Twee orakelstenen

Exodus 28:15-30

15 Maak een borsttas voor de orakelstenen. Deze moet even vakkundig geweven worden als de priesterschort, van gouddraad, blauwpurperen, roodpurperen en karmozijnrode wol en getwijnd linnen garen. 16 Dubbelgeslagen moet het weefsel vierkant zijn, een span lang en een span breed. 17 Zet er vier rijen stenen op: de eerste rij wordt gevormd door een robijn, een topaas en een smaragd; 18 de tweede rij door een granaat, een saffier en een aquamarijn; 19 de derde door een barnsteen, een agaat en een amethist, 20 en de vierde door een turkoois, een onyx en een jaspis, allemaal in gouden kassen gevat. 21 Er moeten twaalf stenen zijn, zoals er twaalf namen zijn van Israëls zonen: in elke steen moet de naam van een van de twaalf stammen gegraveerd worden, zoals men zegelstenen snijdt. 22 Maak voor de borsttas kettinkjes van zuiver goud, in de vorm van kunstig gevlochten snoeren, 23 en ook twee gouden ringen die je bevestigt aan de bovenste hoeken van de tas. 24 Bevestig de twee gouden snoeren met het ene einde aan de ringen op de hoeken van de borsttas 25 en met het andere einde aan de kassen op de schouderstukken van de priesterschort, aan de voorkant. 26 Maak nog twee gouden ringen en zet die aan de andere hoeken van de borsttas, aan de binnenkant, waarmee de tas tegen de priesterschort hangt. 27 Bevestig ook twee gouden ringen aan de schouderstukken van de priesterschort, en wel aan de voorkant, onderaan, dicht bij de plaats waar de schouderstukken vastgezet zijn, boven de band. 28 Haal een blauwpurperen koord door de ringen van de borsttas en door die van de priesterschort en bind de tas daarmee stevig op de band van de priesterschort vast zodat hij niet kan verschuiven. 29 Zo draagt Aäron telkens als hij het heiligdom binnengaat, de namen van Israëls zonen op zijn hart, op de borsttas voor de orakelstenen, om de HEER steeds opnieuw aan hen te herinneren. 30 Leg in de borsttas de twee orakelstenen, zodat Aäron ze op zijn hart draagt wanneer hij voor de HEER verschijnt; in de tegenwoordigheid van de HEER moet hij de stenen voor de orakels over de Israëlieten altijd op zijn hart dragen. (NBV)

Het Paleis van de Godkoning van Israël, de Tabernakel, later de Tempel, was geen privé woning voor die God. Het was gebouwd voor de ontmoeting tussen God en zijn volk. Een dergelijke ontmoeting had plaatsgevonden bij de berg waarop God zijn verbond met het volk had gesloten. Die ontmoeting was om te beginnen gepaard gegaan met donder en bliksem. Zo erg dat heel het volk er bang voor was geworden en aan Mozes hadden ze gevraagd hen bij die God te vertegenwoordigen. Het zal duidelijk zijn dat in de Tempel voor die God, de Tabernakel, het volk niet zomaar in en uit kon lopen. Het volk had daar een vertegenwoordiger voor nodig. Dat was om te beginnen Aäron, de broer van Mozes, die de woordvoerder van Mozes was geweest bij de Farao en nu de woordvoerder van het volk werd bij de God van Israël.

In een godsdienst vindt je vaak waarzeggers terug. Bij de Heidenen proberen die met behulp van magie de Goden gunstig te stemmen en op de hand van de vrager te krijgen. In Israël was het volk de vrager en God de antwoorder. Daarvoor had de Hogepriester twee orakelstenen, de Urim en de Tummim. Met behulp van die orakelstenen konden vragen worden beantwoord die alleen met ja of nee beantwoord konden worden. Trok je de Urim dan was het ja, trok je de Tummim dan was het antwoord nee. Het was de Hogepriester die namens het volk de vraag voorlegde aan God en het antwoord liet zien aan het volk. Die twee stenen waren dus heel belangrijk. Daarvoor werd van de meest kostbare stoffen een tas gemaakt die onderdeel ging uitmaken van de priesterkleding. Op de tas waren edelstenen met de namen van de twaalf stammen.

De tas werd gedragen op het hart van de Hogepriester, diens hart moest immers zuiver zijn. Van de orakelstenen is sprake in de Bijbelverhalen tot het eind van de regering van David. Daarna waren de Profeten de Waarheidszeggers, zij bleven het volk voorhouden wat het verbond met de God van Israël van hen vroeg. Toen de Tempel in Jeruzalem definitief verwoest was verdween ook de bemiddelende rol van de Hogepriester. Maar Christenen herinnerden zich het gebed dat Jezus hen had geleerd. Het Onze Vader, dat ging ook over de Tora, de onderwijzing in het Verbond, de wil van God. Dat ging ook over het besef van wat nodig is, dagelijks brood, meer hoeven we niet. Dat zegt waar we ons tegen mogen verzetten, tegen het kwade. En in eenzaamheid kan dit gebed je helpen alle vragen aan God voor te leggen. De wil van de Vader zal je duidelijk maken waar het antwoord te vinden is. Je naaste liefhebben als jezelf is in elk geval God liefhebben boven alles. En elke dag mag je je opnieuw afvragen wat dat in jouw leven betekent.

Heilige kleding

Exodus 28:1-14

1 Laat je broer Aäron en zijn zonen Nadab, Abihu, Eleazar en Itamar bij je komen. Hen heb ik uit de Israëlieten uitgekozen om mij als priester te dienen. 2 Laat voor je broer Aäron heilige kleding maken, die hem waardigheid en aanzien verleent. 3 Jij moet aanwijzingen geven aan allen die hun vak verstaan, aan wie ik vakmanschap heb geschonken, en zij moeten dan de kleding voor Aäron maken, zodat hij kan worden gewijd en mij als priester kan dienen. 4 Ze moeten de volgende kledingstukken maken: een borsttas, een priesterschort, een bovenkleed, een stevig geweven tuniek, een tulband en een gordel. Voor zowel Aäron als zijn zonen moet heilige kleding worden gemaakt, omdat ze mij als priester moeten dienen.
5 Er moet gouddraad voor worden gebruikt, blauwpurperen, roodpurperen en karmozijnrode wol en fijn linnen garen. 6 De priesterschort moet vakkundig geweven worden van gouddraad, blauwpurperen en roodpurperen wol en getwijnd linnen garen. 7 De beide delen ervan worden door middel van schouderstukken met elkaar verbonden. 8 De band waarmee de schort vastgetrokken wordt, moet er één geheel mee vormen en wordt op dezelfde wijze gemaakt, van gouddraad, blauwpurperen en roodpurperen wol en getwijnd linnen garen. 9 Neem twee onyxstenen en graveer daarin de namen van Israëls zonen: 10 zes in de ene steen en zes in de andere, in de volgorde van hun geboorte. 11 Dat graveren moet door een kundig vakman gebeuren, hij moet de namen in de stenen snijden zoals men zegelstenen snijdt. Vat beide stenen in gouden kassen 12 en zet ze op de schouderstukken van de priesterschort: wanneer Aäron voor de HEER verschijnt en de namen van de Israëlieten op zijn schouders draagt, zal de HEER aan de Israëlieten herinnerd worden. 13-14 Aan de gouden kassen moet je kettinkjes van zuiver goud bevestigen, in de vorm van kunstig gevlochten snoeren. (NBV)

Bij het Paleis voor de Koning hoort een hofhouding die de deftigheid en de macht van de koning onderstrepen. Als onze Koning naar de Ridderzaal gaat met een koets met goud bekleed, dan lopen er lakeien naast in deftige kleding en de koetsier heeft een deftig uniform aan. Er was een tijd dat ook ministers en kamerleden een eigen uniform hadden om hun uitzonderlijke positie te onderstrepen. Pas ver na de Tweede Wereldoorlog zijn die uniformen afgeschaft. Tegenwoordig hebben alleen vrouwelijke kamerleden en ministers bijzondere opvallende kleding, de hoeden en hoedjes. Dat ook de hofhouding van de Godkoning van Israël zo gekleed zal worden dat het bijzondere van hun Heer duidelijk gemaakt wordt is dan ook niet heel vreemd. Het zijn de Priesters uit de Tempel, Aäron en zijn zonen. En alleen hun functie zal erfelijk blijken. Dat hoort eigenlijk bij Koningen maar de God van Israël is eeuwig dus behoeft geen dynastie.

De kleding wordt gemaakt van de meest kostbare stoffen geverfd met de meest kostbare kleurstoffen. Dat was al zo bij de Tabernakel en dat is ook hier nog zo. Het maken van de kleren wordt nauwkeurig beschreven. Iedereen die na dit gelezen te hebben een Hogepriester of een Priester kan die duidelijk herkennen. Omdat we geen Hebreeuws kennen zullen wij de priesterkleding niet direct herkennen. Het begint met het ontwerp van een “efod” , een met een gordel vastgemaakte linnen doek die met een gordel vastgemaakt wordt. Het is een kledingstuk dat lijkt op de kleding waarin de priesters in Egypte hun dienst uitvoerden. Verderop in de Bijbel blijkt ook de jonge Samuël die efod te dragen en als David de Ark naar Jeruzalem brengt draagt hij alleen de Efod.

Naast de efod draagt de Priester ook een bovenstuk dat bestaat uit twee schouderbanden die aan de efod zijn vastgemaakt. Die Priester is niet alleen het deftige hulpje van God maar hij vertegenwoordigd ook het volk. De Priester is het die dagelijks de ontmoeting met God heeft en die het volk helpt aan God duidelijk te maken dat het volk nog steeds vasthoud aan het verbond met God. Die vertegenwoordiging wordt tot uiting gebracht op de Schouderbanden. In gouddraad zijn daar twee chrysopraasstenen ingeweven. Op elk van die stenen staat ze namen, samen vormen ze de namen van de twaalf stammen van Israël. In de Priester is dus zichtbaar het hele volk vertegenwoordigd. De stenen zijn met gouddraad ingeweven en daaraan zijn gouden kettinkjes vastgemaakt. Als wij als Christelijk gelovigen het verbond met God in onze harten laten beitelen dan vertegenwoordigen wij ook ons volk. We kunnen dan niet anders dan 500 weeskinderen uit Griekse vluchtelingenkampen opnemen, onrecht bestrijden en het volk van Libanon helpen.

Ik zal uw naam bezingen

Psalm 45: 9-18

9 Uw gewaden geuren naar mirre, aloë en kaneel, muziek die u verblijdt, klinkt uit ivoren paleizen, 10 juwelen sieren de dochters van koningen, rechts van u staat de koningin, getooid met goud uit Ofir. 11 Luister, dochter, zie en hoor, vergeet uw volk en het huis van uw vader. 12 Begeert de koning uw schoonheid, buig voor hem, hij is uw heer. 13 Dochter van Tyrus, met geschenken zoeken de rijksten van het volk uw gunst. 14 Stralend wacht de koningsdochter binnen, van goudbrokaat is haar mantel. 15 Een kleurige stoet brengt haar naar de koning, in haar gevolg de meisjes, haar vriendinnen. Zij worden naar hem toe gebracht; 16 begeleid door gejuich en vreugdezang gaan zij het paleis van de koning binnen. 17 Uw zonen volgen uw voorouders op, u laat hen heersen over heel het land. 18 Ik zal uw naam bezingen, geslacht na geslacht, alle volken zullen u prijzen, eeuwig en altijd. (NBV)

En dan de bruid van de Koning. Salomo kreeg voor elk vredesverdrag een prinses als bruid. Al weer een bruiloft. De bruid krijgt nog een paar laatste adviezen voor ze naar de bruiloft in het paleis gebracht wordt. Een schitterende stoet is het. Het wordt een vruchtbaar huwelijk zo zingt men op de huwelijksdag. Dit huwelijk zal het geslacht van de koning bezegelen en voortzetten. Hoera zou je bijna zeggen. Leuk natuurlijk dat op de trouwdag van een ons onbekende koning zo’n prachtig lied heeft geklonken, maar waarom staat dit lied in onze Bijbel?

In elk geval niet om vrouwen duidelijk te maken dat ze voor hun heer moeten buigen. Wie dat in deze Psalm leest heeft niet nauwkeurig gelezen. De bruid komt naast haar man te staan en de rijken van het volk zullen proberen haar gunst te verwerven. Ze kan dus maar beter letten op de koning die streeft naar waarheid, deemoed en recht. Als ze dat allebei doen dan zijn ze elkaar tot hulp en steun zoals het vanouds bedoeld is. Als het hier over verhoudingen tussen mannen en vrouwen gaat dan staat er dat ze gelijk zijn. Maar waarom een dergelijk bruiloftslied gezongen? Vanouds is deze psalm symbolisch opgevat en uitgelegd. Die koning is God zelf en de bruid is zijn volk. Die worden één zoals man en vrouw één worden.

Maar er was in Kanaän ook een jaarlijkse bruiloftsviering van de goden. Een voorjaarsfeest waar de God van de hemel, de donder en regengod, de Godin van de aarde bevruchtte zodat er nieuw leven kon komen. Deze psalm zegt heel subtiel dat ook dat bruidspaar onderworpen is aan de God van Israël. En misschien zingen we de Psalm ook wel omdat het in elke relatie gaat om het liefhebben van gerechtigheid. Samen kun je dan een klein beetje mee werken aan een betere wereld. Het geslacht doet er dan niet meer toe, het gaat dan echt om de strijd voor waarheid, deemoed en recht, een strijd die we allemaal te voeren hebben. Een strijd ook die we door de liefde kunnen winnen en dan is dit lied ook een mooi overwinningslied.

Gord uw zwaard aan de heup

Psalm 45:1-8

1 Voor de koorleider. Op de wijs van De lelies. Van de Korachieten, een kunstig lied. Een liefdeslied. 2 In mijn hart wellen de juiste woorden op, mijn gedicht spreek ik uit voor de koning, mijn tong is de stift van een vaardige schrijver. 3 U bent de mooiste van alle mensen en lieflijkheid vloeit van uw lippen-God heeft u voor altijd gezegend. 4 Gord uw zwaard aan de heup, o held, het teken van uw majesteit en glorie. 5 Treed op in uw glorie en begin de strijd voor waarheid, deemoed en recht. Laat uw hand geduchte daden verrichten. 6 Uw pijlen zijn gescherpt en treffen de vijanden van de koning in het hart. Volken vallen dood voor u neer. 7 Uw troon is voor eeuwig en altijd, o god, de scepter van het recht is uw koningsscepter, 8 u hebt gerechtigheid lief en haat het kwaad. Daarom heeft God, uw God, u gezalfd met vreugdeolie, als geen van uw gelijken. (NBV)

Vandaag zingen we een loflied op een Koning. Welke koning precies weten we niet. Alleen dat het lied werd gezongen in de Tempel in Jeruzalem. Want volgens het opschrift is het lied bestemd voor het tempelkoor van de Korachieten, gezongen op de melodie van de “De Lelies”, een lied dat we overigens nooit hebben gekend. En de Tempel was het paleis van de Godkoning van Israël. En er staat nog wat boven, het is een liefdeslied, een lied van geliefden. Er worden in dit lied een man en een vrouw bezongen. Eerst natuurlijk de koning, gezalfd door God en prachtig uitgedost. Uiteindelijk wilde het volk een koning zoals de andere volken die ook hadden.

Ze kregen eerst Saul, toen David en daarna Salomo die schitterde van rijkdom. De beschrijving in deze Psalm doet denken aan de verhalen die worden verteld over de rijkdom van Salomo. Het is een merkwaardige Psalm. Het klinkt als een loflied op de Koning maar wie de taal van de Psalmen kent leest hier ook een loflied op de God van Israël. Nu had God het goed gevonden dat Israël een koning zou krijgen als dat maar een Koning naar Gods hart zou zijn. Dat betekent dat die Koning rechtvaardig zou zijn, beschermer van de weduwe en de wees en het verbond met de God van Israël centraal zou stellen.

Nu doet een Koning dat niet vanzelf. Een Koning laat zich vanzelf eren en bewonderd door het volk in een Gouden Koets of hoog te paard rondrijden. Daarom moet die Koning met enige regelmaat opgeroepen worden toch de zaken van de God van Israël centraal te stellen. Een feest is daarvoor een goede gelegenheid. Dat rijkszwaard wordt plechtig rondgedragen, maar de Psalm roept op dat zwaard in dienst te stellen van waarheid, deemoed en recht. Die Koning moet gerechtigheid liefhebben en het kwaad haten. En dat moeten wij dus ook, wij zijn immers een volk van Koningen en Priester.

Dwarsstangen van zilver

Exodus 27:9-21

9 De ruimte rond de tabernakel moet worden afgeschermd. Aan de zuidkant moeten over een lengte van honderd el doeken van getwijnd linnen komen, 10 en twintig bijbehorende palen op twintig bronzen voetstukken, met krammen en dwarsstangen van zilver. 11 Evenzo aan de noordkant: doeken over een lengte van honderd el en twintig bijbehorende palen op twintig bronzen voetstukken, met krammen en dwarsstangen van zilver. 12 Aan de westkant: doeken over een breedte van vijftig el, met tien palen op tien voetstukken. 13 Aan de oostkant moet de breedte van de afgeschermde ruimte eveneens vijftig el zijn. 14-15 Daar moeten aan weerszijden over een breedte van vijftien el doeken komen en drie bijbehorende palen die elk op een voetstuk staan. 16 Scherm de ingang af met een vakkundig geborduurd gordijn van twintig el breed, van blauwpurperen, roodpurperen en karmozijnrode wol en getwijnd linnen garen; daar komen vier palen bij, elk op een voetstuk. 17 Alle palen van de omheining krijgen zilveren dwarsstangen, verzilverde krammen en bronzen voetstukken. 18 De omheining moet honderd el lang zijn, vijftig el breed en vijf el hoog. De doeken zijn van getwijnd linnen, de voetstukken van brons. 19 Al het gereedschap dat nodig is voor het opbouwen van de tabernakel moet van brons zijn, evenals de pinnen van zowel de tabernakel als de omheining. 20-21 Draag de Israëlieten op om je voor de verlichting zuivere olijfolie te brengen: er moeten in de ontmoetingstent, buiten het voorhangsel dat de ark met de verbondstekst afschermt, altijd lampen branden. Aäron en zijn nakomelingen moeten ervoor zorgen dat ze de hele nacht voor de HEER blijven branden. Dit voorschrift blijft voor de Israëlieten voor altijd van kracht, voor alle komende generaties. (NBV)

Je kunt een paleis niet zomaar benaderen en binnengaan. Op z’n minst is er voor een paleis een plein dat weer is afgezet met een hek. Vaak ook is er een voortuin met een lange oprijlaan. Het Paleis van de Godkoning van Israël kent een voorplein, meestal de Voorhof genoemd. Met een bijzonder hek, verplaatsbaar, maar duidelijk kostbaar. Een hek dat het bijzondere van dit paleis markeert. De beschrijving die we vandaag lezen lijkt wel heel nauwkeurig maar is in onze dagen niet meer zomaar na te bouwen. Wat in elk geval opvalt is dat de ingang van de Voorhof vijf el hoog is en dat de Tabernakel zelf 10 el hoog was. De Tabernakel stak dus met kop en schouders boven de Voorhof uit. Die Voorhof was dan ook niet iets geheimzinnigs. Daar had de ontmoeting tussen het volk een haar God plaats.

Het hek rond de Voorhof straalt al de kostbaarheid uit die in de Tabernakel terug te vinden is. Het fijnste linnen wordt gebruikt. Het staat als in brons gegoten en koper houd het overeind. De dwarstangen zijn van zilver. Het schittert daarmee aan alle kanten. Nu was het in de dagen van Mozes niet ongebruikelijk dat een verplaatsbaar heiligdom een voorhof had waar de gelovigen zich konden verzamelen. Wat er zich dan binnen het heiligdom afspeelde bleef dan verborgen behalve voor de priesters. In Israël wist iedereen precies wat er in de Tabernakelstond. Maten en materialen waren bekend. Iedereen die er om heen liep kon aanwijzen wat waar stond en wat daar gebeurde. Het begon bij de geborduurde gordijnen bij de ingang van de Voorhof die een weerspiegeling geweest moeten zijn met de geborduurde gordijnen die het Heilige afschermden.

In tegenstelling tot de Heiligdommen van de andere volken kent het Heiligdom van het volk van Israël geen beeld van de God die bij de Tabernakel aanbeden wordt. In plaats van een beeld wordt er de tekst van het verbond bewaard. Dat verbond tussen God en zijn volk is het allerbelangrijkste. De dichter van Psalm 119 riep later uit dat de tekst van dat Verbond een licht op zijn pad zou zijn, een lamp voor zijn voet. Uit de Tabernakel schijnt dat licht dat de richting van je levenspad aangeeft. In dat licht kun je de armen zien, de weduwen en de wees, de minsten in de samenleving. In onze dagen zien we in dat licht de 500 weeskinderen uit Griekse vluchtelingenkampen en zien we de slachtoffers van de ramp in de Libanon die aan het opruimen zijn maar geholpen moeten worden bij het opbouwen van een nieuwe haven en een nieuwe stad. Het zijn de gelovigen die dit licht brandend moeten houden. In de Tabernakel moet daarom dag en nacht een lamp branden. Het is het volk dat de brandstof, de olie, voor die lamp moet leveren. Wij weten daardoor wat ons te doen staat.

Maak een altaar

Exodus 27:1-8

1 Maak een altaar van acaciahout. Het moet vierkant zijn, vijf el lang en vijf el breed, en drie el hoog. 2 Op de vier hoeken moet het horens hebben, die er één geheel mee vormen. Bekleed het met brons. 3 Alle bijbehorende voorwerpen moet je van koper maken: de potten voor het wegruimen van de as, de scheppen, offerschalen, vorken en vuurbakken. 4 Maak een hekwerk om het altaar, een bronzen raster met op de vier hoeken een bronzen ring; 5 breng het langs de onderkant aan, onder de rand, zo dat het tot halverwege het altaar reikt. 6 Je moet voor het altaar ook draagbomen van acaciahout maken, die je met brons bekleedt. 7 De draagbomen moeten zodanig in de ringen gestoken worden dat ze zich aan weerszijden van het altaar bevinden wanneer dit gedragen wordt. 8 Het altaar moet van houten panelen gemaakt worden en vanbinnen hol zijn. Laat het maken zoals het je hier op de berg getoond is. (NBV)

Aan een God breng je offers. En in elke Tempel van elke god op aarde worden offers gebracht. Omdat de Tabernakel gaat over de ontmoeting met de God van Israël hoort ook in die Tempel een altaar waarop offers worden gebracht. In de Tabernakel is alles van goud, behalve het offeraltaar. Dat is ook van acaciahout maar dan bekleed met brons. De voorwerpen die bij dat altaar horen zijn van koper. Die Tabernakel moet van plaats tot plaats met het volk meetrekken en moet dus ook vervoerd kunnen worden. Daarom is er rond de onderste helft van het altaar een bronzen raster aangebracht met op de hoeken vier ringen. Draagbomen met brons bekleed maken het geheel draagbaar.

Het altaar moet van houten panelen gemaakt zijn, met brons bekleed. Als je daar vuur in stookt dan wordt dat brons wel erg heet en kun je zelfs niet in de buurt van het altaar komen. Maar er staat nergens hoe er op dit altaar geofferd moet worden. Nu zijn er ook in de buurvolken van Israël wel van die draagbare altaren bekend. Die werden gevuld met aarde en daar werd dan het vuur op gebrand. Met scheppen kun je dan het as wegruimen, de offerschalen dragen dan het vlees dat geofferd wordt, de vorken zijn er om het vlees er op te leggen en er weer af te halen. De vuurbakken zijn er dan om het vuur in te bewaren en te gebruiken om het altaar aan te steken.

Ook al is de beschrijving niet helemaal compleet er is in het geheel van de beschrijving van de Tabernakel toch iets dat opvalt. Het altaar is niet het meest kostbare van de Tempel. Het meest kostbare blijft de Ark met de platen van het verbond. Het altaar heeft ook iets vreemds. Op de vier hoeken heeft het altaar horen die er één geheel mee vormen. Hoezo? De God van Israël is geen stier of stierkalf. Maar de horens van het altaar zijn elders in de Bijbel ook bekend. Als iemand beschuldigd wordt van een misdrijf, moord of doodslag, dan kan de beschuldigde vluchten naar de Tempel, dus ook naar de Tabernakel, en daar een horen van het altaar grijpen. Daar krijgt de beschuldigde dan asiel tot de zaak is uitgezocht. Ook het altaar dat komt te staan in het Heilige heeft dus een dergelijke van onrecht bevrijdende functie. Kerkasiel is er daarom al vanaf het begin. Gelukkig zijn er ook kerken die hun bevrijdende taak af en toe op zich weten te nemen.

Het voorbeeld

Exodus 26:15-37

15 Voor de wanden van de tabernakel moet je planken van acaciahout maken. Ze moeten rechtop komen te staan 16 en tien el lang zijn en anderhalve el breed. 17 Voorzie elke plank van twee pinnen, en wel zo dat de pinnen van alle planken van de tabernakel een rechte lijn vormen. 18 Maak twintig planken voor de zuidwand van de tabernakel 19 en breng daaronder veertig zilveren voetstukken aan, telkens twee per plank, waar de beide pinnen in passen. 20 Voor de andere zijde van de tabernakel, aan de noordkant, eveneens twintig planken 21 met daaronder veertig zilveren voetstukken, telkens twee per plank. 22 Voor de achterwand van de tabernakel, aan de westkant, maak je zes planken. 23 Voor de hoeken van de achterwand moet je twee extra planken maken. 24 Op de beide hoeken moeten de planken van onderen precies op elkaar aansluiten en tot bovenaan, bij de ring, moeten ze volkomen gelijklopen. 25 Bij elkaar dus acht planken, met daaronder zestien zilveren voetstukken, telkens twee per plank. 26 Maak dwarsbalken van acaciahout: vijf voor de ene zijwand van de tabernakel, 27 vijf voor de andere zijwand en vijf voor de achterwand aan de westkant. 28 De middelste dwarsbalk komt halverwege de wand en verbindt de planken van het ene einde tot het andere met elkaar. 29 Overtrek de planken met goud, verguld ook de dwarsbalken en maak voor de dwarsbalken gouden ringen. 30 Houd je bij het vervaardigen van de tabernakel aan het voorbeeld dat je hier op de berg getoond is. 31 Maak een voorhangsel van blauwpurperen, roodpurperen en karmozijnrode wol en getwijnd linnen garen. Het moet vakkundig geweven worden, met een patroon van cherubs. 32 Maak het met vergulde krammen vast aan vier palen van acaciahout, die overtrokken zijn met goud en op vier zilveren voetstukken rusten.33 Bevestig het voorhangsel zo dat het onder de vijftig gouden haken komt, en zet de ark met de verbondstekst erachter: het voorhangsel vormt de scheiding tussen het heilige en het allerheiligste.
34 Op de ark met de verbondstekst in het allerheiligste moet je de verzoeningsplaat leggen. 35 Zet de tafel en de lampenstandaard voor het voorhangsel in de tabernakel, tegenover elkaar: de lampenstandaard aan de zuidkant, de tafel aan de noordkant. 36 Maak ter afscherming van de ingang van de tent een vakkundig geborduurd gordijn van blauwpurperen, roodpurperen en karmozijnrode wol en getwijnd linnen garen. 37 Maak voor dit gordijn vijf palen van acaciahout, verguld ze, voorzie ze van vergulde krammen en giet er vijf bronzen voetstukken voor. (NBV)

Vergulde planken van acaciahout. Het binnenste van de Tempel schittert je tegemoet. Opnieuw wordt nauwkeurig aangegeven hoe de Tent der Ontmoeting er zal moeten uitzien. En opnieuw wordt benadrukt dat het geen menselijk verzinsel is van Mozes of een van zijn medewerkenden maar dat God zelf hem een voorbeeld heeft laten zien. Het klinkt allemaal heel nauwkeurig als je het leest maar voor ons is dit niet na te maken. Als je je verbeelding laat spreken dan zou het een kostbare troonzaal kunnen zijn, zoiets als de Ridderzaal in Den Haag. En dat is niet zo vreemd, de Godkoning van Israël heeft wel een bijzondere troonzaal verdiend. De achterkant van wat je ziet in die zaal is een prachtig voorhangsel van de meest kostbare stoffen geweven en met een voorstelling van de Cherubs die boven de Ark zijn geplaatst.

Die voorhang deelt de troonzaal in twee delen. De Godkoning van Israël is niet zomaar te benaderen. In dat eerste deel mogen eigenlijk alleen de priesters komen en achter dat voorhangsel komt maar twee keer per jaar de Hogepriester. Het eerste deel heet het “Heilige” en het tweede deel het “Allerheiligste” Daar wordt ook de ark geplaatst. Voor het volk Israël is die kist met de tekst van het verbond tussen de Godkoning en zijn volk het allerbelangrijkste dat er bestaat in de wereld. In het houden van dat verbond ontmoet je God en kun je die God aanbidden door je aan dat verbond te houden. en voor gewone mensen is zelfs het Heilige niet zomaar te betreden. Toen Mozes God ontmoette bij de brandende braamstruik moest hij zijn schoenen uittrekken omdat de grond waarop hij stond Heilig was. Nu zijn het de priesters die speciaal en bij uitstek aan God zijn gewijd degenen die tenminste nog in dat Heilige moeten komen.

Het geheel van de Tabernakel, het paleis voor de Godkoning van Israël is ook niet zomaar te zien. Het wordt afgesloten met een geborduurd gordijn ook weer van de meest kostbare stoffen, opgehangen aan vergulde krammen en hangende aan vijf bronzen voetstukken. Die voorhang tussen het Heilige en het Allerheiligste zal later ook in de Tempel van Jeruzalem terug komen. Achter die voorhang mocht niemand komen, alleen een paar keer per jaar de Hogepriester. Maar toen Jezus van Nazareth stierf aan het kruis scheurde de voorhang, eigenlijk dus een heiligschennis waar je verder niemand voor verantwoordelijk kon houden. In de eerste Christelijke gemeenten groeide de overtuiging dat het scheuren niet zomaar was. Nu was het Allerheiligste immers toegankelijk voor alle gelovigen. Die Ark, die het hart van het volk was geweest, werd nu letterlijk het hart van de gelovigen. De leer van God, de richtlijnen voor de menselijke samenleving kon nu in het hart van alle mensen worden gebeiteld. En daar kan de leer van Liefde leven en stralen tot de dag van vandaag.

Maak voor deze tent

Exodus 26:1-14

1 De tabernakel moet je maken van tien geweven banen. Deze moeten vakkundig worden geweven van getwijnd linnen garen en van blauwpurperen, roodpurperen en karmozijnrode wol, met een patroon van cherubs. 2 Alle banen moeten dezelfde afmetingen hebben: de lengte van iedere baan moet achtentwintig el zijn, de breedte vier el. 3 Zet vijf van deze banen aan elkaar, en doe hetzelfde met de andere vijf. 4 Aan de laatste baan van elk van de twee kleden die je zo krijgt, moet je lussen van blauwpurperen wol zetten: 5 vijftig lussen aan elk van beide kleden, zo dat ze precies tegenover elkaar komen te zitten. 6 Maak vijftig gouden haken en bevestig de kleden met deze haken aan elkaar, zodat de tabernakel één geheel is. 7 Maak banen van geitenhaar voor een tent die over de tabernakel heen komt. Het moeten er elf zijn, 8 allemaal van dezelfde afmetingen: de lengte van iedere baan moet dertig el zijn, de breedte vier el. 9 Zet vijf van deze banen aan elkaar, en de zes andere eveneens; de zesde moet, dubbelgeslagen, aan de voorkant van de tent komen. 10 Aan de laatste baan van elk van de twee kleden die je zo krijgt, zet je vijftig lussen. 11 Maak vijftig koperen haken en steek ze in de lussen om de delen te verbinden en van de tent één geheel te maken. 12 Wat het overschietende gedeelte van het tentkleed betreft: de extra halve baan moet aan de achterkant van de tabernakel afhangen, 13 en de el die in de lengte aan weerszijden overschiet, moet langs de zijkanten van de tabernakel afhangen om deze te bedekken. 14 Maak voor deze tent een dekkleed van rood geverfde ramsvellen en dek dat weer af met een kleed van zeekoevellen. (NBV)

Mozes laat niet zomaar een eigen verzonnen heilige tent maken. Hij beroept zich zeer uitdrukkelijk op een goddelijk plan. In deze Tent wil God het volk ontmoeten. Denk nu niet dat we die Tent aan de hand van dit ontwerp zomaar na kunnen bouwen. De Bijbel is geen geschiedenisboek waaraan archeologisch onderzoek ten grondslag ligt. Uit de tijd waarin Mozes geleefd zou hebben zijn verhuisbare heiligdommen bekend. In Egypte zijn ze teruggevonden en ook enkele buurvolken van Egypte gebruikten dergelijke heiligdommen. Maar ook die vondsten lossen de problemen niet op die je krijgt als je volgens de voorschriften die we hier gelezen hebben de Tent na wil bouwen.

Geleerden hebben wel verondersteld dat de beschrijving een samenvoeging is van twee tradities. De Tabernakel waar God zelf zou wonen en waar de tekst van het Verbond tussen God en zijn volk bewaard wordt, en de Tent der ontmoeting waar God zijn volk wil ontmoeten, een ontmoeting die altijd verbonden is met het Verbond dat gesloten is. En daarmee zijn we ook met de boodschap die in deze beschrijving ligt. God is groter dan wij ons kunnen denken, God laat zich daarom ook niet opsluiten in een tentje van menselijke makelij. Maar het Verbond dat die God met zijn volk gesloten heeft brengt die God naderbij. En dat Verbond laat zich volgens Jezus samenvatten in het “Heb God lief boven alles en uw naaste als Uzelf” Wat we moeten doen en hoe we dat moeten doen staat dus in deze samenvatting. Paulus zou er later op aandringen dit Verbond in je hart te laten beitelen.

Natuurlijk is er ook over het ontwerp wel iets te zeggen. De tent zelf bestaat uit drie gedeelten en alle goede dingen bestaan uit drieën niet waar. Als onderste materiaal, de binnenkant, het kostbare fijn linnen. Daarboven kleden van geitenhaar. Daarmee heb je een dubbele tent die ook bij de grote woestijnhitte toegankelijk blijft. Over deze lagen worden nog vellen aangebracht die de Tent beschermen tegen weer en wind. Een onomstotelijk en leefbaar Heiligdom ontstaat er op deze manier. Die onomstotelijkheid is daarmee de boodschap die ons wordt gebracht. Weer noch wind, hitte noch koude en waar je het verbond ook plaatst er is nooit een reden om af te wijken van het verbond met de God van Israël, andere goden te hulp roepen, of af te wijken van de liefde voor de naaste. Libanon heeft vandaag onze liefde nodig, en in Griekenland wachten 500 weeskinderen op onze liefde voor God.

O goden

Psalm 29

1 Een psalm van David. Erken de HEER, o goden, erken de HEER, zijn macht en majesteit, 2 erken de HEER, de majesteit van zijn naam, buig u voor de HEER in zijn heilige glorie. 3 De stem van de HEER boven de wateren, de God vol majesteit doet de donder rollen, de HEER boven de wijde wateren, 4 de stem van de HEER vol kracht, de stem van de HEER vol glorie. 5 De stem van de HEER splijt ceders, de HEER splijt de ceders van de Libanon. 6  Opspringen doet hij de Libanon als een kalf en de Sirjon als het jong van een wilde stier. 7  De stem van de HEER ontbrandt in vurige vlammen, 8 de stem van de HEER brengt de woestijn tot beven, beven doet de HEER de woestijn van Kades. 9 De stem van de HEER doet de hinden kalven en de geiten hun jongen werpen. Majesteit! roept heel zijn paleis. 10  De HEER heeft zijn troon boven de vloed, ten troon zit de HEER als koning voor eeuwig. 11  De HEER zal macht aan zijn volk verlenen, de HEER zal zijn volk zegenen met vrede. (NBV)

Vandaag zingen we mee met een Psalm die begint met een oproep aan de goden. Zijn die er dan? We geloven toch dat er maar één God is? Vertalers hebben het dan ook lang moeilijk gehad met de vertaling van het Hebreeuwse origineel. In de Statenvertaling gaat de oproep uit naar de “kinderen der machtigen”, in de vertaling van het Nederlands Bijbelgenootschap uit 1951 staat “hemelingen”, ook leest men wel “zonen van God” of “zonen van goden” en in de Groot Nieuws Bijbel zelfs “leden van het hemelse hof”. Maar zoals een dominee uit Zeeland eens treffend opmerkte: je hoeft niet in een god te geloven om die god te aanbidden. Wij kennen vele goden, de goden van winst en profijt voorop. Wat aan die goden allemaal wel niet geofferd moet worden. En dan zijn er nog de geesten en machten met wie we denken te kunnen communiceren via geestenfluisteraars en mediums. Ook maken we onze carrière soms tot een god, of ons bezit, of ons huis, of zelfs onze auto.

De psalmdichter heeft dat haarfijn aangevoeld en roept ons op om al die zogenaamde goden in dienst te stellen van de God van Israël. Want niet die goden hebben macht over ons, uiteindelijk hebben wij macht over al die zogenaamde goden. Die macht krijgen we pas echt als we de God van Israël als Heer erkennen. Dan zien we in dat wij zelf die goden maken die ons leven beheersen. De god van de agenda, de god van de telefoon, de god van de sociale media die ons elke ogenblik vertellen waar ons mee bezig te houden, de god van meer en hoger en beter. Wij zijn de baas over die goden. Want de God van Israël geeft ons de macht om alles wat we bereiken te delen met de mensen die het in het leven niet kunnen bereiken. Die God geeft ons de macht onze naaste lief te hebben als onszelf.

En zeg nu zelf, van al die goden die we in de samenleving tegenkomen gaat toch geen liefde uit? Die goden maken mensen tot slaven, die drijven mensen voort, die maken mensen kapot als het nodig is, die goden leiden alleen tot de dood. De God van Israel bevrijdt ons daarvan. Die wil niet meer en niet anders van ons dan dat we onze handen uitsteken naar de mensen die het nodig hebben. Dat we luisteren naar de roep van hongerenden, de klacht van de verdrukten in de wereld, de klop op onze deur van vluchtelingen. De beelden die we in deze Psalm tegenkomen zijn beelden die ook voorkomen in liederen die in de volken werden gezongen die Israël omringden. Daar werd gezongen over de angst voor het onweer, daar werd gezongen over de noodzaak de god van de vruchtbaarheid gunstig te stemmen. Die angst is overbodig, de God van Israël bevrijdt van die angst voor de natuur, voor vreemdelingen en voor je vijanden. Vruchtbaarheid krijg je pas als je deelt. Daarom kunnen we altijd deze Psalm meezingen, zelfs als het donker is.

Luister en kom tot inzicht

Matteüs 15:1-20

1 Toen kwamen er vanuit Jeruzalem Farizeeën en schriftgeleerden naar Jezus. Ze vroegen hem: 2 ‘Waarom overtreden uw leerlingen de tradities van onze voorouders? Ze wassen hun handen niet voor ze hun brood eten.’ 3 Hij gaf hun ten antwoord: ‘En waarom overtreedt u het gebod van God, alleen om uw eigen traditie in stand te houden? 4 Want God heeft gezegd: “Toon eerbied voor uw vader en moeder, ”en ook: “Wie zijn vader of moeder vervloekt, moet ter dood gebracht worden.” 5 Maar u leert: “Wie tegen zijn vader of moeder zegt: ‘Alles wat van mij is en voor u van nut had kunnen zijn, bestem ik tot offergave,‘ 6 die hoeft zijn ouders geen eerbied te tonen.” Zo ontkracht u het woord van God uit eerbied voor uw eigen traditie. 7 Huichelaars, wat is Jesaja’s profetie toch toepasselijk op u: 8 “Dit volk eert mij met de lippen, maar hun hart is ver van mij; 9 tevergeefs vereren ze mij, want ze onderwijzen hun eigen leer,
voorschriften van mensen.”’ 10 Nadat hij de mensen bij zich geroepen had, zei hij tegen hen: ‘Luister en kom tot inzicht. 11 Niet wat de mond ingaat maakt een mens onrein, maar wat de mond uitkomt, dat maakt een mens onrein.’ 2 Daarop kwamen de leerlingen bij hem en zeiden: ‘Weet u dat de Farizeeën uw uitspraak gehoord hebben en dat ze die stuitend vinden?’ 13 Hij antwoordde: ‘Elke plant die niet door mijn hemelse Vader is geplant, zal met wortel en al worden uitgerukt. 14 Laat ze toch, die blinde blindengeleiders! Als de ene blinde de andere leidt, vallen ze samen in een kuil.’ 15 Toen stelde Petrus de vraag: ‘Wilt u ons die uitspraak uitleggen?’ 16 Jezus zei: ‘Begrijpen ook jullie het dan nog steeds niet? 17 Zien jullie dan niet in dat alles wat de mond ingaat in de maag terechtkomt en in de beerput weer verdwijnt? 18 Wat daarentegen de mond uitgaat komt uit het hart, en die dingen maken een mens onrein. 19 Want uit het hart komen boze gedachten, moord, overspel, ontucht, diefstal, valse getuigenissen en laster. 20 Dat maakt een mens onrein, niet eten met ongewassen handen.’ (NBV)

Iemand heeft eens gezegd dat de regels voor de anderen zijn en de uitzonderingen voor wie de regels heeft gemaakt. Multatuli schijnt eens gezegd te hebben dat principes regels zijn om dingen waar je een hekel aan hebt na te kunnen laten. Twee voorbeelden die laten zien dat het met de regels in alle samenlevingen nogal scheef kan toegaan. Jezus kwam dat tegen toen hij er op gewezen werd dat zijn volgelingen hardnekkige wetsovertreders waren. In het verhaal dat hierboven staat mept Jezus met dezelfde regels terug. Wie vader en moeder niet eert moet ter dood worden gebracht, en dan niet schijnheilig dat wat van vader en moeder was, of voor vader en moeder bestemd, bestemmen voor het offer in de tempel. Klinkt wel vroom maar je spaart je eigen bijdrage aan de tempeldienst uit en vader en moeder verhongeren evengoed wel. Daarmee is het ook het hart van de regels blootgelegd. De mensen zijn er niet voor de regels maar de regels zijn er voor de mensen. Zoals in deze dagen hoog bejaarden en dementen beschermd moeten worden doordat iedereen zich aan de coronaregels moet houden. We moeten dat voorzichtig zeggen want hard spreken over falende politici moeten we aan Jezus overlaten. Zoals over de Farizeeën: “huichelaars”, zo scheld hij hun uit. Natuurlijk hoef je niet te zwijgen, maar vraag je steeds af of je iets oplost of dat je een probleem veroorzaakt.

Als je moet wachten op een smalle gracht omdat er iets uitgeladen moet worden, waarom dan niet even helpen met uitladen? Wel eens zien gebeuren? Heb je naaste lief als jezelf, jezelf niet vergeten lief te hebben en van binnenvetten wordt je maar dik, maar er is niets tegen af en toe een hand uit te steken, het is vaak vruchtbaarder dan een grote mond op te zetten. Dat is ook het bezwaar tegen die hele discussie over fatsoensnormen. Daarbij lijkt het er op dat de normen zelf belangrijker zijn dan de mensen en de pijn die verkeerde normen mensen kunnen aandoen. Wie geen geld heeft om kleding te kopen kan zich moeilijk kleden naar de geldende normen. Wie nauwelijks geld heeft om eten te kopen kan moeilijk uitgaan in een duur restaurant. Aardig zijn voor elkaar alleen omdat het zo hoort neemt problemen niet weg. Proberen tot overleg te komen ook al is dat pijnlijk is een vruchtbaarder weg. Een hand uitsteken naar iemand die dat nodig heeft is pas echt fatsoenlijk. Nederland en haar vroegere koloniën zijn al weer meer dan 60 jaar vrij van vreemde bezetting, dezer dagen herdenken we het echte einde van de Tweede Wereldoorlog. Die koloniën moesten daar soms nog een paar jaar voor door vechten, tegen de Nederlanders ook. Direct na de Tweede Wereldoorlog riepen de Indonesiërs weliswaar de onafhankelijkheid uit maar Nederlanders dachten dat de inlanders daar het bestuur niet zouden aankunnen.

Vierhonderd jaar hadden wij uitgemaakt wat goed voor hen was. Het zal duidelijk zijn dat ze in ruim 60 jaar de schade nog niet geheel hebben ingehaald. Voor Suriname geld dat overigens ook. En we vergeten maar al te gemakkelijk dat Surinamers hun leven hebben gegeven voor onze vrijheid, hier in Europa en in de Oost. De Bevrijdingsdag in augustus trekt overigens van Nederlanders altijd al maar weinig aandacht. Als de een zich beter acht dat de ander dan krijg je dat. Het is een dag om te blijven gedenken, al was het alleen maar omdat we nog steeds soldaten er op uit willen sturen om te vechten voor de vrede. Dat hoeft niet verkeerd te zijn, soms kan het niet anders, maar het vergt goede beslissingen ontdaan van propaganda. Propaganda wordt in het bovenstaande Bijbelstukje als het meest onrein beschreven. Dat wat uit de mond komt is verkeerd, niet wat er in gaat. Jezus had nog steeds discussies met de leiders van tempel over het houden van de Thora. Onder ons zijn er viruswaanzinnigen die zo bang zijn voor besmetting dat ze het bestaan van het virus ontkennen. Zij vormen een direct gevaar voor onze volksgezondheid. Let er op en spreek ze zo nodig tegen.