Hij is een van hen!

Marcus 14:32–15:47

32 Ze kwamen bij een plek die Getsemane heette, en Hij zei tegen zijn leerlingen: ‘Blijven jullie hier zitten, terwijl Ik ga bidden.’ 33 Hij nam Petrus, Jakobus en Johannes met zich mee. Hij voelde zich onrustig en angstig worden 34 en zei tegen hen: ‘Ik ben diepbedroefd, tot stervens toe. Blijf hier waken.’ 35 Hij liep nog een stukje verder, liet zich toen op de grond vallen en bad dat dit uur zo mogelijk aan Hem voorbij mocht gaan. 36 Hij zei: ‘Abba, Vader, voor U is alles mogelijk, neem deze beker van Mij weg. Maar laat niet gebeuren wat Ik wil, maar wat U wilt.’ 37 Hij liep terug en zag dat zijn leerlingen lagen te slapen. Hij zei tegen Petrus: ‘Simon, slaap je? Kon je niet één uur waken? 38 Blijf wakker en bid dat jullie niet in beproeving komen; de geest is wel gewillig, maar het lichaam is zwak.’ 39 Weer ging Hij weg om te bidden, met dezelfde woorden als daarvoor. 40 Toen Hij weer terugkwam, lagen ze opnieuw te slapen, want hun ogen vielen steeds dicht, en ze wisten niet wat ze Hem moesten antwoorden. 41 Toen Hij voor de derde maal terugkwam, zei Hij tegen hen: ‘Liggen jullie daar nog steeds te slapen en te rusten? Het is genoeg. Het ogenblik is gekomen waarop de Mensenzoon wordt uitgeleverd aan de zondaars. 42 Sta op, laten we gaan; kijk, hij die Mij uitlevert, is al vlakbij.’
43 Nog voor Hij uitgesproken was, kwam Judas eraan, een van de twaalf, in gezelschap van een met zwaarden en knuppels bewapende bende, die door de hogepriesters, schriftgeleerden en oudsten was gestuurd. 44 Judas, die Hem zou uitleveren, had met hen een teken afgesproken. Hij had gezegd: ‘Degene die ik kus, die is het. Neem Hem gevangen en voer Hem weg onder strenge bewaking.’ 45 Toen hij eraan kwam, liep hij recht op Jezus af, zei: ‘Rabbi!’ en kuste Hem. 46 Ze grepen Hem vast en namen Hem gevangen. 47 Een van de omstanders trok een zwaard, haalde uit en sloeg de dienaar van de hogepriester een oor af. 48 Jezus zei tegen hen: ‘U bent er met zwaarden en knuppels op uit getrokken om Mij te arresteren, alsof Ik een misdadiger ben! 49 Dagelijks was Ik bij u in de tempel om onderricht te geven, en toen hebt u Me niet gevangengenomen; maar dit gebeurt omdat de Schriften in vervulling moeten gaan.’ 50 Toen lieten allen Hem in de steek en vluchtten weg. 51 Een jongeman, die alleen een linnen kleed aanhad, probeerde bij Hem te blijven, maar toen ook hij werd vastgegrepen, 52 liet hij het kleed in hun handen achter en vluchtte naakt weg. 53 Jezus werd meegevoerd naar het huis van de hogepriester om te worden voorgeleid, en alle hogepriesters, oudsten en schriftgeleerden kwamen daar bijeen. 54 Petrus volgde Hem op een afstand tot op de binnenplaats van het huis van de hogepriester, waar hij tussen de knechten ging zitten en zich warmde aan het vuur. 55 De hogepriesters en het hele Sanhedrin probeerden Jezus op grond van een getuigenverklaring ter dood te veroordelen, maar dat lukte hun niet; 56 want hoewel veel mensen een valse verklaring aflegden, waren hun getuigenissen niet afdoende. 57 Toen kwamen er een paar met de volgende valse verklaring: 58 ‘We hebben Hem horen zeggen: “Ik zal die door mensenhanden gemaakte tempel afbreken en in drie dagen een andere opbouwen die niet door mensenhanden gemaakt is.”’ 59 Maar ook zo was de getuigenverklaring niet afdoende. 60 De hogepriester stond op en vroeg Jezus: ‘Waarom antwoordt U niet? U hoort toch wat deze getuigen over U zeggen?’ 61 Maar Hij bleef zwijgen en antwoordde niet. Toen vroeg de hogepriester Hem: ‘Bent U de messias, de Zoon van de Gezegende?’ 62 Jezus zei: ‘Dat ben Ik, en u zult de Mensenzoon zien zitten aan de rechterhand van de Machtige en Hem zien komen met de wolken van de hemel.’ 63 De hogepriester scheurde zijn kleren en zei: ‘Waarvoor hebben we nog getuigen nodig? 64 U hebt de godslastering gehoord; wat is uw oordeel?’ Allen oordeelden dat Hij schuldig was en de doodstraf verdiende. 65 Toen begonnen sommigen Hem te bespuwen; ze blinddoekten Hem en sloegen Hem en zeiden: ‘Profeteer nu maar!’, en ook de dienaren gaven Hem vuistslagen. 66 Terwijl Petrus beneden op de binnenplaats was, kwam een van de dienstmeisjes van de hogepriester voorbij. 67 Toen ze Petrus bij het vuur zag zitten, keek ze hem aan en zei: ‘Jij was ook bij die Jezus van Nazaret!’ 68 Maar hij ontkende dat en zei: ‘Ik weet niet waar je het over hebt, ik begrijp echt niet wat je bedoelt.’ Hij ging naar buiten, naar het voorportaal, en er kraaide een haan. 69 Toen het meisje hem daar weer zag, zei ze opnieuw, nu tegen de omstanders: ‘Hij is een van hen!’ 70 Maar hij ontkende het weer. En algauw zeiden ook de omstanders tegen Petrus: ‘Je bent wel degelijk een van hen, jij komt immers ook uit Galilea.’ 71 Maar hij begon te vloeken en zwoer: ‘Ik ken die man over wie jullie het hebben niet!’ 72 En meteen kraaide de haan voor de tweede keer. En Petrus herinnerde zich dat Jezus tegen hem gezegd had: ‘Nog voor de haan tweemaal gekraaid heeft, zul jij Mij driemaal verloochenen.’ En toen hem dat te binnen schoot, begon hij te huilen. 1’s Ochtends in alle vroegte kwamen de hogepriesters, de oudsten en de schriftgeleerden en het hele Sanhedrin in vergadering bijeen. Nadat ze Jezus geboeid hadden, leidden ze Hem weg en leverden Hem over aan Pilatus. 2 Pilatus vroeg Hem: ‘Bent U de koning van de Joden?’ Hij antwoordde: ‘U zegt het.’ 3 De hogepriesters brachten allerlei beschuldigingen tegen Hem in. 4 Pilatus vroeg Hem toen: ‘Waarom antwoordt U niet? U hoort toch waar ze U allemaal van beschuldigen?’ 5 Maar Jezus zei helemaal niets meer, tot verwondering van Pilatus. 6 Pilatus had de gewoonte om op het pesachfeest één gevangene, die door het volk gekozen werd, vrij te laten. 7 Op dat moment zat er een zekere Barabbas gevangen, samen met de andere opstandelingen die tijdens het oproer hadden gemoord. 8 Een grote groep mensen trok naar Pilatus en begon hem te vragen om ook nu te doen wat zijn gewoonte was. 9 Pilatus vroeg hun: ‘Wilt u dat ik de koning van de Joden vrijlaat?’ 10 Want hij begreep wel dat de hogepriesters Hem uit afgunst hadden uitgeleverd. 11 Maar de hogepriesters hitsten de menigte op om te zeggen dat hij Barabbas moest vrijlaten. 12 Toen zei Pilatus tegen hen: ‘Wat moet ik dan doen met de man die u de koning van de Joden noemt?’ 13 En ze begonnen weer te schreeuwen. ‘Kruisig Hem!’ riepen ze. 14 Pilatus vroeg: ‘Wat heeft Hij dan misdaan?’ Maar ze schreeuwden nog harder: ‘Kruisig Hem!’ 15 Omdat Pilatus de menigte tevreden wilde stellen, liet hij Barabbas vrij. Jezus leverde hij uit om gekruisigd te worden, nadat hij Hem eerst nog had laten geselen. 16 De soldaten leidden Hem weg, het paleis (dat is het pretorium) in, en riepen de hele cohort bijeen. 17 Ze trokken Hem een purperen gewaad aan, vlochten een kroon van doorntakken en zetten Hem die op. 18 Daarna brachten ze Hem hulde met de woorden: ‘Gegroet, koning van de Joden!’ 19 Ze sloegen Hem met een rietstok op het hoofd en bespuwden Hem, en bogen onderdanig voor Hem. 20 Nadat ze Hem zo hadden bespot, trokken ze Hem het purperen gewaad uit en deden Hem zijn kleren weer aan. Toen brachten ze Hem naar buiten om Hem te kruisigen. 21 Ze dwongen een voorbijganger die net de stad binnenkwam, Simon van Cyrene, de vader van Alexander en Rufus, om het kruis te dragen. 22 Ze brachten Hem naar Golgota, wat in onze taal ‘schedelplaats’ betekent. 23 Ze wilden Hem met mirre vermengde wijn geven, maar Hij nam die niet aan. 24 Ze kruisigden Hem en verdeelden zijn kleren onder elkaar; ze dobbelden erom wie wat zou krijgen. 25 Het was in het derde uur na zonsopgang dat ze Hem kruisigden. 26 Het opschrift met de aanklacht tegen Hem luidde: ‘De koning van de Joden’. 27 Samen met Hem kruisigden ze twee misdadigers, de een rechts van Hem, de ander links. 28 29 De voorbijgangers keken hoofdschuddend toe en dreven de spot met Hem: ‘Ach, kijk nou toch eens! Jij die de tempel afbreekt en in drie dagen weer opbouwt, 30 red jezelf toch door van het kruis af te komen.’ 31 Ook de hogepriesters en de schriftgeleerden maakten onder elkaar zulke spottende opmerkingen: ‘Anderen heeft Hij gered, maar zichzelf redden kan Hij niet; 32 laat die messias, die koning van Israël, nu van het kruis afkomen. Als we dat zien, zullen we geloven!’ Ook de twee andere gekruisigden beschimpten Hem. 33 Op het middaguur viel er duisternis over het hele land, die drie uur aanhield. 34 Aan het einde daarvan, in het negende uur, riep Jezus met luide stem: ‘Eloï, Eloï, lema sabachtani?’, wat in onze taal betekent: ‘Mijn God, mijn God, waarom hebt U Mij verlaten?’ 35 Toen de omstanders dat hoorden, zeiden enkelen van hen: ‘Hoor, Hij roept om Elia!’ 36 Iemand ging snel een spons halen, dompelde die in water met azijn, stak de spons op een stok en probeerde Hem te laten drinken, terwijl hij zei: ‘Laten we nu maar eens zien of Elia komt om Hem eraf te halen.’ 37 Nadat Jezus luid geroepen had, blies Hij de laatste adem uit. 38 En het voorhangsel van de tempel scheurde van boven tot onder in tweeën. 39 Toen de centurio, die recht tegenover Hem stond, Hem zo zijn laatste adem zag uitblazen, zei hij: ‘Werkelijk, deze mens was Gods Zoon.’ 40 Van een afstand stonden ook vrouwen toe te kijken, onder wie Maria van Magdala en Maria, de moeder van Jakobus de jongere en van Joses, en Salome. 41 Zij waren Jezus gevolgd en hadden Hem gediend toen Hij in Galilea verbleef. Zo stonden er nog veel meer vrouwen, die met Hem waren meegereisd naar Jeruzalem. 42 Toen de avond al gevallen was (het was de (‘voorbereidingsdag’, dat wil zeggen de dag voor de sabbat), 43 kwam Josef van Arimatea, een vooraanstaand raadsheer, die zelf ook de komst van het koninkrijk van God verwachtte. Hij raapte al zijn moed bijeen en ging naar Pilatus, die hij om het lichaam van Jezus vroeg. 44 Het bevreemdde Pilatus dat Hij al dood zou zijn en hij riep de centurio bij zich, aan wie hij vroeg of Jezus al gestorven was, 45 en toen de centurio dat bevestigd had, gaf hij het lijk aan Josef. 46 Josef kocht een stuk linnen, haalde Jezus van het kruis en wikkelde Hem in het linnen. Daarna legde hij Hem in een graf dat in de rots was uitgehouwen en rolde een steen voor de ingang. 47 Maria van Magdala en Maria, de moeder van Joses, keken toe in welk graf Hij werd gelegd. (NBV21)

Eigenlijk past hier alleen een zwijgen. De beker van het lijden moet in haar geheel worden leeggedronken. Dat kruis is de ultieme vernedering en het kruis in en op kerken betekent alleen dat daar de solidariteit met alle gemartelden en vervolgden te vinden is. Alleen in dat teken is de dood te overwinnen. Maar dat kruis is van hout, urenlang hangt Jezus langzaam leeg te bloeden. En dat nadat hij een nacht lang was gemarteld. Het was zijn eigen keus en een mens maakt die keus niet licht. Hij had de keus tussen het alleen in eenzaamheid deze weg te gaan of met zijn goed bewapend legertje een opstand te beginnen. Zijn leerlingen wilden wel, één van hen had zelfs de tegenstander al georganiseerd en kwam met een zwak uitgerust politieleger naar de olijfberg waar de opstand zou beginnen. Maar nee, het werd een kruis, na een nacht martelen niet meer te dragen, niet van plastic met ledlampen en een heleboel hulpjes, maar alleen hooguit geholpen door een toevallige voorbijganger. In plaats van de opstand en de eer kwam de vernedering en het lijden. En dan toch blijven zorgen. Reken het de vervolgers niet aan, de Romeinen niet en de Joden niet, de soldaten niet en de Priesters van de Tempel niet. Ook voor zijn moeder werd gezorgd. Hier loopt het goede leven van Jezus van Nazareth op uit, hij had zijn leerlingen al gewaarschuwd dat het hen ook zo zou vergaan. Het eindigt bij het graf, met een zware steen er voor. Alleen een handvol vrouwen konden zich er niet bij neerleggen, zij wilden blijven zorgen, maar zorgen voor een dode, voor een lijk? Zoals ze dat in Egypte deden? Zwijgend gaan de leerlingen naar hun bovenzaal waar ze de bevrijding uit Egypte hadden gevierd. Zwijgend gaan wij de Goede Vrijdag door, eindelijk iemand die voor vrede kiest en niet voor oorlog, maar wat een keuze is dat…….

Dit is mijn lichaam.

Marcus 14:12-31

12 Op de eerste dag van het feest van het Ongedesemde brood, wanneer het pesachlam wordt geslacht, zeiden zijn leerlingen tegen Hem: ‘Waar wilt U dat wij voorbereidingen gaan treffen zodat U het pesachmaal kunt eten?’ 13 Hij stuurde twee van zijn leerlingen op pad en zei tegen hen: ‘Ga naar de stad. Daar zal een man die een kruik water draagt jullie tegemoetkomen; volg hem, 14 en wanneer hij ergens binnengaat, moeten jullie tegen de heer des huizes zeggen: “De meester vraagt: ‘Waar is het gastenvertrek waar Ik met mijn leerlingen het pesachmaal kan eten?’” 15 Hij zal jullie een grote bovenzaal wijzen, die al is ingericht en waar alles gereedstaat; maak daar het pesachmaal voor ons klaar.’ 16 De leerlingen vertrokken naar de stad, en alles gebeurde zoals Hij gezegd had, en ze bereidden het pesachmaal. 17 Toen de avond was gevallen, kwam Hij met de twaalf. 18 Terwijl ze aanlagen voor de maaltijd, zei Jezus: ‘Ik verzeker jullie: een van jullie, die met Mij eet, zal Mij uitleveren.’ 19 Ze werden bedroefd en vroegen een voor een aan Hem: ‘Ik ben het toch niet?’ 20 Maar Hij zei tegen hen: ‘Het is een van jullie twaalf, die met Mij uit dezelfde schaal eet. 21 Want de
Mensenzoon zal heengaan zoals over Hem geschreven staat, maar wee de mens door wie de Mensenzoon uitgeleverd wordt: het zou beter voor hem zijn als hij nooit geboren was.’ 22 Terwijl ze aten, nam Hij een brood, sprak het zegengebed uit, brak het brood, deelde het uit en zei: ‘Neem hiervan, dit is mijn lichaam.’ 23 En Hij nam een beker, sprak het dankgebed uit en gaf hun de beker, en allen dronken eruit. 24 Hij zei tegen hen: ‘Dit is mijn bloed, het bloed van het verbond, dat voor velen vergoten wordt. 25 Ik verzeker jullie: Ik zal niet meer van de vrucht van de wijnstok drinken, tot de dag dat Ik er opnieuw van zal drinken in het koninkrijk van God.’ 26 Nadat ze de lofzang hadden gezongen, vertrokken ze naar de Olijfberg. 27 Jezus zei tegen hen: ‘Jullie zullen allemaal ten val komen, want er staat geschreven: “Ik zal de herder doden, en de schapen zullen uiteengedreven worden.” 28 Maar nadat Ik uit de dood ben opgewekt, zal Ik jullie voorgaan naar Galilea.’ 29 Petrus zei tegen Hem: ‘Misschien zal iedereen ten val komen, maar ik niet!’ 30 Jezus antwoordde: ‘Ik verzeker je: juist jij zult Me vannacht, nog voor de haan tweemaal gekraaid heeft, driemaal verloochenen.’ 31 Maar Petrus hield met grote stelligheid vol: ‘Al zou ik met U moeten sterven, verloochenen zal ik U nooit.’ Alle anderen zeiden iets dergelijks. (NBV21)

Het is Witte Donderdag, een paar van de dagen in de Goede Week hebben eigen namen, dat begon al met Palmzondag en na Witte Donderdag krijgen we nog Goede Vrijdag en Stille Zaterdag. Dat “Laatste Avondmaal” is eigenlijk een verkeerde benaming. Het is een traditionele Joods maaltijd die onlosmakelijk verbonden is met het verhaal van de Uittocht uit Egypte. Die Uittocht begon overhaast. Nadat er een aantal plagen waren geweest waar de Farao aan voorbij was gegaan, hij had steeds de last van de slavenarbeid voor de Joden verzwaard, was op de nacht van de Uittocht elke eerstgeborene gestorven. Alleen bij de Joden was dat niet gebeurd, zij hadden de randen rond hun deuren ingesmeerd met het bloed van lammeren die ze hadden geslacht.

Ze aten dat lamsvlees nog staande met brood dat niet snel bederven zou omdat het zonder gist of zuurdesem was gebakken, de ongezuurde broden of matzes. Die broden konden ze meenemen toen ze door de Egyptenaren de woestijn werden ingejaagd. Dat eten van lamsvlees en ongezuurde broden was in de Paasmaaltijd bewaard gebleven. Het drinken van de rode wijn deed denken aan het bloed dat rond de deuren was gesmeerd en op tafel stonden bittere kruiden die aan het leed van de slavenarbeid moesten herinneren. Alleen het staan was vervangen door aanliggen, of aanzitten, men was immers thuis gekomen in het beloofde land. Bij de Pesach maaltijden hoorde het verhaal van de Uittocht, ook werden er bittere kruiden gegeten om te herdenken dat het volk veel geleden had.

Jezus van Nazareth eigent zich die maaltijd toe en voegt aan de symbolen op tafel nieuwe betekenissen toe. Dat ongezuurde brood wordt gebroken en gedeeld, alles, tot aan jezelf toe, dien je voortaan te delen zoals Jezus van Nazareth zich uiteindelijk zou delen voor iedereen. Zo drink je samen de beker wijn omdat zijn bloed voorkwam dat iedereen werd gedood. Delen en kiezen voor het leven werd van die dag af het kenmerk van het Christendom en in kerken over heel de wereld zie je brood gedeeld en de beker gedeeld worden ter gedachtenis van Jezus van Nazareth. De maaltijd is daarmee een bevrijdingsmaaltijd geworden. Niet langer worden er offers gebracht aan een God maar voeden de gelovigen elkaar, zoals ze door Jezus zijn gevoed. Hij deelde het levende brood en schonk de wijn van de vreugde. Zo moeten wij ons het lijden en sterven herinneren. We zijn er sterker door geworden.

 

Deze verkwisting

Marcus 14:1-11

1 De volgende dag zou het feest van Pesach en het Ongedesemde brood beginnen. De hogepriesters en schriftgeleerden zochten naar een mogelijkheid om Hem door middel van een list gevangen te nemen en te doden. 2 ‘Maar niet op het feest,’ zeiden ze, ‘want dan komt het volk in opstand.’ 3 Toen Hij in Betanië in het huis van Simon-degene die aan een huidziekte had geleden-aanlag voor de maaltijd, kwam er een vrouw binnen. Ze had een albasten flesje bij zich dat gevuld was met zeer kostbare, zuivere nardusolie. Ze brak het flesje open en goot de olie uit over zijn hoofd. 4 Sommige aanwezigen zeiden geërgerd tegen elkaar: ‘Waar is deze verkwisting goed voor? 5 Die olie had immers voor meer dan driehonderd denarie verkocht kunnen worden, en dat geld hadden we aan de armen kunnen geven.’ Ze voeren tegen haar uit. 6 Maar Jezus zei: ‘Laat haar met rust, waarom vallen jullie haar lastig? Ze heeft iets goeds voor Mij gedaan. 7 Want de armen zijn altijd bij jullie, en jullie kunnen weldaden aan hen bewijzen wanneer je maar wilt, maar Ik zal niet altijd bij jullie zijn. 8 Wat ze kon, heeft ze gedaan: ze heeft mijn lichaam nu al met olie gebalsemd, met het oog op mijn begrafenis. 9 Ik verzeker jullie: waar ook maar ter wereld het goede nieuws verkondigd wordt, daar zal ter herinnering aan haar verteld worden wat zij heeft gedaan.’ 10 Toen ging Judas Iskariot, een van de twaalf, naar de hogepriesters om Hem aan hen uit te leveren. 11 Toen zij dit hoorden, waren ze opgetogen en beloofden ze hem geld te zullen geven. En hij zon op een mogelijkheid om Hem op een geschikt moment uit te leveren. (NBV21)

Het zijn maar 11 verzen in het verhaal van wat wij tegenwoordig de Goede Week noemen maar ze zijn bijna allemaal van belang om het verband en daarmee de boodschap tussen al die verhalen te begrijpen. We waren de Goede Week zondag begonnen met de intocht van de Koning op een ezel in Jeruzalem. Vervolgens had die Koning van de vrede de handelaars uit de Tempel gemept. Daarmee had hij de autoriteiten van de Tempel uitgedaagd en tot het uiterste getergd. Die autoriteiten besloten dus om Jezus van Nazareth ter dood te brengen, of te laten brengen, als hij maar dood was. Maar hij was ook tot Koning uitgeroepen door al die mensen die met hem mee naar Jeruzalem waren gekomen om daar op de in de Tora voorgeschreven wijze het Paasfeest te vieren. Die nieuwe Koning ter dood te brengen voor het feest zou een opstand kunnen uitlokken en de Romeinen waren niet mis als het ging om een opstand te onderdrukken.

En dan gaat ons verhaal verder. Want een koning moet tot koning gezalfd worden, Christus betekent ook de gezalfde. Dat gebeurt dus niet in Jeruzalem maar in een dorp even buiten de stad, in Bethanië. Bethanië is overigens een Aramese naam die ook “huis van ellende” betekent. Daar was Jezus van Nazareth te gast bij Simon, een man die van huidvraat was genezen, ofwel die weer rein verklaard was. Daar was dus een vrouw die Jezus van Nazareth zalfde met kostbare olie. Maar moeten we de intocht als Koning nu serieus nemen? Op veel plaatsen staan in het land kerken en beelden die “Christus Koning” heten. Jezus van Nazareth en zijn volgelingen nemen het uitroepen van hem als Koning tijdens de intocht kennelijk niet zo serieus. De leerlingen vinden dat de olie beter had kunnen worden verkocht en het geld aan de armen gegeven. Jezus van Nazareth zelf accepteert de zalving als teken van zorg voor zijn lijk, alsof hij al gestorven was. Kennelijk was hij er zeer van overtuigd dat de hele beweging, om tot Koning van de Joden uitgeroepen te worden, uit zou lopen op zijn dood.

De armen waren er daarna ook nog wel. Ze zijn er nog steeds. Maar als Jezus van Nazareth en de andere leerlingen het niet serieus nemen hoe zou het dan ooit zover kunnen komen? Alleen een spontane volksopstand zou hem dat Koningschap kunnen opdringen. En omdat de autoriteiten een opstand verwachten voor het feest moest die opstand dus voor het feest worden uitgelokt. Daar zou Judas Iskariot voor zorgen. Hij zou er voor zorgen dat Jezus van Nazareth nog voor het feest gegrepen zou kunnen worden. Het zou een bittere teleurstelling voor hem worden. De samenleving is niet maakbaar en de koning van de vrede zou laten zien dat een gewelddadige opstand echt het laatste was dat hij zou willen veroorzaken. Ook voor ons geldt dus dat een opstand met geweld tegen de onderdrukkers van de armen niet in de rede ligt. Maar zorg voor de armen wordt ons zelfs hier in het verhaal over de kroning opgedragen. We hebben ze immers nog steeds bij ons, en daarmee blijven we de machthebbers, de inhalige ceo’s en bankdirecteuren aan het onrecht herinneren. Tot ook aan de armen recht wordt gedaan.

 

Uw wil te doen

Psalm 40

1 Voor de koorleider. Van David, een psalm. 2 Vol verlangen heb ik op de HEER gewacht en Hij boog zich naar mij toe, Hij heeft mijn roep om hulp gehoord. 3 Hij trok mij uit de kuil van het graf, uit de modder, uit het slijk. Hij zette mij neer op een rots, een vaste grond voor mijn voeten. 4 Hij gaf mij een nieuw lied in de mond, een lofzang voor onze God. Mogen velen het zien vol ontzag en vertrouwen op de HEER. 5 Gelukkig de mens die vertrouwt op de HEER en zich niet keert tot hoogmoedigen, tot hen die verstrikt zijn in leugens. 6 Veel wonderen hebt U verricht, veel goeds voor ons besloten, HEER, mijn God. Niemand is te vergelijken met U! Wil ik erover spreken, ervan verhalen, het is te veel om op te sommen. 7 Offers en gaven verlangt U niet, brand- en reinigingsoffers vraagt U niet. Nee, U hebt mijn oren voor U geopend 8 en nu kan ik zeggen: ‘Hier ben ik, over mij is in de boekrol geschreven.’ 9 Uw wil te doen, mijn God, verlang ik, diep in mij koester ik uw wet. 10 Wanneer het volk bijeen is, spreek ik over uw rechtvaardigheid, ik houd mijn lippen niet gesloten, U weet het, HEER. 11 Uw goedheid verberg ik niet in mijn hart, maar ik getuig van uw trouw en uw hulp. In de kring van het volk verheel ik niet hoe liefdevol, hoe trouw U bent. 12 U, HEER, U weigert mij uw ontferming niet, uw liefde en uw trouw zullen mij steeds bewaren, 13 ook nu rampen mij omringen, talloos vele, nu mijn zonden mij achtervolgen en ik geen uitweg zie, nu ze talrijker zijn dan de haren op mijn hoofd en de moed mij is ontzonken. 14 Wil uitkomst brengen, HEER, HEER, kom mij haastig te hulp. 15 Laat beschaamd en vernederd worden wie mij naar het leven staan, met schande terugwijken wie mijn ongeluk zoeken, 16 van schaamte verstommen wie de spot met mij drijven. 17 Wie bij U hun geluk zoeken zullen lachen en vrolijk zijn, wie van U hun redding verwachten zullen steeds weer zeggen: ‘Groot is de HEER.’ 18 Ik ben arm en zwak, Heer, denk aan mij. U bent mijn helper, mijn bevrijder, mijn God, wacht niet langer. (NBV21)

Vandaag zingen we eigenlijk twee psalmen. Het gedeelte van de Psalm van vandaag vanaf vers 14 vinden we ook in Psalm 70. Ooit zijn de twee psalmen tot één lied samengevoegd. En hoe kan dat, het lijken toch twee verschillende liederen? Het eerste is een dankzegging en het tweede een roep om hulp. Omgekeerd kunnen we ons dat wel voorstellen. Iemand zit in nood, roept God om hulp en dankt vervolgens voor de redding. Maar omgekeerd is dan toch een beetje raar. Als je de psalm nauwkeurig leest kan het toch duidelijk worden. Want waar gaat die dankzegging over? Over het Woord van God, over de boekrol waar je over jezelf kunt lezen en over het volk waartegen voortdurend erover gesproken moet worden. En dan gaat het over de dienst aan God. Een rare God was dat in de dagen dat de psalm werd geschreven. Alle goden hadden tempels met altaren waarop offers werden gebracht om de goden gunstig te stemmen. In die tempels stonden de mooiste beelden van die goden.

Maar de schrijver van de psalm en zijn volk hadden zulke tempels niet. Die God van hen had zelfs geen naam, alleen de belofte dat die God er zou zijn voor hen. Die God kon je niet gunstig stemmen door brand- en reinigingsoffers maar alleen door het houden van dat gebod van heb je naaste lief als jezelf. Als je dat doet dan herken je jezelf ineens in het verhaal dat in het boek over dat gebod staat opgetekend. Daar staan de verhalen over mensen die probeerden zich aan dat gebod te houden, hoe ze er soms in slaagden en hoe ze soms mislukten in hun pogingen. Maar als je anderen probeert te overtuigen van het nut van de naaste lief te hebben als jezelf dan loop je zeer de kans bespot te worden, aangevallen, uitgestoten, belasterd, achtervolgd. Dat was zo in de dagen dat de psalm werd geschreven, dat is zo in onze dagen. Wie komt er op voor de slachtoffers van de vluchtelingenramp in Griekenland, en de andere Europese grenslanden.

Wie vraagt in een tijd van dreigende werkloosheid nog om eerlijke handelsverhoudingen met de armste landen, wie vraagt in een tijd van toenemende culturele spanningen nog om samenwerking en samen leven met vreemdelingen, wie durft het nog op te brengen een rechtvaardige behandeling te vragen voor vluchtelingen die in ons land zijn ontvangen? De moed om te strijden voor een rechtvaardige samenleving zinkt je soms letterlijk in de schoenen. Dan is een schreeuw om hulp meer dan gerechtvaardigd. Die schreeuw om hulp volgt daarom op de dankbaarheid de wet van houden van je naaste als van jezelf te hebben ontdekt, gehouden en uitgedragen. Juist de belofte die de naam van de God van de psalmist met zich meebrengt er te zijn juist in de meest donkere tijden maakt dat de schreeuw om hulp ook de belijdenis is van de macht van die God, de macht van de liefde van die God, de liefde die je zelf mag uitstralen. Wanhoop daarom vandaag niet, werk aan de rechtvaardige samenleving van die God.

De Heer spot met hen

Psalm 2

1 Waartoe leidt het woeden van de volken, het rumoer van de naties? Tot niets. 2 De koningen van de aarde komen in verzet, de heersers spannen samen tegen de HEER en zijn gezalfde: 3 ‘Wij moeten hun juk afwerpen, ons van hun boeien bevrijden.’ 4 Die in de hemel troont lacht, de Heer spot met hen. 5 Dan spreekt Hij tot hen in woede, en zijn toorn verbijstert hen: 6 ‘Ikzelf heb mijn koning gezalfd, op de Sion, mijn heilige berg.’ 7 Het besluit van de HEER wil ik bekendmaken. Hij sprak tot mij: ‘Jij bent mijn zoon, Ik heb je vandaag verwekt. 8 Vraag het Mij en Ik geef je de volken in bezit, de einden der aarde in eigendom. 9 Jij zult ze breken met een ijzeren staf, ze stukslaan als een aarden pot.’ 10 Daarom, koningen, wees verstandig, wees gewaarschuwd, leiders van de aarde. 11 Onderwerp u, toon de HEER uw ontzag, breng Hem bevend uw hulde. 12 Bewijs eer aan zijn zoon met een kus, anders ontvlamt zijn woede, en uw weg loopt dood, want bij het geringste ontsteekt Hij in toorn. Gelukkig wie schuilen bij Hem. (NBV21)

We gaan de zogenaamde “Goede week” in met een herinnering aan het: “vrede op aarde”, terwijl de volken in de wereld van alles doen maar vrede op aarde is het nog nooit geweest en is er zeker nu niks van te merken.. Zelfs niet toen legers afspraken tijdens de Kerstnacht even op te houden met de oorlog ging barste de vrede op aarde niet uit laat staan nu de volken van de wereld een stad in bescherming proberen te nemen. De vraag die in de Psalm gesteld wordt is waarom het toch steeds tot oorlog komt. En het antwoord is dat de machthebbers zich weigeren te onderwerpen aan de Vredevorst. Met die titel duidde Jesaja het kind aan dat uiteindelijk in de kerstnacht geboren zou worden.

Wie overigens de eerste verzen in het Hebreeuws leest zal het opvallen dat door het gebruik van veel o klanken de Psalm een heel onheilspellend karakter krijgt. En het je onttrekken aan de regering van de Vredevorst brengt onheil, dat is zeker, geen welbehagen in mensen, maar welbehagen in macht. Maar volgens de Psalmdichter moeten we niet bij de pakken neerzitten. In de hemel wordt al dat machtsvertoon als clownerie beschouwt. De Heer van Hemel en aarde moet er om lachen. Een lachen dat ook in veel kerken op paasmorgen zal klinken. De o klanken verdwijnen in het Hebreeuws en worden vervangen door de veel mildere i klanken. Dat “mijn koning” klinkt een stuk vriendelijker, daarin is al een heel klein beetje het welbehagen in mensen uit de kerstnacht te horen.

En dan wordt er hoop voor ons bezongen. Die nieuwe koning die in die nacht geboren werd krijgt alle volken, tot aan de einden der aarde in bezit. Al die grootmachten met hun legers, hun dreigingen. hun spionnen, hun giftige wapens, ze worden gebroken met een ijzeren staf, ze worden stuk geslagen als een aarden pot. We mogen hen waarschuwen, ze zullen moeten hun macht spiegelen aan de macht van de Heer die zelfs de dood wist te overwinnen. Als wij bij de vredevorst schuilen dan breekt het geluk aan, dan morgen we ons gelukkig voelen ook al worden we vervolgd en onderdrukt. En de rest van het verhaal van de Bijbel vertelt ons wat dat betekent, schuilen in de macht van de allerhoogste. Dat betekent leven in liefde. In mensen een welbehagen. Macht en aanzien zijn niet langer belangrijk, de liefde daar draait alles om, zelfs in de donkerste dagen van ons leven.

 

De Heer heeft het nodig

Marcus 11:1-11

1 Toen ze Jeruzalem naderden en in de buurt waren van Betfage en Betanië bij de Olijfberg, stuurde Hij twee van zijn leerlingen vooruit. 2 Hij zei tegen hen: ‘Ga naar het dorp dat daar ligt. Zodra jullie er binnenkomen, zul je daar een ezelsveulen vastgebonden zien staan, dat nog nooit door iemand bereden is; maak het los en breng het hier. 3 En als iemand jullie vraagt waarom jullie dat doen, zeg dan: “De Heer heeft het nodig, Hij zal het meteen weer terugsturen.”’ 4 Ze gingen op weg en vonden een veulen dat buiten op straat bij een deur was vastgebonden en ze maakten het los. 5 Er stonden een paar mensen die vroegen: ‘Waarom maken jullie dat veulen los?’ 6 Ze zeiden wat Jezus hun had opgedragen te zeggen en de mensen lieten hen begaan. 7 Ze brachten het veulen naar Jezus en legden hun mantels over het dier en Hij ging erop zitten. 8 Velen spreidden hun mantels uit op de weg, anderen spreidden takken met bladeren uit, die ze in het veld afhakten. 9 Allen die voor Hem uit liepen of achter Hem aan kwamen, riepen luidkeels: ‘Hosanna! Gezegend Hij die komt in de naam van de Heer. 10 Gezegend het komende koninkrijk van onze vader David. Hosanna in de hoogste hemel!’ 11 Hij trok Jeruzalem in en ging naar de tempel. Nadat Hij daar alles gezien had, ging Hij-want het was al laat geworden-met de twaalf terug naar Betanië. (NBV21)

Vandaag is het Palmpasen. In dat verhaal bereid men zich voor op de komst van dat nieuwe koninkrijk dat al heel lang beloofd was. Ooit, in de woestijn, was er een richtlijn en een God die zeiden dat je moest delen wat je had met elkaar. Later in de loop van de geschiedenis was er een koning David die vanuit die instelling de vijanden versloeg en vrede in het land bracht en waren er profeten geweest die steeds weer riepen dat het volk van die weg af dwaalde en dat als men op die weg terugkeerde het rijk van vrede en recht zou komen. De profeet Zacharia had zelfs gezegd dat er een zachtmoedige koning van de vrede zou komen die niet hoog te paard omringt door soldaten zijn intocht zou doen maar op een ezelsveulen. Nu was daar die Jezus van Nazareth. Die had het ook steeds over dat Koninkrijk, dat niet een Koninkrijk zou zijn zoals we dat overal in de wereld tegenkomen. De wereld kent een koninkrijk van macht en aanzien.

Een rijk van economische groei ten koste van de armen in de wereld,, waar de aarde uitgeput wordt, maar niet een koninkrijk van dienen, van zorg voor de armen, van zorg voor de aarde. Marcus vertelt het verhaal van de intocht op een geheel eigen manier. Het begint al in Jericho als Jezus gevolgd door een grote menigte optrekt naar Jeruzalem. Onderweg kwamen ze een blinde tegen die Jezus begroette als Zoon van David, de komende koning dus. Dat had hij goed gezien en hij kon als ziende mee met de stoet. Toen ze nog maar een paar kilometer van Jeruzalem waren begon Jezus van Nazareth zijn eigenlijke intocht. De ezel werd gehaald. Ze kregen de ezel mee omdat, zoals uit de Griekse tekst de lezen is, de leerlingen in het midden lieten of de eigenaar, de Keizer of Jezus van Nazareth de ezel nodig hadden. Onder het zingen van Psalm 118 begon de tocht. Jezus van Nazareth gaat naar de plaats waar de leer van Mozes een centrale plek had gekregen, Jeruzalem.

De reis naar Jeruzalem werd een soort demonstratie, een met mantels versierde ezel, takken van de bomen, mantels op de grond en juichen voor het nieuwe Koninkrijk. Als je van die takken hoort denk je onwillekeurig aan het Loofhuttenfeest als er hutten van takken gebouwd worden als herinnering aan de reis door de woestijn. Dwars tegen de Romeinse bezetter wordt dat nieuwe rijk van David, het koninkrijk van vrede en recht alvast door de mensen uitgeroepen. Maar zo eenvoudig is het niet, er zal gewerkt moeten worden. Als het dus laat in de avond is geworden, en Jezus van Nazareth gezien heeft wat er van de Tempel echt is geworden, gaan ze weer terug. Vrede en recht vestigen zich niet op aarde als we er allemaal om juichen, de armen zwaaien en praise zingen. Daarvoor is het werk van Jezus van Nazareth nodig geweest en onze navolging, ons werk voor de minsten van de aarde en de aarde zelf, elke dag opnieuw, ook vandaag weer.

Hier gaan de rechtvaardigen binnen

Psalm 118:17-29

17 Ik zal niet sterven, maar leven en verhalen van de daden van de HEER: 18 de HEER heeft mij gestraft, maar mij niet prijsgegeven aan de dood. 19 Open voor mij de poorten van de gerechtigheid, ik wil binnengaan om de HEER te loven. 20 Dit is de poort die leidt naar de HEER, hier gaan de rechtvaardigen binnen. 21 Ik wil U loven omdat U antwoordde en mij redding bracht. 22 De steen die de bouwers afkeurden is de hoeksteen geworden. 23 Dit is het werk van de HEER, een wonder in onze ogen. 24 Dit is de dag die de HEER heeft gemaakt, laten wij juichen en ons verheugen. 25 Ach HEER, red ons toch, HEER, geef ons voorspoed. 26 Gezegend wie komt in de naam van de HEER. Wij zegenen u vanuit het huis van de HEER. 27 De HEER is God, Hij heeft ons licht gebracht. Vier feest en ga met groene twijgen tot aan de hoorns van het altaar. 28 U bent mijn God, U zal ik loven, hoog zal ik U prijzen, mijn God. 29 Loof de HEER, want Hij is goed, eeuwig duurt zijn trouw. (NBV21)

Het gejubel van de Paasdagen klinkt ons vandaag bij het lezen van de tweede helft van deze Psalm nog in de oren. Niet zo vreemd want als de pelgrims na het Pesachfeest naar huis gingen dan zongen ze nog een keer de lofpsalmen die ze op de heenreis hadden gezongen en die ook bij de maaltijd van de ongezuurde broden hadden geklonken. In het verhaal van het nieuwe testament kennen we nog wel de opgang naar Jeruzalem als Jezus van Nazareth op ezel binnen rijdt en de mensen takken van de bomen rukken en op de grond uitspreiden alsof er een loper voor de koning wordt uitgelegd. Na de Pasen moet er eerst geloofd worden in dat ongelofelijke van de opstanding. Dan gaan er twee van Jeruzalem naar Emaüs en zien pas de werkelijkheid van de opstanding bij het breken van het brood met een vreemdeling die met hen opliep en ook de schriften bleek te kennen. Bij dat soort verhalen past ook dit tweede deel van deze psalm.

Die opstanding is immers een meer dan machtige daad. Dat je niet meer bang hoeft te zijn voor de dood maar mag leven of je eeuwig leeft en vorm mag geven aan de samenleving waar alle tranen gedroogd zullen zijn, waar recht en rechtvaardigheid zullen heersten dat is pas machtig. Over recht en rechtvaardigheid wordt hier dan ook gezongen. Het beeld van God als oude man met lange baard op een wolk is ons tegen gaan staan. De God van Israël gaat alle verstand te boven en die is wie hij verkiest te zullen zijn. Daar past geen plaatje op en geen plaatje bij. Toch wordt hier in menselijke termen over die God gezongen. Dan gaat het over zijn rechterhand die machtige daden doet. De rechterhand waarin de scepter van de koning ligt. Waar de duim van de Romeinse Keizer omhoog of omlaag wijst en aangeeft wie leeft en wie sterft. Als aardse koningen in hun rechterhand zulke macht hebben dan moeten ze zich wel beseffen dat de God van Israël daar een grotere macht heeft. Dat het onderdrukken van volken, dat geweld tegen hun eigen volk, uiteindelijk op de dood zal uitlopen en dat ook in hun landen recht en gerechtigheid zullen heersen. Het is ook de actualiteit van onze dagen.

De opstandelingen in het Midden Oosten zullen het met de psalm eens zijn als er gezongen wordt over wonderen. Dat een samenleving die tientallen jaren onder onderdrukking en onrecht heeft geleden toch kan opbloeien in recht en gerechtigheid is een wonder. Dat onze machtigen en rijken bang zijn voor het verlies van gemakkelijke inkomstenbronnen en het verdwijnen van wingewesten is ook duidelijk. Wij worden bang gemaakt met chaos en radicalisme. En chaos wordt het als het samen bouwen verdwijnt. Maar als zelfs de dood ons geen angst meer aanjaagt waarom chaos en radicalisme dan wel? Wij weten dat democratie samenleven en samen werken betekent. Wij weten dat ook in ons eigen land daar nog veel voor moet gebeuren. Wij weten dat ook bij ons het ontbreken van recht en gerechtigheid nog tot ongelukken en leed voert. Wij weten dat haat van vreemdelingen, dat het haten van een ander soort geloven onvruchtbaar is en bestreden moet worden. Wij kunnen dus samen optrekken met ieder die vecht voor recht en gerechtigheid. Dan klinken ook hier de lofliederen, nu zingen wij nog liederen van de toekomst, maar die komt elke dag dichterbij, ook vandaag weer.

Alle volken

Psalm 118:1-16

1 Loof de HEER, want Hij is goed, eeuwig duurt zijn trouw. 2 Laat Israël zeggen: ‘Eeuwig duurt zijn trouw’ – 3 het huis van Aäron zeggen: ‘Eeuwig duurt zijn trouw’ – 4 wie de HEER vreest, zeggen: ‘Eeuwig duurt zijn trouw.’ 5 In mijn nood heb ik geroepen: ‘HEER!’ En de HEER antwoordde, Hij gaf mij ruimte. 6 Met de HEER aan mijn zijde heb ik niets te vrezen, wat kunnen mensen mij doen? 7 Met de HEER, mijn helper, aan mijn zijde, kijk ik op mijn haters neer. 8 Beter te schuilen bij de HEER dan te vertrouwen op mensen. 9 Beter te schuilen bij de HEER dan te vertrouwen op mannen met macht. 10 Alle volken hadden mij ingesloten -ik weerstond ze in de naam van de HEER – 11 ze sloten mij van alle kanten in -ik weerstond ze in de naam van de HEER – 12 ze sloten mij in als een zwerm bijen maar doofden snel als een vuur van dorens -ik weerstond ze in de naam van de HEER. 13 Jullie sloegen mij en ik viel, maar de HEER heeft geholpen. 14 De HEER is mijn sterkte, mijn beschermer, Hij heeft mij redding gebracht. 15 Hoor hoe de redding wordt bezongen in de tenten van de rechtvaardigen: de rechterhand van de HEER doet machtige daden, 16 de rechterhand van de HEER richt op, de rechterhand van de HEER doet machtige daden. (NBV21)

We zingen vandaag één van de zogenaamde Hallel psalmen, Loof de Heer liederen. Psalm 118 hoort ook bij de maaltijd die het Joodse Volk houdt sinds de uittocht uit Egypte om de uittocht te herdenken en opnieuw te beleven. Die maaltijd is in de Christelijke traditie overgegaan op het Avondmaal als herdenking en het opnieuw beleven van de uittocht uit de dood waarin Jezus van Nazareth ons is voorgegaan. Een Psalm dus die het meer dan waard is om met Pasen te lezen maar ook samen te zingen. Het is een Psalm van stem en tegenstem, hier zingen verschillende groepen deelnemers aan de maaltijd elkaar toe. Je kunt hierbij denken aan de maaltijden die in of nabij de Tempel moesten worden gehouden rond de grote feesten van Israël. Zo’n maaltijd moest je houden met je familie, de dienaren van de Tempel, de mensen die bij je werkten, de armen uit je omgeving en de vreemdelingen die bij je waren. En dan zing je het eerste vers samen, het tweede vers door iedereen uit Israël, het derde vers door de dienaren van de Tempel en het vierde vers door iedereen die daar wil bij horen. Het vijfde en zesde vers zijn dan voor de armen en de vreemdelingen.

Zo kun je verder lezen. Zingen zou je kunnen doen uit het boek van de Psalmen zoals dat in het Liedboek voor de Kerken is opgenomen. Ook daar is het stem en tegenstem. Samen zing je steeds het refrein “Zijn liefde duurt in eeuwigheid” en om de beurt, solo of in groepen zing je de overige regels van het eerste couplet. Nu is het mooi om over voorspoed en vreugde te zingen maar het leven brengt ook tegenslag en ellende met zich mee. Ook daar zingt de Psalm over al lijkt het er op dat de zangers aan de Paasmaaltijd al die keren zijn vergeten dat ze tegenslag hadden, dat ze geen water hadden, bijna werden verslagen door vijanden, economische crises moesten overwinnen of te maken hadden met ziekten en ongevallen. Al die zaken staan in de Psalm wel genoemd, zeker in dit eerste gedeelte dat we vandaag lezen en wie verder zingt uit het Liedboek dan het eerste couplet zingt dan ook van de tegenslag die mensen overkomt.

Alleen vijanden kunnen worden weerstaan en bij tegenslag zet God je in de ruimte. Dat komt omdat gelovigen altijd blijven geloven dat er een nieuwe hemel en een nieuwe aarde komt. Een hemel en aarde waar de dood voorbij zal zijn. Dat is niet iets van een verre onbekende toekomst. De bevrijding begon met de uittocht uit de slavernij, de bevrijding voor Christenen begon met de opstanding uit de doden. In die geschiedenis mogen wij meedoen, dat geeft ruimte, ruimte om afstand te nemen van alle ongeluk en ellende die je overkomt. Je wordt bevrijdt van de gevolgen daarvan omdat je je handelen mag afstemmen op die nieuwe hemel en die nieuwe aarde. Daar zorgen mensen voor elkaar, daar offeren ze zich voor elkaar op. Dat mogen wij ook doen. Dan merken we dat we het leven als een geschenk hebben gekregen en dat we dat geschenk mogen vieren , elke dag weer. Dan is het elke dag Pasen, ook vandaag weer.

Met hart en ziel

Jeremia 32:36-44

36 Maar toch-dit zegt de HEER, de God van Israël, over deze stad, waarover jullie zeggen: “Door het zwaard, de honger en de pest valt ze de koning van Babylonië in handen”: 37 Ik zal de inwoners samenbrengen uit alle landen waarheen Ik ze in mijn grote woede en toorn verdreven heb, Ik zal hen terugbrengen naar deze stad en hen er veilig laten wonen. 38 Zij zullen mijn volk zijn en Ik al hun God zijn. 39 Ik zal hen één van hart en één van zin maken, zodat ze altijd ontzag voor Mij zullen hebben en het hun en hun nageslacht goed zal gaan. 40 Ik zal een eeuwig verbond met hen sluiten, Ik keer mij nooit meer van hen af en zal hen altijd zegenen. Ik zal hen met ontzag voor Mij vervullen, zodat zij zich nooit meer van Mij zullen afkeren. 41 Ik zal er weer vreugde in vinden hen te zegenen en zal hen voorgoed in dit land planten. Met hart en ziel zal Ik dat doen. 42 Dit zegt de HEER: Zoals Ik over dit volk al dit grote onheil heb gebracht, zo zal Ik het al het goede brengen dat Ik hun beloof. 43 Jullie zeggen dat dit land een woestenij is, zonder mens of dier, en dat het in handen van de Chaldeeën gegeven is, maar er zullen weer akkers worden gekocht. 44 Men zal ervoor betalen en in aanwezigheid van getuigen koopcontracten opstellen en verzegelen, in het gebied van Benjamin, in het gebied rond Jeruzalem, in de steden van Juda, van het bergland, het heuvelland en de Negev. Want Ik zal hun lot ten goede keren-spreekt de HEER.’ (NBV21)

In de dagen van Jeremia was het volk Israël aangeland in de donkerste dagen van haar geschiedenis. Er was er een belegering van Jeruzalem, verwoesting stond voor de deur. De godsdienstige en bestuurlijke elite reageerde zoals zoveel belegerde elites doen, ze willen oorlog voeren ook al kost dat alleen maar veel levens. De eer is in zulke gevallen altijd een goede smoes. Noch in de dagen van Jezus van Nazareth noch in de tijd van Jeremia werden de levens geteld die de houding van de elite kostte. Ook in onze dagen verzwijgen de machthebbers liever de dode vrouwen en kinderen die slachtoffer zijn van een oorlog, zelfs in de Gazastrook waar vrachtwagens in grote rijen klaar staan om slachtoffers van de oorlog en met name de kinderen te voeden wordt voorrang gegeven aan een politiek van uithongering.

Jeremia verwierp de zinloze oorlog, Jezus van Nazareth verwierp de opstand tegen de Romeinen. Jeremia wilde terug naar de Wet van de Woestijn. Jezus van Nazareth wilde naar de herdenking van de uittocht uit Egypte, naar de bevrijding uit de slavernij. Die bevrijding zou uiteindelijk de terugkeer uit de ballingschap in de tijd van Jeremia betekenen en voor Jezus van Nazareth de bevrijding van de Romeinen, de bevrijding van de dood. De dood heeft immers niet het laatste woord in ons leven. In de dagen van Jeremia had het volk Israël elk krediet bij God verspeeld door de beelden in de Tempel, de beelden op de akkers en vooral door de kinderoffers aan Moloch. Maar bij de verwerping van het volk blijft het niet. Er blijven mensen die zich inzetten voor de Wet van de God van Israël, je naaste liefhebben als jezelf, daarom klinkt de belofte dat ooit de mensen uit ballingschap zouden terugkeren om een nieuwe kans voor het volk te krijgen. Ook voor Jezus van Nazareth was de dood niet het laatste woord. Zijn liefde, zijn weigering zich met geweld te verzetten tegen zijn vijanden, zelf aan het kruis vroeg hij vergiffenis voor hen, betekende dat hij tastbaar en voelbaar in het midden van zijn volgelingen verscheen.

Het werk dat de God van Israël ooit is begonnen, van de chaos op de aarde een mensenland te scheppen, laat hij niet los. Voor ons betekent het dat we geroepen zijn op weg te gaan met die Wet, dat niemand ons kan afhouden van het verspreiden van liefde. In onze eigen buurt, in ons eigen dorp of stad en in ons land en de wereld overal waar wij het willen aanpakken. Armen, zwakken, zieken en vreemdelingen genoeg. Wat de politiek of de publieke opinie ook zegt, wij kunnen onze eigen weg gaan. Het is geen liefdadigheid. In het uitsteken van handen naar de zwaksten dient altijd de verkondiging te zitten. Mensen dienen behandeld te worden zoals je zelf behandeld zou willen worden. Onze broeders en zusters horen niet langs de kant van de weg te liggen. Onze kinderen horen geen honger te lijden en dus geen kind op deze wereld. We hebben de belofte waarop ook Jeremia zich verlaat. Eens worden er weer akkers gekocht en verkocht, eens is er een samenleving van recht en gerechtigheid waarin iedereen mee mag doen en niemand tekort komt. God zal er weer vreugde in vinden om goeds uit de mensen voort te brengen en aan een ieder een land geven overvloeiende van melk en honing. Al moeten de stenen in de straat er van getuigen zei Jezus van Nazareth toen hij op een ezel gezeten gehuldigd werd als koning van Israël.

 

Hun zonen en dochters

Jeremia 32:26-35

26 Hierop richtte de HEER zich tot Jeremia: 27 ‘Ik ben de HEER, de God van al wat leeft. Is er ook maar iets dat voor Mij onmogelijk is? 28 Dit zegt de HEER: Ik geef deze stad in handen van de Chaldeeën, koning Nebukadnessar van Babylonië zal haar innemen. 29 De Chaldeeën, die de stad bestormen, zullen haar binnendringen en haar platbranden: alle huizen waar de Israëlieten op de daken voor Baäl wierook hebben gebrand en aan andere goden wijnoffers hebben gebracht. Ze hebben Me daarmee gekrenkt. 30 Israël en Juda hebben van meet af aan gedaan wat slecht is in mijn ogen. Israël heeft Mij voortdurend getergd met wat het zelf gemaakt heeft-spreekt de HEER. 31 Jeruzalem heeft, vanaf de dag dat het werd gebouwd tot op de dag van vandaag, voortdurend mijn woede en toorn gewekt. Daarom vaag Ik het weg. 32 Israël en Juda, de koningen, leiders, priesters en profeten, alle inwoners van Juda en Jeruzalem, hebben al het mogelijke kwaad gedaan en Mij daarmee gekrenkt. 33 Ze hebben Mij niet gehoorzaamd, maar Mij de rug toegekeerd. Hoewel Ik hen telkens weer onderwees, luisterden ze niet naar mijn terechtwijzingen. 34 Ze hebben de tempel waaraan mijn naam verbonden is met gruwelijke afgodsbeelden ontwijd, 35 en in het Hinnomdal offerplaatsen voor Baäl gebouwd om er hun zonen en dochters aan Moloch te offeren. Ze hebben Juda met die gruweldaad tot zonde aangezet. Ik heb dat nooit geboden, Ik heb dat nooit gewild. (NBV21)

Het is niet zo maar een stad die in het verhaal van Jeremia zal worden verwoest. Die verwoesting staat vast. Daar is geen ontkomen meer aan. Daarvoor is het kwaad dat de bewoners gedaan hebben te groot, te massaal. Dat kwaad kunnen ze ook niet op anderen afschuiven. Ze werden er niet toe gedwongen. Het kwam niet van buiten. Er was niet een soort duivel die hen had verleid en waar ze geen weerstand tegen konden bieden. Het was hun eigen hoogmoed, hun verlangen met de rest van de wereld mee te doen, net te doen als anderen en ook op die manier rijk en welvarend te worden. Het is de God van Israël zelf die aan de profeet verantwoording aflegt voor de ondergang van Jeruzalem. De Bijbel spreekt dan de God van alle vlees, ofwel de God van al wat leeft. Niet door alle mensen vereerd maar wel de enige God die macht heeft over allen. De God van Israël had het zo vaak duidelijk gemaakt. De goden van winst en profijt, de goden van vruchtbaarheid hoeven niet aanbeden te worden. De God van Israël is geen God van voor wat hoort wat. Want welke huizen zullen daarom worden platgebrand? Alle huizen waar de Israëlieten op de daken voor Baäl wierook hebben gebrand en aan andere goden wijnoffers hebben gebracht.

Die Baäl was de vruchtbaarheidsgod in Kanaän. Als je die god nu maar lekker eten gaf dan zorgde die god er voor dat je dat lekkere eten ook kon verbouwen. Zo ook met de andere goden uit het gezelschap van Baäl, geef ze een glas wijn, dat gooi je dan op de grond, en die goden zorgen voor een goede druivenoogst. Dat geloof is een gruwel in de ogen van de God van Israël. Die God heeft die offers niet nodig. De offers die je in de Tempel van die God brengt zijn voor de Priesters en Levieten. En een paar maal per jaar moet je in die Tempel een maaltijd aanrichten met de familie, waaronder ook je personeel, en met de armen en de vreemdelingen die je helpen. Een totaal andere benadering dan de godsdienst van de andere volken. Telkens weer in de geschiedenis was de God van Israël opnieuw begonnen met zijn volk. Maar nu was de maat vol en de vernietiging onontkoombaar. In de Tempel van de God van Israël, waar geen beeld van wat dan ook op aarde stond, waren beelden geplaatst van de afgoden van Kanaän. In die Tempel hoorde alleen de ark met de stenen platen. De platen waarop die Wet stond die het volk in de woestijn had gekregen en die het enige was dat ze hadden moeten doen. Beelden van een God waren en zijn een geweldige belediging voor de God van Israël.

Maar het was nog erger geworden. In het Hinnomdal was vanouds een vuur gestookt waar het afval van de stad werd verbrand. Dit afvalvuur was omgevormd tot een soort heilig vuur ter ere van de god Moloch. Hier werden kinderoffers gebracht. Niet alleen afval maar levende kinderen werden in dit vuur geworpen om een niet bestaande god tot hulp te bewegen, om een niet bestaande god er toe te brengen van Israël een groot en vruchtbaar volk te maken. Niet alleen de kinderen van Israël werden daardoor in dat vuur geworpen maar ook de verhalen over Abraham, over de bevrijding uit de slavernij van Egypte en de intocht in het land dat overvloeide van melk en honing. Wij hebben geen afvalvuren meer waar we kinderen kunnen offeren. Maar nog wel een seksindustrie die van kinderen gebruik maakt, nog wel een textielindustrie in arme landen die kinderen aan machines vastgeketend om ons het gevoel van welvaart en rijkdom te kunnen geven. Zo veel beter dan het volk van Jeremia zijn wij soms ook niet. Het verhaal van Jeremia is voor ons daarom nog een waarschuwing. Wij kunnen nog zorgen voor Fair Trade, voor ontwikkelingssamenwerking, voor armenzorg, voor handhaving van mensenrechten. Wij kunnen nog bouwen aan die aarde die voor alle mensen een land is overvloeiende van melk en honing. Laten we er vandaag nog mee beginnen, voor het te laat is.