De hemelse roeping

Hebreeën 3:1-11

1 Daarom, heilige broeders en zusters, die deel hebt aan de hemelse roeping, richt uw aandacht op Jezus, de apostel en hogepriester van het geloof dat wij belijden, 2 die trouw is aan wie Hem heeft aangesteld, zoals Mozes in heel Gods huis zijn taak trouw vervulde. 3 Jezus echter werd groter eer waardig geacht dan Mozes, zoals de bouwer van een huis meer eer krijgt dan het huis zelf. 4 Elk huis heeft een bouwer, maar God is de bouwer van alles. 5 Mozes vervulde trouw zijn taak als dienaar in heel Gods huis, om te getuigen van de woorden die God zou spreken, 6 Christus echter is trouw als Zoon die over dat huis is aangesteld. Wij vormen dat huis, als we tenminste trots en zonder schroom vasthouden aan datgene waarop wij hopen. 7 De heilige Geest zegt immers: ‘Horen jullie vandaag zijn stem, 8 wees dan niet halsstarrig, als tijdens de opstand, ten tijde van de beproeving in de woestijn, 9 waar jullie voorouders Mij op de proef stelden en tartten, al hadden ze mijn daden gezien, 10 veertig jaar lang. Daarom wekten zij mijn toorn, Ik zei: “Altijd weer dwaalt hun hart, mijn wegen kennen ze niet.” 11 En in mijn toorn heb Ik gezworen: “Nooit zullen ze mijn rust binnengaan.”’ (NBV21)

Wij hebben eigenlijk geen idee van de tijd waarin de brief aan de Hebreeën werd geschreven. Toch is dat belangrijk om te kunnen snappen wat er staat en waarom het er staat. De titel van de brief doet vermoeden dat de brief is geschreven aan een gemeente van overwegend Joden, maar de geleerden zijn het daar niet over eens. De eerste christengemeenten leefden in een religieuze wereld die wij niet kennen. Overal waren tempels waarin vele soorten goden op vele manieren werden aanbeden. Priesters en Priesteressen vervulden daar speciale riten en die moest je dan ook te vriend houden. Alleen de Joden hadden zulke tempels niet.

Maar de Joden buiten Palestina hadden ook gebouwtjes waar ze bijeen kwamen, synagogen noemden ze die. Ook daar waren voorgangers en de Joden hadden speciale kleding aan die hen onderscheidden van de anderen, ze spraken ook een eigen taal die verder niemand kon verstaan. Van buitenaf leken ze op aanhangers van een Tempel waar de rest van de bevolking weliswaar niet kwam maar die wel niet zoveel zou verschillen. Die Christenen deden het nog anders. Die kwamen bij elkaar bij iemand thuis. Rijken en armen, slaven en vrijen, Joden en Heidenen, mannen en vrouwen. Ze onderscheiden zich niet in kleding, hielden geen optochten, hadden geen beelden of amuletten, maar hielpen de mensen in de stad die in problemen waren gekomen.

Als je aan Christenen vroeg wie hun Priester was dan vertelden ze over ene Jezus van Nazareth. De Joden herkenden daar een landgenoot in en zullen gevraagd hebben wat die Jezus van Nazareth wel niet betekende. Dan kwamen die Christenen aan met het verhaal dat we vandaag lezen. Hoe zo’n gemeenschap van Christenen leek op het volk van Israël in de woestijn. Daar waar ze ontdekt hadden hoe sterk ze op elkaar waren aangewezen, waar ze gehoord hadden dat ze hun naaste lief moesten hebben als zichzelf. En hoe die Jezus van Nazareth hen diezelfde boodschap had voorgehouden en hoe ze soms net als het volk Israel de neiging hadden daar tegen in opstand te komen. Maar die Christenen verwierpen elke vorm van geweld en wilden door Liefde voor de minsten de wereld veranderen. En dat willen we toch vandaag ook nog.

 

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *