Titus 2:11–3:7
11 Gods genade is openbaar geworden om alle mensen te redden. 12 Ze leert ons dat we goddeloze en wereldse begeerten moeten afwijzen en bezonnen, rechtvaardig en vroom in deze wereld moeten leven, 13 in afwachting van het geluk waarop wij hopen: de verschijning van de majesteit van onze grote God en redder Jezus Christus. 14 Hij heeft zichzelf voor ons gegeven om ons van alle zonde vrij te kopen, ons te reinigen en ons tot zijn volk te maken, dat zich volledig inzet om het goede te doen. 15 Gebruik je gezag om dit te verkondigen, moedig aan en wijs terecht. Laat niemand op je neerkijken. 1 Herinner allen eraan dat ze overheid en gezag moeten erkennen en gehoorzaam moeten zijn, bereid om altijd het goede te doen, 2 dat ze van niemand mogen kwaadspreken, vredelievend en vriendelijk moeten zijn en zich tegenover alle mensen steeds zachtmoedig moeten gedragen. 3 Ook wij waren eens onverstandig,
ongehoorzaam, op de verkeerde weg, slaaf van allerlei begeerten en lusten. Ons leven stond in het teken van boosaardigheid en afgunst, we verafschuwden en haatten elkaar. 4 Maar toen zijn de goedheid en mensenliefde van God, onze redder, openbaar geworden 5 en heeft Hij ons gered, niet vanwege onze rechtvaardige daden, maar uit barmhartigheid. Hij heeft ons gered door het bad van de wedergeboorte en de vernieuwende kracht van de heilige Geest, 6 die Hij door Jezus Christus, onze redder, rijkelijk over ons heeft uitgegoten. 7 Zo zijn wij door zijn genade rechtvaardig verklaard en krijgen we deel aan het eeuwige leven waarop onze hoop gericht is. (NBV21)
Voortdurend gericht zijn op het goede doen, steeds maar weer hameren op recht voor de armen, op zorg voor de zwakken, is een taak. Dat je daarbij af en toe afhaakt, af en toe verzaakt, is een gegeven. Het verhaal dat Jezus van Nazareth met zijn leven heeft verteld maakt dat je elk moment opnieuw mag beginnen. Zelfs het korte optreden van Stefanus was niet vergeefs, het mag ons elk jaar op de Tweede Kerstdag weer tot voorbeeld dienen. Dat verhaal over het goede doen mogen we doorvertellen en we hoeven ons niet te laten afschrikken door de minachting waarmee geloof in rechtvaardigheid vaak wordt benaderd. Integendeel, mensen die menen het voor het zeggen te hebben in deze wereld hebben het eigenlijk mis. Als je in een tijd waarin de tering naar de nering gezet moet worden smalend doet over een voorstel om de allerrijksten iets meer mee te laten betalen aan de voorzieningen waar ook zij van profiteren dan lijk je wel sterk en machtig maar je bent eigenlijk alleen maar zwak.
De wegen waarover auto’s rijden, de treinen waarin mensen zich laten vervoeren, de veiligheid die burgers geboden wordt zijn voorzieningen waar iedereen van profiteert. Mogen de rijken voor het in stand houden misschien wat meer bij mogen dragen dan de armen? Maar hoe te veranderen? Revolutie maken, de geschiedenis leert ons dat dat geen garantie op verandering geeft, uiteindelijk vaak alleen onderdrukking. Ook de Joden hadden daar weet van. Hun grote oorlog tegen de Romeinen was uitgelopen op het vernietigen van de Tempel en het verspreiden van de inwoners over de rest van de wereld. De brief aan Titus werd, net als de andere boeken van het Nieuwe Testament, geschreven in een tijd dat de nieuwe religie van Jezus aanhangers, Christenen genoemd, nog verdacht waren. Wilden ze niet een nieuw Koninkrijk stichten? Hadden ze niet maar één Heer en dat was dan niet de Goddelijke Keizer?
Gemakkelijk konden deze Christenen voor oproerkraaiers worden aangezien. Offeren in de tempels was er niet bij. Onderscheid tussen slaven en heren, tussen mannen en vrouwen, was in hun midden weggevallen. In wat geschreven werd moest men daarom voorzichtig zijn. Het ging weliswaar om de bevrijding van de gebondenen, om recht voor de armen, maar niet met geweld en revolutie. In een wereldrijk als het Romeinse zou dat volstrekte onzin geweest zijn. Je kon beter uitgaan van gehoorzaamheid aan de overheid. Als de overheid de brief aan Titus in handen zou krijgen dan lijkt dit gedeelte uit het derde hoofdstuk een keurige oproep. Ook in onze dagen is veranderen door geweld niet het recept. Met oorlog winnen we geen vrede. Dat vrede uiteindelijk geboden is stralen we het beste uit door vrede te scheppen tussen groepen in de samenleving die tegengesteld lijken te zijn. Daarbij is het ook zo dat ook wij onze vijanden lief behoren te hebben, ook vandaag.