Ten behoeve van Israël

2 Samuël 5:6-16

6 De koning en zijn mannen trokken op naar Jeruzalem, waar de Jebusieten woonden. De Jebusieten zeiden tegen David: ‘U komt er niet in! Sterker nog: de lammen en de blinden zullen u verjagen! David komt er niet in!’ 7 Toch veroverde David de bergvesting van Sion, de huidige Davidsburcht, 8 en hij verklaarde: ‘Wie de Jebusiet wil verslaan, hoeft slechts de watertoevoer af te snijden. En wat die lammen en die blinden betreft, die veracht ik uit de grond van mijn hart.’ Daarom zegt men: Lammen en blinden, die komen het huis niet in. 9 David ging in de bergvesting wonen en noemde deze de Davidsburcht. Hij breidde de vesting rondom uit, tot aan het Millobolwerk. 10 In de loop der tijd werd David steeds machtiger, want de HEER, de God van de hemelse machten, stond hem terzijde. 11 Koning Chiram van Tyrus stuurde afgezanten naar David en leverde hem cederhout en timmerlieden en steenhouwers voor de bouw van een paleis. 12 David besefte dat de HEER hem als vorst over Israël had aangesteld, en hem ten behoeve van Israël, zijn volk, tot een machtig koning had gemaakt. 13 Na zijn komst uit Hebron nam David nog meer vrouwen en bijvrouwen, afkomstig uit Jeruzalem, en kreeg hij nog meer zonen en dochters. 14 Dit zijn de namen van de zonen die in Jeruzalem geboren werden: Sammua, Sobab, Natan en Salomo, 15 Jibchar, Elisua, Nefeg en Jafia, 16 en Elisama, Eljada en Elifelet. (NBV21)

Hebron was vanouds een belangrijke plaats in Juda. Nu David ook Koning van het overige Israël was geworden moest er een Koningsstad, een hoofdstad voor het rijk, komen die niet gebonden was aan een van de twee delen van Israël maar symbool kon staan voor de eenheid. In het midden tussen Juda en Israël lag de stad van de Jebusieten. Een onneembare vesting dachten ze zelf. Maar als je de watertoevoer in een warm land afsnijdt dan houdt een stad het niet lang vol. Zelfs de blinden en de lammen hielden David dus niet tegen. Matteüs legt veel later nog eens uit wat het betekent dat David een hekel heeft aan blinden en lammen. Nadat Jezus van Nazareth de Tempel gereinigd heeft van handelaars en wisselaars, vertelt Matteüs dat de blinden en de lammen naar Jezus toe kwamen. “En hij genas hen” staat er dan. Genezen is dus beter dan ze buiten de samenleving te zetten en als minderwaardig te behandelen zoals de Jebusieten deden.

David werd een machtig vorst. Hij kreeg zijn paleis bijna aangeboden door de vorsten van de buurlanden die hem te vriend wilden houden. Ook de harem van David wordt uitgebreid en hij heeft een vruchtbaar gezinsleven. Bijna gaat de Koning van Israël lijken op de Koningen die ook de Heidenen hebben. Om een dergelijke koning had het volk immers gevraagd. David beweegt zich op een gevaarlijke grens. Maar nog blijft hij een Koning naar Gods hart. Hij bekent dat hij zijn koningschap en de bijbehorende grootheid van God zelf heeft gekregen. Hij hoeft zich niet te verheffen omdat hij zo goed is. Ook wij mogen daaraan denken als ons veel is toegevallen, als we gezondheid en welvaart kennen, een voorspoedig gezinsleven hebben, het is ons gegeven door de God van Israël en het is ons gegeven om te delen. David wist zich gezag te veroveren.

Zijn militaire successen uit de tijd dat hij onder Saul diende waren nog lang niet vergeten. Dat hij vijanden overwon maar niet uitroeide maakte ook indruk. Kennelijk had deze koning zoveel zelfvertrouwen dat hij het aandurfde in vrede met zijn voormalige vijanden te leven. David bouwde een hof op zoals veel koningen hadden. Maar de vrouwen en bijvrouwen die hij nam waren geen onderdeel van vredesverdragen zoals dat bij zijn zoon Salomo wel het geval zou zijn. Hij nam zijn vrouwen en bijvrouwen uit de bevolking van Jeruzalem en daarmee versterkte hij de positie van de stad als hoofdstad. Als je inwoner van de stad was dan hoorde je al bijna bij het hof van de grote Koning David. David had geen volk ten behoeve van hemzelf, maar was koning ten behoeve van het volk. Zo zullen wij onze regeringen moeten beoordelen, zijn ze er voor de burgers of zijn de burgers er voor hen. Aan ons om de overheid het goede voor te houden.

Zij zalfden hem

2 Samuël 5:1-5

1 Alle stammen van Israël kwamen bij David in Hebron en zeiden tegen hem: ‘Hier zijn we, uw eigen vlees en bloed. 2 Ook vroeger al, toen Saul nog over ons regeerde, was u degene die de troepen van Israël aanvoerde. De HEER heeft u beloofd: Jij zult mijn volk Israël weiden; jij zult vorst over Israël zijn.’ 3 De oudsten van Israël kwamen bij de koning in Hebron. Daar sloot koning David ten overstaan van de HEER een verdrag met hen, en zij zalfden hem tot koning van Israël. 4 David was dertig jaar toen hij koning werd en hij regeerde veertig jaar: 5 vanuit Hebron regeerde hij zeven jaar en zes maanden over Juda en vanuit Jeruzalem regeerde hij drieëndertig jaar over heel Israël en Juda. (NBV21)

Een mooi verhaal vandaag zo lijkt het. Alle twaalf stammen van Israël erkenden David als koning en er vond een plechtige kroning plaats, met zalving en alles wat daar bij hoort. Maar wat staat er dan op het eind van het stukje, David was eerst Koning van Juda, met Hebron als hofstad en daarna nog drieëndertig  jaar over het geheel van die twaalf stammen. Als je de Bijbel in stukjes knipt dan kun je aardig in verwarring raken. Losse teksten gebruiken is dan ook een teken van minachting voor de Bijbel. David is drie keer tot Koning gezalfd. De eerste keer door Samuël, toen Saul ook nog koning was. De tweede keer na de dood van Saul over Juda en nu de derde keer. En die derde keer was er niet zo maar gekomen.

Door machinaties van Abner, legeraanvoerder bij David, en de moord op Isboset, de laatste mogelijke opvolger van Saul, werd de weg vrijgemaakt om David te zalven tot Koning over Israël, de derde keer. Drie maal is scheepsrecht zegt ons spreekwoord maar in de Bijbel is drie ook vaak het getal van de volheid, het getal van God ook. David is nu drie maal gezalfd en niemand hoeft meer te twijfelen aan wie de Koning over heel Israël is, de koning naar Gods hart  Een koning die geweigerd heeft de wettige koning te doden ook al liep zijn eigen leven gevaar. Dit was de koning die het volk zou kunnen bevrijden van het Heidendom. Het Heidendom dat het volk kwam beroven van oogsten en winsten.

Het Heidendom dat het volk kwam verkrachten en vernederen. Maar ook het Heidendom dat aantrekkelijke godsdiensten inbracht waar winst en profijt klaar lagen voor wie de juiste offers wist te brengen. Een Koning die zorgde voor de zwaksten in de samenleving, die recht en gerechtigheid bracht, dat was pas een koning naar Gods hart.  Dat is zo’n mooie droom dat later alle gelovigen een volk van koningen en priesters genoemd zouden worden. Zo komt het dat wij ons mogen identificeren met die Koning naar Gods hart wanneer we de armen recht verschaffen, de hongerigen voeden, de naakten kleden en de gevangenen bevrijden. Elke dag mogen we daar weer aan werken, ook vandaag weer.

Een stroom van tranen

Psalm 80

1 Voor de koorleider. Op de wijs van De lelies. Een getuigenis. Van Asaf, een psalm. 2 Hoor ons, herder van Israël, die Jozef leidt als een kudde. U die troont op de cherubs, verschijn in luister 3 aan Efraïm, Benjamin en Manasse. Laat uw kracht ontwaken, kom, en red ons. 4 God, keer ons lot ten goede, toon uw lichtend gelaat en wij zijn gered. 5 HEER, God van de hemelse machten, hoe lang nog blijft U vertoornd op uw biddende volk? 6 U liet ons brood van tranen eten en een stroom van tranen drinken. 7 U hebt andere volken tegen ons opgezet, onze vijanden drijven de spot met ons. 8 God van de hemelse machten, keer ons lot ten goede, toon uw lichtend gelaat en wij zijn gered. 9 U hebt een wijnstok uitgegraven in Egypte, en volken verdreven om hem te planten. 10 U gaf hem een ruime plek, hij schoot wortel en vulde het land. 11 De bergen werden bedekt door zijn schaduw, de machtige ceders door zijn twijgen, 12 hij strekte zijn takken uit tot de zee, tot aan de Grote Rivier zijn ranken. 13 Waarom hebt U zijn omheining vernield? voorbijgangers plukken hem leeg, 14 wilde zwijnen wroeten hem om, velddieren vreten hem kaal. 15 God van de hemelse machten, keer u tot ons, kijk neer uit de hemel en zie, bekommer u om deze wijnstok, 16 de stek die uw hand heeft geplant, het kind dat U zelf hebt grootgebracht. 17 Hij is verbrand en weggehakt, verkwijnd onder uw duistere blik. 18 Leg uw hand op uw beschermeling, het mensenkind dat U hebt grootgebracht. 19 Dan zullen wij niet van U wijken. Laat ons leven, en wij roepen uw naam: 20 HEER, God van de hemelse machten, keer ons lot ten goede, toon uw lichtend gelaat en wij zijn gered. (NBV21)

In de kerken van Nederland wordt één zondag per jaar de Israël zondag gevierd. Het Christendom is eigenlijk een Joodse sekte. Alles wat Joden geloven, geloven Christenen ook en bovendien geloven Christenen nog in het verhaal van Jezus van Nazareth die uiteindelijk dat Joodse geloof ook openstelde voor de Heidenen. Christenen moeten er voortdurend aan herinnerd worden dat ze Joodse wortels hebben. Ze gaan anders om met alle leefregels waar de Joden zich aan houden en die in de Bijbel staan. Maar de wortels liggen in het land Israël, ooit het land overvloeiende van melk en honing, het beloofde land. In dat land wonen naast de Israëlieten ook andere volken. In het boek Rechters staat dat die andere volken er wonen om het volk Israël te testen. In de tijd van de Rechters liepen de Israëlieten steeds achter andere goden aan, in onze tijd komt het er op aan of ze durven kiezen voor de vrede. Het beeld dat de inwoners van Israël tot nu toe brood van tranen hebben gegeten klopt wel.

In 1948 besloten de Verenigde Naties dat het mandaatgebied van de Britten in Palestina gedeeld zou moeten worden in een Israëlisch en een Palestijns deel. Een meerderheid van de volken van de wereld was het daar mee eens. Maar de Arabische landen niet, die begonnen direct een oorlog toen de inwoners van het Israëlische deel de staat Israël uitriepen. Pas in de laatste paar jaren erkent ook de Arabische wereld dat delingsplan. Noorse politici hebben er voor gezorgd dat er tussen de beide partijen gesproken werd. Amerikaanse presidenten als Carter en Clinton zorgden er voor dat er verdragen gesloten werden. Nog steeds is het wachten op de uitvoering. Die uitvoering is best eng voor beide partijen. Geweld vergelden met geweld is zo lang de gewoonte geweest. Zo veel mensen hebben nog redenen om hen aangedaan geweld met nieuw geweld te vergelden dat het bijna onmogelijk lijkt de cirkel te doorbreken. Toch zal dat moeten. In Europa hebben we op ons genomen de Palestijnen te helpen mee te delen in de welvaart van de wereld, we bouwden een haven in Gaza. We zullen de Israëlieten moeten helpen hun tranen te drogen, zeker ook door elk spoor van antisemitisme in onze eigen samenleving te bestrijden.

Uiteindelijk zullen er dan zoals de psalmist zegt wijnstokken gepland kunnen worden. Maar de psalmdichter begint met onderscheid te maken. Hij heeft het niet over de God van Jacob maar over de God van Jozef, de zoon die de levensladder van onderaf moest beklimmen, vanuit de put tot aan de hoogste troon. En Efraïm en Manasse waren de zonen van Jozef die als stamvaders in Israël werden opgenomen, Benjamin was de jongste broer van Jozef. Sommige geleerden menen dan ook dat deze psalm werd geschreven in het Noordelijk rijk. Toen het land verscheurd was in een Noordelijk en een Zuidelijk Koninkrijk. Pas de ballingschap vormde er weer één volk van is te lezen bij de profeet Ezechiël. En juist die eenheid en de bereidheid te delen met andere volken was het hart van Israël dat na de ballingschap nog eens extra benadrukt werd. Eén als een grote wijnstok die heel het land vulde. Die strekt zijn schaduw uit over de hele aarde. Ergens zegt de Bijbel dat ooit alle volken zich naar Jeruzalem zullen keren. Dan wordt het dus pas echt vrede.

 

Wie geen honderd wordt.

Jesaja 65:17-25

17 Zie, Ik schep een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Wat er vroeger was raakt in vergetelheid, het komt niemand ooit nog voor de geest. 18 Verheug je voor altijd en jubel om wat Ik schep. Ik herschep Jeruzalem in een jubelende stad en schenk haar bevolking vreugde. 19 Dan zal Ik over Jeruzalem jubelen en me verheugen over mijn volk. Geen geween of geweeklaag wordt daar nog gehoord. 20 Geen zuigeling zal daar meer zijn die slechts enkele dagen leeft, geen grijsaard die zijn jaren niet voltooit; want een kind zal pas sterven als honderdjarige, en wie geen honderd wordt, geldt als vervloekt. 21 Zij zullen huizen bouwen en er zelf in wonen, wijngaarden planten en zelf van de opbrengst eten; 22 in wat zij bouwen zal geen ander wonen, van wat zij planten zal geen ander eten. Want de jaren van mijn volk zullen zijn als de jaren van een boom; mijn uitverkorenen zullen zelf genieten van het werk van hun handen. 23 Zij zullen zich niet tevergeefs afmatten en geen kinderen baren voor een verschrikkelijk lot. Zij zullen, met heel hun nageslacht, een volk zijn dat door de HEER is gezegend. 24 Ik zal hun antwoorden nog voor ze Mij roepen, Ik zal hen verhoren terwijl ze nog spreken. 25 Wolf en lam zullen samen weiden, een leeuw eet stro, net als een rund, en een slang zal zich voeden met stof. Niemand doet kwaad, niemand sticht onheil op heel mijn heilige berg-zegt de HEER. (NBV21)

Je hoort het de mensen nog wel eens zeggen: “ik moet er niet aan denken, de ellende die mensen is overkomen”. Jesaja schetst een wereld waar je er inderdaad niet meer aan hoeft te denken. Je maakt het niet meer mee, je hoort er niet meer van. Geen kind zal binnen een paar dagen sterven. Een gruwelijke ervaring voor ouders, je krijgt een kind en door wat voor oorzaak ook wordt dat kind niet oud. Hoe oud een kind ook is het hoort niet voor de ouders te sterven. Nog jaren later kun je aan een moeder merken dat hoe flink en opgeruimd ze ook doet, ze eigenlijk in een hoekje van haar hart nog steeds huilt om haar gestorven kind. In onze omgeving hebben we dan te maken met ziekte, met zeer, soms met een ongeluk, dat overkomt een enkeling en gelukkig leven dan velen mee. Maar er zijn landen op de wereld waar het regel is, waar moeders vele kinderen krijgen omdat er maar weinig zullen zijn die hen zullen overleven.

De profeet spreekt ook over de gevolgen van oorlogen. Je bouwt een huis maar dat komt in een vuurlinie te liggen. Anderen nemen het in bezit of verwoesten het en soms is het eerst gestolen en vervolgens verwoest. Landbouwers hoeven niet meer bang te zijn dat de opbrengst van hun land wordt geroofd. In onze dagen betekent dat misschien voor landbouwers dat zij door oneerlijke subsidies of regels en wetten in het nadeel worden gezet tegenover anderen en de opbrengst van hun land en arbeid niet meer tegen de kostprijs kunnen verkopen zodat ze armer en armer worden. Jesaja heeft het over een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, die komen er aan. We denken vaak dat er nog niks van te zien is en dus zal die nieuwe hemel wel na onze dood komen. Johannes, schrijver van het boek Openbaring, zag dat heel anders. Hij zag de hemel op aarde neerdalen. God zal zelf zijn tenten hier spannen en dan hier op aarde gaan wonen. Er is dan ook een nieuw Jeruzalem met een Tempel waar de richtlijnen voor de menselijke samenleving het middelpunt van zijn. Maar iedereen handelt en leeft volgens die richtlijnen.

Jesaja is niet veel verschillend van Johannes. Jesaja schetst eerst de voorwaarden waaraan voldaan moet zijn wil die nieuwe hemelse aarde ook echt komen. In de afgelopen dagen hebben we kunnen lezen over de dienaren van de God van Israël die nog een kans krijgen omdat er ergens iets goeds in hen te vinden zou zijn. Als zij aan de slag gaan met de richtlijnen voor de menselijke samenleving dat begint die nieuwe hemelse aarde al aardig vorm te krijgen. Dan heeft niemand meer honger en in onze dagen hoeft niemand honger te hebben als we eerlijk delen, dan is ook de dorst naar gerechtigheid gestild, want dictators en schendingen van mensenrechten worden direct aangepakt en krijgen niet de kans decennia lang de samenleving te verzieken. De naakten worden gekleed, de bedroefden getroost, de zieken genezen. Dan hoeven zelfs wilde dieren niet meer op jacht omdat zij hun voedsel voorgeschoteld krijgen, zo kan dan een leeuw met een lam samen weiden. Die dienaren zijn dus daarvoor een voorwaarde. Als wij dienaren van de God van Israël willen zijn hoeven we dus niet lang te bidden, of met de armen te zwaaien en halleluja te roepen, maakt het ook niet uit wat we zingen, maar moeten we aan het werk, de naaste liefhebben als onszelf, de richtlijnen van God tot gelding brengen in deze wereld, ook vandaag weer.

 

Een rustplaats voor rundvee

Jesaja 65:8-16

8 Dit zegt de HEER: Zolang er sap is in een druiventros, zegt men: ‘Vernietig hem niet, er zit nog iets goeds in.’ Voor mijn dienaren zal Ik hetzelfde doen, Ik zal niet alles vernietigen. 9 Uit Jakob zal Ik nageslacht doen voortkomen, uit Juda een erfgenaam van mijn bergland; mijn uitverkorenen zullen het land in bezit nemen, mijn dienaren zullen zich daar vestigen. 10 De Saron zal weidegrond zijn voor schapen, het Achordal een rustplaats voor rundvee, bezit van het volk dat Mij heeft geraadpleegd. 11 Maar jullie die de HEER hebben verlaten en mijn heilige berg veronachtzaamd, die voor de god van het geluk de tafel dekten en voor de god van het fortuin de kruiken vulden, 12 jullie zal Ik voor het zwaard bestemmen, ieder van jullie zal knielen voor de slacht. Want Ik heb geroepen, maar jullie antwoordden niet, Ik heb gesproken, maar jullie luisterden niet; jullie deden wat slecht is in mijn ogen, en jullie verkozen wat Ik niet wil. 13 Daarom-dit zegt God, de HEER: Mijn dienaren zullen eten, maar jullie zullen honger lijden; mijn dienaren zullen drinken, maar jullie zullen dorst lijden; mijn dienaren zullen zich verheugen, maar jullie zullen te schande staan; 14 mijn dienaren zullen juichen van vreugde, maar jullie schreeuwen het vertwijfeld uit en weeklagen, vanwege een gebroken geest. 15 De naam die jullie nalaten wordt door mijn uitverkorenen gebruikt wanneer zij iemand vervloeken: ‘Zo zal God, de HEER, je doden!’ Maar mijn dienaren geef Ik een andere naam; 16 dan zal wie zich met het land gezegend noemt, zich gezegend noemen met de waarachtige God, en wie zweert bij het land, zal zweren bij de waarachtige God. Dan zal alle ellende van vroeger vergeten zijn, verborgen voor mijn ogen. (NBV21)

Als je de geschiedenis van de mensheid beziet, ook na het optreden van Jesaja en het teken dat uitgaat van de terugkeer uit de ballingschap dat alle onderdrukte volken ooit eens bevrijd zullen worden, kan zich afvragen waarom er eigenlijk nog mensen bestaan. Het volgen van de richtlijnen voor de menselijke samenleving die via Israël aan de wereld zijn geschonken heeft eigenlijk nooit en nergens de boventoon gevoerd. Als de God van Israël de beschermer is van de onderdrukten dan zou die God toch harder moeten zijn opgetreden. Jesaja lijkt in het stuk van vandaag met een verklaring te komen. Er zit kennelijk in onderdrukkers eigenlijk altijd ook nog wel een beetje goeds. Daar kun je het dan als onderdrukte, als arme meedoen. En in menige kerk zal het zo zijn uitgelegd. Maar dat staat er niet. Er staat dat God het voor zijn dienaren zo zal doen. Die dienaren zijn wij, onbeholpen gelovigen die met grote ogen naar al het onrecht in de wereld kijken en ons afvragen wat we daar in Godsnaam aan zouden kunnen doen. Jeremia beurt ons op, ook al lukt het niet of zelfs nooit helemaal, God zal ons dat niet kwalijk nemen als we er maar mee bezig blijven.

De tegenstelling tussen dienaren en vijanden wordt hier door Jesaja op een wel heel actuele manier geschetst. De dienaren worden beloond, zij hebben acht geslagen op de heilige berg. Misschien herkennen wij het beeld niet maar op die Berg zegt de Bijbel staat de Tempel van de God van Israël en in die Tempel staat geen beeld van die God maar worden de richtlijnen voor de menselijke samenleving bewaard. Dienaar van de God van Israël betekent dus dat je die richtlijnen je eigen maakt en daarnaar handelt. Ze laten zich samenvatten in het Heb uw naaste lief als uzelf. De vijanden van de God van Israël worden ook beschreven. Zij luisteren niet naar die richtlijnen en alle verhalen die er in de loop van de geschiedenis over zijn verteld, zij denken in de eerste plaats aan zichzelf. Je moet maar geluk hebben in het leven en als je geluk hebt bij de handel of bij je werk dan komt je dat toe, dat is voor jou. Daarom doen we massaal mee aan loterijen, waar slechts de organisatoren rijk van worden, daarom kijken we op tegen mensen die hun talenten kunnen omzetten in rijkdom. Van hen verwachten we ook niet dat er gedeeld wordt met de armen.

Toch willen alle mensen vrede. Toch roepen alle mensen dat God toch een einde zou moeten maken aan het lijden. Hongeren en dorsten naar gerechtigheid heet dat in de Bijbel ook wel. En de tegenstelling tussen de dienaren en de vijanden van de God van Israël wordt hier duidelijk geschetst. De dienaren van de God van Israël, zij die de richtlijnen volgen, zullen eten, gerechtigheid ontmoeten, de vijanden van de God van Israël zullen honger leiden, want gerechtigheid moet je betrachten dat valt je niet toevallig toe, dat verdraagt zich niet met een geluksfactor die omgezet kan worden in een fortuin. Daarom blijft het geweld in de wereld, de vijanden van de God van Israël roepen dat op. Wij zijn daar ook in ons land nog lang niet aan toe. Ingrijpen als er ergens op de wereld onrecht wordt betracht, als volken worden onderdrukt zoals decennia lang met bijvoorbeeld de Koerden is gebeurd. Wij wachten tot er geweld uitbreekt, wij wachten tot de onderdrukten zelf in opstand komen zoals in Syrië is gebeurd. En dan nog helpen wij niet om de dictator te verdrijven, om een einde te maken aan de tirannie. Wellicht dat er in ons streven en denken iets goeds te vinden is, maar we zullen wel in actie moeten komen. Dat kan elke dag opnieuw, ook vandaag.

 

Een opstandig volk

Jesaja 65:1-7

1 Al vragen zij niet naar Mij, toch laat Ik me raadplegen, en al zoeken ze Mij niet, toch laat Ik me vinden. Al roept dit volk mijn naam niet aan, toch antwoord Ik: ‘Hier ben Ik, hier ben Ik.’ 2 Heel de dag sta Ik met uitgestoken handen tegenover een opstandig volk, dat op de verkeerde weg is en zijn eigen ingevingen volgt. 3 Een volk dat Mij openlijk tergt, telkens opnieuw: ze ontsteken offers in tuinen en branden wierook op branders van aardewerk, 4 ze zitten in graven en slapen op geheime plaatsen, ze eten vlees van varkens, hun vaatwerk is gevuld met onrein vleesnat. 5 Ze zeggen: ‘Blijf waar je bent, kom niet dichterbij, want ik ben te heilig voor jou.’ Ze prikkelen Mij als rook in mijn neus, ze zijn als een vuur dat de hele dag brandt. 6 Hier voor Mij ligt wat er geschreven staat; Ik zal niet rusten tot Ik alles heb vergolden. Ik zal jullie je wandaden terugbetalen 7 en die van je voorouders erbij-zegt de HEER; ook zij hebben wierook gebrand op de bergen en Mij gehoond op de heuvels. Ik heb hun loon van tevoren bepaald, ze krijgen het allemaal terug. (NBV21)

In een tijd van ontkerkelijking, waarin zelfs het geloven in een God door enkelingen bestreden wordt, vraagt menig gelovige zich af wat er nu over is van dat visioen dat een profeet als Jesaja had geschilderd. Dat visioen waar gezegd wordt dat er een samenleving komt waarin alle tranen gedroogd zullen zijn, waar niemand dood gaat voor zijn tijd. Het hele boek van de profeet Jesaja is doorspekt van dit soort visioenen. Iedereen kent wel het beeld van het kind dat speelt in het hol van de slang en de leeuw die samen in wei ligt met het lam. Jesaja schildert de ideale samenleving. Zo’n samenleving zal iedereen wel willen hebben. Maar je kunt kennelijk alleen maar dromen van een dergelijke samenleving. Als je alle ellende om je heen ziet dan is er toch maar heel weinig te merken van een dergelijke samenleving. In de dagen van Jesaja was dat nog erger, het volk was in ballingschap.

In de dagen waarover het gedeelte van vandaag werd geschreven was een aanzienlijk deel van de ballingen al teruggekeerd naar Jeruzalem. Maar ook daar was nog niet veel te merken van het visioen dat Jesaja zo prachtig had geschilderd. De stad werd opgebouwd maar zo staat elders in de Bijbel de bouwers hadden de troffel in de ene en het zwaard in de andere hand. Het is als het visioen dat we hadden toen de apartheid op instorten stond. Nelson Mandela was het gelukt in plaats van een burgeroorlog tussen zwart en blank een vreedzame overgang van het apartheidsregiem naar een geïntegreerde samenleving tot stand te brengen. Maar de krottenwijken waren nog lang niet verdwenen. Van een rechtvaardige beloning van zwarte arbeiders is nog nauwelijks sprake. Een eerlijke verdeling van kennis, inkomen en macht in het land is nog ver te zoeken. Kan het allemaal wel die mooie visioenen zoals die in de Bijbel staan, zoals idealisten ze ook in onze dagen weten te dromen?

Jesaja geeft in het gedeelte van vandaag een verrassend antwoord. Het ligt niet aan de visioenen, het ligt niet aan de God van Israël, maar het ligt aan mensen die er niet aan willen. Mensen willen wel mooie godsdienstige rituelen, offers brengen en mooie liederen zingen. Priesters in dure gewaden kleden en ingewikkelde rituelen laten uitvoeren, maar beantwoorden aan de richtlijnen die de God van Israël in de woestijn aan het volk had gegeven voor een menselijke samenleving is er niet bij. Ook in onze dagen bloeit de religie. Klankschalen, kleur therapieën, planteneters, persoonlijke groeiwijzen, betere geheugens, het komt allemaal voort uit religieuze overwegingen die niets te maken hebben met de richtlijn van heb uw naaste lief als uzelf. Ook zogenaamde Christelijke groeperingen kenden lange tijd die religieuze inslag van als je nu maar hard zingt en met de armen zwaait en op tijd halleluja roept dat komt het goed. Zij krijgen heel langzaam door dat daar het geloof in de God van Israël, het volgen van Jezus van Nazareth niet in zit. Maar je kunt elk moment beginnen die richtlijnen wel te volgen. De God van Israël houdt zijn handen altijd naar je uitgestrekt, maak er dus gebruik van.

 

Wij worden veracht

Psalm 123

1 Een pelgrimslied. Naar U sla ik mijn ogen op, naar U die in de hemel troont. 2 Zoals de ogen van een slaaf de hand van zijn heer volgen, en de ogen van een slavin de hand van haar meesteres, zo volgen onze ogen de HEER, onze God, tot Hij ons genadig wil zijn. 3 Wees genadig, HEER, wees ons genadig, wij worden veracht, meer dan te dragen is. 4 Meer dan onze ziel kan dragen raakt ons de achteloze spot, de hoogmoed van onverschilligen. (NBV21)

Gelovigen hebben lange tenen. Je hoeft maar wat over een geloof te zeggen of het regent commentaar. Humor is er over het algemeen niet bij. Dat atheïsten ook egoïsten zijn en niets over hebben voor een ander bijvoorbeeld kan eindeloze discussies opleveren. Dat christenen altijd maar weer aankomen met regeltjes en verboden is een bron van voortdurende spot en arme meisjes die roepen dat ze toch echt niks mogen. Niemand heeft Paulus ooit horen roemen over de vrijheid. Vandaag zingen we er een Psalm over met de Kerk. Maar gaat die Psalm wel over de overgevoeligheid voor de achteloze spot, de hoogmoed van de onverschilligen? Het is een Pelgrimslied, zo’n lied dat je zingt in een demonstratie, sluit je aan, sluit je aan blijf daar niet zo weerloos staan klonk het hier in Nederland vaak in demonstraties. En mensen die warm lopen voor een goed doel kennen het gevoel in de steek gelaten te worden door mensen die dat schijnbaar niets interesseert.

Hoe kun je ongevoelig blijven als duizenden nertsen vergast worden alleen omdat ze zo’n mooi huidje hebben. Hoe kun je stil blijven zitten als duizenden sterven van de honger omdat wij niet bereid zijn onze overschotten te delen. Demonstranten hebben soms wel wat van schapen die blind achter de herder aan lopen. De Psalm vergelijkt ze met slaven en slavinnen die hun meesters en meesteressen volgen. Maar dat lijkt maar zo, ze zijn op weg voor een goed doel, pelgrims in de psalm naar de tempel, demonstranten naar een betere wereld. Die Pelgrims waren overigens ook op weg naar een betere wereld. Want in die Tempel werd immers de richtlijn bewaard van heb Uw naaste lief als Uzelf. En in de religieuze voorschriften van het volk Israel stond dat je een paar keer per jaar, bij de grote feesten, een maaltijd moest houden met je familie, de dienaren van de Tempel, de armen en de vreemdelingen uit je stad.

Daarom herdicht Huub Oosterhuis in deze Psalm ” die mijn gezicht ziet verharden als ik in oog sta met de verachters van de vreemdeling”. Het heeft lang geduurd voordat we in de publiciteit ook wat horen van de mensen die blij zijn met de mensen die mee vorm geven aan de welvaart in ons land ook al komen ze ergens anders vandaan. Eindelijk horen we wat van de mensen die zich verzetten tegen de laffe angsthazen die blij zeggen te zijn als de mensen die hier de onvervulbare vacatures willen opvullen terugkeren naar hun eigen land. Het is de hoogmoed van die onverschillige laffe angsthazen die, met voorbijzien van het menselijk leed dat zij met hun tweedracht zaaien en ophitserij veroorzaken, ons in het diepste van onze ziel raakt. Gelovigen die de Pelgrimsreis uit deze Psalm zijn aangevangen, en wij dus ook, zien die vreemdelingen waar zij het over hebben als onze eigen broeders en zusters. Wij kunnen wat tegen hen zeggen als ze wat verkeerd doen, maar wij houden van ze. Gelukkig dat onze stem nu ook eens gehoord wordt, laten we blijven zingen.

Geoordeeld naar zijn daden.

Openbaring 20:11-15

11 Toen zag ik een grote witte troon en Hem die daarop zat. De aarde en de hemel vluchtten van Hem weg en verdwenen in het niets. 12 Ik zag de doden, groot en klein, voor de troon staan. Er werden boeken geopend. Toen werd er nog een geopend: het boek van het leven. De doden werden op grond van wat in de boeken stond geoordeeld naar hun daden. 13 De zee stond de doden die ze in zich had af, en ook de dood en het dodenrijk stonden hun doden af. En iedereen werd geoordeeld naar zijn daden. 14 Toen werden de dood en het dodenrijk in de vuurpoel gegooid. Dit is de tweede dood: de vuurpoel. 15 Wie niet in het boek van het leven bleek te staan werd in de vuurpoel gegooid. (NBV21)

Sinds de bezetting van het land Israël door uiterst wrede Griekse koningen, je kunt daarover lezen in de boeken van de Makkabeeën die op de rand van de Bijbel staan, vond men het in Israël zeer onrechtvaardig als er voor de slachtoffers van de terreur van de bezetters geen gerechtigheid zou bestaan. Dat kon men eigenlijk niet geloven. Daarom werd de oude overlevering over de adem van God die naar God zou terugkeren uitgebreid. In Genesis kun je lezen dat God een grens aan de leeftijd van de mens stelde. Ouder als 120 jaar zou een mens niet kunnen worden. En daar God de mens uit aarde had gevormd en met zijn adem de mens het leven had gegeven zou de mens weer tot stof vergaan en de adem van God zou naar God terugkeren. Een prachtig beeld op zich. Maar alleen als alle mensen dat ook verdienen. En wie Gods adem verspilt door anderen het leven te benemen of onmogelijk te maken verdient die rust aan de boezem van God niet. Daarom ontstond er het geloof dat er op een dag een oordeel zou komen waarin God de doden zou oordelen naar hun daden.

Een geloof dat ook in de dagen van Johannes een zeer toepasselijk geloof was. In het Romeinse Rijk immers telde een leven niet. Mensen vonden de dood in de arena, waar sterven op allerlei manieren een volksvermaak was geworden, mensen vonden de dood omdat ze geloofden in de Messias Jezus van Nazareth die was opgestaan uit de doden. Johannes zelf zat gevangen op een eiland waar mijnen waren en gevangenen en slaven in de mijnen zo hard moesten werken dat velen er aan dood gingen. De dood van die slaven telde voor geen Romein, alleen de opbrengst van de mijnen telde mee. Een oordeel van een God over deze wrede daden, wanneer en hoe dan ook, zou voor de slachtoffers gerechtigheid brengen, zoals het goud gereinigd werd van ongerechtigheden door het vuur zou ook de aarde door een poel van vuur gereinigd worden van hen die onrecht deden aan hun medemensen. En als zij, die niet in het boek van het leven stonden, in de vuurpoel waren geworpen dan hoefde je er nooit meer aandacht aan te schenken en vooral: je hoefde er nooit meer bang voor te zijn. Voorgoed zouden de mensen bevrijd zijn van onrecht, geweld en onderdrukking.

Het zijn dromen die vandaag de dag nog vele onderdrukten zullen aanspreken. Want wanneer komt de dag, wanneer zal het zijn, dat de aarde bevrijd is van oorlog, geweld en onderdrukking? Eigenlijk is zo’n droom van het oordeel over de goeden en de kwaden een aansporing voor ons levenden om te werken aan een aarde waar onrecht, geweld en onderdrukking verdwenen zijn. Juist in het begin van een nieuw kalenderjaar moeten we ons realiseren dat de pijn van wreedheid en onrecht generaties kan voortduren. Dat het mensenlevens kan duren voordat soms een begin kan worden gemaakt met het herstel van onrecht. Dat wij de slachtoffers moeten blijven gedenken om niet weer in de verleiding te komen anderen uit te sluiten op grond van een geloof of een uiterlijk, tot ons eigen voordeel, of om onze eigen angst voor het leven te bedwingen. Laten wij blijven kiezen voor het leven zodat onze wereld terecht komt in het boek van het leven, daartoe roept vandaag ook Johannes ons op.

Voor duizend jaren.

Openbaring 20:1-10

1 Ik zag een engel uit de hemel neerdalen met de sleutel van de onderaardse diepte en zware ketenen in zijn hand. 2 Hij greep de draak, de slang van weleer, die ook duivel of Satan wordt genoemd, en ketende hem voor duizend jaren. 3 Hij gooide hem in de diepte, sloot de put boven hem en verzegelde die, opdat de volken niet meer door hem misleid zouden worden tot de duizend jaar voorbij waren; daarna moet hij korte tijd worden losgelaten. 4 Ook zag ik tronen, en degenen die erop zaten mochten rechtspreken. En ik zag de zielen van hen die onthoofd waren omdat ze van Jezus hadden getuigd en over God hadden gesproken; zij hadden het beest en zijn beeld niet aanbeden en ook zijn merkteken niet op hun voorhoofd of hun hand gekregen. Zij waren tot leven gekomen en heersten duizend jaar lang samen met Christus. 5 De andere doden kwamen niet tot leven voordat de duizend jaar voorbij waren. Dit is de eerste opstanding. 6 Gelukkig en heilig zijn zij die deel hebben aan de eerste opstanding. De tweede dood heeft geen macht over hen. Zij zullen priester van God en van Christus zijn en duizend jaar lang samen met Hem heersen. 7 Wanneer de duizend jaar voorbij zijn, zal Satan uit zijn gevangenis worden losgelaten. 8 Dan gaat hij eropuit om de volken aan de vier hoeken van de aarde, Gog en Magog, te misleiden. Hij brengt hen voor de strijd bijeen, zo veel mensen als er zand is bij de zee. 9 Ze trekken op, over de hele breedte van de aarde, en omsingelen het kamp van de heiligen en de geliefde stad. Maar vuur daalt neer uit de hemel en verteert hen. 10 En de duivel, die hen misleidde, wordt in de poel van vuur en zwavel gegooid, bij het beest en de valse profeet. Daar zullen ze dag en nacht worden gepijnigd, tot in eeuwigheid. (NBV21)

Dat zou toch eens mogelijk moeten zijn, dat het kwade voor duizend jaren van de aarde is verdwenen. Duizend jaren lang geen volkerenmoord, geen diefstal of oorlog, geen ongelukken en zich dooddrinkende kinderen, geen tranen die vergoten moeten worden, geen helden vermoord die niet vergeten mogen worden. Duizend jaren lijkt een eeuwigheid maar de eeuwigheid begint pas als God zich zelf op aarde heeft gevestigd. Dat het kwade voor duizend jaren van de aarde wordt verdreven wordt hier beschreven als het opsluiten met extra zware kettingen in de put onder de aarde. Het zijn beelden, dichterlijke beelden. We geloven niet in de Satan, maar hoe moeten we er anders over praten, het kwade is niet een abstractie, niet een woordenspel dat alleen in verbeelding bestaat, het kwade is zeer reëel en soms pijnlijk tastbaar onder ons en in ons aanwezig. Elk jaar herdenken we de slachtoffers van het kwade, van een Satan die zichzelf een duizend jarig rijk wilde scheppen, zoals er in de menselijke geschiedenis meer Satans zijn geweest die de aarde wilden beheersen en in hun macht wilden krijgen met geweld. En we moeten vrezen dat er na ons ook nog dergelijke Satans zullen komen.

Maar we mogen elk jaar ook de bevrijding van deze Satan vieren en het vieren van die bevrijding mag ons helpen te voorkomen dat er nieuwe Satans kunnen opstaan. Dat na duizend jaar van vrede de Satan weer de gelegenheid krijgt de volken te verleiden op te staan tegen de stad die de liefde van God heeft. Bedoeld wordt natuurlijk het Jeruzalem zoals wij dat uit de Bijbel kennen. De stad waar de richtlijnen van God wordt bewaard en beoefend. De richtlijnen die zeggen dat we overal op de wereld onze naaste lief moeten hebben als onszelf en dat iedereen, van alle volken en talen, mee moet kunnen doen met het uitoefenen van die richtlijnen. De machten die dat willen bestrijden hebben niet het laatste woord en zullen nooit het laatste woord hebben. Zij die het slachtoffer geworden zijn, zij die opstonden tegen dat kwade en daar het leven bij lieten zullen we op tronen moeten blijven zetten en blijvend gedenken, ook als voorbeeld voor onszelf en onze kinderen en kleinkinderen.

Want het verzet van alle goede mensen tegen het kwade vormt uiteindelijk de schakels van de ketting waarmee het kwade gebonden wordt en verdreven wordt van de aarde. En het herdenken houdt hen levend die hun leven voor onze vrijheid hebben gegeven. Zij blijven leven en sterven nooit de dood van vergetelheid of onverschilligheid zoals de beulen zullen sterven, hun namen kennen we niet meer, hun daden zijn het kwade waarvan wij bidden verlost te mogen worden. Als wij eenmaal er in geslaagd zijn het goede te doen overwinnen op het kwade, als God eenmaal op aarde woont, dan zal het kwade lijden onder het zijn van het kwade. Hier gebruikt Johannes beelden uit de Griekse mythologie. Daar waren het de helden, die opstonden tegen de goden, die gepijnigd werden vanwege hun opstand, hier is het het kwade zelf dat dag en nacht gepijnigd wordt zonder einde. En met het benoemen van het kwade als kwaad mogen we nu al beginnen, breng ons niet in verleiding heet het, maar laten we het goede doen door van onze naaste te houden, vandaag al.

 

Valse getuigen

Psalm 35:11-28

11 Valse getuigen keren zich tegen mij, ze beschuldigen mij van zaken waarvan ik geen weet heb. 12 Ze vergelden goed met kwaad, ik voel mij van ieder verlaten. 13 Waren zij ziek, ik trok een boetekleed aan, en bleef mijn gebed onverhoord, ik pijnigde mij door te vasten. 14 Ik liep rond als waren zij vrienden, broers, ik ging in het zwart gehuld en liep gebogen als iemand die rouwt om zijn moeder. 15 Maar toen ik dreigde te vallen, verheugden zij zich, ze liepen te hoop en sloegen me onverwachts neer, ze wilden me met huid en haar verscheuren, 16 die bende goddeloze spotters met een grijns op hun gezicht. 17 Heer, hoe lang nog blijft U toezien? Behoed mij voor hun moordlust, red mijn kostbaar leven van die leeuwen. 18 Dan zal
ik U prijzen in de gemeenschap, U loven waar heel uw volk bijeen is. 19 Gun mijn vijanden, die valsaards, geen leedvermaak, mijn redeloze haters geen blik van triomf, 20 want het woord vrede kennen zij niet, en tegen de weerlozen in het land smeden zij bedrieglijke plannen. 21 Ze roepen spottend, hun mond wijd open: ‘Zie hém daar!’ 22 U hebt het gezien, HEER, zwijg dan niet, mijn Heer, houd u niet ver van mij. 23 Verhef u, ontwaak, mijn God en mijn Heer, verdedig mij, vecht voor mijn zaak. 24 Doe mij recht, HEER, mijn God, U bent rechtvaardig, sta niet toe dat ze zich om mij vermaken, 25 laat hen niet kunnen denken: Dit is wat we wilden. Laat hen niet kunnen zeggen: ‘We hebben hem verslonden.’ 26 Dat beschaamd staan en vernederd wie zich verheugen op mijn ondergang. Dat met schaamte en schande bedekt worden wie zich boven mij verheffen. 27 Dat van vreugde juichen wie willen dat mij recht wordt gedaan. Laat hen gedurig mogen zeggen: ‘Groot is de HEER, vrede wil Hij voor zijn dienaar.’ 28 Van uw gerechtigheid zal ik spreken, van uw roem wil ik zingen, dag aan dag. (NBV21)

Het is uiteindelijk de God van Israël die de armen bevrijdt van hun onderdrukkers zingt de psalmdichter. Dat is niet een knip met de vingers, dat is niet met een bliksem uit donkere wolken of met een grote aardbeving die ineens alle uitbuiters in de grond doet zakken. Verhalen in de Bijbel lijken dat nog wel eens te vertellen maar zelfs degenen die ze door vertelden lachten er bij en vertelden dat het in de werkelijkheid zo niet zal gaan. Het zal gaan door de wetten en regels nauwkeurig te volgen. Niet omdat het nu eenmaal moet, niet omdat dode letters en verstofte regels beter zijn als het gevoel van levende mensen. Maar omdat we van elkaar houden.

We houden zelfs van een moordenaar die zijn straf heeft ondergaan, wat hij ook gedaan heeft. We willen een samenleving zonder moordenaars, een samenleving waar iedereen een aandeel in heeft, waar we met elkaar op zoek zijn naar de beste weg. Dan moeten we ook bereid zijn om moordenaars weer terug te brengen op die weg. Dan zullen de armen werkelijk bevrijdt zijn van hun uitbuiters. Daarbij moeten we oppassen voor fake nieuws zegt de psalm. Ook een veroordeelde moordenaar beschuldigen een misdadiger te blijven na het uitzitten van zijn straf is fake nieuws. Zolang hij geen nieuwe misdaad pleegt is hij een burger net als alle anderen.

De  Psalm vraagt om gerechtigheid. Niet dat van wij zijn beter omdat we niemand hebben vermoord, maar dat van wij zijn blij dat mensen weer een nieuwe kans krijgen. Een nieuwe kans om de weg van de God van Israël te gaan. Een nieuwe kans om elkaar lief te hebben en een positieve bijdrage te leveren aan de samenleving. Het is immers de God van Israël die ons de weg wijst naar liefde, vrede en gerechtigheid. Telkens als wij ons laten regeren door angst, door woede, door afschuw dan wijken we van de weg af. Wie slecht doet moet gestraft worden. Maar wie de straf heeft ondergaan moet de kans krijgen op een nieuwe, goede, manier met de samenleving om te gaan. Elke dag opnieuw mogen we aan die samenleving werken, ook vandaag weer.