechtigheid te betrachten en zich te laten dopen. Uit dat boek komt ook het verhaal over Salome en de dans voor de Koning die als beloning het hoofd van Johannes de Doper op een schaal kreeg.

Het evangelie van Lucas is het enige verhaal dat vertelt dat Jezus van Nazareth aan het bidden was toen dat visioen met die duif en de stem die riep dat hij de zoon van God was gebeurde. Wil je een taak op je nemen als die van Johannes de Doper dan moet je wel alle moed verzamelen. De beste manier omdat te doen is je helemaal open stellen voor het Woord van God, alle verhalen in je op nemen en je volledig overgeven aan het vertrouwen dat God met je mee gaat als je de Weg van de God van Israël volgt en mensen oproept om te delen met elkaar van wat ze hebben en er samen voor te zorgen dat iedereen kan meedoen en niemand meer honger heeft of langs de weg hoeft te blijven zitten, dat noemen we bidden. De volgelingen van Jezus van Nazareth die deze omkeer maakten waren daar later zo blij over en wilden dat zo radicaal doen dat ze zich met hun hele gezin en iedereen die daar bij hoorde lieten dopen. Zo zijn we in de geschiedenis van de Kerk aan de kinderdoop gekomen. Het teken dat mensen met alles wat ze hebben willen horen bij een beweging waar het delen van wat je hebt en wat je te eten hebt voorop staat. Waar het gaat om de minsten van de wereld. Bij die beweging kun je je elke dag opnieuw weer aansluiten, ook vandaag.

 

Het komende oordeel

Lucas 3:1-9

1 In het vijftiende jaar van de regering van keizer Tiberius, toen Pontius Pilatus Judea bestuurde, en Herodes tetrarch was over Galilea, zijn broer Filippus over het gebied van Iturea en Trachonitis, en Lysanias over Abilene, 2 en toen Annas en Kajafas hogepriester waren, richtte God zich in de woestijn tot Johannes, de zoon van Zacharias. 3 Daar ging Johannes in de omgeving van de Jordaan verkondigen dat de mensen zich moesten laten dopen en tot inkeer moesten komen, om vergeving van zonden te krijgen, 4 zoals geschreven staat in het boek met de uitspraken van de profeet Jesaja: ‘Een stem roept in de woestijn: “Maak de weg van de Heer gereed, maak recht zijn paden! 5 Iedere kloof zal worden gedicht, elke berg en heuvel geslecht, kromme wegen recht gemaakt, hobbelige wegen geëffend; 6 en al wat leeft zal zien hoe God redding brengt.”’ 7 Johannes zei tegen de mensen die massaal uitliepen om zich door hem te laten dopen: ‘Addergebroed, wie heeft jullie wijsgemaakt dat je het komende oordeel kunt ontlopen? 8 Breng vruchten voort die tonen dat jullie tot inkeer gekomen zijn, en zeg niet meteen bij jezelf: Wij hebben Abraham als vader. Want ik zeg jullie: God kan uit deze stenen kinderen van Abraham verwekken! 9 Ja, de bijl ligt al aan de wortel van de boom: iedere boom die geen goede vruchten voortbrengt, wordt omgehakt en in het vuur geworpen.’ (NBV21)

Bij ons is iemand die roept als een roepende in de woestijn iemand waar niet naar geluisterd wordt. Het is een spreekwoord dat ontleend is aan het gedeelte dat we vandaag lezen maar het heeft een tegengestelde betekenis gekregen aan het verhaal. Naar Johannes werd wel degelijk geluisterd. De schrijver van het Evangelie naar Lucas meldt ons heel nauwkeurig wanneer Johannes is gaan optreden. Wie de geschiedenisboekjes er op narekent komt uit op het jaar 28 na het begin van onze jaartelling. Johannes wordt in dit verhaal heel uitdrukkelijk in de traditie van de profeten uit het Oude Testament gezet. Te beginnen met de traditie van Jesaja die zo uitdrukkelijk de bevrijding van het volk Israël had aangekondigd. Maar net als Jesaja in zijn dagen vraagt Johannes een duidelijke keuze van de mensen. Net als in de dagen van Jesaja waren de meeste mensen in de dagen van Johannes keurige mensen. Ze brachten hun offers, gingen op Sabbat naar de Synagoge, ze baden met voorgeschreven regelmaat, aten volgens de spijswetten en ze moorden niet, logen niet, stalen niet en aanbaden geen andere goden. Wat wil een mens nog meer.

Nu, een mens mag misschien niet veel meer verlangen maar God wil wel degelijk meer. Want met al dat uiterlijk godsdienstig vertoon wordt de aarde nog geen aarde waar mensen gelukkig kunnen wonen. Ondanks dat uiterlijk godsdienstig vertoon, dat fatsoen, die waarden en normen, gaan er nog steeds mensen dood van de honger, lijden mensen onder de koude, zijn er armen in het land. De leer van de God van Israël moet een duidelijke inhoud krijgen, die leer moet aan mensen zichtbaar worden. Daarom staat het delen met elkaar voorop, warme kleren als je die hebt, eten als je dat hebt, samen delen is het eerste zichtbare teken van de Weg van de God van Israël, de Heer van de wereld. Maar ook de belastinginners voor de Romeinen, de tollenaars mogen de Weg zichtbaar maken door niet meer te innen dan opgedragen is. Geen woekerwinsten maken uit het innen van belasting ten koste van de armen. Dat geldt ook voor de soldaten. Niemand afpersen, niet laten omkopen en genoegen nemen met je soldij.

Het zijn eigenlijk de eerste basisregels voor een geordende samenleving. Regels die we ooit probeerden ingevoerd te krijgen in een land als Afghanistan. Maar ook regels die ingevoerd zouden moeten worden op wereldniveau. Ook daar zou moeten gelden dat we beginnen met samen delen. Rijke landen die zorgen dat de verdeling van goederen en diensten op een eerlijke manier gebeurt zodat ook de armste landen mee kunnen delen van de welvaart in de wereld. Zorgen dat we allemaal te eten hebben en dat hongersnoden niet meer kunnen voorkomen, zorgen dat ook boeren in arme landen toegang hebben tot de wereldmarkt en mee kunnen concurreren met de boeren in de rijke landen. En samen zorgen dat er geen corrupte regiems meer kunnen zijn die in rijke landen, bij banken met beschermd bankgeheim, hun gestolen gelden kunnen parkeren. Johannes vraagt van de mensen om zich te laten dopen, je zou bijna zeggen dat wij van de volken moeten vragen zich te laten dopen. Maar laten we beginnen met zijn Weg zichtbaar te maken door samen te delen en te protesteren tegen het roven door samenlevingen als de onze van de armsten in de wereld. Daar kunnen we vandaag nog mee beginnen.

Bij God en de mensen

Lucas 2:41-52

41 Zijn ouders gingen jaarlijks voor het pesachfeest naar Jeruzalem. 42 Toen Hij twaalf jaar was, maakten ze weer hun gebruikelijke pelgrimstocht. 43 Na afloop van het feest vertrokken ze naar huis, maar Jezus bleef in Jeruzalem achter zonder dat zijn ouders het wisten. 44 In de veronderstelling dat Hij zich bij het reisgezelschap bevond, reisden ze een hele dag voordat ze Hem overal onder hun verwanten en bekenden begonnen te zoeken. 45 Toen ze Hem niet vonden, keerden ze terug naar Jeruzalem om Hem daar te zoeken. 46 Na drie dagen vonden ze Hem in de tempel, waar Hij tussen de leraren zat, terwijl Hij naar hen luisterde en hun vragen stelde. 47 Allen die Hem hoorden stonden versteld van zijn inzicht en zijn antwoorden. 48 Toen zijn ouders Hem zagen, waren ze ontzet, en zijn moeder zei tegen Hem: ‘Kind, wat heb Je ons aangedaan? Je vader en ik hebben met angst in het hart naar Je gezocht.’ 49 Maar Hij zei tegen hen: ‘Waarom hebt u naar Me gezocht? Wist u niet dat Ik in het huis van mijn Vader moest zijn?’ 50 Maar ze begrepen niet wat Hij tegen hen zei. 51 Hij reisde met hen terug naar Nazaret en was hun gehoorzaam. Zijn moeder bewaarde alles wat er met Hem gebeurd was in haar hart. 52 Jezus groeide verder op en zijn wijsheid nam nog toe. Hij kwam steeds meer in de gunst bij God en de mensen. (NBV21)

Jezus van Nazareth werd volgens het verhaal van Lucas geboren in Bethlehem en groeide op in Nazareth. Maar in Bethlehem was geen plaats voor hem geweest en Nazareth was wel het dorp van zijn ouders maar niet zijn dorp. Waar hoorde die Jezus van Nazareth dan wel thuis? De vraag was relevant want die Landvoogd Quirinius hield in dat jaar net zijn eerste volkstelling voor de Keizer. En waar Jezus thuishoorde bleek toen hij volwassen werd. Joodse jongens worden volwassen rond hun twaalfde jaar. Dan mogen ze voor het eerst in de synagoge uit de Hebreeuwse Bijbel lezen. Dat lezen gaat niet vanzelf. Hebreeuws is niet meer een taal die we spreken. Oorspronkelijk was het alleen opgeschreven in medeklinkers, eigenlijk was het alleen uit het hoofd geleerd. Maar tijdens de ballingschap in Babel was men begonnen alles op een rij te zetten en op te schrijven. Later kwamen daar ook tekentjes voor de klinkers en de klemtonen bij. Jongens die hun “Bar Mitzwa” willen doen moeten dus hard studeren op het stuk uit de Bijbel dat ze mogen voorlezen.

Jezus van Nazareth vond zijn plaats toen hij twaalf jaar werd en dus meerderjarig. Zijn ouders volgden de leer van Mozes en gingen dus elk jaar naar de Tempel in Jeruzalem. Eigenlijk moesten ze wel drie maal per jaar naar Jeruzalem maar de meeste mensen gingen in elk geval met het Pesachfeest. Dan werd gevierd en herdacht hoe het volk bevrijdt was van de slavernij in Egypte. Elk jaar werd die bevrijding opnieuw beleefd. In Jeruzalem brachten ze een offer en hielden een maaltijd met de familie, de armen, de tempeldienaren en de vreemdelingen uit hun stad. Daarom spreekt het verhaal ook over een groot gezelschap dat met de ouders van Jezus van Nazareth meereisde. Maar Jezus van Nazareth ging niet mee terug. Hij bleef hangen in de voorhof van de Tempel. Daar hielden de schriftgeleerden zich op. Mensen die hun hele leven gewijd hadden aan de bestudering van de leer van Mozes, de boeken van de profeten en de geschriften als de Psalmen en de Spreuken. Via vragen en discussies met elkaar probeerden ze achter de juiste betekenis van de Bijbelteksten te komen.

Na de verwoesting van de Tempel in het jaar 70 zijn veel van die discussies ook opgeschreven zodat de Joden in de verstrooiing die discussies konden blijven bestuderen en voortzetten. Ze zijn voor een groot deel verzameld in de Talmoed. Jezus van Nazareth ging deelnemen aan die discussies. Nu hij twaalf was geworden mocht hij dat ook. Maar een jochie van twaalf weet meestal niet zo veel. Zeker niet genoeg om met geleerden mee te kunnen discussiëren. Hij echter gaf blijk van een grote wijsheid waardoor hij de geleerden versteld deed staan. Waarover de discussies gingen vermeld het verhaal niet. Maar één element wordt duidelijk als zijn ouders hem gevonden hebben. Ook in de Hebreeuwse Bijbel wordt God al aangesproken als “Vader” en als je God als Vader aanspreekt dan is je huis de Tempel in Jeruzalem. Later zal het met name gaan over het liefhebben van je naaste. . En dan is die wijsheid eenvoudiger dan je zou denken. Dan is die kinderlijk eenvoudig, zelfs voor ons te begrijpen. Heb-Uw-Naaste-Lief-Als-Uzelf, gewoon vandaag weer mee beginnen. Als we dat horen zijn ook wij weer thuis, dan weten we tenminste weer wat ons te doen staat, ook vandaag weer.

 

Eeuwig duurt zijn trouw

Psalm 136

1 Loof de HEER, want Hij is goed -eeuwig duurt zijn trouw- 2 loof de allerhoogste God -eeuwig duurt zijn trouw- 3 loof de oppermachtige Heer -eeuwig duurt zijn trouw- 4 die grote wonderen doet, Hij alleen -eeuwig duurt zijn trouw- 5 die de hemel maakte, met wijsheid -eeuwig duurt zijn trouw- 6 die de aarde uitspreidde, op het water -eeuwig duurt zijn trouw- 7 die de grote lichten maakte -eeuwig duurt zijn trouw- 8 de zon, om te heersen over de dag -eeuwig duurt zijn trouw- 9 maan en sterren, om te heersen over de nacht -eeuwig duurt zijn trouw- 10 die Egypte trof, in hun eerstgeborenen -eeuwig duurt zijn trouw- 11 en Israël wegleidde, uit hun midden -eeuwig duurt zijn trouw- 12 met krachtige hand en geheven arm -eeuwig duurt zijn trouw- 13 die de Rietzee spleet, in tweeën -eeuwig duurt zijn trouw- 14 en Israël overbracht, daar midden doorheen -eeuwig duurt zijn trouw- 15 en de farao met zijn leger achterliet, in de Rietzee -eeuwig duurt zijn trouw- 16 die zijn volk leidde, in de woestijn -eeuwig duurt zijn trouw- 17 die geduchte koningen versloeg -eeuwig duurt zijn trouw- 18 en machtige koningen doodde -eeuwig duurt zijn trouw- 19 Sichon, koning der Amorieten -eeuwig duurt zijn trouw- 20 en Og, de koning van Basan -eeuwig duurt zijn trouw- 21 en hun land weggaf, als bezit -eeuwig duurt zijn trouw- 22 als bezit aan Israël, zijn dienaar -eeuwig duurt zijn trouw- 23 die in onze rampspoed aan ons heeft gedacht -eeuwig duurt zijn trouw- 24 en ons ontrukte aan onze belagers -eeuwig duurt zijn trouw- 25 Hij geeft brood aan alles wat leeft -eeuwig duurt zijn trouw. 26 Loof de God van de hemel -eeuwig duurt zijn trouw! (NBV21)

Het verhaal van Matteüs over de kindermoord in Bethlehem heeft altijd grote indruk gemaakt. Toch lezen we dan ook een lofpsalm op de trouw van de God van Israël aan zijn volk. Hoe kun je een God loven die de moord op alle jongetjes beneden de twee jaar oud in een klein dorp bij Jeruzalem toestaat? Het is een vraag die bij alle leed op de wereld opklinkt. Hoe kan de God van Israël, schepper van hemel en aarde, toestaan dat aan onschuldige mensen, en vooral kinderen zijn onschuldig, zoveel leed wordt aangedaan. Juist in deze dagen bereiken ons de berichten over duizenden kinderen die hun ouders zijn kwijtgeraakt of hebben verloren in een oorlog en die zelf moeten zien te overleven, dus gevaar lopen aan de oorlog en de armoede ten onder te gaan. Pas op het einde van de Psalm blijkt het misverstand dat bij ons leeft over die God van Israël.

Eerst benoemt de psalmdichter een aantal wonderbaarlijke zaken die de God van Israël heeft gedaan. De zon en de maan aan de hemel gegeven, niet als goden om te aanbidden maar als hulp voor de mensen om een grens tussen werken en rusten aan te geven. Zo zijn ook de dagen gemaakt zodat op de zevende dag gerust mag worden. De bevrijding van de slavernij uit Egypte wordt nog eens uitgebreid bezongen en de overwinning op al die koningen en volken die niet wilden delen met een volk dat in de woestijn dreigde om te komen van honger en dorst. Daar loopt die bevrijding dan ook uiteindelijk op uit, een land dat overvloeit van melk en honing, als je je aan de geboden van die God houdt. Geboden die zich laten samenvatten in het heb uw naaste lief als uzelf. Geleerden nemen aan dat deze Psalm populair werd, of zelfs ontstond na de ballingschap bij het vieren van de Loofhuttenfeest. Dan ging het volk voor korte tijd wonen in zelfgebouwde primitieve hutten gemaakt van de takken van de bomen.

Het was een oogstfeest dat de oogst in verbinding bracht met de tocht door de woestijn en de Tora die daar was ontvangen. In die Tora was een heel systeem begrepen van delen met de armsten, met zorg voor slechte tijden. Elk dorp moest een voorraadschuur hebben voor als de volgende oogst zou mislukken. Met de armen moest worden gedeeld en 1 keer in de 50 jaar kregen ook de armsten de kans opnieuw te beginnen doordat ze de akker van hun erfdeel weer terugkregen. De Psalm looft de God van Israël op het eind dan ook omdat er altijd voor iedereen te eten is, deel van leven is. Het misverstand is dat wij denken niks te hoeven doen en alles aan die God kunnen overlaten. Ons land is een belangrijk centrum in internationale wapenhandel, een handel die oorlogen en geweld tegen armen mogelijk maakt, wij stoppen die handel op geen enkele manier. Dat geld ook voor verdeling van welvaart en voedsel, oneerlijke handelsregels maken concurrentie voor arme boeren bijna onmogelijk. Wij roepen wel over die God als er geweld gepleegd is, als rampen de armen het hardst blijken te treffen. We zouden meer moeten roepen naar onszelf en leren vandaag dat die God te loven is voor alle mogelijkheden die we hebben om aan dat geweld een einde te maken en mensen te bevrijden van armoede en ellende. We mogen er elke dag opnieuw tegen opstaan, ook vandaag weer.

Geruzie en geredetwist

Titus 3:8-15

8.Deze boodschap is betrouwbaar. Ik wil dat je hierover met overtuiging spreekt, opdat zij die op God vertrouwen zich erop toeleggen het goede te doen. Daar heeft iedereen baat bij. 9 Maar houd je verre van dwaze speculaties en geslachtsregisters en dat geruzie en geredetwist over de wet, want dat is allemaal nutteloos en dwaas. 10 Wie na twee keer te zijn terechtgewezen nog steeds verdeeldheid zaait, moet je uit de gemeente verwijderen; 11 je weet dat zo iemand het spoor volkomen bijster is en door te zondigen zichzelf veroordeelt. 12 Zodra ik Artemas of Tychikus naar je toe heb gestuurd, moet je bij mij in Nikopolis komen. Ik heb besloten daar de winter door te brengen. 13 Rust Zenas, de rechtsgeleerde, en Apollos goed toe voor hun reis, zodat het hun aan niets ontbreekt. 14 Laten ook onze mensen leren zich in te spannen om het goede te doen waar dat dringend nodig is. Zo maken ze zich nuttig. 15 Allen die bij mij zijn, groeten je. Groet al onze vrienden in het geloof. Genade zij met jullie allen. (NBV21)

Het spreken over het Woord van God wordt vaak ingewikkeld gemaakt. Titus wordt opgewekt er met overtuiging over te spreken. En waar gaat het dan over ? Over het goede doen. We kennen dat, houden van onze naaste als van onszelf, de hongerigen voeden, de dorstigen laven, de naakten kleden, de bedroefden troosten, de zieken verzorgen en de gevangenen bezoeken. Voor iedereen, uitdrukkelijk ook voor de vreemdelingen onder ons. Hoe maak je dat nu ingewikkeld. Reken maar dat het in onze kerken niet anders is dan in de gemeente van Titus op Kreta.

Bij het volk van Israël horen zij die volgens de geslachtsregisters afstammelingen zijn van het volk dat ooit uit de woestijn kwam. In het boek Jozua staat het oorspronkelijk register en in het boek Nehemia het register van na de ballingschap. Daarin grasduinen kost veel tijd en kan eindeloze, dus nutteloze discussies opleveren. Afstamming is ook de basis van discriminatie, als je de een beter vindt dan de ander is afstamming ineens belangrijk. Als dan de een meer mag dan de ander of de ander ineens wetten opgelegd krijgt vanwege de afstamming dan gaat het helemaal verkeerd.

Titus wordt gemaand zich hiervan verre te houden. En dat advies ik ook voor ons nuttig. Alle mensen op de wereld zijn door God geschapen en dus onze zusters en broeders. En als zusters en broeders bij je op de deur kloppen voor eten, drinken, kleding, zorg en onderdak dan weiger je ze niet maar dan help je ze weer een toekomst te zien. Mensen die zich toch blijven afzetten tegen vreemdelingen en afstamming belangrijk vinden in de samenleving moet uiteindelijk uit de gemeente verwijderd worden. Ook nu. Verder rest ons onze vertegenwoordigers goed toe te rusten en uit te rusten en het goede te doen en niets dan het goede. Elke dag opnieuw.

 

Gebruik je gezag

Titus 2:11–3:7

11 Gods genade is openbaar geworden om alle mensen te redden. 12 Ze leert ons dat we goddeloze en wereldse begeerten moeten afwijzen en bezonnen, rechtvaardig en vroom in deze wereld moeten leven, 13 in afwachting van het geluk waarop wij hopen: de verschijning van de majesteit van onze grote God en redder Jezus Christus. 14 Hij heeft zichzelf voor ons gegeven om ons van alle zonde vrij te kopen, ons te reinigen en ons tot zijn volk te maken, dat zich volledig inzet om het goede te doen. 15 Gebruik je gezag om dit te verkondigen, moedig aan en wijs terecht. Laat niemand op je neerkijken. 1 Herinner allen eraan dat ze overheid en gezag moeten erkennen en gehoorzaam moeten zijn, bereid om altijd het goede te doen, 2 dat ze van niemand mogen kwaadspreken, vredelievend en vriendelijk moeten zijn en zich tegenover alle mensen steeds zachtmoedig moeten gedragen. 3 Ook wij waren eens onverstandig,
ongehoorzaam, op de verkeerde weg, slaaf van allerlei begeerten en lusten. Ons leven stond in het teken van boosaardigheid en afgunst, we verafschuwden en haatten elkaar. 4 Maar toen zijn de goedheid en mensenliefde van God, onze redder, openbaar geworden 5 en heeft Hij ons gered, niet vanwege onze rechtvaardige daden, maar uit barmhartigheid. Hij heeft ons gered door het bad van de wedergeboorte en de vernieuwende kracht van de heilige Geest, 6 die Hij door Jezus Christus, onze redder, rijkelijk over ons heeft uitgegoten. 7 Zo zijn wij door zijn genade rechtvaardig verklaard en krijgen we deel aan het eeuwige leven waarop onze hoop gericht is. (NBV21)

Voortdurend gericht zijn op het goede doen, steeds maar weer hameren op recht voor de armen, op zorg voor de zwakken, is een taak. Dat je daarbij af en toe afhaakt, af en toe verzaakt, is een gegeven. Het verhaal dat Jezus van Nazareth met zijn leven heeft verteld maakt dat je elk moment opnieuw mag beginnen. Zelfs het korte optreden van Stefanus was niet vergeefs, het mag ons elk jaar op de Tweede Kerstdag weer tot voorbeeld dienen. Dat verhaal over het goede doen mogen we doorvertellen en we hoeven ons niet te laten afschrikken door de minachting waarmee geloof in rechtvaardigheid vaak wordt benaderd. Integendeel, mensen die menen het voor het zeggen te hebben in deze wereld hebben het eigenlijk mis. Als je in een tijd waarin de tering naar de nering gezet moet worden smalend doet over een voorstel om de allerrijksten iets meer mee te laten betalen aan de voorzieningen waar ook zij van profiteren dan lijk je wel sterk en machtig maar je bent eigenlijk alleen maar zwak.

De wegen waarover auto’s rijden, de treinen waarin mensen zich laten vervoeren, de veiligheid die burgers geboden wordt zijn voorzieningen waar iedereen van profiteert. Mogen de rijken voor het in stand houden misschien wat meer bij mogen dragen dan de armen? Maar hoe te veranderen? Revolutie maken, de geschiedenis leert ons dat dat geen garantie op verandering geeft, uiteindelijk vaak alleen onderdrukking. Ook de Joden hadden daar weet van. Hun grote oorlog tegen de Romeinen was uitgelopen op het vernietigen van de Tempel en het verspreiden van de inwoners over de rest van de wereld. De brief aan Titus werd, net als de andere boeken van het Nieuwe Testament, geschreven in een tijd dat de nieuwe religie van Jezus aanhangers, Christenen genoemd, nog verdacht waren. Wilden ze niet een nieuw Koninkrijk stichten? Hadden ze niet maar één Heer en dat was dan niet de Goddelijke Keizer?

Gemakkelijk konden deze Christenen voor oproerkraaiers worden aangezien. Offeren in de tempels was er niet bij. Onderscheid tussen slaven en heren, tussen mannen en vrouwen, was in hun midden weggevallen. In wat geschreven werd moest men daarom voorzichtig zijn. Het ging weliswaar om de bevrijding van de gebondenen, om recht voor de armen, maar niet met geweld en revolutie. In een wereldrijk als het Romeinse zou dat volstrekte onzin geweest zijn. Je kon beter uitgaan van gehoorzaamheid aan de overheid. Als de overheid de brief aan Titus in handen zou krijgen dan lijkt dit gedeelte uit het derde hoofdstuk een keurige oproep. Ook in onze dagen is veranderen door geweld niet het recept. Met oorlog winnen we geen vrede. Dat vrede uiteindelijk geboden is stralen we het beste uit door vrede te scheppen tussen groepen in de samenleving die tegengesteld lijken te zijn. Daarbij is het ook zo dat ook wij onze vijanden lief behoren te hebben, ook vandaag.

 

Met recht

Psalm 87

1-2 Van de Korachieten, een psalm, een lied. Boven alle steden van Jakob heeft de HEER de poorten van Sion lief, zijn vesting op de heilige bergen. 3 Van u wordt met lof gesproken, stad van God. sela 4 ‘Ik noem Rahab en Babel mijn getrouwen. Filistea, Tyrus en Nubië zijn alle hier geboren.’ 5 Met recht kan men van Sion zeggen: ‘Welk volk ook, het is hier geboren, de Allerhoogste houdt Sion in stand.’ 6 Bij de namen van de volken schrijft de HEER: ‘Dit volk is hier geboren.’ sela 7 En dansend zingen zij: ‘Mijn bronnen zijn alleen in u.’ (NBV21)

Vandaag, op de eerste zondag van een nieuw jaar, zingen we een psalm uit de bundel van de Korachieten mee. Vroeger deed men wel alsof alle 150 Psalmen geschreven waren door David, maar daar is men vanaf gestapt. David die bedroefd aan de wateren van Babylon zit zoals in Psalm 137 staat vroeg toch wel heel veel van de verbeeldingskracht van de gelovigen. Het boek van de Psalmen is op te delen in vijf gedeelten en is samengesteld uit een aantal bundels aangevuld met een paar losse psalmen. De bundel David is een heel belangrijke naast de bundel van Korachieten. Die Korachieten waren levieten die de diensten bij de Tempel opluisterden met hun muzikale gaven. Ze zongen niet alleen ze speelden ook op allerlei instrumenten. Het optreden van de Korachieten moet een indrukwekkend schouwspel zijn geweest. Dat de Psalmen van de Korachieten bij de Tempel in Jeruzalem hoorden blijkt ook uit de Psalm die we vandaag al lezende meezingen.

Het gaat hier over de poorten van Sion. Sion is de berg in Jeruzalem waarop de Tempel van God was gebouwd. Als er dan staat dat de Heer de poorten van Sion liefheeft dan duikt de Psalm gelijk in de inhoud van de voor ons misschien wat geheimzinnige tekst. De stadspoort was in het oude Israël de plaats waar recht werd gesproken. Daar zaten de oudsten van de stad en daar kon iedereen een rechtsgeschil brengen. Levieten waren speciaal aangewezen in de steden van Israël om recht te spreken. Levieten waren het ook die bij de Tempel hielpen. De poorten van Sion waren dan ook zo ongeveer het hoogste rechtscollege van Israël. Dat kwam ook omdat juist in de Tempel de Wet van de God van Israël werd bewaard, een Wet die zich liet samenvatten in heb uw naaste lief als uzelf. Nu was die Wet niet alleen voor Israël bedoeld. En daar zingt deze Psalm nu bij uitstek over. Met Rahab wordt hier Egypte bedoeld en Babel, Filistea en Nubië spreken voor zichzelf. Al die volken zijn geboren in de Tempel in Jeruzalem op de berg Sion. Welk volk dan ook, het is daar geboren.

Nu kent de Hebreeuwse Bijbel ook verhalen over het ontstaan van volken en talen en het ontstaan van de mens. Het begon ooit met een aarde die woest en ledig was en waar God zijn scheppende Woord sprak. Daar werden mensen geschapen en toen die het ook zonder God dachten te kunnen werden ze over aarde verspreid. Toch zegt de Psalm dat ze allemaal daar zijn geboren waar de richtlijnen voor de menselijke samenleving van de God van Israël werden bewaard. Het is de liefde van de God van Israël die de volken heeft geschapen. Een volk kan geen volk worden als mensen niet om elkaar geven, zich in elkaar herkennen en bereid zijn samen te doen. Het meest ideale zou zijn als alle volken zich dan ook aan die richtlijnen zouden houden, dat “van heb je naaste lief als jezelf”. Wij zouden daar in elk geval ook vandaag weer mee kunnen beginnen, net als we dat elke dag kunnen, zingend.

 

De heilzame leer

Titus 2,1-10

1 Maar jij moet verkondigen wat overeenkomt met de heilzame leer. 2 Oudere mannen moeten sober, waardig en bezonnen zijn, en gezond in het geloof, de liefde en de volharding. 3 Ook oudere vrouwen moeten zich ingetogen gedragen, ze mogen niet kwaadspreken of verslaafd zijn aan wijn. Ze moeten goede raad weten te geven 4 en de jonge vrouwen voorhouden dat ze hun man en kinderen moeten liefhebben, 5 dat ze ingetogen, kuis, zorgzaam in het huishouden en vriendelijk moeten zijn, en dat ze het gezag van hun man moeten erkennen. Dan wordt het woord van God in ere gehouden. 6 Roep ook jonge mannen op in alles ingetogen te zijn. 7 Geef zelf met goede daden het voorbeeld, laat je leer zuiver en waardig zijn, 8 en verkondig de heilzame, onbetwistbare boodschap, zodat onze tegenstanders beschaamd staan en niets kwaads over ons kunnen zeggen. 9 Slaven moeten in alles het gezag van hun meester erkennen en het hem naar de zin maken. Ze mogen hem niet tegenspreken 10 of van hem stelen, maar moeten laten zien dat ze volkomen betrouwbaar zijn. Dan verhogen ze in alles wat ze doen het aanzien van de leer van God, onze redder.(NBV21)

Titus werkte voor de Kretenzers. We kennen Kreta van de verhalen over de Minotaurus, de Stiermens die in een groot doolhof werd gehouden en waar jonge mannen en vrouwen aan geofferd werden. We kennen ook de verhalen over het stierspringen waarmee de jonge mannen van Kreta hun mannelijkheid konden bewijzen. Het zijn allemaal verhalen over een volk dat bezeten was door angst voor vruchtbaarheid. Vrouwen hadden alle reden om te roepen: Metoo. Maar kijk dan eens naar wat er staat over oudere mannen. Dat het geen dronkaards moeten zijn lijkt voor de hand te liggen, de Romeinen konden overigens zeer uitgebreid genieten van zeer verfijnde maaltijden, Soberheid is dus zo gek nog niet.

Gezond in geloof en in de liefde en de volharding. Wat een merkwaardige opsomming lijkt het. Geloof gaat nog maar liefde en volharding. De meeste van geloof, hoop en liefde is de liefde volgens Paulus, een liefde zo heet het die zichzelf niet zoekt. Liefde voor de mensen. En vanuit die liefde kan een slaaf gehoorzaamheid aan zijn meester gevraagd worden. Vrouwen kan gevraagd worden het tegendeel van liederlijkheid uit te stralen. Als je goed kijkt krijgen mannen en vrouwen, jongeren en ouderen, slaven en vrijen dezelfde adviezen van Paulus. Van het aanbrengen van een soort rangorde, waarbij de een de baas over de ander is, is geen sprake, allen hebben de mogelijkheid om reclame te maken voor het nieuwe leven. Allen wordt gevraagd die mogelijkheid aan te grijpen. In Christus is geen onderscheid tussen mensen en nu wordt aan Titus gevraagd dit ook in zijn nieuwe gemeente in praktijk te brengen.

Die vraag kan ook aan ons worden gesteld. Dan moeten wij onszelf afvragen of we in onze gemeenten onderscheid maken tussen mensen op grond van hun sociale status, hun sekse of seksuele geaardheid of hun leeftijd. Voor allen geld immers dat geloof, hoop en liefde uitgestraald moet worden en voor ons samen of iedereen daar wel voldoende de kans voor krijgt. Het woord “Vroom” betekent in Oud Nederlands “Dapper”, je vindt het terug in het Wilhelmus, “Dat ik zo vroom mag blijven¦, den tirannie verdrijven” Vroom heeft tegenwoordig de bijbetekenis van “over godsdienstig”, maar soms moet je ook wel dapper zijn om je godsdienst uit te durven dragen. Dat is misschien ook wel een verklaring voor het radicaliseren van godsdienstige jongeren, christenen en islamieten. Het is een goed gevoel dapper te moeten zijn voor een goede zaak, je godsdienst.

 

Kretenzers liegen

Titus 1,5-16

5 Ik heb je op Kreta achtergelaten om, volgens mijn richtlijnen, de resterende zaken te regelen en in elke stad oudsten aan te stellen: 6 onberispelijke mannen met maar één vrouw en met gelovige kinderen die niet kunnen worden beschuldigd van schandelijk gedrag en ongehoorzaamheid. 7 Een leider van de gemeente moet als beheerder van Gods huis onberispelijk zijn: hij mag niet eigenzinnig optreden, niet driftig zijn, niet te veel drinken, niet gewelddadig zijn en niet hebzuchtig; 8 hij moet juist gastvrij zijn, goedwillend, bezonnen, rechtvaardig, toegewijd en beheerst. 9 En hij moet zich houden aan de betrouwbare boodschap die in overeenstemming is met de leer, zodat hij in staat is om anderen met heilzaam onderricht te bemoedigen en dwarsliggers terecht te wijzen. 10 Want er zijn daar veel ongehoorzame mensen, praatjesmakers en bedriegers, vooral onder Joodse gelovigen. 11 Hun moet de mond worden gesnoerd; ze richten hele families te gronde door uit schandelijk winstbejag de verkeerde dingen te onderwijzen. 12 Het was ook een Kretenzer, hun eigen profeet zelfs, die zei: ‘Kretenzers liegen altijd, het zijn gemene beesten, vadsige vreters.’ 13 Dát is pas een waar woord! Wijs hen daarom streng terecht, zodat ze een heilzaam geloof krijgen, 14 zich niet langer interesseren voor Joodse verzinsels en zich geen regels laten opleggen door mensen die zich van de waarheid hebben afgekeerd. 15 Voor wie rein zijn, is alles rein; maar voor wie bezoedeld en ongelovig zijn, is niets rein, want zowel hun verstand als hun geweten is bezoedeld. 16 Ze belijden dat ze God kennen, maar hun daden weerspreken dat. Weerzinwekkend zijn ze, onwillig en niet in staat tot ook maar iets goeds. (NBV21)

Titus werkt volgens deze brief op Kreta en Kretenzers hadden zo hun eigen geloof en gewoonten. Eén man met meerdere vrouwen en een hele sleep ongeregelde kinderen was kennelijk geen uitzondering. Daar konden, en kunnen nog steeds, de meest wilde verhalen over de ronde doen die geen reclame zouden vormen voor de nieuwe godsdienst. En reclame voor die nieuwe godsdienst daar moest het om gaan. Vrouwen zijn geen bezit maar vrij letterlijk een wederhelft, een christelijke gemeente straalt dat uit. De schrijver van de brief aan Titus heeft de wetenschap overigens een citaat gegeven waar lang op is gestudeerd: “Alle Kretenzers zijn leugenaars, zei de Kretenzer” Deze zin kan dus niet. Of de Kretenzer liegt en dan is hij een leugenaar, maar zijn niet alle Kretenzer leugenaars, of de Kretenzer liegt niet en dan zijn alle Kretenzers leugenaars maar dan liegt hij dus ook en zijn niet alle Kretenzers leugenaars.

Volgens de schrijver van deze brief liegt deze valse profeet dus. De briefschrijver kan behoorlijk tekeer gaan tegen deze valse profeten en valse leraars. Ik heb er al eens eerder op gewezen dat er in de Bijbel forse scheldpartijen tegen profiteurs voorkomen. De daden zijn uiteindelijk toonaangevend voor het waarheidsgehalte. Worden de armen er beter van, komt er echte rechtvaardigheid en vrede? Is er echt sprake van een welbehagen in mensen? . De armen worden weggepoetst in preken van Anton Piek die met kerst bekeken kunnen worden in een christelijke Efteling. Het zijn de sprookjes die bij het jaargetijde horen. Dat de schapen in Israël van mei tot september in het veld bleven was door de geleerden even vergeten. . De brief aan Titus waarschuwt voor iets dat Joodse verzinsels genoemd wordt. In de tijd dat de brief is geschreven wilde men graag de Griekse godsdiensten verenigen met de Joodse Godsdienst.

Ook een probleem dat Paulus al aan de orde stelde speelde in de tijd van deze brief nog steeds een rol. Een deel van de Joden wilde dat de Heidenen die Christen werden zich bekeerden tot het Jodendom. Besnijdenis en de ingewikkelde spijswetten moesten ook voor hen gelden. Al heel vroeg in het bestaan van de mensen van de Weg was door de apostelen besloten dat dit niet opging. Geloof in Jezus als zoon van de God van Israël was voldoende. Het begrip “Joodse Verzinsels” is dus ook geen generalisatie van alle Joden die alleen slechte dingen deden. Maar als het ineens over je eigen geluk gaat, over praten met je voorouders, praten met geesten zit het niet goed. Dan gaat het over toekomstvoorspellingen, over de taal van de sterren. Voor deze briefschrijver moet je alleen letten op de daden. Daarom: als je mee wil doen met het verhaal van Jezus van Nazareth en wil helpen de wereld te bevrijden van bedrog, onderdrukking, onrecht en armoede dan heeft ook het kerstverhaal daarin een eigen betekenis.

 

Dienaar van God

Titus 1,1-4

1 Van Paulus, dienaar van God, apostel van Jezus Christus, gestuurd om het geloof van Gods uitverkorenen te versterken en hun kennis bij te brengen van de waarheid die tot vroomheid leidt, 2 in de hoop op het eeuwige leven dat God, die niet liegt, vóór alle tijden heeft beloofd. 3 Hij heeft de tijd bepaald waarop zijn woord door de verkondiging bekendgemaakt werd, en deze verkondiging is mij nu in opdracht van God, onze redder, toevertrouwd. 4 Aan Titus, mijn waarachtig kind in ons gemeenschappelijk geloof. Genade en vrede van God, de Vader, en van Christus Jezus, onze redder! (NBV21)

Vandaag beginnen we te lezen in de brief die gecomponeerd werd alsof Paulus schreef aan zijn assistent Titus, maar de brief is van een tijd na het leven van Paulus en misschien ook wel nadat Titus al was overleden. We krijgen een kijkje in de opbouw van een nieuwe godsdienst in een bestaande wereld. Een nieuwe godsdienst die langzaam een vaste plaats tussen de andere godsdiensten had gekregen. Het Christendom was niet langer een gevaarlijke ondergronds levende sekte maar was een godsdienst naast alle andere, met overigens een paar eigenaardige eigenschappen.
Allereerst stelt Paulus zich voor. Niet meer als apostel die door God zelf gestuurd was maar als gelovige die de mede gelovigen moet versterken.

Al in de eerste zin gaat het dus ook om versterking van de nieuwe geloofsgemeenschap. Kennis van die nieuwe godsdienst is daarbij heel belangrijk. Christenen weten waar ze het over hebben en angst voor de dood hebben ze niet want hen is een eeuwig leven beloofd. Titus werkt volgens deze brief op Kreta en Kretenzers hadden zo hun eigen geloof en gewoonten. Titus is een directe collega van Paulus. En als deze brief zou worden voorgelezen aan de gemeente versterkt de manier waarop Titus hier wordt voorgesteld zijn gezag.

Maar wie zou daar wat aan hebben als Titus gestorven zou zijn. Zijn directe opvolgers. Zij die er voor hebben doorgeleerd zeggen ze tegenwoordig. Daarom moet elke gemeenschap van Christenen, elke plaatselijke kerk een dominee hebben die er voor heeft doorgeleerd. Dat Paulus zegt dat elke gelovige de kennis over Jezus van Nazareth en de liefde voor de naaste moet kunnen doorgeven speelt in die discussie geen rol. Voor gelovigen wel, die zijn uit op die kennis en daar kan het lezen van de brief aan Titus ook vandaag bij helpen.