Brood dat het mensenhart versterkt.

Psalm 104:1-23

1 Prijs de HEER, mijn ziel. HEER, mijn God, hoe groot bent U. Met glans en glorie bent U bekleed, 2 in een mantel van licht gehuld. U spant de hemel uit als een tentdoek 3 en bouwt op de wateren uw hoge zalen, U maakt van de wolken uw wagen en beweegt u op de vleugels van de wind, 4 U maakt van de winden uw boden, van vlammend vuur uw dienaren. 5 U hebt de aarde op pijlers vastgezet, tot in eeuwigheid wankelt zij niet. 6 De oerzee bedekte haar als een kleed, tot boven de bergen stonden de wateren. 7 Toen U dreigde, vluchtten zij weg, toen uw donderstem klonk, stoven zij heen: 8 naar hoog in de bergen, naar diep in de dalen, naar de plaatsen die U had bepaald. 9 U stelde een grens die zij niet overschrijden, nooit weer zullen zij de aarde bedekken. 10 U leidt het water van de bronnen door beken, tussen de bergen beweegt het zich voort. 11 Het drenkt alles wat leeft in het veld, wilde ezels lessen er hun dorst. 12 Daarboven wonen de vogels van de hemel, uit het dichte groen klinkt hun gezang. 13 U bevloeit de bergen vanuit uw hoge zalen, door uw daden raakt de aarde verzadigd. 14 Gras laat U groeien voor het vee en gewassen die de mens moet verbouwen. Zo zal hij brood winnen uit de aarde 15 en wijn die het mensenhart verheugt, geurige olie die het gelaat doet stralen, ja brood dat het mensenhart versterkt. 16 De bomen van de HEER zuigen zich vol, de ceders van de Libanon, door Hemzelf geplant. 17 De vogels bouwen daar hun nesten, in de cipressen huizen ooievaars. 18 De hoge bergen zijn voor de steenbokken, in de kloven schuilen de klipdassen. 19 U hebt de maan gemaakt voor de tijden, de zon weet wanneer zij moet ondergaan. 20 Als U het duister spreidt, valt de nacht, en alles wat leeft in het woud gaat zich roeren. 21 De jonge leeuwen gaan uit op roof, brullend vragen zij God om voedsel. 22 Bij zonsopgang trekken zij zich terug en leggen zich neer in hun legers. 23 De mensen gaan aan het werk en arbeiden door tot de avond.(NBV21)

“Prijs de Heer”, dat zullen velen beamen en dat zal evenveel mensen, misschien nog wel meer, afstoten. Want waarom zou je een God prijzen die je nog nooit gezien hebt, die misschien wel de aardbeving naar arme mensen heeft gestuurd, die dag in dag uit de ellende, de honger en de oorlog, op deze aarde laat voortbestaan? In de vertaling van de Naardense Bijbel begint deze Psalm met “Zegen mijn ziel de Ene” en dat klinkt al heel anders. Het goede van jezelf moet uitgaan naar God, want kennelijk mag je zelfs God zegenen. Als we dan de Psalm gaan lezen, de eerste 23 verzen en de rest doen we morgen, dan valt op dat de Psalm gaat over de schepping. Al het goede dat we zien komt van God. Al het kwade dus ook? Misschien, maar daar gaat deze Psalm niet over. Wij willen altijd graag alles weten over goed en kwaad. Maar volgens het scheppingsverhaal maken we ons daarmee gelijk aan God, die gaat over goed en kwaad maar wij hebben de opdracht alleen het goede te doen en niet dan het goede

En dan is die aarde zo slecht nog niet. De aarde zoals wij die kennen is in staat voor iedereen voedsel in overvloed te produceren. De zeeën kunnen rijk zijn aan vis, graan en rijst kan in overvloed groeien en de bossen zijn er om de lucht te zuiveren. Verder is er vee dat kan grazen op gronden die geen akkerbouw verdragen en is er wild als extra traktatie. Dat wij dat niet om ons heen zien? Je kunt God toch niet de oneerlijke verdeling tussen arm en rijk, tussen noord en zuid verwijten. Je kunt God toch niet de verspilling van kostbare grondstoffen verwijten. Je kunt God toch niet de overmatige uitstoot van stikstof verwijten. Je kunt God toch niet de vergiftiging van rivieren en zeeën verwijten. God is toch niet verantwoordelijk voor de overbevissing en de luchtvervuiling? Juist zo’n schijnbaar vrome Psalm over de schepping en het mooie op de aarde drukt ons met de neus op de feiten.

Wij zijn het zelf die het kwade doen. Wij zijn het zelf die de hulp aan de slachtoffers van aardbevingen en overstromingen inrichten naar de begroting van onze regering en de belasting op bonussen. We doen dat zelfs ondanks de afspraak in het handvest van de Verenigde Naties dat we samen verantwoordelijk zijn voor de bescherming van volken zelfs al worden die in gevaar gebracht door hun eigen regeringen. Als we het dan zo graag over het kwaad willen hebben zouden we eerst naar het kwaad van onszelf moeten kijken. Niet om ons schuldig te gaan voelen en ons te laten verlammen, maar om te weten dat er een andere weg is. De weg van God waarin we mee mogen gaan, ja waarheen we geroepen worden, de weg van het goede, waarop we mogen delen met ieder die het nodig heeft en de aarde mogen bewerken zodat die aarde goed is en goed blijft.

 

Hun aandeel

Leviticus 24:1-9

1 De HEER zei tegen Mozes: 2-3 ‘Draag de Israëlieten op om je voor de verlichting zuivere olijfolie te brengen: er moet in de ontmoetingstent, buiten het voorhangsel dat de ark met de verbondstekst afschermt, altijd licht branden. Aäron moet ervoor zorgen dat de lampen de hele nacht voor de HEER blijven branden. Dit voorschrift blijft voor altijd van kracht, voor alle komende generaties. 4 De lampen moeten elke nacht voor de HEER branden, op een kandelaar van zuiver goud. 5 Bak van tarwebloem twaalf broden van twee tiende efa per stuk. 6 Leg ze voor de HEER neer in twee rijen, twee rijen van zes, op de met zuiver goud overtrokken tafel. 7 Brand bij elke rij zuivere wierook, als teken voor de hele gave, als offergave voor de HEER. 8 Elke sabbat opnieuw moet de priester twee rijen brood voor de HEER neerleggen, uit naam van alle Israëlieten. Deze verplichting geldt voor altijd. 9 Het brood is bestemd voor Aäron en zijn zonen. Ze moeten het eten op een heilige plaats, want het is allerheiligst. Het is voor altijd voor hen bestemd, als hun aandeel in de offergaven voor de HEER.’ (NBV21)

Het boek Leviticus is een onderdeel van de Tora, de leer van Mozes en komt dus uit de Hebreeuwse Bijbel. In die Hebreeuwse Bijbel hebben de vijf boeken van de Tora een naam die ontleend is aan de eerste woorden van het betreffende boek. En als we de eerste woorden van Leviticus vertalen dan staat er “Hij roept”. We moeten ons dat bewust zijn als we dit Bijbelboek lezen. Het is dus niet alleen bestemd voor priesters en levieten, het personeel van de Tabernakel, de tent der ontmoeting en vanaf Salomo het personeel van de Tempel in Jeruzalem. Alle gelovigen worden geroepen tot de Weg van de God van Israël en als er zo uitdrukkelijk staat dat Hij roept dan zullen wij ons dat ook moeten aantrekken. Vandaag lezen we hoe het zit met de ingang van de Tempel. Die Tempel is twee maal verwoest en twee maal heeft de oproep geklonken om die verbondstekst in je hart te laten beitelen. Maar hoe ziet dat dan vanaf de buitenkant uit? Die indeling was er ook al bij de Tent der ontmoeting in de woestijn.

In het gedeelte van vandaag wordt het beschreven. We zien licht en we zien brood. Dat brood is uitdrukkelijk niet bestemd voor de God van Israël maar voor de Priesters, Aäron was de eerste en zijn zonen volgden hem op. Paulus zou de gelovigen veel later beschrijven als een volk van Priesters en Koningen. Dat licht is de zevenarmige kandelaar. Veel gelovigen hebben een afbeelding van die kandelaar thuis staan. Aan het brengen van de zuivere olijfolie en het opnieuw aansteken van die kandelaar heeft volk Israël nog een prachtig feest te danken, het Chanoeka feest. Dat gaat terug op gebeurtenissen in de tweede eeuw voor het begin van de jaartelling. Een Griekse Koning had toen van de Tempel in Jeruzalem een Tempel voor Zeus gemaakt. Judas de Makkabeeër had toen een leger gevormd en de Tempel bevrijd van de afgodendienst. Maar waar haal je nu zuivere olie vandaan? Men vond ergens nog een klein kruikje olie. Als door een wonder konden ze met deze “olie voor een dag” de kandelaar acht dagen brandende houden, tijd genoeg om nieuwe zuivere olie te maken. De Chanoeka kandelaar telt dan ook acht armen en een klein armpje er voor waarmee de olie kan worden ontstoken.

Licht en brood is dus wat wij als “Tempel van God” moeten uitstralen. De hele week door, elke dag opnieuw. Dat brood kennen we, Jezus van Nazareth gaf zijn leerlingen de opdracht dat brood te breken en te delen, in navolging van een gebod uit Deuteronomium breken en delen we in de eerste plaats met de armen. Maar dat licht. Het is het symbool geworden van medeleven, inzicht en vrede. Het licht speelt een grote rol in onze kerstperiode, gevierd in dezelfde tijd als het Chanoekafeest. In de diepste duisternis brand altijd nog het licht van de Bevrijder, de Messias, de met olie Gezalfde, de Christus. Dat licht moeten we dus verspreiden. In bijna elke kerk kun je een kaarsje opsteken voor iemand met wie je je verbonden voelt, dat kan zelfs op MijnKerk.nl onze internet gemeente van de PKN. Dat licht is het symbool van vrede en we moeten dus vrede verspreiden, als we het kwade willen bestrijden met het goede moeten we zelfs de oorlog bestrijden met de vrede. Eenvoudig en voor de hand liggend is het niet. De kandelaar en het brood staan dan ook in het Heilige, het volmaakte betekent dat. We mogen er dus naar streven en ons niet af laten schrikken door elke mislukking die we tegenkomen. Gewoon elke dag opnieuw aan beginnen, dan blijft het licht branden.

Elk jaar

Leviticus 23:37-44

37 Dit zijn de hoogtijdagen van de HEER, die je als heilige dag samen moet vieren en waarop jullie de HEER een offergave moeten aanbieden, brandoffers, graanoffers, vredeoffers en wijnoffers, al naargelang voor een bepaalde dag is voorgeschreven. 38 Deze offers vallen buiten wat jullie de HEER elke sabbat geven en buiten je wijgeschenken, gelofteoffers en vrijwillige gaven. 39 Neem dit in acht: Op de vijftiende dag van de zevende maand, wanneer je de oogst van het land hebt gehaald, begint het feest van de HEER, dat zeven dagen duurt. De eerste dag en de achtste dag moeten voor jullie rustdagen zijn. 40 De eerste dag moeten jullie mooie vruchten plukken en takken afsnijden van dadelpalmen, loofbomen en beekwilgen. Zeven dagen lang moeten jullie feestvieren ten overstaan van de HEER, jullie God. 41 Elk jaar moet dit feest ter ere van de HEER zeven dagen lang gevierd worden. Dit voorschrift geldt voor altijd, generatie na generatie. Vier dit feest in de zevende maand. 42 Zeven dagen lang moeten jullie in hutten wonen, elke geboren Israëliet moet in een loofhut wonen, 43 om jullie kinderen eraan te herinneren dat Ik de Israëlieten in hutten liet wonen toen Ik hen uit Egypte wegleidde. Ik ben de HEER, jullie God.”’ 44 En Mozes maakte de hoogtijdagen van de HEER aan het volk bekend. (NBV21)

Vandaag lezen we over een feest uit het Oude Testament dat in de wandeling het Loofhuttenfeest is gaan heten. Voor de gelovige Joden heet dit feest het Soekotfeest. Voor Christenen is het Loofhuttenfeest een onbekend feest. Dat is een beetje raar want in het Oude Testament staat de opdracht het Loofhuttenfeest te vieren zelfs twee keer. De eerste keer in het boek Deuteronomium en daar is het bij uitstek een feest van delen. Alle oogst van een heel jaar is binnengehaald Ook het fruit en de andere vruchten en daar moet je een feestmaal mee aanrichten. Volgens Deuteronomium niet alleen met de zonden en de dochters maar ook met de armen en de vreemdelingen.

Toch is dit het enige feest dat niet overgenomen is door het Christendom. Er wordt wel vermoed dat het komt omdat het Christendom als eerste wortelde in een stedelijke samenleving. Het Loofhuttenfeest is een typisch oogstfeest. Als de oogst is binnengehaald dan is het tijd om feest te vieren. Nu gaat dit feest anders dan de meeste oogstfeesten. Die zijn gericht op de vruchtbaarheid en de dank voor die vruchtbaarheid. Het Loofhuttenfeest gaat om het delen. Elke dag moet je iets afstaan van de overvloed die de oogst je geboden heeft.

Het feest heeft een dubbel karakter. Zoals ook Pesach en het Wekenfeest verbonden zijn met het verhaal over de Uittocht is ook Soekot dat. Maar hier gaat het om de reis door de woestijn. Daar woon je niet in mooie huizen maar in tenten. Dus tijdens het Soekot feest ga je ook in Tenten wonen. Zelfs daar zorgde de God van Israël voor voedsel en veiligheid, Daarom moet je nu ook bereid zijn om te delen omdat het delen ook anderen bevrijdt van de dood. De symbolen bij het Soekotfeest, bijvoorbeeld het slachten van 70 stieren wijzen vaak op een feest voor de hele aarde, alle mensen. Met de opdracht alle mensen bij het verhaal van God te betrekken werden de leerlingen de wereld in gestuurd. Delen stond daarbij voorop. Daar moet het ons Christenenen dus om gaan. Elke dag opnieuw, elke dag Soekot, ook vandaag dus

 

Geen enkele bezigheid

Leviticus 23:23-36

23 De HEER zei tegen Mozes: 24 ‘Zeg tegen de Israëlieten: “De eerste dag van de zevende maand moeten de hoorns schallen. Het zal voor jullie een rustdag zijn, die je als heilige dag samen moet vieren. 25 Je mag die dag niet werken en moet de HEER een offergave aanbieden.”’ 26 De HEER zei tegen Mozes: 27 ‘Neem dit in acht: De tiende dag van de zevende maand is het Grote Verzoendag, een dag die jullie als heilige dag samen moeten vieren. Jullie moeten die dag in onthouding doorbrengen en de HEER een offergave aanbieden. 28 Je mag dan geen enkele bezigheid verrichten, want het is Grote Verzoendag, waarop voor jullie ten overstaan van de HEER, jullie God, de verzoeningsrite zal worden voltrokken. 29 Wie deze dag niet in onthouding doorbrengt, zal uit de gemeenschap gestoten worden. 30 Wie die dag enige bezigheid verricht, zal Ik zelf uit de gemeenschap wegvagen. 31 Je mag die dag geen enkele bezigheid verrichten; deze bepaling geldt voor jullie voor altijd, generatie na generatie, waar je ook woont. 32 Het zal voor jullie een dag van volstrekte rust zijn, die je in onthouding moet doorbrengen. Deze dag moet in volstrekte rust worden doorgebracht, vanaf de avond van de negende dag van die maand tot aan de avond daarop.’ 33 De HEER zei tegen Mozes: 34 ‘Zeg tegen de Israëlieten: “Op de vijftiende dag van de zevende maand begint ter ere van de HEER het Loofhuttenfeest, dat zeven dagen duurt. 35 De eerste dag moet je als heilige dag samen vieren; je mag dan niet werken. 36 Elk van de zeven dagen moeten jullie de HEER een offergave aanbieden. De achtste dag moet je opnieuw als heilige dag samen vieren, en ook dan moeten jullie een offergave aanbieden aan de HEER. Er zal dan een feestelijke samenkomst zijn en er mag niet gewerkt worden. (NBV21)

De Joodse Kalender is een andere dan de onze, het is een heel oude kalender en men heeft dan ook een andere jaartelling. In elk geval heeft men niet de Christelijke jaartelling, die begint zes jaar na de geboorte van Jezus van Nazareth. De Joodse jaartelling begint op het moment dat God van de chaos een mensenwereld heeft gemaakt, een wereld waar mensen samen konden leven. Om je te herinneren dat de aarde die we bewonen een geschenk is van het goede, God zag immers dat het goed was, schallen op de eerste dag van de zevende maand de hoorns weer eens extra. Die eerste dag van de zevende maand is een rustdag, een Sabbat. Dan wordt al het werk gestaakt, wat in een wereld waar altijd werd gewerkt iets heel bijzonders is. Een Sabbat is daarom meer dan alleen een dag van niks doen. Het is ook een zorg voor het leven dat je is toevertrouwd, want niet alleen je personeel mag niet werken, zelfs de vreemdelingen niet, ook de dieren die voor je zorgen, de os die voor je ploegt en de ezel die je graan naar de markt brengt, mogen niet voor je werken.

Die dieren kreeg je toen God van de chaos een mensenwereld maakte en op die nieuwjaar sabbat mag je dus God extra dankbaar zijn door te zorgen voor de rust van allen die aan je toevertrouwd zijn. Jom Kippoer, Grote Verzoendag, is één van de meest belangwekkende en ontzagwekkende Joodse Feesten. We lezen er vandaag over en het feest wordt in elke Synagoge over de hele wereld gevierd. Het is in de eerste plaats een Sabbat, een dag waarop niet gewerkt wordt, niet door de gelovigen zelf, maar ook niet door het personeel, zelfs niet door de vreemdelingen, maar ook niet door de dieren die het land bewerken of voor het transport zorgen. Daarmee houdt het deze feestdag niet op, want het is ook een vastendag. Het is de dag waarop de bij ons bekende zondenbok vandaan komt. In het taalgebruik kennen we die nog wel. Als er iets vreselijks gebeurt zoeken we iemand op die de oorzaak is geweest van alle ellende die ons is overkomen. Sommige laffe angsthazen wijzen zelfs hele bevolkingsgroepen en aanhangers van een andere religie aan als zondenbokken.

Oorspronkelijk was het een echte bok. Een priester legde zijn handen op de bok en laadde daarmee alle zonden van het volk op die bok en stuurde hem dan de woestijn in. Het volk kon dan opnieuw beginnen met de dienst aan de God van Israël. Grote Verzoendag is dan ook een dag van reiniging. Niet al het eten en drinken en genieten van aardse rijkdom maakt een feest tot een feest maar weer opnieuw mogen beginnen met het houden van je naaste als van jezelf. Voor Christenen is de Grote Verzoendag dan ook overgegaan op de doop. Elke keer als kinderen of volwassenen worden gedoopt worden de oude zonden met het water weggespoeld en mag iedereen opnieuw beginnen met de dienst aan de God van Israël, houden van je naaste als van jezelf. In de Paasnacht wordt dat door Christenen extra gevierd, bij de doop wordt de angst voor de dood afgespoeld en dus wordt in de Paasnacht de doop symbolisch vernieuwd. Maar ook vandaag mag je dus weer opnieuw beginnen, je bewust van hetgeen nog niet goed gaat en open ogen voor je naasten.

Zeven volle weken

Leviticus 23:15-22

15 Vanaf die dag na de sabbat, vanaf de dag dat de schoof omhooggeheven is, moeten zeven volle weken worden afgeteld, 16 tot de dag na de zevende sabbat. Vijftig dagen moeten jullie aftellen, en dan moeten jullie de HEER een graanoffer aanbieden uit de nieuwe tarweoogst. 17 Jullie moeten dan uit je woonplaats brood meenemen om het voor de HEER omhoog te heffen: twee broden van twee tiende efa tarwebloem, met zuurdesem gebakken, als gave voor de HEER uit de eerste opbrengst van de nieuwe oogst. 18 Tegelijk met het brood moeten zeven eenjarige rammen zonder enig gebrek, een stier en twee volwassen rammen worden aangeboden. Die dienen als brandoffer voor de HEER en vormen samen met de bijbehorende graan- en wijnoffers een geurige gave die de HEER behaagt. 19 Als reinigingsoffer moet een bok worden geofferd, en als vredeoffer twee eenjarige rammen. 20 De twee jonge rammen moet de priester tegelijk met het brood uit de eerste opbrengst van de nieuwe oogst ten overstaan van de HEER omhoogheffen. Zo worden deze offers voor de HEER geheiligd; ze zijn bestemd voor de priester. 21 Jullie moeten die dag als heilige dag samen vieren en mogen dan niet werken. Dit voorschrift blijft voor jullie voor altijd van kracht, generatie na generatie, waar je ook woont. 22 Ga bij het binnenhalen van de oogst niet tot aan de rand van de akker en raap wat blijft liggen niet bijeen, maar laat het liggen voor de armen en de vreemdelingen. Ik ben de HEER, jullie God.”’ (NBV21)

En dan komt het wekenfeest. Zeven weken na het feest van de bevrijding, het feest van de eerste oogst, komt het feest van de dag waarop de oogst volop kan beginnen. Dan hoeft er geen ongezuurd brood meer te zijn. Het land geeft in overvloed en je kunt de eerste dieren gerust slachten. Maar ook dan moet er gedeeld worden. Je moet brood bakken en zeven eenjarige rammen, een stier en twee volwassen rammen met graan en wijn meenemen. Voor God en voor de Priester en zijn huishouden. Die dag moet je samen vieren. Elders staat dat je met je familie, je slaven, dienstknechten en dienstmeiden, de tempeldienaars, de armen en de vreemdelingen een maaltijd moet houden. De oogst is om te delen en niet om voor jezelf te houden. Dat is de boodschap van de feesten van het volk Israël.

Dit wekenfeest, dat wij kennen als Pinksteren, is het begin van de oogsttijd. Het land staat vol met wuivend graan en iedereen weet dat er het komende jaar, het komende winterseizoen vooral voldoende te eten zal zijn. Behalve voor die mensen die geen land hebben, de armen en de vreemdelingen. Daarom staat hier, als de oogst begint, dat aan de rand van de akker een beetje moet blijven staan. En als er wat op de grond valt, bij het binden van de schoven dan moet je dat laten liggen. Dat randje graan aan de rand van de akker en die aren die blijven liggen zijn voor de armen en de vreemdelingen. Dat zal toch mooi geweest zijn. Het moet ook druk geweest zijn in Israel wil men ons tegenwoordig wijs maken. Want als je goed bent voor de vreemdelingen dan stromen ze massaal naar jouw land. Nu, in Israel hebben ze er nooit iets van gemerkt. Dat dit voorschrift werd gehandhaafd weten we uit het boek Ruth, zij hield er haar huwelijk met Boaz aan over en uit dit huwelijk zou David afstammen. Het boek Ruth wordt dan ook vaak met Pinksteren gelezen.

Ook Jezus van Nazareth en zijn leerlingen konden van dit voorschrift meedelen, zij werden op hun vingers getikt toen ze op de Sabbat aren aan het plukken waren van de randen van de akker. Maar van een toestroom van arme hongerige vreemdelingen was geen sprake, terwijl ook in de geschiedenis van Israël in buurlanden hongersnoden, oorlogen en natuurrampen waren. Delen met vreemdelingen is dus een kenmerk van geloven in de God van Israël. Ieder die zich daar tegen verzet, dat bespot en dat bestrijd, is een vijand van de God van Israël. Dat geldt ook vandaag de dag. Iemand die serieus denkt voor te kunnen stellen dat je de vreemdelingen die samen net zo veel mensen tellen als de helft van de Rotterdamse bevolking maar moet verwijderen uit Nederland heeft zich zeer ver verwijderd van het Nederlands erfgoed van christendom en Humanisme. Juist op het Pinksterfeest, het Wekenfeest van Israël, is het te hopen dat ons volk de Geest van Jezus van Nazareth weer weet te ontdekken. De geest van delen met je naaste en van je naaste houden als van jezelf.

Hoogtijdagen

Leviticus 23:1-14

1 De HEER zei tegen Mozes: 2 ‘Zeg tegen de Israëlieten: “Dit zijn de hoogtijdagen van de HEER, die je als heilige dagen samen moet vieren. Dit zijn mijn hoogtijdagen: 3 Zes dagen kun je werken, maar de zevende dag is het sabbat, een dag van volstrekte rust, die je als heilige dag samen moet vieren. Je mag die dag geen enkele bezigheid verrichten. Waar je ook woont, het moet een rustdag zijn die aan de HEER gewijd is. 4 Dit zijn de hoogtijdagen van de HEER, die je als heilige dagen samen moet vieren, elk op de aangewezen tijd: 5 Op de veertiende dag van de eerste maand wordt ter ere van de HEER het pesachoffer bereid, in de avondschemer. 6 En op de vijftiende dag van die maand begint ter ere van de HEER het feest van het Ongedesemde brood: zeven dagen lang moeten jullie dan ongedesemd brood eten. 7 De eerste dag moet je als heilige dag samen vieren; je mag dan niet werken. 8 Elk van de zeven dagen moeten jullie de HEER een offergave aanbieden. De zevende dag moet je opnieuw als heilige dag samen vieren, en ook dan mag je niet werken.”’ 9 De HEER zei tegen Mozes: 10 ‘Zeg tegen de Israëlieten: “Wanneer jullie eenmaal in het land zijn dat Ik jullie zal geven en je daar de oogst binnenhaalt, moeten jullie de eerste schoof van je gersteoogst naar de priester brengen. 11 De priester moet de schoof ten overstaan van de HEER omhoogheffen opdat die als offer zal worden aanvaard. De priester moet de schoof omhoogheffen op de dag na de sabbat. 12 Op de dag dat de schoof wordt aangeboden, moeten jullie ook een eenjarige ram zonder enig gebrek als brandoffer aan de HEER opdragen, 13 met het bijbehorende graanoffer van twee tiende efa tarwebloem vermengd met olijfolie, als een geurige gave die de HEER behaagt, en het bijbehorende wijnoffer van een kwart hin wijn. 14 Tot op de dag dat deze gave aan jullie God is gebracht, mag je geen brood, geroosterd graan of vers graan eten. Deze bepaling blijft voor jullie voor altijd van kracht, generatie na generatie, waar je ook woont.(NBV21)

Wat is de belangrijkste feestdag voor Joden en Christenen? Het Paasfeest, of Pesachfeest zoals de Joden het noemen? Nee dus. Bij de opsomming van van de religieuze feesten voor het volk Israël komt de Sabbat voor de Pesach. Bij alles wat je doet, alles wat je maakt of voortbrengt moet je op de zevende dag rusten om te zien dat hetgeen je doet goed was. En als het niet goed was is het goed dat je dat gezien hebt want dan kun je het in de komende week van zes dagen herstellen om op de zevende dag te rusten en te zien dat het goed geworden is. Christenen  kwamen op de eerste dag van de week bij elkaar om de opstanding van Jezus van Nazareth te vieren en te oefenen in het breken van het brood en delen met de armen. Twee dagen achter elkaar niet werken was een al te grote luxe, dat wordt ook niet van ons gevraagd. De voorschriften voor de Pesach brengen ons op het spoor waarom het zo belangrijk is dat iedereen op dezelfde dag het werk laat rusten. In onze samenleving willen de goden van winst en profijt zeven dagen lang gediend worden. Omzet moet er gedraaid worden, winst vergroot, profijt geschapen, de goden van winst en profijt kunnen geen dag zonder. Pesach is de herdenking van de bevrijding uit de slavernij van Egypte, eigenlijk de bevrijding van de dood. Christenen vieren ook de bevrijding van de dood en de bevrijding van de slavernij is de bevrijding van de dood, daarom is de zondag geen religieuze feestdag, maar een maatschappelijke. Zijn we slaven of zijn we vrij? Een vrije zondag geeft het antwoord.

Het Pesachfeest was niet alleen een feest voor de bevrijding uit Egypte, uit de dood, maar het was uiteindelijk ook een oogstfeest. In het verhaal over de slavernij in Egypte speelde de eerstgeborenen een grote rol. Mozes was als eerstgeboren jongen gered van een wrede maatregel waarbij alle eerstgeboren jongetjes uit het slavenvolk gedood moesten worden. Op de avond voor de vlucht uit Egypte werden alle eerstgeborenen van de Egyptenaren gedood, alleen de Israëlieten ontkwamen doordat zij bloed van een lam aan de deurposten hadden gesmeerd. Dat het eerste van de oogst aan God werd opgedragen is dus zo vreemd nog niet. En de gerst oogst was de eerste oogst die na de koude winter kwam. Alles wat je had opgeslagen was bijna op en het spant er natuurlijk elk jaar om of er weer een goede oogst komt. Als dan de eerste schoof binnen is mag er een klein feestje worden Dat een dergelijk gebeuren gekoppeld wordt aan het verhaal over de bevrijding uit de dood in Egypte is zo vreemd dus nog niet. Voor Christenen is het ongezuurde brood dat wordt gegeten een directe verwijzing naar Jezus van Nazareth die vlak voor de Pasen dit brood en wijn als symbool van zijn eigen lichaam en bloed aan zou bieden. Dit brood en wijn offeren betekent dat je dus van begin af aan bereid moet zijn het te delen. Want met God delen is delen met de armsten in de samenleving, met de weduwen en de wees, met de zieken en bedroefden, met hen die zich niet konden verheugen in een nieuwe oogst.

En dan komt het wekenfeest. Zeven weken na het feest van de bevrijding, het feest van de eerste oogst, komt het feest van de dag waarop de oogst volop kan beginnen. Dan hoeft er geen ongezuurd brood meer te zijn. Het land geeft in overvloed en je kunt de eerste dieren gerust slachten. Maar ook dan moet er gedeeld worden. Je moet brood bakken en zeven eenjarige rammen, een stier en twee volwassen rammen met graan en wijn meenemen. Die dag moet je samen vieren. Elders staat dat je met je familie, je slaven, dienstknechten en dienstmeiden, de tempeldienaars, de armen en de vreemdelingen een maaltijd moet houden. De oogst is om te delen en niet om voor jezelf te houden. Dat is de boodschap van de feesten van het volk Israël. Dit wekenfeest, dat wij kennen als Pinksteren, is het begin van de oogsttijd. Het land staat vol met wuivend graan en iedereen weet dat er het komende jaar, het komende winterseizoen vooral voldoende te eten zal zijn. Behalve voor die mensen die geen land hebben, de armen en de vreemdelingen. Daarom staat hier, als de oogst begint, dat aan de rand van de akker een beetje moet blijven staan. En als er wat op de grond valt, bij het binden van de schoven dan moet je dat laten liggen. Dat randje graan aan de rand van de akker en die aren die blijven liggen zijn voor de armen en de vreemdelingen. Voor armen en vreemdelingen moet gezorgd worden, ook vandaag nog. En ook vandaag mogen we de vreemdelingen daarbij niet vergeten of uitsluiten.

 

Zijn dienende taak

Handelingen 1:15-26

15 In die dagen stond Petrus op te midden van de leerlingen-er was een groep van ongeveer honderdtwintig mensen bijeen-en zei: 16 ‘Vrienden, het schriftwoord waarin de heilige Geest bij monde van David heeft gesproken over Judas, de gids van hen die Jezus gevangen hebben genomen, moest in vervulling gaan. 17 Judas was een van ons en had deel aan onze dienende taak. 18 Van de beloning voor zijn schanddaad kocht hij een stuk grond, maar bij een val werd zijn buik opengereten, zodat zijn ingewanden naar buiten kwamen. 19 Alle inwoners van Jeruzalem hebben van deze gebeurtenis gehoord, en daarom noemen ze dat stuk grond in hun eigen taal Akeldama, wat “bloedgrond” betekent. 20 In het boek van de Psalmen staat namelijk geschreven: “Laat zijn woonplaats een woestenij worden en laat niemand daar meer verblijven.” En ook: “Laat een ander zijn taak overnemen.” 21 Daarom moet een van de mannen die steeds bij ons waren toen de Heer Jezus onder ons verkeerde, 22 vanaf de doop door Johannes tot de dag waarop Hij in de hemel werd opgenomen, samen met ons getuigen van zijn opstanding.’ 23 Ze stelden twee mannen voor: Josef Barsabbas, die de bijnaam Justus had, en Mattias. 24 Daarna baden ze als volgt: ‘U, Heer, doorgrondt ieders hart. Wijs van deze beide mannen degene aan die U gekozen hebt 25 om als apostel zijn dienende taak te verrichten en de plaats in te nemen van Judas, die naar de voor hem bestemde plaats is gegaan.’ 26 Ze lieten hen loten en het lot viel op Mattias. Hij werd aan de elf apostelen toegevoegd. (NBV21)

Gisteren hebben we al gelezen dat de 11 apostelen samen met de vrouwen, de moeder van Jezus van Nazareth en diens broers, bij elkaar waren in Jeruzalem. Dat was bij elkaar een gezelschap van 120 personen lezen we vandaag. Dat is niet niks zo na de dood van Jezus van Nazareth en de vondst van een leeg graf en verhalen over zijn verschijning. Er waren echter oorspronkelijk 12 apostelen. Judas had Jezus verraden, had de bloedakker van Jesaja willen kopen maar was daarbij omgekomen. In een ander Bijbelgedeelte staat dat hij heen ging en zich verhing maar Petrus vertelt ons hier dat hij ten val was gekomen. Er waren niet voor niets 12 apostelen gekozen. Er waren immers ook 12 stammen van Israël geweest, voor elke stam van Israël een zendeling. Er moest dus een nieuwe komen. Dat ging pas echt democratisch, je zoekt er twee goede uit en loot dan tussen die twee. Er wordt nog wel eens gedaan of die 12 het bestuur van de nieuwe beweging vormden, de baas zouden zijn. Maar dat staat er niet. Ze waren dienaren van de gemeenschap.

Zij immers hadden met Jezus van Nazareth opgetrokken en zij hadden gehoord wat hij verteld had. Dat verhaal, die boodschap van bevrijding moesten ze doorgeven. Doorgeven door te vertellen over wat ze gehoord en beleefd hadden en doorgeven door het met de anderen te leven. In een gemeenschap waar de een zich niet beter zou achten dan de ander. Dat is niet eenvoudig. Je ziet het aan elke regering, elk bestuur. De laatste jaren het meest duidelijk aan besturen van banken. Zij vinden zich zo veel beter dan de gemeenschap, het bedrijf, dat ze dienen dat ze buitengewone extra beloningen eisen, of zichzelf toerekenen. In de bankwereld zal dat hun ondergang worden. Bankiers die niet meer dienend naar medewerkenden en klanten kunnen optreden worden uitgespuugd. Maar dienaren van onze samenleving worden niet altijd gewaardeerd om wat ze doen. Neem politiemensen die al jaren geen loonsverhoging kregen. Neem de thuiszorgenden die ontslagen worden omdat ze wegens bezuinigingen ook wel in een andere positie hetzelfde werk kunnen doen tegen een lagere beloning.

Dat managers van zorginstellingen en ziekenhuizen ontslagen worden als ze veel meer verdienen dan een gemiddeld kamerlid hoor je eigenlijk nooit. Over de beloning van apostelen is veel te doen geweest in onze geschiedenis. Predikanten en kerkelijk werkers krijgen een salaris volgens CAO, los van de bijdragen van de gemeenten. Een apostel als Paulus vond zulke beloningen niet onterecht maar was er trots op zelf in zijn onderhoud te kunnen voorzien. Wij zullen bestuurders, leiders dus moeten beoordelen op hun dienstbaarheid, hun beloning kan niet anders geregeld zijn dan die van de medewerkenden van de gemeenschap. Zo zetten wij tekens van dat komende Koninkrijk. Dienend voor de zwaksten in de wereld, voor de armsten, de hongerigen en de naakten, de ontrechten en de slachtoffers van geweld. Voor zover we die nog niet hebben gehoord of gesproken zullen we hen stem moeten geven. Als apostelen moeten we blijven vertellen over de bevrijding die er gekomen is en proberen voor te leven hoe het nieuwe Koninkrijk van Jezus van Nazareth er uit zou kunnen zien.

Eensgezind

Handelingen 1:1-14

1 In mijn eerste boek, Theofilus, heb ik de daden en het onderricht van Jezus beschreven, vanaf het begin 2 tot aan de dag waarop Hij in de hemel werd opgenomen, nadat Hij de apostelen die Hij door de heilige Geest had uitgekozen, had gezegd wat hun opdracht was. 3 Dat Hij leefde heeft Hij hun na zijn lijden en dood herhaaldelijk bewezen door gedurende veertig dagen in hun midden te verschijnen en met hen over het koninkrijk van God te spreken. 4 Terwijl Hij met hen at, gaf Hij hun deze opdracht: ‘Ga niet weg uit Jeruzalem, maar blijf daar wachten op wat de Vader heeft beloofd, waarover jullie van Mij hebben gehoord. 5 Johannes doopte met water, maar binnenkort worden jullie gedoopt met de heilige Geest.’ 6 Zij die daar bijeen waren, vroegen Hem: ‘Heer, gaat U dan binnen afzienbare tijd het koningschap over Israël herstellen?’ 7 Hij antwoordde: ‘Het is niet aan jullie om te weten wat de Vader in zijn macht heeft vastgesteld over de tijd en het ogenblik waarop deze gebeurtenissen zullen plaatsvinden. 8 Maar wanneer de heilige Geest over jullie komt, zullen jullie kracht ontvangen om mijn getuigen te zijn in Jeruzalem, in heel Judea en Samaria, tot aan de uiteinden van de aarde.’ 9 Toen Hij dit gezegd had, werd Hij voor hun ogen omhooggeheven en opgenomen in een wolk, zodat ze Hem niet meer zagen.10 Terwijl Hij zo van hen wegging en zij nog steeds naar de hemel staarden, stonden er opeens twee mannen in witte gewaden bij hen. 11 Ze zeiden: ‘Galileeërs, wat staan jullie naar de hemel te kijken? Deze Jezus, die uit jullie midden in de hemel is opgenomen, zal op dezelfde wijze terugkomen als jullie Hem naar de hemel hebben zien gaan.’ 12 Daarop keerden de apostelen van de Olijfberg terug naar Jeruzalem. Deze berg ligt vlak bij de stad, op een sabbatsreis afstand. 13 Toen ze in de stad waren aangekomen, gingen ze naar het bovenvertrek waar ze verblijf hielden: Petrus en Johannes, Jakobus en Andreas, Filippus en Tomas, Bartolomeüs en Matteüs, Jakobus, de zoon van Alfeüs, en Simon de Zeloot en Judas, de zoon van Jakobus. 14 Eensgezind wijdden ze zich aan het gebed, samen met de vrouwen en met Maria, de moeder van Jezus, en met zijn broers.(NBV21)

Vandaag gaan we in de aanloop naar het verhaal van Pinksteren opnieuw beginnen in het boek van de Handelingen van de Apostelen. Net als het Evangelie van Lucas is ook dit boek opgedragen aan Theofilus, Latijns voor de zoon van God, maar zo zou een Romein heel goed hebben kunnen heten. Dit boek vertelt hoe de boodschap van Jezus van Nazareth verspreid werd tot aan de einden der aarde. Het begint in Jeruzalem en het zal eindigen in Rome, in het hart van het Rijk. Het begint dan ook met de vraag of het Koningschap van David in Israel hersteld zal worden. Het eindigt er mee dat iedereen in de hele wereld de boodschap van Jezus kon horen. Wij weten dat uiteindelijk heel dat machtige Rijk van Rome ten onder zou gaan en dat een van de laatste keizers geen andere uitweg meer zou zien dan zich ook bij die beweging van de mensen van Jezus van Nazareth aan te sluiten. Zo ver zijn we nog niet. Eerst neemt Jezus afscheid van zijn leerlingen.

Ze zullen ontdekken waar ze de kracht vandaan kunnen halen om dat verhaal uit te dragen over heel de wereld. Daarvoor moeten ze in elk geval niet naar de hemel blijven staren. De hemel moet op aarde komen en daarvoor zullen zij, en wij dus ook, de aarde gereed moeten maken. In Jeruzalem komen ze dus bij elkaar in een zaal waar ze volgens het verhaal van Lucas ook het laatste Paasmaal met Jezus hadden gehouden. De 11 apostelen worden met name genoemd maar in één adem worden ook de vrouwen genoemd en Maria de moeder van Jezus en zijn broers. Jezus van Nazareth wordt vaak afgeschilderd als enig kind maar dat was hij zeker niet. Hij had broers en zusters en zijn broer Jacobus zou uiteindelijk het hoofd van de gemeente in Jeruzalem worden. Het was een heel gezelschap dat bij elkaar was, biddend en de psalmen zingend. Eensgezind staat er nog uitdrukkelijk bij want alleen als je echt samen probeert een gemeenschap te vormen dan kan zo’n klein gezelschap de hele wereld van de boodschap van Liefde en vrede doordringen.

En dat je dat samen moet blijven doen is duidelijk. Die Christelijke beweging lijkt uiteindelijk te versplinteren. In onze dagen zijn er vele kerkgenootschappen en religieuze groeperingen die proberen mensen bij de beweging van de Weg te betrekken. De beweging van die apostelen en andere volgelingen van Jezus van Nazareth, die daar samen in Jeruzalem bij elkaar gekomen waren, zouden de mensen van de Weg genoemd worden. Bij de kruisiging was er een keuze geweest. De Weg van vrede en het vermijden van een opstand en een oorlog. Het werd de weg van vrede zoals Jezus van Nazareth gegaan was. Hij had zijn leger van 120 man de zwaarden weer in de schede laten steken. Het volk koos de weg van Bar Abbas die al een opstand geleid had tegen de Romeinen waar veel bloed had gevloeid. Die keuze tussen opstand en de lange weg van gemeenschappen zou blijven tot in het jaar 70. Toen liep de weg van opstand en geweld uit op de verwoesting van de Tempel en het verspreiden van het volk over het Romeinse Rijk. Christelijk wordt de beweging pas genoemd na de bekering van Saulus van Tarsus tot Paulus. Die versplintering was er al vanaf het begin, ieder zou de boodschap in de eigen taal verstaan, maar die eigen taal hoefde je niet op te geven. Waar je toe geroepen wordt is het scheppen en vormgeven van een samenleving, een wereld, gebaseerd op de Liefde, en die roep klinkt ook vandaag nog.

Zing voor God

Psalm 47

1 Voor de koorleider. Van de Korachieten, een psalm. 2 Klap in de handen, o volken, juich God toe met jubelzang: 3 geducht is de HEER, de Allerhoogste, machtige koning van heel de aarde. 4 Volken dwong Hij voor ons op de knieën, naties legde Hij aan onze voeten. 5 Hij koos voor ons een eigen land, de trots van Jakob, het volk dat Hij liefheeft. sela 6 Onder gejuich steeg God omhoog, de HEER steeg op bij hoorngeschal. 7 Zing voor God, zing een lied, zing voor onze koning, zing Hem een lied: 8 God is koning van heel de aarde. Zing een feestelijk lied. 9 God heerst als koning over de volken, God zetelt op zijn heilige troon. 10 De vorsten van de volken zijn bijeen in het gevolg van Abrahams God. Zijn schildwachten zijn ze op aarde. Hoog is Hij verheven. (NBV21)

Het zijn vreemde dagen in deze tijd. Onze bewegingen en contacten met anderen worden bepaald door elektronica. Vandaag vieren we dat Jezus van Nazareth ons in de steek liet, om ons op eigen benen te zetten. Vandaag zingen met de kerk een lied mee, een psalm. Een psalm van de Korachieten. Dat waren dienaren van de Tempel en zij hadden als bijzondere taak de drempels, ofwel de ingang, van de Tempel te bewaken. zij maakten dus uit wie er wel en wie er niet de Tempel in Jeruzalem binnen mocht. Ze hadden die taak overigens al sinds het volk door de woestijn trok en de Heilige Tent had gebouwd om het verbond met hun God te bewaren.

In deze psalm zingen ze dat iedereen van de hele wereld welkom is. De vorsten van alle volken zijn immers bijeen in het gevolg van Abraham en de kinderen van Abraham vormen het volk Israël dat de Tempel als centraal heiligdom heeft. Het is daarmee een psalm die ongetwijfeld een rol heeft gespeeld in de discussie onder de volgelingen van Jezus van Nazareth na Pinksteren. We hebben hier de afgelopen tijd gelezen dat al heel snel Grieken, Samaritanen en Romeinse bezetters bij de nieuwe beweging werden betrokken en dat dat nogal veel onrust veroorzaakte. We zagen dat Barnabas naar Antiochië werd gestuurd omdat daar alle deuren werden open gezet en de leerlingen voor het eerst christenen werden genoemd, zo wordt dat ten minste meestal vertaald.

Christenen hebben geleerd, en de Joden wisten het altijd al, dat alle volken van de wereld onder de heerschappij van God, onder de macht van Liefde, zijn gesteld. Alle mensen zijn zusters en broeders, alle mensen horen bij elkaar. Als je die regel niet volgt dan weten we uit de vorige eeuw maar al te zeer waar dat op kan uitlopen. We zien het vandaag in Gaza. Bij ons stelt op een kwade dag zo’n lafhartige broekenpisser, die zich in de Tweede Kamer van angst overschreeuwt, opnieuw voor om de zogenaamde vreemdelingen in ons land op een vlot te zetten de Noordzee op met de opdracht terug te gaan naar het land van hun voorvaderen. We vieren vandaag de bevrijding van die angst. Velen hebben hun leven overgehad voor de vrijheid die we nu hebben en die we moeten zien door te geven aan toekomende generaties. Voor de gelovigen in de God van Israël betekent dat zijn richtlijnen voor de menselijke samenleving vasthouden, maaltijd houden dus met de armen maar ook met de vreemdelingen en dan die God loven voor de vrijheid die zijn richtlijnen ons allemaal schenken.

Alle onrecht is zonde

1 Johannes 5:13-21

13 Dit alles schrijf ik u omdat u moet weten dat u eeuwig leven hebt, u die gelooft in de naam van de Zoon van God. 14 Wij kunnen ons vol vertrouwen tot God wenden, in de zekerheid dat Hij naar ons luistert als we Hem iets vragen dat in overeenstemming is met zijn wil. 15 En omdat we weten dat Hij naar ons luistert, wat we Hem ook vragen, weten we ook dat we alles al hebben gekregen wat we Hem gevraagd hebben. 16 Als iemand zijn broeder of zuster een zonde ziet begaan die niet tot de dood leidt, moet hij voor hem of haar bidden en zo de zondaar het leven geven. Dit geldt wanneer er sprake is van een zonde die niet tot de dood leidt. Er bestaat ook zonde die wel tot de dood leidt. In dat geval geldt mijn aansporing om te bidden niet. 17 Alle onrecht is zonde, maar niet elke zonde leidt tot de dood. 18 We weten dat iemand die uit God geboren is niet zondigt. Want wie uit God geboren is kan zichzelf beschermen, zodat het kwaad geen vat op hem heeft. 19 We weten dat wij uit God voortkomen, terwijl de hele wereld in de macht is van hem die het kwaad zelf is. 20 We weten ook dat de Zoon van God gekomen is en ons inzicht heeft gegeven om de ware God te kennen. En wij zijn in Hem, omdat we in zijn Zoon Jezus Christus zijn. Hij is de ware God, Hij is het eeuwige leven. 21 Kinderen, wees op uw hoede voor de afgoden. (NBV21)

Met de aansporing op je hoede te zijn voor de afgoden besluit Johannes zijn brief. En dat niet nadat hij de ontvangers van de brief heeft verzekerd dat ze zonder zonde zijn, gelovigen in Jezus van Nazareth zijn ze immers. Toch is die waarschuwing tegen die afgoden niet zo maar gegeven. Johannes maakt onderscheid tussen twee soorten zonde, de zonde die tot de dood leidt en de zonde die niet tot de dood leidt. Wie iemand doodt, laat verhongeren of laat creperen is zo ver heen dat je niet hoeft te proberen daar nog een ander mens van te maken. Maar als iemand alleen maar ondoordacht een fout maakt, een naaste niet ziet, toch meer voor zichzelf zorgt als voor een ander, dan kun je die iemand daar nog op aanspreken en proberen daar nog ander gedrag te bewerkstelligen. De liefde voor de naaste is de maat van alle dingen. We kennen dat ook in het landsbestuur op dit moment. Zoals de waard is vertrouwt hij zijn gasten. Belastingontwijking, verrijking ten koste van welzijn het zijn begrippen die in rijkere kringen normaal zijn. Dus worden ook de armen verdacht de samenleving te willen oplichten. Dus worden mensen voor wie de samenleving ingewikkeld is als fraudeur aangemerkt. Het meest duidelijk is dat in toeslagenaffaire.

Terwijl de rijken dus rijker worden, de exorbitante zelfverrijking in het bedrijfsleven doorgaat, de winsten tegen de plinten klotsen, de regels voor inkomens in de publieke sector niet verder gaann dan vragen om openbarheid, groeiden de voedselbanken. Daar zijn soms wachtlijsten. Er is zo veel geleend dat de kredietbanken de aanvragen voor schuldsaneringen niet meer aan kunnen. Deurwaarderskantoren zijn tegenwoordig commerciële bedrijven die geld verdienen als eerste taak hebben. Meewerken aan schuldsaneringen is voor een aantal van die kantoren niet meer aan de orde. De branchevereniging die het interne tuchtrecht moet aanjagen kent ze niet of verdedigt ze en als er per ongeluk wat teveel beslag wordt gelegd bij mensen in nood is dat jammer, terugbetalen is er niet bij. De goden gekleed in maatpakken en couture pakjes worden vereerd als nooit tevoren. Wie zorg heeft voor de armen, voor de zieken, voor de weduwen en de wezen, voor de ouderen, voor de jongeren met weinig kansen, voor de vreemdelingen in ons midden, wordt doodgezwegen.

Abraham Kuyper, staatsman en theoloog, schreef eens over de verhouding met de overheid dat daar de vreze des Heeren de hoogste wijsheid moest zijn. Dat is taal uit de negentiende eeuw voor hetzelfde wat Johannes zegt. Je moet beginnen bij God en eindigen bij God en dat is hetzelfde als je naaste liefhebben als jezelf. Ook de overheidspolitiek moet dus als resultaat hebben dat het verschil tussen arm en rijk kleiner wordt, dat de vreemdelingen mee kunnen doen en de weduwen en de wees weer een reden van bestaan hebben. Dat is pas wijsheid, die bij ons nog gevonden moet worden. We moeten dus niet zwijgen nu er een nieuwe regering in de maak is maar spreken. Niet over bestuurscultuur en zo maar over de positie van de minsten, dat is ook de boodschap van de kerk als het goed is. Wees dus op Uw hoede voor de afgoden, winst en profijt zijn zeer verleidelijk maar ook dodelijk.