Vecht tegen wie mij bevechten,

Psalm 35:1-10

1 Van David. Bestrijd, HEER, wie mij bestrijden, vecht tegen wie mij bevechten, 2 wapen u, grijp het schild, sta op om mij te helpen! 3 Zwaai met uw speer en strijdbijl en werp ze naar mijn achtervolgers. Zeg tegen mij: ‘Ik ben het die je redt.’ 4 Dat beschaamd en vernederd worden wie mij naar het leven staan, dat eerloos terugdeinzen wie mij kwaad willen doen. 5 Laat hen verwaaien als kaf in de wind wanneer de engel van de HEER hen opjaagt, 6 laat hun weg donker en glad zijn wanneer de engel van de HEER hen vervolgt. 7 Zonder reden hebben ze een net gespannen, zonder reden een kuil voor mij gegraven. 8 Laat hen ten onder gaan voor zij het weten, verstrikt raken in hun eigen netten en zelf de ondergang tegemoet gaan. 9 Dan zal ik juichen om de HEER, mij verheugen over de redding die Hij brengt. 10 Uit de grond van mijn hart zal ik zeggen: ‘HEER, wie is aan U gelijk? U bevrijdt de zwakken van hun onderdrukkers, de zwakken en de armen van hun uitbuiters.’ (NBV21)

De oproep die hier boven staat is gericht aan de God van Israël. Het lied dat we vandaag met de kerk meezingen begint er mee. En wat is dat voor slap gedoe, kun je zelf niet meer vechten? De Psalm wordt aan David toegeschreven, komt in elk geval uit een bundel liederen die bij de Tempel werden gezongen en de titel David droeg. En die koning David was een geduchte vechtersbaas, terwijl de koning van zijn dagen de vijanden per duizenden versloeg deed David dat per tienduizenden. Toch vraagt die David aan zijn God om zijn vijanden te bestrijden. Dat is niet zo vreemd als het lijkt. Volgens het verhaal dat in de Bijbel over David wordt verteld heeft hij weet van het verbond dat de God van Israël met zijn volk heeft gesloten. Bij dat verbond horen de richtlijnen voor de menselijke samenleving en de hoofdlijnen daarvan stonden op stenen platen.

Wat daar stond klinkt tot op vandaag door in onze wereld. “Gij zult niet doden” is een overbekende richtlijn en hoe kun je je vijanden bestrijden als je niet doden mag. David heeft in zijn leven ondervonden dat je soms vaker je vijanden moet doden dan je lief is. Zelfs al zou je niet geloven in de God van Israël dan dood je toch niet iedereen die je voor de voeten loopt. Iedereen die het niet met jou eens is. Iedereen waardoor jij je bedreigd voelt. Er zijn mensen die dat recht in eigen hand nemen. Zo voelde iemand zich bedreigd door Pim Fortuijn en schoot hem dood. Dat is in onze samenleving gelukkig een zwaar misdrijf. Wij hebben wetten en regels om opvattingen te bestrijden en het tot gelding brengen van volgens ons foute opvattingen te voorkomen.

Dat systeem werkt niet altijd feilloos, het is immers ook maar een menselijk bouwsel, maar het is wel het enige dat we hebben en dat we dus moeten koesteren. Daarom is die moordenaar ook onderworpen aan de regels van het strafrecht en volgens die regels door een rechter veroordeeld tot de straf die hij gekregen heeft. Daarom moet die straf ook uitgevoerd worden volgens de regels die er voor staan, juist omdat die moord zo verkeerd was. Afwijken van die regels omdat je het niet met de moordenaar eens bent brengt je op hetzelfde verkeerde spoor als die moordenaar heeft bewandeld. Ook in conflicten tussen landen en volken kan dat gebeuren. Een bloedige aanslag door de ene partij zou eigenlijk niet moeten uitmonden in een evengrote of nog grotere afslachting van mensen door de andere partij.

Gods grote maaltijd.

Openbaring 19:11-21

11 Ik zag dat de hemel geopend was, en dit zag ik: een wit paard met een ruiter, die ‘Trouw en betrouwbaar’ heet, die een rechtvaardig vonnis velt en een rechtvaardige strijd voert. 12 Zijn ogen waren als een vlammend vuur en op zijn hoofd had Hij veel kronen. Er stond een naam op Hem geschreven die niemand kende, alleen Hijzelf. 13 Hij droeg met bloed doordrenkte kleren. Zijn naam luidde ‘Woord van God’. 14 De hemelse legermacht, gekleed in zuiver, wit linnen, volgde Hem op witte paarden. 15 Uit zijn mond komt een scherp zwaard, waarmee Hij de volken zal slaan, en Hij zal hen met een ijzeren herdersstaf hoeden. Hij zal de wijnpers van de hevige woede van de almachtige God treden. 16 Op zijn kleding en op zijn dij staat de naam ‘Hoogste Heer en koning’. 17 Toen zag ik een engel midden in de zon staan. Luid riep hij tegen de vogels die hoog in de lucht vlogen: ‘Kom naar Gods grote maaltijd. 18 Dan krijg je het vlees te eten van koningen, legeraanvoerders en machthebbers, het vlees van paarden en hun ruiters, van slaven en van vrije mensen, van groot en klein.’ 19 Ik zag dat het beest en de koningen op aarde zich met hun troepen hadden verzameld om oorlog te voeren met de ruiter op het paard en zijn legermacht. 20 Het beest werd gevangengenomen, samen met de valse profeet die in zijn bijzijn tekenen had verricht, waardoor hij iedereen had misleid die het merkteken van het beest droeg en zijn beeld aanbad. Levend werden ze in de vuurpoel met brandende zwavel gegooid. 21 De rest werd gedood door het zwaard dat uit de mond van de ruiter op het paard kwam, en alle vogels aten zich vol aan hun vlees. (NBV21)

Was er nu een macht die dat machtige Romeinse Rijk zou kunnen verslaan? Velen hadden het geprobeerd. Langs de randen van het Romeinse Rijk waren er steeds weer stammen en volken die het Rijk wilden binnenvallen. Van tijd tot tijd kwam er ook een provincie in opstand die het Romeinse juk wilde afschudden. Steeds tevergeefs. Ook het Joodse volk had een aantal keren geprobeerd om in opstand te komen. De laatste opstand voor het boek Openbaring werd geschreven, de opstand uit het jaar 70, had er toe geleid dat de Tempel in Jeruzalem werd verwoest en het volk Israël werd verspreid over de aarde. Voor een Jood als Johannes moet de toekomst er wel zwart en uitzichtloos hebben uitgezien. Maar vandaag lezen we een hoofdstuk waarin de toekomst van het volk van de God van Israël er allerminst somber en uitzichtloos uitziet, integendeel. De overwinning is aan het Woord van God want dat Woord is trouw en betrouwbaar. Dat Woord van God was Jezus van Nazareth en zijn bevel was om je naaste lief te hebben als jezelf, dat was het dienen van de God van Israël. Dat bevel zou uiteindelijk tot de val van het Romeinse Rijk leiden.

Maar wel uiteindelijk, de kleren van de ruiter op het witte paard waren niet voor niets besmeurd met bloed. Het zijn droombeelden, dichterlijke vergelijkingen van wat je niet rechtstreeks kan zeggen. Ook Johannes kon niet weten wanneer en hoe precies de hemel op aarde zou komen, maar wat hij wel kon zeggen is dat de liefde van God, zoals Jezus van Nazareth die had voorgeleefd door de dood heen, dat Goddelijke liefde die in mensen wilde gaan wonen en die daar ook was gaan wonen, uiteindelijk een machtig rijk als het Romeinse Rijk tot de ondergang zou dwingen. Dat leger gekleed in zuiver wit linnen op witte paarden was het leger van al die mensen die Jezus van Nazareth waren gevolgd en die hem nog zouden volgen in het doen van het goede en niet dan het goede. Dat woord van heb Uw naaste lief als Uzelf zou nog vele volken verslaan en tot bloedvergieten leiden, tegenstanders van de liefde en liefhebbers van de macht in de geschiedenis genoeg. Maar er is uiteindelijk maar één Heer op aarde en dat is de God van Israël.

Romeinse Keizers lieten zich voor een veldslag adviseren door een waarzegger die de afloop van de veldslag voorspelde uit de manier waarop de vogels overvlogen. Voor Johannes en de zijnen waren zulke voorspellingen leugen en bedrog, zoals nu de astrologische voorspellingen in dag en weekbladen en dagelijks op TV leugen en bedrog zijn. Die voorspellingen kunnen nooit verhinderen dat uiteindelijk de machtigen het onderspit zullen delven. De vogels die zo prachtig de toekomst van de keizer en zijn metgezellen zouden moeten kunnen voorspellen gebruiken die keizer en diens metgezellen als vogelvoer, sterker zijn ze niet. Ook in onze dagen zijn er nog velen op aarde die de mensen denken te kunnen onderdrukken met geweld, uiteindelijk zullen ze ten onder gaan aan de liefde tussen mensen voor mensen. Maar alleen als wij vandaag nog beginnen te leven volgens het gebod onze naaste lief te hebben als onszelf, want als wij daarmee beginnen zullen velen ons volgen.

De eer en de macht

Openbaring 19:1-10

1 Hierna hoorde ik in de hemel een geweldige stem als van een grote menigte zeggen: ‘Halleluja! De redding, de eer en de macht zijn van onze God, 2 want zijn vonnis is betrouwbaar en rechtvaardig. Hij heeft immers de grote hoer, die door haar ontucht de wereld in het verderf heeft gestort, veroordeeld en het bloed van zijn dienaren op haar gewroken.’ 3 Opnieuw zeiden ze: ‘Halleluja! Haar rook stijgt op tot in eeuwigheid.’ 4 De vierentwintig oudsten en de vier wezens wierpen zich neer voor God, die op de troon zit, en aanbaden Hem met de woorden: ‘Amen! Halleluja!’ 5 Vanaf de troon klonk een stem, die zei: ‘Loof onze God! Laten al zijn dienaren die ontzag voor Hem hebben, groot en klein, Hem loven!’ 6 Toen hoorde ik iets als een stem van een grote menigte, van geweldige watermassa’s en van krachtige donderslagen zeggen: ‘Halleluja! De Heer, onze God, de Almachtige, heeft het koningschap op zich genomen. 7 Laten we blij zijn en jubelen, laten we Hem de eer geven! Want de bruiloft van het lam is gekomen en zijn bruid staat klaar. 8 Zij mag zich kleden in zuiver, stralend linnen.’ Want dit linnen staat voor al het goede dat gedaan is door de heiligen. 9 Toen zei hij tegen mij: ‘Schrijf op: “Gelukkig zijn zij die voor het bruiloftsmaal van het lam zijn uitgenodigd.”’ En hij vervolgde: ‘Wat God hier zegt, is betrouwbaar.’ 10 Ik wierp me aan zijn voeten neer om hem te aanbidden, maar hij zei: ‘Doe dat niet! Ik ben een dienaar zoals jij en zoals je broeders en zusters die van Jezus getuigen. Je moet God aanbidden.’ Want getuigen van Jezus is profeteren. (NBV21)

Deze dagen staan in het teken van vreemdelingen. Bij het vormen van een nieuw kabinet lijkt het er op dat er minder vreemdelingen naar Nederland moeten komen. Nederlanders moeten zelf asperges steken, bollen pellen, groenten oogsten in de kassen en zuurkool maken. Ook de suikerbieten moeten door Nederlanders verwerkt worden en niet door gastarbeiders. Het zou natuurlijk kunnen dat Christelijk Nederland in opstand komt tegen een al te hard liefdeloos vreemdelingenbeleid. Wij lezen een verhaal uit het boek Openbaring. Welk licht werpt dat nu op de strijd van Christenen zo rond de kerstdagen. De taal van Johannes is gemakkelijk, de beelden die hij gebruikt horen niet meer tot ons dagelijks spraakgebruik maar als we goed om ons heen kijken dan krijgen die dromen van Johannes een bijzondere betekenis. We moeten ons allereerst steeds voor ogen houden dat die beelden geschreven zijn terwijl de schrijver gevangen zat op een klein eiland en de gevangene was van een rijk dat de hele bekende wereld omvatte. Dat rijk werd bestempeld als een hoer die geen afspraak wist te houden, die iedereen verleidde maar ook iedereen in het ongeluk stortte.

En dan schrijft Johannes op dat die hoer veroordeeld is en dat het bloed van haar slachtoffers gewroken is. Vervolgen wij niemand meer die anders geloofd dan wij gewend zijn? Is er geen discriminatie meer? Zorgen wij voor de vreemdelingen onder ons als voor onszelf? Johannes weet van de verwoesting van de Tempel in Jeruzalem in het jaar 70. Hij beschrijft hoe een nieuwe Tempel uit de hemel op aarde komt neerdalen, een Tempel waarin God zelf zal wonen. De Hemel komt op aarde. Maar daarbij is nodig dat iedereen ontzag voor die God heeft, jong en oud. Dat wil zeggen dat iedereen leeft zoals die God het gewild heeft, je naaste liefhebben als jezelf, zorgen voor de zwaksten in je samenleving. Als iedereen dat doet, als iedereen daar Amen op zegt, iedereen op de hele wereld, dan klinkt er een geluid als van krachtige watermassa’s, dat is bijna niet te bevatten, het dan ook een prachtig visioen, maar voor Johannes een visioen met betekenis, daar zal de geschiedenis van mensen op uit lopen en daar is de situatie van mensen aan af te meten. God heeft het koningschap op zich genomen klinkt het.

Dat is natuurlijk wel iets anders dan de regering van de Keizers, van de beurzen, van machtige generaals, dictators of onze eigen politici in hun grijze en gestreepte pakken. Johannes spreekt in zijn boek vaak over het lam dat de macht krijgt. Dat lam was het lam dat geslacht werd op de avond dat het volk Israël uit Egypte trok, de woestijn in. Het bloed van dat lam had er voor gezorgd dat de eerstelingen van het volk niet werden gedood zoals de eerstelingen van Egypte wel werden gedood. Dat lam zorgt nog steeds voor de bevrijding van slaven mogen wij horen. En dat is maar goed ook want zelfs in onze dagen zijn er kind slaven en seks slavinnen die bevrijding verdienen. En praten we ook niet soms over loonslaven? Dit verhaal over het lam herinnert er ons aan, en zet ons aan er iets aan te doen. Want dan staat de maaltijd klaar die we nu al in de kerken proberen te vieren in het delen van het brood en de wijn, de maaltijd waarbij niemand ter wereld meer honger heeft en waar alle tranen gedroogd zijn. Daar mogen we vandaag en de komende kerstdagen weer voor werken.

Verloren zijn de vruchten

Openbaring 18:9-24

9 De koningen op aarde, die ontucht met haar hebben gepleegd en in weelde hebben geleefd, zullen om haar jammeren en treuren als ze de rook boven haar zien opstijgen. 10 Ze blijven op een afstand, ontzet door de straf die zij krijgt, en zeggen: “Wee! Wee Babylon, grote, sterke stad! In één uur tijd is je vonnis voltrokken!” 11 De handelaars op aarde treuren en rouwen om haar, want er is niemand die hun waren nog wil kopen: 12 goud en zilver, edelstenen en parels, linnen, purperen stoffen, zijde, scharlaken stoffen, cipressenhout, allerlei voorwerpen van ivoor en van dure houtsoorten, van brons, ijzer en marmer, 13 kaneel en kardemom, reukwerk en balsem, wierook, wijn en olijfolie, meel en tarwe, runderen en schapen, paarden en wagens, slaven en lijfeigenen. 14 Verloren zijn de vruchten waar je hart naar uitging, verdwenen al je rijkdom, alle weelde-dat alles is voorgoed voorbij. 15 Degenen die hierin handelden en die hun rijkdom aan haar te danken hebben, blijven op een afstand, ontzet door de straf die zij krijgt. Ze treuren en rouwen om haar 16 en zeggen: “Wee! Wee grote stad! Je droeg linnen, purperen en scharlakenrode kleren, en gouden sieraden, edelstenen en parels. 17 Maar in één uur tijd is heel je grote rijkdom vernietigd.” Alle stuurlui, iedereen die op Babylon vaart, het scheepsvolk en alle anderen die op zee werken, bleven op een afstand 18 en riepen toen ze de rook boven haar zagen opstijgen: “Welke stad was aan deze grote stad gelijk?” 19 Ze wierpen stof over hun hoofd, treurden en rouwden, en riepen: “Wee! Wee grote stad! Iedereen die schepen op zee had, dankte zijn rijkdom aan haar schatten. Maar in één uur tijd is zij te gronde gericht.” 20 Juich om haar, hemel, juich heiligen, apostelen en profeten! Het vonnis dat zij jullie had toebedacht, heeft God aan haar voltrokken.’ 21 Toen tilde een sterke engel een steen zo groot als een molensteen op en smeet die in zee met de woorden: ‘Zo zal ook Babylon, die grote stad, worden weggeslingerd; ze zal voorgoed verdwijnen. 22 De klank van lier en zang, bazuin en fluit zal in jou voorgoed verstommen, de bedrijvigheid van ieder ambacht zal in jou voorgoed stilvallen. Het geluid van de molen zal nooit meer in je klinken, 23 het licht van de lamp nooit meer in je schijnen. Het feestgedruis rond bruid en bruidegom zal in jou nooit meer te horen zijn. Eens waren je handelaars de groten der aarde, alle volken bezweken voor je verleidende toverij. 24 Maar ook vloeide in deze stad het bloed van profeten en heiligen, en van al degenen die op aarde werden geslacht.’(NBV21)

Koningen en handelaars in van alles die treuren om de ondergang van Rome. Ze moeten wel, de decadentie is beloond met de straf van God en er is niemand meer om handel mee te drijven, niemand aan wie je je slaven kunt verkopen, niemand meer die jouw soldaten of gladiatoren wil huren. Armoede is het over de hele linie. Want je kunt ook niks kwijt aan andere koningen of aan andere handelaars. De vruchtbaarheid van de economie die schijnbaar van het grote Rome met haar goddelijke keizers kwam is opgedroogd, het bestaat niet meer. In één uur was de hele economie ingestort, brand brak er uit en de aanvoer over zee kwam als eerste tot stilstand. Hoe het met die stad afliep? Als een steen die je in het water gooit, niks meer van terug te vinden.

Erg is het verhaal over Rome, zo veel mensen die zo veel leed berokkend werden. Want de Koningen die aan Rome schatplichtig waren geworden probeerden natuurlijk wel te besturen, er werd overal keurig belasting geïnd. De handelaren die zo veel hadden verdiend hadden er ook hard voor moeten werken, eerst inkopen op het juiste moment, dan bewaren en dan op het juiste moment verkopen. Dan moet die gemeente van Christenen uit Rome gaan staan juichen omdat het vonnis van de God van Israël tot uitvoer wordt gebracht, weg met de stad. Er komt natuurlijk wel weer ruimte om voor elkaar te zorgen, er voor elkaar te zijn en ook Koningen en handelaars zullen beseffen dat ze zonder het gewone volk niet kunnen.

Johannes laat zijn lezers een loflied aanheffen. Een loflied op de God van Israël. In dat vreugdelied klinkt door wat er is gebeurt in Rome. Geen muzikanten meer die dag en nacht moesten blijven spelen, geen bakker, geen smid, geen meubelmaker meer. Zelfs de molenaar kan de wieken stilzetten. De grote overdadige bruiloften in de stad zijn voorbij. De handelaars en koningen die konden wel in weelde leven maar ondertussen vloeide wel het bloed van de armen, van de profeten en heiligen. Dat bloed roept de straf van God op, als het volk verwaarloosd wordt komt het in opstand. Als de rijken rondrijden zonder op de kosten te moeten letten en de armen moeten lopen dan worden de wegen verstopt, dan staat het volk op om weer te gaan leven. Dat is vandaag maar dat was in Rome niet anders.

Elke onreine geest

Openbaring 18:1-8

1 Hierna zag ik een andere engel uit de hemel neerdalen. Hij had groot gezag en zijn luister verlichtte de aarde. 2 Met een krachtige stem riep hij: ‘Gevallen, gevallen is Babylon, die grote stad! Ze is een woonplaats voor demonen geworden, ze biedt onderdak aan elke onreine geest, elke onreine vogel en elk onrein, afschuwelijk dier. 3 Alle volken hebben door haar ontucht de wijn van haar wellust gedronken, de koningen op aarde hebben ontucht met haar gepleegd en de handelaars op aarde zijn van haar overvloedige weelde rijk geworden.’ 4 Toen hoorde ik een andere stem uit de hemel zeggen: ‘Ga weg uit die stad, mijn volk, zodat je geen deel hebt aan haar zonden en ontkomt aan de plagen die haar zullen treffen. 5 Want haar zonden reiken tot aan de hemel en God zal haar onrecht vergelden. 6 Doe met haar wat zij met anderen deed, ja, laat haar dubbel boeten. Laat haar het dubbele drinken uit de beker waaruit zij anderen te drinken gaf. 7
Geef haar net zo veel pijn en rouw te dragen als zij zich luister en overvloed heeft gegund. Ze zegt bij zichzelf: Ik zit hier als een koningin, niet als een arme weduwe. Voor mij geen rouw! 8 Daarom zullen alle plagen haar op één dag treffen: dodelijke ziekte, rouw en hongersnood, en ze zal in vlammen opgaan. Want God, de Heer, die dat vonnis heeft geveld, is machtig. (NBV21)

De eerste lezers van het boek Openbaring zullen de wenkbrauwen gefronst hebben toen ze aan hoofdstuk 18 begonnen. Gevallen is Babylon klinkt het uit de mond van een boodschapper van de God van Israël. Maar Johannes bedoelde met Babylon toch Rome? Zou voor God de val van Rome al vaststaan? Is die voor de machtige keizers met hun onoverwinnelijke legers onontkoombaar? Dat Rome een woonplaats voor boze geesten is geworden klopt wel. Dat elke onreine geest, elke onreine vogel en elk onrein of afschuwelijk dier daar onderdak krijgt klinkt misschien wat overdreven maar als het om die dieren gaat dan verzamelden Keizers dierentuinen vol om zich aan het volk te kunnen tonen als de Heer van de hele bewoonde wereld.

Aan die praalzucht en hoogmoed hebben veel mensen een hoop geld verdient. In de dagen van Johannes van Patmos was het niet anders als nu. Alleen hadden ze geen ING die hielp de verdiensten wit te wassen of banken met een zo groot bankgeheim dat elke dictator op de wereld er zijn gestolen miljoenen kan parkeren. Maar het neemt niet weg dat iedereen tegen Rome op keek en dat er veel steden waren die hun best deden te gaan lijken op Rome. Misschien met net wat kleinere tempels, een niet zo’n grote arena, maar wel met een uitstraling die een echte Romeinse stad behoorde te hebben.

Maar naast die onreine geesten en afschuwelijke beesten was er in Rome toch ook een gemeente van Christenen? Die werden daar wel vervolgd maar ze hielden hardnekkig stand. Johannes erkent ze en roept ze op om weg te gaan, zoals eens Lot met zijn familie Sodom verliet omdat daar nog geen vijf rechtvaardigen konden worden gevonden. Dat God het onrecht door Rome gedaan zal vergelden staat vast. En die vergelding zal passen bij de grote en het belang van Rome, het zal een dubbele vergelding zijn. Maar Johannes heeft ook een troost voor de gemeente, het zal niet lang duren, alle plagen breken op één dag uit. Dat je dus weg moet wezen daar waar het kwaad geschiet geldt dus ook voor ons. Als het de gewoonte wordt om in Nederland geboren kinderen te deporteren naar voor hen vreemde landen wordt het tijd om weg te wezen, afstand te nemen van de boosdoeners.

Wijsheid en inzicht

Openbaring 17:9-18

9 Hier komt het aan op . ‘De zeven koppen zijn de zeven heuvels waarop de vrouw zit, en het zijn zeven koningen. 10 Vijf van hen zijn omgekomen, één is er nu, en de laatste moet nog komen en zal dan maar kort blijven. 11 Het beest dat was, en niet is, is zelf de achtste koning, al is het een van de zeven, en het zal vernietigd worden. 12 De tien hoorns die je zag zijn tien koningen, die nu nog geen koning zijn maar straks samen met het beest voor één uur koninklijke macht zullen krijgen. 13 Ze hebben allemaal hetzelfde doel voor ogen en dragen hun macht en gezag over aan het beest. 14 Ze binden de strijd aan met het lam, maar het lam, de hoogste Heer en koning, zal hen overwinnen, samen met wie Hem toehoren: zij die geroepen en uitgekozen zijn en die trouw zijn. 15 De waterstromen die je zag,’ zei de engel, ‘waar de hoer aan zit, zijn vele landen, en volken van elke taal. 16 De tien hoorns die je zag en het beest zelf zullen een afschuw krijgen van de hoer en ze zullen haar te gronde richten. Ze zullen haar uitkleden, haar vlees eten en haar in brand steken. 17 Want God heeft hen ertoe aangezet om zijn plan uit te voeren, zodat ze allemaal met hetzelfde doel voor ogen hun macht aan het beest overdragen, tot wat God gezegd heeft werkelijkheid wordt. 18 De vrouw die je zag is de grote stad, die heerst over de koningen op aarde.’(NBV21)

Voor vele Bijbelgetrouwe lezers is het boek Openbaring een raadselboek. Wat wordt er allemaal mee bedoeld en dan is er ook nog strijd tussen mensen die in de 21ste eeuw tekenen menen te zien die er op duiden dat al die rare gebeurtenissen in het boek Openbaring ook werkelijk in onze dagen gebeuren. Daar gaat Openbaring dus niet over. Ook de lezers van Openbaring moeten uitgelegd worden wat er allemaal staat. Zonder overigens dat duidelijk wordt dat het gaat om de wrede onderdrukking door de Romeinen, want die Romeinen hadden niet voor niet de macht, die gebruikten ze maar al te graag in allerlei wreedheden tegen vijanden die ze als vijand zelf hadden aangewezen. Wijsheid en inzicht is nodig om te snappen wat er staat. De boodschapper van God gaat het daarom uitleggen. Keizer Nero pleegde zelfmoord maar hij had zich zo sterk als God gepositioneerd dat heel veel mensen geloofden dat hij terug zou komen. Dat had hij gemeen met de hoer van Babylon.

Van terugkeer is echter geen sprake want zijn rijk zal vernietigd worden. Ook al spant iedereen tegen de Christenen, alle machten en krachten uit dat Romeinse rijk zullen zich verenigen, maar uiteindelijk zullen de zachte krachten overwinnen. Er zijn veel volken en stammen onderworpen aan het Romeinse Rijk. De tien grootste zullen een hekel krijgen aan het Romeinse Rijk en er mee breken, waardoor het te gronde zal gaan. God zelf heeft hen laten zien hoe de zaak in elkaar zit en hoe ze een beter leven zullen krijgen zonder de Romeinen. Voor Johannes is de grote stad die heerst over de koningen op aarde nog duidelijk te zien. Bij ons is dat minder duidelijk. Maar let op, steeds vaker wordt er gevraagd wie ons eigenlijk regeert, wie gaat over de verdeling van wat we samen verdienen.

Gaat ons parlement er over? Gaat onze regering er over? Is de Europese Unie de bron van de macht in ons land? Voor een aantal fantasten is het zelfs het World Economic Forum. De vraag komt steeds op als er tekenen zijn dat grote bedrijven, het grootkapitaal bepaald hoe het zuur verdiende geld wordt verdeeld. Ze hebben directe invloed op de belastingen die wij wel en zij niet betalen. Ze hebben direct invloed op de regels die consumenten moeten beschermen tegen ellende. Van veilig produceren willen ze niet weten. Mensen aan de onderkant van de samenleving eisen dat ze hun eigen leven weer in handen krijgen. Aan onze politici de taak om onze samenleving weer op de weg van de God van Israël te brengen. En wij kunnen elke dag opnieuw daaraan een bijdrage leveren, ook vandaag.

 

Al haar ontucht

Openbaring 17:1-8

1 Een van de zeven engelen met de offerschalen kwam op me af en zei: ‘Ik wil je laten zien hoe de grote hoer die aan talrijke waterstromen zit, veroordeeld wordt. 2 De koningen op aarde hebben ontucht met haar gepleegd, en de mensen die op aarde leven hebben zich bedronken aan de wijn van haar ontucht.’ 3 Ik raakte in vervoering, en hij nam mij mee naar de woestijn. Ik zag een vrouw zitten op een scharlakenrood beest vol godslasterlijke namen, met zeven koppen en tien hoorns. 4 Ze droeg purperen en scharlakenrode kleren en gouden sieraden, edelstenen en parels. In haar hand had ze een gouden beker vol gruwelijkheden, al haar ontucht en onreinheid, 5 en op haar voorhoofd stond een naam met een geheime betekenis: ‘Het grote Babylon, moeder van alle hoeren en van alle gruwelijkheden ter wereld’. 6 Ik zag dat de vrouw dronken was van het bloed van de heiligen en het bloed van hen die van Jezus hadden getuigd. Ik was ontzet toen ik haar zag. 7 Toen zei de engel: ‘Waarom ben je zo ontzet? Ik zal je de betekenis onthullen van die vrouw en het beest dat haar draagt, met zijn zeven koppen en tien hoorns. 8 Het beest dat je zag, was, en is niet; het stijgt binnenkort op uit de onderaardse diepte en zal vernietigd worden. Alle mensen die op aarde leven van wie de naam niet vanaf het begin van de wereld in het boek van het leven staat, zullen verbaasd zijn bij het zien van het beest, omdat het was, niet is, en toch weer zal zijn.’ (NBV21)

Babel wordt in de Bijbel vaak beschreven als de grote hoer. Babel was een uiterst rijke stad en als er veel rijken zijn dan zijn er nog veel meer armen. Die armen zie je meestal niet zo want de rijken zien in hun stad graag mooie en wonderbaarlijke zaken. De hangende tuinen van Babylon hebben ook naar ons spraakgebruik hun weg gevonden. En rijkdom vergaren en oppotten is een grote verleiding, als je hoog bij een bank werkt dan regel nog eens vijftig procent loonsverhoging met daarnaast een forse bonus. Als je laag in een bank werkt dan moet je maar afwachten of de inflatie in je loon wordt gecompenseerd, verder niet zeuren en je loon matigen, werknemers kosten nu eenmaal geld en dat is al gauw te veel.

Van Babylon ging voor het gevoel van de gelovigen in de God van Israël alle kwaad uit. Alles wat mensen slecht kunnen doen vond daar plaats en werd van daaruit over de wereld verspreid. De lezers van de Openbaring zullen zich achter de oren hebben gekrabd. Babel was weliswaar in haar tijd een wereldrijk geweest dat met de andere wereldrijken voortduren in strijd was om de grootste te worden maar echt de macht over heel de wereld hebben was er niet bij. Neem nu de Romeinen, die hadden niet alleen de macht rond de Middellandse Zee, maar ook over Egypte, over Perzië, de wereldmachten uit de tijd van Babel. Het rijk van de Romeinen strekte zich naar alle windstreken uit. Maar ja, een gevangene van de Romeinen zal niet snel zeggen dat Rome de bron is van alle kwaad in de wereld.

Het is geen wonder dat Johannes schrok van het visioen van een grootmacht dat zich volledig opgetuigd heeft met het kwaad. Maar de boodschapper van God stelt hem gerust. Wat hij ziet hoort nog bij de onderwereld, het wordt ook binnen dat rijk nog verworpen. Het is nog in de woestijn waar leven bijna onmogelijk is. Maar het zal uit de onderwereld opstijgen, we krijgen er dus allemaal mee te maken. Maar wanhoop niet, het zal vernietigd worden. En daarmee voegt Johannes aan zijn boek weer een troost, een geruststelling toe. Het lijkt of zijn boek een boek is vol ellende en rampen voor de mensen, maar zijn boek is eigenlijk een boek vol hoop. De exorbitante zelfverrijkers zullen ten val komen. De goden van winst en profijt verliezen hun aanhang en medemenselijkheid krijgt weer de boventoon. We zullen er wel hard voor moeten werken, maar daar kunnen we vandaag nog mee beginnen.

 

Onze gerechtigheid

Jesaja 64:3-11

3 Nog nooit is zoiets gehoord, niet eerder zoiets vernomen. Geen oog zag ooit een god buiten U, die opkomt voor wie op Hem wacht. 4 U komt ieder tegemoet die van harte rechtvaardig handelt, die uw weg gaat, met U voor ogen. Maar nu bent U in toorn ontstoken, omdat wij gezondigd hebben. De weg van de zonde volgen we al zo lang, kunnen we dan nog worden gered? 5 Wij allen zijn onrein geworden, onze gerechtigheid is als een bebloede doek. Wij allen zijn als verwelkte bladeren, verwaaid op de wind van ons wangedrag. 6 Er is niemand die uw naam aanroept, die zich ertoe zet uw hand te grijpen. U hebt uw gelaat voor ons verborgen, U hebt ons moedeloos gemaakt en ons overgeleverd aan ons eigen wangedrag. 7 Toch, HEER, bent U onze vader, wij zijn de klei, door U gevormd, wij zijn het werk van uw handen. 8 Laat uw grote toorn toch varen, HEER, houd onze schuld niet eeuwig in gedachten, maar zie ons aan: wij zijn toch uw volk? 9 Uw heilige plaatsen zijn een woestijn geworden: Sion is een woestijn, Jeruzalem een woestenij. 10 Onze heilige, luisterrijke tempel, waar onze voorouders U hebben vereerd, is ten prooi gevallen aan het vuur, en al wat ons dierbaar was, is verwoest. 11 Laat dit alles U onbewogen, HEER? Blijft U zwijgen en laat U ons zozeer lijden? (NBV21)

Goden laten zich dienen en in ruil daarvoor verrichten zij hun diensten. Zo kijken wij tegen goden op. Daarom kunnen we zeggen dat de slachtoffers van een ramp dat aan zichzelf te danken hebben omdat ze de juiste god, of de juiste goden, niet op de goede manier hebben gediend. Maar goden die zich laten dienen in ruil voor het verrichten van hun diensten bestaan helemaal niet. De God van Israël is het tegendeel. Die komt op voor de minsten op aarde. Die wordt gediend door rechtvaardig handelen. Slachtoffers van een ramp hebben dat nooit aan zichzelf te wijten, voor die slachtoffers begint de God van Israël pas als ze slachtoffer geworden zijn. De oproep om je naaste lief te hebben als jezelf als het liefhebben boven alles van de God van Israël is juist het op de goede manier dienen van die God. Daar worden die slachtoffers in de eerste plaats mee geholpen. Van die weg afwijken brengt de doden met zich mee die onnodig vallen in een ramp of in een oorlog.

Maar zelfs als je afgeweken bent van zijn weg, als je Tempel is verwoest, je stad een woestijn is geworden mag je roepen naar die God om hulp. Want je weet dat die God nooit het werk laat varen dat die ooit begonnen is. De wanhoop om een geweldige ramp kan groot zijn. De ramp in aardbevingsgebied treft honderd duizenden en die wonen vaak in de armste landen op aarde. De ramp in New Orleans trof tien duizenden en New Orleans ligt in het rijkste land op aarde. De schade voor de armsten in New Orleans is na jaren nog steeds niet hersteld. Wat is het uitzicht voor de armen in de andere gebieden die werden getroffen door aardbevingen? De wereld kan het zich niet laten aanleunen dat die slachtoffers vergeten worden en niet geholpen. Een handvol soldaten uit arme landen werd tot nu toe betaald om een minimum aan veiligheid voor regering, machthebbers en diplomaten te garanderen. Maar als wij de God van Israël als onze vader aanroepen moeten wij dan niet leren van Jesaja? Zijn volk voelde zich verlaten van God en riep hem aan in alle ellende en deed een beroep op dat “Vader zijn” in het vertrouwen dat God te hulp zou komen.

Kunnen wij God als onze Vader aanroepen als wij onze broeders en zusters in de landen die getroffen zijn door natuurrampen of oorlog en onderdrukking vergeten? Is het niet zo dat wij onze Vader verloochenen en God niet meer als zodanig erkennen als wij onze handen niet uitsteken naar de minsten op deze aarde? Of het nu de verslaafden en de armen zijn in onze eigen steden en buurten of het de slachtoffers zijn van oorlogen, hebzucht, uitbuiting en natuurrampen, zij zijn de broeders en zusters, kinderen van dezelfde Vader als wij, die ons nodig hebben om hen te helpen zoals God onze Vader wil dat zijn kinderen geholpen worden. Dat moeten we leren van Jesaja als hij spreekt over onze gerechtigheid. Recht doen aan mensen daar gaat het om. Dat vergeten, daarvan afwijken, maakt ons bezoedeld en onrein. Deze dagen krijgen we de kans armen tot onze gelijke te maken, te laten delen in de welvaart die wij kennen. Een klein deel van alle vluchtelingen voor oorlog en honger klopt aan onze deur, wij hebben de mogelijkheid ook het laatste dat we hebben met hen te delen, het zou het goede voorbeeld zijn waarmee het kwade bestreden kan worden. Daar kunnen we vandaag mee beginnen.

Dorre twijgen

Jesaja 63:15–64:2

15 Zie neer vanuit de hemel, kijk vanuit uw heilige, luisterrijke woning. Waar zijn uw strijdlust en uw machtige daden? U bent niet meer met mij begaan, uw ontferming gaat aan mij voorbij. 16 U bent toch onze vader? Abraham heeft ons niet gekend en Israël zou ons niet herkennen, maar U, HEER, bent onze vader, van oudsher heet U Onze bevrijder. 17 Waarom, HEER, liet U ons afdwalen van uw wegen? Waarom hebt U ons onbuigzaam gemaakt, zodat wij geen ontzag meer voor U hadden? Keer toch terug, omwille van uw dienaren, van de stammen die U toebehoren. 18 Sinds kort hebben onze vijanden uw heilig volk in hun macht gekregen en uw heiligdom vertrapt. 19 Het is alsof U nooit over ons hebt geheerst, alsof uw naam nooit over ons is uitgeroepen. Scheurde U maar de hemel open om af te dalen! De bergen zouden voor U beven. 1 Zoals vuur dorre twijgen in vlam zet, zoals vuur water doet koken, zo zou U uw vijanden uw naam laten kennen en alle volken voor U laten beven, 2 omdat U de geduchte daden doet waarop wij niet durven hopen. Als U toch zou afdalen! De bergen zouden voor U beven. (NBV21)

Vandaag bidden we mee met de profeet. De ellende van de ballingschap is even onverdraaglijk als de ellende van een volk na een allesvernietigende aardbeving. Voor Israël was het niet meer voldoende dat ze afstamden van Abraham. Herkomst en afstamming, status en fatsoen zijn niet genoeg, ze tellen niet. De ellende die de profeet schetst maakt dat het lijkt of de God van Israël nooit de God van Israël is geweest. Ver weg is die God zo lijkt het. Was die God er maar, zou die God de hemelen maar scheuren en afdalen. Zo roepen de slachtoffers van elke aardbeving ook om de hulp van de liefde van alle mensen in de wereld en we weten dat die liefde uiteindelijk van God komt. Die liefde is als het vuur dat het water doet koken. Voor Israël was er een machtige vijand die het land had bezet en de tempel in Jeruzalem verwoest. In Israël werd dat uitgelegd als een straf van God omdat ze zijn gebod van heb uw naaste lief hadden vergeten. In onze dagen zijn er heidenen die ook beweren dat een alles verwoestende aardbeving de straf van een God zou zijn omdat ze daar zondig zijn. Maar als dat zo zou zijn dan zou de hele aarde beven en overal vergaan.

Het volk dat wordt getroffen door een aardbeving is niet slechter dan het volk van Nederland, Engeland of de Verenigde Staten, het volk dat om hulp roept is alleen armer, som is het zelfs het armste volk op aarde. Als er ergens schuld is aan het aantal slachtoffers dan ligt die schuld bij de rijken in de wereld, die huis aan huis tezamen voegen en akker aan akker, die met list en bedrog grote kapitalen weten te verwerven maar die met valse propaganda weten te voorkomen dat er eerlijk gedeeld wordt met de allerarmsten. Dat de leer van Mozes toegepast wordt op en door alle volken zodat elk volk de zelfde mogelijkheden voor woningbouw had als het volk van Japan, waar wel aardbevingsbestendig gebouwd kan worden. Wij hebben dat zelfs niet gerealiseerd in ons wingewest Groningen. De profeet Jesaja roept wanhopig uit dat God alle volken zou laten beven als hij zou komen. Dat beven van alle volken hebben we vandaag even hard nodig als het volk Israël in de dagen van Jesaja. Want zijn de slachtoffers van natuurrampen niet gewoon onze broeders en zusters? Is hun bloed niet even rood als het onze zou zijn als de natuurramp hier plaats had gevonden?

In onze samenleving wordt geprobeerd haat te zaaien tussen mensen op basis van geloof en afkomst. Maar al die mensen die geven op giro 555 vragen zich niet af wat het geloof of de afkomst is van de slachtoffers van de natuurramp, ze zien de ellende en steken de hand uit om de mensen tegemoet te komen in hun ellende en gelijk hebben ze daarin. Jesaja durfde te stellen dat de afloop van de ellende van zijn volk de terugkeer naar het beloofde land zou zijn. Het volk zou weer in ere hersteld worden en het middelpunt zou weer de Tempel in Jeruzalem zijn zodat alle volken de richtlijnen van de God van Israël zouden kunnen volgen. Wij zouden de droom van Jesaja tenminste een beetje kunnen laten uitkomen als we ons voornemen het niet te laten bij een eenmalige hulp aan de slachtoffers van elke grote natuurramp maar ons voor te nemen ze te blijven steunen net zo lang tot ze een samenleving hebben die voor wat betreft de welvaart zich kan meten met de onze. We kunnen er vandaag nog mee beginnen. Elke zondag wordt er ook in heel veel kerken gecollecteerd, de godsdienstoefening in delen, vraag dan om een voorbede zoals Jesaja die ons vandaag heeft geleerd.

 

Hij tilde hen op

Jesaja 63:7-14

7 Ik zal de liefde van de HEER gedenken en zijn roemrijke daden bezingen: alles wat de HEER voor ons heeft gedaan, de goedheid die Hij het volk van Israël bewees in zijn ontferming en zijn grote liefde. 8 Hij zei: ‘Natuurlijk, het is mijn volk! Mijn kinderen zijn te vertrouwen.’ Daarom wilde Hij hun redder zijn. 9 In al hun nood was ook Hijzelf in nood: zij werden gered door de engel van zijn tegenwoordigheid. In zijn liefde en mededogen heeft Hij hen zelf verlost, Hij tilde hen op en heeft hen gedragen, alle jaren door. 10 Maar zij zijn in opstand gekomen en hebben zijn heilige geest gekrenkt. Daarom werd Hij hun tot vijand en bond Hij de strijd met hen aan. 11 Toen dacht Hij aan de dagen van weleer, aan Mozes en zijn volk. Waar is Hij die zijn volk door de zee voerde, waar zijn de herders van zijn kudde? Waar is Hij die hen bezielde met zijn heilige geest? 12 Die Mozes terzijde stond met zijn luisterrijke arm, die voor hen het water kliefde om zich een eeuwige naam te verwerven? 13 Die hen door de diepte leidde als paarden door de woestijn, zonder dat ze struikelden, 14 als vee dat afdaalt naar het dal? Het was de geest van de HEER die hun rust gaf. Ja, U hebt zelf uw volk geleid om u een luisterrijke naam te verwerven. (NBV21)

We lezen vandaag een zeer optimistisch stukje uit de Bijbel. God kiest een volk, staat het bij, leidt het uit het land van de slavernij en geeft het een richtlijn waar het eeuwig van zou kunnen profiteren. Maar die kinderen beschamen dat vertrouwen en komen in opstand tegen het idee altijd maar van je naaste te moeten houden als van jezelf en altijd maar de minsten, de zwaksten, in je samenleving voorop te moeten zetten. Dat beschamen van vertrouwen in God leidt tot oorlog en ellende. Maar God herinnert zich de band met het volk, de leiders van het volk die zijn leer door wisten te geven, de koningen die vrede wisten te stichten en God berouwt de vijandschap die hij is aangegaan met zijn eigen volk. Het volk wordt dus opnieuw gered. Nu staat er in vers 9 een zootje onzin waar we geen raad mee weten. Nee niet alleen nu, hier in deze overweging, maar vanouds struikelen geleerden en vertalers over wat hier in de Bijbel staat.

Zou God zelf echt in nood komen als zijn volk in nood komt? Die gedachte komt verder nergens in de Bijbel voor. Waar je wel aan zou kunnen denken is het medelijden dat God krijgt met mensen die wel goed willen maar nog steeds onderdrukt worden en moeten lijden, dat was ook waarom God zijn volk bevrijdde uit de slavernij in Egypte. En dan die rare engel van zijn tegenwoordigheid. Ook die kunnen we niet plaatsen. In het boek Exodus wordt wel verteld over een Engel die vooruitgestuurd wordt om de verovering van het beloofde land voor te bereiden en over God zelf die meegaat met het volk. Hier wordt gezegd dat God zelf hen verlost heeft en dan is een engel helemaal niet nodig in deze tekst. We hebben al eerder vastgesteld dat het boek Jesaja een aantal schrijvers kent die in de loop van de tijd steeds aanvullingen hebben gegeven. Dat kan dus wel eens tot misverstanden leiden. Hier dus ook. Maar voor ons wordt de tekst er eigenlijk alleen maar optimistischer door. Het betekent dat God met ons mee blijft gaan.

Ook al vergeten wij nog wel eens zijn richtlijn om van je naaste te blijven houden als van jezelf. Ook al vergeten wij dat we onze samenleving moeten inrichten op de minsten op de zwaksten op aarde. Zoals we ontdekt hadden dat we het volk van Irak vergeten waren toen daar de dictator verdreven was, dat volk is van het ene lijden in het andere terechtgekomen. Zoals we ontdekken in deze dagen dat we het volk van Haïti eigenlijk vergeten zijn. Bij de eerste de beste tegenslag ligt heel dat land in puin door een aardbeving en is iedereen daar afhankelijk van onze hulp. Giro 555 is dan zeer aan te bevelen maar kunnen en durven we vragen om een ontwikkelingsplan voor de lange termijn? Durven we het aan om als doelstelling te stellen dat bij een volgende aardbeving op een andere plaats op aarde het volk van Haïti vliegtuigen met hulpgoederen kan vullen van haar eigen overvloed om de slachtoffers te helpen? Is het niet zo dat pas als zij kunnen wat wij nu kunnen opbrengen we hen geholpen hebben zoals we zelf geholpen zouden willen worden? Daar roept de profeet ons vandaag toe op, wij mogen weten dat op die Weg God met ons gaat, ook al vergeten wij dat maar al te vaak.