Jij bent de rots

Matteüs 16:13-28

13 Toen Jezus in het gebied van Caesarea Filippi kwam, vroeg hij zijn leerlingen: ‘Wie zeggen de mensen dat de Mensenzoon is?’ 14 Ze antwoordden: ‘Sommigen zeggen Johannes de Doper, anderen Elia, weer anderen Jeremia of een van de andere profeten.’ 15 Toen vroeg hij hun: ‘En wie ben ik volgens jullie?’ 16 ‘U bent de messias, de Zoon van de levende God, ‘antwoordde Simon Petrus. 17 Daarop zei Jezus tegen hem: ‘Gelukkig ben je, Simon Barjona, want dit is je niet door mensen van vlees en bloed geopenbaard, maar door mijn Vader in de hemel. 18 En ik zeg je: jij bent Petrus, de rots waarop ik mijn kerk zal bouwen, en de poorten van het dodenrijk zullen haar niet kunnen overweldigen. 19 Ik zal je de sleutels van het koninkrijk van de hemel geven, en al wat je op aarde bindend verklaart zal ook in de hemel bindend zijn, en al wat je op aarde ontbindt zal ook in de hemel ontbonden zijn.’ 20 Daarop verbood hij de leerlingen ook maar tegen iemand te zeggen dat hij de messias was. 21 Vanaf die tijd begon Jezus zijn leerlingen duidelijk te maken dat hij naar Jeruzalem moest gaan en veel zou moeten lijden door toedoen van de oudsten, de hogepriesters en de schriftgeleerden, en dat hij gedood zou worden, maar op de derde dag uit de dood zou worden opgewekt. 22 Petrus nam hem ter zijde en begon hem fel terecht te wijzen: ‘God verhoede het, Heer! Dat zal u zeker niet gebeuren!’ 23 Maar Jezus keerde hem de rug toe met de woorden: ‘Ga terug, achter mij, Satan! Je zou me nog van de goede weg afbrengen. Je denkt niet aan wat God wil, maar alleen aan wat de mensen willen.’ 24 Toen zei Jezus tegen zijn leerlingen: ‘Wie achter mij aan wil komen, moet zichzelf verloochenen, zijn kruis op zich nemen en mij volgen. 25 Want ieder die zijn leven wil behouden, zal het verliezen, maar wie zijn leven verliest omwille van mij, zal het behouden. 26 Wat heeft een mens eraan de hele wereld te winnen als hij er het leven bij inschiet? Wat zou een mens niet overhebben voor zijn leven? 27 Wanneer de Mensenzoon komt, in gezelschap van zijn engelen en bekleed met de stralende luister van zijn Vader, dan zal hij iedereen naar zijn daden belonen. 28 Ik verzeker jullie: sommigen van de hier aanwezigen zullen niet sterven voor ze de komst van de Mensenzoon en zijn koninklijke heerschappij hebben meegemaakt.’(NBV)

Simon de zoon van Jonas had een bijnaam. Jona betekende duif en boodschapper, maar was de zoon van de duif ook zo zachtmoedig?. Simon was visser dus sterk, hij was rechtlijnig, zoals vissers ook vandaag de dag nog rechtlijnig kunnen zijn. Zijn bijnaam was dan ook rots, Petrus. Maar de combinatie van rechtlijnig en godsdienst brengt splitsingen en wonderlijke ideeën. Die hoeven overigens niet altijd verkeerd te zijn maar je moet wel oppassen. In het stuk hierboven heeft onze Simon Petrus het ineens door. Die Jezus van Nazareth met zijn onvoorwaardelijke liefde voor de mensen en zijn boodschap van heb je naaste lief als jezelf die kan de hele wereld bevrijden. Zo zal de God van de Wet van de woestijn zijn zoon gezien willen hebben. Die zoon lijkt het meest van ons allemaal op God, die God immers zag dat het goed was. Als je op die manier met elkaar omgaat heeft ook de dood geen invloed meer op je beslissingen en kan die de gemeenschap die je vormt niet meer omverwerpen. Dat is nauwelijks te geloven en Simon, bijgenaamd Petrus, zal dat geloof ook niet lang volhouden, ook daar gaan we nog van kunnen leren.

Iemand die er van geleerd had was Roger Schutz, de abt van Taizé. Een Protestantse abt, en beetje raar voor Hollandse Calvinisten en Nederlandse Protestanten. Maar broeder Roger had al vroeg geleerd dat je de liefde voor mensen voorop moest zetten. Niet de liefde voor bezit of aanzien maar echte liefde voor mensen. En dat je pas echt voor mensen kunt zorgen als je ook voor jezelf zorgt. Daarom was hij naar dat kleine dorpje in Frankrijk gekomen, om in stilte voor zichzelf te zorgen, en voor de mensen. Samen met zijn broeders die hetzelfde ideaal hadden, als een soort oefening in het leven in het nieuwe Koninkrijk van God. In de Tweede Wereldoorlog werd het een vluchthaven voor velen die met de dood werden bedreigd. Na de jaren 60 van de vorige eeuw werd het een inspiratiebron voor heel veel jonge Europeanen die moesten leren in een nieuwe wereld te leven. In dat nieuwe Europa waren de zuilen van geloven, de zuilen van landen, de zuilen van mensen die zich verheven hadden, omvergehaald. Verzoening en onvoorwaardelijke liefde voor mensen kwamen er voor in de plaats als het aan de gemeenschap van Taizé lag. Zo werd ook broeder Roger een rots waar velen naar opkeken. De gewelddadige dood van broeder Roger maakt dat niet stuk, dat gaat verder, want daar zien we nog steeds een heel klein stukje van het Koninkrijk van God.

Leuke meester was die Jezus van Nazareth overigens. De ene dag prees hij de arme Simon, zoon van Jona, als de rots op wie het nieuwe rijk gebouwd zou worden en de volgende dag werd dezelfde Simon uitgescholden voor Satan. En dat alleen omdat Simon Petrus het lijden, dat Jezus voorzag, wilde voorkomen. Er is toch niks beters dan het lijden, van iemand van wie je houdt, te voorkomen zou je denken. Nou niet helemaal. Als het gaat omdat je nu eenmaal dingen moet zeggen en doen ter wille van de liefde voor de mensen, dan moet gedaan worden wat moet worden gedaan. Als je daarbij het lijden dat het mee kan brengen niet uit de weg wil gaan is tegenhouden van dat lijden zelfs verkeerd. Zwijgen en het lijden ontlopen omdat de mensen dat nu eenmaal meer op prijs stellen is dan niet aan de orde. En daarmee komen we in een knoop terecht in onze dagen. Bij ons is namelijk een stevig beleid uitgezet tegen radicalisering. Problemen moet je bij de wortel aanpakken en degenen die problemen veroorzaken bij de naam noemen. Jezus noemde Simon dus Satan. Dat mag dus niet meer. Niet zo vreemd trouwens. Zo kun je je vrienden nog wel eens toespreken maar als je je vijanden zo gaat uitschelden dan zaai je meer oorlog en haat dan je lief is. Wij leven in een democratie, een manier van samen leven waar je met elkaar in gesprek moet blijven. Die democratie hebben we dus niet voor niks. Die is er niet voor om deftige dames en heren te verheffen, maar om respect te krijgen voor ook de minsten in de samenleving en er voor te zorgen dat iedereen, maar dan ook werkelijk iedereen, daar aan mee mag doen..

Begrijpen jullie het dan nog niet

Matteüs 16:1-12

1 De Farizeeën en de Sadduceeën kwamen hem op de proef stellen met de vraag hun een teken uit de hemel te tonen. 2 Hij gaf hun daarop dit antwoord: ‘Wanneer de avond valt, zegt u: “Morgen mooi weer, want de hemel kleurt rood.” 3 En ‘s ochtends: “Storm op til, want het rood aan de hemel is dreigend.” De aanblik van de hemel weet u wel te duiden, en de tekenen van de tijd niet? 4 Dit is een verdorven en trouweloze generatie. Ze verlangt een teken, maar zal geen ander teken krijgen dan dat van Jona.’ Zo liet hij hen staan en vertrok. 5 De leerlingen voeren naar de overkant, maar waren vergeten brood mee te nemen. 6 Dus toen Jezus tegen hen zei: ‘Wees terdege op je hoede voor de zuurdesem van de Farizeeën en de Sadduceeën‘ 7 begonnen ze er met elkaar over te praten dat ze geen brood hadden meegenomen. 8 Jezus merkte het en zei: ‘Kleingelovigen, waarom bespreken jullie met elkaar dat je geen brood bij je hebt? 9 Begrijpen jullie het dan nog niet, en herinneren jullie je ook de vijf broden voor de vijfduizend niet, en hoeveel manden jullie weer ophaalden? 10 En ook niet de zeven broden voor de vierduizend en hoeveel manden jullie toen weer ophaalden? 11 Hoe is het mogelijk dat jullie niet begrijpen dat ik het niet over brood had? Wees op je hoede voor de zuurdesem van de Farizeeën en de Sadduceeën!’ 12 Toen begrepen ze dat hij niet bedoelde dat ze op hun hoede moesten zijn voor de zuurdesem in het brood, maar voor het onderricht van de Farizeeën en de Sadduceeën.(NBV)

Prachtig al die wonderen die zo maar in de Bijbel voorbij lijken te komen. Als je wilt weten wat van God is, nou let dan op de wonderen, dat denken veel mensen wel, maar zo zit het niet. Jezus lijkt in dit verhaal niks van wonderen te willen weten. Als de religieuze leiders van zijn tijd vragen om een teken uit de hemel wijst hij op alle schijnzekerheden die ze steeds weer te berde brengen. Als weersvoorspellers naar de natuur gaan ze tekeer. Als het regent komt er water in de sloot en als de zon schijnt is het droog. Verder komen ze eigenlijk niet. Dat soort zekerheden kennen we nog steeds. Er komt een terroristische aanslag, zeker weten, alleen wanneer weten we nog niet, dus wees waakzaam. De vrijheden van burgers worden ingeperkt, grote massa’s politieagenten ingezet om iedereen te controleren. En uiteindelijk werd een arme Braziliaan in Londen doodgeschoten omdat hij hardlopend de metro wilde halen. En wie heeft zich niet eens gehaast om de trein of de bus te halen? Is dat voortaan gevaarlijk? En hoeveel wordt er gedaan om de oorzaken van het terrorisme weg te nemen?

De oorlogen in Irak en Afghanistan werden er mee gerechtvaardigd, maar daar zaten toen de terroristen niet. Die zaten inmiddels wel in Irak als een eigen Islamitische Staat, in de aanhangers van de vroegere dictatuur vonden ze warme bondgenoten. De tekenen van de tijd noemt men dan, nooit wordt het meer hetzelfde, we moeten ons wapenen. Dat ondertussen de rijken steeds rijker worden en de armen steeds armer, dat de honger in de wereld toeneemt in plaats van afneemt, dat de grenzen van de rijke landen meer gesloten worden in plaats van open dat zijn tekenen van deze tijd die niet genoemd en dus niet gezien worden. Wij zijn ondertussen druk bezig met discussies over mondkapjes. Verantwoordelijkheid nemen voor anderen lijkt wel veel te moeilijk. Alsof er niet genoeg op de hele wereld is om iedereen te eten te geven.

Alleen als we door blijven gaan om kostbare grondstoffen in een hoog tempo op te maken, scheppen we problemen voor hen die na ons komen. Echte liefde voor mensen zou ons daarvoor moeten behoeden. Dat we wat minder auto rijden is niet zo erg, er is ook openbaar vervoer en dat kan ook nog beter, met meer werk voor werklozen. Jezus waarschuwde voor de propaganda van het eigen belang. Pas als er wonderen worden verricht is het waar zo wil men ons doen geloven. Niks er van zei hij: pas als er gedeeld wordt is het waar. Op dus naar een duurzame samenleving, waar plaats is voor iedereen en niemand wordt uitgesloten van zorg en voedsel. Een samenleving waar tranen worden gedroogd, waar niemand bang hoeft te zijn niet meer te mogen geloven wat men gelooft, waar een kind speelt in het hol van een slang en niemand voor zijn tijd hoeft te sterven. In de Bijbel noemden ze dat het Koninkrijk van God.

Heb medelijden met mij

Matteüs 15:21-39

21 En weer vertrok Jezus; hij week uit naar het gebied van Tyrus en Sidon. 22 Plotseling klonk de roep van een Kanaänitische vrouw die uit die streek afkomstig was: ‘Heb medelijden met mij, Heer, Zoon van David! Mijn dochter wordt vreselijk gekweld door een demon.’ 23 Maar hij keurde haar geen woord waardig. Zijn leerlingen kwamen naar hem toe en vroegen hem dringend: ‘Stuur haar toch weg, anders blijft ze maar achter ons aan schreeuwen.’ 24 Hij antwoordde: ‘Ik ben alleen gezonden naar de verloren schapen van het volk van Israël.’ 25 Maar zij kwam dichterbij, wierp zich voor hem neer en zei: ‘Heer, help mij!’ 26 Hij antwoordde: ‘Het is niet goed om de kinderen hun brood af te nemen en het aan de honden te voeren.’ 27 Ze zei: ‘Zeker, Heer, maar de honden eten toch de kruimels op die van de tafel van hun baas vallen.’ 28 Toen antwoordde Jezus haar: ‘U hebt een groot geloof! Wat u verlangt, zal ook gebeuren.’ En vanaf dat moment was haar dochter genezen. 29 Jezus trok weer verder. Bij het Meer van Galilea ging hij de berg op; daar ging hij zitten. 30 Er kwamen grote mensenmassa’s op hem af. Men had verlamden, blinden, kreupelen, doofstommen en vele anderen meegebracht, die men aan zijn voeten legde, en hij genas hen allen. 31 De mensen zagen vol verwondering hoe doofstommen gingen spreken, kreupelen beter werden, verlamden gingen lopen en blinden weer konden zien, en ze brachten hulde aan de God van Israël. 32 Nadat Jezus zijn leerlingen bij zich had geroepen, zei hij: ‘Ik heb medelijden met al die mensen, want ze zijn nu al drie dagen bij me en ze hebben niets meer te eten. En hen met een lege maag naar huis sturen wil ik niet, want dan zouden ze onderweg bezwijken.’ 33 De leerlingen antwoordden: ‘Maar waar halen we in deze verlatenheid genoeg brood vandaan om al die mensen te voeden?’ 34 Jezus vroeg hun: ‘Hoeveel broden hebben jullie?’ Ze zeiden: ‘Zeven, en wat visjes.’ 35 Hij gaf de mensen opdracht op de grond te gaan zitten. 36 Toen nam hij de zeven broden en de vissen, sprak het dankgebed uit, brak de broden en deelde ze uit aan de leerlingen, en de leerlingen gaven ze aan de mensen. 37 Iedereen at en werd verzadigd, en toen ze de stukken brood die over waren ophaalden, hadden ze zeven manden vol. 38 Er hadden ongeveer vierduizend man gegeten, vrouwen en kinderen niet meegeteld. 39 Nadat hij de mensen had weggestuurd, stapte hij in de boot en voer naar de omgeving van Magadan. (NBV)

Er zijn allerlei manieren om mensen te helpen. Je kunt mensen negeren. Soms helpt dat. Uit onderzoek naar mensen die op een wachtlijst bij de Geestelijke Gezondheidszorg stonden bleek dat een flink deel van die mensen zonder verdere hulp al genas. Erkenning van een probleem, ook door henzelf was al genoeg om hen aan een oplossing te doen werken. Je kunt ook mensen helpen om er maar vanaf te zijn. Zoals de leerlingen van Jezus in het verhaal van hierboven proberen, zo van ze roept zo hard, dat staat kennelijk lelijk, dat trekt maar ongewenste aandacht. We zien die vorm van hulpverlening nog wel eens bij politici. Dan moeten ineens alle zwervers geholpen worden. Niet met hun probleem, dat kan nog heel verschillend en ingewikkeld zijn, maar met hun gezwerf, geen gezicht, dus: of naar een inrichting of naar een deel van de stad waar ze niet worden gezien. Je hebt ook nog de zogenaamde Rode Kruis agressie. Problemen voor mensen oplossen omdat je het gevoel hebt dat het moet, daar ben je toch voor. Het spreekwoord dat je beter iemand kan leren vissen dan een vis geven helpt dan niet. Toch is het natuurlijk altijd goed om je af te vragen wat helpen in een bepaalde situatie echt betekent. Help je iemand door alles over te nemen, of help je iemand door te laten zien dat die het zelf ook kan oplossen?

De geleerden zijn het er niet over eens wat hier uiteindelijk van Jezus gevraagd wordt. De nieuwe vertaling heeft het over wegsturen, maar de oude Statenvertaling had het over laten gaan. Het oorspronkelijke Grieks zou misschien ook met bevrijden vertaald kunnen worden en dan hebben de leerlingen meer door dan de Nederlandse vertaling ons wil doen geloven. Het brengt Jezus wel in gesprek met de vrouw. Een buitenlandse, een Kanaänitische, en dat staat vaak voor buitenlands van het ergste soort. Jezus gaat eerst na wat voor hulp gevraagd wordt. Is dit een moeder die het probleem dat een dochter kan zijn op een ander wil afwentelen? Kennelijk niet want de moeder is bereid zelf voor haar dochter door het stof te gaan. Dat maakt het Jezus mogelijk iets te doen. En wat dan? Wat de dochter mankeert blijft buiten het verhaal. Ze was genezen omdat haar moeder wilde dat ze genas. De inzet van ouders voor hun kinderen kan groot zijn. Dat betekent niet dat ongeneeslijk zieke kinderen genezen als hun ouders maar genoeg van ze houden, integendeel. Kinderen die ongeneeslijk ziek zijn genezen niet, hoezeer hun ouders ook van ze houden, maar die liefde maakt wel dat de kwaliteit van leven omhoog kan gaan. Wetenschappelijk onderzoek, voorzieningen voor zieken en gehandicapten, instellingen en ziekenhuizen, het is er vaak door de inzet van zulke ouders gekomen. Die ouders gaan niet alleen door het stof voor hun eigen kind, maar voor alle kinderen. Alleen zulke onvoorwaardelijke liefde voor mensen helpt, maar hulp vragen is eigenlijk heel gewoon.

Getallen staan er in de Bijbel soms niet zomaar. Als we ergens 12 zien staan denken we aan de 12 zonen van Jacob die hun namen gaven aan de 12 stammen van Israël. Jezus zocht later 12 zendelingen uit die als de Apostelen er op uit werden gestuurd om zijn verhaal te vertellen. Er is nog zo’n getal is dat is 7. Het wordt wel het heilige getal genoemd en het staat voor de volmaakte wereld, de hele wereld, maar dan zoals die bedoeld is. Daarvan staat in het begin van de Bijbel dat God er naar keek en zag dat het goed was. In het verhaal waarnaar hierboven wordt verwezen bleven er zeven manden over. Genoeg dus om de hele wereld te eten te geven. Niet zo vreemd natuurlijk als je eerst de kruimels van de tafel voor de buitenlandse bestemd. En natuurlijk net als in het eerste verhaal over het te eten geven van het volk, waren ook hier de vrouwen vergeten die na drie dagen nog te eten hadden, zij werden niet meegeteld. Maar vrouwen gaan niet op stap zonder proviand, zeker niet als ze ook nog hun kinderen mee nemen, mannen wel, die rennen zo de deur uit en zien wel. Vijf broden en een paar visjes brachten de leerlingen ter tafel. Er is dus echt genoeg te eten voor de hele wereld.

Naar de nederige ziet hij om

Psalm 138

1 Van David. Ik wil u loven met heel mijn hart, voor u zingen onder het oog van de goden, 2 mij buigen naar uw heilige tempel, uw naam loven om uw liefde en trouw: grote dingen hebt u beloofd, tot eer van uw naam. 3 Toen ik u aanriep, hebt u geantwoord, mij bemoedigd en gesterkt. 4 Laten alle koningen op aarde u loven, HEER, zij hebben de beloften uit uw mond gehoord. 5 Laten zij de wegen van de HEER bezingen: ‘Groot is de majesteit van de HEER. 6 De HEER is hoogverheven! Naar de nederige ziet hij om, de hoogmoedige doorziet hij van verre.’ 7  Al is mijn weg vol gevaren, u houdt mij in leven, u verdedigt mij tegen de woede van mijn vijanden, uw rechterhand brengt mij redding. 8 De HEER zal mij altijd beschermen. HEER, uw trouw duurt eeuwig, laat het werk van uw handen niet los. (NBV)

De Psalmen zijn niet allemaal geschreven door Koning David. Dat is aan sommige Psalmen ook duidelijk te merken, ook al staat David in het opschrift. Geleerden nemen aan dat het boek van de Psalmen is samengesteld uit een aantal verzamelingen liederen die in het volk Israël in gebruik waren. Ook ons nieuwe Liedboek voor zingen en bidden in huis en kerk is op die manier tot stand gekomen. De Psalm die we vandaag met de Kerk meezingen stond dus in elk geval in de bundel die David heette. Als we ons eenzijdig op de verhalen uit de Bijbel over Koning David zouden baseren bij de uitleg van deze Psalm dan komen we wellicht op een verkeerd spoor. Het eerste vers gaat over het loven van God, met heel het hart, zingend loven. Wij denken dan toch aan onze kerkzang, prachtige taal, mooie muziek waar je stil van kan worden, of vrolijk, of geroerd, of groots maar die gaat over God en jou en niemand of niets anders.

Maar de Psalm zingt niet zo maar over de lof die God toekomst. Dat zingen gebeurd onder het oog van de goden. Er staat eigenlijk niks zomaar in de Bijbel dus ook die goden onder wiens oog het lof zingen van de God van Israël plaatsvindt hebben een betekenis. We lopen in het dagelijks leven allerlei modes, idolen en gewoonten achterna. Dat is van alle tijden. Maar het is geen natuurwet. Er is een mode die niet zomaar door iedereen gevolgd wordt en dat is het buigen naar de Heilige Tempel van de God van Israël. Die Tempel kennen we niet meer maar daarin werden de richtlijnen bewaard voor een menselijke samenleving. Eén van die richtlijnen, een heel belangrijke, was dat je geen andere goden mocht nalopen. Dat laat je dus horen als je de lof zingt van de God van Israël. De dichter looft met name de naam van die God. Die spreken we nooit uit maar wordt vaak vertaald als “ik ben die ik zijn zal”. Nu kent het Hebreeuws geen werkwoord voor zijn in de zin van was is en is. Nee het zijn is in Israël verbonden met wat er gebeurd, er zijn zoals dat nodig is ligt dichter bij de betekenis van de Naam van God.

Het is ook een God voor hen die een God het meest nodig hebben. De nederigen in bescherming tegen de hoogmoedigen. Die God laat niet varen het werk dat zijn hand begon. Als je tegenslag overkomt, als je vijanden hebt dan mag je daar op vertrouwen. Het kwaad heeft nooit het laatste woord. Het verdwijnt niet als je op deze God gaat vertrouwen, maar het wordt voor mensen draagbaar als er het uitzicht is dat de God van Israël je er van zal bevrijden. Altijd, overal, eeuwig noemen we dat. De machtigen op deze aarde worden daarom opgeroepen zich aan die richtlijnen van de God van Israël te gaan houden. Ze vallen immers onder zijn heerschappij. Wie een brief schrijft voor Amnesty International ter bestrijding van onrecht en ondersteuning van de slachtoffers van onrecht die schrijft namens de God van Israël. Hoe meer schrijvers hoe groter de invloed. Dat is pas lof zingen onder de ogen van de goden. Het mag elke dag opnieuw.

Tegen het vallen van de avond

Exodus 29:38-46

38 Op het altaar moeten elke dag twee eenjarige rammen geofferd worden, 39 de ene ‘s morgens, de andere tegen het vallen van de avond. 40 Offer bij het ene dier een tiende efa tarwebloem vermengd met een kwart hin zuivere olijfolie. Offer bij dit dier ook een kwart hin wijn. 41 Bij het andere dier, dat je tegen het vallen van de avond offert, moeten eenzelfde graanoffer en eenzelfde wijnoffer als ‘s morgens gebracht worden. Het is een geurige gave die de HEER behaagt, 42 een brandoffer dat jullie en alle komende generaties dagelijks aan de HEER moeten brengen bij de ingang van de ontmoetingstent. Daar zal ik jullie ontmoeten om met jou te spreken. 43 Daar zal ik de Israëlieten ontmoeten en die plaats zal door mijn aanwezigheid worden geheiligd. 44 Ik zal de ontmoetingstent en het altaar heiligen, evenals Aäron en zijn zonen, zodat ze mij als priester kunnen dienen. 45 Ik zal te midden van de Israëlieten wonen, en ik zal hun God zijn.
46 En zij zullen inzien dat ik, de HEER, hun God ben, die hen uit Egypte bevrijd heeft om in hun midden te wonen. Ik ben de HEER, hun God. (NBV)

Elke dag moeten er tenminste twee offers gebracht worden op het altaar in het Heilige van de Tabernakel. Twee eenjarige rammen vertaald de Nieuwe Bijbelvertaling keurig maar het zijn dan toch gewoon twee lammetjes van het mannelijk geslacht die niet ouder dan een jaar zijn. In de ochtend een lammetje en in de avond een lammetje. Dit offer lijkt op een complete maaltijd. Er wordt tarwebloem met olijfolie aan toegevoegd, als je dat bakt krijg je ongezuurd brood en een flink glas wijn gaat er ook nog bij. Je begint de dag dus met delen met God en je eindigt de dag ook met delen met God. Het offer is te zien en te ruiken bij de ingang van de Ontmoetingstent dus eigenlijk doet heel het volk er aan mee.

Dat is dus ook de bedoeling. Door het verbond dat in die Ontmoetingstent wordt bewaard zijn God en zijn volk met elkaar verbonden. God zet daarom die Ontmoetingstent en alles wat daar in is apart. God neemt het in bezit als een paleis. Alles wat er in is hoort voortaan bij God. Bij de ingang van het Heilige kunnen het volk en God elkaar ontmoeten. Ook Mozes kan daar God ontmoeten en de problemen van het leiding geven aan het volk aan God voorleggen. Daar kan Aäron de orakelstenen raadplegen want God heeft beloofd daar te zijn. Het is dus een God die je niet wakker hoeft te maken, maar een God die met je meetrekt.

In het Christendom is het idee van het ochtend en het avondgebed overgenomen. Tegenwoordig vind je dat met name in kloosters terug maar ook daar waar mensen bij elkaar zijn gaan wonen kunnen het ochtend en het avondgebed een belangrijke rol spelen. Die God die met ons mee wil trekken, die zijn verbond in ons hart wil laten beitelen is niet een verzekeringspolis tegen ellende en tegenslag. Je wordt van dat verbond met die God niet gezonder en niet rijker. Maar je hebt wel een houvast voor de richting in je leven. Bij elke beslissing mag je je afvragen wat de invloed is op anderen, met name op de zwakkeren in de samenleving. En elke dag dat licht op je pad ontsteken en elke avond zien waar je dat gebracht hebt verreikt je leven, welke storm of welke ellende je ook meemaakt.

De wijding moet zeven dagen duren.

Exodus 29:31-37

31 Kook het vlees van de wijdingsram op een heilige plaats. 32 Aäron en zijn zonen moeten het vlees van de ram en het brood uit de mand eten bij de ingang van de ontmoetingstent. 33 Alleen zij mogen eten van het vlees en het brood waarmee de verzoeningsrite voltrokken werd toen zij gewijd en geheiligd werden. Een onbevoegde mag er niet van eten, want het is heilig. 34 Als er de volgende morgen nog iets over is van het vlees van het wijdingsoffer of van het brood, moet je dat verbranden. Het mag niet meer gegeten worden, omdat het heilig is. 35 Doe alles wat ik je met betrekking tot Aäron en zijn zonen heb opgedragen. De wijding moet zeven dagen duren. 36 Elke dag moet je een stier als reinigingsoffer aanbieden om verzoening te bewerken. Het altaar moet je met een verzoeningsrite van zonde reinigen en je moet het zalven om het te heiligen. 37 Zeven dagen moet deze verzoeningsrite duren. Daarna is het altaar allerheiligst; alles wat ermee in aanraking komt wordt zelf ook heilig. (NBV)

Als je apart gezet bent in de samenleving dan mag dat ook gezien worden. Daarom hebben mensen soms versieringen op uniformen. Hoe meer strepen en hoe meer goud hoe belangrijker ze gevonden dienen te worden. Dat is ook zo bij Priesters die Priester geworden zijn in het volk Israël. Of je Priester kan worden hangt af van wie je vader is. Priesters dat zijn de nakomelingen van Aäron de broer van Mozes. Priesters hebben zorgvuldig voorgeschreven kleding en zorgvuldig geformuleerde taken. Priesters delen mee in de offers die gebracht worden aan de God van Israël. Die God hoeft niet gevoed te worden, die God voedt immers zelf alle leven op aarde, die God kan ook niet omgekocht worden.

In Heidense Tempels kwam het nog wel eens voor dat de offers die door gelovigen aan de voeten van het Godsbeeld werden gelegd in het verborgen door de Priesters werden gegeten. Dat soort goden moest in leven worden gehouden met offers, dat soort goden waren omkoopbaar, als je genoeg offerde dan steeg je welvaart. Pas dus op als er in een zogenaamde Christelijke kerk wordt beweerd dat hoe meer je geeft bij de collecte hoe rijker en gezonder God je zal maken. Dat is in strijd met het geloof in de God van Israël lezen we vandaag.

Bij de wijding van nieuwe Priesters komen de Priesters elke dag bij elkaar om zelf een offer te brengen, het brood op de tafel van de toonbroden te vernieuwen en samen te eten. Daar mogen geen buitenstaanders bij, die zijn immers niet apart gezet voor de ontmoeting met de God van Israël. Die buitenstaanders moeten zich juist houden aan het Verbond met de God van Israël. Dat die God in de godsdienst Priesters heeft die naar dat verbond leven mag gezien worden. Dat eten is ook maar voor één dag. Meer voedsel, meer bezit hebben we niet echt nodig. Het kan leuk zijn maar het dagelijks brood is voldoende, de rest is vooral om te delen met hen die dat nodig hebben. Dat wat Priesters overlaten bij de maaltijd wordt verbrand. Ook de Priesters kunnen er geen aanhang mee kopen. Als volk van Koningen en Priesters mogen ook wij het delen voorop zetten in het leven. Elke zeven dagen opnieuw.

Het is een geurige gave

Exodus 29:15-3015

Neem vervolgens een van de rammen, en laat Aäron en zijn zonen hun hand op de kop van de ram leggen. 16 Slacht het dier en giet het bloed tegen de zijkanten van het altaar. 17 Snijd de ram in stukken, was de ingewanden en de poten en leg ze bij de stukken vlees en de kop. 18 Verbrand de ram in zijn geheel op het altaar. Het is een brandoffer, een geurige gave die de HEER behaagt. 19 Neem dan de tweede ram en laat Aäron en zijn zonen hun hand op de kop van de ram leggen. 20 Slacht het dier en strijk wat van het bloed aan de rechteroorlel van Aäron en aan die van zijn zonen, op hun rechterduim en op de grote teen van hun rechtervoet. De rest van het bloed moet je tegen de zijkanten van het altaar gieten. 21 Besprenkel Aäron met wat bloed van het altaar en met zalfolie en sprenkel het ook over zijn kleren. Ook zijn zonen en hun kleren moet je ermee besprenkelen. Dan zullen Aäron en zijn zonen, evenals hun kleren, heilig zijn. 22 Neem de vette delen van de ram: de staart, al het vet van de buikholte, de kleinste lob van de lever en de beide nieren met het niervet, en ook de rechterachterbout; deze ram dient als wijdingsoffer. 23 En neem uit de mand met ongedesemd brood die de HEER gebracht is een rond brood, een dik, met olie bereid brood en een dun brood. 24 Leg dit alles op de handpalmen van Aäron en zijn zonen om het ten overstaan van de HEER omhoog te heffen. 25 Neem het daarna weer van hun handen en verbrand het op het altaar, boven op het brandoffer. Het is een geurige gave die de HEER behaagt. 26 Neem het borststuk van de ram en hef het ten overstaan van de HEER omhoog. Dit deel van Aärons wijdingsoffer is voor jou bestemd. 27 Het borststuk en de achterbout die ten overstaan van de HEER omhooggeheven zijn, en die afkomstig zijn van de ram die het wijdingsoffer voor Aäron en zijn zonen is, moet je apart houden. 28 Ze moeten voortaan worden afgestaan aan Aäron en zijn zonen; dit deel van de vredeoffers die de Israëlieten aan de HEER brengen is voor altijd voor hen bestemd. 29 De heilige kleding van Aäron gaat over op zijn nakomelingen; daarin moeten zij gezalfd en gewijd worden. 30 De zoon die hem als hogepriester opvolgt en die de ontmoetingstent binnengaat om in het heiligdom de priesterdienst te verrichten, moet deze kleding zeven dagen achtereen dragen. (NBV)

Als het volk priesters heeft bij de Tent der Ontmoeting, de Tabernakel kunnen de priesters aan het werk. Het meest opvallende werk van de priesters is het brengen van het offer samen met de offeraar. In dat offer wordt de dank aan God gebracht voor alles dat uit Gods hand is ontvangen en wordt de bereidheid getoond om dat wat je van God gekregen hebt ook met God te delen. De eerste die God dankbaar mogen zijn zijn die nieuw gewijde priesters. Die offeren een ram. Dat doen ze als lid van het volk. Maar ze zijn ook in dienst van God, ze hebben een arbeidscontract met de God van Israël. Ook dat wordt bezegeld met een offer van een ram. Het bloed van de ram, de zetel immers van het leven, wordt gedeeld door het bloed van het ram te delen.

Niet alleen wordt het bloed langs het altaar geschonken, maar ook de Aäron, zijn zonen, en hun kleding worden besprenkeld met het bloed van de ram. Dan kunnen de Priesters echt als Priesters van de God van Israël aan het werk. Ze brengen een opvallend wijdingsoffer. Het vlees van het dier wordt niet helemaal verbrand. Een deel wordt verbrand maar een ander deel is voedsel voor de Priesters. Ook het brood dat dagelijks op de Tafel der Toonbroden in de Tempel voor God wordt neergelegd wordt nu als voedsel voor de Priesters aangeboden. Alles wordt gedeeld door God en zijn priesters. Niks voedsel in een stil deel van een Tempel achter laten en dan denken dat de godheid van die Tempel dat wel zal opeten terwijl in werkelijkheid de Priester er zich te goed aan doen.

Delen tussen God en de Priesters en wat er gebeurd in de eerste offers. Later zal het volk ook offers brengen en ook die offers zullen gedeeld worden tussen de offeraar, de Priester en God. Als er eenmaal de Tempel in Jeruzalem is dan moeten de gelovigen drie maal per jaar naar de Tempel om daar te offeren. Met hun deel van het offer en het deel voor de Priesters moeten ze een maaltijd houden met de familie, slaven en slavinnen, meiden en knechten, de armen en de vreemdelingen uit het dorp. Als wij dus een volk van Koningen en Priesters willen zijn dan zullen we moeten beginnen dat wat we hebben te delen met hen die niets hebben. En vreemdelingen worden als de armen uit het dorp behandeld. Daarom wordt er met name uit de kerken op aangedrongen om 500 weeskinderen uit Griekse vluchtelingenkampen op te nemen. In het licht van het Bijbelgedeelte van vandaag worden we dan pas een Christelijk volk.

Om Aäron en zijn zonen te heiligen

Exodus 29:1-14

1 Doe het volgende om Aäron en zijn zonen te heiligen, zodat ze mij als priester kunnen dienen: Neem een stier en twee rammen zonder enig gebrek. 2 Neem verder brood, dikke broden, met olijfolie bereid, en dunne broden, met olijfolie bestreken-alles ongedesemd en gebakken van tarwebloem. 3 Leg dit in een mand en breng die naar het heiligdom, evenals de stier en de beide rammen. 4 Laat Aäron en zijn zonen naar de ingang van de ontmoetingstent komen en reinig hen met water. 5 Trek Aäron daarna de priesterkleding aan: de tuniek, het bovenkleed dat bij de priesterschort hoort, de priesterschort en de borsttas; bind de schort vast met de bijbehorende band. 6 Doe hem de tulband om en bevestig daarop de heilige diadeem. 7 Zalf Aäron door de zalfolie over zijn hoofd uit te gieten. 8 Laat daarna zijn zonen komen, trek hun de tunieken aan 9 en bind hun de hoofddoeken om. Doe zowel Aäron als zijn zonen een gordel om. Door hen op deze manier te wijden, verleen je Aäron en zijn zonen voor altijd het recht om het priesterschap uit te oefenen. 10 Laat de stier naar de ontmoetingstent brengen en laat Aäron en zijn zonen hun hand op de kop van de stier leggen. 11 Slacht het dier ten overstaan van de HEER bij de ingang van de ontmoetingstent. 12 Strijk met je vinger wat bloed aan de horens van het altaar en giet de rest van het bloed uit aan de voet van het altaar. 13 Neem al het vet rond de ingewanden, de kleinste lob van de lever, de beide nieren en het niervet, en verbrand dit op het altaar. 14 Maar het vlees van de stier moet je buiten het kamp verbranden, evenals de huid en de inhoud van de ingewanden. Het is een reinigingsoffer. (NBV)

Als dan de mensen aangewezen zijn die Priester mogen worden, als de Tabernakel is ingericht, als de priesterkleding klaar is dan wordt het tijd om de Priesters apart te zetten en ze te wijden tot Priester. Er zijn immers in elke samenleving mensen die apart gezet worden en als persoon belast worden met uitzonderlijke taken. Zo wordt onze koning ingehuldigd en krijgt iedere burgemeester plechtig de voorzittershamer van de gemeenteraad en wordt die burgemeester de burgemeestersketting omgehangen. Zo moest het dus ook gaan met de Priesters.

De Priesterwijding begint met de voorbereiding van het delen van eten. Delen met God want alles was van God gegeven niet om het zelf te houden maar om het te delen. Een stier, twee gebrekloze rammen, dikke broden, dunne broden, met olijfolie bereid maar ongegist en uiteraard van tarwebloem. Dan begint de persoonswijding. De kandidaat priesters worden naar de ingang van de Ontmoetingstent gebracht. Maar zomaar kom je die tent niet in. Ze moeten eerst gewassen worden. Denk nu niet aan handen en voeten wassen, ze worden helemaal gewassen. Dan krijgen ze de voorgeschreven kleding aan, als ze die hebben zijn ze Priesters.

En de Priesters brengen de offers. Ze zijn schoon, gereinigd en kunnen dus de stier offeren, tenminste het leven van de stier, het bloed waarin het leven zetelt wordt rond het altaar uitgeschonken. Het vet, een deel van de lever, de nieren met hun vet worden op het altaar verbrand. Het vlees, de huid en de ingewanden zijn verder niet belangrijk en worden buiten het kamp verbrand. Als volk van Koningen en Priesters kennen wij ook een dergelijke reiniging. Wij noemen dat de doop. Johannes de Doper had ooit van iedereen uit het volk een priester gemaakt en wij doen dat ook allemaal, kinderen en volwassenen. Delen van eten doen we ook. Als herinnering aan Jezus van Nazareth delen we brood en wijn zoals het brood en het wijn gedeeld werd ter herinnering aan de bevrijding van Egypte. Wij staan dus in de traditie van Aäron en zijn zonen, ook vandaag.

Geen kwaad kwam uit mijn mond.

Psalm 17

1 Een gebed van David. Luister, HEER, ik vraag om recht, luister naar mijn smeken, hoor mijn gebed-geen leugen komt over mijn lippen. 2 Laat van u het oordeel komen, laat uw oog zien wat juist is. 3 Bezoekt u mij in de nacht en beproeft en peilt u mijn hart, u zult niets in mijn nadeel vinden, geen kwaad kwam uit mijn mond. 4 Hoe de mensen ook leven, ik houd mij aan het woord van uw lippen. De weg van roof en geweld heb ik altijd gemeden, 5 mijn voeten volgden uw spoor, mijn stappen wankelden niet. 6 Ik roep tot u om hulp, want u geeft mij antwoord. Wil mij horen, God, luister naar mijn spreken, 7 toon mij de wonderen van uw trouw. Wie bij u schuilen redt u van hun tegenstanders, met uw machtige hand. 8 Behoed mij als de appel van uw oog, verberg mij in de schaduw van uw vleugels 9 voor de goddelozen die mij geweld aandoen, voor de vijanden die mij naar het leven staan. 10 Hun hart is gevoelloos en gesloten, hun mond spreekt hoogmoedige taal. 11 Ze sluiten mij in waar ik mijn voeten ook zet, ze houden mij in het oog en hopen op mijn val. 12 Mijn vijand is een leeuw, belust op prooi, een roofdier dat zich schuilhoudt.13 Sta op, HEER, ga op hem af en druk hem tegen de grond. Laat uw zwaard mij bevrijden van de goddelozen, 14 uw hand, HEER, mij verlossen van die mannen des doods, die leven voor kortstondig gewin. Ze mogen hun buik vullen met de straf die hun toekomt, ze mogen hun kinderen ermee verzadigen, hun kleinkinderen geven wat ervan overschiet. 15 Laat mij, recht gedaan, uw gelaat aanschouwen, bij het ontwaken mij verzadigen aan uw beeld. (NBV)

Vandaag worden we uitgenodigd een lied mee te bidden uit het boek der Psalmen. Psalm 17 is één van de vele Bijbelgedeelten die laat horen dat het tegendeel waar is van de bewering dat discriminatie op grond van geloof stamt uit de Joods Christelijk Humanistische traditie van ons land. Want wie God aanroept om rechtvaardig te zijn zal zelf ook recht moeten doen aan anderen. Volgens de dichter van deze Psalm gaat het onderzoek van God uit naar de mate waarin wij recht doen aan anderen. Dat onderscheidt de gelovigen van de ongelovigen. En recht doen aan anderen betekent ook in je uitspraken recht doen aan de ander, “er kwam geen kwaad uit mijn mond” schrijft de psalmdichter. Ook de weg van oorlog is niet de weg van de gelovige, de oorlog immers gaat altijd wel gepaard met roof en geweld. De schrijver van de Psalm heeft de hoop gevestigd op de Wet van de liefde, van eerlijk delen, de Wet waarin iedereen mee mag doen met het Koninkrijk van God.

Dat is de Weg die de God van Israël heeft gewezen, de Weg waarop de God van Israël het volk voorging toen het bevrijdt werd uit de slavernij van Egypte waar ze zelf zolang vreemdelingen waren geweest. De Wet die daarom voorschrijft dat je vreemdelingen in je land net zo moet behandelen als je landgenoten. Daarom mag je de God van Israël aanroepen om hulp, in het Woord van die God staat welke keuzes je moet maken als het gaat om het omgaan met anderen, met de zwaksten in de samenleving en in onze dagen dus ook in de vorming van een nieuwe regering. Hard en gevoelloos worden de goddelozen genoemd, sprekende in een hoogmoedige taal. Wij worden gewaarschuwd voor koude en kille saneringen in de overheidsuitgaven die de rijken zullen ontzien maar de armen het hardst zullen treffen. De rekening van de fouten die gemaakt zijn door bankdirecteuren met torenhoge bonussen werd gelegd bij de allerarmsten in onze samenleving. Deze Psalm roept ons op ons tegen de goddelozen te verzetten die de vreemdelingen schofferen en een wig drijven tussen hen en ons.

Dat soort kwaad gedrag sterft namelijk niet uit met de daders maar werpt een smet ook op hun kinderen en zelfs op hun kleinkinderen. Verzet tegen de goddelozen die de armen armer willen maken en de rijker rijker. Het inslaan van die weg hoeft niet, tijdig terugkeren van dat kwade gedrag kan altijd, ook nu nog. Vragen we dan om vernietiging van de rijken en de goddelozen? De psalmdichter doet dat niet. Die vraagt slechts om straf, om het geven van inzicht in hoe verkeerd ze handelen, hoe ze vergeten dat je van delen rijker wordt in plaats van armer, hoe ze vergeten dat het grootste deel van de subsidies in ons land gaat naar de allerrijksten, hoe ze vergeten dat wie schade veroorzaakt ook de schade behoort te betalen. Die roof en dat geweld wordt in deze psalm niet voor niets genoemd. Ook al worden de regels van het geschreven recht gevolgd in de ogen van God kan er ook dan onrecht worden gedaan. Want in de Bijbel is armoede onrecht, dat onrecht moet worden hersteld door de machtigen in ons land, laten wij ze daartoe vandaag oproepen door het zingen van deze Psalm.

Anders zal hij sterven.

Exodus 28:31-43

31 Het bovenkleed dat bij de priesterschort hoort, moet in zijn geheel van blauwpurperen wol gemaakt worden. 32 De halsopening komt in het midden en wordt afgezet met een rand die net zo geweven is als die van een wapenrok, om inscheuren te voorkomen. 33 Op de hele zoom moet je granaatappels van blauwpurperen, roodpurperen en karmozijnrode wol aanbrengen met gouden belletjes ertussen, 34 steeds om en om een gouden belletje en een granaatappel. 35 Aäron moet dit bovenkleed dragen wanneer hij dienst doet. Wanneer hij het heiligdom binnengaat om voor de HEER te verschijnen en wanneer hij weer naar buiten komt, moet het geluid van de belletjes te horen zijn, anders zal hij sterven. 36 Maak een rozet van zuiver goud en graveer daarin, als in een zegel, de woorden “Aan de HEER gewijd.” 37 Bevestig deze voor op de tulband met een koord van blauwpurperen wol. 38 Door de rozet voortdurend op zijn voorhoofd te dragen, neemt Aäron de schuld van de Israëlieten op zich wanneer zij tekortschieten bij het brengen van hun heilige gaven; dan worden deze door de HEER aanvaard. 39 Weef een tuniek en een tulband van fijn linnen garen, en maak een vakkundig geborduurde gordel. 40 Ook voor Aärons zonen moet je tunieken en gordels maken en hoofddoeken die hun waardigheid en aanzien verlenen. 41 Laat je broer Aäron en zijn zonen deze kleding aantrekken en zalf hen; zo wijd je hen en heilig je hen om mij als priester te dienen. 42 Je moet ook linnen broeken voor hen maken die hun geslachtsdelen bedekken; ze moeten van de heupen tot op de dijen reiken. 43 Aäron en zijn zonen moeten ze dragen als ze de ontmoetingstent binnengaan of in het heiligdom dienst gaan doen bij het altaar. Anders laden ze schuld op zich en zullen ze sterven. Dit voorschrift blijft voor hem en zijn nakomelingen voor altijd van kracht. (NBV)

Elk kledingstuk dat de Priesters dragen wordt nauwkeurig beschreven. Elk kledingstuk moet ook het aanzien van de Godkoning van Israël tot uitdrukking brengen. Voor slordigheid en gemak is geen plaats. Zelfs de maat van de onderbroeken staat genoteerd. Het begint met het opperkleed. Een opperkleed is eigenlijk de dracht van Koningen, op diverse plaatsen in de Bijbel wordt daarnaar verwezen. Het opperkleed is niet veelkleurig, maar bestaat uit blauwpurper, ook een zeer kostbare stof. De zomen van het opperkleed worden versierd met granaatappeltjes en gouden belletjes. Je hoort daardoor de Priester aankomen, maar men geloofde ook dat die belletjes de boze geesten op een afstand hielden, anders zouden ze de Priester nog eens kunnen doden.

Het hoofd van de Priester is gedekt door een tulband. Aan die tulbant is een rozet vastgemaakt. Een Egyptische Priester had dit ook en droeg als rozet een bloem die het symbool voor het leven was. Voor de Priester van de God van Israël geldt dat die de Naam van zijn God groot zou moeten maken. Dat begint met de versiering van de Tulband. Daar moet op de bloem de tekst “YHWH heilig” worden gegraveerd. Omdat we de naam van God niet uitspreken vertaald de Nieuwe Bijbelvertaling hier met “Aan de Heer gewijd”. In het volksgeloof heeft een dergelijke versiering ook een cultische betekenis, het lijkt op een amulet die de Priester beschermd tegen gevaren die met zijn handelen als Priester verbonden zijn.

Tot slot wordt het ondergoed behandeld. Een hemd, onderkleed genoemd. De Tulband is kennelijk een gewoon kledingstuk waarover je behalve over de kleur geen extra bepalingen hoeft te geven. De Profeet Ezechiël beschouwde een dergelijke tulband overigens tot de dracht van Koningen. De geweven gordel die wordt voorgeschreven is volgens de profeet Jesaja het teken voor een hoge ambtenaar. Alleen de Hogepriester draagt overigens een Tulband, de andere Priesters dragen hoge witte mutsen, hoofddoeken die hen aanzien en waardigheid verlenen. Het geheel vloeit over van deftigheid. Het is van een volk van slaven. Die slaven zien nu met eigen ogen dat rond het Heiligdom van hun God de gelijkheid met hun vroegere slavenmeesters wordt uitgedrukt. Hun God is echter nog machtiger, die bevrijdt een heel volk van slavernij. Door op die God te vertrouwen en de nadruk die door die God op bevrijding wordt gelegd zouden ook wij misschien meer kunnen bereiken voor mensen die nog worden onderdrukt.