Weidegrond

Johannes 10:1-10

1 Werkelijk, Ik verzeker u, wie de schaapskooi niet binnengaat door de deur maar ergens anders naar binnen klimt, is een dief of een rover. 2 Wie door de deur naar binnen gaat, is de herder van de schapen. 3 Voor hem doet de bewaker open. De schapen luisteren naar zijn stem, hij roept zijn eigen schapen bij hun naam en leidt ze naar buiten. 4 Wanneer hij al zijn schapen naar buiten gebracht heeft, loopt hij voor ze uit en de schapen volgen hem omdat ze zijn stem kennen. 5 Iemand anders volgen ze niet, ze lopen juist van hem weg omdat ze de stem van een vreemde niet kennen.’ 6 Jezus vertelde hun deze gelijkenis, maar ze begrepen niet wat Hij bedoelde. 7 Daarom vervolgde Hij: ‘Werkelijk, Ik verzeker u, Ik ben de deur voor de schapen. 8 Zij die vóór Mij kwamen waren allemaal dieven en rovers, maar naar hen hebben de schapen niet geluisterd. 9 Ik ben de deur: wanneer iemand door Mij binnenkomt zal hij gered worden; hij zal in en uit lopen, en hij zal weidegrond vinden. 10 Een dief komt alleen om te roven, te slachten en te vernietigen, maar Ik ben gekomen om hun het leven te geven in al zijn volheid. (NBV21)

We zijn zo ver met onze liefde voor de natuur en de zorg voor de dieren dat er in ons land een stichting in het leven is geroepen die bevordert dat koeien weer in de wei lopen. Want koeien in de wei beschouwen we als het meest natuurlijke dat er is. In de Stichting doen ook kaasfabrieken mee en een supermarkt. Kaas gemaakt van melk gegeven door koeien die in de wei gelopen hebben is nu eenmaal lekkerder dan kaas van melk gegeven door koeien die op stal hebben gestaan. Zowel voor de koeien in onze weiden als voor de schapen uit het verhaal van Jezus van Nazareth zijn daarom goeie boeren nodig. Boeren met aandacht voor de beesten, ja zoveel aandacht dat zelfs één schaap dat van de kudde afdwaalt achterna gegaan wordt om het terug te vinden. Jezus van Nazareth noemt zich hier zelf de deur, wij zeggen misschien eerder dat hij de sleutel tot het verhaal is.

Dit weekeinde keren we thuis even terug naar het Evangelie van Johannes om daarin nog eens na te lezen wat de betekenis ook al weer was van Jezus van Nazareth. Doel is kennelijk een vruchtbaar leven te leiden. Een dief immers leidt geen vruchtbaar leven maar teert op hetgeen anderen hebben voortgebracht. Koeien en schapen hebben een eigen groene weide nodig om vruchtbaar te zijn. Zo hebben wij mensen een goede houding naar elkaar nodig om vruchtbaar te zijn. Zelf werken, zelf leren om te werken, zelf zorgen zijn slogans die vruchtbaarheid veronderstellen. Je moet wat weten voort te brengen. Soms moeten we met harde hand leren dat het ontbreken van echte zorg voor elkaar tot groot onheil kan leiden. Dan is er weer een eenzaam mens die in zijn hoofd de wereld naar zijn hand zet en dat gaat vertalen in bloedig geweld.

De manier waarop Jezus van Nazareth onophoudelijk en onvoorwaardelijk zijn liefde toonde hebben wij over het algemeen nog niet geëvenaard. Wij laten iemand die raar doet maar langs de kant staan, wij lopen er het liefst met een boog omheen. Kamergenoten van de dader van een schietpartij op een Amerikaanse universiteit hadden hem in twee jaar nog nooit horen praten. Wie accepteert nu zoiets van iemand met wie je zo nauw samen moet leven. Als Jezus van Nazareth de sleutel is tot ons bestaan, als we kiezen voor hem als herder, of in ons geval als boer die ons weidt, dan moeten we ons elke dag afvragen om wie wij heen gelopen zijn. Wie zagen we niet staan omdat die ons te ingewikkeld was, omdat samen leven met die persoon wel heel erg moeilijk is. Het ging Jezus om de minste van zijn broeders, wij zijn geroepen om het voor hem te doen. Een hand uitsteken, en niet accepteren dat die geweigerd wordt is dan het minste dat we kunnen doen, en het vruchtbaarste.

 

Naar hem moet u luisteren.

Deuteronomium 18:9-22

9 Wanneer u in het land komt dat de HEER, uw God, u geven zal, mag u de verfoeilijke praktijken van de volken daar niet navolgen. 10 Er mag bij u geen plaats zijn voor mensen die hun zoon of dochter als offer verbranden, en evenmin voor waarzeggers, toekomstvoorspellers, wichelaars, tovenaars, 11 bezweerders, en voor hen die geesten raadplegen of doden oproepen. 12 Want de HEER verafschuwt mensen die zulke dingen doen, en om die verfoeilijke praktijken verdrijft Hij deze volken voor u. 13 U moet volledig op de HEER, uw God, gericht zijn. 14 Ook al luisteren de volken in het land dat u in bezit zult nemen wel naar toekomstvoorspellers en waarzeggers, ú heeft de HEER, uw God, dat verboden. 15 Hij zal in uw midden steeds weer een profeet laten opstaan, een profeet zoals ik. Naar hem moet u luisteren. 16 U hebt de HEER daar immers zelf om gevraagd, toen u bij de Horeb bijeen was? U zei: ‘Wij kunnen het stemgeluid van de HEER, onze God, en de aanblik van dit enorme vuur niet langer verdragen; dat overleven we niet.’ 17 De HEER heeft toen tegen mij gezegd: ‘Zij hebben goed gesproken. 18 Ik zal in hun midden steeds weer een profeet laten opstaan, een profeet zoals jij. Ik zal hem mijn woorden ingeven, en hij zal het volk alles overbrengen wat Ik hem opdraag. 19 Wie niet wil luisteren naar de woorden die hij in mijn naam spreekt, zal Ik ter verantwoording roepen. 20 Maar als een profeet het waagt om in mijn naam iets te zeggen dat Ik hem niet heb opgedragen, of om in de naam van andere goden te spreken, dan moet hij ter dood gebracht worden.’ 21 Misschien vraagt u zich af: Hoe weten we dat een profetie niet van de HEER komt? 22 Dit is het antwoord: als een profeet zegt te spreken in de naam van de HEER, maar zijn woorden komen niet uit en er gebeurt niets, dan is dat geen profetie van de HEER geweest. Heb geen ontzag voor een profeet die zich dat aanmatigt. (NBV21)

Profeten zijn geen toekomstvoorspellers en met de God van Israël is geen handeltje te drijven. Dat zijn de boodschappen die we vandaag lezen in het gedeelte uit het boek Deuteronomium dat op het leesrooster staat. We willen natuurlijk graag weten wat ons boven het hoofd hangt, welke beslissingen we moeten nemen, welke richting ons leven uit zal gaan. Veel mensen willen ook goedkeuring van hun ouders, ook al zijn die lang overleden, of andere vroeg gestorven geliefden. Op eigen benen staan is immers eng en of je het altijd zo goed doet is maar de vraag. De God van Israël veroordeelt al die mensen die zich bezig houden met het contact met overledenen, met het voorspellen van de toekomst, met instralen en geestfluisteren. Het kompas waar je op kunt varen is de Wet zoals die door de God van Israël is gegeven, heb uw naaste lief als uzelf. Al het andere is afgoderij en bijgeloof, het wordt uitgeoefend door leugenaars en bedriegers. De geestfluisteraars met hun healings en readings die we op de televisie zo spectaculair zien optreden zijn volgens de Bijbel bedriegers die de mensen misleiden en tot afgoderij brengen.

Nog erger zijn de mensen die hun kinderen offeren. Wij denken dat we dat niet meer doen. Maar dat is niet zo. Onze carrières en onze aanbidding van werken, winst en profijt, maken dat we onze kinderen al van jongs af aan onderbrengen in crèches en opvangcentra. Voor en na schoolse opvang bloeien als nooit tevoren. De rijken verhogen de kosten er van omdat de belasting die ze meebrengen voelbaar wordt. Toch blijven ouders gedwongen worden carrière, werk, winst en profijt te stellen boven opvoeden en overbrengen van normen en waarden als liefde en zorg voor de naaste. Ook in onze samenleving worden kinderen dus opgeofferd aan de goden van deze tijd. En wie beseft dat er ook nog kinderen zijn die opgeofferd worden aan eigen lustbevrediging zal daartegen wel te hoop willen lopen. Terecht wordt lustbevrediging met kinderen beneden de 12 jaar als verkrachting gezien. Maar we mogen ons vaker afvragen wat we met de andere vormen van opoffering van onze kinderen aan het doen zijn.

Het gedeelte van vandaag legt de nadruk op de functie die profeten hebben. Profeten zijn dus geen toekomstvoorspellers. Ze zijn analytici van de huidige samenleving, ze zeggen waar het op uit zal lopen als we zo doorgaan. En wanneer weten we dat profeten uit God spreken? Als gebeurd wat ze zeggen dat zal gebeuren. Dan is het te laat. In het begin van de jaren 60 van de vorige eeuw zeiden mensen dat we een probleem zouden krijgen met Marokkaanse jongens als we niets zouden doen aan de inburgering van hun ouders. Die mensen werden toen weggelachen, dat zou maar geld kosten, dan zouden die ouders maar blijven, dat was de linkse zorgzame samenleving. Die voorspelling is uitgekomen, we zitten nu met de last. Toen werd gezegd dat het vormen van één samenleving waarin iedereen zich thuis zou voelen de oplossing was. Verantwoordelijkheid ook voor kinderen zouden we samen moeten delen. Nu wordt de scheiding van bevolkingsgroepen gepreekt. Aangezien de Bijbel ons oproept altijd een volk te vormen en juist ook de vreemdelingen daarbij te betrekken lijkt het voor de hand te liggen wie er Christelijk, vanuit Gods Woord, spreekt. We kunnen nog veranderen en weer samen gaan leven. Vandaag krijgen we uit de Bijbel daar weer een oproep toe, laten we daarom beginnen.

 

Het eerste en beste deel

Deuteronomium 18:1-8

1 De Levitische priesters, ofwel de hele stam Levi, zullen geen eigen grond bezitten zoals de andere Israëlieten. Zij mogen de offergaven eten die de HEER toekomen, 2 maar eigen grond zoals de anderen hebben ze niet; zij mogen immers bestaan van de dienst aan de HEER, zoals Hij hun heeft beloofd. 3 Van de gaven van het volk komt de priesters het volgende deel toe: van het offerdier-of het nu om een rund, een schaap of een geit gaat-moeten de schouder, de wangen en de lebmaag aan de priester worden afgestaan. 4 Ook het eerste en beste deel van uw graan, wijn en olie en van de wol van uw schapen en geiten moet u hem geven. 5 Want uit uw midden heeft de HEER, uw God, de Levieten gekozen om Hem voor altijd als priester te dienen. 6 Als iemand die als Leviet ergens in het land van Israël woont zich aandient in de plaats die de HEER zal uitkiezen, dan is hij welkom. Hij mag zich wanneer het maar bij hem opkomt naar die plaats begeven 7 en daar deelnemen aan de dienst voor de HEER, zijn God, net als zijn Levitische broeders die er al dienstdoen. 8 Hij moet dan eenzelfde aandeel als zij ontvangen, ongeacht de waarde van de bezittingen die hij geërfd heeft. (NBV21)

De godsdienst van Israël is een merkwaardige godsdienst. Dat offers die aan stenen beelden worden gebracht opgegeten worden door de priesters laat zich makkelijk raden maar in de godsdiensten van de Kanaänitische volken werd gedaan of de goden zelf de offers opaten. De offers voor de God van Israël zijn nooit om die God gunstig te stemmen of wat van die God gedaan te krijgen. Die offers zijn om de dienst aan God in stand te houden. Daarom eten als eersten de priesters en levieten van die offers, ze zijn voor hen bestemd, daarom hoeven ze zelf ook geen land te hebben in Israël. Kern van het offeren van Israël is de bereidheid tot delen van wat je hebt.

De hoogfeesten zijn dan ook feesten waarbij de gemeenschappelijke maaltijd met armen, vreemdelingen, de familie en de Levieten centraal staat. Dat delen van wat je hebt is nog steeds het hart van onze godsdienst. Door Jezus van Nazareth, die zichzelf deelde, is het ook het hart van de Christelijke godsdienst. We willen overigens graag weten wat ons boven het hoofd hangt, welke beslissingen we moeten nemen, welke richting ons leven uit zal gaan. Veel mensen willen ook goedkeuring van hun ouders, ook al zijn die lang overleden, of andere vroeg gestorven geliefden. Op eigen benen staan is immers eng en of je het altijd zo goed doet is maar de vraag. In de Heidense godsdiensten van de volken rond Israël waren er velen die op grond van een godsdienst pretendeerden iets over de toekomst te kunnen zeggen.

De bereidheid tot delen van wat je hebt druk je uit in het delen met God. De regels van de Tempel, of de Tent der Ontmoeting zijn steeds dat je je naaste lief moet hebben als jezelf. Levieten helpen je daarbij. Zij spreken recht en hebben geen belang bij beide partijen. Dat er met hen gedeeld wordt is vanzelfsprekend. Je mag dan ook niet opgeven hoeveel je wel niet hebt gegeven van je bezit. Hoeveel het moet zijn ligt namelijk gewoon vast. Dat zal voor de een meer zijn als voor de ander maar het is voor ieder hetzelfde deel. Jezus zou er dan ook op wijzen dat je linkerhand niet moet weten wat je rechter doet. Toch is het misschien goed in je avondgebed aan God te noemen wat je gedaan hebt met hetgeen jou is toegevallen. Hoeveel hongeren heb je gevoed, naakten gekleed, armen recht gedaan een vrede heb gesticht. Wellicht kom je tot de ontdekking dat je morgen wel wat meer mag doen.

 

De uitleg die zij u geven

Deuteronomium 17:8-20

8 Met betrekking tot moord of doodslag, rechtsvordering en geweldpleging kunnen zich in uw steden rechtszaken voordoen waarin het te moeilijk is om vonnis te wijzen. In dergelijke gevallen moet u naar de plaats gaan die de HEER, uw God, zal uitkiezen. 9 Daar raadpleegt u de Levitische priesters en de rechter die daar op dat moment zetelt, en zij zullen uitspraak doen. 10 Doe precies wat zij u voorschrijven en volg de aanwijzingen die u van hen krijgt nauwkeurig op. 11 Houd u aan de uitleg die zij u geven en aan het vonnis dat ze uitspreken. Wijk daar op geen enkele manier van af. 12 Degene die het waagt om de woorden van de rechter of van de priester die daar voor de HEER, uw God, dienstdoet in de wind te slaan, moet ter dood gebracht worden. Zo moet u het kwaad uit Israëls midden verwijderen. 13 Het hele volk moet daardoor worden afgeschrikt, zodat ze zoiets geen tweede keer wagen. 14 Wanneer u in het land gekomen bent dat de HEER, uw God, u zal geven en u het in bezit hebt genomen en er woont, zegt u misschien: ‘Laten we een koning aanstellen, net zoals de volken om ons heen.’ 15 U moet dan een koning aanstellen die door de HEER, uw God, zal worden uitgekozen. U mag alleen iemand uit uw eigen volk aanstellen, het mag niet iemand uit een ander land of van een ander volk zijn. 16 Hij mag niet veel paarden bezitten, want dan zou hij zijn volksgenoten naar Egypte kunnen terugsturen om voor uitbreiding van zijn stallen te zorgen, in strijd met de waarschuwing van de HEER dat we nooit meer die weg terug mogen gaan. 17 Evenmin is het de koning toegestaan veel vrouwen te hebben, want dat zou hem tot afgodendienst kunnen verleiden. En verder mag hij ook geen zilver en goud ophopen. 18 Als de koning eenmaal over zijn rijk heerst moet hij een afschrift van dit wetboek laten maken, naar de tekst die bij de Levitische priesters berust. 19 Hij moet het onder handbereik hebben en erin lezen zolang hij leeft. Zo leert hij ontzag te hebben voor de HEER, zijn God, en alle wetten uit dit boek in acht te nemen. 20 Dan zal hij zich niet inbeelden dat hij meer is dan zijn volksgenoten en zal hij op geen enkele manier afwijken van de geboden. Dan zullen hij en zijn nakomelingen lange tijd regeren over het volk van Israël. (NBV21)

De Bijbel is vaak zeer praktisch en zeer menselijk. Er zijn geboden, maar die kennen uitzonderingen, en er zijn idealen maar die zijn niet altijd haalbaar. Het ideaal van de Bijbel was een volk dat de God van Israël als koning had en dat genoeg had aan de richtlijnen die in de Woestijn waren gegeven. Een volk dat samen die richtlijnen zou volgen zou ook zeer onaantrekkelijk zijn voor andere volken om te veroveren. Maar in de loop van de geschiedenis zou blijken dat een volk zonder koning vervalt tot een soort anarchisme dat geweld voortbrengt. In het boek Rechters kunnen we lezen dat uiteindelijk ieder deed wat goed was in eigen ogen, de Wet van de God van Israël, van heb uw naaste lief als uzelf, was niet meer terug te vinden.

Ook in onze dagen willen velen zo veel mogelijk regels afschaffen en ieder zelf verantwoordelijk voor eigen leven maken. Zorgen voor de armen, voor de minsten, voor de zieken en gehandicapten, de weduwe en de wees, is er dan niet meer bij, die moeten zelf zien werk en inkomen te vinden, ook al wil niemand ze hebben. Al voor het volk zich in Kanaän heeft gevestigd zijn er dus al regels voor de Koning die eigenlijk niet wordt gewild. Als het volk een Koning wil dan moet het volk zelf een Koning uit hun midden kiezen, democratie voorop in de Bijbel. Het moet een Koning zijn die het eigen volk aanvoert, het volk moet zorgen dat dat ook kan. Dus geen wapens kopen in het buitenland, niet meer naar het dodenrijk van Egypte. Ook niet een hele harem van veel vrouwen er op na houden, dat levert maar afgodendienst op, net als rijkdom van een koning.

Niet een koning dus als Salomo later zou zijn. Nee een koning moet de richtlijn uit de Woestijn, het heb uw naaste lief als uzelf, onder handbereik houden. Niet er in knippen en plakken naar goeddunken maar de tekst uit de Tempel, die van de Levieten, in zijn geheel onder handbereik hebben. Uiteindelijk wordt de regel dat de Koning het boek Deuteronomium in de armleuning van zijn troon of stoel moet bewaren. Om die richtlijn tot gelding te brengen ben je Koning en niet om je eigen wetten aan het volk op te leggen. Een Koning is nu eenmaal niet meer dan een ander, dat is tot in onze dagen nog steeds zo, ook in ons Koninkrijk der Nederlanden. Een Koning regeert bij de gratie Gods. Er is een scheiding tussen kerk en staat. De Thora bemoeit zich niet met de vraag of er wel of geen Koning is. Maar geeft richtlijnen hoe het recht kan worden bewaard, met Levieten als rechters en een volk dat gaat over de Koning. Dat recht staat centraal, ook vandaag nog.

Niets dan het recht.

Deuteronomium 16:18–17:7

18 Stel in alle steden die de HEER, uw God, u in uw stamgebieden zal geven, rechters en griffiers aan, die zorg moeten dragen voor een zuivere rechtspraak. 19 U mag het recht niet schenden en niet partijdig zijn. U mag geen steekpenningen aannemen, want steekpenningen maken wijzen blind en veranderen eerlijke mensen in leugenaars. 20 Zoek het recht en niets dan het recht. Dan zult u in leven blijven en mag u het land dat de HEER, uw God, u zal geven, in bezit nemen. 21 U mag naast het altaar dat u voor de HEER, uw God, gaat bouwen geen Asjerapaal of wat voor gewijde paal ook plaatsen, 22 en ook geen gewijde steen, want de HEER, uw God, heeft daarvan een afschuw. 1 Ook mag u Hem geen rund, schaap of geit met een of ander gebrek offeren, want ook daarvan heeft Hij een afschuw. 2 Wanneer zich in een van de steden die de HEER, uw God, u zal geven, iemand bevindt, man of vrouw, die doet wat slecht is in de ogen van de HEER door de regels van het verbond te overtreden, 3 door tegen zijn gebod in andere goden te vereren, de zon, de maan of de sterren, en daarvoor neer te knielen, 4 en het komt u ter ore, dan moet u zorgvuldig navraag doen. Als blijkt dat het waar is, als onomstotelijk vaststaat dat deze gruwelijke dingen onder het volk van Israël hebben plaatsgevonden, 5 dan moet u de man of vrouw die zich zo misdragen heeft de stad uit brengen en buiten de poort stenigen tot de dood erop volgt. 6 Het doodvonnis mag alleen op grond van de verklaring van ten minste twee getuigen worden voltrokken, één getuigenverklaring is onvoldoende. 7 De getuigen moeten, samen met de rest van het volk, de dader stenigen tot de dood erop volgt, en zelf moeten zij de eerste steen werpen. Zo moet u het kwaad uit uw midden verwijderen. (NBV21)

Toen er in Nederland twee rechters voor de strafrechter werden gedaagd op verdenking van meineed was het een grote schok voor ons land. Sinds mensenheugenis gaan we uit van een eerlijke, onafhankelijke, niet te beïnvloeden rechtspraak. Zelfs in het toch redelijk oude Bijbelboek Deuteronomium wordt de eerlijke rechtspraak nauwkeurig omschreven. Voor een volk dat zichzelf respecteert is dat van het grootste belang. Natuurlijk lukt het niet altijd en niet overal. De schrijver van het boek Prediker verzucht zelfs ergens dat als hij kijkt naar de plaats van het recht hij onrecht ziet. Maar dat we in het recht het recht en niets dan het het recht moeten zoeken ligt voor ons voor de hand. We spreken dan al snel over controle op de rechters. Wie bepaald of ze wel onafhankelijk zijn? De Bijbel geeft geen antwoord op die vraag, het volk zelf moet de rechters aanstellen en hen de opdracht geven te zorgen voor een zuivere rechtspraak. Daar moeten die rechters dus zelf voor zorgen al zullen ze misschien vaker dan tot nu toe verantwoording moeten afleggen over hun gedrag.

Het is het hele volk dat verantwoordelijk is voor een zuivere rechtspraak. Want het volk is ook verantwoordelijk voor een zuivere godsdienst. De offerdieren moeten dieren zonder gebrek zijn. Als je daar niet nauwkeurig op let dan verval je al snel tot afgoderij suggereert de tekst. En afgoderij is het ergste dat het volk kan overkomen. Een ieder die afgodendienst bewust doet moet uit het volk verwijderd worden en als het onbewust is dan moet zo iemand gewaarschuwd worden, doet iemand dat nog een keer dan is het meer dan bewust en kan zo iemand doodvallen. Een zuivere rechtspraak leidt dus ook tot een zuiver volk kun je uit dit gedeelte lezen. Het kwaad moet in de kiem gesmoord worden, de rechtspraak moet er voor zorgen dat het hele volk afgeschrikt wordt zodat ze het niet nog een keer wagen. Het klinkt hard maar het is een poging om het volk een land te laten houden dat God gegeven heeft, een land overvloeiende van melk en honing, waar iedereen zou willen leven.

Hoe doen wij dat? Zijn wij er samen verantwoordelijk voor dat er een zuivere rechtspraak is? Nemen wij onze verantwoordelijkheid voor het smoren van het kwaad in de kiem? Het lijkt er niet op. De politie moet de regels van onze samenleving maar handhaven en als ze er ons als individu er op aanspreken kunnen ze een grote mond krijgen. Als er al overlast wordt veroorzaakt grijpen we zelden samen in maar verwijten we een overheid dat er niks aan gedaan wordt. Buurtgemeenschappen gaan zelden meer samen na waardoor het gevoel van onveiligheid stijgt. Mensen zetten zich zelden samen aan de maaltijd om de gang van zaken in de gemeenschap te bespreken. Israël had haar Tent der ontmoeting waar het volk regelmatig samen maaltijd moest houden. Wij hebben buurthuizen, wijkcentra en kerken waar we bijeen kunnen komen. We leren van Deuteronomium dat een zuivere rechtspraak bij onszelf begint, maar daar moeten we dan wel samen mee willen beginnen, ook vandaag weer.

Niets dan het recht.

Psalm 150

1 Halleluja! Loof God in zijn heilige woning, loof Hem in zijn machtig gewelf, 2 loof Hem om zijn krachtige daden, loof Hem om zijn oneindige grootheid. 3 Loof Hem met hoorngeschal, loof Hem met harp en lier, 4 loof Hem met dans en tamboerijn, loof Hem met snaren en fluit. 5 Loof Hem met klinkende bekkens, loof Hem met slaande cimbalen. 6 Alles wat adem heeft, loof de HEER. Halleluja! (NBV21)

Dit is de laatste Psalm uit het boek van de Psalmen. Het is zeker niet het laatste lied dat in de Bijbel staat want het wemelt in de Bijbel van de liederen. Wij kennen niet al die liederen als lied want de grondtalen van de Bijbel staan soms zo ver van ons af dat het bijna niet te doen is om de poëzie van de Bijbel om te zetten in een poëzie die voor ons ook te zingen is. Het is daarom opmerkelijk dat dat met de poëzie uit het boek van de Psalmen wel het geval is. Er zijn verschillende vertalingen die op muziek zijn gezet waardoor je de Psalmen kunt zingen. Bekend is bijvoorbeeld de vertaling van de dichteres Ida Gerhardt en de theologe Marie van der Zeijde, maar ook de Psalmen uit de Naardense Bijbel zijn inmiddels op muziek gezet.  In de Protestantse Kerk is het zogenaamde Geneefse Psalter bekend. Tijdens de reformatie in de zestiende eeuw vonden de predikanten in Geneve dat het volk moest kunnen zingen in de eredienst. De oproep uit deze Psalm 150 stond voor hen daarbij centraal.

De leidende theoloog en hervormer uit die dagen Johannes Calvijn steunde hun streven en moedigde dichters en componisten aan om alle psalmen zo te bewerken dat ze voor het volk zingbaar werden in hun eigen taal. In Nederland werd dat voorbeeld gevolgd en uiteindelijk wonnen de psalmen die zingbaar waren op de melodieën uit Geneve het pleit in de kerken. Nog halverwege de vorige eeuw hebben dichters op verzoek van de kerken een nieuwe berijming gemaakt. Maar Psalm 150 beperkt zich niet tot zingen. Allerlei instrumenten worden ingeroepen om de lof van de Heer te bezingen. En de lof van de Heer kun je alleen maar bezingen als je gezorgd hebt dat iedereen daar aan mee kan doen, dat er niemand meer is die hongerig, naakt, ziek of gevangen langs de kant van de weg moet blijven zitten. Dan alleen kun je oproepen dat alles wat adem heeft de Heer moet loven. Dan pas kan ook het Halleluja klinken, het werkwoord dat de dienst aan God weergeeft en dus gaat over de dienst aan de minsten in onze samenleving.

Zang en muziek zijn niet het enige om God te loven. Ook de dans moet er aan te pas komen. God loven doe je met alles wat in je is. Wat dat betreft kunnen onze Nederlandse kerken soms nog heel veel leren van de kerken uit de zogenaamde arme landen, daar zijn de christenen vaak heel wat rijker in hun lofuitingen dan in onze deftige rijke westerse kerken. Wie in de Bijlmer in Amsterdam wel eens een kerkdienst van vreemdelingen heeft meegemaakt zal onder de indruk gekomen zijn van zang, snarenspel en dans die onophoudelijk de lof van God uitdragen. Die lof wordt dan uitgedragen door mensen die in onze samenleving op het minimum moeten leven, uitgebuit en vervolgd worden, op alle manieren aan de kant worden gezet. Zij hebben maar één sterke bondgenoot, God, mogen wij leren dienaren van die God te worden. En als iemand de adem wordt ontnomen zullen we hard moeten protesteren.

 

Brandde ons hart

Lucas 24:28-35

28 Ze naderden het dorp waarheen ze op weg waren. Jezus deed alsof Hij verder wilde reizen. 29 Maar ze drongen er sterk bij Hem op aan om dat niet te doen en zeiden: ‘Blijf bij ons, want het is bijna avond en de dag loopt ten einde.’ Hij ging met hen mee en bleef bij hen. 30 Toen Hij met hen aanlag voor de maaltijd, nam Hij het brood, sprak het zegengebed uit, brak het en gaf het hun. 31 Nu werden hun ogen geopend en herkenden ze Hem. Maar Hij werd onttrokken aan hun blik. 32 Daarop zeiden ze tegen elkaar: ‘Brandde ons hart niet toen Hij onderweg met ons sprak en de Schriften voor ons ontsloot?’ 33 Ze stonden op en gingen meteen terug naar Jeruzalem, waar ze de elf en de anderen aantroffen, 34 die tegen hen zeiden: ‘De Heer is werkelijk uit de dood opgewekt en Hij is aan Simon verschenen!’ 35 De twee leerlingen vertelden wat er onderweg gebeurd was en hoe Hij zich aan hen kenbaar had gemaakt door het breken van het brood. (NBV21)

Het is duidelijk dat Jezus van Nazareth een andere weg kiest dan de twee die van Jeruzalem naar Emmaüs zijn gegaan. In elk geval niet de weg van de militaire opstand. Wie immers het zwaard opnemen zullen door het zwaard vergaan. Maar als de twee er blijk van geven hun bezit en voedsel te willen delen met de vreemdeling dan neemt Jezus van Nazareth de uitnodiging aan. En bij het breken van het brood en het uitspreken van de zegening herkennen de twee de opgestane Heer.

Het lege graf was niet genoeg om tot geloof in de opgestane bevrijder te komen, daarvoor is zelfs een ontmoeting rond het Oude Testament niet genoeg, pas in de gebaren van breken en delen, gezegend zodat er goeds van uit gaat, wordt de Messias, de Christus herkent. En dan gaat de weg terug naar Jeruzalem, nu niet naar de Tempel of naar het graf maar naar de gemeenschap, want hen moet de bevrijding, de opstanding, verkondigd worden. Er is een andere weg ontdekt dan de weg van opstand en geweld. De volgelingen van Jezus van Nazareth, de elf die het dichtst bij hem waren geweest waren er al over in gesprek.

Petrus was zelf gaan kijken naar het lege graf nadat de vrouwen over het ontbreken van het lijk van Jezus van Nazareth hadden verteld. Hij had daar Jezus van Nazareth zelf ontmoet. En in dit verhaal en het verhaal van twee uit Emmaüs zullen ook de anderen Jezus van Nazareth als opgestane Messias ontmoeten. Wij zullen dat ook moeten. Dit is geen verhaal uit een ver verleden. Dit is een verhaal van vandaag. Als we er voor kiezen voedsel naar Gaza te brengen en het geweld te veroordelen volgen we de weg van Jezus, en welke weg wij kiezen doet ons elke dag afvragen of het inderdaad de weg van Jezus is.

 

De enige vreemdeling

Lucas 24:13-27

13 Diezelfde dag gingen twee van de leerlingen op weg naar Emmaüs, een dorp dat zestig stadie van Jeruzalem verwijderd ligt. 14 Ze spraken met elkaar over alles wat er was voorgevallen. 15 Terwijl ze zo met elkaar in gesprek waren, kwam Jezus zelf naar hen toe en liep met hen mee, 16 maar hun blik werd vertroebeld, zodat ze Hem niet herkenden. 17 Hij vroeg hun: ‘Waar lopen jullie toch over te praten?’ Daarop bleven ze somber gestemd staan. 18 Een van hen, die Kleopas heette, antwoordde: ‘Bent U dan de enige vreemdeling in Jeruzalem die niet weet wat daar deze dagen gebeurd is?’ 19 Jezus vroeg hun: ‘Wat dan?’ Ze antwoordden: ‘Wat er gebeurd is met Jezus van Nazaret, een machtig profeet in woord en daad in de ogen van God en van het hele volk. 20 Onze hogepriesters en leiders hebben Hem ter dood laten veroordelen en laten kruisigen. 21 Wij leefden in de hoop dat Hij degene was die Israël zou bevrijden, maar inmiddels is het de derde dag sinds dit alles gebeurd is. 22 Bovendien hebben enkele vrouwen uit ons midden ons in verwarring gebracht. Toen ze vanmorgen vroeg naar het graf gingen, 23 vonden ze zijn lichaam daar niet en ze kwamen vertellen dat er engelen aan hen waren verschenen, die zeiden dat Hij leeft. 24 Een paar van ons zijn toen ook naar het graf gegaan en troffen het aan zoals de vrouwen hadden gezegd, maar Jezus zagen ze niet.’ 25 Toen zei Hij tegen hen: ‘Hebben jullie dan zo weinig verstand en zijn jullie zo traag van begrip dat jullie niet geloven in alles wat de profeten gezegd hebben? 26 Moest de messias al dat lijden niet ondergaan om zijn glorie binnen te gaan?’ 27 Daarna verklaarde Hij hun wat er in al de Schriften over Hem geschreven stond, en Hij begon bij Mozes en de Profeten. (NBV21)

Je moet wel een vreemdeling zijn om niet te weten waar mannen uit Jeruzalem het over zouden kunnen hebben. En aangezien rond het Pesachfeest veel van de Joden van buiten Israël de gelegenheid te baat namen om naar de Tempel in Jeruzalem te reizen, daar te offeren en in Jeruzalem het voorgeschreven Pesachmaal te houden zou die vreemdeling wel eens de enige vreemdeling kunnen zijn die van niets weet en die alles ontgaan is. Ook vandaag de dag gaan pelgrims naar Jeruzalem zonder iets te merken van de spanningen tussen Israël en Palestina, zonder zelfs de bezetting van Oost-Jeruzalem op te merken als een echte bezetting door een vreemde mogendheid. De twee mannen zijn op weg naar Emmaüs. Dat is geen onschuldige plaatsnaam in het verhaal. Als Emmaüsgangers zijn Kleopas en zijn vriend bekend geworden maar de betekenis van Emmaüs is uit onze manier van vertellen verdwenen. En dat is jammer want het suggereert voor lezers uit de tijd dat Lucas dit heeft opgeschreven, zo vlak na de verwoesting van de Tempel in Jeruzalem, een keuze voor geweld. In het jaar 68 sloeg Vespasianus, Romeins veldheer en later keizer, in Emmaüs een groot legerkamp op van waaruit hij de aanval op Jeruzalem zou organiseren, de aanval waarbij uiteindelijk de Tempel verwoest zou worden.

Emmaüs was een strategisch belangrijke plek. In het eerste boek van de Makkabeeën vervult Emmaüs een vooraanstaande rol in de strijd van Israël tegen de Hellenistische overheersing. Dit boek is wel niet opgenomen in de boeken van de Bijbel maar als zogenaamd apocriefboek is het goed om gelezen te worden. De keus om naar Emmaüs te gaan lijkt daarom een keus voor de militaire strijd tegen het Romeinse Rijk. Na de dood van Jezus van Nazareth zouden er vele opstanden uitbreken. Uiteindelijk zouden ze uitlopen op de verwoesting van de Tempel en de verspreiding van de bevolking van Judea en Galilea over heel het Romeinse Rijk. Tegen die achtergrond moeten we het gesprek lezen dat op de weg naar Emaüs gevoerd wordt. Lucas gebruikt hier in het Grieks een woord dat wij later zouden vertalen met preken maar dat hier vertaald is met vertellen. Ze vertellen aan Jezus van Nazareth, de vreemdeling die met hen is op komen lopen, dan wat er gebeurd is. Hoe heel het volk hem beschouwde als een machtig en groot profeet. En de uitdrukking “heel het volk” staat hier in het verhaal van Lucas voor de twaalfde en laatste maal.

Het verhaal is nu rond, van heel het volk dat beschreven moest worden is het nu heel het volk geworden dat Jezus van Nazareth als profeet erkend heeft. Maar het einde is eigenlijk alleen verwarring. Engelen die zeggen dat hij leeft, een leeg graf, vrouwen die zich daarover opwinden, wat moeten ze er mee. En dan begint de vreemdeling te spreken, of preken misschien. Wat hij precies gezegd heeft staat er niet. Het gaat over Mozes en de Profeten, de Hebreeuwse Bijbel, wat wij het Oude Testament noemen. Daar gaat het niet meer om een lokale bevrijder zoals in het boek van de Rechters staan, maar daar gaat het over alle volken die zich naar Jeruzalem keren, daar gaat het over de hele bewoonde wereld. Zo zullen volgens Paulus de eerste gemeenten naar Jezus van Nazareth kijken, voor hen is hij de Christus, de Messias geworden die de hele wereld bevrijden zal. Zo leeft hij en zo leeft hij voort. Zo mogen wij hem navolgen, ook vandaag weer.

 

Wie de dood nabij zijn

Psalm 102:19-29

19 Laat dit voor het nageslacht worden opgeschreven, dan zal een herboren volk de HEER loven 20 als de HEER heeft neergezien van zijn heilige hoogte, zich vanuit de hemel naar de aarde heeft neergebogen 21 om het zuchten van gevangenen te horen, om vrij te laten wie de dood nabij zijn. 22 Dan wordt in Sion de naam van de HEER geprezen, zijn lof gezongen in Jeruzalem 23 als volken en koninkrijken bijeenkomen om de HEER te aanbidden. 24 Hij heeft halverwege mijn kracht gebroken, Hij heeft mijn levensdagen verkort. 25 Ik smeek: Mijn God, neem mij niet midden in het leven weg, uw jaren duren van geslacht op geslacht. 26 Vóór alle tijden hebt U de aarde gegrondvest, de hemel is het werk van uw handen. 27 Zij zullen vergaan, maar U houdt stand, zij zullen als kleren verslijten, U verwisselt ze als een gewaad en zij verdwijnen, 28 maar U blijft dezelfde, uw jaren nemen geen einde. 29 De kinderen van uw dienaren zullen veilig wonen, ook op hun nageslacht rust uw oog. (NBV21)

De Psalm waarin we gisteren zijn gaan lezen heeft een gevaarlijk vervolg. We lazen gisteren dat deze Psalm een klaagpsalm is van een individuele gelovige. Er is iemand die in grote nood is komen te verkeren en zich tot God wendt met een vraag om hulp en bijstand. Wij kunnen dat ook in onze dagen goed voorstellen. Mensen worden ziek, niet voor elke ziekte is er een genezing mogelijk, mensen krijgen ongevallen en gaan dood, relaties worden verbroken, ruzies kunnen uitbreken in de beste families, je kunt werk verliezen, invalide worden en noem maar op. Er is veel rampspoed en ellende die je ongevraagd en onverwacht kan overkomen en je mag God op je blote knieën danken als dat jou tot nu toe bespaard is gebleven. Maar als het je overkomt hoedt je dan voor de goedkope clichés  achter de wolken schijnt de zon, na regen komt zonneschijn, iedere wolk heeft een zilveren rand. Ook godsdienst kan dan zo’n goedkoop cliché worden. Geef je hart  maar aan de Here Jezus en alles zal goed komen. Laat God toe in je hart en je problemen gaan voorbij. De mensen die je dat soort clichés toeroepen maken zich er maar gemakkelijk mee af. Ze doen niks voor je, ze laten het over aan onzichtbare machten om je te troosten en te steunen.

Verdriet mag. Onmacht is menselijk. Het leven is niet altijd eerlijk. Ook het tweede gedeelte van de Psalm die we in deze dagen lezen geeft je geen garantie op geluk en genezing. Het enige dat de dichter van deze Psalm doet is om zich heen kijken. Die God tot wie hij zich heeft gewend was een steun als je door een donker dal gaat, dat donkere dal verdwijnt niet maar je eigen onmacht wordt er een beetje minder van. Genade is dus kracht die je krijgt om het leed te dragen. De dichter ziet de tegenstelling tussen de menselijke zwakheid en de Goddelijke grootheid. Als je een geliefde hebt verloren mag je dus zeer erg verdrietig zijn, God is dat ook, die roept alle mensen op om te troosten, echt te troosten, om te zorgen voor mensen die een geliefde heeft verloren, om hen te steunen en kracht te geven. “Dit is het uur” vertaalt de Nieuwe Bijbelvertaling en vroeger stond er dan “dit is het  bepaalde/bestemde uur” Er hoort dus wat voor. De Naardense Bijbel vertaalt die vreemde Hebreeuwse term als “samenkomstuur”. Dat klinkt als mensen die bij de bedroefden en onderdrukten zijn. Dat klinkt als een samenkomst met God. En mensen die er voor jou zijn, met jou mee gaan, zijn een troost, net als het gevoel dat er een God is die je vasthoudt een troost kan zijn.

Iedereen weet dat na verloop van tijd alle onheil wel een keer minder wordt of soms zelfs overgaat. De tijd heelt alle wonden is het cliché dat er bij hoort. Maar die wonden kunnen lelijke littekens achterlaten. Littekens die je leven verder zullen bepalen, die handelen hinderen, die je voorzichtiger en angstiger maken in het contact met anderen. Ouders die een kind verliezen blijven soms hun hele leven huilen ergens in een hoekje van hun hart, je ziet er niks meer van maar het verdriet zit er altijd en gaat nooit meer over. De Psalmdichter heeft er weet van. Ooit was er Jeruzalem met de Tempel van de God van Israël. Daar stond niet een beeld van die God waarvoor je moest buigen. Die God trekt met je mee wie je ook bent en hoe je pad in het leven ook gaat. Maar daar werd de richtlijn bewaard waarmee iedereen op de wereld een echte samenleving in kan richten, heb je naaste lief als jezelf. Als je de warmte weet te ervaren die er van die richtlijn uit gaat weet je ook dat het niet anders kan dat ooit alle volken op de wereld hun samenleving volgens die richtlijn gaan inrichten. Dan is gedeelde smart werkelijk halve smart, breekt eindelijk de vrede aan en zullen alle tranen langzaam opdrogen. We kunnen er elke dag alvast mee beginnen, de bedroefden troosten, de hongerigen voeden, vrede stichten, ook vandaag al.

Een uil in de woestijn

Psalm 102:1-18

1 Gebed van een ongelukkige die dreigt te bezwijken en zijn klacht uitstort voor de HEER. 2 HEER, hoor mijn gebed, laat mijn hulpkreet U bereiken. 3 Verberg uw gelaat niet voor mij, nu ik in nood verkeer. Wil naar mij luisteren, antwoord mij haastig nu ik roep. 4 Mijn dagen vervliegen als rook, mijn gebeente gloeit als vuur. 5 Mijn hart is verschroeid en verdord als gras, ik vergeet mijn brood te eten. 6 Ik ben door mijn klagen tot op het bot vermagerd. 7 Ik ben als een uil in de woestijn, een steenuil in een verlaten bouwval, 8 slaap ken ik niet, ik ben eenzaam als een vogel op het dak. 9 Mijn vijanden honen mij weg, heel de dag word ik bespot en verwenst. 10 As is het brood dat ik eet, het water dat ik drink vermeng ik met tranen, 11 want uw toorn is tegen mij ontbrand, U tilde mij op en smeet mij neer. 12 Mijn dagen gaan heen als een schaduw, ik moet verdorren als gras. 13 Maar U, HEER, troont voor eeuwig, uw roem zal duren, geslacht na geslacht. 14 U zult opstaan en u over Sion ontfermen, de tijd van genade is gekomen, dit is het uur, 15 want uw dienaren hebben de stenen van Sion lief, de ruïnes vervullen hen met deernis.16 Alle volken zullen de naam van de HEER vrezen, alle koningen van de aarde zijn majesteit eren 17 als de HEER Sion heeft opgebouwd en in majesteit is verschenen, 18 als Hij zich neigt tot het gebed van de ontheemden en zich van hun bidden niet afkeert. (NBV21)

Vandaag zingen we met de kerk een klacht van een verdrukte mee. Een noodkreet als gebed tot de Allerhoogste. Deze psalm is een van de zeven zogenaamde boetepsalmen die gezongen worden op de hoogtijdagen van het volk Israël, voor je kunt feesten moet je eerst boete weten te doen. En feest is het want we zijn op weg naar het Pinksterfeest. Ongelukkigen die dreigen te bezwijken zijn er nog genoeg. Vluchtelingen die vcrwelkomd waren in Oekraïne en zich daar hadden gevestigd en toen met de Oekraïners gevlucht zijn voor de oorlog die Rusland had ontketend zijn vanaf nu ook in Nederland niet meer welkom. Vluchtelingen zijn voor velen in ons land helemaal niet welkom. Ook mensen die hier tijdelijk werk verrichten, oogsten bijvoorbeeld, zijn niet welkom, wie de oogst dan mag doen blijft een raadsel.

De verdrukten hebben geen ander dan God om hun noodkreten heen te richten en God heeft zijn kinderen op aarde om te laten zien wat voor God dat eigenlijk is. Maar deze psalm is een gebed van een individu, niet een psalm die door een koor wordt gezongen als vertegenwoordiger van een volk dat onder verdrukking lijdt. Dat ook het persoonlijke politiek kan zijn staat buiten discussie. Zeker in onze dagen kan elk christenmens rustig zingen dat de vijanden de mens weg honen, dat ze heel de dag bespot en verwenst worden. Want wie heeft nu de vijanden lief? Wie wil vrede tot elke prijs? Wie wil buurten en wijken zo ingericht zien dat mensen voor elkaar zorgen en dat vreemdelingen op dezelfde manier behandeld worden als zijzelf? Als het goed is zijn het in elk geval de Christenen die dat willen. In de Joodse traditie wordt deze Psalm gezongen op de vastendagen. De belangrijkste daarvan is Jom Kippoer, de grote verzoendag, als de gelovige beleid dat zonder de God van Israël alleen de dood op de mens wacht en dat verzoening met God de enige kans op leven geeft.

Die verzoening is weer gerechtigheid doen, de mensen tot hun recht laten komen, weer de naaste lief hebben als  jezelf, weer de Tora uitvoeren, de samenleving inrichten zoals de Tora dat gevraagd heeft. Kortom het verbond dat werd verbroken moet weer gerepareerd worden. Op zulke dagen past het niet de schuld bij een ander te leggen, dat past natuurlijk nooit want over een ander oordelen is op zich al een fout. Op zulke dagen past het nog eens extra nauwkeurig naar je eigen handelen te kijken. Wat is jouw aandeel in het lijden dat je overal om je heen ziet. Hoe komt het dat de aarde voor zoveel mensen op de wereld een onleefbaar oord is, een oord van chaos, onderdrukking en geweld. Soms moet je tot het oordeel komen dat het oordelen dat je doet over anderen die anderen uitlokt dan maar geweld te gaan gebruiken tegen jou en de groep waartoe je behoort, wie haat zaait zal haat oogsten. Soms zul je je pogingen te komen tot een wereld van eerlijk delen, van vrede en vrijheid, moeten verdubbelen en soms moet je het gewoon maar aan God overlaten. Bij die God kun je gerust komen klagen, dat helpt je soms ook.