Hier ben ik

1 Samuel 3:1-10

1 De jonge Samuel diende dus de HEER, onder de hoede van Eli. Er klonken in die tijd zelden woorden van de HEER en er braken geen visioenen door. 2 Op zekere nacht lag Eli op zijn slaapplaats. Zijn ogen waren dof geworden, hij kon bijna niet meer zien. 3 Samuel lag te slapen in het heiligdom van de HEER, bij de ark van God. De godslamp was nog niet gedoofd. 4 Toen riep de HEER Samuel. ‘Ja, hier ben ik,’ antwoordde Samuel. 5 Hij liep snel naar Eli toe en zei: ‘Hier ben ik. U hebt me toch geroepen?’ Maar Eli antwoordde: ‘Ik heb je niet geroepen. Ga maar slapen.’ Toen Samuel weer lag te slapen, 6 riep de HEER hem opnieuw. Samuel stond op, ging naar Eli en zei: ‘Hier ben ik. U hebt me toch geroepen?’ Maar Eli antwoordde: ‘Ik heb je niet geroepen, mijn jongen. Ga maar weer slapen.’ 7 Samuel had de HEER nog niet leren kennen, want de HEER had zich niet eerder aan hem bekendgemaakt door het woord tot hem te richten. 8 Opnieuw riep de HEER Samuel, voor de derde keer. Samuel stond op, ging naar Eli en zei: ‘Hier ben ik. U hebt me toch geroepen?’ Toen begreep Eli dat het de HEER was die de jongen riep. 9 Hij zei tegen Samuel: ‘Ga maar weer slapen. Wanneer je wordt geroepen, moet je antwoorden: “Spreek, HEER, uw dienaar luistert.”’ Samuel legde zich weer te slapen, 10 en de HEER kwam bij hem staan en riep net als de voorgaande keren: ‘Samuel! Samuel!’ En Samuel antwoordde: ‘Spreek, uw dienaar luistert.’ (NBV21)

Het was zeer slecht gesteld met het volk. Het visioen was gedoofd, er waren geen idealen meer. De Hogepriester in het Heiligdom van de God van Israël was bijna blind. De godslamp was bijna gedoofd. Het verhaal dat we vandaag lezen begint dan ook in de nacht, als zelfs Samuël slaapt. Het is dan ook tegen de ochtend als ons verhaal begint. In marine termen is het de hondenwacht, de periode waarop het voor mensen het moeilijkst is om wakker te blijven. Oorlogen plegen dan ook nog wel eens op dit tijdstip te beginnen omdat het dan gemakkelijk is een vijand te verrassen. In de Bijbel is het echter ook vaak het teken van beginnende bevrijding, “Wachter hoe lang duurt de nacht” wordt op zo’n moment geroepen. Samuël lag in het Heiligste der Heiligen te slapen staat er. Het gedeelte van de Tent der Ontmoeting waar het belangrijkste van die Tent werd bewaard.

Dat Heilige der Heiligen was het gedeelte van de Tent der Ontmeting dat eigenlijk alleen voor de Hogepriester toegankelijk was. Hier stond de Ark van het verbond. Een kist gedekt met twee beelden van hemelse wezens met de gezichten naar elkaar en waarvan de toppen van hun vleugels elkaar bijna raakten. In die kist de tien woorden die Mozes op de berg van God had ontvangen, gegrift in steen en onuitwisbaar het hart van het volk. Daar lag ook de bloeiende staf van Aäron de Priester, als teken dat de God van Israël bij uitstek het leven gaf. Ook de koperen staf met de slang werd in die Ark bewaard. Mozes had die staf opgericht om het volk te beschermen tegen slangengif. De richtlijnen van de God van Israël, de bloei van de godsdienst en de bescherming tegen gif waren de slaapgenoten van Samuël.

Samuël blijkt een lichte slaper want telkens als hij ingeslapen is hoort hij hoe hij wordt geroepen. Weet hij veel, hij denkt steeds dat het Eli is die hem nodig heeft, daartoe was hij al geroepen en daarom sliep hij in het Heiligdom. Pas na drie keer beseft Eli dat het God zelf is die Samuël roept en als God voor de vierde keer roept dan luistert Samuël. Samuël krijgt te horen wat de onbekende profeet, de godsman, ook al tegen Eli had gezegd, het oordeel dat God heeft geveld over Eli en diens familie zal ten uitvoer worden gebracht. Eli had de keus tussen zijn zonen, die het kwade deden, en de God van Israël waarvoor hij werkte. Die keus ligt ook ons voor, elke morgen opnieuw, wat gaan we doen vandaag, volgen we het Woord van de Heer onze naaste lief te hebben als onszelf of volgen we ons eigen belang te zorgen zo veel mogelijk te krijgen en te verzamelen voor onszelf. Kies het leven zegt de Bijbel ons.

Alle glans

1 Samuel 2:27-36

27 Ten slotte kwam een godsman tegen Eli zeggen: ‘Dit zegt de HEER: Heb Ik mij destijds in Egypte niet aan jouw voorouders geopenbaard, toen zij bij de farao werden vastgehouden? 28 Uit alle stammen van Israël heb Ik jouw voorouders gekozen om priester te worden. Zij mogen mijn altaar betreden, reukoffers brengen en in het heiligdom het priestergewaad dragen. Ook heb Ik hun een deel geschonken van de offergaven van de Israëlieten. 29 Maar
jullie gaan je te buiten aan het vlees en het brood dat volgens mijn voorschrift bij het heiligdom wordt geofferd. Kennelijk sla je je zonen hoger aan dan Mij, want je mest jezelf vet door steeds het beste deel op te eisen van de offers die mijn volk Israël Mij brengt. 30 Welnu-spreekt de HEER, de God van Israël-,ooit heb Ik plechtig verklaard dat jouw familie Mij van vader op zoon terzijde zou staan. Maar nu-spreekt de HEER -kom Ik daarop terug. Wie Mij hoogachten acht Ik hoog, maar verachtelijk zijn zij die Mij geringschatten! 31 De dag komt dat Ik jou en je familie machteloos maak; niemand van hen zal nog een hoge leeftijd bereiken. 32 Met lede ogen zul je moeten aanzien dat er in jouw familie nooit meer iemand rustig oud wordt, terwijl het Israël voor de wind gaat. 33 Niemand van jouw familie, op één enkeling na, zal mijn altaar nog betreden. Je ogen zullen dof worden van verdriet en je leven zal alle glans verliezen. Al je mannelijke nakomelingen zal Ik laten sterven in de kracht van hun leven. 34 Ten teken van dit alles zullen je beide zonen Chofni en Pinechas op één dag sterven. 35 Als priester zal Ik iemand aanstellen die Mij trouw is en al mijn wensen en verlangens uitvoert. Zijn familie zal Ik laten voortbestaan, en hij zal degene die op mijn aanwijzing gezalfd wordt getrouw terzijde staan. 36 Wie er dan nog van jouw familie over is, zal hem op de knieën komen vragen om wat kleingeld en een stuk brood, en hem smeken: “Stel me alstublieft aan als hulppriester, zodat ik tenminste mijn brood kan verdienen.”’ (NBV21)

Het zal voor iedere lezer van het verhaal over Eli de Priester van het Heiligdom van de God van Israël en zijn zonen duidelijk zijn dat het met deze familie slecht zal aflopen. Het manteltje van zijn moeder en zijn wit linnen kleed maken van Samuël al bijna een Priester. Maar de Priesters stammen af van Aäron, de broer van Mozes en de leden van de stam Levi, de levieten, waren in de Tempel alleen maar de hulpen. Vanuit de Tempel waren ze naar alle steden en dorpen in Israël gezonden om daar toe te zien op de dagelijkse gang van zaken en recht te spreken volgens de leer van Mozes. Elkana deed dat waarschijnlijk ergens in de bergen, in het land van de stam Efraïm. Samuël was al een dergelijk hulp in de Tent der Ontmoeting die in Silo was neergezet nadat het land Israël onder Jozua was veroverd en verdeeld onder de families van de verschillende stammen. Dat Heiligdom in Silo wordt als armzalig beschreven, een Hogepriester met twee schurken van zonen die de spot dreven met het priesterschap, maar uitsterven was toch wel heel zwaar.

Het verhaal heeft daarom een rechtstreeks ingrijpen van de God van Israël nodig. En die komt in de vorm van een profeet, een onbekende profeet, aangeduid als Godsman. Die legt eerst uit wat er nu zo verkeerd is aan het gedrag van de beide zonen van Eli. Het ergste is dat ze zich het beste toe-eigenen van de offers die worden gebracht. Herinner u dat over Elkana werd verteld dat die het lekkerste deel van het offervlees aan Hanna gaf. Als het aan de zonen van Eli had gelegen was dat niet gebeurd. Als je echter echt wil delen met je familie, je personeel, de armen en de vreemdelingen die bij je wonen, zoals het boek Deuteronomium voorschrijft, dan krijg je grote problemen als de Priesters het beste deel al vooraf opeisen. Ook de erkenning dat het offer een levend dier was, die je zelf had gekregen en die het leven had gekregen van de God van Israël, wordt teniet gedaan door de zonen van Eli. In Israël geloofde men dat het leven zetelde in het bloed en dat het vet daar direct mee in contact stond. Door het bloed over het altaar te sprenkelen en het vet te verbranden kon dat leven terugkeren naar de God van Israël. De zonen van Eli maakten dat onmogelijk.

Er komt volgens de profeet daarom een ander soort priester, een priester die in dienst staat van het volk. De nazaten van de hoogbejaarde Eli mogen in de toekomst bij die Priester bedelen of ze zijn hulp zouden mogen worden. Hoogbejaard zullen ze niet meer worden, in de bloei van hun leven zullen ze sterven. Dat moet een slag geweest zijn voor de oude man, die toch uiteindelijk zijn zonen had berispt voor hun gedrag. Maar berispen is niet voldoende. De verantwoordelijkheid van ouders voor de misstappen van hun kinderen wordt hier al, heel vroeg in de geschiedenis, aan de orde gesteld. Ook in onze dagen komt die verantwoordelijkheid steeds opnieuw aan de orde. Waar halen die jongeren toch het vuurwerk vandaan waarmee ze buiten de toegestane dagen blijven knallen en schade blijven aanrichten? Waarom kunnen jongeren van rond de 15 jaar tot diep in de nacht in onze steden rondzwerven en daar van alles uitrichten wat we niet zouden willen dat het onszelf overkwam? Ouders kunnen zich er niet van af maken met de opmerking dat ze verkeerde vrienden hebben. Ook die verkeerde vrienden hebben ouders met wie je kan samenwerken. De waarschuwing aan Eli is een waarschuwing aan ons allemaal. We zullen naar een samenleving moeten waar we op tijd samen verantwoordelijkheid nemen voor het opgroeien van kinderen. Worden ze als Samuël of als de zonen van Eli? Elke dag opnieuw zullen we de keus moeten maken, ook vandaag weer.

 

Geef op!

1 Samuel 2:12-26

12 De zonen van Eli waren mannen die nergens voor terugdeinsden. Ze trokken zich niets van de HEER aan 13 en maakten misbruik van het recht dat priesters hadden op een deel van de offergaven. Wanneer iemand een offerdier liet slachten, dan kwam er als het vlees gaar was een priesterknecht met een drietandige vork. 14 Daarmee prikte hij in de pot, de pan, de ketel of de schaal, en alles wat aan de vork bleef hangen, eigende de priester zich toe. Zo verging het alle Israëlieten die in Silo kwamen offeren. 15 Sterker nog, soms kwam de priesterknecht al voor er rook van het vet opsteeg eisen: ‘Geef het vlees aan de priester om het te roosteren. Maar wel rauw; bereid vlees wil hij niet!’ 16 Als dan degene die aan het offeren was antwoordde: ‘Wacht tenminste tot er rook van het vet komt, dan kunt u nemen wat u hebben wilt,’ zei de knecht: ‘Geef op! Anders neem ik het met geweld!’ 17 De HEER nam het wangedrag van Eli’s zonen zeer hoog op; ze toonden geen eerbied voor de gaven die de HEER toekwamen. 18 De jonge Samuel diende de HEER, en droeg daarbij een linnen priesterhemd. 19 Zijn moeder maakte ieder jaar een nieuw manteltje voor hem, dat ze meebracht wanneer zij en haar man hun jaarlijkse offer kwamen brengen. 20 Eli zegende Elkana en zijn vrouw dan met de woorden: ‘Moge de HEER u bij deze vrouw nog andere kinderen geven, in plaats van de jongen die zij aan de HEER heeft afgestaan.’ Daarna gingen ze weer terug naar huis. 21 De HEER zag inderdaad naar Hanna om: ze werd opnieuw zwanger en baarde nog vijf kinderen, drie zonen en twee dochters, terwijl de jonge Samuel dicht bij de HEER opgroeide. 22 Inmiddels was Eli op hoge leeftijd gekomen. Van tijd tot tijd bereikten hem geruchten over wat zijn zonen de Israëlieten allemaal aandeden, en dat ze zelfs sliepen met de vrouwen die dienstdeden bij de ingang van de ontmoetingstent. 23 Dan verweet hij hun: ‘Waarom misdragen jullie je zo? Van alle kanten hoor ik slechte dingen over jullie. 24 Het is niet veel fraais wat het volk van de HEER over jullie te vertellen heeft. Zo gaat het niet langer! 25 Wanneer mensen elkaar kwaad doen, kan God tussenbeide komen, maar wanneer mensen zondigen tegen de HEER, wie zal dan voor hen pleiten?’ Maar de zonen weigerden naar hun vader te luisteren; de HEER had namelijk besloten hen te doden. 26 Intussen groeide Samuel verder op. Hij was zeer geliefd, zowel bij de HEER als bij de mensen. (NBV21)

Het is geen wonder dat het volk van Israël de afgodendienst van Kanaän achterna ging lopen. Het werd hen voorgedaan in het Heiligdom van de God van Israël. Door de Priesters nog wel. In de nieuwe Bijbelvertaling heten ze afpersers. Er staat eigenlijk dat ze de zonen van Belial werden genoemd. Maar wij kennen Belial niet meer en hen hoerenzonen noemen zou een belediging voor de hoeren zijn. De schrijver van het eerste boek Samuel drukt diepe minachting uit voor hetgeen hier in het Heiligdom van de God van Israël aan de gang is. Je wilt als Priester in Israël echt niet horen bij het soort graaiers dat ons hier geschilderd wordt. Ze sturen notabene een knecht met een soort mestvork die de potten, de pannen, de schalen of de ketels afschuimt en al het vlees dat er aan blijft hangen meeneemt voor de beide priesterzonen. Zelfs als de gelovige eerst toch de schijn van offeren wil maken, als de rook van het verbrande vet opstijgt naar God, dan wordt hen dat onmogelijk gemaakt, zelfs religie is niet meer heilig voor deze priesters. Om te snappen hoe erg dit is moeten we ons verdiepen in het offeren in de godsdienst van Israël en de betekenis er van.

Elke morgen en elke avond werd er bij de tent van de ontmoeting geofferd. Dat offeren was niet om de God van Israël te voeden, of om die God tevreden te stellen, of om een gunst van die God te krijgen maar om degene die geofferd had te bevrijden. In de eerste plaats te bevrijden van hebzucht. Je offert van je bezit omdat je bereid bent van je bezit te delen. Je bent bereid om te delen omdat je je er van bewust bent dat wat je hebt gekregen is van de God van Israël. Daarom mochten de priesters van het Heiligdom uitdrukkelijk mee eten van het vlees, het meel of van het gevogelte dat werd geofferd. Maar de manier waarop de zonen van Eli er mee omgingen deed het er bijna op lijken dat er werd geofferd aan de Priesters zelf. Op de hoogtijdagen moest er ook gedeeld worden met de familie, de meiden en de knechten en de armen en de vreemdelingen die bij de offeraars woonden. Daar zal weinig van terecht zijn gekomen met zulke voorbeelden Wel bij de ware gelovigen in de God van Israël. Hanna en Elkana.

Hanna maakte elk jaar voor haar opgroeiende zoon een nieuwe mantel en gekleed in zijn witlinnen kleed groeide Samuel op tot een voorbeeldig tempeldienaar die ging zorgen voor de steeds ouder wordende Hogepriester. Zo’n jonge hulp zal de Hogepriester nog wat extra aanzien gegeven hebben ook. Hanna kon trots op hem zijn en had thuis haar handen vol aan haar vijf andere kinderen. Dat de onvruchtbare vruchtbaar zou worden bewees zich in de praktijk. Maar hier staan weer twee partijen tegenover elkaar. Beide staan in dienst van de God van Israël, maar de ene partij is bevrijd van hebzucht en het najagen van winst en bezit, terwijl de andere partij graait wat het graaien kan. We weten niet precies wanneer de eindredactie van het boek Samuel heeft plaatsgevonden maar we kunnen ons voorstellen dat het verhaal over de zonen van Eli scherpe kritiek inhoudt op een manier van priester zijn die zich zelfs in onze dagen wel voordoet als de schalen in een kerkdienst worden doorgegeven terwijl de voorganger de gemeente opzweept om meer en nog meer te geven zodat hijzelf er rijker van wordt. Voor echte gelovigen in de God van Israël telt alleen het lot van de armen, de minsten, daarmee delen is een priesterlijk gegeven waartoe we elke dag zijn geroepen, ook vandaag weer.

Wie genoeg hadden

1 Samuel 2:1-11

1 en Hanna bad: ‘Nu juicht mijn hart dankzij de HEER, fier heft mijn hoofd zich op, dankzij de HEER, mijn mond spreekt vrijmoedig tegen mijn vijanden, want dankzij uw hulp beleef ik vreugde. 2 Geen is er heilig als de HEER, er is geen andere god dan U, geen rots is er als onze God. 3 Gebruik toch geen grote woorden, blaas niet zo hoog van de toren, want de HEER is een alwetende God: door Hem worden onze daden gewogen. 4 De boog van de helden is gebroken, maar wie wankelen weten zich gesterkt. 5 Wie genoeg hadden, verkopen zich voor brood, maar wie hongeren worden verzadigd. De onvruchtbare baart zeven zonen, maar wie veel kinderen heeft, verwelkt. 6 De HEER doet sterven en doet leven, voert naar het dodenrijk en leidt eruit omhoog. 7 De HEER maakt arm en Hij maakt rijk, vernedert diep en heft hoog op. 8 Hij verheft uit het stof wie berooid is, uit het vuil tilt Hij op wie alles ontbeert. Hij laat hen wonen bij hooggeplaatsten, Hij houdt een ereplaats voor hen vrij. Van de HEER zijn de pijlers der aarde waarop Hij de wereld heeft vastgezet. 9 Wie Hem trouw zijn, behoedt Hij op hun pad, maar de zondaars komen om in het duister. Ontoereikend is de menselijke kracht: 10 wie het opnemen tegen de HEER worden gebroken, vanuit de hemel klinkt zijn donder tegen hen. De HEER spreekt recht over heel de aarde, Hij geeft macht aan de koning die Hij kiest en verhoogt het aanzien van zijn gezalfde.’ 11 Daarop ging Elkana terug naar huis, naar Rama. De jongen bleef achter onder de hoede van de priester Eli om de HEER te dienen. (NBV21)

Hanna heeft dan haar beroemde lied aan dat in echo’s klinkt in tal van de psalmen en opnieuw gezongen zal worden als de eerst onvruchtbare maar nu zwangere Elisabet haar zwangere nicht Maria ontmoet. We kennen het als de lofzang van Maria maar eigenlijk is het de lofzang van Elisabet. In dat lied worden voortdurend tegenstellingen gemaakt. Rijken zend hij ledig heen en armen laat hij verzadigd gaan, om er maar één te noemen. De boodschap van het lied is dat het helemaal niet gaat in het leven om die vruchtbaarheid, om steeds maar rijker en machtiger te worden.

Belangrijke verhalen in de Bijbel over vrouwen staan vaak aan het begin van een hele nieuwe periode in de geschiedenis van God met zijn volk. De geboorte van Samuël is zo’n verhaal. Hij is immers niet toevallig of door afkomst in de Tempel terecht gekomen, maar door een bewuste keuze van zijn moeder. De enige manier om toekomst te krijgen is de weg van de God van Israël te gaan. De woorden van Hanna klinken niet voor niets door. En het volk gaat van een volk waar ieder doet wat goed is in eigen ogen naar een volk dat doet wat God aan Mozes heeft geleerd en door Mozes is doorgegeven.

Machtiger dan de God van Israël lukt niks en niemand en alles wat je hebt krijg je van die God. Dat rusteloos zoeken naar rijkdom en macht heeft dan ook geen enkel nut. Voeg je in het spoor van die God en zorg voor de naaste als voor jezelf, deel van wat je hebt gekregen met hen die niets hebben, dan pas ben je rijk. Op die manier staat Samuël aan het begin van het Koninkrijk Israël en aan het begin van wat de dienst van Tempel in Jeruzalem zou worden. Maar zo gelezen kunnen wij ons ook bij die dienst aansluiten en de partij van Hanna kiezen, door onze naaste lief te gaan hebben als onszelf en met de armsten tot aan de einden der aarde te delen van de rijkdom die we kregen. Elke dag opnieuw, ook vandaag weer.

Zo jong als hij was

1 Samuel 1:19-28

19 De volgende morgen vroeg bogen ze zich neer voor de HEER, waarna ze zich op de terugreis begaven. Thuis in Rama sliep Elkana met zijn vrouw Hanna, en de HEER dacht aan haar. 20 Binnen een jaar werd Hanna zwanger en baarde ze een zoon. Ze noemde hem Samuel, ‘want,’ verklaarde ze, ‘ik heb hem aan de HEER gevraagd.’ 21 Toen Elkana het jaar daarop weer met zijn familie op weg ging om de HEER zijn jaarlijkse offer te brengen, wilde hij de gelofte inlossen. 22 Maar Hanna ging niet mee. Ze zei tegen haar man: ‘Pas als het kind van de borst is, zal ik hem brengen. Dan zal hij voor de HEER verschijnen en daar voor altijd blijven.’ 23 Haar man Elkana antwoordde: ‘Doe maar wat jij het beste vindt. Blijf thuis zolang je hem nog zelf voedt. Moge de HEER zijn belofte waarmaken.’ Hanna bleef dus thuis en voedde haar zoon totdat ze hem van de borst nam. 24 Zodra ze hem niet meer zelf voedde, nam ze hem mee naar Silo en bracht hem, zo jong als hij was, naar het heiligdom van de HEER. Ze had ook een driejarige stier bij zich, een efa meel en een zak wijn. 25 Ze slachtten de stier en brachten de jongen naar Eli. 26 Hanna zei: ‘Neem me niet kwalijk, heer, zo waar u leeft, ik ben de vrouw die destijds hier bij u tot de HEER heeft gebeden. 27 Om deze zoon heb ik gebeden, en de HEER heeft mij gegeven waar ik om heb gevraagd. 28 Nu geef ik hem op mijn beurt aan de HEER, voor alle dagen die hem gegeven zijn.’ Toen knielde de jongen daar voor de HEER,

Dit begin van het verhaal over Samuël laat zich gemakkelijk lezen als het verhaal over de zielige Hanna die zo gepest werd omdat ze geen kinderen kreeg. Uit wanhoop beloofde ze haar kind dan maar af te staan aan het Heiligdom voor de God van Israël als ze maar dat kind kreeg en niet meer gepest zou worden. En jawel, binnen een jaar was dat kind er en natuurlijk verwachtte haar man dat ze direct mee zou gaan naar dat Heiligdom om dat kind af te staan. Gelukkig vond hij het goed dat ze het kind nog even een tijdje de borst zou geven voordat ze het kind waar ze zo naar had verlangd weer kwijt zou raken. Dat een tijdje de borst geven was in die dagen overigens een jaar of drie dus die Hanna kon toch nog een aardige tijd van haar jongen genieten. Elkana moest daarom bidden dat God haar zou helpen haar belofte te houden.

Maar het verhaal over Elkana, Hanna en Samuël gaat niet over een gelukkig gezinnetje uit de bergen van Efraïm, het gaat over de manier waarop de God van Israël met zijn volk omgaat en hoe dat volk er op reageert. In het begin van dit boek werd ons Elkana voorgesteld. Als we nauwkeurig lezen dan leren we dat Elkana stamde uit de stam Levi. Die stam had geen eigen gebied gekregen in Israël.  Uit die stam kwamen de helpers voor het Heiligdom van de God van Israël voort, de Levieten. Als Elkana met de hele familie naar dat Heiligdom reist dan lezen we daar van alles maar niks over de levieten. Elkana houdt wel de maaltijd zoals die in het boek Deuteronomium staat voorgeschreven, met de familie, de meiden en de knechten, de levieten en de armen en de vreemdelingen. De nadruk in dit verhaal ligt dan op de familie.

Wie goed leest hoort van een strijd tussen twee kampen, het kamp van Pennina en het kamp van Hanna. Het kamp van Pennina legt de nadruk op de vruchtbaarheid, het aantal kinderen dat ze kreeg, de rijkdom die dat met zich meebracht. Het kamp van Hanna kent alleen dat Heiligdom en die God van Israël. Elkana kiest overigens voor Hanna. Het kamp van Pennina lijkt heel erg veel op de afgodendienst waartoe Israël in haar geschiedenis zou worden verleid. Het verhaal van Hanna laat zich dan ook lezen als een verhaal over die strijd waarin de God van Israël als overwinnaar tevoorschijn zal komen. De zoon die Hanna en Elkana krijgen wordt goed gevoed naar het Heiligdom gebracht. Daar knielt de jongen neer voor die God, die zelfs geen beeld in zijn Heiligdom wilde, die de offers bestemde voor zijn priesters en ze wilde laten delen met de armen. In die Tempel ligt de toekomst voor de jongen. En van die toekomst zullen we horen.

Vergeet mij niet.

1 Samuel 1:9-18

9 Na de maaltijd stond Hanna op en ging naar het heiligdom van de HEER, waar de priester Eli op een bankje bij de ingang zat. 10 Diepbedroefd bad Hanna tot de HEER. In tranen 11 legde ze een gelofte af: ‘HEER van de hemelse machten, ik smeek U, heb toch oog voor mijn ellende. Denk aan mij, uw dienares, vergeet mij niet. Schenk mij een zoon, dan schenk ik hem voor zijn hele leven aan U: nooit zal zijn hoofd door een scheermes worden aangeraakt.’ 12 Toen Hanna zo lang aan het bidden was, begon Eli op haar mond te letten. 13 Ze bad namelijk in stilte: haar lippen bewogen wel, maar haar stem was niet te horen. Daarom dacht Eli dat ze dronken was. 14 Hij sprak haar aan en vroeg: ‘Hoe lang gaat dit nog duren? Als u dronken bent, ga dan uw roes uitslapen!’ 15 ‘U vergist u, heer,’ antwoordde Hanna. ‘Ik heb geen wijn of andere drank gedronken. Nee, ik ga gebukt onder een zwaar verdriet en stort mijn hart uit bij de HEER. 16 Denk niet dat ik een slechte vrouw ben; ik heb zo lang gebeden omdat ik overstelpt ben door droefheid en ellende.’ 17 ‘Ga dan in vrede,’ antwoordde Eli. ‘De God van Israël zal u geven waar u om hebt gevraagd.’ 18 ‘Ik dank u dat u mij zo gunstig gezind bent,’ zei Hanna, en ze ging terug naar haar familie. Haar gezicht was opgeklaard en ze at ook weer. (NBV21)

Mensen kunnen door de manier waarop Hanna gepest werd zo gekwetst worden dat ze er aan dood gaan, al lijkt het dan er op of ze zelf een eind aan hun leven maken. Hanna was daar niet ver van af. Maar zij zocht eerst in de Tent der ontmoeting, waar de Wet van God werd bewaard, de hulp van die God. Ze ging bidden. Bidden is eigenlijk een rare manier van communiceren. Je praat met een God waarvan je verder weinig weet. Die God heeft ooit beloofd dat die met je mee trekt door het leven. Maar je hoort weinig van die God en pas achteraf kun je soms zeggen dat God iets heeft gedaan in je leven dat je niet had verwacht. Hanna bidt in zichzelf. Zonder dat iemand het kan horen. Eigenlijk lijkt het er op dat ze een gesprek voert met zichzelf.

Jezus van Nazareth zou veel en veel later ook oproepen om te gaan bidden in het binnenste van je binnenkamer, daar waar niemand je kunt zien of horen. Bidden kan immers nooit een vertoning zijn van hoe vroom je bent, van hoeveel je wel niet van God houdt of van hoeveel je je wel niet aan Gods geboden houdt. Met bidden treed je het Koninkrijk van God binnen, het enige dat je vraagt is je dagelijks brood en bevrijding van het boze. Vergeving vraag je alleen als je zelf ook weet te vergeven. Hanna was zo ver heen dat de hoge priester Eli dacht dat ze dronken was. Dat was ze dus niet en als ze zo hartstochtelijk iets van God vroeg dan moest die dat toch wel geven zei Eli. Dat is een mooie troost die nergens op slaat. Je mag hopen dat God je helpt maar hoe en wanneer weet je maar nooit.

Hanna had dit al eerder door. Zij kon eigenlijk alleen geholpen worden door liefde. En hoewel de God van Israël geen God is van voor wat hoort wat zou wellicht een teken van liefde helpen. Ze beloofde haar kind in dienst te stellen van die God. Dat kind kreeg ze ook, niet van God maar van Elkana want eindelijk had die naar haar geluisterd. Het was de leer van Mozes, de Wet van Liefde en delen die haar op het goede spoor had gezet, haar zoon zou dan ook opgedragen worden aan die God. Wij hoeven geen zonen en dochters aan die God op te dragen. Wij kunnen onszelf aan die God weiden, door te leven volgens zijn richtlijn, onze naaste lief te hebben als ons zelf. Elke dag weer, ook vandaag weer.

 

Waarom huil je, Hanna?

1 Samuel 1:1-8

1 In Rama in de streek Suf, in het bergland van Efraïm, woonde een man die Elkana heette. Hij was een zoon van Jerocham, die een zoon was van Elihu, de zoon van Tochu, de zoon van Suf, en behoorde tot de stam Efraïm. 2 Hij had twee vrouwen: de ene heette Hanna en de andere Peninna. Peninna had kinderen, maar Hanna niet. 3 Elk jaar ging deze man vanuit zijn woonplaats naar Silo, om zich daar voor de HEER van de hemelse machten neer te buigen en Hem offers te brengen. Chofni en Pinechas, de twee zonen van Eli, waren daar priesters van de HEER. 4 Wanneer Elkana zijn jaarlijkse offer bracht, gaf hij zijn vrouw Peninna en haar zonen en dochters een stuk van het offervlees. 5 Maar het mooiste stuk gaf hij aan Hanna, want haar had hij lief, ook al hield de HEER haar moederschoot gesloten. 6 Haar rivale kwetste haar dan diep, door haar te sarren omdat de HEER haar geen kinderen gaf. 7 Zo ging het jaar in jaar uit. Elke keer als ze naar het heiligdom van de HEER gingen, treiterde Peninna Hanna zo erg dat ze begon te huilen en haar eten liet staan. 8 Toen dat weer eens gebeurde, vroeg haar man Elkana: ‘Waarom huil je, Hanna? Waarom eet je niet en waarom ben je zo bedroefd? Beteken ik niet meer voor je dan tien zonen?’ (NBV21)

Vandaag beginnen we te lezen in het Eerste boek Samuël. Samuël belichaamde de overgang van het volk dat zonder koning in stammen verdeeld in het land Israël woonde naar het Koninkrijk dat onder David een succes zou worden. De verhalen over dat volk dat in stammen verdeeld leefde kunnen we vinden in het boek Richteren en hoe het na David verder zou gaan lezen we in de boeken 1 en 2 Koningen. De boeken 1 en 2 Samuël en de boeken 1 en 2 Koningen maken de indruk geschiedenisboeken te zijn. Maar dat is een verkeerde indruk. De Bijbel is geen geschiedenisboek en ook de verschillende boeken in de Bijbel vertellen niet over geschiedenis zoals we dat inmiddels van de geschiedeniswetenschap gewend zijn. De boeken zijn ook niet geschreven om geschiedenis van een volk, of van belangrijke mensen of gebeurtenissen vast te leggen. De Bijbel is geschreven om ons te laten zien hoe de God van Israël inbreekt in onze menselijke geschiedenis. Bijbelverhalen vertellen dan ook de “waarheid”, niet over de geschiedenis, maar over het handelen van de God van Israël. Het eerste verhaal dat we vandaag lezen is daar een goed voorbeeld van.

In de loop van de tijden is het krijgen van voldoende kinderen in elke cultuur een belangrijke zaak. Die kinderen zijn een verzekering voor een ongestoorde oude dag voor hun ouders. De “babyboom” van na de Tweede Wereldoorlog heeft bij ons het zicht daarop wat verduisterd. Voor de generatie van de jaren 20 en 30 van de vorige eeuw waren er genoeg kinderen geboren om hen een onbezorgde oude dag te bezorgen. Maar in onze dagen dringt zich het besef dat er voldoende jongeren moeten zijn om de ouderen een onbezorgde oude dag te bezorgen zich weer op. De hele discussie over de AOW leeftijd gaat daarover, over de verdeling van de lasten tussen de jongeren en ouderen. De OESO, de organisatie voor ecomische samenwerking en ontwikkeling heeft al eens geadviseerd om desnoods meer mensen uit arme buitenlanden toe te laten, die hebben grotere gezinnen en kunnen ons pensioenstelsel betaalbaar houden. Ook in de dagen van Elkana, waar het verhaal van vandaag mee begint, was de noodzaak van voldoende kinderen aanwezig.

Hanna had geen kinderen, Peninna wel. Hanna was dus zielig en Peninna niet. Maar Hanna was eigenlijk helemaal niet zielig omdat ze geen kinderen had, Peninna had genoeg kinderen voor hen allebei en de verhalen uit de Bijbel gaan ook altijd over delen. En als het op delen aankwam dan kreeg Hanna altijd het beste deel van haar echtgenoot. Maar Hanna was zielig omdat ze gepest werd. Pesten is een van de meest gemene manieren om iemand te kwetsen. Mensen kunnen daardoor zo gekwetst worden dat ze er aan dood gaan, al lijkt het dan er op of ze zelf een eind aan hun leven maken. Hanna was daar niet ver van af. Maar ze stond niet alleen. De vraag van haar echtgenoot was een zeer belangrijke. In onze dagen wordt er veel nagedacht over de redenen waarom mensen, vooral jonge mensen, een eind aan hun leven maken. In het algemeen kan worden gezegd dat het niet voldoen aan verwachtingen een oorzaak kan zijn. Maar dat is eigenlijk een lege opmerking. Als iemand zich in zichzelf terugtrekt, verdriet heeft, of zonder aanleiding opgeruimd is. Ga dan in gesprek. Een vraag zoals die van Elkana kan mensenlevens redden. Dat is oog voor de naaste hebben, elke dag weer.

 

Wie doet wat goed is

Romeinen 13:1-10

1 Iedereen moet de autoriteit van het bevoegd gezag erkennen, want er is geen gezag dat niet van God komt; ook het huidige gezag is door God ingesteld. 2 Wie zich tegen dit gezag verzet, verzet zich dus tegen de orde die God heeft bepaald, en wie dat doet roept zijn veroordeling over zich af. 3 Wie doet wat goed is heeft van de gezagsdragers niets te vrezen, alleen wie doet wat slecht is. U wilt niets van de overheid te vrezen hebben? Doe dan wat goed is en ze zal u prijzen, 4 want ze staat in dienst van God en is er voor uw welzijn. Maar wanneer u doet wat slecht is, kunt u haar beter vrezen: ze voert het zwaard niet voor niets, want als dienares van God geeft ze ieder die het slechte doet de straf die hij verdient. 5 U moet haar gezag dus erkennen, en niet alleen uit angst voor straf, maar ook omwille van uw geweten. 6 Daarom betaalt u ook belasting en staat wie belasting int in dienst van God. 7 Geef iedereen wat hem toekomt: belasting aan wie u belasting verschuldigd bent, accijns aan wie u accijns verschuldigd bent, ontzag aan wie ontzag toekomt, eerbied aan wie eerbied toekomt. 8 Wees elkaar niets schuldig, behalve liefde, want wie de ander liefheeft, heeft de wet vervuld. 9 Want: ‘Pleeg geen overspel, pleeg geen moord, steel niet, zet uw zinnen niet op wat van een ander is’ -deze en alle andere geboden worden samengevat in deze ene uitspraak: ‘Heb uw naaste lief als uzelf.’ 10 Liefde berokkent de naaste geen kwaad, dus de wet vindt zijn vervulling in de liefde. (NBV21)

We moeten vandaag heel voorzichtig zijn met hetgeen we lezen. Met de verzen die vandaag op het leesrooster staan is heel wat onrecht goedgepraat en als we dat weer doen dan lezen we de Bijbel verkeerd. De Bijbel moet niet gelezen worden uit het oogpunt van de machthebbers maar uit het oogpunt van de machtelozen. Wat immers de minsten is gedaan is aan God zelf gedaan. Het ging hiervoor over de vijand en hoe je het kwade dient te overwinnen door het goede. Geldt dat dan ook voor de overheid? In het verhaal over de overheid heeft Paulus het voortdurend over God. En God was immers de enige Heer over de wereld. Een overheid is dan ook ingesteld door God. Daarmee heeft de overheid niet een eigen recht van bestaan en kan ze ook niet handelen naar eigen inzicht. Het goed of fout van de overheid wordt beoordeeld door God en dient beoordeeld te worden in het licht van God.

Paulus zegt ook dat je niemand iets schuldig moet zijn dan de liefde. Dat geldt dus ook en juist voor de overheid. Want de geschiedenis van Israël leert dat een anarchistische staat niet tot vrede en gerechtigheid voert. Lees er het Bijbelboek Rechters maar eens op na. En een wereldregering zoals er eigenlijk in het Romeinse Rijk was is nodig. De handel moet beschermd worden, burgers moeten in vrede kunnen leven, bij conflicten moet er recht gesproken kunnen worden. In onze tijd hebben we het over onderwijs en zorg. En wie minder belasting wil betalen en minder files op de wegen wil moet echt thuis blijven en niet naar buiten komen. Alles wat we met elkaar willen kost geld en dat moet rechtvaardig worden geïnd en rechtvaardig worden beheerd en uitgegeven. Er is niets tegen een goede overheid maar alles tegen een slechte overheid. In onze dagen kunnen slachtoffers van het toeslagenmisdrijf en bewoners van Groningen er over meepraten.

Het volk in de woestijn dat het gebod had gekregen de naaste lief te hebben als zichzelf kreeg ook een inrichting van een samenleving met een overheid. Groepen kozen vertegenwoordigers en Mozes had rechters aangesteld. Met die vertegenwoordigers werd overlegd en zo moest de samenleving in de woestijn kunnen functioneren. Onze democratie heeft er nog de sporen van. Maar het functioneert pas als ook de zwaksten mee kunnen doen, als groepen in de samenleving bereid zijn samen te leven en niet tegen elkaar worden opgezet. Zorg is daarom van groot belang voor het functioneren van de samenleving, net als respect voor brandweer-, ambulance- en politiepersoneel. Het gedeelte van vandaag onderwerpt de burger dus niet aan een overheid maar bevrijdt de burger van angst voor de overheid. Niemand heeft recht op een wapen, het zwaard van de overheid die kan ons beschermen. Aan ons om het goede te doen, de overheid het goede voor te houden en te bouwen aan een samenleving zoals de God van Israël die ons heeft voorgehouden, ook vandaag weer.

 

Overwin het kwade door het goede.

Romeinen 12:9-21

9 Laat uw liefde oprecht zijn. Verafschuw het kwaad en wees het goede toegedaan. 10 Heb elkaar lief met de innige liefde van broeders en zusters en acht de ander hoger dan uzelf. 11 Laat uw enthousiasme niet bekoelen, maar laat u aanvuren door de Geest en dien de Heer. 12 Wees verheugd door de hoop die u hebt, wees standvastig wanneer u tegenspoed ondervindt, en bid onophoudelijk. 13 Bekommer u om de noden van de heiligen en wees gastvrij. 14 Zegen uw vervolgers; zegen hen, vervloek hen niet. 15 Wees blij met wie zich verblijdt, heb verdriet met wie verdriet heeft. 16 Wees eensgezind; wees niet hoogmoedig, maar zet uzelf aan tot nederigheid. Ga niet af op uw eigen inzicht. 17 Vergeld geen kwaad met kwaad, maar probeer voor alle mensen het goede te doen. 18 Stel, voor zover het in uw macht ligt, alles in het werk om met alle mensen in vrede te leven. 19 Neem geen wraak, geliefde broeders en zusters, maar laat God uw wreker zijn, want er staat geschreven dat de Heer zegt: ‘Het is aan Mij om wraak te nemen, Ik zal vergelden.’ 20 En ergens anders staat: ‘Als uw vijand honger heeft, geef hem dan te eten, als hij dorst heeft, geef hem dan te drinken. Dan stapelt u gloeiende kolen op zijn hoofd.’ 21 Laat u niet overwinnen door het kwade, maar overwin het kwade door het goede. (NBV21)

Het kwaad verafschuwen dat willen we meestal wel.  Maar dan het goede toegedaan zijn, dat is veel moeilijker. We hebben immers de neiging het kwaad met kwaad te vergelden. De dader van de aanslag op een Koptische Kerk in Egypte krijgt de doodstraf. Is dat terecht? De Bijbel gebiedt ons voor het leven te kiezen. Die aanslag verafschuwen we, het is het kwade, maar hoe zijn we dan het goede toegedaan? Durven we ons te verplaatsen in de positie van de armen in Egypte? Durven we mee te voelen met hun wanhoop over een uitzichtloze samenleving? Kennen we de wetten die de Egyptische boeren verhinderen op onze markten op een eerlijke wijze te concurreren met onze boeren? Kennen we de wanhoop over de goedkope massaproducten die ook Egypte overspoelen en waardoor plaatselijke producenten geen kans krijgen? Zetten we onze verontwaardiging over het kwade dan om in de bereidheid eerlijk te delen? Gaan we dan meer aan ontwikkelingssamenwerking doen?

Zien we in dat samenwerking altijd beter is dan verdeeldheid zaaien? We moeten ons zeker laten aanvuren door de Geest van Jezus van Nazareth, onze vijanden leren lief te hebben. Juist daarin standvastig zijn is niet eenvoudig als je de grote woorden over een tweedeling in de wereld hoort, zoals er mensen zijn die ons wijs willen maken dat de tweedeling gaat tussen geloven en niet tussen rijken en armen. Daarom zegt Paulus hier gastvrij te zijn. Die heiligen zijn onze broeders en zusters, maar in Bijbelse termen zijn alle mensen onze broeders en zusters en wat de minste is aangedaan is Jezus van Nazareth zelf aangedaan. Daarom moeten we onze vervolgers zegenen en niet vervloeken. We hebben altijd wegen om ook van onze vervolgers uiteindelijk het goede te laten uitgaan. De armen die bij ons aankloppen met de vraag hen een plaats, werk en veiligheid te geven zijn de broeders en zusters van Jezus en van ons, wat we hen aandoen doen we Jezus aan.

We zullen bij onszelf te rade moeten gaan om het kwaad niet met het kwaad te vergelden. Een rechte rug voor Christenen betekent dat de linkerwang wordt toegekeerd, dat Christenen weigeren geweld tegenover geweld te stellen, dat ze dat volhouden en voorhouden ook als ze bedreigd en vervolgd worden. Dat is in onze dagen meer dan nodig in het conflict dat Israël in Gaza uitvecht. Daar moet je alles in het werk stellen om de vrede te bewaren en geen wraak nemen. De wraak van onze God is zoet, die roept mensen hem te dienen door elkaar lief te hebben. En juist door meer aan ontwikkelingssamenwerking te doen. We doen dat door mensen te scholen in democratie, door onrechtvaardige handelsmuren te slechten. Zo stapelen we gloeiende kolen op de hoofden van de aanslagplegers. Dan hoeven er geen doodstraffen te worden uitgedeeld, of terreuraanvallen plaatsvinden, maar kunnen we samen kiezen voor het leven, ook vandaag weer.

Blijmoedig zijn.

Romeinen 12:1-8

1 Broeders en zusters, met een beroep op Gods barmhartigheid vraag ik u om uzelf als een levend, heilig en God welgevallig offer in zijn dienst te stellen. Dat is de ware eredienst die van u wordt gevraagd. 2 U moet uzelf niet aanpassen aan deze wereld, maar u veranderen door uw gezindheid te vernieuwen, om zo te ontdekken wat God wil en wat goed, volmaakt en Hem welgevallig is. 3 Met een beroep op de genade die mij geschonken is, zeg ik u allen dat u zichzelf niet hoger moet aanslaan dan u kunt verantwoorden. U moet verstandig over uzelf denken, in overeenstemming met het geloof, de maatstaf die God ieder van u geschonken heeft. 4 Zoals ons ene lichaam vele delen heeft en die delen niet allemaal dezelfde functie hebben, 5 zo zijn we samen één lichaam in Christus en zijn we, ieder apart, elkaars lichaamsdelen. 6 We hebben verschillende gaven, onderscheiden naar de genade die ons geschonken is. Wie de gave heeft te profeteren, moet die in overeenstemming met het geloof gebruiken. 7 Wie de gave heeft bijstand te verlenen, moet bijstand verlenen. Wie de gave heeft te onderwijzen, moet onderwijzen. 8 Wie de gave heeft te troosten, moet troosten. Wie uitdeelt, moet dat zonder bijbedoeling doen. Wie leiding geeft, moet dat doen met volle inzet. Wie barmhartig is, moet daarin blijmoedig zijn. (NBV21)

Vandaag vallen we de brief van Paulus aan de Romeinen binnen. Een belangrijke brief, zeker in de tijd van de hervorming. Niet lang geleden was het 500 jaar geleden dat de Hervorming van de Rooms Katholieke kerk begon met de stellingen van Maarten Luther. Hij was daartoe gekomen door het bestuderen van deze brief aan de Romeinen. Paulus heeft het in het gedeelte van vandaag over de vorming van de gemeente. Dat een Christen zichzelf door gebed en studie moest veranderen maar buiten de Christelijke gemeenschap, in de wereld, dezelfde kon blijven is een oud misverstand, we leven niet in twee werelden maar in één wereld, Gods wereld, goed of kwaad. Daarom benadrukt Paulus dat we samen één lichaam zijn, niemand is beter of slechter dan een ander, ieder moet zich bewust zijn wat hij of zij kan en er op uit zijn het beste uit de ander naar boven te halen. Daarom moet je leren denken vanuit het geloof. De theoloog Karl Barth schreef bij dit vers in het begin van de vorige eeuw dat je daarvoor zeker de krant moet lezen. Daar kun je leren hoe er in de wereld gedacht wordt.

In onze dagen lees je daar over kinderen die in ons land geboren zijn, hier zijn opgegroeid, op school zitten en op een sportvereniging of zelfs op de muziekschool, zich dus gedragen als alle Nederlandse kinderen. Alleen hun ouders zijn ooit uit een ver arm land naar Nederland gekomen om hier te werken en daarvoor een redelijk loon te krijgen zodat ze hun kinderen een goede toekomst willen geven. Onze regering is zo dapper die kinderen naar landen te sturen waar ze nooit eerder geweest zijn en waarvan ze zelfs de taal niet spreken. Omdat hun ouders al lang uit hun land weg zijn is er geen onderdak, is er geen inkomen en gaan ze een toekomst tegemoet van diepe, bittere armoede met om hen veel geweld en soms zelfs onderdrukking en uitbuiting. Let wel: die kinderen worden niet teruggestuurd, ze zijn er nooit geweest Wij richten ons kennelijk liever op ons eigen welzijn, de hypotheekrenteaftrek voor de rijksten, de prijs van het kaartje voor het concert van het Concertgebouworkest. En denk nu niet dat we samen niet in staat zijn de problemen in de wereld aan te pakken.

Kijk eens wat er voor een gaven zijn in een samenleving. De Christelijke gemeente mag daarbij het voorbeeld zijn en Paulus schetst haar ook als zodanig, maar in onze samenleving mogen wij oproepen dat voorbeeld te volgen. Wie de nood van de armsten en de minsten onder woorden kan brengen en Gods stem daarbij kan laten horen, profeteren noemt Paulus dat, moet dat doen in overeenstemming met het geloof dat God heerst op aarde. Wie kan uitleggen moet uitleggen, wie kan troosten moet troosten. Weggeven doen we zonder iets terug te willen krijgen en leiding geven we om een betere samenleving te krijgen. Wie barmhartig voor een ander is mag daarin blijmoedig zijn. Ik schrijf “mag”, in onze vertaling staat “moet”. Als je barmhartig bent, je hand over je hart weet te strijken, weet dat er geen tegenzin meer over kan blijven alleen maar vreugde over het goede dat je samen met anderen kunt veroorzaken dan kan van dwang geen sprake zijn, barmhartigheid is het mooiste dat je kunt laten zien.. Samen mogen we er elke dag opnieuw weer aan werken, laten we het ook vandaag weer doen.