Zilver of goud heb ik niet

Handelingen 3:1-10

1 Op een dag gingen Petrus en Johannes zoals gewoonlijk omstreeks het negende uur naar de tempel voor het namiddaggebed. 2 Men had ook een man die al sinds zijn geboorte verlamd was naar de tempel gebracht; hij werd daar elke dag neergelegd bij de poort die de Schone heet, om te bedelen bij de bezoekers van de tempel. 3 Toen hij zag dat Petrus en Johannes de tempel wilden binnengaan, vroeg hij om een kleinigheid. 4 Petrus richtte zijn blik op hem, evenals Johannes, en zei: ‘Kijk ons aan.’ 5 De bedelaar keek naar hen op, in de verwachting iets van hen te krijgen. 6 Maar Petrus zei: ‘Zilver of goud heb ik niet, maar wat ik wel heb, geef ik u: in de naam van Jezus Christus van Nazaret, sta op en loop.’ 7 Hij pakte hem bij zijn rechterhand om hem overeind te helpen. Onmiddellijk kwam er kracht in zijn voeten en enkels. 8 Hij sprong op, ging staan en begon te lopen. Daarna ging hij samen met hen de tempel binnen, lopend en springend en God lovend. 9 Alle tempelbezoekers zagen hem lopen en hoorden hem God loven. 10 Ze herkenden hem als de bedelaar die altijd bij de tempelpoort had gezeten en waren buiten zichzelf van verbazing over wat er met hem was gebeurd. (NBV21)

Als je niet mee kunt doen in de race om rijkdom wordt je vanzelf een bedelaar. Jongeren die om zich heen zien dat mensen van dezelfde afkomst geen werk krijgen en zeker geen carrière maken komen vanzelf in de criminaliteit terecht. Als de samenleving hen het stempel opdrukt dat ze niet deugen dan moet dat maar en dan zullen ze daar ook het beste in slagen. Lucas beschrijft in het begin van zijn boek de Handelingen van Apostelen een samenleving die tegengesteld is aan de carrière maatschappij die we zo goed kennen. De mensen van de Weg van Jezus van Nazareth verkopen alles wat ze hebben, delen dat uit aan de armen en komen elke dag bij elkaar om het brood te breken. Dat brood breken doen ze natuurlijk ter nagedachtenis aan Jezus van Nazareth. Verder wordt verteld dat ze in de Tempel zijn. Niet zo vreemd want daar worden de richtlijnen van God bewaard waarin staat dat je je naaste moet liefhebben als jezelf en dat was nu juist het eigenaardige aan de Weg van Jezus van Nazareth.

Goed voorbeeld daarvan is het verhaal Petrus en Johannes en de genezing van de verlamde. Zo’n man die moeilijk op eigen benen kon staan en zeker niet zelf zijn brood kon verdienen en meedoen in de race om de beste te worden. Voor hem bleef niet anders over dan zitten bij de Tempelpoort en zich afhankelijk te maken van anderen. Ook hij had een succesvol beroep. Als het de plicht is van iedereen om aalmoezen te geven aan de armen dan zal iedereen het waarderen dat je als arme ook direct bereikbaar bent, dat men niet op zoek naar je hoeft, maar voor iedereen zichtbaar de arme zit uit te hangen. De gevers van aalmoezen deden dat dan ook graag in alle openbaarheid zo dicht bij de Tempel in Jeruzalem. Alleen die rare mensen van de Weg van Jezus van Nazareth verstoren het feestje. Die geven geen aalmoes maar die steken hun hand uit. Die zetten mensen in beweging om ook die weg te gaan. Daar heb je immers geen geld voor nodig? Dat hebben ze zelf ook niet.

Daar heb je een gemeenschap voor nodig die je neemt zoals je bent, die niet vraagt hoe rijk je wel niet wordt, of waarin je de beste bent, maar die alleen van je vraagt dat je deelt en af en toe ook een hand uitsteekt. Dan ben je geen bedelaar meer maar dan doe je als gelijke mee. Zo’n gemeenschap zal niet lang standhouden zul je zeggen, dat is een idealisme dat elke zin voor realiteit tart. Toch zijn er tot in onze dagen telkens weer mensen die het proberen. Die huis en haard verlaten om samen gemeenschap te worden, gemeenschappen waar iedereen aan mee mag doen en niemand bedelaar hoeft te worden. Na verloop van tijd lossen die gemeenschappen zich vaak weer op. Maar de droom blijft, zolang mensen er aan blijven werken zal er ooit een andere wereld komen. Een wereld waar iedereen samen die gemeenschap vormt waar geen bedelaars en boeven meer hoeven te zijn. Een wereld waar God zelf zal willen wonen.

Spreek er steeds over

Deuteronomium 6:1-9

1 Dit zijn de geboden, wetten en regels die ik u in opdracht van de HEER, uw God, moet leren en die u moet naleven in het land aan de overkant, dat u in bezit zult nemen. 2 U moet voor de HEER, uw God, ontzag tonen door u te houden aan zijn wetten en geboden, zoals ik die nu aan u geef; dat geldt voor u, zolang u leeft, en voor uw kinderen en uw kleinkinderen. Dan zult u lang leven. 3 Luister dus, Israël, en neem ze nauwlettend in acht. Dan zal het u goed gaan in het land dat overvloeit van melk en honing, en zult u sterk in aantal toenemen, zoals de HEER, de God van uw voorouders, u heeft toegezegd. 4 Luister, Israël: de HEER, onze God, de HEER is de enige! 5 Heb de HEER, uw God, lief met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw kracht. 6 Houd de geboden die ik u vandaag opleg steeds in gedachten. 7 Prent ze uw kinderen in en spreek er steeds over, thuis en onderweg, als u naar bed gaat en als u opstaat. 8 Draag ze als een teken om uw arm en als een band op uw voorhoofd. 9 Schrijf ze op de deurposten van uw huis en op de poorten van de stad. (NBV21)

Die Wetten uit de woestijn, de tien geboden, richtlijnen voor een menselijke samenleving, staan dan wel op stenen platen maar daar moeten ze niet blijven. Mozes roept in het gedeelte dat we vandaag lezen het volk op om ze voortdurend in gedachten te houden. Je moet deze wetten dus ook niet aan rechters over laten. Gerechtigheid moet je zelf doen, deze wetten zijn er voor bedoeld om alle mensen recht te doen, tot hun recht te laten komen. Je moet ze daarom als een teken om je arm dragen en als een band om je hoofd, je moet ze op de deurposten van je huis schrijven en op de poorten van je stad. Uiteindelijk zal Paulus zeggen dat hij wil dat diezelfde wetten in je hart gebeiteld zullen staan. Je moet er één mee worden. En wat God lief hebben is is duidelijk want er staat in diezelfde geboden dat God liefhebben hetzelfde is als je naaste liefhebben als jezelf. Daar cirkelen al die wetten om heen.

Dat is een regel die je zelfs je kinderen duidelijk kan maken zodat ze van jongs af aan mee doen in de beweging van de God van Israël en mee bouwen aan het land dat uiteindelijk heel de wereld zal moeten omvatten, het land overvloeiende van melk en honing, het land waarin alle mensen tot hun recht komen. Het “hoor Israël” dat we vandaag lezen, dat hier wordt vertaald met “luister Israël, de Heer onze God, de Heer is de enige” is het hart van elk Joods gebed. Het is gebed en belijdenis ineen. Het is niet eens een belijdenis dat er geen andere goden zouden kunnen bestaan. De Bijbel heeft het vaak over de God van Israël als hoofd van de raad van goden, of omringt door goden, maar voor de gelovige is er maar één echte God, de God die het volk uit de slavernij van Egypte heeft geleid. Voor Christenen de Vader van Jezus van Nazareth die uiteindelijk zelfs de dood zou overwinnen. Juist die bevrijding van dood en slavernij maakt de Weg die de geboden wijzen zo belangrijk.

Ook in onze dagen kunnen we verlangen naar een samenleving waarin niet meer gemoord wordt, waarin niet meer wordt gestolen, waarin het bezit van een ander mensen niet meer in beweging brengt, waar mensen mensen mogen zijn en geen objecten voor persoonlijke lustbevrediging, waar niemand zich hoeft te schamen voor diens afkomst. Ook wij weten dat we nog lang niet in een samenleving leven waarin die geboden algemeen geldend zijn en in ieders hart gebeiteld staan. Wie om zich heen kijkt in de wereld en de hongerigen ziet, de kinderen die sterven van ellende, de zieken voor wie geen medicijnen zijn, de slachtoffers van oorlog en geweld, de geweldige hoeveelheden wapens die over de wereld reizen, weet dat een aarde waarin vrede en gerechtigheid heerst nog ver weg is. Wat dat betreft reizen we eigenlijk nog steeds door dezelfde woestijn als waar het volk Israël de Wetten kreeg. De oproep van Mozes om de Wetten voortdurend bij de hand te houden is daarom eigenlijk net zo actueel als die was toen het boek Deuteronomium werd geschreven. Daarom zullen wij de echo van Mozes moeten zijn en voortdurend roepen om naleving van deze wetten. Ook wij hongeren en dorsten immers naar gerechtigheid.

 

Volg steeds de weg

Deuteronomium 5:22-33

22 Deze woorden heeft de HEER tot u gesproken toen u daar bijeen was, en Hij heeft er niets aan toegevoegd. Met een geweldig stemgeluid kondigde Hij op de berg zijn geboden af, vanuit vuur en donkere wolken, en Hij schreef ze op twee stenen platen en gaf die aan mij. 23 Toen u die stem had gehoord vanuit de duisternis, terwijl de berg in vuur en vlam stond, zijn uw stamhoofden en oudsten bij mij gekomen 24 met de woorden: ‘Zojuist heeft de HEER, onze God, ons zijn luister en zijn grootheid laten zien en hebben we zijn stem uit het vuur gehoord. We hebben vandaag ondervonden dat God met mensen spreekt zonder dat het hun het leven hoeft te kosten. 25 Maar moeten we ons leven nu opnieuw op het spel zetten? Dit enorme vuur zal ons levend verbranden! Als we de stem van de HEER, onze God, nogmaals horen, zullen we zeker sterven. 26 Want er is toch geen mens die net als wij de stem van de levende God vanuit het vuur heeft horen spreken en zijn leven heeft behouden? 27 Kunt u niet gaan om te horen wat de HEER, onze God, zeggen wil? Als u zijn woorden dan aan ons overbrengt, zullen wij luisteren en ernaar handelen.’ 28 Toen de HEER hoorde wat u me vroeg, zei Hij tegen mij: ‘Ik heb gehoord wat het volk tegen je zei; ze hebben goed gesproken. 29 Hadden ze altijd maar zo’n verlangen om Mij te vereren en mijn geboden na te leven; voor eeuwig zou het hun en hun kinderen goed gaan.’ 30 En Hij vervolgde: ‘Stuur hen nu maar terug naar hun tenten. 31 Maar jij moet hier blijven, bij Mij, dan zal Ik jou alle geboden, wetten en regels bekendmaken die je hun moet leren en die zij moeten naleven in het land dat Ik hun in bezit zal geven.’ 32 Het is nu aan u om ze in acht te nemen, zoals de HEER, uw God, u heeft opgedragen; wijk er op geen enkele manier van af. 33 Volg steeds de weg die Hij u heeft gewezen, dan zult u in leven blijven; het zal u goed gaan en u zult lang wonen in het land dat u in bezit krijgt. (NBV21)

Waarom staan die tien geboden eigenlijk op stenen tafelen? Zijn ze zo hard en onveranderlijk? Of is er een andere reden? Die stenen tafelen hebben altijd een diepe indruk gemaakt. De tien geboden zijn daardoor in de geschiedenis apart komen te staan van de overige geboden. Dat is niet helemaal terecht. Ze zijn een zekere samenvatting en uitwerking van de hoofdregel dat je je naaste lief moet hebben als jezelf. Waarom ze op stenen tafelen terecht zijn gekomen wordt in dit Bijbelgedeelte nog eens uitgelegd. God had ze in de woestijn immers zelf aan het volk meegedeeld. In onweer, vuur en storm hadden die geboden geklonken. Maar het volk was er bang door geworden, bang dat het iets verkeerd zou kunnen hebben begrepen. Dit klonk allemaal zo eenvoudig, terwijl het toch zo goddelijk was dat er meer nodig was dan een stem van de berg.

De oudsten zijn daarop bij Mozes gekomen en hebben gevraagd of hij de tolk van God wilde zijn. De God van Israël kan dan wel direct spreken tot mensen zonder dat mensen hoeven sterven maar angstig blijft het. De Godsdienst van Israël heeft in zijn meest eenvoudige vorm dan ook geen Priesters nodig, ook een Tabernakel was in het begin niet nodig. Het bijzondere begint met een verzoek van het volk zelf aan Mozes om God afstand te laten maken en hem als tolk te laten optreden. En daar komen de stenen platen vandaan. Niemand kan meer om die eenvoudige regels van niet moorden, niet stelen en mensen niet als object beschouwen heen. Er is één God, daar maak je geen beeld van en die gebruik je niet om je eigen zaken te rechtvaardigen. Die God heeft het volk uit de slavernij gered en die afkomst mogen ze nooit vergeten. Ze mogen het mee sjouwen door de woestijn. Bij elke stap die ze zetten gaan die regels met ze mee.

Na de tijd van Jezus van Nazareth zal Paulus schrijven aan zijn gemeente dat hij hoopt dat de Wet niet meer op stenen platen in de Tempel in Jeruzalem geschreven zal staan maar in de harten van de gelovigen. De Wetten die het volk in de Woestijn had gehoord, had ontdekt en had meegekregen, waren dan ook een bevrijding. Veel later in Babel zouden ze ook stenen ontdekken met Wetten er op voor het volk van Babel. Dat waren hoge zuilen die dicht beschreven waren met voorschriften. Israël had het daar iets gemakkelijker mee. Zij hadden een eenvoudige stel regels die op stenen stonden. Die stenen hoefden ze niet meer te zien omdat hun priesters ze de regels wel konden vertellen. Want dan kon gelijk verteld worden hoe in de actuele situatie de Wetten moesten worden toegepast. Die Wet is niet als een grenspaal die langs de weg de grens van het gedrag markeert, maar die Wet wordt ook hier omschreven als een Weg die God heeft gewezen. Een Weg die leidt naar een ideale samenleving, het land overvloeiende van melk en honing, het land dat je in bezit krijgt. Daarom markeert die Wet van de Woestijn ook eeuwen later de Weg die we moeten gaan, omdat nog steeds niet voor iedereen op de wereld die samenleving, dat land van belofte, is bereikt. Ook vandaag dus op Weg.

 

Ook voor vreemdelingen

Deuteronomium 5:5b-21

5 Dit zei de HEER: 6 ‘Ik ben de HEER, uw God, die u uit Egypte, uit de slavernij, heeft bevrijd. 7 Vereer naast Mij geen andere goden. 8 Maak geen godenbeelden, geen enkele afbeelding van iets dat in de hemel hierboven is of van iets beneden op de aarde of in het water onder de aarde. 9 Kniel er niet voor neer en vereer ze niet, want Ik, de HEER, uw God, duld geen ontrouw. Als ouders Mij haten en zondigen, roep Ik hun kinderen daarvoor ter verantwoording, tot in het derde en vierde geslacht; 10 maar als ze Mij liefhebben en doen wat Ik gebied, bewijs Ik mijn trouw tot in het duizendste geslacht. 11 Misbruik de naam van de HEER, uw God, niet, want wie zijn naam misbruikt laat Hij niet vrijuit gaan. 12 Neem de sabbat in acht, zoals de HEER, uw God, u heeft geboden; het is een heilige dag. 13 Zes dagen lang kunt u werken en al uw arbeid verrichten, 14 maar de zevende dag is de sabbat, die gewijd is aan de HEER, uw God; dan mag u niet werken. Dat geldt voor u, voor uw zonen en dochters, voor uw slaven en slavinnen, voor uw runderen, uw ezels en al uw andere dieren, en ook voor vreemdelingen die bij u in de stad wonen; want uw slaaf en slavin moeten evengoed rusten als u. 15 Bedenk dat u zelf slaaf was in Egypte totdat de HEER, uw God, u met sterke hand en opgeheven arm bevrijdde. Daarom heeft Hij u opgedragen de sabbat te houden. 16 Toon eerbied voor uw vader en uw moeder, zoals de HEER, uw God, u heeft geboden. Dan zult u lang leven en zal het u goed gaan in het land dat de HEER, uw God, u geven zal. 17 Pleeg geen moord. 18 Pleeg geen overspel. 19 Steel niet. 20 Leg over een ander geen vals getuigenis af. 21 Zet uw zinnen niet op de vrouw van een ander, en laat evenmin uw oog vallen op zijn huis, of op zijn akker, zijn slaaf, zijn slavin, zijn rund of zijn ezel, of wat hem ook maar toebehoort.’ (NBV21)

Wetten beperken mensen. Veel mensen in ons land zijn tegen de regels die in onze overheid democratisch zijn afgesproken om onze ingewikkelde samenleving zo eerlijk en rechtvaardig mogelijk in stand te houden. Die regels knellen vaak. Nu knellen ze vaak ook meer voor mensen die alles wel voor zichtzelf willen hebben en alleen voor zichzelf lijken te leven dan voor mensen die bereid zijn alles te delen wat ze bezitten. Maar als je het over wetten en regels hebt dan praat je bijna direct mee over knellen en inperken van menselijke vrijheid. In de Bijbel gaat het ergens anders om. Vlak voor het volk Israël het beloofde land, het land overvloeiende van melk en honing, binnentrekt, herinnert Mozes het volk nog eens aan de regels die ze met hun God hebben afgesproken toen ze in het hart van de woestijn waren. Een deel van het land hadden ze nu veroverd op de Amorieten. Tijd om de laatste stap te zetten, de woestijn uit het vruchtbare land in.

Tijd om je de spelregels, de richtlijnen, voor een goed leven nog eens in herinnering te brengen. Ze staan ook in het boek Exodus maar hier staan ze nog eens op een iets andere manier geformuleerd. Het gaat dus niet om het soort juridisch zorgvuldig bij elkaar gezochte formuleringen waaraan elk gedrag op dezelfde manier getoetst kan worden. Het gaat dus niet om het soort wetten die in dikke wetboeken zijn gevat en waarmee onze rechters zich mee bezig houden. Het gaat om de spelregels voor een goed leven. Het gaat dus om spelregels van bevrijding. Het volk wordt bevrijdt van de last te overleven in de woestijn, het volk werd bevrijdt van de slavernij om met en door deze wetten te kunnen genieten van de vrijheid in het beloofde land. Het begint dan ook met de bevrijding van het volk uit de slavernij in Egypte. En aan die bevrijding zijn geen andere goden te pas gekomen. Alleen de God van Israël trok met de slaven mee door de woestijn nadat hij ze had bevrijdt uit de slavernij.

Alleen de God van Israël zorgde voor de levensleer waarmee het volk de vrijheid kon genieten in het beloofde land. Als je je heil zoekt bij andere goden en goden met je eigen handen denkt te kunnen maken dan oogst je onheil, dan vergaat het je slecht. De gevolgen daarvan zullen ook je kinderen, je kleinkinderen en je achterkleinkinderen ondervinden. De hoofdregels waarmee hier begonnen zijn kun je ook niet lezen los van de rest van de geschiedenis. Want als je het land verliest dat voor jouw familie is bestemd en waardoor je onafhankelijk bent krijgen je nazaten dat land pas na vijftig jaar weer terug zodat de familie weer opnieuw kan beginnen met het land dat God heeft gegeven en dat je bevrijd heeft van de slavernij. Wie in onze dagen het leven heeft ingericht op het houden van je naaste als van jezelf herkent die bevrijding, daarin verdwijnt zelfs de angst voor de dood en wordt je bevrijdt van het slavenbestaan van altijd maar meer en beter van moeten en dwang. In de zorg voor de minsten begint het leven pas, ook vandaag weer.

Luister, Israël

Deuteronomium 4:41–5:5a

41 Toen wees Mozes in het gebied ten oosten van de Jordaan drie steden aan 42 waarheen iemand kon uitwijken die zonder opzet en zonder hem ooit te hebben gehaat een ander had gedood. Zo iemand kon in leven blijven als hij naar een van die steden vluchtte. 43 Voor de stam Ruben was het Beser op het onontgonnen deel van de hoogvlakte, voor Gad Ramot in Gilead, en voor Manasse Golan in Basan. 44 Dit is het onderricht dat Mozes de Israëlieten heeft gegeven. 45 Hier volgen de bepalingen, wetten en regels die Mozes ten overstaan van de Israëlieten heeft afgekondigd nadat ze uit Egypte weggetrokken waren. 46 Dat gebeurde aan de overkant van de Jordaan, in het dal tegenover Bet-Peor, in het land dat had toebehoord aan Sichon, de koning van de Amorieten, die in Chesbon zetelde en die evenals koning Og van Basan door Mozes en de Israëlieten op hun tocht uit Egypte verslagen werd, 47 waarbij het hele gebied van deze twee Amoritische koningen ten oosten van de Jordaan door hen in bezit werd genomen, 48 vanaf Aroër op de rand van het Arnondal tot aan de Sirjon, ofwel de Hermon, 49 met de hele vallei aan de oostkant van de Jordaan tot waar de rotskloven van de Pisga in de Dode Zee afdalen. 1 Mozes riep het hele volk van Israël bijeen en sprak het als volgt toe: Luister, Israël, naar de wetten en de regels die ik u vandaag bekendmaak. Maak ze u eigen en leef ze strikt na. 2 De HEER, onze God, heeft bij de Horeb een verbond met ons gesloten. 3 Niet met onze voorouders heeft Hij dit verbond gesloten, maar met ons, zoals wij hier nu levend en wel bij elkaar zijn. 4 De HEER heeft zich daar vanuit het vuur rechtstreeks tot u gericht. 5 Ik stond toen tussen Hem en u in om zijn woorden aan u door te geven, want uit angst voor het vuur was u de berg niet op gegaan. (NBV21)

We spreken in de Kerk graag over de Wetten van Mozes. Als we de wetten kennen dan weten we wat we verkeerd hebben gedaan. Maar de eerste boeken van de Bijbel zijn geen wetten. Hier, al vrij in het begin van het boek Deuteronomium staat het al duidelijk. Het gaat om een onderricht. Er wordt het volk iets aangeleerd en sinds Jezus van Nazareth mogen wij mee studeren in het onderricht dat de God van Israël heeft gegeven en dat door Mozes een samenhang en een praktische betekenis heeft gekregen. Het is namelijk een onderricht in hoe je een menselijke samenleving kunt inrichten. En als we om ons heen kijken dan moeten we daar nog heel erg veel over leren, zeker in deze dagen. Wij zetten gezinnen op straat die hierheen gevlucht zijn voor armoede, geweld, onderdrukking, vervolging soms zelfs om hun etnische afkomst of levensovertuiging. Wij nemen deel aan oorlogen waar mensen ook aan sterven door de bommen die we leveren met geschut en vliegtuigen.

Mozes en zijn volk hadden ook moeten vechten om bij dat beloofde land te komen. Ze hadden moeten vechten tegen volken die hen niet wilden laten passeren, zoals de Amorieten en het volk van Basan onder koning Og. Ze waren het volk Israël in de rug aangevallen en hadden het voorzien op de rijkdom die het volk bij de bevrijding uit Egypte had meegenomen. Maar het meest hadden ze nog moeten vechten tegen zichzelf. Het volk dat aan de oever van de Jordaan stond te wachten om het beloofde land binnen te gaan was de tweede generatie. Geen van hen had het meegemaakt dat Mozes het volk uit de slavernij in Egypte had geleid. Als kinderen en jonge mensen hadden ze wel de ontdekking bij de Horeb meegemaakt. Daar was in donder en bliksem, in vuur op de berg, de God verschenen die Mozes naar Egypte had gestuurd om zijn volk te bevrijden. Ze hadden die God als soeverein over hun volk erkent en een bijbehorend verdrag gesloten. De regels van dat verdrag, vroeger noemden we dat een verbond, die moesten nog eens in herinnering gebracht worden, moesten nog eens onderwezen worden voor het beloofde land binnengegaan kon worden.

Dat het opnieuw beleven nodig is komt omdat niemand de slavernij had meegemaakt. Ook Mozes zal het beloofde land niet binnengaan. Ook hij was er niet in geslaagd om in vrede het volk te leiden zoals God hem had opgedragen. In woede had hij op de rotsen geslagen toen het volk weer eens klaagde over een gebrek aan water. Het water hoorde niet te komen door de woede van Mozes maar door de goedgunstigheid van de God van Israël. Het eerste dat we dus leren van zelfs dit gedeelte dat alles wat we hebben, alles wat we kregen, alles wat we nog zullen verdienen, ons is toegevallen uit de hand van een God die ons liefheeft. Als we wat verliezen, zelfs als we geliefden verliezen, dan is het die God die het teruggenomen heeft. Dat verbond heeft die God dan ook niet alleen gesloten met een volk dat heel lang geleden door een verre en dorre woestijn sjouwde maar volgens de Christelijke Bijbel, heeft die God dat verbond gesloten met iedereen op de wereld die wil geloven dat er een einde kan komen aan dood en ellende. Jezus van Nazareth heeft ons dat geleerd. Daarom heet die Christelijke Bijbel het nieuwe Testament. Ten onrechte noemen we die Hebreeuwse Bijbel waar het verhaal van Mozes in staat het Oude Testament, beter was om te spreken van het oorspronkelijke Testament. Daar moeten we ons naar richten, daar staan ook nu de spelregels in waarmee ook wij een menselijke samenleving kunnen inrichten. Elke dag opnieuw kunnen we daarmee beginnen, zeker vandaag weer.

Deze verdorven generatie!

Handelingen 2:37-47

37 Toen ze dit hoorden, waren ze diep getroffen en vroegen aan Petrus en de andere apostelen: ‘Wat moeten we doen, broeders?’ 38 Petrus antwoordde: ‘Kom tot inkeer en laat u allen dopen in de naam van Jezus Christus om vergeving te krijgen voor uw zonden. Dan zal de heilige Geest u geschonken worden, 39 want voor u geldt deze belofte, evenals voor uw kinderen en voor allen die ver weg zijn en die de Heer, onze God, tot zich zal roepen.’ 40 En met nog veel meer woorden legde hij getuigenis af, waarbij hij een dringend beroep op zijn toehoorders deed met de woorden: ‘Laat u redden uit deze verdorven generatie!’ 41 Degenen die zijn woorden aanvaardden, lieten zich dopen; op die dag breidde het aantal leerlingen zich uit met ongeveer drieduizend. 42 Ze wijdden zich trouw aan het onderricht dat de apostelen gaven, aan de onderlinge gemeenschap, het breken van het brood en het gebed. 43 De vele tekenen en wonderen die de apostelen verrichtten, vervulden iedereen met ontzag. 44 Allen die tot geloof gekomen waren, bleven bijeen en hadden alles gemeenschappelijk. 45 Ze verkochten hun eigendommen en bezittingen en verdeelden de opbrengst onder degenen die iets nodig hadden. 46 Elke dag kwamen ze trouw en eensgezind samen in de tempel, braken het brood bij elkaar thuis en gebruikten hun maaltijden in een geest van eenvoud en vol vreugde. 47 Ze loofden God en stonden in de gunst bij het hele volk. De Heer breidde hun aantal dagelijks uit; steeds meer mensen werden gered. (NBV21)

Dat was een mooie preek van Petrus. Hij had duidelijk gemaakt waar al die vurige inzet van de volgelingen van Jezus van Nazareth vandaan kwam. En als de dood geen gevolg meer is van een vorm van verzet tegen de Romeinse overheersing dan wordt dat volgen van die Jezus in eens toch aantrekkelijk. Dus is de vraag hoe nu verder. Petrus valt terug op Johannes de doper. Heel het volk had zich laten dopen, ook Jezus was daarbij geweest. En Johannes had opgeroepen anders te gaan leven, weer volgens de richtlijnen die Mozes had gekregen en aan het volk had doorgegeven. De Tora, het hart van het Joodse geloof. Maar dat was een dood geloof geworden, als je op tijd je belasting betaalde en regelmatig aalmoezen gaf dan hoorde je al bij het volk van de God van Israël. Johannes had het anders voorgehouden. Als je twee mantels had geef er dan één aan iemand die er geen heeft.

De Tora staat vol met richtlijnen hoe je met de armen, de weduwen en de wees moet omgaan. Jezus van Nazareth was daarin zo mogelijk nog verder gegaan. Die had de liefde centraal gesteld. Je moest zelfs je vijanden lief hebben. En een gemeenschap van liefde was onverslaanbaar. Daar kon een overheerser nooit greep op krijgen. De kruisiging van Jezus had dat bewezen. Hij had geweigerd om zijn volgelingen een oorlog te laten beginnen. Een vijand die gewond was geraakt had hij zelfs genezen. Aan het kruis had hij zijn Vader gebeden om het zijn vervolgers niet aan te rekenen. En de gemeenschap die angstig bij elkaar was gekropen had hem opnieuw leren kennen. Zijn liefde had hen bij elkaar gehouden. Zijn liefde was zelfs de opdracht geworden alle mensen op de hele wereld er bij te betrekken. Zo kun je een gemeenschap vormen. Als symbool met het leven van Jezus van Nazareth brood breken en delen en een beker wijn delen. Alles bij elkaar brengen en dat gemeenschappelijk gebruiken.

Het onderscheid tussen man en vrouw, armen en rijken, allochtonen en autochtonen, jong en oud zou in die nieuwe gemeenschap verdwijnen. Rijk werd je er niet van. Maar dat vonden ze prima. Aan een eenvoudige maaltijd, samen bidden in de Tempel en daar ook de Tora bestuderen was hen genoeg. De rijkdom ligt zo in het aantal mensen dat zich liet dopen en op die manier ook gingen leven. De zorg die ze hadden voor de armsten, de bedelaars, de mensen die uitgestoten waren, de zieken, de slaven en de knechten maakte dat ze bij het hele volk in aanzien kwamen. Niet de macht van enkelingen bepaalde voortaan het handelen maar de liefde voor elkaar. Het klinkt heel aantrekkelijk. Dat is het ook voor mensen die meer willen dan eigen gewin. Door de geschiedenis heen zijn er altijd mensen geweest die de preek van Petrus centraal stelden. Ook nu hoor je nog in de kerken dat de liefde voor elkaar en voor de armen centraal behoort te staan. Eigenlijk zou op een dag als vandaag het hele volk zo’n toekomst als doel moeten stellen. Het kan elke dag beginnen.

Ik wankel niet.

Handelingen 2:25-36

25 David zegt immers over Hem: “Steeds houd ik de Heer voor ogen, Hij is aan mijn zijde, ik wankel niet. 26 Daarom verheugt zich mijn hart en jubelt mijn tong van blijdschap. Vervuld van hoop rust mijn lichaam, 27 want U zult mij niet overleveren aan het dodenrijk en het lichaam van uw trouwe dienaar zal niet tot ontbinding overgaan. 28 U hebt mij de weg naar het leven getoond, uw nabijheid zal mij vervullen met vreugde.” 29 Volksgenoten, u zult mij wel toestaan dat ik over de aartsvader David zeg dat hij gestorven en begraven is; zijn graf bevindt zich immers nog steeds hier. 30 Maar omdat hij een profeet was en wist dat God hem onder ede beloofd had dat een van zijn nakomelingen zijn troon zou bestijgen, 31 heeft hij de opstanding van de messias voorzien en gezegd dat deze niet aan het dodenrijk zou worden overgeleverd en dat zijn lichaam niet tot ontbinding zou overgaan. 32 Jezus is door God tot leven gewekt, daarvan getuigen wij allen. 33 Hij is door God verheven, zit aan zijn rechterhand, en heeft van de Vader de heilige Geest ontvangen, zoals beloofd was. Die Geest heeft Hij over ons uitgegoten, en dat is wat u ziet en hoort. 34 David is weliswaar niet naar de hemel opgestegen, maar toch zegt hij: “De Heer sprak tot mijn Heer: ‘Neem plaats aan mijn rechterhand, 35 tot Ik van je vijanden een bank voor je voeten heb gemaakt.’” 36 Laat het hele volk van Israël er daarom zeker van zijn dat Jezus, die u gekruisigd hebt, door God tot Heer en messias is aangesteld.’ (NBV21)

Het vervolg van de Pinksterpreek van Petrus lezen we vandaag. Die preek was bedoeld voor de mensen in Jeruzalem die op het traditionele Pinksterfeest ineens een geluid hadden gehoord als van een geweldige ademwind, zonder dat de storm was opgestoken, en een groep mensen hadden gezien die wel op een stel brandende braambossen leken. Met Pinksteren vierden ze ook dat het volk de Tora had gekregen tijdens de reis door de woestijn. Op de plek waar Mozes God had leren kennen in een brandende braambos. Sommige toeschouwers dachten daarom zelfs dat ze dronken waren zo op de vroege morgen roepend over de bevrijding die was gekomen door te leven in de Geest van God die ze hadden leren kennen en gekregen door hun voorganger Jezus van Nazareth. Petrus legt hier uit wat het allemaal te betekenen heeft. Het gaat om vertrouwen op God.

De Romeinse overheersing was ondraaglijk geworden. Die volgelingen van Jezus van Nazareth konden er over mee praten. Die Jezus was immers door de Romeinen aan een kruis gehangen. De vraag was wat nu? Neem je met geweld wraak voor de moord of is er een andere weg. Petrus komt met een andere weg, een weg die ze van die Jezus hadden geleerd. De weg terug naar het oude geloof in de God die met je meegaat door de woestijn, die je vijanden aan je voeten zal leggen als je je houdt aan de richtlijnen voor de menselijke samenleving, de richtlijn voor breken en delen, de oproep tot zorgen voor elkaar. Ooit waren mensen geschapen naar Gods beeld, ooit had Mozes de bevrijder God ontmoet in een brandende braambos in het hart van de woestijn en ooit had de grootste Koning van Israel, David gezegd dat als je God als Heer erkent je Heer je nooit verslagen of gedood kan worden. De Liefde, die God is, sterft nooit en nergens

Zo waren de 120 volgelingen van Jezus bij elkaar gekomen en zo nodigden ze iedereen uit om er aan mee te gaan doen. Een eigen gemeenschap die niet onderdrukt kon worden door de Romeinen. Die Romeinen konden de mensen doden, maar nooit de Liefde, nooit de gemeenschap. Je moet dan wel durven op een radicaal andere manier te gaan leven. Geen baas en geen heerser heeft het dan meer te vertellen. Alleen de liefde voor de zwakste, voor de naaste, alleen delen van wat je hebt telt nog. Na die indrukwekkende preek van Petrus lieten 3000 mensen zich dopen als teken dat ze echt het oude leven van zich afspoelden en het nieuwe leven begonnen. In één klap was die kleine groep van 120 volgelingen een grote groep geworden. En vandaag en morgen kunnen ook wij ons er, misschien opnieuw, bij aansluiten. Je kunt je zelfs laten dopen als je nog niet gedoopt bent, bel maar een dominee in de buurt, overal is er één.

Deze mensen zijn niet dronken

Handelingen 2:14-24

14 Daarop trad Petrus naar voren, samen met de elf andere apostelen, verhief zijn stem en sprak de menigte toe: ‘U, Joden en inwoners van Jeruzalem, luister naar mijn woorden en neem ze ter harte. 15 Deze mensen zijn niet dronken, zoals u denkt; het is immers pas het derde uur na zonsopgang. 16 Wat hier nu gebeurt, is aangekondigd door de profeet Joël: 17 “Aan het einde der tijden, zegt God, zal Ik mijn Geest uitgieten over al wat leeft. Dan zullen jullie zonen en dochters profeteren, jongeren zullen visioenen zien en oude mensen dromen dromen. 18 Ja, over al mijn dienaren en dienaressen zal Ik in die tijd mijn Geest uitgieten, zodat ze zullen profeteren. 19 Ik zal wonderen doen verschijnen aan de hemel boven en tekenen geven op de aarde beneden, bloed en vuur en rook. 20 De zon verandert in duisternis en de maan in bloed voordat de dag van de Heer komt, groot en ontzagwekkend. 21 Dan zal ieder die de naam van de Heer aanroept worden gered.” 22 Israëlieten, luister naar wat ik u zeg: Jezus van Nazaret is door God tot u gezonden, hetgeen gebleken is uit de grote daden en de wonderen en tekenen die God, zoals u bekend is, door zijn toedoen onder u heeft verricht. 23 Deze Jezus, die overeenkomstig Gods bedoeling en voorkennis is uitgeleverd, hebt u door goddelozen laten kruisigen en doden. 24 God heeft Hem echter tot leven gewekt en de last van de dood van Hem afgenomen, want de dood kon zijn macht over Hem niet behouden. (NBV21)

Natuurlijk, jongeren weten altijd hoe de wereld er beter uit zou kunnen zien. Dat was al in de tijd van de profeet Joël zo en dat was in de tijd van Petrus niet anders. Ook nu is dat nog steeds zo. Oude mensen weten dat het dromen zijn, maar er zijn altijd mensen die die droomgezichten als mogelijkheden blijven zien en er aan blijven werken. De beroemdste preek van dominee Martin Luther King heet in het Engels “I have a dream”, ik heb een droom. Hij had zo’n droomgezicht dat blanke en zwarte kinderen hand in hand zouden wandelen. Die droom is uitgekomen al zal er aan de gelijkheid nog veel moeten gebeuren. In de gevangenissen in Amerika zitten drie keer zo veel zwarte mensen als blanke mensen en zwarte mensen zijn van nature net zo crimineel als blanke mensen. Maar de geest van God maakt dat je dit soort droomgezichten blijft zien. Dat jongeren dit soort visioenen blijven koesteren. Wie het verhaal kent van de onmetelijke en onvoorwaardelijke liefde voor mensen, een liefde die wonderen kan veroorzaken, die muren kan afbreken en mensen bij elkaar kan brengen, die gaat vanzelf die dromen dromen en vergezichten zien.

Dat was waarvoor Petrus en de 11 andere apostelen opstonden en hun huis uitkwamen. Ze leken nu zelf brandende braambossen. De tijd dat alles gewoon maar door ging alsof er geen God en geen goddelijke richtlijnen waren was voorbij. Het einde van de tijden van de wereld was gekomen. Binnen de nieuwe beweging van Jezus van Nazareth waren slaven vrij, schulden kwijtgescholden en was de armoede opgeheven, precies zoals God het had voorgeschreven en de profeten het hadden voorspeld. Het kon toen, het kan nu ook nog, je moet het gewoon gaan doen. Het is een kwestie van er enthousiast, begeesterd, aan beginnen. En dat lijkt na de verkiezingen van vorig jaar toch wat minder mogelijk. Armoedebestrijding, een eerlijke gezondheidszorg, een houdbare aarde, een woning voor iedereen, energie voor de toekomst en gezond en eerlijk voedsel lijken verder weg dan ooit.

Pinksteren is het feest van vroeg opstaan, opstaan om een nieuw leven te beginnen. Het leven in de geest van Jezus uit Nazareth. Het leven van delen met elkaar en recht en rechtvaardigheid. Het feest van gastvrijheid voor vreemdelingen, het feest waar voor iedereen genoeg te eten is en honger verdwenen. Pinksteren is het feest dat ons leert dat we er elke dag weer opnieuw mee kunnen beginnen. Het leert ons ook dat niemand en geen macht of kracht ons af kan houden van die volstrekt andere wereld. Wellicht wordt het zelfs gemakkelijker het goede tegenover het kwade te laten schitteren. Dat we elke dag dus mogen opstaan om mensen lief te hebben, om te mogen geloven dat het kan, een wereld waarin mensen van elkaar houden en zo God eren. Elke dag, ook vandaag.

 

In onze eigen moedertaal

Handelingen 2:1-13

1 Toen de dag van het Pinksterfeest aanbrak waren ze allen bij elkaar. 2 Plotseling klonk er uit de hemel een geluid als van een hevige windvlaag, dat het huis waar ze zich bevonden geheel vulde. 3 Er verschenen aan hen een soort vlammen, die zich als vuurtongen verspreidden en zich op ieder van hen neerzetten, 4 en allen werden vervuld van de heilige Geest en begonnen op luide toon te spreken in vreemde talen, zoals hun door de Geest werd ingegeven. 5 In Jeruzalem woonden destijds vrome Joden, die afkomstig waren uit ieder volk op aarde. 6 Toen het geluid weerklonk, dromden ze samen en ze raakten geheel in verwarring doordat iedereen hen in zijn eigen taal hoorde spreken. 7 Ze waren buiten zichzelf van verbazing en zeiden: ‘Het zijn toch allemaal Galileeërs die daar spreken? 8 Hoe kan het dan dat wij hen allemaal in onze eigen moedertaal horen? 9 Parten, Meden en Elamieten, inwoners van Mesopotamië, Judea en Kappadocië, mensen uit Pontus en Asia, 10 Frygië en Pamfylië, Egypte en de omgeving van Cyrene in Libië, inwoners van Rome die zich hier gevestigd hebben, 11 en ook mensen uit Kreta en Arabië, zowel Joden als proselieten-wij allen horen hen in onze eigen taal spreken over Gods grote daden.’ 12 Verbijsterd en geheel van hun stuk gebracht vroegen ze aan elkaar: ‘Wat heeft dit toch te betekenen?’ 13 Maar sommigen zeiden spottend: ‘Ze zullen wel dronken zijn.’ (NBV21)

Vandaag lezen we het verhaal over het Pinksterfeest dat zo’n bijzondere betekenis kreeg door het optreden van die volgelingen van Jezus van Nazareth. Vandaag wordt dat in veel kerken gevierd, het is de verjaardag van de kerk. Dat Pinksterfeest was al een bestaand feest. Vijftig dagen na Pasen werden de eerste vruchten van de oogst naar de Tempel gebracht om er samen een maaltijd van de te houden. Die vijftig dagen zijn niet zomaar. Zeven maal zeven dagen zijn voorbijgegaan en zeven was het heilige getal. Na zeven maal zeven dagen is het dus wel een heel erg heilige dag. Het doet denken aan dat jaar na zeven maal zeven jaren waarop alle Israelieten het stukje land terug zouden krijgen dat ze bij de verdeling door Jozua hadden gekregen. De slaven zouden dan worden vrijgelaten en de schulden worden kwijtgescholden.

Iedereen kon met een schone lei weer opnieuw beginnen. Al die beloften waren eigenlijk nooit uitgekomen, een mooie wet maar voor een ordelijke samenleving toch iets te ingewikkeld. En dan komt er die Petrus die verteld dat die wet juist op die Pinksterdag uitgevoerd zal worden. Nog wel door het optreden van Jezus van Nazareth die vlak voor de laatste Paasviering als een slaaf was gekruisigd. Het was zelfs nog erger. Joden uit de hele bewoonde wereld waren naar Jeruzalem gekomen om dat Pinksterfeest mee te vieren. En toen die 120 volgelingen van Jezus van Nazareth hen uitnodigden mee te doen snapten ze allemaal waar het om te doen was, de richtlijnen voor de menselijke samenleving die zouden uitlopen op wat vroeger genoemd was “het aangename jaar van de Heer”. Dat was helemaal niet zo ingewikkeld, dat moet je gewoon samen gaan doen.

Schulden kwijt schelden voor arme landen bijvoorbeeld. De rijkste landen in de wereld doen dat bijna elke G8 vergadering wel weer een beetje. Rechtvaardige handelsverhoudingen worden op die vergaderingen tegengehouden maar als wij alleen Max Havelaar en Fair Trade producten gebruiken kunnen ze er op de duur niet meer om heen. Anders Globalisten noemen ze mensen die voortdurend bedacht zijn op het lot van de armsten in de wereld. Mensen van de Weg gingen ze die volgelingen van Jezus van Nazareth noemen. De Weg van de liefde. Het is ongelooflijk. Op die eerste Pinksterdag werden die volgelingen van Jezus uitgemaakt voor dronkaards, nu worden de Anders Globalisten uitgemaakt voor raddraaiers. Ontwikkelingssamenwerking zou worden stopgezet, een gruwel in het licht van Pinksteren. Willen we de armen bevrijden van schuld, honger en ellende, hen recht doen dan zullen we de wereld op z’n kop moeten zetten. Wat onder is moet dan boven komen. In Jeruzalem zou dat uitlopen op een massabeweging.

Allen zien ernaar uit

Psalm 104:24-35

24 Hoe talrijk zijn uw werken, HEER. Alles hebt U met wijsheid gemaakt, vol van uw schepselen is de aarde. 25 Zie hoe wijd de zee zich uitstrekt. Daar wemelt het, zonder tal, van dieren, klein en groot. 26 Daar bewegen de schepen zich voort, daar gaat Leviatan, door U gemaakt om mee te spelen. 27 En allen zien ernaar uit dat U voedsel geeft, op de juiste tijd. 28 Geeft U het, dan doen zij zich tegoed, opent zich uw hand, dan worden zij verzadigd. 29 Verberg uw gelaat en zij bezwijken van angst, ontneem hun de adem en het is met hen gedaan, dan keren zij terug tot het stof dat zij waren. 30 Zend uw adem en zij worden geschapen, zo geeft U de aarde een nieuw gelaat. 31 De luister van de HEER moge eeuwig duren, laat de HEER zich verheugen in zijn werken. 32 Hij richt zijn oog op de aarde en zij beeft, Hij raakt de bergen aan en zij stoten rook uit. 33 Voor de HEER wil ik zingen zolang ik leef, een lied voor mijn God zolang ik besta. 34 Moge mijn lofzang de HEER behagen, zoals ik mijn vreugde vind in Hem. 35 Zondaars zullen van de aardbodem verdwijnen, onrechtvaardigen zullen niet meer bestaan. Prijs de HEER, mijn ziel. Halleluja! (NBV21)

Dat zou mooi zijn, dat zou heel mooi zijn, als er eens geen boosdoeners meer zouden bestaan op de aarde. Is dat haalbaar? Moeten we daarin nou geloven? Volgens de Psalm is het niet alleen haalbaar maar zal het er uiteindelijk onvermijdelijk op uitdraaien. Maar we moeten er dan niet zozeer in geloven dat het vanzelf wel zal komen, maar we moeten dat geloven zien als een werkwoord, als een opdracht. “De mensen gaan aan het werk en arbeiden door tot de avond.” staat er in deze Psalm. Dat aan het werk gaan en door gaan tot de avond dat is pas geloven. In de Psalm worden de ceders van de Libanon bezongen. Volgens de Bijbel de mooiste bomen van de wereld. Door Salomo in Israel geïmporteerd om te gebruiken bij de bouw van de Tempel in Jeruzalem. Die bomen moeten grote indruk gemaakt hebben. Zo’n grote indruk dat je één van die bomen vandaag de dag terugvindt in de vlag van Libanon. Vogels zullen er vandaag de dag toch niet snel nesten bouwen, door het oorlogsgeweld zal hen het tjilpen zijn vergaan en de vruchtbaarheid van ooievaars is in Libanon ver te zoeken.

Wat dat betreft zullen de gewone mensen in Libanon zuchten en smeken dat de boosdoeners eindelijk van de aardbodem verdwenen mogen zijn. Lange tijd zijn de strijdende partijen in de regio onder meer uit elkaar gehouden door troepen van de Verenigde Naties, ook Nederlandse militairen hebben daarbij geholpen. Dat heeft lange tijd gewerkt en het lijkt er op dat het nu nodig zou zijn om met troepen de mensen die in de buurlanden van de Libanon geweld tegen andere burgers gebruiken te doen ophouden. We weten wel hoe we mensen moeten helpen, we doen het alleen zo vaak niet. We lijken op de mensen uit het verleden die geloofden dat de maan en de zon goden waren die vrede en voorspoed konden brengen. De Psalm bezingt terecht dat God voor de zon en de maan heeft gezorgd, in de avond als de maan schijnt kunnen we bijeen komen en de zon weet hoe laat zij moet thuiskomen.

In de Nieuwe Bijbelvertaling die wij hier volgen is dat element van samenkomst en thuiskomen wat weggevallen, in de Naardense Bijbel is dat behouden gebleven. Vroeger heette dat gezette tijden bij de maan. We zetten ons dus in voor samenspraak en overleg, voorwaarden voor vrede in de samenleving. In zo’n samenleving hoef je geen angst te hebben, in de nacht niet voor jonge leeuwen, en op zee niet voor een zeemonster als Leviatan. In zo’n samenleving hoef je niet bang te zijn voor honger en stijgende voedselprijzen. Als mensen zoals wij echt voor elkaar willen zorgen, hun naasten liefhebben als zichzelf, is er voldoende om mee te delen en is er voedsel op de hele aarde voor iedereen die het nodig heeft, in overvloed zelfs. Zonder die Geest van God ziet het er donker uit voor de aarde, maar in die Geest zal de aarde zich vernieuwen. Elke dag mogen we daar dus weer opnieuw aan werken, al zingend en God prijzend.