Wie de Zoon niet eert

Johannes 5:14-29

14 Later kwam Jezus hem tegen in de tempel en toen zei Hij tegen hem: ‘U bent nu gezond; zondig daarom niet meer, anders zal u iets ergers overkomen.’ 15 De man ging aan de Joden vertellen dat het Jezus was die hem gezond gemaakt had. 16 Het was omdat Jezus zulke dingen deed op sabbat, dat de Joden Hem wilden vervolgen. 17 Maar Jezus zei: ‘Mijn Vader werkt aan één stuk door, en daarom doe Ik dat ook.’ 18 Dat was voor de Joden een reden te meer om Hem te willen doden, want niet alleen ondermijnde Hij de sabbat, maar bovendien noemde Hij God zijn eigen Vader, en stelde zichzelf zo aan God gelijk. 19 Jezus reageerde hierop met de volgende woorden: ‘Werkelijk, Ik verzeker u, de Zoon kan niets uit zichzelf doen, Hij kan alleen doen wat Hij de Vader ziet doen; en wat de Vader doet, dat doet de Zoon op dezelfde manier. 20 De Vader heeft de Zoon immers lief en laat Hem alles zien wat Hij doet. Hij zal Hem nog grotere dingen laten zien, u zult verbaasd staan! 21 Want zoals de Vader doden opwekt en levend maakt, zo maakt ook de Zoon levend wie Hij wil. 22 De Vader zelf velt over niemand een oordeel, maar Hij heeft het oordeel geheel aan de Zoon toevertrouwd. 23 Dan zal iedereen de Zoon eer betuigen zoals men de Vader eert. Wie de Zoon niet eert, eert ook de Vader niet, die Hem gezonden heeft. 24 Werkelijk, Ik verzeker u, wie luistert naar wat Ik zeg en Hem gelooft die Mij gezonden heeft, heeft eeuwig leven; over hem wordt geen oordeel uitgesproken, hij is van de dood overgegaan naar het leven. 25 Werkelijk, Ik verzeker u, er komt een tijd, en die tijd is nu gekomen, dat de doden de stem van Gods Zoon zullen horen en dat wie Hem horen, zullen leven. 26 Zoals de Vader leven heeft in zichzelf, zo heeft ook de Zoon leven in zichzelf; dat heeft de Vader Hem gegeven. 27 En omdat Hij de Mensenzoon is, heeft de Vader Hem ook gezag gegeven om het oordeel te vellen. 28 Wees hierover niet verwonderd, er komt een moment waarop alle doden zijn stem zullen horen 29 en uit hun graf zullen komen: wie het goede gedaan heeft staat op om te leven, wie het slechte gedaan heeft staat op om veroordeeld te worden. (NBV21)

Het beeld van de gelovige die zich ziet als een kind van God komt ook in het Oude Testament veelvuldig voor. Zeker in de Psalmen roepen de dichters God regelmatig aan als zijn kinderen. In dit gedeelte eigent Jezus van Nazareth zich dat beeld als het ware toe. De Farizeeën verwijten hem zich op één lijn te stellen met God als hij zijn werk op de Sabbath vergelijkt met het werk van zijn Vader, de God van Israël, die dag en nacht in de weer is voor zijn kinderen. Maar een Zoon die werkelijk zoon van God wil zijn kan niet anders dan gaan lijken op de vader en dus ook doen wat de Vader doet. Dat zelfde geldt natuurlijk voor een dochter van de vader, maar Jezus van Nazareth betrekt het heel direct op zichzelf. De vraag blijft natuurlijk of wij als volgelingen van Jezus van Nazareth dat dan ook zomaar mogen doen. Daarvoor moeten we wat dieper in het conflict duiken dat ons hier wordt verteld.
We kennen natuurlijk nog het verhaal uit Genesis over Adam en Eva die beloofd werd dat ze zouden zijn als God, kennende goed en kwaad als ze zouden eten van de boom van kennis van goed en kwaad.

Kennis van goed en kwaad is dus bij uitstek de zonde waarvoor mensen kunnen vallen. De verlamde man die genezen was en op weg ging met zijn mat werd, toen hij in de Tempel kwam, nog eens door Jezus van Nazareth vermaand niet meer te zondigen. Ook hij had een conflict gehad met de Farizeeën toen ze hem hadden verweten op de Sabbath te werken. Maar je kunt niet aannemen dat Jezus van Nazareth hem hetzelfde verwijt maakte. Juist niet, het verwijt van Jezus van Nazareth is juist dat hij moet ophouden zich zorgen te maken over wat verkeerd zou kunnen gaan maar zich uitsluitend bezig houden met het goede. En daar zit ook het conflict over de Vader Zoon verhouding. Als in de Joodse cultuur een zoon weigerde te doen wat zijn vader hem had opgedragen dan zei men dat die zoon zich gelijk stelde aan zijn vader, hij wist het immers even goed, zo niet beter. Jezus van Nazareth laat zien dat gelijk stellen ook het tegendeel kan betekenen. Doen wat de Vader zegt maakt je een evenbeeld van de Vader.

Daar gaat ook dat stukje over dat spreekt over leven en levend maken. Er wordt in de Bijbel en vooral in het nieuwe Testament, op twee manieren gesproken over “doden”. Meestal gaat het niet over gestorven en begraven mensen maar over mensen die in zo’n onderdrukte situatie zijn dat er niets meer van hun eigen persoonlijkheid over is en dat ze dus net zo goed dood kunnen zijn. Denk daarbij aan slaven, gevangenen, gehandicapten, hongerigen en slachtoffers van geweld. Die komt Jezus van Nazareth in overvloed tegen en daartegen heeft hij de boodschap: “Sta op” en ze staan op. Ook in onze dagen kan een beeld als hier bedoeld troostend werken. Maar we mogen nooit de eerste manier van spreken over “dood”en leven vergeten. Mensen die nu al zitten in een situatie waarin ze net zo goed dood zouden kunnen zijn moeten de boodschap “sta op” te horen krijgen, moeten worden bevrijdt van de dood. Daar kunnen wij levenden aan werken, elke dag weer, ook vandaag.

 

Wilt u gezond worden?

Johannes 5:1-13

1 Daarna was er een Joods feest, en Jezus ging naar Jeruzalem. 2 In Jeruzalem is bij de Schaapspoort een bad met vijf zuilengangen dat in het Hebreeuws Betzata heet. 3 Daar lag een groot aantal zieken, blinden, kreupelen en misvormden. 4 5 Er was ook iemand bij die al achtendertig jaar ziek was. 6 Jezus zag hem liggen; Hij wist hoe lang hij al ziek was en zei tegen hem: ‘Wilt u gezond worden?’ 7 De zieke antwoordde: ‘Heer, als het water gaat bewegen is er niemand om mij erin te helpen; ik probeer het wel, maar altijd is een ander al vóór mij in het water.’ 8 Jezus zei: ‘Sta op, pak uw mat op en loop.’ 9 En meteen werd de man gezond: hij pakte zijn slaapmat op en liep. Nu was het die dag sabbat. 10 De Joden zeiden dan ook tegen de man die genezen was: ‘Het is sabbat, het is niet toegestaan een slaapmat te dragen!’ 11 Maar hij zei tegen hen: ‘Degene die mij genezen heeft, zei tegen mij: “Pak uw mat op en loop.”’ 12 ‘Wie zei dat tegen u?’ vroegen ze. 13 Maar de man die genezen was kon niet zeggen wie het was, want Jezus was al verdwenen omdat daar zoveel mensen waren. (NBV21)

Niet iedereen kan gezond worden. Maar als je je alleen afhankelijk maakt van een ander dan wordt je nooit gezond. Zelfs iemand met een gebroken rug wordt naar huis gestuurd door het ziekenhuis als de patiënt niet verteld waar de pijn zit. Jezus van Nazareth gaat naar Jeruzalem om één van de pelgrimsfeesten te vieren. Welk feest vindt Johannes niet zo belangrijk. Kenners van de godsdienst van de God van Israël weten dat je op elk feest eigenlijk naar de Tempel moet om daar een maaltijd aan te richten met je familie, de armen, de dienaren van de Tempel en de vreemdelingen die in je midden zijn. Op zijn wandeling naar de Tempel komen Jezus van Nazareth en zijn volgelingen langs Betzata, bij de Schaapspoort. Dat laatste staat er natuurlijk niet zomaar. Door de Schaapspoort brachten de herders hun schapen naar de stad en Johannes is bij uitstek de evangelist die Jezus van Nazareth als goede herder tekent.

Betzata zegt ons niet direct wat maar daar waren wel vijf galerijen waar alle kreupelen en zieken van de stad bij elkaar lagen. Aan de ene kant te wachten tot het water ging bewegen dat hen beter zou maken en aan de andere kant op aalmoezen van voorbijgangers. Een beeld dat wij nu niet meer kennen maar misschien weer gaan meemaken als we zo doorgaan met bezuinigen op de zorgkosten. Jezus van Nazareth maakt duidelijk dat je niet bij de pakken neer moet gaan zitten. Bijna 40 jaar had de man die werd genezen gewacht op iemand die een hand uit zou steken. Dan krijgt hij het bevel om op te staan en zijn mat op te nemen. Het verhuizen van een mat is overigens werk en zulk werk mag je niet op de Sabbath doen, dan moet je juist op je mat gaan neerliggen en uitrusten. De pas genezen zieke wordt dus stevig terecht gewezen. Wie hem dat gezegd had had toch beter moeten weten, die had toch rekening moeten houden met de wetten van de Sabbath.

De betekenis van het feest dat werd gevierd en de betekenis van de Sabbath waren kennelijk uit de samenleving verdwenen. Dat feest was ingesteld om te delen, de Sabbath om niet alleen aandacht voor het werk en de winst te hebben maar ook aandacht voor elkaar te kunnen hebben. En wat is nu meer aandacht voor elkaar te hebben dan je hand uitsteken naar een zieke en die laten opstaan. Wij kunnen dat bijna niet meer. Wij moeten werken op zondag, of winkelen, wij hebben een 24 uurs economie en wie zich ertegen verzet is ouderwets. Dat je vrijwilligerswerk in verpleeghuis of ziekenhuis zou kunnen doen ontgaat de actievoerders voor de koopzondag. Jezus van Nazareth wijst ze er in dit verhaal nog maar eens extra op. En ons wordt gevraagd die Jezus van Nazareth na te volgen en juist op de zondag hem na te volgen door extra aandacht te hebben voor de mensen die de aandacht van anderen zozeer nodig hebben. Wij kunnen voor het recht van zondagsvrijheid elke dag weer opkomen, ook vandaag weer.

 

Ga maar naar huis

Johannes 4:43-54

43 Na die twee dagen trok Jezus verder naar Galilea, 44 want Hij had zelf gezegd dat een profeet in zijn vaderland niet wordt erkend. 45 Toen Hij in Galilea kwam, ontvingen de mensen Hem gastvrij omdat ze hadden gezien wat Hij op het feest in Jeruzalem allemaal had gedaan; daar waren ze zelf bij geweest. 46 Hij ging in Galilea weer naar Kana, waar Hij van water wijn had gemaakt. Er was daar een hoveling uit Kafarnaüm wiens zoon ziek was. 47 Omdat hij gehoord had dat Jezus uit Judea naar Galilea was teruggekeerd, was hij naar Hem toe gekomen, en nu vroeg hij of Jezus mee wilde gaan om zijn zoon, die op sterven lag, te genezen. 48 Jezus zei tegen hem: ‘Jullie geloven alleen maar als je tekenen en wonderen ziet!’ 49 Maar de hoveling drong aan: ‘Heer, ga toch mee, voordat mijn kind sterft.’ 50 ‘Ga maar naar huis,’ zei Jezus, ‘uw zoon leeft.’ De man geloofde wat Jezus tegen hem zei en ging weg. 51 En terwijl hij nog onderweg was, kwamen zijn dienaren hem al tegemoet om te zeggen dat zijn kind in leven was. 52 Hij vroeg hun sinds wanneer het beter met hem was gegaan. Ze zeiden: ‘Gisteren, een uur na de middag, is de koorts verdwenen.’ 53 De vader besefte dat dat het moment was dat Jezus tegen hem gezegd had: ‘Uw zoon leeft.’ Hij kwam tot geloof, hij en al zijn huisgenoten. 54 Dit deed Jezus toen Hij uit Judea naar Galilea was teruggekeerd; het was zijn tweede teken. (NBV21)

Dat Evangelie van Johannes zit anders in elkaar als de andere drie Evangeliën. We lezen vandaag over een tweede wonderteken van Jezus van Nazareth. Opnieuw speelt het verhaal zich af in Kana. Daar had volgens het verhaal van Johannes zich ook het eerste wonderteken afgespeeld. Dat was het wonder van de bruiloft in Kana, waar water in wijn veranderd bleek. Nu wordt een jongen genezen en volgens zijn vader was dat gebeurd door het woord van Jezus van Nazareth. Die had nu juist al dat wonder gedoe afgewezen. Bij het eerste wonder had hij nog tegen zijn moeder gezegd dat zijn tijd nog niet gekomen was. Nu verweet hij zijn omstanders en leerlingen dat ze voortdurend maar naar wonderen vroegen maar de inhoud van zijn boodschap terzijde legden. En om die inhoud van de boodschap moest het uiteindelijk gaan, niet om de wonderen, of om wat mensen als wonderen ervaren.

De stervende zoon uit dit verhaal leeft. Het lijkt er zelfs op dat het uur van de dag waarop hij tot leven kwam samenvalt met het uur van de dag waarop Jezus van Nazareth later aan het kruis zal sterven in het verhaal van Johannes. En dat is niet zo vreemd. In de dagen dat Johannes zijn Evangelie schreef waren er vele speculaties en discussies over de betekenis van Jezus van Nazareth. Was zijn leven, sterven en opstanding nu een zuiver geestelijk gebeuren geweest, zoals vele zogenaamde gnostici geloofden, was er een God aan het kruis geslagen omdat die God wilde bewijzen God te zijn en niet te kunnen sterven? Of was er een onschuldig mens gekruisigd omdat die de levens van anderen had willen redden, ja de levens van het hele volk. Hier zinspeelt Johannes al op die discussie door te suggereren dat met het sterven van Jezus aan het Kruis de Zoon van God, de beloofde messias tot leven was gekomen.

Daarom misschien ook wel de nadruk op dit wonder zo midden in het verhaal over de gang van Jezus van Nazareth naar Jeruzalem. Daar kwam hij immers ook net vandaan omdat een profeet in eigen land niet werd geëerd. Hij trok van het Judea waar hij geboren was naar het land van de Heidenen, Galilea, waar hij was opgegroeid. De vader die het wonder vroeg was een Hoveling, de Hovelingen van de Herodessen die Koningen waren werden bij uitstek als Heidenen beschouwd. Ze waren zo aangepast aan de Romeinse bezetters en zo in dienst van de Romeinse bezetters dat ze als Heidenen werden beschouwd. Bovendien had Jezus volgens het verhaal van Johannes bij het bezoek aan Jeruzalem waar hij was van teruggekeerd naar Kana al vele wonderen gedaan in Jeruzalem. Het verhaal van vandaag wijst ons er op dat Jezus als mens geleden heeft en gestorven is. Met alle mensen die lijden in de wereld is Jezus van Nazareth ook vandaag dus nog verboden. En wonderen gebeuren wel maar die zijn niet altijd zichtbaar. De boodschap is dat we elkaar lief moeten hebben, net zo lief als een bruidspaar elkaar lief heeft tijdens de bruiloft. Daar wijst Kana ons nog eens op. Dan kan de Zoon opstaan, de Zoon van God ook in ons leven opstaan. Heb dus ook vandaag uw naaste lief als uzelf.

 

Waar bent U op uit

Johannes 4:27-42

27 Op dat moment kwamen zijn leerlingen terug, en ze verbaasden zich erover dat Hij met een vrouw in gesprek was. Toch vroeg niemand: ‘Waar bent U op uit?’ of: ‘Waarom spreekt U met haar?’ 28 De vrouw liet haar kruik staan, ging terug naar de stad en zei tegen de mensen daar: 29 ‘Kom mee, er is iemand die alles van mij weet. Zou dat niet de messias zijn?’ 30 Toen gingen de mensen de stad uit, naar Hem toe. 31 Intussen zeiden de leerlingen tegen Jezus: ‘Rabbi, U moet iets eten.’ 32 Maar Hij zei: ‘Ik heb voedsel dat jullie niet kennen.’ 33 ‘Zou iemand Hem iets te eten gebracht hebben?’ zeiden ze tegen elkaar. 34 Maar Jezus zei: ‘Mijn voedsel is: de wil doen van Hem die Mij gezonden heeft en zijn werk voltooien. 35 Zeggen jullie niet: “Nog vier maanden en dan komt de oogst”? Ik zeg jullie dit: kijk om je heen, dan zie je dat de velden rijp zijn voor de oogst! 36 Nu al krijgt de maaier zijn loon en verzamelt hij vruchten voor het eeuwige leven, zodat de zaaier en de maaier tegelijk feest kunnen vieren. 37 Hier is het gezegde van toepassing: De een zaait, de ander maait. 38 Ik stuur jullie eropuit om een oogst binnen te halen waarvoor je geen moeite hebt hoeven doen; dat hebben anderen gedaan en jullie maken hun werk af.’ 39 In die stad kwamen veel Samaritanen tot geloof in Hem door het getuigenis van de vrouw: ‘Hij weet alles van mij.’ 40 Ze gingen naar Hem toe en vroegen Hem bij hen te blijven. Toen bleef Hij nog twee dagen. 41 Nog veel meer mensen kwamen tot geloof door wat Hij zei; 42 ze zeiden tegen de vrouw: ‘Wij geloven nu niet meer om wat jij gezegd hebt, maar we hebben Hem zelf gehoord en we weten dat Hij werkelijk de redder van de wereld is.’
(NBV21)

Jezus van Nazareth leeft, volgens dit verhaal, van het doen van de wil van zijn Vader. Heb Uw naaste lief als Uzelf, dat was het grootste gebod en daar leef je niet alleen naar, daar leef je van. Je moet wel oog hebben voor wie je naaste is. Ook als je bij die rare vreemdelingen gaat winkelen dan nog ben je omgeven door mensen die je liefde meer dan ooit nodig hebben. De leerlingen van Jezus waren immers de stad ingegaan om eten te kopen. Als ze terugkeren zit hij te praten met een Samaritaanse vrouw die er vervolgens vandoor gaat de stad in. Zij hadden geen oog gehad voor de mensen die nu de stad uitkomen. De velden zijn rijp voor de oogst zegt de Rabbi er van, maar ze hadden ze gemist. Het waren dan ook maar Samaritanen. Voor vreemdelingen, ook al wonen we nog zo dichtbij hebben we geen oog.

Ze lijken allemaal op elkaar, ze hebben rare kleren en rare gewoonten. We verstaan ze vaak ook niet goed. We moeten er moeite voor doen om kennis te maken. De wereld is toch maar weinig veranderd sinds de dagen van Jezus van Nazareth. Toch willen ook de vreemden van vandaag deel uit maken van onze samenleving. Niet dat ze net als ons willen worden maar ze willen samen met ons een nieuwe samenleving vormen. Hun eigen plaats van aanbidding blijft van hen, net zoals in de dagen van Jezus van Nazareth de bron van Jacob de bron van Jacob bleef. Jezus van Nazareth nam ze niet mee naar Jeruzalem maar bleef een extra dag in Samaria. Kunnen we dan de mensen aanspreken op grond van het goede dat we willen doen? Mohammed wilde een nieuwe samenleving rond Mekka stichten. Hij wilde af van de aanbidding van stenen beelden, af van stammenoorlogen, van uitbuiting op grond van godsdienst, van minachting en mishandeling van vrouwen. Veel van die idealen kennen wij ook.

Net als de Moslims worden ook wij opgeroepen te delen met de minsten in onze samenleving. Net als de Moslims worden ook wij geroepen om vrede te stichten en hen te bestrijden die de oorlogen willen handhaven, uitlokken en voortzetten. Natuurlijk zijn er verschillen, we komen nu eenmaal uit verschillende delen van de wereld met verschillende geschiedenissen. Het is te begrijpen dat veel Moslims bang zijn voor overheersing door de zogenaamde Christelijke wereld. Veel Moslimlanden zijn eeuwenlang bezet geweest door westerse mogendheden die hun rechtspraak, hun godsdienst en hun cultuur wilden opleggen. Nederland was de bezetter van het grootste Moslimland in de wereld, Indonesië. Maar dat neemt niet weg dat we ons niet schuldig hoeven te voelen als we werkelijk een nieuwe samenleving willen vormen, een samenleving van eerlijk delen waar voor iedereen een plaats is. Ook bij ons zijn de velden wit om te oogsten en wordt het tijd er samen aan te beginnen.

 

Jullie vereren wat je niet kent

Johannes 4:1-26

1 Toen Jezus hoorde dat aan de farizeeën verteld werd dat Hij meer leerlingen maakte en er ook meer doopte dan Johannes 2 -Jezus doopte overigens niet zelf, zijn leerlingen deden dat-, 3 verliet Hij Judea en ging weer naar Galilea. 4 Daarvoor moest Hij door Samaria heen. 5 Zo kwam Hij bij de Samaritaanse stad Sichar, dicht bij het stuk grond dat Jakob aan zijn zoon Jozef gegeven had, 6 waar de Jakobsbron is. Jezus was vermoeid van de reis en ging bij de bron zitten; het was rond het middaguur. 7 Toen kwam er een Samaritaanse vrouw water putten. Jezus zei tegen haar: ‘Geef Mij wat te drinken.’ 8 Zijn leerlingen waren namelijk naar de stad gegaan om eten te kopen. 9 De vrouw antwoordde: ‘Hoe kunt U, als Jood, mij om drinken vragen? Ik ben immers een Samaritaanse!’ (Joden gaan namelijk niet met Samaritanen om.) 10 Jezus zei tegen haar: ‘Als u wist wat God wil geven, en wie het is die u om water vraagt, zou u Hém erom vragen en dan zou Hij u levend water geven.’ 11 ‘Maar heer,’ zei de vrouw, ‘U hebt geen emmer, en de put is diep-waar wilt U dan levend water vandaan halen? 12 U kunt toch niet meer dan Jakob, onze voorvader? Hij heeft ons die put gegeven en er zelf nog uit gedronken, en ook zijn zonen en zijn vee.’ 13 Jezus antwoordde: ‘Iedereen die dit water drinkt zal weer dorst krijgen, 14 maar wie het water drinkt dat Ik hem geef, zal nooit meer dorst krijgen. Het water dat Ik geef, zal in hem een bron worden waaruit water opwelt dat eeuwig leven geeft.’ 15 ‘Geef mij dat water, heer,’ zei de vrouw, ‘dan zal ik geen dorst meer hebben en hoef ik ook niet meer hierheen te komen om water te putten.’ 16 Toen zei Jezus tegen haar: ‘Ga uw man eens roepen en kom dan weer terug.’ 17 ‘Ik heb geen man,’ zei de vrouw. ‘U hebt gelijk als u zegt dat u geen man hebt,’ zei Jezus, 18 ‘u hebt vijf mannen gehad, en degene die u nu hebt is uw man niet. Wat u zegt is waar.’ 19 Daarop zei de vrouw: ‘Ik begrijp dat U een profeet bent, heer. 20 Onze voorouders vereerden God op deze berg, en bij u zegt men dat in Jeruzalem de plek is waar God vereerd moet worden.’ 21 ‘Geloof Me,’ zei Jezus, ‘er komt een tijd dat jullie noch op deze berg, noch in Jeruzalem de Vader zullen aanbidden. 22 Jullie vereren wat je niet kent, wij vereren wat we kennen; de redding komt immers van de Joden. 23 Maar er komt een tijd, en die tijd is nu gekomen, dat wie de Vader echt aanbidt, Hem aanbidt vervuld van Geest en waarheid. De Vader zoekt mensen die Hem zo aanbidden, 24 want God is Geest, dus wie Hem aanbidt, moet dat doen vervuld van Geest en waarheid.’ 25 De vrouw zei: ‘Ik weet wel dat de messias zal komen,’ (dat betekent ‘gezalfde’) ‘wanneer hij komt zal hij ons alles vertellen.’ 26 Jezus zei tegen haar: ‘Ik ben het, degene die met u spreekt.’ (NBV21)

Dat zou mooi zijn, nooit meer dorst krijgen. Het zal duidelijk zijn dat Jezus van Nazareth dit overdrachtelijk bedoeld. Het gaat er niet om dat Jezus zelf een soort put wordt waar voortdurend water uit komt. Maar waar gaat het dan wel om? Laten we het verhaal nog eens lezen. Jezus van Nazareth trok meer mensen dan Johannes de Doper. Die was inmiddels onthoofd door Herodes en opnieuw ging Jezus naar Galilea om onder te duiken. Hij nam daarbij de veilige weg door Samaria heen. Die Samaritanen werden door de Joden niet voor vol aangezien. Ze erkenden alleen de eerste vijf boeken uit de Bijbel en erkenden de overige boeken uit de Hebreeuwse Bijbel niet, de Joden deden dat wel. De vrouwen van Samaria kwamen vroeg in de morgen als het water nog koel was en het buiten nog te doen was om met een volle kruik water van de bron naar de stad te lopen. Maar Jezus ontmoet er een vrouw die midden op de dag alleen naar de bron was gekomen. Heel lang is deze Samaritaanse vrouw als een zondige vrouw neergezet.

Maar doet dat haar wel recht? Ze zou vijf mannen hebben gehad en met de zesde ongetrouwd samen leven. Moet je dat wel letterlijk nemen en waarom is haar relatiegeschiedenis, haar seksuele geschiedenis van belang? Want waarom maakt deze wetenschap Jezus van Nazareth tot een profeet? Als ze op het heetst van de dag naar de put gaat omdat niemand met haar te maken zou willen hebben waarom lopen de mensen uit de stad haar dan achterna als er iemand is die alles van haar weet? Voor veel mensen is het op deze manier bekeken een van die vele rare verhalen uit de Bijbel die met rare gewoonten te maken hebben. Maar als we recht willen doen aan deze Samaritaanse vrouw en vrouwen die je ook tegenwoordig nog vindt zoals zij dan moet je een stap verder doen. Deze vrouw blijkt echter open te staan voor nieuwe mogelijkheden. Er waren twee plaatsen om de Tora te onderhouden, in Samaria en Jeruzalem.

Die negeerden elkaar maar die zouden elkaar ook eens als gelijken kunnen beschouwen. Er zou immers een bevrijder, messias, gezalfde, nieuwe Koning, komen die eindelijk uit zou maken wie er gelijk zou hebben. Kennelijk werd ze in de stad eerder als een vreemde vogel beschouwd vanwege deze hoop dan vanwege haar leefstijl want als ze naar de stad rent en de mensen vertelt dat er eindelijk zo iemand is gekomen dan loopt iedereen haar achterna. Haar recht doen betekent dus niet haar aanspreken op haar zogenaamde ontuchtige of zondige leven. Of haar beschouwen als een vreemdelinge die er nooit bij zal kunnen horen, zoals wij de vrouw met de hoofddoek maar al te vaak aankijken. Maar haar recht doen betekent haar erkennen als iemand die ondanks alle vernedering blijft vasthouden aan de twee plekken om God te vereren. De plek van haar eigen traditie zo goed als de Tempel in Jeruzalem. Waarom zouden wij nu anders oordelen.

 

 

Met jubelzang.

Psalm 100

1 Een psalm voor het dankoffer. Juich de HEER toe, heel de aarde, 2 dien de HEER met vreugde, kom tot Hem met jubelzang. 3 Erken het: de HEER is God, Hij heeft ons gemaakt, Hem behoren wij toe, zijn volk zijn wij, de kudde die Hij weidt. 4 Kom zijn poorten binnen met een loflied, hef in zijn voorhoven een lofzang aan, breng Hem hulde, prijs zijn naam: 5 de HEER is goed, zijn liefde duurt eeuwig, zijn trouw van geslacht op geslacht. (NBV21)

Vandaag zingen we een kleine Psalm mee met de Bijbel. Een psalm voor het dankoffer staat er boven. Maar dat dankoffer moet een vergissing zijn. Je zou met enige goede wil “lofoffer” kunnen lezen en dat is bij vroegere vertalingen ook wel gedaan maar ook dat staat er niet. Er staat namelijk in het Hebreeuws niets van “offer” Wel Lof, net als in “God Lof” dat we meestal niet vertalen en waar dan gewoon Halleluja staat. De vertaling “Lofprijzing” komt daarom het meest in aanmerking. De term “dankoffer” wekte gemakkelijk misverstanden. Onze God is niet een “voor wat hoort wat” God. Als ons iets toevalt hoeven we dus niet met een offer dank je wel te zeggen. We brengen God lof en laten zien dat alles wat die God ons geeft door ons gedeeld kan worden en dat we dat niet voor onszelf houden. Wij kennen de term “Lofprijzing” meer in haar Griekse vorm, de ode. Een ode aan God. Gezongen door de mensen die bij de Tempel zijn aangekomen om daar de voorgeschreven offers te brengen. Ze roepen heel de aarde op om God ook te gaan loven met vreugde en jubelzang.

En dat is niet voor niets. Als je de God van Israël als enige Heer van de wereld erkent dan zijn er direct geen andere heren die ruzie maken om die positie. Dan breekt dus de vrede eerst recht uit. En als je alle mensen van de aarde als medebewoners van de aarde en medeonderdanen van die God erkent hoef je onderling ook geen ruzie meer te maken, ook dan breekt de vrede uit. Dan kun je ook samen de poorten van de Tempel binnengaan en in de voorhof van de Tempel een lofzang aanheffen. Want daar immers wordt maaltijd gehouden, met de familie, met de tempeldienaars maar ook met de armen en met de vreemdelingen die in de stad zijn. Niemand wordt daar buitengesloten, geen mens wordt tegen de ander opgezet, niemand is er bang voor elkaar. Dat is de heerschappij van de God van Israël. Dat is de liefde die de God van Israël van alle mensen op aarde vraagt, van ons dus ook. Die liefde duurt voor altijd. Er zijn gelukkig mensen in ons land die dat snappen. Het kwaad van het opzetten van de ene groep tegen de andere heeft diep doorgevreten in onze samenleving. Terwijl mensen van verschillende culturen met elkaar door hun wijk en hun stad opmarcheren om te laten zien hoe vreedzaam mensen van die verschillende culturen met elkaar kunnen omgaan laat een televisieprogramma slachtoffers uit de ene cultuur aan het woord om te vertellen hoe slecht de mensen uit de andere cultuur wel niet zijn.

De laffe angsthazen die voortdurend haat proberen te zaaien tegen de religieuze minderheid waarvoor ze bang denken te moeten zijn roepen uit om eenzijdig de ene cultuur te veroordelen voor het geweld dat in diezelfde stad is uitgebroken. De meerderheid van de mensen van beide culturen zijn echter verstandiger. Zij vaardigen mensen af naar hun burgemeester om maatregelen te bedenken die een einde kunnen maken aan de conflicten en aan het geweld. Geweld trekt echter in onze samenleving de aandacht. Zonder gebruik van geweld lijk je wel geen aandacht te kunnen krijgen. Televisieprogramma’s lijken alleen nog aandacht te hebben voor mensen die problemen veroorzaken of slachtoffer zijn van die problemen. Niemand lijkt meer geïnteresseerd in oplossingen. Alleen mensen die nog de echo kennen van een psalm als die we vandaag gelezen hebben. Daarom hulde aan de mensen die vreedzaam opliepen in hun stad. Laten we ons bij hen aansluiten in het geloof dat de Heer van de wereld ons daarin voorgaat en als teken dat vrede in ons land door bijna iedereen gewild wordt. In de poorten van de stad werd in Israël recht gesproken. Daar werd ook de arme en de vreemdeling recht gedaan, daar kwam iedereen tot zijn of haar recht. Zo zou het ook in onze samenleving kunnen.

 

U bent een mens

Johannes 10:31-42

31 Toen de Joden weer stenen opraapten omdat ze Hem wilden stenigen, 32 zei Jezus: ‘Ik heb door de Vader veel goeds voor u gedaan; om welke goede daad wilt u Me stenigen?’ 33 ‘Voor een goede daad zullen we U niet stenigen,’ antwoordden ze,‘maar wel voor godslastering: U bent een mens, maar U beweert dat U God bent!’ 34 Jezus zei: ‘Staat er in uw wet niet geschreven: “Ik heb gezegd: ‘U bent goden’”? 35 De Schrift blijft altijd van kracht; als mensen tot wie God spreekt goden genoemd worden, 36 hoe kunt u Mij, door de Vader geheiligd en naar de wereld gezonden, dan beschuldigen van godslastering wanneer Ik zeg dat Ik Gods Zoon ben? 37 Als wat Ik doe niet van mijn Vader komt, geloof Me dan niet, 38 maar als dat wel het geval is en toch gelooft u Mij niet, geloof dan tenminste wat Ik doe. Dan zult u begrijpen dat de Vader in Mij is en dat Ik in de Vader ben.’ 39 En weer wilden ze Hem grijpen, maar Hij ontsnapte. 40 Hij ging terug naar de overkant van de Jordaan, naar de plaats waar Johannes eerder gedoopt had. Daar bleef Hij. 41 Veel mensen kwamen naar Hem toe; ze zeiden: ‘Johannes heeft weliswaar geen tekenen verricht, maar alles wat hij over deze man gezegd heeft is waar.’ 42 En velen kwamen daar tot geloof in Hem. (NBV21)

Op het lasteren van God stond maar één straf. De doodstraf, door steniging. Niet dat Jezus zichzelf herder van Israël had genoemd en zijn leerlingen had opgedragen van alle mensen te houden was een godslastering maar een mens die zichzelf verheft tot God lastert de God die alle verstand te boven gaat. Die alles geschapen heeft dat een mens kan zien en meemaken. Geen mens kan zo groot zijn. Dat verdient de doodstraf. Maar Jezus wijst op Psalm 82. Daar spreekt de God van Israël zijn volk toe als “goden”, in het Hebreeuws staat daar Elohim en dat woord wordt in de Tanach, de Joodse Bijbel die wij Oude Testament noemen, gebruikt als benaming van God. Er is natuurlijk ook dat vierletterwoord dat we niet uitspreken maar waarmee God zich bekend had gemaakt aan Mozes. Maar dat Elohim staat er net zo vaak voor God.

Jezus gebruikt alleen dat ene kleine zinnetje uit de Psalm. Die noemt hij ook nog de Wet, de Tora. De Judeeërs beschouwden de Psalmen als een geschrift dat uitlegt wat er in de Tora staat. Jezus laat weg wat er achter de uitspraak van God staat, die Elohim zijn de kinderen van God die misschien goden zijn maar ook sterfelijk. Jezus is Gods Zoon en valt daarmee samen met God zelf. De onvoorwaardelijke liefde waarmee Jezus de mensen benaderde en die hij ook aan zijn leerlingen opdroeg maakte hem inderdaad goddelijk. En hij heeft daarbij gezegd dat ook zijn leerlingen kinderen van God genoemd zouden worden. En als wij volgelingen van Jezus willen zijn en hem willen navolgen dan kunnen ook wij kinderen van God genoemd worden. God heeft ons zijn liefde gegeven en die mogen wij verspreiden. Paulus gaat later nog een stap verder als hij vaststelt dat overal waar liefde is God aan het werk is. Dat is dus ook zonder de gelovigen. Liefde heeft dus voor ons centraal te staan en de liefdeloosheid brengt ons in beweging.

De liefdeloosheid van de vaccinatieweigeraars die zichzelf meer liefhebben dan de mensen die ze kunnen besmetten. De liefdeloosheid van de belastingdienst die iedereen over een kam scheren en mensen om het minste en geringste in het verderf heeft gestort. De liefdeloosheid van de overheid die mensen die zijn getroffen door de behoefte aan gas dat warmte opwekt laat zitten met instortende huizen en een hoeveelheid schade dat rustig en veilig wonen er niet meer bij is. Het is de liefdeloosheid van ons allemaal die vluchtelingen laten verrekken en honger en oorlog op de wereld laten voortduren. Het is liefdeloosheid als je kinderen die hier geboren en getogen zijn geen plek in onze samenleving gunt. Jezus gaat terug naar de oorsprong van zijn opdracht. Aan de overkant van de Jordaan trad eens Johannes de Doper op, die de mensen doopte ter vergeving van hun zonden en waar God over Jezus als zijn geliefde zoon had gesproken. Die bekering waartoe Johannes opriep mogen wij elke dag opnieuw meemaken.

 

 

Ze zullen nooit verloren gaan

Johannes 10:22-30

22 In Jeruzalem werd het feest van de Tempelwijding gevierd; het was winter. 23 Jezus liep in de tempel, in de zuilengang van Salomo. 24 Daar kwamen de Joden om Hem heen staan, en ze vroegen Hem: ‘Hoe lang houdt U ons nog in het onzekere? Als U de messias bent, zeg het ons dan ronduit.’ 25 Jezus antwoordde: ‘Dat heb Ik u al gezegd, maar u gelooft het niet. Wat Ik in naam van mijn Vader doe getuigt over Mij, 26 maar u wilt Me niet geloven, omdat u niet bij mijn schapen hoort. 27 Mijn schapen luisteren naar mijn stem, Ik ken ze en zij volgen Mij. 28 Ik geef ze eeuwig leven: ze zullen nooit verloren gaan en niemand zal ze uit mijn hand roven. 29 Wat mijn Vader Mij gegeven heeft gaat alles te boven, niemand kan het uit de hand van mijn Vader roven, 30 en de Vader en Ik zijn één.’ (NBV21)

Vandaag lezen we over een Joods Kerstverhaal. Het feest van de Tempelwijding kennen wij als Chanoeka, dat feest van die lichtjes. Dat feest met die kandelaar waar een kleine kandelaar voorhangt. Met de kaars uit de kleine kandelaar moeten dan de grote kaarsen een voor een worden aangestoken. Een mooi feest, een lichtfeest. De aanleiding van het feest is niet mooi. Dat gaat over de verwoesting van de Tempel als huis van ontmoeting met de God van Israël. Wie het hele verhaal wil lezen moet er de boeken van de Makkabeeën maar eens opslaan. Er was een wrede Griekse Koning de baas in Judea. Hij was zo wreed dat hij voor de ogen van hun moeder haar zeven zonen hun huid liet afstropen. Daar kwam het volk tegen in opstand en het volk wist de wrede koning te verdrijven. Toen de Tempel weer in gebruik werd genomen bleek dat de olie voor de lamp die dag en nacht moest branden op was. Er was nog wat olie om één lampje aan te steken.

Dat werd dus gedaan. De volgende dag bleek dat er nog steeds dezefde olie was om een lamp aan te steken. Acht dagen lang was er voldoende olie voor de volgende lamp. Toen was de olie die de Tempel nodig had weer rein. Maar om 8 dagen lang een lichtje aan te steken met één aansteeklichtje bleef bestaan. Een lichtfeest, een vrolijk feest in de donkerste dagen van het jaar. Christenen moeten natuurlijk denken aan het Kerstfeest en volgende week begint de advent, de tijd dat we ons op het kerstfeest gaan voorbereiden. Toen Johannes zijn evangelie schreef was er ook een opstand geweest. Tegen de Romeinen die het volk hadden onderdrukt en uitgeperst. Maar die opstand was niet gewonnen. Die was er op uitgelopen dat de Tempel in Jeruzalem was verwoest en het volk verdeeld over het Romeinse Rijk.

Tussen Judeeërs en de aanhangers van Jezus van Nazareth was er de discussie over de vraag of die Jezus nu wel de Messias geweest was die de Tempel had moeten redden en de Romeinen had moeten overwinnen. Het antwoord was dat Jezus niet de Messias van het geweld was maar van de liefde. Het lukte de Romeinen niet om de aanhangers van Jezus uit te roeien. Integendeel die kudde werd steeds groter. Meer en meer mensen hoorden bij Jezus zoals eens meer en meer uit Egypte bevrijde slaven tot God hadden gehoord. Een godslastering voor de Judeeërs, welk mens durfde zich gelijk te stellen aan de God van Israël. Voor de aanhangers van Jezus niet een echt vreemde vraag, het effect van de liefde maakte dat het werk van Jezus ging samenvallen met het werk van zijn Vader. Die liefde overwint alles, ook vandaag nog.

 

De goede herder.

Johannes 10:11-21

11 Ik ben de goede herder. Een goede herder is bereid zijn leven te geven voor de schapen. 12 Een ingehuurde knecht, iemand die geen herder is en niet de eigenaar van de schapen, laat de schapen in de steek en slaat op de vlucht zodra hij een wolf ziet aankomen. De wolf valt de kudde aan en jaagt de schapen uiteen; 13 de man is maar ingehuurd en de schapen kunnen hem niets schelen. 14 Ik ben de goede herder. Ik ken mijn schapen en mijn schapen kennen Mij, 15 zoals de Vader Mij kent en Ik de Vader ken. Ik geef mijn leven voor de schapen. 16 Maar Ik heb ook nog andere schapen, die niet uit deze schaapskooi komen. Ook die moet Ik hoeden, ook zij zullen naar mijn stem luisteren: dan zal er één kudde zijn, met één herder. 17 De Vader heeft Mij lief omdat Ik mijn leven geef, om het ook weer terug te nemen. 18 Niemand neemt mijn leven, Ik geef het zelf. Ik heb de macht om het te geven en om het weer terug te nemen-dat is de opdracht die Ik van mijn Vader heb gekregen.’ 19 Opnieuw ontstond er verdeeldheid onder de Joden om wat Hij zei. 20 Veel mensen zeiden: ‘Hij is bezeten, Hij is gek. Waarom luisteren jullie nog naar Hem?’ 21 Maar anderen zeiden: ‘Dit zijn niet de woorden van iemand die bezeten is. Een demon kan de ogen van blinden toch niet openen?’ (NBV21)

De meesten van ons hebben geleerd dat een herder boven ons staat. De beste herder was Jezus van Nazareth en voor protestanten zijn er dan nog de dominees die als pastors ook herders willen zijn. Pastor is immers het latijn voor herder. In de Rooms Katholieke Kerk heb je dan ook nog de Paus, de Bisschoppen en de Pastoors die allemaal pretenderen herders te zijn van hun kudde, het gelovige volk. Maar dat je als gelovige zelf de opdracht hebt herder te zijn hoor je toch maar weinig. Toch is het in de navolging van Jezus van Nazareth goed om te beseffen dat omdat hij zich als herder zag wij ons ook als herder moeten gaan zien. Niet om mensen voor te schrijven wat ze wel en niet moeten doen. Een herder volgt de schapen en stuurt ze niet, schapen laten zich nu eenmaal niet sturen. Een herder beschermt ook de schapen, tegen vijanden, tegen ziekten en tegen uitputting. Zo moeten wij ook zijn voor onze naasten. En dan niet alleen de naasten die we kennen en verstaan maar ook de naasten die niet uit onze schaapskooi komen, de vreemdelingen onder ons.

Op de een of andere manier blijft de Bijbel er op hameren dat je de liefde nooit exclusief voor de mensen moet houden die je toch al kent en vertrouwt. Beschermen betekent dan ook je leven op het spel durven zetten. Zorgen betekent ook niet ophouden voordat je contact hebt met iedereen die op je pad komt. Zorgen dat mensen bij elkaar blijven, dat ze een eenheid kunnen gaan vormen, één kudde, met één herder. De synode van de Protestantse Kerk noemde de verdeeldheid onder de kerken een schande maar de verdeeldheid tussen de volken in deze wereld is eigenlijk nog een grotere schande. Dat wij weigeren in mensen met een andere taal, een andere cultuur, een ander geloof en een ander uiterlijk broeders en zusters te herkennen leidt ons voortdurend tot geweld en doodslag. In de Bijbel wordt het beeld van de herder ook gekoppeld aan de grazige weiden waar de herder heen zou leiden.

Het gedeelte dat we vandaag lezen sluit aan op het gedeelte waarin vertelt wordt dat Jezus van Nazareth een blinde weer laat zien. Mensen die vertellen dat er een weg is die voert naar een samenleving zonder geweld, zonder armoede, zonder haat en zonder angst, worden nog wel eens voor gek verklaard. Het zijn naïeve theedrinkers die geen idee hebben van de harde werkelijkheid. Maar als ze er eens in slagen passend onderwijs voor kinderen te realiseren, een persoonlijk zorgbudget voor gehandicapten in stand te houden en de sociale werkvoorziening voor arbeidsongeschikten overeind te houden dan breekt het besef door dat misschien het voorop zetten van de zwaksten in de samenleving zo gek nog niet is. Dat liefde de samenleving verder brengt en sterker maakt dan angst en haat tegen alles wat vreemd is. Zo wordt Jezus van Nazareth in deze verhalen onze herder die ons voert naar een samenleving van vrede en welvaart voor allen. Het enige dat we hoeven te doen is hem te volgen, ook de komende week en van onze naaste houden als van onszelf. Dat mag elke dag weer opnieuw.

 

 

Weidegrond

Johannes 10:1-10

1 Werkelijk, Ik verzeker u, wie de schaapskooi niet binnengaat door de deur maar ergens anders naar binnen klimt, is een dief of een rover. 2 Wie door de deur naar binnen gaat, is de herder van de schapen. 3 Voor hem doet de bewaker open. De schapen luisteren naar zijn stem, hij roept zijn eigen schapen bij hun naam en leidt ze naar buiten. 4 Wanneer hij al zijn schapen naar buiten gebracht heeft, loopt hij voor ze uit en de schapen volgen hem omdat ze zijn stem kennen. 5 Iemand anders volgen ze niet, ze lopen juist van hem weg omdat ze de stem van een vreemde niet kennen.’ 6 Jezus vertelde hun deze gelijkenis, maar ze begrepen niet wat Hij bedoelde. 7 Daarom vervolgde Hij: ‘Werkelijk, Ik verzeker u, Ik ben de deur voor de schapen. 8 Zij die vóór Mij kwamen waren allemaal dieven en rovers, maar naar hen hebben de schapen niet geluisterd. 9 Ik ben de deur: wanneer iemand door Mij binnenkomt zal hij gered worden; hij zal in en uit lopen, en hij zal weidegrond vinden. 10 Een dief komt alleen om te roven, te slachten en te vernietigen, maar Ik ben gekomen om hun het leven te geven in al zijn volheid. (NBV21)

We zijn zo ver met onze liefde voor de natuur en de zorg voor de dieren dat er in ons land een stichting in het leven is geroepen die bevordert dat koeien weer in de wei lopen. Want koeien in de wei beschouwen we als het meest natuurlijke dat er is. In de Stichting doen ook kaasfabrieken mee en een supermarkt. Kaas gemaakt van melk gegeven door koeien die in de wei gelopen hebben is nu eenmaal lekkerder dan kaas van melk gegeven door koeien die op stal hebben gestaan. Zowel voor de koeien in onze weiden als voor de schapen uit het verhaal van Jezus van Nazareth zijn daarom goeie boeren nodig. Boeren met aandacht voor de beesten, ja zoveel aandacht dat zelfs één schaap dat van de kudde afdwaalt achterna gegaan wordt om het terug te vinden. Jezus van Nazareth noemt zich hier zelf de deur, wij zeggen misschien eerder dat hij de sleutel tot het verhaal is.

Dit weekeinde keren we thuis even terug naar het Evangelie van Johannes om daarin nog eens na te lezen wat de betekenis ook al weer was van Jezus van Nazareth. Doel is kennelijk een vruchtbaar leven te leiden. Een dief immers leidt geen vruchtbaar leven maar teert op hetgeen anderen hebben voortgebracht. Koeien en schapen hebben een eigen groene weide nodig om vruchtbaar te zijn. Zo hebben wij mensen een goede houding naar elkaar nodig om vruchtbaar te zijn. Zelf werken, zelf leren om te werken, zelf zorgen zijn slogans die vruchtbaarheid veronderstellen. Je moet wat weten voort te brengen. Soms moeten we met harde hand leren dat het ontbreken van echte zorg voor elkaar tot groot onheil kan leiden. Dan is er weer een eenzaam mens die in zijn hoofd de wereld naar zijn hand zet en dat gaat vertalen in bloedig geweld.

De manier waarop Jezus van Nazareth onophoudelijk en onvoorwaardelijk zijn liefde toonde hebben wij over het algemeen nog niet geëvenaard. Wij laten iemand die raar doet maar langs de kant staan, wij lopen er het liefst met een boog omheen. Kamergenoten van de dader van een schietpartij op een Amerikaanse universiteit hadden hem in twee jaar nog nooit horen praten. Wie accepteert nu zoiets van iemand met wie je zo nauw samen moet leven. Als Jezus van Nazareth de sleutel is tot ons bestaan, als we kiezen voor hem als herder, of in ons geval als boer die ons weidt, dan moeten we ons elke dag afvragen om wie wij heen gelopen zijn. Wie zagen we niet staan omdat die ons te ingewikkeld was, omdat samen leven met die persoon wel heel erg moeilijk is. Het ging Jezus om de minste van zijn broeders, wij zijn geroepen om het voor hem te doen. Een hand uitsteken, en niet accepteren dat die geweigerd wordt is dan het minste dat we kunnen doen, en het vruchtbaarste.