Bij zonsondergang

Deuteronomium 16:1-8

1 Ieder jaar in de maand abib moet u voor de HEER, uw God, het pesachoffer bereiden. Hij heeft u immers op een nacht in die maand uit Egypte weggeleid. 2 Voor het pesachoffer ter ere van de HEER moet u geiten, schapen of runderen slachten op de plaats die Hij zal kiezen om er zijn naam te laten wonen. 3 Bij dat vlees mag u geen gedesemd brood eten, maar alleen ongedesemd brood, gedurende zeven dagen. Het is het tranenbrood dat u, zolang u leeft, zal herinneren aan de dag waarop u wegtrok uit Egypte, aan dat overhaaste vertrek. 4 Zeven dagen lang mag er in het hele land bij u geen stukje zuurdesem te vinden zijn. En van het vlees dat de slacht van de eerste avond oplevert, mag niets tot de volgende dag bewaard worden. 5 U mag de dieren voor het pesachoffer niet slachten in elk van de steden die de HEER, uw God, u zal geven, 6 maar u moet dat op de ene plaats doen die Hij zal uitkiezen om er zijn naam te laten wonen, en wel ’s avonds, bij zonsondergang, het tijdstip waarop u uit Egypte vertrok. 7 Daar moet u het vlees bereiden en eten; de volgende morgen kunt u weer naar uw eigen woonplaats terugkeren. 8 Zes dagen lang moet u ongedesemd brood eten, en de zevende dag is er een feestelijke samenkomst voor de HEER, uw God; dan mag u niet werken. (NBV21)

Voor Christenen is dit gedeelte uit het boek Deuteronomium niet zonder betekenis. Twee van de grote Christelijke feesten konden ontstaan door de voorschriften uit dit gedeelte. Sinds het bewind van Koning Josia was het volk Israël zich bewust van deze feesten en als men niet in ruime mate de vreemde Kanaänitische feesten volgde dan vierde men het Pesach feest, het Wekenfeest en het Loofhuttenfeest. Het Pesachfeest en het Wekenfeest kennen we in het Christendom. Het Pesach als Paasfeest en het Wekenfeest als Pinksterfeest. Het Pesachfeest was het feest waarop de uittocht uit Egypte werd herdacht en het Wekenfeest was een oogstfeest waarop ook het sluiten van het verbond op de Horeb werd herdacht. Dat was bij de inrichting van die feesten dan ook goed te merken.

Bij het Pesachfeest werden ritueel de gewoonten uit de slavernij weer tot leven gebracht. In het hete woestijnzand van Egypte moest je geen vers geslacht vlees tot de volgende dag bewaren, dan is het bedorven. Daarom mag het ook niet in de zeven dagen van het Pesachfeest. Tijdens de slavernij, die voorafgaande aan de bevrijding steeds erger werd, had je geen tijd om het brood te laten rijzen voor je het ging bakken. Daarom heet het ongezuurde brood dat met Pesach wordt gegeten het tranenbrood, het is het brood uit de slaventijd. Dat het niet zo snel bedierf en daarom ideaal was om tijdens de vlucht uit Egypte mee te nemen was een gelukkige bijkomstigheid.

Ook vandaag de dag herinnert het Pesachfeest van de Joden aan het lijden dat het volk heeft moeten doormaken. Daarom staan er op de Pesachtafel ook de bittere kruiden waarvan gegeten wordt, na de Tweede Wereldoorlog met haar Holocaust, hebben deze kruiden een extra bittere betekenis gekregen. Denk ook niet dat het avondmaal of de eucharistie in de kerken een kopie is van de Pesachmaaltijd. De maaltijd die Jezus in de Pesachweek vierde was wel de maaltijd die in het Bijbelgedeelte van vandaag werd voorgeschreven. Maar Jezus vult de maaltijd in door er de vrijblijvendheid uit te halen. Hij offert zich op voor zijn vrienden, eigenlijk voor heel zijn land, door af te zien van geweld toen hij zich overgaf aan de Tempelpolitie. Vanaf die dag wordt van Christenen verwacht dat ze bereid zijn zichzelf op te offeren als dat voor de lieve vrede nodig is. Ook vandaag dus.

Geen besef van schuld

Psalm 36

1 Voor de koorleider. Van David, de dienaar van de HEER. 2 De zonde spreekt tot de goddeloze, diep in zijn hart- angst voor God kent hij niet. 3 De zonde sust zijn geweten in slaap- geen besef van schuld, geen afkeer van het kwaad. 4 Hij spreekt woorden van onheil en bedrog en blijft ver van wat wijs en goed is, 5 op zijn bed bedenkt hij verderfelijke plannen, hij betreedt een verkeerde weg en het kwade verwerpt hij niet. 6 HEER, hoog als de hemel is uw liefde, tot in de wolken reikt uw trouw, 7 uw gerechtigheid is als de machtige bergen, uw rechtvaardigheid als de wijde oceaan: U, HEER, bent de redder van mens en dier. 8 Hoe kostbaar is uw liefde, God! In de schaduw van uw vleugels schuilen de mensen, 9 zij laven zich aan de overvloed van uw huis, U lest hun dorst met een stroom van vreugde,10 want bij U is de bron van het leven, door úw licht zien wij licht.11 Toon aan uw getrouwen gedurig uw liefde, aan de oprechten van hart uw gerechtigheid. 12 Laat de voet van hoogmoedigen mij niet vertrappen, de hand van goddelozen mij niet verjagen.13 Daar liggen zij die verderf zaaiden-gevallen, neergestoten, zonder kracht om op te staan. (NBV21)

Iedereen heeft een geweten. Net als liefde is een geweten niet te pakken, het is geen ding, het is een eigenschap van mensen. Gewetenloos noemen we die mensen die een geweten missen. Ergens is iets verkeerd gegaan en heeft een besef van eigen schuld aan tegenvallers geen plaats gekregen. Iedereen buiten de gewetenloze heeft schuld maar de persoon zelf niet. Het gevolg is dat een gewetenloze alles doet vanuit een vermoeden van voordeel voor zichzelf. Morele wetten tellen daarbij niet. Liegen, bedriegen, manipuleren, doden, stelen, het kan allemaal als het de nodige voordelen oplevert. Als een gewetenloze misdaden pleegt dan kan een rechter iemand dwingen een behandeling te ondergaan die het gebrek aan geweten kan oplossen. Als een gewetenloze in de politiek gaat is dat een gevaar voor de samenleving. Maar ook een gewetenloze kan een volwaardig mens met een besef van schuld en onschuld worden.

De dichter van de Psalm barst dan ook los in een loflied. Een loflied op de liefde van God, op zijn trouw op zijn gerechtigheid en rechtvaardigheid. De beelden die in dit loflied worden gebruikt zijn ontleend aan de Tempel. Boven de Ark van het Verbond waken gouden cherubs met hun vleugels over de inhoud van de Ark. Die goddelijke vleugels beschermen dus ook de mensen. En wat is de inhoud van de Ark ook weer? Er liggen in stenen platen geschreven de richtlijnen voor de menselijke samenleving die zich laten samenvatten als heb God lief boven alles en je naaste als jezelf. Die richtlijnen worden in de Bijbel ook vaak vertaald als je moet de mensen tot hun recht laten komen, zeker de armen en de zwakken in je samenleving moet je kansen geven om mee te kunnen doen als gewone burgers. Bij de maaltijd die je bij de Tempel moet houden als offer, met de priesters en je familie, moet je uitdrukkelijk ook de armen en de vreemdelingen betrekken. Daar kan dus gelaafd worden aan de overvloed die er in de Tempel, het huis van God, te vinden is.

De fraaie woorden waarmee mensen die fouten hebben gemaakt die fouten op anderen af weten te wentelen benemen je soms het zich op wat er werkelijk aan de hand is. De Psalmist vraagt daarom aan zijn God de waarde van de liefde van God te blijven tonen aan hen die zijn Weg willen bewandelen. Ook de geboden van de God van Israël, de richtlijnen voor de menselijke samenleving worden een licht op ons pad genoemd. Het scheppingswoord uit Genesis “Er zij licht” wordt dan ook uitgelegd als een licht dat ons is opgegaan als inzicht in het kwade dat mensen kunnen doen. Zonder de richtlijnen van de menselijke samenleving, zonder het licht van de God van Israël, hadden we nooit ontdekt dat het afschuiven van fouten op anderen een kenmerk is van de zondaar die geen verantwoordelijkheid neemt voor eigen falen. In de brief aan de Romeinen citeert Paulus deze Psalm nog eens om te laten zien hoe hardnekkig dit kwaad kan zijn. Bij ruiterlijk toegeven en werkelijk veranderen hoort vergeving, maar zij die blijven volharden in het afschuiven op anderen dienen aangepakt te worden. Dat mogen we elke dag opnieuw doen, ook vandaag weer.

 

Ieder naar zijn daden

Jesaja 59:15b-21

15 Zo laat de waarheid verstek gaan, en wie het kwaad wil mijden, wordt uitgebuit. 16 Maar de HEER zag het, en het was slecht in zijn ogen dat er geen recht meer was. Hij zag dat er niemand was, Hij was geschokt dat niet één mens ingreep. Op eigen kracht bracht Hij redding en zijn gerechtigheid spoorde Hem aan. 17 Hij gordde het harnas van de gerechtigheid aan en zette de helm van de redding op zijn hoofd. Hij deed het kleed van de vergelding aan en hulde zich in de mantel van de strijdlust. 18 Hij zal ieder naar zijn daden vergelden: woede voor zijn vijanden, wraak voor zijn tegenstanders; ook op de eilanden wreekt Hij zich. 19 In het westen zal men de naam van de HEER vrezen en in het oosten zijn majesteit. Want Hij zal komen met de kracht van een rivier in een smalle bedding, voortgestuwd door de adem van de HEER. 20 Hij zal als bevrijder naar Sion komen, naar allen uit Jakobs nageslacht die met de misdaad breken -spreekt de HEER. 21 Dit verbond sluit Ik met hen-zegt de HEER: mijn geest, die op jou rust, en de woorden die Ik je in de mond heb gelegd, zullen uit jouw mond niet wijken, noch uit de mond van je kinderen, noch uit de mond van je kindskinderen, van nu tot in eeuwigheid-zegt de HEER. (NBV21)

Als de mensen het niet doen dan moet God het zelf maar doen. Het is niet eerlijk, niet gerechtvaardigd, dat de wandaden van de bozen voortduren. Daarom het harnas van gerechtigheid aangetrokken, de helm van redding op het hoofd, het kleed van vergelding omgeslagen en gehuld in de mantel van strijdlust ging de God van Israël tekeer tegen het onrecht. Al die volken rond Israël, al die mensen in het land, die de God van Israël hadden bespot, die de teruggekeerde ballingen en vluchtelingen hadden uitgelachen werden op hun plaats gezet. Het volk van Israël werd eindelijk recht gedaan. Want de God van Israël zal naar Sion komen. Naar Sion? Het ging toch om Jeruzalem, de stad die met zoveel moeite was opgebouwd? Jazeker, maar in het midden van de stad ligt de heuvel Sion. En op die heuvel was vanouds de Tempel gebouwd. Daar werden de richtlijnen voor een menselijke samenleving bewaard. Daar draaide heel de godsdienst van Israël om, heb uw naaste lief als uzelf.

Die richtlijnen waren voor een deel zelfs in steen gehouwen, het waren de richtlijnen die het volk had gekregen, had ontdekt in de woestijn op de vlucht voor slavernij op weg naar een land dat zou overvloeien van melk en honing. Daar moet je je dus aan houden als je mee wil doen met de God van Israël. Het wordt beschreven als een verbond, een verdrag, een overeenkomst tussen twee partijen, het volk en de God van Israël. Bij andere goden moet je maar afwachten of die goden wat willen doen als je aan hen offert. Als je je hele leven in dienst stelt van de goden van winst en profijt moet je maar afwachten of je rijk wordt, de een lukt het wel de ander lukt het niet. De goden zelf zijn niet te beïnvloeden. Maar bij de God van Israël ben je er van verzekerd dat je het geluk ontmoet als je je aan zijn richtlijnen houdt. Je ziet het geluk in de ogen van hen die jouw hand nodig hebben en aan wie jij je hand uitsteekt. Je ziet de glimlach op de gezichten van de hongerigen met wie jij je voedsel hebt gedeeld, de opluchting van de dorstigen die jij hebt gelaafd, de warmte bij de gevangenen die jij hebt bevrijdt.

Alles wat jij doet in de geest van de God van Israël blijkt het goede te zijn en vraagt om meer van het goede. Je doet het dus niet voor jezelf. Je beloning is het geluk voor de anderen, is de betere wereld die er met jouw hulp ontstaat. Jij mag God dankbaar zijn dat je daaraan deel mag hebben, zelf zou je het niet hebben aangedurfd, zelf zou je er misschien niet eens opgekomen zijn. Daarom kan de profeet zeggen dat de woorden over het heb uw naaste lief als uzelf niet zullen wijken uit je mond, dat je het je kinderen wil leren en doorgeven, dat je oplet dat ook je kleinkinderen het te horen krijgen en zullen overnemen. Want dan komt er een nieuwe aarde, waar God zelf zijn tenten zal spannen, waar de God van Israël zelf wil wonen en waar alle tranen gedroogd zullen zijn. Telkens weer zullen we er een stukje van mogen zien en ervaren. Elke dag als we weer werken aan de richtlijnen van die God, zijn richtingwijzers volgen, ook vandaag weer.

 

Belust op bedrog en onderdrukking

Jesaja 59:9-15a

9 Daarom blijft het recht ver van ons en is gerechtigheid voor ons onbereikbaar. Wij hopen op licht, maar het is duister, op een sprankje licht, maar we dolen in het donker. 10 We tasten als blinden langs de muur, we tasten rond als iemand die niets kan zien. Op klaarlichte dag struikelen we alsof het schemert, in de kracht van ons leven lijken we dood. 11 Wij allen grommen als beren, we klagen en kreunen droevig als duiven. Wij hopen op recht, maar het is er niet, op redding, maar ze blijft ver van ons. 12 Want talloos zijn onze misdaden jegens U, onze zonden getuigen tegen ons. We zijn ons van onze misdaden bewust en erkennen ons wangedrag: 13 we zijn opstandig en de HEER ontrouw, we zijn afvallig van onze God, we zijn belust op bedrog en onderdrukking, zwanger van leugens brengen we onwaarheid voort. 14 Het recht is verdrongen en de gerechtigheid blijft ver van ons; de waarheid struikelt op straat en de oprechtheid krijgt nergens toegang. 15 Zo laat de waarheid verstek gaan, en wie het kwaad wil mijden, wordt uitgebuit. (NBV21)

Wat hier als titel staat, een citaat uit het Bijbelgedeelte van vandaag, is natuurlijk een boute uitspraak. De meeste mensen hebben een gloeiende hekel aan bedrog en aan onderdrukking willen we ons al helemaal niet schuldig maken. Nee recht en gerechtigheid spreken ons meer aan. Vrijheid hebben we hoog in ons vaandel staan en onze burgerrechten daar moet iedereen met de vingers van af blijven. Maar toch. Het is natuurlijk mooi dat we lezen dat volgens de profeet Jesaja zijn tijdgenoten na de ballingschap tot de ontdekking gekomen waren dat ze op de verkeerde weg waren maar dat ontslaat ons er niet van na te gaan of we misschien toch ergens net zo zijn als zij. En in onze geschiedenis zouden onze ogen geopend moeten zijn door de betogers voor democratie in Noord Afrika. Jongeren gingen de straat op in verzet tegen autoritaire regiems. Maar ze bleven Moslims en dus werden wij voortdurend zo bang gemaakt dat autoritaire dictators hun kans schoon zagen en de macht grepen.

Onze angst heeft ook de dictator Mubarak nog een tijd in het zadel gehouden. En vanuit het democratische Christelijke westen hebben we wel al die dictators in het Midden Oosten gesteund, handel mee gedreven, bankrekeningen voor geopend, wapens geleverd. En nog steeds vragen we aan de machthebbers in het midden oosten, Egypte, Turkije, Syrië niet om democratie en persvrijheid als voorwaarden voor samenwerking. De demonstranten in Lybië werden doodgeschoten met kogels uit België die met exportsubsidie van Europa aan de dictator waren geleverd. Aan die subsidie hebben ook wij onze bijdrage geleverd. En waar pleiten onze politici voor? Voor recht en gerechtigheid? Worden de banden met de dictators verbroken nu ze zo onmenselijk reageren? Nee dus. We pleiten voor stabiliteit, voor rust en orde, voor gewoon door kunnen gaan met onze handel met de onderdrukkers. Inperking van burgerrechten als het recht op demonstratie, het recht op leven, het recht op vereniging en vergadering, het recht op een vrije drukpers zijn voor onze politici vaak niet echt van belang.

Het is niet de Islam die de rechten inperkt. Het is een ongefundeerde angst voor de Islam die ons laat meewerken aan de inperking van die rechten zo blijkt. En als we er daar aan meewerken, als we ons door angst laten regeren, dan kan de dag niet ver zijn dat ook hier uit eenzelfde ongefundeerde angst meegewerkt wordt aan de inperking van onze eigen rechten. Wij kunnen nu nog opstaan en onze politici aanspreken op hun steun aan bedrog en onderdrukking. Wij kunnen nog actief worden bij Amnesty International. Wij kunnen nog luisteren naar de waarschuwing van Jesaja dat onze God, Heer van de wereld, dit onrecht ziet en het geroep van de verdrukten hoort. Wij weten dat onze God ons in beweging wil zetten voor een rechtvaardige samenleving in de hele bewoonde wereld. Wij mogen elke dag weer kiezen of we die God volgen of de heersers van de wereld die ons bedrog en onderdrukking voorhouden. Ook vandaag mogen we die keuze weer maken.

Heilloze daden

Jesaja 59:1-8

1 De arm van de HEER is niet te kort om te redden, zijn gehoor niet te zwak om te luisteren- 2 jullie wangedrag is het dat jullie en je God van elkaar heeft gescheiden; door jullie zonden houdt Hij zijn gelaat verborgen en wil Hij je niet meer horen. 3 Want jullie handen zijn besmeurd met bloed, je vingers bezoedeld door wandaden, je lippen spreken leugens, je tong prevelt bedrog. 4 Geen aanklacht is nog zuiver, geen rechtszaak wordt eerlijk gevoerd. Ze vertrouwen op leegte en spreken bedrieglijke taal, ze zijn zwanger van onrecht en baren misdaad. 5 Ze broeden slangeneieren uit, ze weven spinnenwebben. Wie hun eieren eet zal eraan sterven; als er een wordt ingedrukt, komt er een adder uit. 6 Hun spinnendraden zijn ongeschikt voor kleding, wat zij maken kan niet worden aangetrokken. Hun daden zijn heilloze daden, hun handen staan naar geweld. 7 Hun voeten snellen naar het kwaad, ze haasten zich om onschuldig bloed te vergieten. Hun plannen zijn heilloze plannen, verwoesting en rampspoed vergezellen hen. 8 De weg van de vrede kennen ze niet, waar zij gaan is geen recht te ontdekken. Ze begeven zich op kronkelpaden; wie daarop wandelt kent geen vrede. (NBV21)

Waar gaat dit over? Dat is niet zo moeilijk, het gaat over onrecht en wandaden. Maar over wie gaat dit? Dat is wat ingewikkelder. De profeet Jesaja schreef niet een verhaal aan ons maar aan de mensen van zijn tijd. De mensen die terugkeerden uit de ballingschap in Babel en de mensen die teruggekeerd waren na hun vlucht uit Egypte. Ze hadden Jeruzalem weer opgebouwd, waren aan het werk en aan het handelen geslagen maar leken de opdracht de Tempel te herbouwen vergeten te zijn. Nu was dat ook niet zo vreemd. Jeruzalem was behoorlijk verwoest. Het opbouwen van de nieuwe samenleving ging ook met weerstand gepaard. De afstammelingen van de mensen die achter waren gebleven hadden hun eigen leven opgebouwd. Ze hadden er nooit meer aan gedacht dat hun land en hun volk een nieuwe start zouden kunnen maken. De omringende volken ergerden zich aan de pretenties. Was dit volk niet weggevoerd? Had die God waar ze altijd zo van opgegeven hadden hen niet in de steek gelaten? Was zelfs die prachtige Tempel in Jeruzalem niet samen met de stad verwoest?

Wat was er overgebleven van het idee dat die God van Israël de enige God op aarde was en dat de Tempel in Jeruzalem het middelpunt van de aarde zou moeten zijn waar alle volken zich naar moesten richten? Die weerstand had haar invloed op het volk. Van een gemakkelijke wederopbouw van het verwoeste land was geen sprake. Waar bleef die God dan die ze zo bejubeld hadden? In het gedeelte van vandaag lezen we het antwoord van de profeet. Het zal aan God niet liggen maar je moet er wel wat voor doen. Het zijn je eigen wandaden, leugens en onrecht, die de wederopbouw tegenhouden. Onrechtvaardige en oneerlijke rechtszaken, waar rijken bevoordeeld worden boven de armen. Gekonkel om machtsposities ten koste van de zwaksten. Geweld tegen weerlozen. Geen mens komt meer tot zijn recht in de samenleving die ze zijn begonnen.

We weten van de strijd die was ontbrand tussen de mensen uit Babel en de mensen uit Egypte. In plaats van samen te werken probeerden ze elkaar de loef af te steken. Door het benadrukken van de verschillen werd een kloof in de samenleving gedreven die de ontwikkeling tegen hield. En daar wordt de profeet universeel. Want onrecht, geweld, oneerlijkheid en het drijven van een kloof tussen groepen mensen zijn altijd al de wapens van machthebbers en dictators, tegenwoordig terroristen en populisten genoemd. Wie tegen hen is wordt neergesabeld. Wie niet achter hen aanloopt maar blijft geloven in een rechtvaardige en eerlijke samenleving waarin iedereen thuis kan zijn wordt verguisd. Daar ligt dus ook een keuze voor ons. Lopen wij achter dit soort machthebbers aan? Laten we ons inpakken door de goedkope rethoriek van populisten of ons bang maken door zogenaamde terroristische aanslagen? Of houden we vast aan het Koninkrijk van de God van Israël. Elke dag opnieuw hebben we die keuze, ook vandaag weer.

Herbouwer van straten.

Jesaja 58:6-14

6 Is dit niet het vasten dat Ik verkies: misdadige ketenen losmaken, de banden van het juk ontbinden, de verdrukten bevrijden, en ieder juk breken? 7 Is het niet: je brood delen met de hongerige, onderdak bieden aan armen zonder huis, iemand kleden die naakt is, je bekommeren om je medemensen? 8 Dan breekt je licht door als de dageraad, je zult spoedig herstellen. Je gerechtigheid gaat voor je uit, de majesteit van de HEER vormt je achterhoede. 9 Dan geeft de HEER antwoord als je roept; als je om hulp schreeuwt, zegt Hij: ‘Hier ben Ik.’ Wanneer je het juk van de onderdrukking uitbant, de beschuldigende vinger en de kwaadsprekerij, 10 wanneer je de hongerige schenkt wat je zelf nodig hebt en de verdrukte gul onthaalt, dan zal je licht in het donker schijnen, je duisternis wordt als het licht van het middaguur. 11 De HEER zal je voortdurend leiden, Hij zal je verkwikken in dorre streken, Hij maakt je botten sterk en krachtig. Je zult zijn als een goed bevloeide tuin, als een bron waarvan het water nooit opdroogt. 12 Je eigen mensen zullen weer opbouwen wat al eeuwenlang verwoest ligt; fundamenten, door vroegere generaties gelegd, zullen weer worden hersteld. Dan zal men je noemen Hersteller van muren, Herbouwer van straten. 13 Wanneer je je voeten rust gunt op sabbat en geen handel drijft op mijn heilige dag, wanneer je de sabbat als een dag van vreugde ziet, de dag van de HEER als een heilige dag, wanneer je hem in ere houdt door niet je gang te gaan, geen handel te drijven of zaken te bespreken, 14 dan vind je vreugde in de HEER. Ik zal je voeren over de hoogste bergen en je laten genieten van het land dat Ik je voorvader Jakob in bezit heb gegeven. De HEER heeft gesproken! (NBV21)

We zijn vandaag aangeland in het hart van de Bijbelse boodschap. Zo vaak blijft de verkondiging van de boodschap van de Bijbel steken in algemeenheden. Je moet God liefhebben, je moet Jezus in je hart toelaten. Als je dat doet vindt je vrede en geluk en lacht het leven je toe. Maar als je die boodschap hoort dan hoor je maar de helft. De andere helft staat in het gedeelte dat we vandaag lezen. Misdadige ketens losmaken, de banden van het juk ontbinden. En die misdadige ketens vinden we overal op aarde. In de afgelopen jaren kwamen mensen in Noord Afrika in opstand tegen het juk dat dictators hen al tientallen jaren hebben opgelegd. In Syrië woedt daardoor al een aantal jaren een burgeroorlog, Zo schreeuwen de Palestijnen ons al een tijd toe dat ze bevrijd willen worden van het juk dat Israël hen oplegt door het afgrendelen van hun land, het bouwen van nederzettingen op plekken waar dat niet mag en het beperken van invoer en uitvoer van goederen die hun welvaart zouden kunnen bepalen.

Ook staat er in het gedeelte dat we vandaag lezen dat het gaat om je brood te delen met de hongerige, onderdak te bieden aan de armen zonder huis en mensen kleden die naakt rondlopen. Het zijn zaken die in de tijd van Jesaja speelden maar die evengoed in onze tijd spelen. Ook wij horen van hongersnoden omdat boeren niet zo goed kunnen verbouwen als ze willen omdat hun afzet geblokkeerd is door onrechtvaardige handelsbepalingen. Hongerigen voeden betekent in onze dagen ook eerlijke handelsverhoudingen toelaten, subsidies afschaffen die oneerlijke concurrentie veroorzaken. Onderdak bieden aan armen die geen huis hebben kan betekenen dat je met een organisatie als Habitat huizen gaat bouwen in landen waar men dat zelf niet kan, maar kan ook betekenen dat je de deur openzet voor asielzoekende vluchtelingen. Voor het kleden van mensen die niets meer hebben geldt natuurlijk hetzelfde.

Pas als we zo gaan leven dan breekt het licht door in een duistere wereld, dan pas zullen we ook zelf kunnen herstellen van de onveiligheid die ons lijkt te bedreigen. Gerechtigheid is dan het eerste waar we aan denken, alle mensen tot hun recht laten komen. Dat we dat van de God van Israël hebben geleerd, dat we hem daarvoor dankbaar mogen zijn komt pas achteraf. Dat staat dus echt niet voorop. Dan weet je waar je om kunt vragen, je dagelijks brood, dan zul je daar tevreden mee kunnen zijn. Veel later dan Jesaja zou Jacobus schrijven dat het geloof in God, de liefde voor God niks waard is als je niet doet wat hier geschreven staat in het boek van Jesaja. Dan pas blijkt dat Jezus in je hart woont als zichtbaar wordt wat hier staat als te doen door de gelovige. Dan kunnen we dus werkelijk genieten van de zondagsvrijheid die ons gegeven is. Gelukkig kunnen we elke dag weer doen wat Jesaja hier vraagt van de gelovige, in het klein en in het groot. Ook vandaag kan dat weer.

 

Als een ramshoorn.

Jesaja 58:1-5

1 Roep luidkeels, zonder je in te houden, verhef je stem als een ramshoorn. Maak aan mijn volk zijn misdaden bekend, aan het volk van Jakob zijn zonden. 2 Zeker, ze zoeken Mij dag aan dag, vol verlangen om mijn wegen te kennen, zoals een vreemd volk dat rechtvaardig leeft en het recht van zijn goden niet verzaakt. En ze vragen naar mijn rechtvaardige voorschriften en verlangen naar Gods nabijheid. 3 ‘Waarom ziet U niet dat wij vasten, en merkt U niet op dat wij ons onthouden?’ Omdat jullie op je vastendagen nog handeldrijven en jullie arbeiders afbeulen, 4 omdat jullie onder het vasten strijden en ruziën en er gewelddadig op los slaan. Als je op die manier vast, wordt je stem niet gehoord in de hemel. 5 Zou dat het vasten zijn dat Ik verkies? Is dat een dag van onthouding: dat iemand het hoofd buigt als een riet en zich met een rouwkleed neerlegt in het stof? Noemen jullie dat soms vasten, is dat een dag die de HEER behaagt? (NBV21)

In sommige protestantse kringen lijkt de Zondag wel zo’n vastendag met rouw, inkeer en afkeer van de wereld. Iedereen loopt in het zwart, het gezang uit de kerken klinkt als gehuil en de gezichten staan ernstig. Het is gelukkig maar een kleine minderheid die zich zo gedraagt, maar die minderheid valt daardoor wel des te meer op. Helaas wordt de strijd voor het behoud van de zondagsvrijheid aan die kleine minderheid toegeschreven en niet aan de grote meerderheid van Christenen die ten minste één dag in de week de loonslaven willen zien bevrijd van hun slavernij. Ook de kleine middenstanders die één dag in de week zich willen richten op hun gezin en familie zouden bevrijd moeten zijn van de dwingende wetten van winst en profijt. De vastendagen waar hier sprake van is zijn de dagen van boete die het volk Israël één keer per jaar had om zich opnieuw te kunnen verzoenen met de God van Israël. Jesaja schrijft over deze uitbarsting na terugkeer van de ballingen.

Want niet alleen ballingen keerden terug naar Jeruzalem, ook de vluchtelingen die bij het begin van de ballingschap naar Egypte waren gevlucht. En in Babel en in Egypte hadden de grote groepen Israëlieten een heel verschillende ontwikkeling doorgemaakt. Beide waren ze beïnvloed door de hen omringende volken en de eisen die door de verschillende culturen aan hen waren gesteld. Nu ze teruggekeerd waren ontvlamden steeds weer nieuwe conflicten. Het handelen en arbeiders laten werken op de vastendagen was in de oude tijden van Mozes altijd verboden geweest. Dat was ook verboden op de Sabbat en die vastendagen werden omschreven als een Sabbat, een dag bestemd voor de God van Israël, een dag waarop die God de Heer van het leven zou moeten zijn en dus een dag waarop het heb Uw naaste lief als Uzelf zou moeten gelden.

Voor gelovigen in deze tijd is de Zondag ook zo’n dag waarop die richtlijn zou moeten gelden. Niet een dag om in rouw te zijn, in het zwart te lopen, te zingen alsof er gehuild moet worden, maar een feestdag. We vieren immers het feest van de overwinning op de dood, de Sabbat hebben we overigens niet overgenomen maar de Zondag is een dag waarop je familie kunt bezoeken, een dag voor vrijwilligerswerk, voor creativiteit, voor samen de natuur in of samen muziek te maken. Voor gelovigen uiteraard om samen te komen en samen de Heer van het leven lof te zingen voor het leven waarvoor men mag kiezen. Maar voor gelovigen ook een dag om zich samen te beraden op de noden van de wereld, om samen te zorgen voor bevrijding van de arbeid, voor het opgeven van de aanbidding van winst en profijt. Daarom gaat dit deel van het boek van de profeet Jesaja ook over de Zondagsvrijheid en de noodzaak daar in onze dagen pal voor te staan. Gelukkig hebben we elke dag om iedereen te overtuigen van de noodzaak het geschenk van de God van Israël, het geschenk van de zondagsvrijheid te aanvaarden. Ook vandaag mag dat weer.

 

Ruim baan!

Jesaja 57:14-21

14 Toen werd er gezegd: ‘Ruim baan! Effen de weg voor mijn volk! Verwijder elk struikelblok.’ 15 Dit zegt Hij die hoog is en verheven, die troont in eeuwigheid-heilig is zijn naam: In hoogheid en heiligheid zal Ik tronen met hen die gebroken zijn en nederig van geest, opdat de nederige geest herleeft, opdat het verbrijzelde hart tot leven komt. 16 Want niet eindeloos blijf Ik twisten, niet eeuwig duurt mijn toorn. Anders zou hun geest voor Mij bezwijken, de levensadem die Ik hun gegeven heb. 17 Mijn toorn was op hun zondige hebzucht gericht, Ik heb hen geslagen en me in mijn woede verborgen. Maar zij gingen onverdroten voort op de weg die ze zelf hadden gekozen. 18-19 Ik heb gezien wat ze deden, maar toch zal Ik hen genezen, hen leiden en hun vertroosting schenken. Treurenden leg Ik een lofzang op de lippen: Vrede, vrede voor iedereen, ver weg of dichtbij -zegt de HEER -,Ik zal genezing brengen. 20 Maar de goddelozen blijven onrustig als de zee, die nooit rust kent; haar golven woelen vuil en modder op. 21 Goddelozen zullen geen vrede kennen-zegt mijn God. (NBV21)

Het zijn niet de ballingen die afgoden zijn nagelopen en het overspel hebben gepleegd dat in het gedeelte hier vooraf werd genoemd. Zij hebben op een harde manier moeten leren hoe het is om verlaten te worden door de God van Israël. In psalm 137 kun je het klagen van de ballingen nalezen. Maar ze hadden ook hun identiteit als volk weer vorm gegeven. En daarmee hun godsdienst en ze waren er achter gekomen dat de God van Israël met je meetrekt als je weet te delen van wat je hebt, als je weet te zorgen voor de minsten. Profeten als Jeremia hadden ze geschreven dat ze groente moesten gaan verbouwen en moesten zorgen dat ze zo met elkaar moesten samen leven dat ze goed bekend zouden staan in hun omgeving. In het boek Daniël kun je nalezen hoe dat in de ballingschap toeging en in het boek Ester kom je het verhaal tegen hoe de Jood Mordechai de koning weet te behoeden voor een aanslag en dat die daad mede de redding zal betekenen van het hele volk.

Uiteindelijk loopt dat inderdaad uit op Koning Cyrus die de ballingen opdracht geeft terug te keren naar Jeruzalem en daar de stad en vooral de Tempel weer op te bouwen. Hij geeft hen het goud en zilver mee dat uit de Tempel was meegenomen als oorlogsbuit. Daarom kan de profeet hier roepen dat er een weg door de woestijn gereed gemaakt moet worden. Want ze komen er weer aan, de ballingen keren terug. De God van Israël blijft niet eeuwig kwaad. En let even op, dat nalopen van die afgoden was nog niet eens het allerergste, dat nalopen kwam voort uit hebzucht en dat was het ergste. Daarom kunnen we die afgoden uit de Hebreeuwse Bijbel vandaag herkennen als de goden van winst en profijt. Goden die ons tot loonslaven maken en ons beroven van de zondagsvrijheid. Zelfs kleine winkeliers houden ze in hun greep van economische wetten die gaan boven een samenleving van vrije mensen.

De God van Israël brengt vrede, of je nu veraf staat van geloof of dat je er dichtbij staat of zelfs hoort bij de gelovigen in de God van Israël. Zijn vrede is voor iedereen. Alleen goddelozen kennen geen vrede, zij reageren op de wereld uit angst, zij zien in iedereen die anders is een bedreiging en iedereen die niet in hun macht is een concurrent. Zij blijven vuil en modder opwoelen, noemen de Islam een ideologie gericht op moord en geweld en zien voorbij aan de pijler van vrede en gerechtigheid die ook daar gekend wordt. Juist de grote richtlijn van de God van Israël, heb Uw naaste lief als Uzelf, blijkt de wereld te hebben overwonnen, daarmee kun je bij iedereen aankomen en daar kun je iedereen op aanspreken, iedereen van welke godsdienst dan ook. Ook vandaag weer en aan ons de roep om dat ook vandaag weer te gaan doen.

 

Diep in het dodenrijk

Jesaja 57:7-13

7 Je plaatste je bed op een hoogverheven berg, je ging de berg op om een offer te brengen. 8 Achter je deur en je deurpost heb je je schandelijke tekens geplaatst. Je hebt je van Mij afgekeerd: naakt spreidde je het bed breed uit, je vlijde je er neer, je sprak een prijs af met je mannen, je sliep maar al te graag met hen en bekeek hun lichaam gretig. 9 Je daalde af naar Moloch met olie en balsem in overvloed. Je stuurde je boden naar verre oorden, zelfs tot diep in het dodenrijk. 10 Het vele reizen matte je af, maar nooit zei je: ‘Ik geef het op.’ Je lusten werden bevredigd, dat hield je op de been. 11 Voor wie ben je zo bang en beducht dat je leugens blijft verspreiden? Aan Mij heb je niet gedacht, om Mij je niet bekommerd. Ik heb al te lang gezwegen, je hebt geen ontzag meer voor Mij. 12 Ik zal je vertellen wat ze waard zijn, dat fraaie gedrag en die maaksels van jou: ze zullen je niet baten. 13 Ook al schreeuw je het uit, je godenverzameling zal je niet redden: de wind tilt ze op, een zuchtje wind voert ze weg. Maar ieder die bij Mij schuilt zal het land in bezit nemen en mijn heilige berg in eigendom krijgen. (NBV21)

Bij het lezen van de Bijbel moeten we vaak bedenken dat de Bijbel de gewoonte heeft om een stad, een regio, een stam of een land als persoon aan te spreken. Het gaat hierbij dus niet om een individu maar om een groep mensen. We hebben gelezen dat in dit deel van het boek van de profeet Jesaja Jeruzalem wordt aangeduid als de bruid van de God van Israël. Een feest zou het worden als die twee verenigd worden. Maar wat voor bruid is dat dan wel? In dit gedeelte lezen we wat de God van Israël ontmoette toen hij zich tot zijn bruid wendde. Opnieuw in de termen van bruid en bruidegom. Dat was namelijk ook de beeldtaal waarin de vruchtbaarheidsgodsdiensten in Kanaän werden gevierd.

We lezen zo gemakkelijk van Baäl en dan weten we meestal wel dat het een afgod was. We lezen van Asjera en de palen die in de akkers werden gedreven. Asjera is dan moeder aarde die bevrucht moet worden. Om zelf vruchtbaar te zijn moest je in die godsdiensten soms zelf via tempelprostitutie je verenigen met de Godheid en mannen konden daarbij gedwongen worden met mannen te slapen en vrouwen met vrouwen, dat ongeacht hun werkelijke geaardheid. Dat was de gruwel waar de Bijbel ook van spreekt. In dit gedeelte begint de profeet de berg van de God van Israël te zetten tegenover de berg waarop de afgoden gediend werden. Op die berg moet je dichter bij de god zijn zodat je offer die god ook gemakkelijker zal bereiken.

Zo niet op de Berg van de God van Israël, vanaf die Berg bezie je de hele aarde, vanaf die Berg kun je dus zorgen dat de liefde van die God zich over de hele aarde verspreid. Een offer aan de God van Israël is daarom ook altijd een teken dat je bereid bent te delen en is niet bestemd om de God van Israël ergens toe over te halen. De God van Israël is immers altijd bij je en trekt met je mee. De bruid Jeruzalem had vele vreemde goden binnengehaald. De profeet volgt het verhaal dat in een afgodstempel werd verteld over de verre reis die gemaakt moest worden om de God te bereiken. Spottend merkt hij op dat zelfs in Egypte, het dodenrijk, de goden werden gehaald. Olie en balsem werden in tempels in overvloed gebruikt. Maar die waren bedoeld voor de doden. De God van Israël gaat over de levenden, ook vandaag nog.

 

De rechtvaardige

Jesaja 56:9-57:6

9 Dieren van het veld, dieren uit het woud, kom allemaal, en eet! 10 Want al mijn wachters zijn blind, ze merken niets; ze zijn stom als waakhonden die niet kunnen blaffen: hijgend liggen ze daar, ze willen alleen maar luieren. 11 Vraatzuchtige honden zijn het, onverzadigbaar. Het zijn herders zonder inzicht, allemaal gaan ze hun eigen weg, ieder belust op eigen voordeel. 12 ‘Kom, ik haal nog wat wijn, we gieten ons vol met drank. En morgen doen we het weer net zo of pakken we het nog grootser aan.’ 1 De rechtvaardige gaat te gronde en niemand bekommert zich erom; ook trouwe mensen sterven, maar niemand ziet in dat de rechtvaardige sterft doordat er onrecht heerst. 2 Toch-wie de rechte weg bewandelt zal rust hebben op zijn sterfbed en de vrede binnengaan. 3 Maar jullie, kom nageslacht van leugen en bedrog? 5 Jullie hartstocht brandt onder terebinten, onder elke bladerrijke boom. Jullie slachten kinderen in de wadi’s, onder overhangende rotsen. 6 Tussen de doden in de wadi komen jullie zelf te liggen, dat is je bestemming. Aan hen heb je immers wijnoffers gebracht en graanoffers opgedragen. Zou Ik daar vrede mee hebben?
(NBV21)

Dat krijg je er van als je de verkeerde leiders kiest. Het soort leiders in prachtige gesneden pakken, met fraaie woorden en mooie zinnen. In de dagen van Jesaja had men ook het soort leiders dat zich bezig houdt met fraaie rituelen, ze plengen wijn op de stenen in de oversteekplaatsen van de rivier. Bijgeloof en afgoderij overheersen hen. Angst is hun beste raadgever. Maar door dat soort leiders gaat zelfs de rechtvaardige ten gronde. Zich verzetten tegen roofdieren, de exorbitante zelfverrijkers en de machtige bankiers durven ze niet. Die kunnen met een gerust geweten en ongestoord de armen nog armer maken. Mensen die vasthouden aan de oude regels van samen leven, samen zorgen en samen delen kunnen doodvallen, die gaan niet met hun tijd mee. Niemand die in lijkt te zien dat degene die wil delen, die anderen tot hun recht laat komen langzaam uitsterft. Zulke mensen vindt je bijna niet meer.

Ook niet in onze dagen. Wij kiezen immers leiders die vinden dat de armen zelf de schuld hebben aan hun armoede. Wij kiezen leiders die het goed vinden dat groepen tegen elkaar opgezet worden op grond van hun geloof, een regering die zich daardoor soms laat steunen en zelfs ingeburgerde en hier opgegroeide kinderen terugstuurt naar landen waar men heel anders leeft en waar die kinderen zelfs de taal niet van spreken. Bij verkiezingen moeten we dus zeer uitkijken wie we kiezen, welke effecten de mooie praatjes van de leiders echt hebben op de armsten in onze samenleving. Worden de wachtlijsten in de sociale werkvoorziening opgeheven, met welke snelheid en welke banen worden door hen voor deze zwaksten op de arbeidsmarkt geschapen? Krijgen de mensen die aangewezen zijn op de laagste uitkeringen ook werkelijk de steun die ze nodig hebben om weer op eigen benen te gaan staan? Heffen we eindelijk de onrechtvaardige handelsverhoudingen op waardoor we steeds opnieuw gedwongen zijn acties te houden tegen hongersnoden en natuurrampen?

Zorgen we dat de aarde ook bewerkt zal kunnen worden door onze kinderen en kleinkinderen, dat ze energie hebben om zich te warmen in koude perioden? Natuurlijk kunnen die leiders zich mooi en fraai voordoen, daar zijn ze op geselecteerd. Natuurlijk kunnen ze hun leugens fraai verpakken, zodat het lijkt of er aan redelijke eisen ook echt wordt voldaan. Maar concrete maatregelen worden niet afgekondigd en de datum waarop werkelijk delen in gaat niet genoemd. Denk daar dus aan het komende jaar als er weer een stortvloed van verkiezingsretoriek over ons wordt uitgestort. Jesaja waarschuwt ons niet voor niets en gewaarschuwde mensen tellen voor twee. Wij mogen dan geen antwoorden hebben op de vragen van nood en ellende die ons bereiken, we kunnen wel de vragen stellen en herhalen zodat ze gehoord worden, dag in dag uit. Wij weten dat de God van Israël luistert, wij weten dat we ook de politici kunnen laten luisteren. Elke dag weer mogen we er aan werken, ook vandaag.