Of laat hij hen wachten?

Lucas 18:1-8
1 Hij vertelde hun een gelijkenis over de noodzaak om altijd te bidden en niet op te geven: 2  ‘Er was eens een rechter in een stad die geen ontzag had voor God en zich niets aan de mensen gelegen liet liggen. 3  Er woonde ook een weduwe in die stad, die steeds weer naar hem toe ging met het verzoek: “Doe mij recht in het geschil met mijn tegenstander.” 4  Maar lange tijd wilde hij dat niet doen. Ten slotte zei hij bij zichzelf: Ook al heb ik geen ontzag voor God en laat ik mij niets aan de mensen gelegen liggen, 5  toch zal ik die weduwe recht verschaffen omdat ze me last bezorgt. Anders blijft ze eindeloos bij me komen en vliegt ze me nog aan.’ 6  Toen zei de Heer: ‘Luister naar wat deze rechter zegt, al minacht hij ook het recht. 7  Zal God dan niet zeker recht verschaffen aan zijn uitverkorenen die dag en nacht tot hem roepen? Of laat hij hen wachten? 8  Ik zeg jullie dat hij hun spoedig recht zal verschaffen. Maar als de Mensenzoon komt, zal hij dan geloof vinden op aarde?’ (NBV)
Het komt nog steeds voor dat recht verkregen wordt door mensen die vasthoudend om het recht blijven vragen omdat de instanties die recht moeten verschaffen liever blij zijn er af te zijn. Tegenwoordig worden mensen daarbij geholpen door TV programma’s als Radar en Kassa want bedrijven willen nu eenmaal niet geportretteerd worden als bedrijven die mensen geen recht doen. Mensen worden tegenwoordig ook tegengewerkt door een overheid die de kosten voor toegang tot de rechtspraak zo hoog maakt dat de armen in ons land er nauwelijks of geen gebruik van kunnen maken. Recht doen aan individuele mensen in onze samenleving is sinds de tweede helft van de vorige eeuw een item dat steeds weer om aandacht vraagt. Na de sociale rechtshulp, die inmiddels weer is weg bezuinigd, hebben we ook de Nationale Ombudsman gekregen die er voor kan zorgen dat ook de overheid haar onderdanen recht doet.
Rechtvaardig mensen behandelen is in onze samenleving de norm, we hechten er veel waarde aan. Waarom zou het dan zo weinig gebeuren? In de eerste plaats omdat veel mensen niet om hun recht vragen. Dat is op zich jammer want vaak is het zo dat als aan één persoon recht is gedaan aan velen recht kan worden verschaft. Maar ook heeft het te maken met macht. TV programma’s en een Nationale Ombudsman zijn nodig omdat machthebbers en rijken misbruik maken van hun positie als het gaat om recht te verschaffen aan kleine mensen. Jezus van Nazareth raad aan om te blijven vragen om recht. Bidden is voor hem kennelijk ook zorgen dat aan mensen recht wordt gedaan, want als hem gevraagd wordt wat het effect is van bidden komt hij met het verhaal over de weduwe die maar niet ophoudt. Aan het eind is er echter de vraag of er nog mensen zijn die voldoende vertrouwen hebben in het feit dat ook echt aan mensen recht kan worden gedaan. Zoals de profeten het hadden uitgedrukt die “hongeren en dorsten naar gerechtigheid”.
Dat is een vraag die aan ons wordt gesteld. Helpen wij mensen als hen onrecht wordt aangedaan of wanneer aan hen geen recht wordt gedaan? Hebben wij oog voor de bedrijven, overheden en instanties in onze eigen buurt, waar we misschien zelfs zelf werken, die mensen onvoldoende recht doen? Staan we naast mensen die geen recht worden gedaan? Hongeren en dorsten we inderdaad onophoudelijk naar gerechtigheid? In de woorden van Jezus van Nazareth: geloven we wel? Bidden we wel? Smeken we de overheid die de weduwe afwijst om haar te helpen in het vertrouwen dat onze politici zich laten vermurwen en de armen zullen helpen als we het ze maar onophoudelijk vragen. Kloppen we op de muren van de regering met de vraag nu eindelijk de onrechtvaardige tolmuren te slopen in het vertrouwen dat wij net zo hard moeten roepen als onze broeders en zusters uit de armste landen in de wereld? Zijn we vandaag net als de weduwe uit het verhaal? Of horen we liever bij de goddelozen van wie geen recht te verwachten is?.

Zo zal het ook gaan

Lucas 17:20-37
20 Toen de Farizeeën Jezus vroegen wanneer het koninkrijk van God zou komen, antwoordde hij hun: ‘De komst van het koninkrijk van God laat zich niet aanwijzen, 21  en men kan niet zeggen: “Kijk, hier is het!” of: “Daar is het!” Maar weet wel: het koninkrijk van God ligt binnen uw bereik.’ 22  Tegen de leerlingen zei hij: ‘Er komt een tijd dat jullie ernaar zullen verlangen een van de dagen van de Mensenzoon te zien, maar jullie zullen die dag niet meemaken. 23  Dan zullen de mensen tegen jullie zeggen: “Kijk daar!” of: “Kijk hier!” Maar doe dat niet en schenk er geen aandacht aan.24  Want zoals de bliksem licht geeft wanneer hij van de ene naar de andere kant van de hemel flitst, zo zal de Mensenzoon verschijnen. 25  Maar eerst moet hij veel lijden en door deze generatie verworpen worden. 26  En zoals het eraan toeging in de dagen van Noach, zo zal het ook zijn in de dagen van de Mensenzoon: 27  ze aten, ze dronken, ze huwden, ze werden uitgehuwelijkt, tot aan de dag waarop Noach de ark binnenging en de vloed kwam die iedereen verzwolg. 28  Of zoals het eraan toeging in de dagen van Lot: ze aten, ze dronken, ze kochten, ze verkochten, ze plantten, ze bouwden; 29  maar op de dag waarop Lot wegtrok uit Sodom, regende het vuur en zwavel uit de hemel en kwamen allen om. 30  Zo zal het ook gaan op de dag waarop de Mensenzoon wordt geopenbaard.
31  Wie op die dag op het dak van zijn huis is moet niet naar beneden gaan om zijn bezittingen te gaan halen, en wie op het land is moet niet naar huis terug willen gaan. 32  Denk aan de vrouw van Lot! 33  Wie probeert zijn leven veilig te stellen zal het verliezen, maar wie het verliest zal het behouden. 34  Ik zeg jullie, die nacht zullen er twee in één bed liggen: de een zal worden meegenomen, de ander achtergelaten. 35-36  Van twee vrouwen die samen aan het malen zijn, zal de een worden meegenomen, de ander worden achtergelaten.’ 37  Ze vroegen hem: ‘Waar, Heer?’ Hij antwoordde: ‘Waar een lijk is, daar zullen de gieren zich verzamelen.’ (NBV)

Op het moment dat het over vreemdelingen gaat zijn mensen geneigd grenzen te gaan trekken. Daarom begint dit stuk met de vraag naar het Koninkrijk van God. En voor grenzentrekkers komen er dan verwarrende antwoorden. Je kunt dat Koninkrijk niet zien, je kunt het niet aanwijzen, als je er niet aan meedoet kun je beter niet willen dat het komt, als je er wel aan meedoet kan het niet vlug genoeg komen, en, wat nog het meest zal verbazen is, dat het vlakbij is, onder handbereik, zomaar voor het grijpen. Maar de leerlingen van Jezus zullen de dag zelfs niet meemaken dat het komt. Voor hen was de dag van de Mensenzoon immers al begonnen met het volgen van Jezus. In de Kerken en onder de geleerden is heel lang gestreden over hoe het nu zit met de komst van dat Koninkrijk, de komst van de Mensenzoon en het oordeel over goed en kwaad dat mensen te wachten zou staan.
Nu zijn wetenschappers echte grenzentrekkers en voor grenzentrekkers was dit hoofdstuk heel verwarrend. Voor de volgelingen van Jezus van Nazareth zal het heel wat minder verwarrend geweest zijn. Zij kenden immers ook het verhaal dat dat Koninkrijk van Jezus van Nazareth niet een Koninkrijk zou zijn zoals we dat in de wereld kennen, koninkrijken met grenzen en grensbewaking, waar koningen gaan en komen, waar staatsgrepen zijn en legers en waar machtigen elkaar bevechten om de macht. In het Koninkrijk van Jezus van Nazareth mag iedereen meedoen, met dat meedoen kun je zelfs elke dag al beginnen. Als de mensen de sporen van dat Koninkrijk herkennen dan weet je dat het er nog niet echt is. Niets is immers volmaakt en we kunnen altijd beter. Maar als er voor de armen wordt gezorgd, als hongerigen worden gevoed, als naakten worden gekleed, als er voor gevangenen wordt gezorgd dan weten we dat er aan de ene wet van heb Uw naaste lief als Uzelf, de enige wet van dat bijzondere Koninkrijk, al vast wordt gedaan.
Daarom kunnen we er ook niet op wachten. Dat zou mooi zijn, als we ouder worden gaan we wel goed doen, als het zomer is gaan we wel goed doen, of juist als het winter is. Misschien ben je morgen wel dood. We hebben het boek Prediker gelezen die daar steeds maar weer voor waarschuwt. Je rijkdom, je aanzien, je macht kun je niet meenemen. Als de donkere dagen komen kan alleen een bondgenootschap je redden en dat bondgenootschap kun je maken door te delen met wat je nu hebt. Daarom wijst Jezus van Nazareth op het lijden dat hij moet doormaken. Pas als wij het lijden zien, en het lijden van de minsten onder ons is ook zijn lijden, dan pas komen wij in beweging, dan pas worden wij geroerd en zijn we bereid de handen uit de mouwen te steken en dat Koninkrijk te grijpen. Let maar op als de gruwelbeelden uit NoordOost Syrië op de TV komen, dan komt de beweging voor de armen daar pas goed op gang. Beter is het natuurlijk elke dag de ogen open te houden.

Het was een Samaritaan.

Lucas 17:11-19
11 Op weg naar Jeruzalem trok Jezus door het grensgebied van Samaria en Galilea. 12  Toen hij daar een dorp wilde binnengaan, kwamen hem tien mensen tegemoet die aan huidvraat leden; ze bleven op een afstand staan. 13  Ze verhieven hun stem en riepen: ‘Jezus, meester, heb medelijden met ons!’ 14  Toen hij hen zag, zei hij tegen hen: ‘Ga u aan de priesters laten zien.’ Terwijl ze gingen werden ze gereinigd. 15  Een van hen, die zag dat hij genezen was, keerde terug en loofde God met luide stem. 16  Hij viel neer aan Jezus’ voeten om hem te danken. Het was een Samaritaan. 17  Toen zei Jezus: ‘Zijn er niet tien gereinigd? Waar zijn de negen anderen? 18  Wilde niemand anders terugkomen om God eer te bewijzen dan alleen deze vreemdeling?’ 19  Hij zei tegen de Samaritaan: ‘Sta op en ga. Uw geloof heeft u gered.’ (NBV)
Je moet maar durven, laat Wilders, Baudet en Rutte het maar niet horen, een vreemdeling behandelen als een landgenoot, net doen of die vreemdeling geen millimeter anders is dan de anderen. Dat zou volgens het Evangelie van Lucas de weg van Jezus van Nazareth zijn, de zogenaamde Joods Christelijke traditie waar met name Wilders de mond van vol had. Lees dit verhaal maar over die 10 mensen met huidvraat. Lang werd die huidvraat aangezien voor melaatsheid maar de laatste jaren wordt aan die vertaling toch wat getwijfeld. De Naardense Bijbel blijft overigens huidvraat wel vertalen met melaatsheid. Hoe het ook zij, het was een ziekte die al voorkwam in de boeken van Mozes. Daar stond in dat mensen die genezen waren zich aan de Priester moesten laten zien. Die Priester kon ze dan weer hun plaats in de samenleving teruggeven. Die plaats waren ze kwijt geraakt zolang ze besmet waren met de melaatsheid.
Maar een Samaritaan, dat was iemand van verdachte komaf, die werden niet tot de Joden gerekend, dat was een vreemdeling. En vreemdelingen hoefden zich helemaal niet aan de Priester te laten zien. Dat nu stelt Jezus van Nazareth ter discussie. Volgens de richtlijnen van Mozes hadden vreemdelingen immers ook hun rechtmatige plaats in de samenleving. Je moest ze zelfs uitnodigen bij de religieuze maaltijden die je op de feestdagen met je familie, de tempelbedienden en de armen moest houden. Waarom zouden die Priesters dan ook de vreemdelingen niet hun rechtmatige plaats in de samenleving kunnen teruggeven? Ooit had een profeet zelfs een vijandige krijgsheer die met huidvraat was besmet de huidvraat van zich af laten wassen in de Jordaan en hem een nieuwe plaats in de samenleving gegeven. Dat afwassen leek toen al wel wat op de doop die ook Johannes de Doper bij de Jordaan gepredikt had. Een nieuw leven begon voor mensen die het op een andere manier wilden proberen.
En de mensen met de huidvraat wilden zeker een ander leven dan dat als buitengeslotenen. Zijn wij in onze dagen nu anders dan de 9 die niet terugkeerden bij Jezus van Nazareth? Als je de kranten leest en de TV kijkt konden we daar wel eens heel sterk aan moeten twijfelen. Wij bekijken mensen van een andere komaf als de traditioneel Nederlandse toch ook als vreemdelingen, als mensen die buitengesloten zijn. Hoe vaak hoor je Nederlandse jongens met Marokkaanse ouders niet bestempelen als “vervelende Marokkaantjes” in plaats van als “lastige hangjongeren. Die “Marokkaantjes”gaan zich dus als buitengeslotenen gedragen en houden zich aan geen enkele wet of regel meer. Waarom zouden ze ook, ze horen niet bij de Marokkaanse samenleving, daar weten ze de weg niet, maar ze mogen ook niet bij onze samenleving horen. Jezus van Nazareth wijst ons een andere weg, die traditie levert meer op. Gelukkig krijgen we elke dag opnieuw de kans zijn Weg te volgen, ook vandaag weer.

Trek je zwaard en steek me dood

1 Samuel 31:1-13
1 Ondertussen leverden de Filistijnen slag met de Israëlieten. Het leger van Israël sloeg op de vlucht en velen sneuvelden in het Gilboagebergte. 2  De Filistijnen drongen tot bij Saul en zijn zonen door en doodden zijn drie zonen Jonatan, Abinadab en Malkisua. 3  Toen richtte de strijd zich in alle hevigheid tegen Saul zelf. De Filistijnse boogschutters hadden hem al onder schot, en Saul werd zo bang 4  dat hij zijn wapendrager beval: ‘Trek je zwaard en steek me dood, want ik wil niet dat die onbesnedenen me doorboren en zich op me gaan uitleven.’ Maar de wapendrager schrok ervoor terug en weigerde. Toen nam Saul zelf zijn zwaard en stortte zich erin. 5  Toen de wapendrager zag dat Saul dood was, stortte ook hij zich in zijn zwaard en volgde hem in de dood. 6  Zo sneuvelden Saul, zijn drie zonen, zijn wapendrager en al zijn manschappen op een en dezelfde dag. 7  Toen het tot de Israëlieten aan de overkant van de Jordaan en aan de overkant van de vlakte van Jizreël doordrong dat het leger van Israël was gevlucht en dat Saul en zijn zonen gesneuveld waren, verlieten zij hun steden en vluchtten weg. De Filistijnen trokken hun steden binnen en namen ze in bezit. 8 De volgende dag kwamen de Filistijnen op het slagveld terug om de gesneuvelden te plunderen. Daar, op de Gilboa, vonden ze de lijken van Saul en zijn drie zonen. 9  Ze sloegen Sauls hoofd af en ontdeden hem van zijn wapenrusting, en lieten in hun hele land boden rondgaan om het nieuws van de overwinning in de tempels van hun goden en aan het hele volk bekend te maken. 10  Sauls wapenrusting kreeg een plaats in de tempel van Astarte en zijn lijk werd aan de stadsmuur van Bet-San genageld. 11  Toen de inwoners van Jabes in Gilead hoorden wat er met Saul was gebeurd, wat de Filistijnen met hem hadden gedaan, 12  besloten ze om de lijken van de stadsmuur van Bet-San weg te halen. Alle weerbare mannen gingen mee. Ze liepen de hele nacht, namen de lichamen van Saul en zijn zonen mee naar Jabes en verbrandden ze daar. 13  Hun gebeente begroeven ze aan de voet van de tamarisk in Jabes, en daarna vastten ze zeven dagen. (NBV)
Terwijl David achter de Amalekieten aanzat die zijn vrouwen en kinderen en de vrouwen en kinderen van zijn soldaten hadden geroofd ontbrandde in Israël de strijd tussen de legers van de Filistijnen en van Israël. De Filistijnen waren door Sauls keuze van het slagveld diep in Israël binnengedrongen. Geen wonder dat het leger van Israël de schrik om het hart sloeg toen het geweldige leger van de Filistijnen, met haar afdelingen van honderd en haar afdelingen van duizend, eenmaal tot de aanval was overgegaan. Het eerste aanvalsdoel van de Filistijnen was het kamp van koning Saul zelf. Een militaire strategie die ook nu nog wel wordt gehanteerd, schakel de bevelhebber uit, zorg dat de legerleider geen leiding meer kan geven, en de oorlog is al bijna gewonnen. Eerst werden de drie zonen van Saul gedood. Jonatan, de speciale vriend en bondgenoot van David, en de broers van Jonatan Abinadab en Malkisua. Dan volgt een strijd tegen Koning Saul zelf. Hij werd omringt door Filistijnse boogschutters. Tegen een regen van goedgerichte pijlen is zelfs een wapenrusting van brons of ijzer niet bestand.
Saul heeft dus alle reden om bang te worden. Hem was immers door de waarzegster in Endor aangezegd dat hij en zijn familie de dood zouden vinden in de strijd die op handen was. Nu waren zijn zonen al gestorven en ook hij zou voorzeker de dood vinden. Maar beter door de vlucht in de dood nemen dan je door de vijand te laten doden. Daarom vroeg hij zijn wapendrager om hem te doden. Die weigerde het bevel van de Koning. Een gezalfde op last van de God van Israël breng je nu eenmaal niet ter dood. Saul stortte zich daarop maar in zijn eigen zwaard. De wapendrager pleegde daarop ook zelfmoord. De schrijver van het eerste boek Samuël beschrijft dit nauwkeurig. De Filistijnen mogen ook achteraf niet de geschiedenis van Israël ingaan als koningsmoordenaars. Het zal duidelijk zijn dat de Filistijnen de overwinning en de dood van Saul wel op hun eigen rekening hebben geschreven. Nadat het hele volk de woestijn was ingevlucht roofden ze alles leeg, hakten het hoofd van Saul af en namen zijn wapenrusting mee.
Het hele land mocht feest vieren vanwege de grote overwinning die de Filistijnen hadden behaald. De wapenrusting kreeg een plaats in een tempel van Astarte, de vruchtbaarheidsgodin en zijn lijk werd aan de stadsmuur gespijkerd. De inwoners van Jabes waren hierover zo ontsteld dat ze alle overgebleven mannen verzamelden, een hele nacht doormarcheerden, de lijken van Saul en zijn zonen in beslag namen, cremeerden en begroeven onder de centrale boom van de stad. Zo kwam er een einde aan de Koning die het volk aan Samuël had gevraagd, een koning zoals ook de heidenen hun koningen hadden. Telkens weer als wij leiders van kerk, stad, provincie of land moeten kiezen worden we door de Bijbel opgeroepen aan Saul en David terug te denken. Voor wie kiezen we, voor een koning die uit is op eer en glorie, of een koning die uit is op bescherming en zorg voor de minsten in de samenleving. Die zorg mogen we ook zelf verrichten, elke dag opnieuw, zodat we een goede keuze maken als het er op aankomt.

Ze moeten de buit samen delen.

1 Samuel 30:16-31
16  De Egyptenaar leidde David naar het kamp van de Amalekieten. Daar zaten ze, in groepjes verspreid, te eten en te drinken. Ze deden zich te goed aan de enorme buit die ze in het land van de Filistijnen en in Juda hadden vergaard. 17  De volgende dag overviel David hen en bestookte hen van de vroege ochtend tot de late avond. Niemand ontkwam, op vierhonderd jongemannen na, die op hun kamelen wegvluchtten. 18  Alles wat de Amalekieten hadden weggeroofd viel nu in Davids handen; ook zijn beide vrouwen bevrijdde hij. 19  Niet het minste of geringste van de buit ontbrak: alle kinderen waren er nog en alles wat ze verder maar hadden meegenomen. Alles werd door David mee teruggevoerd. 20  Hij legde beslag op de schapen, geiten en runderen; die werden meegevoerd, voor hun eigen vee uit. ‘Dit is Davids buit, ‘zo zeiden ze. 21 Toen David weer terugkwam in het dal van de Besor, werden hij en zijn mannen opgewacht door de tweehonderd man die daar waren achtergebleven omdat ze te moe waren om met hem mee te gaan. Hij ging naar hen toe en vroeg hun hoe het met ze was. 22  Onder de mannen die met David waren meegegaan, was echter een aantal kwaadwillige lieden die zeiden: ‘Omdat zij niet met ons zijn meegegaan, krijgen ze niets van de buit die wij heroverd hebben. Ze kunnen hun eigen vrouwen en kinderen terugkrijgen en dan moeten ze maar gaan.’ 23  Maar David zei: ‘Nee, mannen, geen sprake van. Het gaat hier om een geschenk van de HEER: hij heeft ons gespaard en de bende die ons had overvallen aan ons uitgeleverd. 24  Denken jullie dat iemand het met jullie eens is? Nee, degenen die hebben deelgenomen aan de strijd krijgen evenveel als degenen die zijn achtergebleven om de spullen te bewaken: ze moeten de buit samen delen.’ 25  En zo gebeurde het voortaan. Deze regel, die door David is ingesteld, geldt in Israël tot op de dag van vandaag. 26  Terug in Siklag stuurde David een deel van de buit aan de oudsten van Juda, zijn vrienden. ‘Hier is voor u een geschenk uit de buit die wij op de vijanden van de HEER veroverd hebben, ‘luidde de boodschap. 27  Het betrof de oudsten van Betuël, Ramot-Negev en Jattir, 28  Aroër, Sifmot, Estemoa 29  en Rachal, van de steden van de Jerachmeëlieten en de Kenieten, 30  van Chorma, Bor-Asan, Atach 31  en Hebron, kortom alle plaatsen die David en zijn mannen tijdens hun omzwervingen hadden aangedaan. (NBV)

Het verslaan van de Amelakieten was eenvoudig. Ze hadden zo veel buit meegenomen dat ze zich bij de eerste gelegenheid al te goed deden aan al het eten en drinken dat ze op het leger van David hadden buit gemaakt. David zou immers met zijn leger mee doen in de oorlog tussen de Filistijnen en Israël? Dar David met zijn leger terug zou keren naar Siklag was niet bij ze opgekomen. De oorlog tussen Filistijnen en Israël was een grote oorlog waarin elke strijder welkom was. David veroverde dus de laffe Amelakieten en sloeg ze dood. Behalve 400 jonge soldaten die er op hun kamelen vandoor gingen. Ook al wil God dat het kwaad is door mensen nooit helemaal uit te roeien en God had uitdrukkelijk bevolen alle Amelakieten te doden.
Als vrouwen en kinderen zijn bevrijd, het bezit van een ieder is veilig gesteld en extra buit is veroverd delen ook de soldaten die niet hebben meegevochten mee. Zo stel je ook voor de toekomst de achterhoede en de aanvoer van voedsel, wapens en munitie veilig. Het wordt een regel die voor elk leger van Israël in de toekomst zal gelden. Door het op deze manier te vertellen kan die regel niet meer ter discussie staan en vaak zal het gebeuren dat strijders die met gevaar voor eigen leven gevochten hebben teleurgesteld kijken naar de buit die ook de achterblijvers ten goede komt. En natuurlijk zal een Koning ook de politiek niet vergeten. David stuurt een deel van de buit naar de oudsten van Juda en naar de stammen die verbonden waren met Juda en die nu slachtoffer geworden waren van de Amalekieten.

Niemand wordt vergeten en iedereen mag meedoen. Pas door eccht te delen wordt je sterk. Dat is eigenlijk de boodschap die van het handelen van de Koning naar Gods hart uitgaat. Dat mogen wij ons ook aantrekken, als de raden van commissarissen  bonussen en bovenmatige beloningen toekennen aan de hoogste leiding van een bedrijf dat de lager betaalden op straat zet om winst veilig te stellen. Het niemand vergeten en iedereen mee laten doen mag ook daar gaan gelden. Wij kunnen dat laten zien door voor de minsten te zorgen, elke dag opnieuw, ook vandaag weer.

Moet ik deze bende achtervolgen?

1 Samuel 30:1-15
1 Drie dagen later kwamen David en zijn mannen bij Siklag aan. Tijdens hun afwezigheid hadden de Amalekieten een plundertocht ondernomen in de Negev; ook Siklag hadden ze overvallen. Ze hadden de stad in de as gelegd 2  en de vrouwen, van jong tot oud, als gevangenen weggevoerd. Er was niemand gedood, maar ze hadden de vrouwen op hun tocht meegevoerd. 3 Toen David en zijn mannen bij Siklag aankwamen en zagen dat de stad in de as was gelegd en dat hun vrouwen en kinderen waren weggevoerd, 4  begonnen ze luidkeels te jammeren, tot ze geen kracht meer hadden om te huilen. 5  Ook de beide vrouwen van David waren verdwenen: Achinoam uit Jizreël en Abigaïl, de vroegere vrouw van Nabal uit Karmel. 6  David kreeg het zwaar te verduren, want zijn mannen waren zo verbitterd over het verlies van hun kinderen dat ze hem dreigden te stenigen. Daarom zocht hij steun bij de HEER, zijn God. 7 Hij vroeg de priester Abjatar, de zoon van Achimelech, om met het priestergewaad bij hem te komen. Abjatar kwam met het priestergewaad 8  en David raadpleegde de HEER: ‘Moet ik deze bende achtervolgen? Zal ik ze inhalen?’ ‘Ja, ‘antwoordde de HEER. ‘Achtervolg hen; je zult ze zeker inhalen en de gevangenen bevrijden.’ 9  David ging met zijn zeshonderd mannen op weg. Bij het dal van de Besor gekomen hielden de achterblijvers halt, 10  tweehonderd man die te uitgeput waren om het dal over te steken. Met vierhonderd man zette David de achtervolging voort. 11 Onderweg vonden ze een Egyptenaar, die bij David werd gebracht. Hij kreeg wat brood te eten en water te drinken, 12 en ook gaven ze hem een plak gedroogde vijgen en twee plakken rozijnen. Daardoor kwam hij weer op krachten; hij had namelijk drie dagen en drie nachten niets gegeten of gedronken. 13  Daarna vroeg David hem bij wie hij hoorde en waar hij vandaan kwam, en hij antwoordde: ‘Ik ben een Egyptenaar, de slaaf van een Amalekiet. Toen ik drie dagen geleden ziek werd, heeft mijn meester me achtergelaten.14  We waren op plundertocht in de Negev en hebben overvallen gedaan op de Keretieten, de Judeeërs en de Kalebieten; en Siklag hebben we in de as gelegd.’ 15  ‘Kun jij me de weg wijzen naar jullie bende?’ vroeg David. ‘Dat wil ik wel doen, ‘antwoordde de Egyptenaar, ‘maar zweer me dan eerst bij God dat u me niet zult doden of aan mijn meester uitleveren.’  (NBV)
Dat was maar een laf zootje, die bende van de Amalekieten. Die stelden zich niet op voor de strijd zoals normale vijanden deden, zoals Israël dat zelf ook deed, maar die vielen altijd in de rug aan, op de zwakste plekken. Zo gebeurde dat ook in deze oorlog. Terwijl de Filistijnen en Israël met grote legers posities tegen over elkaar hadden ingenomen waren de Amelekieten op rooftocht uitgegaan. Daarbij waren ze gestuit op een stadje waar alleen maar vrouwen en kinderen woonden, Siklag, de stad van David en zijn mannen. Voor getrainde krijgers was een stadje met alleen maar vrouwen en kinderen een gemakkelijk te veroveren buit.  En een rijke buit. Je kon de mooiste vrouwen voor jezelf uitzoeken en de rest, de kinderen ook, verkopen als slaaf.
 Amalekieten worden in de Bijbel altijd als voorbeeld gesteld van laf optreden. In de woestijn hadden ze de vermoeide Israëlieten in de rug aangevallen. De God van Israël had het volk uiteindelijk opgedragen een eeuwig durende wraak op de Amelekieten te zweren. Maar het verhaal staat ook nog in het teken van de tegenstelling tussen een Koning zoals de Heidenen hebben en een Koning naar Gods hart. Die Koning zoals de Heidenen hebben was verlaten door de God van Israël.  Saul bleef geen andere weg dan in de nacht naar een waarzegster gaan om nog eens van de Geest van Samuël te horen dat hij en zijn familie de dood in de oorlog zouden vinden. Voor de Koning naar Gods hart lonkt een andere weg. David en zijn manschappen zijn in één klap alles kwijtgeraakt, vrouwen, kinderen, huis en bezit.
De stad is platgebrand. Samen rouwen ze zoals gewoon was, huilen tot er geen tranen meer waren. Dan stelt een deel de aanvoerder verantwoordelijk. Die had hen steeds meegenomen op zijn avonturen. Net als Saul krijgt David het benauwd. Maar waar Saul geen antwoorden krijgt van de God van Israël, krijgt David die antwoorden wel via de priestermantel van Abjatar en de dobbelstenen die daarin zaten. En zo gaat men achter de Amalekieten aan. Het leven van mensen telt bij de Amalekieten niet. De slaaf die ziek werd is achtergelaten om te sterven van de honger. Bij David tellen mensenlevens wel. Zelfs vermoeide soldaten krijgen een plek en een taak in het geheel van zijn leger.

Ga in vrede

1 Samuel 29:1-11
1. De Filistijnen hadden zich verzameld in Afek; de Israëlieten lagen in de buurt van de bron bij Jizreël. 2  De Filistijnse stadsvorsten hielden troepenschouw. De manschappen trokken in afdelingen van honderd en duizend voorbij. In de achterste gelederen liepen David en zijn mannen met het leger van Achis mee. 3  ‘Wat doen die Hebreeën hier?’ vroegen de Filistijnse bevelhebbers zich af. ‘U kent David toch wel, de vroegere veldheer van Saul, de koning van Israël, ‘zei Achis. ‘Het is nu al meer dan een jaar geleden dat hij naar mij is overgelopen, en al die tijd heb ik niets op hem aan te merken gehad.’ 4  Maar de Filistijnse bevelhebbers waren woedend en zeiden tegen hem: ‘Stuur hem terug naar de woonplaats die u hem hebt toegewezen. Onder geen beding mag hij met ons ten strijde trekken. Stel dat hij zich tegen ons keert in het gevecht! Hij zou zijn heer toch nergens een groter plezier mee doen dan met de hoofden van onze mannen? 5  Dit is toch die David over wie ze triomfantelijk gezongen hebben: “Saul versloeg ze bij duizenden, David bij tienduizenden!”’ 6 Toen riep Achis David bij zich en zei tegen hem: ‘Zo waar de HEER leeft, ik ben ervan overtuigd dat u te vertrouwen bent. Ik vind het een goede zaak dat u aan mijn veldtochten meedoet, want vanaf de dag dat u naar mij toe bent gekomen tot nu toe heb ik niets op u aan te merken gehad. Maar de andere stadsvorsten zijn het er niet mee eens, 7  en daarom moet u naar huis teruggaan. Ga in vrede, en doe niets waar de Filistijnse stadsvorsten aanstoot aan zouden kunnen nemen.’ 8  ‘Wat heb ik dan misdaan, heer?’ riep David uit. ‘Waarom mag ik niet deelnemen aan de strijd tegen de vijanden van mijn heer en koning? Al die tijd dat ik bij u in dienst ben, hebt u toch nooit iets op me aan te merken gehad?’ 9  ‘Nee, ik weet het, ‘antwoordde Achis. ‘Ik voor mij vertrouw u alsof u door God zelf gestuurd was, maar onze bevelhebbers zijn er fel op tegen dat u met ons ten strijde trekt. 10  Morgenochtend vroeg moet u vertrekken, en de soldaten van uw heer die met u zijn meegekomen ook. Morgenochtend vroeg, zodra het licht wordt, moet u gaan.’ 11  De volgende morgen vroeg ging David met zijn mannen terug naar het land van de Filistijnen. De Filistijnen zelf trokken op naar Jizreël. (NBV)
Zo staat David dus op het punt met zijn legertje mee te gaan vechten in het leger van de Filistijnen. Het zijn de Filistijnen die hem echter beschermen tegen het plegen van broedermoord. De stadsvorsten van de Filistijnen nemen voor de slag tegen Israël eerst een parade af. Alle troepen marcheren langs hen heen. Het is een keurige parade van een echt beroepsleger. Afdelingen van honderd en afdelingen van duizend marcheren zoals het hoort. Helemaal achteraan komt het guerrillaleger van David. De mannen die zijn gevlucht voor Saul. De broers en andere familieleden van David zijn er ook bij. Zij vormen de lijfwacht van Achis de koning van Gad. De stadsvorsten van de Filistijnen zijn hoogst verbaasd als ze deze formidabele tegenstander achter aan hun eigen leger zien marcheren. Er ontstaat een discussie. De Filistijnse bevelhebbers gaan in discussie met Koning Achis. Wat zijn dat voor mensen, die Hebreeërs? Al eerder hadden Hebreeërs met hen meegevochten.
Maar toen Saul en later ook David hun duizenden en tienduizenden versloegen waren de Hebreeërs overgelopen naar het leger van Israël. Nu liepen de Hebreeërs weer mee in de parade die aan de slag vooraf ging. Achis legt het nog een keertje uit. Het is al meer dan een jaar geleden dat David met zijn mannen was overgelopen naar Achis en daar had die koning ruim een jaar het nodige plezier van gehad. maar de Filistijnse bevelhebbers waren David helemaal niet vergeten. Dit moet een list zijn. Als dit legertje hen in de rug gaat aanvallen dan nemen ze de hoofden van de soldaten straks mee naar hun eigen koning. Die Saul had ze verslagen bij duizenden maar David bij tienduizenden. Niet langer zijn het de vrouwen van Israël die het zingen, nu zingen de Filistijnen het ook. Achis kan niet anders dan David terugsturen naar de stad die hij hem gegeven had. Met excuses en nog eens de verzekering dat David zeker te vertrouwen is. Met de verzekering ook dat Achis nooit iets aan te merken heeft gehad op David.
Met de erkenning dus ook dat Achis zoveel buit kreeg dat hij zich nooit had afgevraagd waar de krijgsgevangenen waren gebleven. David had immers iedereen gedood zodat niemand had kunnen vertellen wat David eigenlijk gedaan had, bondgenoten van Achis en de Filistijnen in de pan gehakt. David verdedigt zich dus nu maar weer eens. Niet met het argument dat hij de vijanden van Archis al eerder had aangevallen maar met het argument dat Argis nooit iets op hem aan te merken had gehad. Maar dat kon dus niet de doorslag geven. Zo werd David beschermd tegen het plegen van broedermoord, hij ging met zijn mannen terug naar het land van de Filistijnen en de Filistijnen zelf trokken op naar de vlakte van Jizreëel in Israël. Later zou men zeggen dat de God van Israël had geholpen, maar dat staat dus niet in de Bijbel. Wat er staat is dat als we blijven geloven in die betere wereld die de God van Israël heeft beloofd het ook in moeilijke situaties wel goed zal komen met zijn plan. Daar mogen we dus elke aan blijven werken, ook vandaag weer.

Ik zie geen uitweg meer

1 Samuel 28:15-25
15 Samuël vroeg aan Saul: ‘Waarom heb je me opgeroepen en mijn rust verstoord?’ ‘Ik zie geen uitweg meer, ‘antwoordde Saul. ‘Ik word aangevallen door de Filistijnen en God heeft me in de steek gelaten. Hij geeft geen antwoord meer op mijn vragen, noch bij monde van profeten, noch in dromen. Daarom heb ik u opgeroepen om u te vragen wat ik moet doen.’
16  Maar Samuël zei: ‘Waarom kom je bij mij om raad? Je weet toch dat de HEER je verlaten heeft en zich nu tegen je heeft gekeerd. 17  De HEER heeft gedaan wat hij bij monde van mij heeft voorzegd: hij heeft het koningschap van je losgescheurd en aan je tegenspeler gegeven, aan David. 18  De HEER doet je dit nu aan omdat je destijds niet naar hem geluisterd hebt en voor hem geen wraak hebt genomen op de Amalekieten. 19  En om diezelfde reden zal hij Israël samen met jou aan de Filistijnen uitleveren. Morgen zijn jij en je zonen hier bij mij, en het leger van Israël zal hij aan de Filistijnen uitleveren.’ 20 Saul schrok zo van Samuëls woorden dat hij languit op de grond viel: zijn krachten lieten hem in de steek, ook al omdat hij de hele dag en de hele nacht niets gegeten had. 21  De vrouw kwam naar hem toe en zag dat hij erg in de war was. ‘Ik heb aan uw verzoek voldaan, heer, ‘zei ze. ‘Met gevaar voor eigen leven heb ik gedaan wat u me vroeg. 22  Doe dan nu ook wat ik u aanraad, heer. Laat me u iets te eten voorzetten, zodat u weer op krachten komt voordat u aan de terugreis begint.’ 23  Saul weigerde en zei dat hij niets wilde eten, maar zijn dienaren en ook de vrouw drongen aan en ten slotte gaf hij toe. Hij kwam overeind en ging op het bed zitten. 24  De vrouw had een mestkalf in huis, dat ze nu snel slachtte. Ook nam ze meel, kneedde het en bakte er ongedesemde broden van. 25  Nadat Saul en zijn dienaren gegeten hadden van het maal dat ze hun had voorgezet, vertrokken ze nog diezelfde nacht. (NBV)
In tegenstelling tot zijn eigen wet die waarzeggen en bezweren van geesten verbood is Saul naar een geestenfluisteraarster gegaan, in ons taalgebruik staat ze bekend als de heks van Endor. Saul dwingt haar om de geest van Samuël op te roepen. Er staat weer een oorlog te gebeuren met de Filistijnen maar Saul komt er maar niet achter wat God wil dat hij doet.
Een Joodse verklaring zegt dat wie de geest van een dode oproept maar  niet  nodig heeft hem ziet maar wie hem nodig heeft hem hoort. Saul hoort dus nog eens wat Samuël eerder gezegd heeft, God is niet langer bij hem en hij zal sterven.
Saul valt flauw bij het horen van de woorden van Samuël, tenminste dat is de officiële lezing. Fijntjes merkt de schrijver van het eerste boek Samuël er op dat Saul ook de hele dag niet gegeten had, dan wil je in zulke onstandigheden wel flauw vallen. De “heks van Endor” krijgt medelijden met hem en geeft hem te eten. Ongezuurde broden, alsof Israël wacht op bevrijding van de slavernij, een gemest kalf, snel gebraden, offervlees bij uitstek. Maar het is het volk dat bevrijdt zal worden van Saul heeft Samuël gezegd en de offers zijn niet meer voor God, maar voor het eigen welzijn.
Na ongezuurde broden te hebben gegeten en offervlees gaat Saul de nacht in. Jesaja zal zich deze woorden herinneren als hij schrijft dat een volk dat in duisternis wandelt een licht zal zien maar het niet zal aanvaarden. Wie zich dus bezig houdt met het Woord van de God van Israël, wie niet uit is op eigen eer en roem, eigen macht over anderen, maar zorgt voor de naasten als voor zichzelf, wie de ander liefheeft, die hoeft zich nooit in te laten met de schimmige wereld van paranormalen waarvan overigens het bedrog ook vaststaat al leven tv zenders er van. Gelukkig maar dat wij elke dag ons mogen bezig houden met de zorg voor de minsten om ons heen, met het werk dat God van ons vraagt, ook vandaag weer.

Waarom hebt u me bedrogen?

1 Samuel 28:3-14
3  Samuël was inmiddels gestorven. Heel Israël had over hem gerouwd, en hij was begraven in Rama, zijn woonplaats. Daarna had Saul in het hele land een verbod uitgevaardigd op geestenbezwering en waarzeggerij. 4  Toen nu de Filistijnen hun troepen hadden verzameld en waren opgerukt naar Sunem, waar ze hun kamp opsloegen, bracht ook Saul zijn leger op de been en sloeg zijn kamp op in het Gilboagebergte. 5  Maar toen hij het kamp van de Filistijnen zag, greep de angst hem bij de keel. 6  Hij raadpleegde de HEER, maar de HEER gaf geen antwoord: noch in dromen, noch door middel van orakelstenen, noch bij monde van profeten. 7  Daarom beval hij zijn dienaren om voor hem een dodenbezweerster op te sporen. ‘Daar wil ik naartoe gaan om antwoord te vinden op mijn vragen, ‘zei hij. Toen zijn dienaren hem vertelden dat er in Endor nog een dodenbezweerster woonde, 8  vermomde hij zich door andere kleren aan te trekken en ging hij met twee dienaren op pad. Midden in de nacht kwamen ze bij de vrouw aan. ‘Wilt u voor mij de geest van een dode raadplegen?’ verzocht hij haar. ‘Ik zal u zeggen wie u moet oproepen.’ 9  Maar de vrouw antwoordde: ‘U weet toch wat Saul heeft gedaan: hij heeft een streng verbod uitgevaardigd op geestenbezwering en waarzeggerij. Waarom probeert u me in de val te lokken? Wilt u me soms de dood in jagen?’ 10  Maar Saul bezwoer haar bij de HEER dat haar niets zou overkomen. 11  ‘Wie moet ik dan voor u oproepen?’ vroeg ze. ‘Samuël, ‘antwoordde Saul. 12  Zodra de vrouw Samuël zag, slaakte ze een ijselijke kreet. ‘Waarom hebt u me bedrogen?’ vroeg ze aan Saul. ‘U bent Saul zelf!’ 13  ‘Wees niet bang, ‘stelde de koning haar gerust. ‘Maar zeg me, wat ziet u?’ ‘Ik zie een goddelijke gestalte uit de aarde oprijzen, ‘antwoordde ze. 14  ‘Hoe ziet hij eruit?’ vroeg Saul. ‘Het is een oude man, gehuld in een mantel.’ Toen wist Saul dat het Samuël was, en hij knielde neer en boog diep voorover. (NBV)
Als de Filistijnen weer eens massaal oorlog willen voeren wordt David het hoofd van de lijfwacht van de Koning van Gat. Maar hoe vergaat het Saul, de Koning waarvan de God van Israël zijn handen had afgetrokken? Ook Saul verzamelt een leger en slaat zijn kamp op zo ver mogelijk van de Filistijnen vandaan. Die kunnen dus een flink eind door Israël optrekken. Nu wil Saul wel weten wat hij moet doen en hij probeert op allerlei manieren antwoord van God te krijgen. Het staat er nogal terloops, hij kreeg geen antwoord, noch in dromen, noch door middel van orakelstenen, noch door profeten. Maar de hele religieuze gemeenschap van Israël komt hier voorbij. Dromen vinden we ook bij individuele gelovigen en gelovig was Saul. Maar niemand van zijn volk had een boodschap van God gedroomd. De orakelstenen waren de instrumenten van de Priesters om antwoorden van God te geven.
David had een priester met orakelstenen in zijn gevolg. De Priesters bij Saul kregen geen antwoord. En altijd waren er profeten, David had Gad, maar de profeten van Saul kregen geen boodschappen van de God van Israël voor hem. Heel lang is Saul als wat primitief en bijgelovig afgeschilderd omdat hij naar de vrouw in Endor ging waarvan werd gefluisterd dat ze contact zou hebben met de doden. Maar tegenwoordig is het heel gewoon je te laten bedriegen door geestenfluisteraars, sterrenwichelaars en zogenaamde paranormalen die boodschappen van gene zijde doorkrijgen. Saul is wat dat betreft een moderne buitenkerkelijke.
Hij is er ondanks zijn breuk met Samuël toch van overtuigd is dat er meer is tussen hemel en aarde en net als veel mensen die geluk zoeken wil hij zich graag wat wil laten voorspiegelen zonder zich bij een kerkelijke gemeenschap te hoeven aansluiten’. Daar gaat het om de zorg voor de minsten, voor de ander, voor de naaste en het eigen lot veel minder een grote rol speelt. Saul heeft zich vermomd en neemt twee getuigen mee. Na de dood van Samuël was Saul al bang geworden dat allerlei mensen de geest van Samuël zouden gaan raadplegen. Hij liet daarom alle geestenbezweerders en waarzeggers ombrengen. Nu moest hij wel, als niemand hem wilde vertellen wat de God van Israël te vertellen had moest de geest van Samuël dat doen. De vrouw van Endor krijgt gelijk door met wie ze te maken heeft.

Voortaan zal hij mij dienen.

1 Samuel 27:1-28:2
1 Vandaag of morgen val ik natuurlijk toch in handen van Saul, dacht David bij zichzelf. Ik kan me dus maar beter in veiligheid brengen in het land van de Filistijnen. Dan zal Saul het opgeven om mij door heel Israël te achtervolgen en kan ik aan hem ontkomen. 2  Daarom vertrok hij met de zeshonderd man die bij hem waren naar de koning van Gat, Achis, de zoon van Maoch, 3  waar hij en zijn mannen met hun gezinnen hun toevlucht namen. David had zijn twee vrouwen bij zich: Achinoam uit Jizreël en Abigaïl, de weduwe van Nabal uit Karmel. 4  Toen Saul hoorde dat David naar Gat was gevlucht, gaf hij de achtervolging op. 5  David had aan Achis gevraagd: ‘Heer, wees zo goed mij een van de stadjes op het platteland ter beschikking te stellen om in te wonen. Wie ben ik, dat ik bij u in de koningsstad zou wonen?’ 6  Achis wees David Siklag toe, en zo komt het dat Siklag tot op de dag van vandaag aan de koningen van Juda behoort. 7  In de tijd dat David en zijn mannen op Filistijns grondgebied woonden, een jaar en vier maanden om precies te zijn, 8 trokken ze er geregeld op uit om de stammen te overvallen die woonden in het gebied van Telam tot aan Sur, waar Egypte begint: nu eens de Gesurieten, dan weer de Girzieten of de Amalekieten. 9  Wanneer David daar ergens toesloeg, liet hij geen man of vrouw in leven en nam alles mee: schapen, geiten, runderen en kamelen, en dekens en kleren. Als hij dan weer bij Achis kwam 10  en die hem vroeg: ‘Waar hebt u ditmaal een overval gepleegd?’ antwoordde David: ‘In de Negev, bij de Judeeërs, ‘of: ‘Bij de familie van Jerachmeël, ‘of: ‘Bij de Kenieten.’ 11  Hij liet niemand in leven en nam geen enkele gevangene mee naar Gat, want hij wilde voorkomen dat iemand aan Achis zou kunnen navertellen wat hij en zijn mannen hadden gedaan. Heel de tijd dat hij op Filistijns grondgebied woonde ging hij zo te werk. 12  Achis kreeg vertrouwen in hem en dacht bij zichzelf: Bij zijn landgenoten heeft hij het nu vast en zeker verbruid. Voortaan zal hij mij dienen. 1  En toen de Filistijnen hun troepen op de been brachten om tegen Israël ten oorlog te trekken, vroeg Achis aan David: ‘U begrijpt zeker wel dat u en uw mannen zich bij mij moeten aansluiten.’ 2  ‘Jazeker, heer, ‘antwoordde David. ‘U zult eens zien wat ik zal doen.’ ‘Afgesproken, ‘zei Achis, ‘dan stel ik u aan als mijn vaste lijfwacht.’ (NBV)

Er was een tijd dat het verhaal dat we vandaag lezen met een glimlach werd verteld. Vooral aan kinderen werd het verhaal met een zekere bewondering voor David verteld. Het was ook niet niks. David vluchtte voor Saul naar de Filistijnen en hij kreeg onderdak in een eigen stadje in het gebied van Achis de Koning van Gat. Maar in plaats van Achis te helpen bij het vechten tegen Israël ging David vechten tegen de bondgenoten van de Filistijnen en hij betaalde de bescherming door Achis met de buit die hij had veroverd op die bondgenoten. Dat was toch een hele slimme oplossing van deze Koning van de Vrede. Tegenwoordig spreken we niet zo positief meer over het verhaal uit dit hoofdstuk. Natuurlijk, David hield Achis voor de gek en Achis vertrouwde de Judeese krijgsheer kennelijk blindelings.
Maar moest David nu werkelijk iedereen uitroeien van die vijandige stammen? En moest de buit gespaard blijven? Het lijken geen pluspunten voor deze Koning.
Het verhaal verdient dus nadere studie. Het staat niet voor niets in de Bijbel en nog steeds als onderdeel van het verhaal over de tegenstelling tussen Saul, als koning zoals de Heidenen die hebben, en David de Koning naar Gods hart. Voert David dan soms toch geboden uit van de God van Israël? David had God niet geraadpleegd toen hij naar de Filistijnen vluchtte. Dat Saul zijn verbond met David had gebroken en opnieuw tegen hem was opgetrokken was genoeg reden. David had zich er wel uit gered maar zo kon het natuurlijk niet doorgaan. Het zou ook tot een gewapend treffen kunnen komen en kennelijk wilde David dat tot elke prijs vermijden. Hij ging naar Achis en kreeg als onderkomen de stad Siklag. Die stad wordt in het boek Jozua genoemd als een stad in Israël. Kennelijk dus ingelijfd door de Filistijnen en nu terug in Israël. Met vrouwen en kinderen mee vindt het legertje van krijgsheer David hier een veilig onderkomen. Dan trekt David op tegen de Gesurieten, de Girzieten of de Amelekieten. Die laatste kennen we maar die andere stammen zeggen ons weinig.
Het zijn echter bondgenoten van de Filistijnen die wonen in een gebied dat door Jozua niet meer werd veroverd. David maakt dus de verovering door Jozua van het beloofde land af. Ook deze stammen wilden niet delen met Israël maar alleen profiteren. De Amelakieten roeit hij overigens niet uit en dat zal hij later nog merken. De buit die veroverd wordt gebruikt hij niet voor zichzelf maar geeft hij aan Achis, anders dus als Saul die de buit voor zijn eigen leger bestemde en het beste voor zichzelf hield. Hij beschermde gelijk bondgenoten van Israël als de Kenieten en de familie van Jerachmeël. Zij wilden wel delen met Israël en mochten dus in Kanaän blijven wonen. Dat Achis gaat denken David te kunnen gebruiken in de strijd tegen Israël ligt aan hemzelf. Kennelijk is het verkrijgen van rijkdom al genoeg om iemand te vertrouwen en wordt aan de zorg voor mensen helemaal geen aandacht besteed. Daar mogen we dus van leren. Terwijl David, ook op de vlucht in vijandelijk gebied, blijft zorgen voor zijn eigen volk, blijken de Filistijnen alleen uit op materiële rijkdom. Ook aan ons de keuze, zorgen we voor mensen of zorgen we rijk te worden? Elke dag mogen we weer opnieuw kiezen, ook vandaag weer.