Harde woorden

Maleachi 3:13-18

13 Jullie hebben tegen elkaar harde woorden over Mij gesproken-zegt de HEER -,en jullie vragen: ‘Wat hebben we dan over U gezegd?’ 14 Jullie hebben gezegd: ‘Wat heeft het voor nut om God te dienen, wat hebben we eraan dat we zijn voorschriften in acht nemen en ons in een boetekleed hullen voor de HEER van de hemelse machten? 15 We moeten de hoogmoedigen wel gelukkig prijzen, want wie zich goddeloos gedraagt gaat het voor de wind, en wie God beproeft komt er goed vanaf!’ 16 Zo spraken de mensen die ontzag voor de HEER hadden tegen elkaar, en de HEER hoorde het en luisterde met aandacht. Ten overstaan van de HEER werden in een boek de namen van de mensen opgetekend die ontzag voor Hem hadden, die zijn naam hoogachtten. 17 Op de dag die Ik voorbereid-zegt de HEER van de hemelse machten-zullen zij mijn eigendom zijn. Ik zal hen sparen zoals je een kind spaart dat je gehoorzaam is. 18 Dan zullen jullie het verschil weer zien tussen rechtvaardigen en wettelozen, tussen mensen die God gehoorzamen en wie dat niet doen. (NBV21)

Telkens weer proberen predikers en evangelisten mensen ervan te overtuigen dat het met de mensen die God dienen goed gaat en met de mensen die God verwerpen slecht gaat. Dat is meer dan jammer, het is erg. Want telkens weer raken mensen die naar dat soort predikers en evangelisten luisteren teleurgesteld. Als ze in hun wereld en hun maatschappij rondkijken dan zien ze het tegendeel. De mensen die zich niets aantrekken van de richtlijn eerlijk te delen, van je naaste liefhebben als jezelf, die gaat het goed. Die hopen hun rijkdom op en kunnen zich alles permitteren om hun lusten te bevredigen. Mensen die zich om de minsten in de wereld bekommeren worden uitgelachen en beschimpt, hen wordt verweten lid te zijn van een linkse kerk en voor de mensen die zo’n beschuldiging uiten moet dat wel heel erg zijn.

Uitgescholden worden is in elk geval nooit een plezierige ervaring. Niet geloven in een betere wereld die zou ontstaan door ontzag voor God, door een hand uit te steken naar de minsten in de wereld, lijkt vruchtbaarder te zijn dan wel bezig te zijn met vrede brengen, met het voeden van de hongerigen en het kleden van de naakten. De profetie vertelt over een dag waarop de wereld omgekeerd zal worden en dat de mensen, die trouw bleven aan de richtlijnen van God, in een boek staan opgetekend en zullen zien dat het slecht zal aflopen met de mensen die zich verrijkt hebben ten koste van de armen. Daar heb je nogal wat aan. De profetie is opgeschreven eeuwen voor Jezus van Nazareth ons kwam vertellen dat het niet alleen zou gelden voor het volk van Israël maar voor de hele bewoonde wereld. Maar misschien moeten we dat beeld van die ouder en dat kind meer serieus nemen.

Een kind dat gehoorzaam is krijgt het er niet beter door als een ouder het kind niet straft maar spaart, een kind dat ongehoorzaam is wil nog wel eens wat extra aandacht van de verzorgende en dus straffende ouder weten te krijgen. En als we als kinderen zijn die gespaard worden dan merken we dus helemaal niet hoe God ons spaart. Dan gaat ons leven door zoals het altijd al ging. Rijk worden we immers niet omdat we delen wat we kunnen delen. Aanzien verwerven we niet omdat we ons bezig houden met de minsten in de samenleving. Uitgescholden blijven we omdat we voor de rijken en hun dienaren altijd het verkeerde voorbeeld zullen geven. En daarbij komt dat wat we doen niet voor onszelf is maar voor God. Daarbij komt dus dat een profetie als deze ons roept en aanspoort om vol te houden ook al lijkt het doen van het tegendeel vruchtbaarder. Uiteindelijk gaat het dus alleen maar goed met ons als we ook vandaag in staat blijken van onze naasten te houden als van onszelf.

Rechtvaardig en eerlijk

Psalm 111

1 Halleluja! Ik wil de HEER loven met heel mijn hart in de grote kring van oprechten. 2 Machtig zijn de werken van de HEER, wie ze liefheeft, onderzoekt ze. 3 Zijn daden hebben glans en glorie, zijn rechtvaardigheid houdt stand, voor altijd. 4 Hij stelde een gedenkdag in voor zijn wonderen, genadig en liefdevol is de HEER. 5 Hij gaf voedsel aan wie Hem vrezen, eeuwig gedenkt Hij zijn verbond. 6 Hij toonde zijn volk de kracht van zijn daden en gaf hun het land van andere volken. 7 Rechtvaardig en eerlijk is het werk van zijn handen, uit al zijn regels blijkt zijn trouw, 8 ze zijn onwrikbaar, voor altijd en eeuwig, gemaakt volgens waarheid en recht. 9 Hij heeft zijn volk verlossing gebracht, voor eeuwig zijn verbond ingesteld. Heilig en ontzagwekkend is zijn naam. 10 Het begin van wijsheid is ontzag voor de HEER, leven naar zijn regels getuigt van goed inzicht. Zijn roem houdt stand, voor altijd. (NBV21)

Vandaag zingen we mee met de eerste Halleluja psalm uit het boek van de Psalmen. De uitoep Halleluja heeft bij ons een wat oubollige klank gekregen. In de eerste plaats weten we niet meer wat het betekent en in de tweede plaats wordt het te pas en te onpas gebruikt. Het betekent zoveel als “Lof aan Ik-zal-er-zijn” Een uitroep van vreugde om de aanwezigheid van de God die met je meetrekt. Als je het “Halleluja” dus uitroept behoor je ergens heen op weg te zijn en je er van bewust te zijn dat God met je meegaat. Dat ergens heen op weg is in de zin van de Bijbel dan ook altijd op weg naar de minsten in de samenleving, naar de zwakken, de zieken, de hongerigen, de naakten, de lammen en de blinden. Psalm 111 is in het oorspronkelijk Hebreeuws een grappige psalm. Elke regel begint met de een letter van het Hebreeuwse alfabet, in volgorde natuurlijk. In de oude Statenvertaling staan de namen van die letters nog gewoon in de vertaling. Aleph, Beth, Gimel, Daleth enzovoorts. In de NBV21 staat er een verwijzing in een voetnoot en dat is natuurlijk iets beter omdat die letters de eerste letters van een woord zijn en op zichzelf, alleenstaand, niet in de Psalm voorkomen.

Het grappige ook is de vergelijking met Psalm 112. De eigenschappen die in Psalm 111 aan God worden toegeschreven worden in Psalm 112 aan de gelovigen toegedicht. De beide Psalmen vormen als het ware een spiegel waarbij de gelovige het spiegelbeeld van God is, zoals de mens dus naar het beeld van God is gevormd. Psalm 111 wordt ook wel bij de Wijsheidsliteratuur gerekend zoals we die in het Bijbelboek Spreuken tegenkomen. De Psalm besluit tenslotte met de uitspraak die we ook in het boek Spreuken tegenkomen dat het begin van wijsheid het ontzag voor God is, de erkenning dat er maar één Heer in de Wereld is en dat dat God is. Daarbij hoort het leven naar de richtlijnen voor de menselijke samenleving die het volk in de woestijn had ontvangen, samengevat zeggen die dat je je naaste lief moet hebben als jezelf. Dat noemt de Psalm van goed inzicht getuigen. Juist het goede van het houden van die richtlijnen houdt stand voor eeuwigheid. Het blijven houden aan die richtlijnen kun je alleen aan God toeschrijven.

God confronteert ons immers dag in dag uit weer met de oproep het goede te doen en niet dan het goede. Volgens die richtlijnen behoren we onze samenleving in te richten zodat die voor iedereen een menselijke samenleving wordt. Daarom moeten we blij zijn dat zelfs de meest ingewikkelde vonnissen kunnen worden herzien als blijkt dat er fouten zijn gemaakt. De vrijspraak van Lucia de B, en van al die anderen die lang onschuldig gevangen zaten,. moet ons dubbel blij maken dat we de doodstraf niet handteren maar kiezen voor het leven. We moeten er toch niet aan denken mensen ter dood te laten brengen die het leven verdienen. Daarom verdienen onder de richtlijnen voor de menselijke samenleving alle mensen het leven. Wij beslissen daar nooit over, dat mogen we voor het gemak aan God overlaten, die daarom ook met ons meetrekt. Wij oordelen niet over elkaar, en zeker veroordelen we elkaar niet maar we zorgen voor elkaar, elke dag weer.

Eben-Haëzer.

1 Samuel 7:2-17

2 Er verstreek geruime tijd vanaf de dag dat de ark naar Kirjat-Jearim was overgebracht, wel twintig jaar. Steeds meer Israëlieten klaagden hun nood bij de HEER. 3 Ten slotte sprak Samuel het volk als volgt toe: ‘Als het u werkelijk ernst is terug te keren naar de HEER, doe dan de vreemde goden zoals Astarte weg en richt u met heel uw hart naar de HEER. Dien Hem alleen, dan zal Hij u bevrijden uit de greep van de Filistijnen.’ 4 Dus deden de Israëlieten de Baäls en Astartes weg en dienden alleen nog de HEER. 5 Toen zei Samuel: ‘Laat iedereen naar Mispa komen, dan zal ik voor u tot de HEER bidden.’ 6 Het hele volk kwam in Mispa bij elkaar. Ze putten water dat ze voor de HEER uitgoten, en vastten de hele dag. Ze erkenden: ‘We hebben tegen de HEER gezondigd.’ Daar in Mispa trad Samuel op als rechter over de Israëlieten. 7 Toen de Filistijnse stadsvorsten vernamen dat de Israëlieten in Mispa bijeen waren gekomen, trokken ze op naar Israël. De Israëlieten hoorden hiervan en werden bang. 8 Ze zeiden tegen Samuel: ‘Laat ons niet in de steek en roep voor ons de HEER, onze God, te hulp, opdat Hij ons redt uit de greep van de Filistijnen.’ 9 Samuel nam een lammetje en droeg het in zijn geheel als brandoffer aan de HEER op. Hij riep de HEER om hulp voor Israël, en de HEER verhoorde hem. 10 Terwijl Samuel nog met het offer bezig was, kwamen de Filistijnen er al aan om Israël aan te vallen. Maar toen liet de HEER luid zijn donder klinken tegen de Filistijnen en zaaide zo veel paniek onder hen dat ze tegen Israël wel het onderspit moesten delven. 11 De Israëlieten zetten vanuit Mispa de achtervolging in en dreven hen terug tot onder Bet-Kar. 12 Na afloop plaatste Samuel tussen Mispa en Sen een steen en noemde die Eben-Haëzer. ‘Want,’ verklaarde hij, ‘tot hiertoe heeft de HEER ons geholpen.’ 13 De Filistijnen moesten zich gewonnen geven en waagden het niet nog een voet op het grondgebied van Israël te zetten. Zolang Samuel leefde, hield de HEER de Filistijnen in bedwang. 14 Het gebied tot aan Ekron en Gat werd door Israël op de Filistijnen heroverd, en er was vrede tussen Israël en de Amorieten. 15 Tot het einde van zijn leven bleef Samuel rechter over Israël. 16 Hij maakte jaarlijks een rondreis langs Betel, Gilgal en Mispa en sprak daar recht over het volk. 17 Dan keerde hij weer terug naar zijn woonplaats Rama, van waaruit hij Israël bestuurde en waar hij een altaar had gebouwd voor de HEER. (NBV21)

Het is maar goed dat de Bijbel geen geschiedenisboek is waar historische feiten uit de doeken worden gedaan want dan zou het verhaal van vandaag toch meer vragen oproepen dan antwoorden geven. We waren in het verhaal zover dat we Samuël hadden leren kennen als klein jongetje dat grote indruk gemaakt had op het volk toen hij in opleiding was in Silo waar de Tent der Ontmoeting was neergezet nadat het volk uit de woestijn het beloofde land was binnengetrokken. Centraal in die Tent stond de Ark van het Verbond die door de Filistijnen was buitgemaakt nadat het leger vergeefs had geprobeerd die Ark als geheim wapen in te zetten om alsnog de oorlog te winnen. Uiteindelijk was de Ark teruggestuurd en geplaatst in een schuur bij Kirjat Jearim. In het verhaal dat we vandaag lezen lijkt het er op dat er een vervolg is.

Er zijn twintig jaar voorbijgegaan. Samuël is een volwassen man geworden en is in Rama gaan wonen. De invloed van de dienst aan de God van Israël is kennelijk tot een minimum teruggebracht. De Tent der Ontmoeting speelt al helemaal geen rol meer en heiligdommen zijn er overal maar die zijn gewijd aan Astarte en Baäl de Kanaänitische vruchtbaarheidsgoden. De Filistijnen komen elke jaar zoals gebruikelijk nog de oogst stelen. Nu waren er tot dan steeds Rechters geweest die het gericht over de plunderingen hadden voltrokken en met behulp van de God van Israäl de Filistijnen het plunderen voor een aantal jaren hadden afgeleerd. In het verhaal van vandaag wordt Samuël als Rechter geroepen te Israël. Hij begint in Mispa met een grote volksvergadering en jawel, de dienst aan Astarte en Baäl moet om te beginnen worden afgezworen. Tot na de ballingschap zou die vruchtbaarheidsgodsdienst in Israël de kop opsteken en tot ellende leiden.

Nog terwijl de volksvergadering aan de gang is komen de Filistijnen om Israël onder de duim te houden. Het volk is aan het vasten en plengt water op de grond, volgens sommigen als een soort doop om het oude leven van afgoderij af te leggen. Het dondert en het bliksemt vervolgens zodat de Filistijnen in verwarring raken en de Israëlieten hun leger in stelling kunnen brengen. Dat leger achtervolgt de Filistijnen tot aan de grens. Op dezelfde plaats waar zij eerst de Ark kwijtraakten wordt nu de overwinning gevierd. Tot hiertoe heeft de Heer ons geleid. Als je Eben Haezer tegenwoordig leest op een kerkgebouw of bij een vereniging mag je er gerust bij denken: “en geen stap verder”. Want helaas de kern van het verhaal is veel mensen van vandaag ontgaan. De kern zijn de richtlijnen die Samuël aan het volk had gegeven. En de kern van de godsdienst van Israël is het delen, heb uw naaste lief als uzelf. Als iedereen streeft naar het zo rijk mogelijk worden en iedereen zelf verantwoordelijk is dan groeit er nooit een sterk samenleving die bestand is tegen berovingen door vreemde mogendheden of bankdirecteuren. Dat was toen zo en dat is nog steeds zo. Gelukkig dat we elke dag weer mogen gaan leven volgens die richtlijnen, heb uw naaste lief als uzelf, ook vandaag dus weer.

De grote steen in de akker

1 Samuel 6:13–7:1

13 In de vallei van Bet-Semes waren mensen bezig met de tarweoogst. Toen ze plotseling de ark zagen aankomen, waren ze bijzonder blij die te zien. 14 Op de akker van Josua, een van de inwoners van Bet-Semes, kwam de wagen bij een grote steen tot stilstand. Ze hakten de wagen tot brandhout en offerden daarop de koeien aan de HEER. 15 Maar eerst hadden de Levieten de ark van de HEER van de wagen geladen en hem samen met het kistje met de gouden voorwerpen op de grote steen gezet. De bevolking van Bet-Semes bracht die dag brandoffers en vredeoffers aan de HEER. 16 De vijf Filistijnse stadsvorsten hadden alles gezien en keerden nog dezelfde dag terug naar Ekron. 17 Vijf gouden gezwellen gaven de Filistijnen ter genoegdoening aan de HEER: één voor Asdod, één voor Gaza, één voor Askelon, één voor Gat en één voor Ekron. 18 En ook nog zo veel gouden muizen als er plaatsen waren in de vijf Filistijnse vorstendommen, van de sterkste vestingstad tot het meest afgelegen dorp. De grote steen in de akker van Josua bij Bet-Semes, waarop de ark van de HEER heeft gestaan, herinnert tot op de dag van vandaag aan deze gebeurtenis. 19 Maar de bevolking van Bet-Semes werd gestraft, omdat ze naar de ark van de HEER hadden gekeken. Er stierven in die stad zeventig inwoners. En het volk treurde, want de HEER had hen zwaar getroffen. 20 De burgers van Bet-Semes vroegen zich af: ‘Wie kan de aanwezigheid van de HEER, die heilige God, verdragen? Bij wie kunnen we de ark kwijt?’ 21 Toen lieten ze in Kirjat-Jearim vragen: ‘De Filistijnen hebben de ark van de HEER teruggebracht. Kunt u hem hier komen halen?’ 1 Er kwamen mensen uit Kirjat-Jearim om de ark op te halen. Ze brachten hem naar het huis van Abinadab, op de heuvel, en wijdden diens zoon Elazar om zorg te dragen voor de ark van de HEER.(NBV21)

De Ark was door de Heidenen weer teruggestuurd naar Israël. Net als de Egyptenaren het volk hadden de Filistijnen dit symbool van Israël overladen met goud het land uitgejaagd. Gouden puisten en gouden muizen, . De Israëlieten hadden moeten leren dat zo’n door mensen gemaakt object van verering alleen maar ellende kon brengen. Er was iets anders voor nodig. Je mag best blij zijn dat de Ark weer terug is. Je kan God toch niet het gevoel geven dat zijn Woord niet welkom is. Daarom werd er een feest gehouden waarbij flink werd geofferd, en offers in Israël at je zelf op. De steen die als middelpunt van het feest had gediend was daarna nog lang aangewezen als tastbaar bewijs van het verhaal.

Maar die Ark stond altijd in het Heiligste van het Heiligdom, de Tent der Ontmoeting. Alleen de Hogepriester mocht de Ark naderen. Alleen al het kijken naar de Ark kon de dood betekenen, dat konden mensen niet echt aan. Die Ark moest dus een betere plaats krijgen waar hij beschermd stond en er de zorg zou zijn die ook een Hogepriester zou hebben geboden. Er was een naburig dorp waar dat bewaren misschien zou kunnen. Toen de Ark was aangekomen waren het Levieten die hem hadden getild, een aanraking zou ook dodelijk zijn geweest. De mensen uit het naburige dorp voelden er wel voor en haalden de Ark op.

Ergens bij een boer op een heuvel werd de Ark ondergebracht in een schuur en een boerenzoon werd aangewezen om op de Ark te passen, zoals er in Ethiopië de Kerk nog steeds een ambtsdrager kent die bewaker van de Ark wordt genoemd. Alle uiterlijkheden waar ook wij graag religie aan vastknopen moet je dus vergeten. Het gaat om mensen en het blijft om mensen gaan. En alle mensen zijn gelijk. Op het moment dat we voorwerpen, beelden of kisten, of mensen gaan afzonderen om aan hen religieuze functies toe te kennen, die gelovigen niet zouden hebben, dan gaan we de verkeerde weg op. Mensen moeten ons helpen herinneren aan de opdracht van onze God hem lief te hebben door onze naasten lief te hebben als onszelf. Dat mogen we uitbeelden, opschrijven en uitschreeuwen maar het moet eerst en vooral gedaan worden, elke dag, ook vandaag weer.

Gouden gezwellen

1 Samuel 6:1-12

1 De ark van de HEER was intussen al zeven maanden op Filistijns grondgebied. 2 Nu riepen ze ook de priesters en de waarzeggers erbij en legden hun de vraag voor: ‘Wat moeten we doen met de ark van de HEER? Hoe kunnen we hem het beste terugsturen?’ 3 Het antwoord luidde: ‘Als u de ark van de God van Israël terugstuurt, laat hem dan niet zonder meer weggaan. Geef in ieder geval een schadeloosstelling mee, dan zult u genezen en te weten komen waarom u al die tijd zo hard bent aangepakt.’ 4 ‘Waaruit moet die schadeloosstelling bestaan?’ vroegen ze, en het antwoord luidde: ‘Er zijn vijf vorstendommen. Geef daarom vijf gouden gezwellen mee en vijf gouden muizen. Alle vorstendommen hebben immers onder dezelfde plaag geleden, ook de stadsvorsten zelf. 5 Maak beeldjes van uw gezwellen en van de muizen die uw land hebben geteisterd, om zo eer te bewijzen aan de God van Israël. Misschien laat Hij u dan met rust, en ook uw goden en uw land. 6 Waarom zou u zich hardnekkig verzetten, zoals Egypte en de farao hebben gedaan? Toen Hij hard tegen hen optrad moesten zij de Israëlieten toch ook laten gaan? 7 Dit moet er gebeuren: Zorg voor een nieuwe wagen en twee zogende koeien die nog nooit een juk hebben gevoeld. Span de koeien voor de wagen, haal hun kalveren bij hen weg en breng die naar de stal. 8 Zet de ark van de HEER op de wagen met daarnaast een kistje met de gouden voorwerpen die u ter genoegdoening meegeeft, en laat die wagen zijn eigen weg gaan. 9 Als hij voor uw ogen de grens over rijdt in de richting van Bet-Semes, dan betekent dat dat de God van Israël deze ramp over ons heeft voltrokken. Zo niet, dan weten we dat niet Hij ons met dit leed heeft getroffen, maar dat het toeval was.’ 10 En zo gebeurde het. Ze spanden twee zogende koeien voor de wagen en sloten hun kalveren op in de stal. 11 Ze zetten de ark op de wagen en daarnaast het kistje met de gouden muizen en de beeldjes van hun gezwellen. 12 De koeien liepen regelrecht naar Bet-Semes. Ze loeiden wel, maar bogen niet af naar links of rechts. De Filistijnse stadsvorsten volgden hen tot aan de grens met Bet-Semes. (NBV21)

Zo’n toverkist van een machtige God wil je niet te lang houden. De Filistijnen hadden hem zeven maanden lang doorgeschoven van de ene stad naar de andere, maar het bleef zeuren. De strijdbare mannen hadden onder aanvoering van hun stadsvorsten gezwellen gekregen. In de dorpen brak er prompt een muizenplaag uit. Het was niet te harden en na zeven maanden was genoeg genoeg. Iedereen die op bestuurlijk, militair en religieus gebied iets te vertellen had werd opgeroepen mee te denken over het vraagstuk hoe een beetje fatsoenlijk van de toverkist af te komen. Natuurlijk waren er mensen die van toeval spraken. Niet alle rampspoed kan je toch aan de kist van een overwonnen God toedichten? Dan doe je ook je eigen God tekort, die had immers voor jouw overwinning gezorgd. Uiteindelijk werd een klassieke truc bedacht.

Een splinternieuwe kar met twee koeien er voor. De Ark er op en dan maar kijken waar de koeien heen zouden gaan, naar Israël of naar hun eigen stal waar hun kalveren stonden. Op die manier zijn later nog heel wat heiligdommen, kerken en steden gesticht. Tegenwoordig zie je het als loterij op een plattelandskermis: “waar schijt de koe”. Zoals in dit verhaal verwacht mag worden keert de Ark zonder aarzelen terug naar Israël. De eer van Israël was hersteld.  Ze wilden de Ark dan ook kwijt omdat ze bang waren voor de aanwezigheid van de Heer, de God van Israël. Een bij uitstek Heidense opvatting over tovergoden. De God van Israël kenmerkte zich immers door er te zijn daar waar het volk die God nodig had. Die God was er juist in zijn richtlijnen, in zijn gerechtigheid en barmhartigheid. Dat was de God die je naar het beloofde land bracht volgens de opvatting van Israël. De Filistijnen bleven twijfelen. Er was immers geen beeld van die God?

Niemand heeft die God ooit gezien en daarom wordt er ook tegenwoordig nog aan die God en worden gelovigen voor dwazen uitgemaakt. De Ark was door de Heidenen weer teruggestuurd naar Israël. Net als de Egyptenaren hadden de Filistijnen dit symbool van Israël overladen met goud het land uitgejaagd. Gouden puisten en gouden muizen, de aambeien waren waarschijnlijk toch lastig in goud te vatten geweest. Geschenken aan een God moest volgens de leer van Heidenen die God gunstig stemmen. De Israëlieten hadden moeten leren dat zo’n door mensen gemaakt object van verering alleen maar ellende kon brengen. Er was iets anders voor nodig. In die Ark lagen richtlijnen voor een menselijke samenleving. Die waren het hart van de godsdienst van Israël. Die richtlijnen over liefde en gerechtigheid moest je volgen, uiteindelijk vervullen, die richtlijnen waren er niet om vroom aanbeden te worden. Die richtlijnen waren er al helemaal niet om als wapen in een oorlog te dienen. Ook daarin is er nog steeds niets veranderd.

Iedereen kreeg gezwellen.

1 Samuel 5:1-12

1 De ark van God, die bij Eben-Haëzer door de Filistijnen was buitgemaakt, werd overgebracht naar Asdod. 2 Ze namen de ark op, brachten hem naar de tempel van Dagon en zetten hem daar naast het godenbeeld neer. 3 De volgende morgen zagen de inwoners van Asdod dat Dagon voorover was gevallen en voor de ark van de HEER op de grond lag. Ze pakten het beeld op en zetten het weer op zijn plaats, 4 maar toen ze de volgende morgen vroeg terugkwamen, lag Dagon weer voorover op de grond voor de ark. Alleen zijn romp was nog heel; zijn hoofd en zijn beide handen lagen afgebroken op de drempel. 5 Daarom zetten de priesters van Dagon en alle anderen die naar de tempel komen tot op de dag van vandaag geen voet op deze drempel. 6 De HEER pakte de inwoners van Asdod hard aan. Hij zaaide paniek en trof alle inwoners van het vorstendom met gezwellen. 7 Toen de burgers van Asdod zagen hoe het er voorstond, zeiden ze: ‘De ark van de God van Israël kan hier niet blijven, want Hij treedt met harde hand op tegen ons en onze god Dagon.’ 8 Ze riepen de Filistijnse stadsvorsten erbij en legden hun de vraag voor: ‘Wat moeten we doen met de ark van de God van Israël?’ ‘Breng de ark naar Gat,’ luidde het antwoord, en dat deden ze. 9 Toen de ark naar Gat was overgebracht, keerde de HEER zich tegen die stad, zodat ook daar een geweldige paniek ontstond. Hij trof de inwoners van de stad van jong tot oud en iedereen kreeg gezwellen. 10 Ze stuurden de ark van God door naar Ekron, maar zodra hij daar aankwam begon de bevolking te schreeuwen: ‘Ze hebben de ark van de God van Israël hierheen gestuurd om ons allemaal te doden!’ 11 Weer riepen ze de Filistijnse stadsvorsten erbij. ‘Stuur de ark van de God van Israël terug naar waar hij vandaan komt,’ zeiden ze, ‘anders worden we allemaal gedood.’ In heel de stad heerste namelijk een dodelijke angst, want God pakte de inwoners hard aan. 12 Wie niet stierf, werd getroffen door gezwellen; het gekerm van de stad steeg op naar de hemel. (NBV21)

Het vorige hoofdstuk eindigde met de geboorte van Ikabod, kleinzoon van de Hogepriester Eli, op de dag dat Eli en de zonen van Eli stierven en de moeder van Ikabod in het kraambed stierf. Ikabod betekent “de eer is weg” en dat slaat op het verlies van de Ark van het verbond aan de Filistijnen. Die geheimzinnige kist ging alleen op reis. We beginnen daarbij te lezen in een bijzonder stukje Oude Testament, de avonturen van de Ark van het Verbond. Tot nu stond die Ark in de Tent van het Verbond. De Ark bewaarde de herinnering aan de Horeb waar het volk, midden in de woestijn, de richtingwijzers van de God van Israël had gekregen. In steen gegrift zodat het nooit verloren kon gaan. De macht van die God werd in die kist uitgedrukt door de bloeiende staf van Hogepriester Aäron en de koperen staf met een slang die Mozes daar had neergelegd nadat het kijken naar die slang het volk had behoed voor giftige slangenbeten. De Ark was dus niet een godenbeeld, maar als je wilde weten wie de God van Israël was dan had die Ark daar een verhaal over.

De Ark werd door de Filistijnen geplaatst in de Tempel van Dagon in Asdod. Dagon was een vruchtbaarheidsgod, zo’n echt Kanaänitische godheid waar de Bijbel zeer tegen te keer gaat. Nog in de tijd van de Makkabeeën werd Dagon als machtiger dan de God van Israël afgeschilderd. Israël had toen te lijden van een wrede Griekse bezetting. Over Dagon in Asdod hadden ze dus nog een prachtig verhaal. Die was als Goliath later voorover op zijn gezicht gevallen, zoals een onderdaan zich uitstrekte voor de machtigste koning van het land. Toen dat niet hielp was Dagon onthoofd en onthand. De inwoners van Asdod kregen op hun gat. Vertalers zijn het er sinds de Statenvertaling over eens dat er hier gesproken wordt over Aambeien waarmee de inwoners van Asdod gestraft werden. Een grotere vernedering kon je ze niet aandoen. De NBV21 beperkt zich tot gezwellen, dat staat er in de grondtekst. De ene na de andere Filistijnse stad kreeg te maken met de Ark van het Verbond, de geheimzinnige kist waar de richtlijnen voor een menswaardige samenleving in bewaard werden.

Maar de aambeien vlogen rond, de Filistijnen kregen een geweldig pak voor hun broek en werden doodsbenauwd voor die rare kist die nergens de trekken had van een fatsoenlijk godenbeeld. We kunnen nu smakelijk lachen om het verhaal en dat is ook precies de bedoeling. De richtlijnen voor de menswaardige samenleving, niet doden, niet stelen, niet liegen, elkaar in elkaars waarde laten, bevrijden je ook van angst voor je vijanden. Dat nastreven van macht, dat aanbidden van goud en glitter, dat is eigenlijk alleen maar lachwekkend. Ook de rijkste ondernemer en de machtigste dictator kan aambeien krijgen en krijgt dan echt moeite met het zitten op een gewone stoel. We moeten die richtlijnen niet ronddragen om er anderen mee te verslaan en te laten zien hoeveel beter we zijn dan een ander. We moeten die richtlijnen in ons hart laten graveren en ze tot een bron van ons handelen maken. Dan zullen we leven en als we het samen doen dan krijgen we pas een echte samenleving. Wij kunnen er elke dag opnieuw mee beginnen, ook vandaag weer.

Er is een grote slachting aangericht

1 Samuel 4:12-22

12 Een Benjaminiet maakte zich uit de gelederen los en rende naar Silo, waar hij nog dezelfde dag aankwam. Hij had zijn kleren gescheurd en stof over zijn hoofd geworpen. 13 Toen hij aankwam, zat Eli op een bankje langs de kant van de weg op de uitkijk, want hij maakte zich ernstig ongerust over de ark van God. Zodra de man in de stad verslag had uitgebracht, begon de hele bevolking te jammeren. 14 Eli hoorde het geschreeuw en vroeg: ‘Wat is dat voor lawaai?’ De man haastte zich naar Eli om het hem te vertellen. 15 Eli was toen achtennegentig jaar; zijn ogen waren helemaal star geworden en hij kon niets meer zien. 16 De man zei tegen Eli: ‘Ik kom van het slagveld, ik ben zojuist van het slagveld gevlucht.’ ‘Maar jongen, wat is er dan gebeurd?’ vroeg Eli, 17 en de bode antwoordde: ‘Israël is op de vlucht geslagen voor de Filistijnen. Er is een grote slachting aangericht onder onze soldaten. Ook uw zonen Chofni en Pinechas zijn gesneuveld. En de ark van God is ons ontnomen.’ 18 Op het moment dat de man de ark van God noemde, viel Eli van het bankje naast de stadspoort achterover op de grond. Hij was zo oud en zwaar dat hij zijn nek brak en stierf. Veertig jaar lang had hij Israël als rechter geleid. 19 Eli’s schoondochter, de vrouw van Pinechas, was in de laatste dagen van haar zwangerschap. Toen ze hoorde dat de ark van God was buitgemaakt en dat haar schoonvader en haar man waren gestorven, overvielen haar de weeën. Ze kromp ineen en bracht haar kind ter wereld. 20 Terwijl ze stervende was, zeiden de vrouwen die haar bijstonden: ‘Wees gerust, je hebt een zoon gekregen.’ Maar ze reageerde niet en schonk geen aandacht aan hun woorden. 21 Ze noemde het jongetje Ichabod en verklaarde: ‘Israël is van zijn eer beroofd.’ Daarmee doelde ze op het verlies van de ark en op de dood van haar schoonvader en haar man. 22 Ze zei: ‘Israël is van zijn eer beroofd, want de ark van God is ons ontnomen.’ (NBV21)

Met de kwaden loopt het altijd slecht af. Soms lijkt het er niet op en soms moet je goed kijken wie er goed en wie er kwaad is. Het leger van Israël met de priesters Chofni en Pinehas had de Ark van God uit de Tent der ontmoeting in Silo laten komen. Maar de Ark is God niet. Van God zijn geen beelden. De Filistijnen reageren zoals verwacht, ze worden bang. Dat wil niet zeggen dat Israël gelijk had. De schrijver van het verhaal wil ons vertellen dat het volk Israël op dezelfde manier dacht als de Filistijnen, heidenen bij uitstek. De Filistijnen verzamelen nog eens extra hun moed voor de volgende slag en zijn extra gemotiveerd, tegen een geheim wapen als een God moet je extra je best doen.

Je moet dus in dit verhaal extra goed kijken wie er gelijk heeft. Uiteindelijk de Filistijnen. Zij winnen ondanks de aanwezigheid van de Ark, ze mogen de Ark zelfs meenemen. Pas later komen ze er achter dat het Woord van die God van Israël sterker is dan alle beelden die ze van hun goden hadden gemaakt. Nu kost het dertigduizend soldaten uit Israël het leven. De Filistijnen maakten de Ark buit, de twee priesterzonen sneuvelden ook en Eli, zittend op de plaats waar recht werd gesproken, de stadspoort, schrok zo van het bericht dat ook hij stierf. De belofte aan Samuël komt dus uit. Eli had het kwaad genegeerd waardoor het kon groeien. Wij doen dat ook wel eens, misbruik van de vrijheid van meningsuiting is zo’n kwaad dat we rustig laten groeien.

In het verhaal van Eli wordt vertelt dat ook de schoondochter van Eli stierf en wel in het kraambed. Er werd weliswaar een zoon geboren maar het verlies van de Ark was ernstiger. Met het verdwijnen van de Ark lijkt ook de toekomst van Israël voorbij. Wie veel en veel later, toen het volk in ballingschap ging, dit verhaal las zou het hebben kunnen meevoelen. Duidelijk wordt dat God nooit vanzelfsprekend aan jouw kant staat. De Filistijnen vielen niet aan. Wraak voor eerdere aanvallen is geen reden een oorlog te beginnen. De God van Israël is een God van vrede en een God van recht maar als je de plaats van het recht inruilt voor het slachtveld dan loop je de kans geslacht te worden. Dit verhaal leert ons dat het belangrijker is aan vrede en recht te werken, elke dag opnieuw, te beginnen in onze eigen plaats, maar als het even kan tot aan de einden van de aarde. Soms moet je landen daarbij helpen, hen laten inzien dat vrede vruchtbaarder is dan oorlog.

Luid gejuich

1 Samuel 4:1b-11

2 Enige tijd later trokken de Israëlieten ten strijde tegen de Filistijnen. Ze sloegen hun kamp op bij Eben-Haëzer; de Filistijnen lagen in Afek. Nadat de Filistijnen zich in slagorde tegenover de Israëlieten hadden opgesteld, brandde de strijd los. Israël werd door de Filistijnen verslagen: ongeveer vierduizend man sneuvelden in de slag. 3 Toen het leger naar het kamp was teruggekeerd, vroegen de oudsten van Israël: ‘Hoe komt het dat de HEER ons vandaag tegen de Filistijnen een nederlaag heeft laten lijden? De ark van het verbond met de HEER moet uit Silo hierheen worden gehaald. Dan zal de HEER in ons midden zijn en ons bevrijden uit de greep van onze vijanden.’ 4 Het leger liet de ark van het verbond uit Silo overbrengen, de ark van de HEER van de hemelse machten, die op de cherubs troont. Chofni en Pinechas, de beide zonen van Eli, kwamen met de ark mee. 5 Toen de ark van het verbond met de HEER in het legerkamp aankwam, barstten alle Israëlieten uit in luid gejuich, zodat de aarde ervan dreunde. 6 De Filistijnen
hoorden het lawaai en vroegen: ‘Wat klinkt daar voor gejuich uit het kamp van de Hebreeën?’ Toen ze vernamen dat de ark van de HEER in het legerkamp was aangekomen, 7 werden ze bang en zeiden: ‘Hun God is naar het legerkamp gekomen. Het ziet er slecht voor ons uit, want zoiets is nooit eerder gebeurd. 8 Het ziet er slecht voor ons uit! Wie redt ons uit de greep van die machtige God? Het is dezelfde God die in de woestijn de Egyptenaren met allerlei plagen heeft getroffen. 9 Vat moed, Filistijnen, laat zien wat je kunt! Anders worden wij slaven van de Hebreeën zoals zij het van ons zijn geweest. Laat dus zien wat je kunt. Ten aanval!’ 10 De Filistijnen gingen tot de aanval over en de Israëlieten werden verslagen. Ieder vluchtte naar zijn eigen woonplaats. Het was een zware nederlaag voor Israël, waarbij dertigduizend man voetvolk omkwamen. 11 De ark van God werd buitgemaakt en Chofni en Pinechas, de beide zonen van Eli, vonden de dood. (NBV21)

Hoogmoed komt voor de val. Op een andere manier kun je het verhaal van vandaag niet samenvatten. Het verhaal over de geschiedenis van Israël heeft ons van het boek Rechters gebracht naar het eerste boek Samuël. Dat in de Christelijke Bijbel het boek Ruth tussen Rechters en het eerste boek Samuël staat is een foutje, dat boek Ruth is een heel ander soort boek en hoort niet bij de profetische boeken die de boeken Jozua, Rechters en Samuël zijn. Daar wordt verteld hoe de God van Israël en zijn volk met elkaar om zijn gegaan. Dat wordt daar zo verteld dat ook wij er nog wat van kunnen leren en in elk geval gewaarschuwd zijn. Uit het boek Rechters herinneren we ons dat om de zoveel tijd de Filistijnen de oogst van de boeren van Israël kwamen roven. Telkens stond er dan een Rechter op die het volk bevrijdde van de plunderingen en de rovers en weer rust in het land bracht. In het verhaal van Samuël is die tijd voorbij. Het wordt tijd voor het Heiligdom van de God van Israël. Maar het volk slaat er geen acht op.

In dat Heiligdom zijn een oude blinde Hogepriester en zijn twee schurkachtige zonen de baas. Maar er loopt ook een jong priesterventje rond, geen familie van de priesters, die wijze woorden spreekt en de mensen graag helpt. Hij heeft het Heiligdom weer een beetje aanzien gegeven. Zoiets geeft de burger moed. Een beetje trots op je eigen land doet je sterk voelen. Zeker tegen vermeende vijanden, al die vreemden die jouw eten op komen maken. Het wordt tijd dat die worden aangepakt en als het imago van jouw land en jouw God weer een beetje glans vertoont dan kun je dat waarmaken ook. Zo vormen de Israëlieten een leger en trekken ze op naar de grens tussen Israël en het land van de Filistijnen. Maar er gaat iets niet goed. De Filistijnen winnen en vierduizend Israëlische soldaten sneuvelen. Kennelijk had men de glans van het Heiligdom onvoldoende laten schitteren.

De Ark moet worden gehaald. Als jouw God zichtbaar aan jouw zijde vecht dan wordt het toch wat nietwaar? Dat in die Ark het gebod “Gij zult niet doden” wordt meegedragen ontgaat Israël. De Ark bevat het Woord van God, het is geen beeld van God zoals de heidenen beelden van hun goden hebben. De Filistijnen reageren zoals verwacht, ze worden bang. Dat wil niet zeggen dat Israël gelijk had. De schrijver van het verhaal wil ons vertellen dat het volk Israël op dezelfde manier dacht als de Filistijnen, heidenen bij uitstek. De Filistijnen verzamelen nog eens extra hun moed voor de volgende slag en zijn extra gemotiveerd, tegen een geheim wapen als een God moet je extra je best doen. Het kost dertigduizend soldaten uit Israël het leven. De Filistijnen maakten de Ark buit, de twee priesterzonen sneuvelden ook. God en het Woord van God kun je dus niet voor je eigen karretje spannen, ook vandaag niet.

 

De tijd is aangebroken

Marcus 1:14-20

14 Nadat Johannes gevangengenomen was, ging Jezus naar Galilea, waar Hij Gods goede nieuws verkondigde. 15 Dit was wat Hij zei: ‘De tijd is aangebroken, het koninkrijk van God is nabij: kom tot inkeer en geloof dit goede nieuws.’ 16 Toen Jezus langs het Meer van Galilea liep, zag Hij Simon en Andreas, de broer van Simon, die hun netten uitwierpen in het meer; het waren vissers. 17 Jezus zei tegen hen: ‘Kom, volg Mij! Ik zal van jullie vissers van mensen maken.’ 18 Meteen lieten ze hun netten achter en volgden Hem. 19 Iets verderop zag Hij Jakobus, de zoon van Zebedeüs, en zijn broer Johannes, die in hun boot bezig waren met het herstellen van de netten, 20 en direct riep Hij hen. Ze lieten hun vader Zebedeüs met de dagloners achter in de boot en volgden Hem. (NBV21)

De evangelist Marcus onderstreept graag dat Jezus van Nazareth niet op aarde rondliep om zichzelf groot te maken of zichzelf groot te laten maken. Hij liep gewoon langs het meer en ging gewoon naar de synagoge net als alle andere inwoners van Judea deden. Hij had alleen wel een bijzondere boodschap die vlak voor het gedeelte staat dat we vandaag lezen. Zijn boodschap was dat het Koninkrijk van God nabij was, de tijd was aangebroken en dat was voor de mensen goed nieuws. Dat Koninkrijk van God kenden ze. Johannes de Doper had het al aangekondigd, dat rijk waarvan de profeten hadden gesproken zou in hun dagen komen.

De leeuw zou met het lam slapen en een baby in het hol van de slang. De tranen zouden gewist worden en God zelf zou op aarde komen wonen. De bezetting door de Romeinen zou voorgoed voorbij zijn. Vrede zou het zijn op de hele aarde en armoede en onderdrukking zouden eindelijk voorbij zijn. Dat was wat er vanouds was beloofd en nu was er iemand die kwam vertellen dat het ook werkelijk zou gebeuren. Geen wonder dat mensen hem wilden volgen. Het hele volk had zich immers al laten dopen door Johannes zo vertelt Marcus maar nu Johannes gevangen is genomen begint het optreden van Jezus van Nazareth. Als iemand zegt waarop het staat, iedereen de ogen opent voor de werkelijkheid, dan heeft zo iemand gezag. Dan gaat het nieuws rond als een lopend vuurtje. Of de mensen het echt hebben begrepen is maar de vraag. Ze spraken over een nieuwe leer.

De Goddelijke richtlijn van heb Uw naaste lief als uzelf was bijna vergeten en vervangen door het gehoorzaam Uw priesters en breng tijdig grote offers om de priesters te onderhouden. Ook in onze dagen lijken soms kerken en hun voorgangers belangrijker dan de armen en de onderdrukten in de wereld. Van Marcus mogen we leren dat opkijken tegen zulke voorgangers behoort tot de kwade geesten die we ook bij onszelf mogen uitdrijven. Waar het om gaat is bouwen aan dat Koninkrijk, vissers van mensen die dreigen te verdrinken worden, die uitnodiging geldt ook voor ons. Elke dag mogen we daar opnieuw mee beginnen, ook vandaag weer.

 

Samuels woorden

1 Samuel 3:11–4:1a

11 Toen zei de HEER tegen Samuel: ‘Let op! Ik ga in Israël iets doen waarvan ieder zo zal ophoren dat zijn beide oren tuiten! 12 Als die dag aanbreekt zal Ik alles, maar dan ook alles ten uitvoer brengen wat Ik Eli en zijn familie heb voorzegd. 13 Ik heb hem aangekondigd dat Ik onherroepelijk het vonnis over zijn familie zou voltrekken vanwege zijn wandaad: hoewel hij wist dat zijn zonen God lasterden, heeft hij hen niet terechtgewezen. 14 Daarom heb Ik Eli’s familie gezworen dat geen graan- of vredeoffer ooit hun schuld zal kunnen inlossen.’ 15 Samuel bleef tot de ochtend liggen en opende toen de deuren van het heiligdom van de HEER. Hij zag ertegen op om Eli te vertellen wat hij in het visioen had gehoord. 16 Maar Eli riep hem bij zich: ‘Samuel, mijn jongen, kom eens hier!’ ‘Hier ben ik,’ antwoordde Samuel, 17 en Eli vroeg: ‘Wat heeft Hij tegen je gezegd? Probeer het niet voor me te verbergen. God mag met je doen wat Hij wil, als je ook maar iets achterhoudt van wat Hij tegen je heeft gezegd!’ 18 Zonder iets achter te houden vertelde Samuel hem alles wat God had gezegd, en Eli zei: ‘Hij is de HEER. Laat Hij doen wat Hij het beste vindt.’ 19 Samuel groeide op. De HEER stond hem bij en liet al zijn woorden in vervulling gaan. 20 Daardoor kwam iedereen in Israël, van Dan tot Berseba, tot de erkenning dat Samuel door de HEER als profeet was aangewezen. 21 In de jaren daarna bleef de HEER in Silo verschijnen. Hij maakte zich daar aan Samuel bekend door het woord tot hem te richten. 1 En heel Israël luisterde naar Samuels woorden. (NBV21)

Drie maal had God moeten roepen voordat Eli de hogepriester beseft had dat niet hij maar God Samuël had geroepen. En Samuël had een droevig verhaal gehoord. Hij was opgegroeid als verzorger van Eli. Hij sliep zelfs in het meest Heilige gedeelte van de Tent der Ontmoeting. Hij droeg een smetteloos wit kleed dat door zijn moeder was gemaakt en dat ze jaarlijks kwam vernieuwen. Nu kreeg hij van God te horen dat er een nieuwe tijd was aangebroken met een nieuwe taak voor hem. Eli en zijn zonen Chofni en Pinehas zouden op dezelfde dag sterven en Samuël zou profeet worden. Eli was natuurlijk erg nieuwsgierig wat God aan Samuël had verteld en Samuël volgde het gebod elkaar niet te bedriegen en vertelde het hele verhaal.

Dat verhaal kwam Eli bekend voor. Hij had het ook al van de Godsman, de onbekende profeet gehoord. Nu legde hij zich er maar bij neer. Samuël groeide nu verder op tot profeet van Israël, God zelf schonk hem de wijsheid die hij nodig had en heel het volk accepteerde hem als de profeet. Maar hoe zou het dan aflopen met Eli, Chofni en Pinehas. Als Samuël zijn opleiding tot profeet had afgesloten werd het toch tijd dat de profetie waarmee Samuël zijn opleiding was begonnen ook zichtbaar zou worden. Eli had er toen voor gekozen de boel de boel te laten, niet anders te gaan doen en zijn zonen hun gang te laten gaan. Dat moest dus wel verkeerd aflopen. Profeten zijn geen waarzeggers maar zeggen de waarheid. Chofni en Pinehas waren schurken en Eli liet ze begaan.

Hoe met God werd omgegaan blijkt uit het vervolg van dit verhaal. Er brak oorlog uit met de Filistijnen. Die laatsten kwamen elk jaar om de oogsten van de boeren in Israël te roven. Telkens was er een rechter opgestaan die de Filistijnen had verslagen en voor rust in het land had gezorgd. Daar werd nu niet op gewacht. Het leger van Israël trok op ten oorlog tegen de Filistijnen. Er is in de geschiedenis nog steeds niets veranderd. Als onze economie wordt bedreigd, de vrije handel zee gevaar loopt dan sturen we geen diplomaten maar een fregat. En we moeten maar bidden dat het niet afloopt als met Israël, dat werd verslagen. Ja en dan besluiten ze God voor hun karretje te spannen. Ze konden geen beeld van God op het slagveld ronddragen, maar ze hadden we de Ark. Die moesten ze laten zien. Hoe dat afloopt horen we een andere keer maar wij worden opgeroepen God niet voor ons karretje te spannen maar zijn weg van vrede en recht te gaan, ook met onze vijanden.