God stond jullie terzijde.

Deuteronomium 2:2-15

2 Toen zei de HEER tegen mij: 3 ‘Jullie zijn nu lang genoeg om dit gebergte heen getrokken. Keer om en ga naar het noorden. 4 En jij moet het volk voorhouden: “Straks komen jullie door het gebied van jullie broeders, de afstammelingen van Esau, die in Seïr wonen. Zij zullen bang voor jullie zijn, maar jullie moeten jezelf goed in acht nemen 5 en hen niet uitdagen. Ik geef jullie nog niet het kleinste stukje van hun land; het Seïrgebergte heb Ik immers aan Esau in eigendom gegeven. 6 Het voedsel dat jullie nodig hebben zul je van hen moeten kopen, en ook voor je drinkwater moet je hen betalen. 7 Want de HEER, jullie God, heeft jullie gezegend in alles wat je ondernomen hebt. Hij is heel die tocht door de grote woestijn met jullie meegegaan. De HEER, jullie God, stond jullie terzijde, veertig jaar lang, en het heeft je aan niets ontbroken.”’ 8 Toen wij onze broeders in Seïr, Esaus afstammelingen, achter ons gelaten hadden, verlieten we de route die van Elat en Esjon-Geber door de Araba loopt, en trokken we naar de woestijn van Moab. 9 Toen zei de HEER tegen mij: ‘Je mag de Moabieten niet vijandig bejegenen en hen niet uitdagen, want Ik geef je van hun land niets in bezit; Ik heb Ar immers aan de nakomelingen van Lot in eigendom gegeven.’ 10 (Vroeger woonden daar de Emieten, een groot en machtig volk; ze waren zo lang als de Enakieten. 11 Evenals de Enakieten worden zij tot de Refaïeten gerekend; in Moab worden ze Emieten genoemd. 12 En in Seïr woonden vroeger de Chorieten, maar de afstammelingen van Esau hebben zich van hun land meester gemaakt door hen uit te roeien en zich in hun plaats daar te vestigen, net zoals de Israëlieten gedaan hebben met het land dat de HEER hun in bezit heeft gegeven.) 13 De HEER zei: ‘Breek op en steek het dal van de Zered over,’ en dat hebben we gedaan. 14 Tussen ons vertrek uit Kades-Barnea en de oversteek van de Zered waren er achtendertig jaar verstreken. Uiteindelijk was er van de eerste generatie geen weerbare man meer over in ons kamp, zoals de HEER gezworen had. 15 De HEER had zich tegen hen gekeerd: Hij had hen uit het kamp weggerukt tot er niemand meer over was. (NBV21)

De Hebreeuwse Bijbel wordt nog wel eens verweten zeer gewelddadig te zijn. Hele volken worden er uitgeroeid. We komen nog wel eens op het falen van deze stelling maar vandaag komen we een zeer uitgesproken verbod op het voeren van oorlog met een tweetal volken tegen. Het volk Israël stamt af van Jacob, de zoon van Izaäk en de broer van Esau. De nakomelingen van Esau vormden ook een volk, Edom. En van het oorlog voeren met broedervolken kan geen sprake zijn. Aan het eind van het verhaal over Israël en het beloofde land, te vinden in het eind van het boek 2 Koningen, wordt wel oorlog gevoerd met Edom. Het volk is dan zo ver van de God van Israël afgedwaald dat het leidt tot de ballingschap. En als antwoord op de vraag hoe het zo ver gekomen is dat Israël het beloofde land is kwijtgeraakt wordt hier gezegd dat Israël onvoldoende de broedervolken in ere had gehouden. Geen oorlog, maar omtrekken, geen plunderingen, maar gewoon betalen voor wat je nodig hebt.

Nog sterker geldt het misschien voor de vrede die het volk met Moab moet bewaren. Ooit had Israël aan Moab gevraagd om water en voedsel. Met een groot militair vertoon was dat geweigerd. De koning van Moab had zelfs de profeet Barak ingehuurd om Israël te vervloeken. Zo ver was het niet gekomen wat Barak was niet in staat geweest om Israël te vervloeken, integendeel hij had het volk gezegend. Er zou dus alle reden zijn om niet zo voorzichtig met Moab om te gaan. Het was een volk dat niet met Israël wilde delen. Maar het wordt Israël zeer uitdrukkelijk verboden. Ook het volk van Moab is aan Israël verwant. Het zijn de nakomelingen van Lot, de neef van Abraham. En de belofte aan Abraham van veel volken met een eigen land en een eigen plek op aarde geldt ook voor Moab. Een beetje zielig waren ze ook nog. Het waren immers afstammelingen van de dochters van Lot die hun vader hadden ingeschakeld om zich van een toekomst te verzekeren. En voor onze dagen moeten we bedenken dat ook Palestijnen Semieten zijn, een broedervolk van Israël.

Het verdrijven van volken om een eigen land te kunnen stichten was kennelijk heel normaal. Ook daar had het volk Israël eigenlijk niks mee te maken. Ze zouden het ook gaan doen. En zowel Edom als Moab waren volken die de oorspronkelijke bevolking hadden verdreven of uitgeroeid om hun land te kunnen vestigen. Ook in hun landen hadden reuzen gewoond. Israël had dus al een voorbeeld dat de God van Israël in staat was hen zelfs reuzen te laten overwinnen. Daarom hadden ze nog achtendertig jaar in de woestijn rond moeten zwerven tot er geen weerbare man over was van de generatie die zich liet leiden door het lot en door angst en die eigenlijk geweigerd hadden alleen te vertrouwen op de God van Israël. Andere goden achterna lopen zal ook het vervolg van Deuteronomium steeds de reden zijn waarom het met Israël verkeerd gaat. Als wij meer op het lot vertrouwen dan op de door God gegeven vaccinatie lopen we vergelijkbare risico’s. Gelovigen in de God  van Israël en zijn zoon Jezus van Nazareth zijn dan ook voortdurend bezig iedereen te bewegen aan de vaccinaties deel te nemen.

 

Goed en kwaad

Deuteronomium 1:34-2:1

34 Toen de HEER u hoorde klagen, ontstak Hij in woede. Hij zwoer: 35 ‘Niemand van deze verdorven generatie zal het goede land zien dat Ik jullie voorouders onder ede heb beloofd. 36 Alleen Kaleb, de zoon van Jefunne, zal het zien; aan hem en zijn zonen zal Ik het gebied geven dat hij betreden heeft, want hij bleef volledig op de HEER vertrouwen.’ 37 Door uw schuld werd de HEER ook kwaad op mij: ‘Ook jij mag het land niet in,’ zei Hij. 38 ‘Maar je rechterhand Jozua, de zoon van Nun, zal het wél binnengaan. Bereid hem voor op zijn taak; hij zal het land aan Israël in bezit geven. 39 En jullie kinderen, die volgens jullie buitgemaakt zouden worden, jullie kinderen die zich nog niet bewust zijn van goed en kwaad, mogen dat land ook binnengaan. Aan hen zal Ik het geven, zij zullen het in bezit nemen. 40 Maar jullie moeten nu omkeren en de woestijn weer in trekken, in de richting van de Rode Zee.’ 41 Toen hebt u mij geantwoord: ‘Wij hebben gezondigd tegen de HEER. Maar nu zullen we ten strijde trekken, zoals de HEER, onze God, ons heeft opgedragen.’ En nadat ieder van u zijn wapens had aangegord, wilde u in uw overmoed naar de bergen trekken. 42 Maar de HEER droeg mij op u te waarschuwen: ‘Trek niet ten strijde-anders zullen jullie door je vijanden verslagen worden, want Ik ben niet in jullie midden.’ 43 Ik heb u dat gezegd, maar u wilde niet luisteren en verzette u tegen het bevel van de HEER. U had de euvele moed om toch naar de bergen op te trekken. 44 De Amorieten, die daar wonen, kwamen op u af en achtervolgden u als een zwerm bijen. Ze brachten u in het Seïrgebergte een verpletterende nederlaag toe en joegen u na tot aan Chorma. 45 Na terugkomst klaagde u uw nood bij de HEER, maar Hij wilde niet naar u luisteren en hield zich doof. 46 Zo bent u lange tijd in Kades gebleven. 1 Ten slotte zijn we omgekeerd en de woestijn weer in getrokken, in de richting van de Rode Zee, zoals de HEER mij had opgedragen. Jarenlang trokken we om het Seïrgebergte heen. (NBV21)

Zelfs Mozes mag het beloofde land niet in. Iedereen wordt door de God van Israël weer de woestijn ingejaagd. En waarom? Als je het verhaal nauwkeurig leest dan gaat het om de kennis van goed en kwaad. Die waren we in het begin van het boek Genesis, het begin van de Bijbel al tegengekomen. De mens had gedacht dat de kennis van goed en kwaad de mens gelijk zou maken aan God. In plaats daarvan werden ze gelijk aan de dieren. Man en vrouw waren niet langer een eenheid maar gericht op de voortplanting, net als de dieren dus. Genieten van elkaar, respecteren van elkaar, werden zaken van ondergeschikt belang. Het volk Israël trok uit het verslag van de verkenners een vergelijkbare conclusie. Het leven kent altijd goed en kwaad. Ook al doe je niets dan het goede je zult altijd weer het kwade tegenkomen. Het is van een soort fatalisme dat je ook vandaag de dag nog wel tegenkomt. Omdat alles wat we krijgen uit Gods hand ons gegeven is lijkt ook ziek worden een geschenk van God. De een wordt wel ziek de ander niet.

De Heidenen, met name de Grieken en de Romeinen hadden daar hun eigen god voor, die heette het lot en die had hulp van drie weefsters die het lot voor de mens vastlegden. Daar viel weinig of niets tegen te doen. Wie echter de God van Israël verwart met de god van lot loopt een vreemde god achterna. Als God ons iets beloofd dan mogen wij daarop  vertrouwen. Zo mocht het volk Israël vertrouwen op de belofte dat het volk het beloofde land zou krijgen. Als we geloven dat alles wat we krijgen ons uit Gods hand is toegevallen dan mogen we God ook heel dankbaar zijn voor vaccins. Het is het geschenk dat mensen behoeden kan voor ziekten. Niet alleen de gevaccineerden maar ook hun omgeving. Liefde voor de naaste betekent dat je jezelf en je kinderen laat vaccineren. Het volk moest nog veel leren. Jozua en Kaleb, de twee verkenners die hadden gelet op de overvloedige aanwezigheid van vruchten in het land mochten wel dat land in.

Als God beloofd dat je vijanden kan overwinnen dan zal dat ook gebeuren. Aan het eind zal altijd het goede de overhand krijgen. Alleen als wij ons daar zelf van afkeren zal het kwade ons komen plagen. Het volk moest weer de woestijn in. Daar valt veel te leren. Je kunt in het zand vrijblijvend nieuwe sporen uitzetten. Opnieuw de samenleving waarin je verstrikt bent geraakt vorm geven. Wij moeten hopen en bidden dat wij niet ook geplaagd gaan worden door ziekten omdat te veel mensen in plaats van de God van Israël de god van het lot na lopen. Geloven in het zoete fluit van de verwarrer die met onzinargumenten over vaccinatie ons allen in gevaar willen brengen. Alleen het vertrouwen dat kinderen hebben in het goede kan ons helpen. Veel en veel later zou Jezus van Nazareth ons oproepen te worden als een kind. En de kinderen uit het verhaal van vandaag mogen het beloofde land binnentrekken.

Waar gaan we eigenlijk heen?

Deuteronomium 1:19-33

19 We zijn dus bij de Horeb weggegaan en dwars door die grote, verschrikkelijke woestijn getrokken, zoals u zelf ervaren hebt, naar het bergland van de Amorieten, zoals de HEER, onze God, ons had opgedragen. Ten slotte kwamen we bij Kades-Barnea. 20 Toen zei ik tegen u: ‘U bent nu het bergland van de Amorieten genaderd, dat de HEER, onze God, ons zal geven. 21 Hij is het die u dat land schenkt. Welnu, trek verder en neem het in bezit, zoals de HEER, de God van uw voorouders, u heeft opgedragen. Wees niet bang en laat u door niets ontmoedigen.’ 22 Toen bent u allemaal bij me gekomen en u zei: ‘We willen mannen vooruitsturen om het land te verkennen. Dan kunnen zij ons verslag uitbrengen en ons vertellen welke route we moeten nemen en langs welke steden we komen.’ 23 Ik vond dat een goed voorstel en koos twaalf mannen uit, één per stam. 24 Zij zijn eropuit gegaan, het bergland in getrokken en uiteindelijk in het Eskoldal aangekomen. Na verkenning van het dal 25 plukten ze daar vruchten, namen die mee en deden ons verslag. ‘Het is prachtig,’ vertelden ze, ‘het land dat de HEER, onze God, ons zal geven!’ 26 Maar u wilde niet verder trekken en verzette u tegen het bevel van de HEER, uw God. 27 U zat in uw tenten te klagen: ‘De HEER moet ons wel haten! Hij heeft ons alleen maar uit Egypte weggehaald om ons uit te leveren aan de Amorieten en om ons te laten uitroeien. 28 Waar gaan we eigenlijk heen? De angst sloeg ons om het hart toen onze verkenners vertelden dat de mensen daar sterker en langer zijn dan wij, dat ze in grote steden met hemelhoge versterkingen wonen en dat ze daar zelfs Enakieten hebben gezien.’ 29 Toen heb ik u geantwoord: ‘Laat u daardoor niet afschrikken, wees niet bang. 30 De HEER, uw God, die voor u uit gaat, zal voor u strijden. U hebt toch gezien hoe Hij het in Egypte voor u opnam, 31 en ook in de woestijn, waar u ervaren hebt dat de HEER, uw God, u gedragen heeft zoals een vader zijn kind draagt, de hele weg die u gegaan bent tot uw aankomst hier.’ 32 Desondanks vertrouwde u niet op de HEER, uw God, 33 die u voorging op uw weg om een plaats voor u te zoeken waar u uw kamp kon opslaan, en u ’s nachts met een vuur en overdag met een wolk de weg wees die u moest gaan. (NBV21)

Het is niet de eerste keer dat het volk zicht heeft op het land overvloeiende van melk en honing. Deze tweede keer is er niemand meer die de tijd in Egypte nog heeft meegemaakt en dat is niet voor niks. De eerste keer dat het land van God in zicht was vroeg het volk het land eerst te mogen verkennen. Dat mocht en uit elke stam ging een verkenner op pad. Twaalf mannen samen. Ze gingen een fors deel van het land in en namen de vruchten van het land mee. Het verhaal over die vruchten wordt hier niet herhaald maar vergeet niet dat er een druiventros bij was die door twee man samen hangend aan een stok moest worden gedragen zo zwaar was die druiventros. Voor wonen in zo’n land in plaats van rond te zwerven in de woestijn zou je toch heel wat over moeten hebben.

Dat viel dus zwaar tegen. Ook Israël liet zich leiden door angst. Zeker als het gaat om vreemdelingen wordt ook bij ons wel een de angst belangrijker geacht dan de medemenselijkheid. Veel mensen en zeker de regering vinden het zelfs niet erg als daar jonge kinderen het slachtoffer van worden. Mozes vertelt hier dat de verkenners dat nieuwe prachtig vonden. Maar dat het volk in hun tenten ging zitten klagen en hun angst voor de vijand de voorrang gaven. In het oorspronkelijke verhaal waren het ook het merendeel van de verkenners die er voedsel aan gaven. Zij hadden namelijk reuzen gezien en ze waren bang geworden dat die reuzen onoverwinnelijk zouden blijken. Bovendien hadden ze als woestijnvolk weinig ervaring met het innemen van zwaar ommuurde steden.

Vertrouwen op de God van Israël was toch te mager om de angst  weg te nemen. Mozes vatte toch nog maar eens samen wat het volk had meegemaakt. Ze waren in slavernij geweest, een leven telde daar niet bij en als ze vroegen om een offer aan hun God te mogen brengen in de woestijn werd de last van de slavernij nog eens verzwaard. Toen heeft die God alle eerstgeborenen laten sterven. De eerstgeborenen van het volk Israël bleven leven. Ze waren het land uitgejaagd, maar toen het leger van Egypte hen toch achtervolgde was de zee gespleten en werden ze gered. Elke dag hadden ze van God te eten gekregen, brood van manna uit de hemel. Steeds weer was die God in een wolkkolom voor hen uitgegaan en had hen in de nacht met een vuurkolom beschermd. Nu stond de volgende generatie voor de grens en ook zij kregen te horen dat angst een wel heel slechte raadgever zou zijn. En dat geldt ook voor ons. Medemenselijkheid brengt vrede, onmenselijkheid geweld en dood. Soms is de boodschap heel eenvoudig.

 

Doe rechtvaardig uitspraak

Deuteronomium 1:1-18

1 Hier volgen de woorden die Mozes tot heel Israël heeft gesproken in de dorre vlakte aan de overkant van de Jordaan, ter hoogte van Suf, tussen Paran aan de ene kant en Tofel, Laban, Chaserot en Di-Zahab aan de andere. 2 (Het is elf dagreizen van de Horeb naar Kades-Barnea, als men de route door het Seïrgebergte volgt.) 3 Veertig jaar na de uittocht uit Egypte, op de eerste dag van de elfde maand, sprak Mozes het volk van Israël toe zoals de HEER hem had opgedragen. 4 Dat gebeurde nadat hij Sichon, de koning van de Amorieten, die in Chesbon zetelde, had verslagen, alsook koning Og van Basan, die zetelde in Astarot en Edreï. 5 Aan de overkant van de Jordaan, in Moab, gaf Mozes het volk zijn onderricht; hier volgt alles wat hij uiteenzette: 6 De HEER, onze God, heeft bij de Horeb tegen ons gezegd: ‘Jullie zijn nu lang genoeg bij deze berg gebleven. 7 Breek het kamp op en trek naar het bergland van de Amorieten en naar het gebied van de naburige volken: de Jordaanvallei, het bergland, het heuvelland, de Negev en de kuststrook-de gebieden van de Kanaänieten-en de Libanon tot aan de grote rivier de Eufraat. 8 Heel dat gebied schenk Ik jullie. Trek het binnen en neem het in bezit, het land dat de HEER jullie voorouders Abraham, Isaak en Jakob en hun nageslacht onder ede heeft beloofd.’ 9 Toen heb ik tegen u gezegd: ‘Ik alleen kan de verantwoordelijkheid voor u niet dragen. 10 De HEER, uw God, heeft u zo in aantal doen toenemen dat u nu zo talrijk bent als de sterren aan de hemel, 11 en moge Hij, de God van uw voorouders, u nog duizendmaal zo talrijk maken en u zegenen zoals Hij heeft beloofd. 12 Maar hoe zou ik alleen de last van uw problemen en geschillen kunnen dragen? 13 Wijs daarom in elke stam bekwame, verstandige en ervaren mannen aan, dan zal ik hen als leiders over u aanstellen.’ 14 Toen antwoordde u:‘Uw voorstel is goed, dat zullen we doen.’ 15 Daarop koos ik de hoofden van uw stammen uit, bekwame, ervaren mannen, en gaf hun de leiding over groepen van duizend man, van honderd, van vijftig en van tien; anderen stelde ik voor uw stammen als schrijver aan. 16 De rechters gaf ik toen deze instructie: ‘Hoor beide partijen en doe rechtvaardig uitspraak, zowel tussen twee volksgenoten als wanneer er een vreemdeling bij betrokken is. 17 Oordeel zonder aanzien des persoons, hoor de arme evengoed als de rijke. Laat u door niemand bang maken, want u spreekt recht namens God. Wanneer iets u te moeilijk is, leg het dan aan mij voor en ik zal me erover buigen.’ 18 En zo heb ik u destijds vele aanwijzingen gegeven. (NBV21)

Dit is het begin van het boek Deuteronomium. Een bijzonder boek. Het meeste dat er in staat vind je ook terug in de vier Bijbelboeken die er voor staan. Samen vormen ze de vijf boeken van de Tora. In die vijf boeken kun je leren hoe de God van Israël met mensen om gaat en hoe mensen met elkaar en met die God zijn omgegaan. Het boek Deuteronomium is gegoten in de vorm van een toespraak van Mozes op het moment dat het volk Israël op het punt staat de Jordaan over te steken en het land dat God had beloofd in ontvangst te nemen. We lezen over de eerste democratische samenleving. Voorop staat in dit boek dat God dat land aan Israël heeft beloofd en gegeven. Er is dan ook een zeer pijnlijke discussie over de vraag of de huidige staat Israël sinds 1948 niet de vervulling van die belofte door de God van Israël is geweest. Die staat Israël daar gaat het dus niet over. Het boek Deuteronomium staat niet alleen. Het staat aan het begin van een serie boeken in de Bijbel die uitlopen op de ballingschap. De vraag die door de schrijvers werd gesteld is hoe het mogelijk is dat de God van Israël zo’n heldere en duidelijke belofte heeft gedaan en dat in hun tijd zij het land volledig hadden verloren en in ballingschap waren gevoerd.

Daarvoor is de geschiedenis van het volk met haar God nauwkeurig onderzocht. Het begin lees je in Deuteronomium maar in de boeken Jozua, Rechters, Samuël en Koningen wordt dat onderzoek voortgezet. We vergeten nog wel eens dat Mozes, op advies van zijn schoonvader, het slavenvolk  omvormde tot een democratisch georganiseerde samenleving. Elke stam koos haar  eigen leiders. Die werden dan vertegenwoordigers van groepen van 1000 man, van 100, van 50 en van 10. Wat er besproken werd en wat er besloten werd legde men vast, daarvoor werden schrijvers aangesteld. Dit heeft alleen zin als het volk ook in de groepen met elkaar sprak. Naast de leiders van stammen en groepen binnen die stammen werden onafhankelijke rechters aangesteld. Uiteindelijk zou de stam Levi de taak van de rechtspraak op zich nemen. Zij kregen dan ook geen land en moesten leven van de offers die door het volk aan de God van Israël werden gebracht. Ze waren dus niet afhankelijk van individuele belangen.

Deze rechters konden volstrekt onafhankelijk recht spreken. De  hoogte van de offers stond namelijk vast in de richtlijnen voor het offeren. Dat offeren was dan ook niet een offer aan God, die had de offers niet nodige, maar een bewijs dat de gelovige bereid was om te delen van hetgeen de God van Israël had laten toevallen. Dat er rechtvaardig recht moet worden gesproken vond men toen net zo als nu. Met een groot verschil. Bij ons worden de vreemdelingen wel heel erg verschillend behandeld van de mensen die onze nationaliteit hebben. Zelfs als je hier geboren bent loop je de kans dat je ineens als vreemdeling wordt behandeld en gedeporteerd naar een jou volstrekt onbekend  land. Mozes roept de rechters op de vreemdelingen net zo veel recht  te geven als de leden van het volk. Die oproep zouden we vandaag moeten herhalen. Ook in Israël ging het uiteindelijk niet goed, de Prediker verzucht dat hij naar de plaats van het recht keek en daar onrecht zag, de tranen der verdrukten en geen trooster. Soms lijkt het er bij ons ook wel op.

Hun lot ten goede keren

Jeremia 33:19-26

19 De HEER richtte zich tot Jeremia: 20 ‘Dit zegt de HEER: Als mijn verbond met de dag en de nacht kon worden tenietgedaan, zodat de dag en de nacht niet meer op tijd zouden aanbreken, 21 dan zou ook mijn verbond met mijn dienaar David kunnen worden tenietgedaan. Dan zou er geen nakomeling van David op zijn troon zitten. Dan zou ook mijn verbond met mijn dienaren de Levitische priesters kunnen worden verbroken. 22 Zoals de sterren aan de hemel en het zand bij de zee niet te meten en niet te tellen zijn, zo ontelbaar veel nakomelingen zal Ik aan mijn dienaar David geven en aan de Levieten die Mij dienen.’ 23 De HEER richtte zich tot Jeremia: 24 ‘Heb je gehoord wat de mensen zeggen? “De HEER heeft de twee volken die Hij had uitgekozen, verworpen.” Ze schrijven mijn volk af en zien het niet langer als een volk. 25 Maar dit zegt de HEER: Ik heb een verbond met de dag en de nacht gesloten en de hemel en de aarde aan vaste wetten onderworpen. 26 Zomin als Ik die zal verwerpen, zal Ik het nageslacht van Jakob en van mijn dienaar David verwerpen. Ik zal altijd een van zijn nakomelingen laten heersen over het nageslacht van Abraham, Isaak en Jakob. Ik zal hun lot ten goede keren en mij over hen ontfermen.’ (NBV21)

Als je de Bijbel als geschiedenisboek leest dan krijg je een aantal problemen. God heeft het tegen Jeremia steeds over “Het Volk” maar historisch is dat onzin. Al snel na de dood van David werd al onder de opvolger van Salomo het rijk in twee gedeelten gesplitst. Elk had een eigen koning en eigen godsdienstige gewoonten. Alleen in het Koninkrijk Juda stond de Tempel in Jeruzalem centraal, in Israël waren verschillende plaatsen van aanbidding, die soms een geschiedenis hadden die terugging op de tijd van de Rechters.

In het gedeelte dat we vandaag lezen wordt geprobeerd helderheid te scheppen. God had beloofd om de macht over beide rijkjes te leggen in handen van de nakomelingen van David. Christenen hechten van het begin af veel waarde aan de afstamming van Jezus van deze Koning David. Jezus van Nazareth was net als David geboren in Bethlehem. De priesters waren de nakomelingen van Aäron, de broer van Mozes, de Levieten waren hun hulpen. Nu zaten de Priesters in Jeruzalem bij de Tempel en de Levieten woonden overal en vormden de rechterlijke macht en hielpen het volk de Tora te verstaan.

Met die historische ontwikkelingen heeft de God van Israël weinig te maken zo blijkt uit dit gedeelte. Die God heeft in de woestijn een verbond gesloten met heel het volk en dat verbond blijft dan ook voor heel het volk beschikbaar. Een nakomeling van David is de baas en een nakomeling van Aäron heeft de religieuze touwtjes in handen. Voor Christenen werd daarmee toch een probleem geschapen. Jezus van Nazareth riep het volk wel op zich te organiseren rond de Tora maar legde dat ook in religieuze zin uit. De liefde voor de naaste werd centraal gezet. In het Christelijk gedeelte van de Bijbel kom je dan ook tegen dat Jezus als Koning en Priester wordt geëerd en dat zijn volgelingen een volk van Koningen en Priesters zijn. De liefde voor de naaste staat dus dubbel centraal. Daar kunnen we nooit meer om heen.

Recht en gerechtigheid

Jeremia 33:12-18

12 Dit zegt de HEER van de hemelse machten: Er zullen in dit verwoeste land, waar mens noch dier meer leeft, rond alle steden weiden zijn, waar de herders hun schapen en geiten zullen laten rusten. 13 In de steden van het bergland, het heuvelland en de Negev, in het gebied van Benjamin, in de omgeving van Jeruzalem en rond de steden van Juda zullen de schapen onder de tellende hand van de herder doorgaan-zegt de HEER. 14 De dag zal komen-spreekt de HEER -dat Ik de belofte die Ik het volk van Israël en Juda heb gedaan, gestand zal doen. 15 Op die dag, in die tijd, zal Ik aan Davids stam een rechtmatige telg laten ontspruiten, die recht en gerechtigheid in het land zal handhaven. 16 Dan wordt Juda verlost en de inwoners van Jeruzalem zullen veilig wonen. En de naam van de stad zal zijn “De HEER is onze gerechtigheid”. 17 Want dit zegt de HEER: Er zal altijd een nakomeling van David op de troon van Israël zitten 18 en er zullen altijd Levitische priesters zijn die Mij dienen, die brandoffers zullen brengen, graanoffers zullen opdragen en vredeoffers zullen bereiden.’ (NBV21)

Geleerden vragen zich af of het gedeelte dat we vandaag lezen eigenlijk wel in de Bijbel thuishoort. Toen namelijk de Bijbel in het Grieks werd vertaald, de vertaling van de 70, de Septuagint, is het gedeelte dat we vandaag lezen vanaf vers 14 daar niet in opgenomen. De ballingen die de Bijbel, of delen van de Bijbel, uit hun hoofd leerden kenden dit gedeelte wel en aangezien men later zo dicht mogelijk bij de Hebreeuwse Bijbel van de ballingen wilde komen is het gedeelte van vandaag toch in de Bijbel terechtgekomen. Maar tot op de dag van vandaag is er discussie over welke tekst je nu als uitgangspunt moet nemen om de Bijbel in je eigen taal te vertalen. De vertalers van de Nieuwe Bijbelvertaling hebben bijvoorbeeld een andere tekst tot uitgangspunt genomen dan de vertalers van de Herstelde Statenvertaling en soms kan dat tot verhitte discussies leiden over wat er nu eigenlijk in de Bijbel staat.

Het begint zo mooi. Dat land waar de ballingen terugkomen en dat er verwoest en verlaten bij ligt zal gaan bloeien. Waar nu nog onkruid groeit zullen weer vruchtbare weiden zijn waar schapen en geiten weiden. Je zou willen dat de profeet het vandaag tegen de bewoners van de Gazastrook zou kunnen zeggen. Toch zal ook daar vrede komen, als wij ons best daarvoor doen. De tekst vanaf vers 14 gaat over het herstel van de Tempel in Jeruzalem en vooral van de dienst in de Tempel. In de eerste twee verzen van het gedeelte van vandaag lijkt het er juist op dat die Tempeldienst voortaan geen rol meer zou spelen. De Wet van Israël bepaalde namelijk dat er een belasting van een tiende van de opbrengst van het werk zou moeten worden betaald. Voor het innen van de belasting op schaapskudden waren daarvoor tellers aangesteld. Zij telden de schapen op hun vingers en elk tiende schaap was voor de Tempel. In de tekst van vandaag worden de schapen door de herders geteld. Om misverstanden te voorkomen moet er dus aan toegevoegd worden dat de Tempeldienst wel degelijk in ere hersteld zal worden. Zeker als de beloofde Koning uit het geslacht van David weer op de troon van Israël zal komen.

Er is in dit Bijbelgedeelte dus al een begin van een andere manier van denken te bespeuren. Niet langer is de Tempeldienst alleen afhankelijk van Priesters en Levieten, maar het volk zelf speelt er een beslissende rol in. Kunnen zij het verbond met de God van Israël houden? Net als bij het bouwen van de muren om de vijand tegen te houden zullen ze ook zelf verantwoordelijkheid moeten nemen voor het onderhoud van de Tempel en het houden van de Wet die daar werd bewaard. Na de verwoesting van de Tempel in het jaar 70 zal de gedachte opkomen dat de richtlijnen van God in ieders hart geschreven zal moeten zijn en dat ieder persoon een Tempel voor God zou moeten zijn. Bedoeld wordt dat in iedere gelovige de Geest van God moet wonen die iedere gelovige op het spoor zet van de dienst aan de minsten, aan het houden van maaltijd met de armen en de vreemdelingen, want uiteindelijk ook volgens de profeet Jeremia brengt dat ons tot een land dat echt overvloeit van melk en honing. Ook in onze dagen kunnen we er nog elke dag opnieuw mee beginnen.

 

Zij werden niet geloofd

Marcus 16:9-20

9 Toen Hij vroeg op de eerste dag van de week uit de dood was opgestaan, verscheen Hij eerst aan Maria van Magdala, bij wie Hij zeven demonen had uitgedreven. 10 Ze ging het nieuws vertellen aan de mensen die Hem hadden vergezeld en die nu om Hem treurden en rouwden. 11 Toen ze hoorden dat Hij leefde en dat zij Hem had gezien, geloofden ze het niet. 12
Daarna verscheen Hij in een andere gedaante aan twee van hen toen ze buiten de stad waren. 13 Ze gingen terug en vertelden het aan de anderen; maar ook zij werden niet geloofd. 14 Ten slotte verscheen Hij aan de elf leerlingen terwijl ze aanlagen voor de maaltijd, en Hij verweet hun hun ongeloof en halsstarrigheid, omdat ze geen geloof hadden geschonken aan degenen die Hem hadden gezien nadat Hij uit de dood was opgewekt. 15 En Hij zei tegen hen: ‘Trek heel de wereld rond en verkondig het goede nieuws aan alle schepselen. 16 Wie gelooft en gedoopt is zal worden gered, maar wie niet gelooft zal worden veroordeeld. 17 Het geloof zal gepaard gaan met de volgende tekenen: zij die geloven zullen in mijn naam demonen uitdrijven, ze zullen spreken in onbekende talen, 18 met hun handen zullen ze slangen oppakken en als ze een dodelijk gif drinken zal dat hen niet deren, en ze zullen zieken weer gezond maken door hun de handen op te leggen.’
19 Nadat Hij dit tegen hen had gezegd, werd de Heer opgenomen in de hemel en nam Hij plaats aan de rechterhand van God. 20 En zij gingen op weg om overal het goede nieuws te verkondigen. De Heer hielp hen daarbij en zette hun verkondiging kracht bij met de tekenen die ermee gepaard gingen. (NBV21)

Het is ook een ongelofelijk verhaal. De gemeenten die het verhaal van Marcus hadden gelezen zullen gezocht hebben naar een passend einde van het verhaal over Jezus van Nazareth. Dat einde kon toch niet de verwarring van de vrouwen zijn waarmee Marcus oorspronkelijk zijn verhaal had afgesloten? Ook niet de boodschap dat iedereen maar weer gewoon naar huis moest gaan. Voor die eerste gemeenten was er iets nieuws begonnen, iets echt nieuws. Daarvoor waren ze bij elkaar op de eerste dag van de week, daarvoor lazen ze dat hele verhaal van Marcus aan elkaar voor. Hoe die laatste verzen aan het verhaal van Marcus zijn toegevoegd weten we niet. Misschien is het verhaal wel teruggestuurd naar de schrijver, met de vraag hoe het verder ging met dat verhaal van Jezus van Nazareth. Er zijn twee versies van een nieuw slot aan het Evangelie.

De ene zegt dat de vrouwen alles aan Petrus en de zijnen hadden verteld maar niet geloofd werden en dat Jezus van Nazareth toen maar zelf was verschenen en ze had opgedragen om dat goede nieuws aan iedereen te gaan vertellen. Het andere slot heeft het uiteindelijk gehaald en dat is wat we vandaag lezen. Ook daarin wordt benadrukt dat het niet werd geloofd. Nu worden vrouwen vaak niet geloofd en dat overkwam ook Maria van Magdala. Ze was vroeger niet helemaal goed bij haar hoofd geweest, Jezus van Nazareth had wel zeven demonen uitgedreven, een behoorlijk genezingsproces zouden we tegenwoordig zeggen. Maar geloven deden ze het niet. Ook niet toen twee van de volgelingen Jezus van Nazareth buiten de stad tegen waren gekomen, dat kan toch niet hebben ze geroepen. Maar uiteindelijk verscheen hij aan de elf, Judas was immers een andere weg ingeslagen, en was Jezus van Nazareth duidelijk ontstemd over dat ongeloof. Dat nam niet weg dat die volgelingen van Jezus van Nazareth de opdracht kregen om de hele wereld rond te trekken en aan iedereen het goede nieuws bekend te maken.

Als je gelooft en een nieuw leven wil beginnen, dat doe je door je oude leven af te spoelen en je dus te laten dopen, dan zal je gered worden van het je leven laten beheersen door de dood. Die eerste gemeenten dachten nog dat Jezus van Nazareth direct terug zou komen om te oordelen wie goed had gedaan en wie niet. Pas veel later zou een briefschrijver de gemeente er op wijzen dat je moet leven alsof Jezus van Nazareth vandaag of morgen echt terugkomt. Dan hou je het goede doen ook pas echt vol. Maar het kwade verdrijven en contact leggen met iedereen in de wereld, de taal spreken van iedereen , hoort nog steeds bij gelovigen. Immers oog hebben voor de minsten, liefde voor de naaste, maakt dat je mensen echt kunt helpen en ook echt contact krijgt met anderen. Waar Jezus van Nazareth ondertussen is? Bij God, zoals we mogen geloven dat onze gestorven geliefden bij God zijn. Maar zij gingen op weg, wij mogen op weg gaan om iedereen te laten weten dat er geen honger hoeft de zijn, dat iedereen gekleed kan worden, dat bedroefden getroost en gevangenen bevrijdt kunnen worden, dat vrede voor de hand ligt. Dat die nieuwe wereld ook voor ons voor het grijpen is.

Angst en schrik.

Marcus 16:1-8

1 Toen de sabbat voorbij was, kochten Maria van Magdala en Maria, de moeder van Jakobus, en Salome geurige olie om Hem te balsemen. 2 Op de eerste dag van de week gingen ze heel vroeg in de ochtend, vlak na zonsopgang, naar het graf. 3 Ze zeiden tegen elkaar: ‘Wie zal voor ons de steen voor de ingang van het graf wegrollen?’ 4 Maar toen ze opkeken, zagen ze dat de steen al was weggerold; het was een heel grote steen. 5 Toen ze het graf binnengingen, zagen ze rechts een in het wit geklede jongeman zitten. Ze schrokken vreselijk. 6 Maar hij zei tegen hen: ‘Wees niet bang. Jullie zoeken Jezus van Nazaret, die gekruisigd is. Hij is opgewekt uit de dood, Hij is niet hier; kijk, dat is de plaats waar Hij was neergelegd. 7 Ga terug en zeg tegen zijn leerlingen en tegen Petrus: “Hij gaat jullie voor naar Galilea, daar zullen jullie Hem zien, zoals Hij jullie heeft gezegd.”’ 8 Ze gingen naar buiten en vluchtten bij het graf vandaan, want ze waren bevangen door angst en schrik. Ze waren zo erg geschrokken dat ze tegen niemand iets zeiden. (NBV21)

Begint alles nu gewoon weer opnieuw? Het was immers in Galilea begonnen? Daar kwam Petrus vandaan, daar kwamen ook de meeste anderen vandaan. De vrouwen hadden nog zo geloofd dat het niet afgelopen zou zijn. Ze hadden op de eerste dag van de week, toen de markt weer open was, geurige olie gekocht om het lichaam van Jezus van Nazareth te balsemen. Zo vroeg mogelijk waren ze daarmee naar het graf gegaan. Ze hadden op de dag van de kruisiging, de avond van de voorbereidingsdag, zelf gezien hoe Jezus van Nazareth in dat graf gelegd was. En, o ja, ze hadden ook gezien hoe die Josef van Arimathea een grote steen voor het graf gerold had. Niks voor vrouwen om die weer weg te rollen. Maar de steen was al weggerold en toen ze het graf binnengingen zat daar een in het wit geklede jongeman. In kerkelijke verhalen werd die al snel een engel, maar dat staat er niet. Wie of wat die jongeman was en wat die daar eigenlijk deed vertelt Marcus ons niet. En die jongeman heeft een ongelofelijk verhaal. Jezus van Nazareth is niet in het graf, hij is opgewekt uit de dood.

Wat dat is en waar die dan wel is en hoe dat gegaan zou moeten zijn wordt er door de jonge man niet bij vertelt. Dat weten we dus ook niet. Jezus is dus niet opgestaan uit de dood, of uit de doden zoals in kerken vaak wordt verteld, hij is opgewekt uit de dood. En iets nieuws is er niet bij. Hij heeft geen boodschappen achtergelaten, hij heeft een boodschap vooruit gezonden want dat ze naar Galilea moesten gaan had hij vooraf al gezegd. En dan sluit het evangelie van Marcus af. Het eindigt met zwijgen, met schrik en angst. Later bevredigde dat toch niet helemaal en zijn er nog een paar verzen aan toegevoegd. Maar het verhaal over het lege graf en de opwekking van Jezus van Nazareth eindigt met een vlucht bij het graf vandaan. Als het door moet gaan met het verhaal van Jezus van Nazareth dan moet je niet bij een graf zijn, zelfs niet bij een leeg graf.

Dan moet je kennelijk weer gewoon naar huis. Daar zijn de naasten om lief te hebben als jezelf. Daar is het kruis dat je achter Jezus van Nazareth mag opnemen. Daar is die nieuwe gemeenschap die hij zo vaak het Koninkrijk van God had genoemd. Daar kom je hem tegen in de minste van zijn broeders. De vrouwen die bij hem gebleven waren tot in zijn dood toe, bij hem wilden blijven tot in het graf, voor hem wilden blijven zorgen zoals ze al die tijd hadden gedaan, kwamen tot hun schrik tot de ontdekking dat een graf een lege verblijfplaats is. Daar gaat het niet door, daar eindigt het verhaal. Als je door wilt gaan dan moet je weer naar huis, naar je eigen omgeving, daar gaat het door met Jezus van Nazareth, daar kom je hem weer tegen, dat kan de dood niet en nooit meer tegenhouden.

In het kwartier van de paleiswacht

Jeremia 33:1-11

1 De HEER richtte zich voor de tweede maal tot Jeremia, die nog steeds in het kwartier van de paleiswacht gevangenzat: 2 ‘Dit zegt de HEER, die alles beschikt heeft en volbrengt wat Hij zich voorgenomen heeft, wiens naam is HEER: 3 Roep Mij aan, en Ik zal je antwoorden, Ik zal je grote, wonderlijke dingen bekendmaken, dingen die je volkomen onbekend zijn. 4 Dit zegt de HEER, de God van Israël, over de huizen van deze stad en het paleis van de koningen van Juda, die worden afgebroken om een bolwerk op te werpen tegen de bestormingsdammen en het aanvalsgeweld: 5 In de strijd tegen de Chaldeeën zullen hun ruïnes gevuld worden met de lijken van hen die Ik in mijn grote woede heb gedood, omdat Ik mij van deze stad heb afgewend vanwege al het kwaad dat de inwoners hebben gedaan. 6 Toch zal Ik de wonden van de stad helen en haar genezen, Ik geef de inwoners blijvende vrede en voorspoed. 7 Ik breng een keer in het lot van Juda en Israël en maak ze weer tot het volk van vroeger. 8 Ik zal het volk reinigen van alle wandaden waarmee het tegen Mij gezondigd heeft. Ik zal het alle wandaden vergeven waarmee het willens en wetens tegen Mij gezondigd heeft. 9 Jeruzalem zal Mij weer vreugde geven en Mij lof en roem brengen bij alle volken op aarde. Die zullen horen hoeveel geluk en voorspoed Ik Jeruzalem schenk, en huiveren van ontzag. 10 Dit zegt de HEER: Jullie zeggen over dit land dat het een woestenij is, dat er mens noch dier meer leeft. Maar in de steden van Juda en de straten van Jeruzalem, die nu verwoest zijn, waar mens noch dier meer leeft, 11 zullen vreugdezangen klinken, zullen bruid en bruidegom hun lied zingen, zal te horen zijn: “Loof de HEER van de hemelse machten, want Hij is goed, eeuwig duurt zijn trouw.” Er zullen dankoffers naar de tempel van de HEER worden gebracht, want Ik keer het lot van Juda ten goede en maak het weer als vroeger-zegt de HEER. (NBV21)

Toen in Augustus 1573 de Spaanse troepen op Alkmaar aan trokken waren de muren rond de stad nog niet helemaal klaar. Onder leiding van de Alkmaarse ingenieur Adriaan Antonisz. werden in allerijl de muren rond de stad versterkt met bouwmateriaal afkomstig van de afbraak van Rooms Katholieke kloosters en andere gebouwen. De ingenieur had zich laten inspireren door het verhaal uit Jeremia dat we vandaag lezen. Ook daar werden de muren van de stad versterkt door de afbraak van belangrijke gebouwen en paleizen. In Alkmaar leidde dat tot het ontzet van 8 oktober 1573. In Jeruzalem uiteindelijk tot de herbouw van de stad. Vanuit zijn gevangenschap ziet Jeremia hoe de reactie van de stad zal leiden tot herstel van de onafhankelijkheid en het verdwijnen van de bedreiging die de stad ondervindt. Jeremia was een ras optimist. Hij had al een stuk akker in bezet gebied gekocht als teken van vertrouwen in bevrijding van de bezetting. Een vertrouwen waartoe sommige  Palestijnse Christenen in Israël ook vandaag oproepen. De onwettige bezetting van hun land kan niet eeuwig duren, ook aan hen zal de God van Israël recht verschaffen.

Nu ziet Jeremia hoe rijke huizenbezitters, akkoord gingen met het gebruik van het bouwmateriaal van hun huizen voor de afwenteling van de bedreiging, voor de versterking van de muren rond de stad. Die eigen inzet van mensen was veel belangrijker dan de bondgenootschappen met buurvolken en wereldmachten die koning Sedekia sloot en waarmee hij dacht de bedreiging te kunnen afwenden. Voor Jeremia is er maar één verbond en dat is met de God van Israël, die moet je lief hebben boven alles en dat doe je door je naaste lief te hebben als jezelf. In onze dagen zijn het de superrijken die aanbieden om iets meer belasting te betalen zodat de koopkracht van de grote massa van de mensen op peil kan blijven en de dreiging van een nieuwe economische crisis kan worden afgewend. Ook de politieke vertegenwoordigers van de rijken hebben het nu over stijging van lonen, uiteindelijk moeten de allerzwaksten, de Wajongers fors inleveren.

Maar mensen die zich maar net aan de armoede hebben ontworsteld zijn altijd bang weer tot armoede te vervallen. Zij zijn het die het oplossen van problemen bij anderen proberen te leggen, de zieken kunnen zichzelf ook best verzorgen, de werklozen kunnen ook als zelfstandigen aan de slag als er geen banen meer zijn, de armen moeten de buikriem maar aantrekken en als armen buiten je gezichtsveld vallen hoef je er al helemaal niets meer aan te doen. De Bijbel wijst die angst af. Niet het krampachtig vasthouden aan eigen bezit, aan eigen inkomen en maatschappelijke positie zal je verrijken, maar delen met de armsten. Jeremia ziet daarvoor de eredienst in de Tempel weer in ere komen. De citaten die hij geeft van “Loof de HEER van de hemelse machten” en zo zijn gebruikelijk formuleringen uit de Tempeldienst. Daar wordt de leer bewaard van heb uw naaste lief als uzelf. Om die dienst zal ons leven moeten draaien, elke dag opnieuw, ook vandaag weer.

 

Hij is een van hen!

Marcus 14:32–15:47

32 Ze kwamen bij een plek die Getsemane heette, en Hij zei tegen zijn leerlingen: ‘Blijven jullie hier zitten, terwijl Ik ga bidden.’ 33 Hij nam Petrus, Jakobus en Johannes met zich mee. Hij voelde zich onrustig en angstig worden 34 en zei tegen hen: ‘Ik ben diepbedroefd, tot stervens toe. Blijf hier waken.’ 35 Hij liep nog een stukje verder, liet zich toen op de grond vallen en bad dat dit uur zo mogelijk aan Hem voorbij mocht gaan. 36 Hij zei: ‘Abba, Vader, voor U is alles mogelijk, neem deze beker van Mij weg. Maar laat niet gebeuren wat Ik wil, maar wat U wilt.’ 37 Hij liep terug en zag dat zijn leerlingen lagen te slapen. Hij zei tegen Petrus: ‘Simon, slaap je? Kon je niet één uur waken? 38 Blijf wakker en bid dat jullie niet in beproeving komen; de geest is wel gewillig, maar het lichaam is zwak.’ 39 Weer ging Hij weg om te bidden, met dezelfde woorden als daarvoor. 40 Toen Hij weer terugkwam, lagen ze opnieuw te slapen, want hun ogen vielen steeds dicht, en ze wisten niet wat ze Hem moesten antwoorden. 41 Toen Hij voor de derde maal terugkwam, zei Hij tegen hen: ‘Liggen jullie daar nog steeds te slapen en te rusten? Het is genoeg. Het ogenblik is gekomen waarop de Mensenzoon wordt uitgeleverd aan de zondaars. 42 Sta op, laten we gaan; kijk, hij die Mij uitlevert, is al vlakbij.’
43 Nog voor Hij uitgesproken was, kwam Judas eraan, een van de twaalf, in gezelschap van een met zwaarden en knuppels bewapende bende, die door de hogepriesters, schriftgeleerden en oudsten was gestuurd. 44 Judas, die Hem zou uitleveren, had met hen een teken afgesproken. Hij had gezegd: ‘Degene die ik kus, die is het. Neem Hem gevangen en voer Hem weg onder strenge bewaking.’ 45 Toen hij eraan kwam, liep hij recht op Jezus af, zei: ‘Rabbi!’ en kuste Hem. 46 Ze grepen Hem vast en namen Hem gevangen. 47 Een van de omstanders trok een zwaard, haalde uit en sloeg de dienaar van de hogepriester een oor af. 48 Jezus zei tegen hen: ‘U bent er met zwaarden en knuppels op uit getrokken om Mij te arresteren, alsof Ik een misdadiger ben! 49 Dagelijks was Ik bij u in de tempel om onderricht te geven, en toen hebt u Me niet gevangengenomen; maar dit gebeurt omdat de Schriften in vervulling moeten gaan.’ 50 Toen lieten allen Hem in de steek en vluchtten weg. 51 Een jongeman, die alleen een linnen kleed aanhad, probeerde bij Hem te blijven, maar toen ook hij werd vastgegrepen, 52 liet hij het kleed in hun handen achter en vluchtte naakt weg. 53 Jezus werd meegevoerd naar het huis van de hogepriester om te worden voorgeleid, en alle hogepriesters, oudsten en schriftgeleerden kwamen daar bijeen. 54 Petrus volgde Hem op een afstand tot op de binnenplaats van het huis van de hogepriester, waar hij tussen de knechten ging zitten en zich warmde aan het vuur. 55 De hogepriesters en het hele Sanhedrin probeerden Jezus op grond van een getuigenverklaring ter dood te veroordelen, maar dat lukte hun niet; 56 want hoewel veel mensen een valse verklaring aflegden, waren hun getuigenissen niet afdoende. 57 Toen kwamen er een paar met de volgende valse verklaring: 58 ‘We hebben Hem horen zeggen: “Ik zal die door mensenhanden gemaakte tempel afbreken en in drie dagen een andere opbouwen die niet door mensenhanden gemaakt is.”’ 59 Maar ook zo was de getuigenverklaring niet afdoende. 60 De hogepriester stond op en vroeg Jezus: ‘Waarom antwoordt U niet? U hoort toch wat deze getuigen over U zeggen?’ 61 Maar Hij bleef zwijgen en antwoordde niet. Toen vroeg de hogepriester Hem: ‘Bent U de messias, de Zoon van de Gezegende?’ 62 Jezus zei: ‘Dat ben Ik, en u zult de Mensenzoon zien zitten aan de rechterhand van de Machtige en Hem zien komen met de wolken van de hemel.’ 63 De hogepriester scheurde zijn kleren en zei: ‘Waarvoor hebben we nog getuigen nodig? 64 U hebt de godslastering gehoord; wat is uw oordeel?’ Allen oordeelden dat Hij schuldig was en de doodstraf verdiende. 65 Toen begonnen sommigen Hem te bespuwen; ze blinddoekten Hem en sloegen Hem en zeiden: ‘Profeteer nu maar!’, en ook de dienaren gaven Hem vuistslagen. 66 Terwijl Petrus beneden op de binnenplaats was, kwam een van de dienstmeisjes van de hogepriester voorbij. 67 Toen ze Petrus bij het vuur zag zitten, keek ze hem aan en zei: ‘Jij was ook bij die Jezus van Nazaret!’ 68 Maar hij ontkende dat en zei: ‘Ik weet niet waar je het over hebt, ik begrijp echt niet wat je bedoelt.’ Hij ging naar buiten, naar het voorportaal, en er kraaide een haan. 69 Toen het meisje hem daar weer zag, zei ze opnieuw, nu tegen de omstanders: ‘Hij is een van hen!’ 70 Maar hij ontkende het weer. En algauw zeiden ook de omstanders tegen Petrus: ‘Je bent wel degelijk een van hen, jij komt immers ook uit Galilea.’ 71 Maar hij begon te vloeken en zwoer: ‘Ik ken die man over wie jullie het hebben niet!’ 72 En meteen kraaide de haan voor de tweede keer. En Petrus herinnerde zich dat Jezus tegen hem gezegd had: ‘Nog voor de haan tweemaal gekraaid heeft, zul jij Mij driemaal verloochenen.’ En toen hem dat te binnen schoot, begon hij te huilen. 1’s Ochtends in alle vroegte kwamen de hogepriesters, de oudsten en de schriftgeleerden en het hele Sanhedrin in vergadering bijeen. Nadat ze Jezus geboeid hadden, leidden ze Hem weg en leverden Hem over aan Pilatus. 2 Pilatus vroeg Hem: ‘Bent U de koning van de Joden?’ Hij antwoordde: ‘U zegt het.’ 3 De hogepriesters brachten allerlei beschuldigingen tegen Hem in. 4 Pilatus vroeg Hem toen: ‘Waarom antwoordt U niet? U hoort toch waar ze U allemaal van beschuldigen?’ 5 Maar Jezus zei helemaal niets meer, tot verwondering van Pilatus. 6 Pilatus had de gewoonte om op het pesachfeest één gevangene, die door het volk gekozen werd, vrij te laten. 7 Op dat moment zat er een zekere Barabbas gevangen, samen met de andere opstandelingen die tijdens het oproer hadden gemoord. 8 Een grote groep mensen trok naar Pilatus en begon hem te vragen om ook nu te doen wat zijn gewoonte was. 9 Pilatus vroeg hun: ‘Wilt u dat ik de koning van de Joden vrijlaat?’ 10 Want hij begreep wel dat de hogepriesters Hem uit afgunst hadden uitgeleverd. 11 Maar de hogepriesters hitsten de menigte op om te zeggen dat hij Barabbas moest vrijlaten. 12 Toen zei Pilatus tegen hen: ‘Wat moet ik dan doen met de man die u de koning van de Joden noemt?’ 13 En ze begonnen weer te schreeuwen. ‘Kruisig Hem!’ riepen ze. 14 Pilatus vroeg: ‘Wat heeft Hij dan misdaan?’ Maar ze schreeuwden nog harder: ‘Kruisig Hem!’ 15 Omdat Pilatus de menigte tevreden wilde stellen, liet hij Barabbas vrij. Jezus leverde hij uit om gekruisigd te worden, nadat hij Hem eerst nog had laten geselen. 16 De soldaten leidden Hem weg, het paleis (dat is het pretorium) in, en riepen de hele cohort bijeen. 17 Ze trokken Hem een purperen gewaad aan, vlochten een kroon van doorntakken en zetten Hem die op. 18 Daarna brachten ze Hem hulde met de woorden: ‘Gegroet, koning van de Joden!’ 19 Ze sloegen Hem met een rietstok op het hoofd en bespuwden Hem, en bogen onderdanig voor Hem. 20 Nadat ze Hem zo hadden bespot, trokken ze Hem het purperen gewaad uit en deden Hem zijn kleren weer aan. Toen brachten ze Hem naar buiten om Hem te kruisigen. 21 Ze dwongen een voorbijganger die net de stad binnenkwam, Simon van Cyrene, de vader van Alexander en Rufus, om het kruis te dragen. 22 Ze brachten Hem naar Golgota, wat in onze taal ‘schedelplaats’ betekent. 23 Ze wilden Hem met mirre vermengde wijn geven, maar Hij nam die niet aan. 24 Ze kruisigden Hem en verdeelden zijn kleren onder elkaar; ze dobbelden erom wie wat zou krijgen. 25 Het was in het derde uur na zonsopgang dat ze Hem kruisigden. 26 Het opschrift met de aanklacht tegen Hem luidde: ‘De koning van de Joden’. 27 Samen met Hem kruisigden ze twee misdadigers, de een rechts van Hem, de ander links. 28 29 De voorbijgangers keken hoofdschuddend toe en dreven de spot met Hem: ‘Ach, kijk nou toch eens! Jij die de tempel afbreekt en in drie dagen weer opbouwt, 30 red jezelf toch door van het kruis af te komen.’ 31 Ook de hogepriesters en de schriftgeleerden maakten onder elkaar zulke spottende opmerkingen: ‘Anderen heeft Hij gered, maar zichzelf redden kan Hij niet; 32 laat die messias, die koning van Israël, nu van het kruis afkomen. Als we dat zien, zullen we geloven!’ Ook de twee andere gekruisigden beschimpten Hem. 33 Op het middaguur viel er duisternis over het hele land, die drie uur aanhield. 34 Aan het einde daarvan, in het negende uur, riep Jezus met luide stem: ‘Eloï, Eloï, lema sabachtani?’, wat in onze taal betekent: ‘Mijn God, mijn God, waarom hebt U Mij verlaten?’ 35 Toen de omstanders dat hoorden, zeiden enkelen van hen: ‘Hoor, Hij roept om Elia!’ 36 Iemand ging snel een spons halen, dompelde die in water met azijn, stak de spons op een stok en probeerde Hem te laten drinken, terwijl hij zei: ‘Laten we nu maar eens zien of Elia komt om Hem eraf te halen.’ 37 Nadat Jezus luid geroepen had, blies Hij de laatste adem uit. 38 En het voorhangsel van de tempel scheurde van boven tot onder in tweeën. 39 Toen de centurio, die recht tegenover Hem stond, Hem zo zijn laatste adem zag uitblazen, zei hij: ‘Werkelijk, deze mens was Gods Zoon.’ 40 Van een afstand stonden ook vrouwen toe te kijken, onder wie Maria van Magdala en Maria, de moeder van Jakobus de jongere en van Joses, en Salome. 41 Zij waren Jezus gevolgd en hadden Hem gediend toen Hij in Galilea verbleef. Zo stonden er nog veel meer vrouwen, die met Hem waren meegereisd naar Jeruzalem. 42 Toen de avond al gevallen was (het was de (‘voorbereidingsdag’, dat wil zeggen de dag voor de sabbat), 43 kwam Josef van Arimatea, een vooraanstaand raadsheer, die zelf ook de komst van het koninkrijk van God verwachtte. Hij raapte al zijn moed bijeen en ging naar Pilatus, die hij om het lichaam van Jezus vroeg. 44 Het bevreemdde Pilatus dat Hij al dood zou zijn en hij riep de centurio bij zich, aan wie hij vroeg of Jezus al gestorven was, 45 en toen de centurio dat bevestigd had, gaf hij het lijk aan Josef. 46 Josef kocht een stuk linnen, haalde Jezus van het kruis en wikkelde Hem in het linnen. Daarna legde hij Hem in een graf dat in de rots was uitgehouwen en rolde een steen voor de ingang. 47 Maria van Magdala en Maria, de moeder van Joses, keken toe in welk graf Hij werd gelegd. (NBV21)

Eigenlijk past hier alleen een zwijgen. De beker van het lijden moet in haar geheel worden leeggedronken. Dat kruis is de ultieme vernedering en het kruis in en op kerken betekent alleen dat daar de solidariteit met alle gemartelden en vervolgden te vinden is. Alleen in dat teken is de dood te overwinnen. Maar dat kruis is van hout, urenlang hangt Jezus langzaam leeg te bloeden. En dat nadat hij een nacht lang was gemarteld. Het was zijn eigen keus en een mens maakt die keus niet licht. Hij had de keus tussen het alleen in eenzaamheid deze weg te gaan of met zijn goed bewapend legertje een opstand te beginnen. Zijn leerlingen wilden wel, één van hen had zelfs de tegenstander al georganiseerd en kwam met een zwak uitgerust politieleger naar de olijfberg waar de opstand zou beginnen. Maar nee, het werd een kruis, na een nacht martelen niet meer te dragen, niet van plastic met ledlampen en een heleboel hulpjes, maar alleen hooguit geholpen door een toevallige voorbijganger. In plaats van de opstand en de eer kwam de vernedering en het lijden. En dan toch blijven zorgen. Reken het de vervolgers niet aan, de Romeinen niet en de Joden niet, de soldaten niet en de Priesters van de Tempel niet. Ook voor zijn moeder werd gezorgd. Hier loopt het goede leven van Jezus van Nazareth op uit, hij had zijn leerlingen al gewaarschuwd dat het hen ook zo zou vergaan. Het eindigt bij het graf, met een zware steen er voor. Alleen een handvol vrouwen konden zich er niet bij neerleggen, zij wilden blijven zorgen, maar zorgen voor een dode, voor een lijk? Zoals ze dat in Egypte deden? Zwijgend gaan de leerlingen naar hun bovenzaal waar ze de bevrijding uit Egypte hadden gevierd. Zwijgend gaan wij de Goede Vrijdag door, eindelijk iemand die voor vrede kiest en niet voor oorlog, maar wat een keuze is dat…….