Geen zware last

1 Johannes 5:1-12

1 Ieder die gelooft dat Jezus de christus is, is uit God geboren, en ieder die de Vader liefheeft, heeft ook lief wie uit Hem geboren zijn. 2 Dat wij Gods kinderen liefhebben weten we doordat we God liefhebben en zijn geboden naleven. 3 Want God liefhebben houdt in dat we ons aan zijn geboden houden. Zijn geboden zijn geen zware last, 4 want ieder die uit God geboren is, overwint de wereld. En de overwinning op de wereld hebben wij behaald met ons geloof. 5 Wie anders kan de wereld overwinnen dan iemand die gelooft dat Jezus de Zoon van God is? 6 Hij, Jezus Christus, is gekomen door water en bloed-niet door het water alleen, maar door het water en het bloed. En de Geest getuigt ervan, omdat de Geest de waarheid is. 7 Er zijn dus drie getuigen: 8 de Geest, het water en het bloed, en het getuigenis van deze drie is eensluidend. 9 Als we het getuigenis van mensen aannemen, zullen we zeker het getuigenis van God aannemen, dat zoveel meer gezag heeft, want het is het getuigenis dat God over zijn Zoon gegeven heeft. 10 Wie in de Zoon van God gelooft, draagt het getuigenis in zich. Wie God niet gelooft, maakt Hem tot leugenaar, omdat hij geen geloof hecht aan het getuigenis dat God over zijn Zoon gegeven heeft. 11 Dit getuigenis luidt: God heeft ons eeuwig leven geschonken en dat leven is in zijn Zoon. 12 Wie de Zoon heeft, heeft het leven. Wie de Zoon van God niet heeft, heeft het leven niet. (NBV21)

Denk nu niet dat het leven gemakkelijk wordt. Wie gelooft, heeft door het geloof de wereld overwonnen staat er. Dat betekent niet dat gelovigen nu de baas van de wereld zijn geworden. Er zijn er die zich zo gedragen maar die noemen zich gelovig maar zijn het niet. Nee als je werkelijk gelooft dan heb je geen behoefte meer aan de manieren die in de wereld gewoon zijn. Dan is er geen streven meer om de baas over mensen te worden, om op te vallen als de beste, de rijkste, de mooiste. Dan geldt alleen nog het lot van broeders en zusters, het lot van de minsten op aarde. Dan is er alleen nog de vraag of de hongerigen gevoed zijn, de gevangenen bezocht, de naakten gekleed en de bedroefden getroost. Dan rust je niet voor er eerlijke handelsverhoudingen zijn waardoor mensen een eerlijke beloning krijgen voor het werk dat ze verrichten. Dan schreeuw je om vrede waar er oorlog is. Dat allemaal te doen is geen zware last. Dat zijn namelijk geen wetten in de zin van de strafwet die wij kennen maar het zijn richtlijnen voor een menselijke samenleving en die wil iedereen wel.

Wie zich bekommert om de naaste, wie de naaste liefheeft als zichzelf weet dat daaraan een enorme vreugde te ontlenen is. Mensen die in de voedselbanken werken weten dat de voedselbanken schandvlekken zijn op onze rijke samenleving, tekenen dat mensen wel willen delen maar dat de samenleving als geheel niet op delen is ingericht. Maar diezelfde mensen zien de vreugde van mensen die in tijden geen warme maaltijd konden eten, die hun kinderen geen brood mee naar school konden geven of met een goed ontbijt van huis konden laten gaan. Die vreugde geeft een warmte en blijdschap die onbeschrijfelijk is. De mensen die zich op die manier met de geboden van God bezig houden voelen zich bevrijd van de wereld. De druk om te presteren om meer en meer te presteren is verdwenen. Die bevrijding kon alleen omdat Jezus van Nazareth, de bevrijder, de Christus in het Grieks, kon worden nagevolgd.

Die Jezus Bevrijder, Jezus Christus, was een mens, net als alle mensen geboren in water en bloed. Daarom kan hij worden nagevolgd. Als je in zijn Geest werkt dan weet je dat het waar is, op die manier zeggen we dat zijn Geest er van getuigt. De briefschrijver noemt drie getuigen. Welke getuigen bedoeld worden weten we niet precies. Er zijn verschillende handschriften van deze brief die verschillende getuigen noemen op dezelfde plaats. De Nieuwe Bijbelvertaling kiest voor “de Geest, het water en het bloed”, maar er zijn ook handschriften die noemen “de Vader, het Woord of de Zoon, en de Geest” en die drie zijn één staat er dan. Omdat Jezus van Nazareth het gebod van God volgde, omdat hij mens was die gevolgd kan worden, omdat in zijn Geest gewerkt kan worden is het goddelijk om dat gebod te doen. Je naaste liefhebben als jezelf, hoe je het ook zegt, het is te doen, het is heerlijk om te doen, elke dag opnieuw.

Liefde sluit angst uit

1 Johannes 4:11-21

11 Geliefde broeders en zusters, als God ons zo heeft liefgehad, moeten ook wij elkaar liefhebben.12 Niemand heeft God ooit gezien. Maar als we elkaar liefhebben, blijft God in ons en is zijn liefde in ons tot volmaaktheid gekomen. 13 Dat wij in Hem blijven en Hij in ons, weten we doordat Hij ons heeft laten delen in zijn Geest. 14 En we hebben zelf gezien waarvan we nu getuigen: dat de Vader zijn Zoon gezonden heeft als redder van de wereld. 15 Als iemand belijdt dat Jezus de Zoon van God is, blijft God in hem en blijft hij in God. 16 Wij hebben Gods liefde, die in ons is, leren kennen en vertrouwen daarop. God is liefde. Wie in de liefde blijft, blijft in God, en God blijft in hem. 17 Zo is de liefde bij ons tot volmaaktheid gekomen, en daardoor kunnen we op de dag van het oordeel vol vertrouwen zijn, want hoewel wij nog in deze wereld zijn, zijn we als Jezus. 18 De liefde laat geen ruimte voor angst; volmaakte liefde sluit angst uit, want angst veronderstelt straf. In iemand die angst kent, is de liefde niet tot volmaaktheid gekomen. 19 Wij hebben lief omdat God ons het eerst heeft liefgehad. 20 Als iemand zegt: ‘Ik heb God lief,’ maar hij haat zijn broeder of zuster, is hij een leugenaar. Want iemand kan onmogelijk God, die hij nooit gezien heeft, liefhebben als hij de ander, die hij wel ziet, niet liefheeft. 21 We hebben dan ook dit gebod van Hem gekregen: wie God liefheeft, moet ook de ander liefhebben. (NBV21)

Dat is één van de eerste vragen die je tegenwoordig krijgt als je zegt dat je in God gelooft. “Heb je God dan ooit gezien?” Het geeft wel aan dat in onze samenleving de oude gewoonte om afbeeldingen te maken van de God waarin je gelooft niet meer bestaat. Want men vraagt niet meer hoe jouw God er dan wel uit mag zien. Niemand heeft dus God ooit gezien maar als we elkaar liefhebben dan ervaren we God meer dan ooit tevoren. God in ons, wij in God, het zijn abstracte begrippen voor iets dat voor gelovigen een zeer concrete werkelijkheid is geworden. Dat komt omdat we door lief te hebben delen in de Geest van God. Wie werkelijk liefheeft is voortdurend bedacht op de naaste die men liefheeft. Voortdurend wordt de vraag gesteld of wel voldoende gedeeld wordt, of wel voldoende lief gehad wordt. Zelfs al zou dat leiden tot de dood dan nog staat die liefde voor de naaste voorop.

Dat het kan hebben we te danken aan Jezus van Nazareth die de liefde voor de naaste doorleefde door de dood heen. Zijn liefde bleef ondanks zijn kruisiging een levende werkelijkheid. De appel valt niet ver van de boom kun je bij Jezus van Nazareth zeker zeggen want zoals we de liefde van God ervaren in onze liefde voor de naaste zo moet Jezus van Nazareth wel de zoon van God zijn als hij met zijn liefde zelfs de dood kon overwinnen. Nu moeten we bij het lezen van deze Bijbelpassage wel bedenken dat alle mensen onze broeders of zusters zijn. De opmerking dat wie zijn broeder of zuster haat een leugenaar is als die zegt God lief te hebben geldt niet alleen voor mensen die ruzie maken in de eigen kerkgemeenschap of familie. Nee het geldt echt voor iedereen die een ander haat. Vergeet nooit dat Jezus van Nazareth aan het kruis vergeving vroeg voor hen die hem veroordeelden en voor hen die hem aan het kruis sloegen.

Wat iemand ook een ander aangedaan heeft, of ons heeft aangedaan, we kunnen altijd blijven proberen die ander op een andere weg te brengen, de weg van de liefde. Wie God liefheeft moet ook de ander liefhebben. Zelf het goede voorbeeld geven en de ander onvoorwaardelijk liefhebben is het begin. Dat betekent niet dat je alles maar goed vindt van een ander. Wie houdt van de inwoners van Israël zal tegen hen zeggen dat vrede maken meer veiligheid geeft dan oorlog voeren en wie houdt van de Palestijnen zal tegen hen zeggen dat ze een weg moeten voeren om samen te leven met Israël en dat die weg hen eerder een staat en welvaart oplevert dan de weg van het schieten van raketten en het plegen van zelfmoordaanslagen. Wie de ander liefheeft houdt zichzelf en de ander een spiegel voor, de spiegel van God die ons gebiedt de ander lief te hebben als onszelf.

Valse profeten

1 Johannes 4:1-10

1 Geliefde broeders en zusters, vertrouw niet elke geest. Onderzoek altijd of een geest van God komt, want er zijn veel valse profeten in de wereld verschenen. 2 De Geest van God herkent u hieraan: iedere geest die belijdt dat Jezus Christus als mens gekomen is, komt van God. 3 Iedere geest die dit niet belijdt, komt niet van God; dat is de geest van de antichrist, waarvan u hebt gehoord dat hij zal komen-nu al is hij in de wereld. 4 U, kinderen, komt uit God voort en u hebt de valse profeten overwonnen, want Hij die in u is, is machtiger dan hij die in de wereld heerst. 5 Die valse profeten komen uit de wereld voort. Daarom spreken zij de taal van de wereld en luistert de wereld naar hen. 6 Wij komen uit God voort. Wie God kent luistert naar ons. Wie niet uit God voortkomt luistert niet naar ons. Hieraan kunnen we de Geest van de waarheid en de geest van de dwaling herkennen. 7 Geliefde broeders en zusters, laten wij elkaar liefhebben, want de liefde komt uit God voort. Ieder die liefheeft is uit God geboren en kent God. 8 Wie niet liefheeft kent God niet, want God is liefde. 9 En hierin is Gods liefde ons geopenbaard: God heeft zijn enige Zoon in de wereld gezonden, opdat we door Hem zouden leven. 10 Het wezenlijke van de liefde is niet dat wij God hebben liefgehad, maar dat Hij ons heeft liefgehad en zijn Zoon heeft gezonden om verzoening te brengen voor onze zonden. (NBV21)

In de vroege kerk is er heel lang gestreden rond de vraag of Jezus van Nazareth nu mens was of God. Uiteindelijk hebben de toenmalige kerkleiders besloten dat hij het allebei tegelijk was. Ze hebben dat daarna vastgelegd in de geloofsbelijdenis van Nicea. In sommige oude kerkboekjes zit de tekst daarvan nog achterin bij de zogenaamde belijdenisgeschriften. De vraag of Jezus van Nazareth nu mens of God was is niet onbelangrijk. Als hij mens is kun je hem immers niet aanbidden en als hij God is dan is hij onnavolgbaar. Wel mens is hij in elk geval. Dat schrijft de schrijver van de eerste brief van Johannes tenminste. Wie ontkent dat Jezus van Nazareth echt mens was die gelooft dus niet in God, die spreekt in elk geval niet in de geest van God. Want het gaat er om Jezus van Nazareth na te volgen. Als je in je spreken Jezus van Nazareth ver van de mensen plaatst, jezelf er tussenin, dan behoor je tot de antichrist en antichristenen zijn er genoeg. Die zetten inderdaad zichzelf tussen de mensen en Jezus van Nazareth.

Fraaie gewaden, ingewikkelde zinnen, moeilijke rituelen, roepen dat ze de ware kerk zijn en namens God de genade zullen uitreiken, het zijn allemaal tekenen van de antichrist volgens deze brief. Die valse profeten komen voort uit de wereld, daarom luistert de wereld naar hen. Presidenten en Koningen nodigen die valse profeten graag uit voor staatsbezoeken, of interreligieuze overlegbijeenkomsten om te laten zien hoe vroom ze zijn. Dat die valse profeten ook macht uitoefenen over mensen en liefdeloos anderen veroordelen en discrimineren maakt ze dan even niets uit. Wij mogen gelukkig zelf in de Bijbel lezen en krijgen vandaag te horen dat ieder die liefheeft uit God is geboren. Daar mogen we zelfs homoseksuelen die willen trouwen en hun liefde in het openbaar belijden niet van uitsluiten. Ook zij zijn volgens deze brief kinderen van God. De liefde van God komt niet omdat wij er om gevraagd hebben, maar Jezus van Nazareth kwam omdat de liefde van God dat voor ons nodig vond.

Zonder Jezus van Nazareth is er steeds minder liefde tussen mensen, hebben mensen steeds minder voor elkaar over, zijn mensen zeker niet bereid hun leven voor elkaar in te zetten. Maar dat verhaal over Israël en de Wet van heb je naaste lief als jezelf en het voorbeeld van Jezus van Nazareth die dat door de dood heen volhield maakt dat we elke keer er weer opnieuw mee mogen beginnen. We weten dat we er vaak naast zitten, dat we mensen aan de kant laten staan die we er bij hadden moeten betrekken, dat we er niet in slagen iedereen te eten te geven, ook al is er eten genoeg, gevangenen te bevrijden, zieken te verzorgen. Maar elke keer opnieuw als we ons dat realiseren en het anders gaan doen wordt ons dat vergeven en mogen we weer mee op de Weg van Jezus van Nazareth, ook vandaag.

Wie oprecht zijn

Psalm 107:33-43

33 Hij maakt van rivieren woestijn, van waterbronnen dorstig land, 34 van vruchtbare aarde zilte grond, vanwege het kwaad van de bewoners. 35 Hij maakt van woestijnen waterland, van dor gebied een bronrijke streek. 36 Hij laat daar wonen wie honger leden, zij stichten een stad, een woonplaats, 37 zaaien akkers in, planten wijngaarden, met een rijke oogst aan vruchten. 38 Zegent Hij hen, zij worden zeer talrijk en ook hun vee breidt zich uit, 39 zegent Hij niet, hun aantal neemt af, ze buigen onder de last van onheil en verdriet. 40 Hij stort schande uit over de aanzienlijken, Hij laat hen dolen in een woestenij zonder uitweg; 41 de armen behoedt Hij voor slavernij, hun families maakt Hij talrijk als kudden. 42 Wie oprecht zijn, zien het met blijdschap, wie onrecht doet, moet zwijgen. 43 De wijze neemt dit ter harte en kent de trouw van de HEER. (NBV21)

De geest van Jezus werd Trooster genoemd. Nog een paar weken en we vieren de uitstorting van die Geest. Je blijft in zijn geest in staat de samenleving er op te wijzen dat de zorg voor de zwakke voorop dient te blijven staan. Soms kun je daar zelfs dan nog beter op wijzen. Door die storm heen, door die ellende heen blijven we volgens Psalm 107 in staat opnieuw de akkers in de zaaien, te oogsten, te delen en een samenleving op te bouwen op de fundamenten van recht en vrede.

Er zijn mensen voor nodig die hun angst voor onderdrukking, angst voor de dood, weten te overwinnen en het leven stellen boven macht. Vandaag staan we stil bij onze recente geschiedenis waar telkens weer mensen waren die zich verzetten tegen een dodende macht, machten die niet alleen mensen doden maar een hele samenleven. In een samenleving zoals bezongen wordt in deze Psalm is vrijheid, daar zorgen mensen voor elkaar in plaats van over elkaar te heersten. Die mensen uit onze geschiedenis leren ons dat we daar ook vandaag voor op moeten komen.

Het mooiste is dat we er vandaag mee kunnen beginnen. Als we ons maar blijven herinneren dat het voor iedereen altijd en overal het laatste moment kan zijn. Zoals het standbeeld van de vissersvrouw op de Boulevard in Katwijk aan Zee herinnert aan al die vissers die in de loop van de geschiedenis op zee zijn gebleven. Die geschiedenis is niet voorbij, dat is niet iets van vroeger, dat is iets ook van onze dagen, als mensen doodgaan en nabestaanden getroost moeten worden, of als we moeten voorkomen dat mensen doodgaan als we voor hen uit kijken en gevaren onderkennen.

Hun maag keerde om

Psalm 107:23-32

23 Soms daalden zij af naar zee, gingen scheep en bevoeren het wijde water, 24 ze zagen de daden van de HEER, zijn wonderen op de oceaan. 25 Hij sprak en ontketende storm, hoog zweepte Hij de golven op. 26 Zij stegen tot aan de hemel, vielen neer in de diepte, hun maag keerde om van ellende, 27 ze tolden en tuimelden als dronkaards, alle kennis baatte hun niets. 28 Ze riepen in hun angst tot de HEER – Hij leidde hen weg uit vele gevaren, 29 Hij bracht de storm tot zwijgen, de golven gingen liggen. 30 Het verheugde hen dat de zee tot rust kwam, Hij bracht hen naar hun veilige haven. 31 Laten zij de HEER loven om zijn trouw, om zijn wonderen aan mensen verricht, 32 Hem hoog verheffen als het volk bijeen is, Hem loven in de kring van de oudsten. (NBV21)

Waar kennen we dat toch van, wie stilde de storm, dat was toch Jezus van Nazareth? Zo wordt het door Marcus tenminste verteld, maar Psalm 107 bezingt het of men het al had meegemaakt. Historisch klopt dat natuurlijk niet, of Marcus greep terug naar Psalm 107 en liet zien dat de Weg van Jezus van Nazareth je werkelijk laat zingen als deze psalm. Wij heidenen, opgevoed als christenen, kunnen de Joodse Bijbel nu niet anders lezen dan door de bril van het Christendom. In het verhaal zoals het door Marcus werd verteld sliep Jezus overigens en zijn volgelingen werden bang dat ze zouden vergaan.

Net zo bang als de ballingen die over zee terugkeerden volgens psalm 107. Heel wat families van vissers zullen nu stilletjes denken dat Gods wereld toch wel heel gemeen in elkaar zit. Hun familieleden werden niet gered, voor hen werd de storm niet gestild. Waarom de een wel en de ander niet? Wel, Jezus sliep en in de Psalm staat dat de kennis die de ballingen hadden van de richtlijnen voor liefde en recht hen niet baatte. Toen we uit het boek Job lazen hebben we geleerd dat we natuurrampen maar moeten nemen zoals ze komen. Waar het kennelijk op aankomt is het vertrouwen.

De ballingen uit deze psalm laten zich op en neer gooien op de golven, zij hebben vertrouwen in het feit dat ze de stad van hun dromen zullen bereiken, de volgelingen van Jezus maken hem wakker, zij hebben er vertrouwen in dat hun meester iets voor hen kan betekenen. Jona, die tijdens een storm lag te slapen, liet zich overboord gooien. Dat vertrouwen op een goede afloop sleept je door de storm heen. Ook als een familielid sterft is het leven niet voorbij, ook als je een ramp overkomt, een ernstig ongeval, en ziekte of een handicap is het leven niet voorbij. Je blijft in staat je onbaatzuchtige liefde aan een ander te geven.

 

Hij zond zijn woord

Psalm 107:10-22

10 Soms zaten zij in het diepste duister als slaven met ijzeren boeien, 11 want ze hadden zich tegen Gods woorden verzet, de raad van de Allerhoogste verworpen, 12 Hij liet hen buigen onder een zware last, ze vielen, en er was niemand die hielp. 13 Ze schreeuwden in hun angst tot de HEER – Hij heeft hen gered uit vele gevaren, 14 haalde hen weg uit het diepste duister en brak hun boeien aan stukken. 15 Laten zij de HEER loven om zijn trouw, om zijn wonderen aan mensen verricht: 16 bronzen deuren heeft Hij verbrijzeld, ijzeren grendels verbroken. 17 Soms leefden zij als dwazen, gingen gebukt onder de last van hun zonden, 18 ze gruwden van elk voedsel en waren de poorten van de dood nabij. 19 Ze schreeuwden in hun angst tot de HEER – Hij heeft hen gered uit vele gevaren, 20 Hij zond zijn woord en genas hen, ontrukte hen aan het graf. 21 Laten zij de HEER loven om zijn trouw, om zijn wonderen aan mensen verricht, 22 laten zij Hem dankoffers brengen, juichend zijn daden bezingen. (NBV21)

Als je je afwendt van God dan helpt God je ook niet. Dan kan je van alles overkomen. Overigens ook als je God wel dient kan je van alles overkomen maar dan kun je op zijn staf leunen. Die Godsdienst voor de God van Israël is niet eenvoudig. Godenbeelden kenden ze niet, rituelen hadden ze bijna niet. Af en toe een maaltijd met familie en vrienden, wat armen er bij, hun personeel alsof het gelijken waren en de helpers van een tempel die ver weg en onbereikbaar leek. Toch gaf dat het gevoel mee te tellen in de wereld. Geen wonder dat die mensen zingend terugkeerden naar hun land van herkomst. Die opleving van de oude Godsdienst gaf hun leven nieuwe richting en letterlijk voerde die naar een stad, de stad waar de Tempel stond. Daar werden immers die richtlijnen bewaard, daar woonde God zelf.

Daar was geen godsdienstdwang, daar kon je je kinderen naar scholen sturen waar jouw godsdienst ook werd onderwezen, daar waren je vrouw en je kinderen veilig voor vreemde gewoonten en vreemde godsdiensten. Ze kenden nog het verhaal van het volk dat door de woestijn trok en ze herkenden het. Waren ze zelf ook niet in een woestijn geweest vol verraderlijke slangen, zonder eten en drinken dat niet voor de een of andere god was bestemd? Hoe meer ze tijdens de ballingschap hadden geleerd over hun eigen wetten en gewoonten hoe meer ze zich daarbij thuis hadden gevoeld. Dat je het samen deed, dat je kon bouwen op je medemens betekent immers dat je er in die vreemde omgeving ook niet meer alleen voor stond. Samen sta je steeds sterker, zo sterk dat hun gemeenschap als vanzelf tot een sterke stad uitgroeide.

Zo keerden ze terug, juichend en zingend en vol dankbaarheid voor dat nieuwe leven dat herontdekt mocht worden en waar ze telkens opnieuw mee zouden kunnen beginnen. Opgestaan uit de dood van de ballingschap waren ze, genezen van het vreemde waar ze toe gedwongen waren. Kunnen wij met ze meezingen vandaag? Kunnen wij vandaag ook ontdekken hoe sterk de kracht van de onbaatzuchtige liefde is? Durven we dat te doen samen met de vreemdelingen in ons midden, samen met mensen die van elkaar houden zonder dat wij oordelen over wie van wie houdt omdat religie en seksualiteit nu eenmaal niets met elkaar te maken hebben? Durven we nog te praten over vrede. Durven we te herhalen wat de Bijbel zegt dat vrede altijd vruchtbaarder is dan oorlog en dat daarom de staat Israël en Rusland op moeten houden met oorlog en vrede moeten maken? Pas als we zelf op die stok durven leunen helpen we onze naasten.

De rechte weg

Psalm 107:1-9

1 ‘Loof de HEER, want Hij is goed, eeuwig duurt zijn trouw.’ 2 Zo spreken zij die door de HEER zijn verlost, door Hem verlost uit de greep van de vijand, 3 bijeengebracht uit alle landen, uit het oosten en het westen, uit het noorden en het zuiden. 4 Soms doolden zij door de woestijn, maar een weg in de wildernis, een stad, een woonplaats vonden ze niet. 5 Ze kregen honger en dorst en kwijnden van uitputting weg. 6 Ze riepen in hun angst tot de HEER – Hij heeft hen bevrijd uit vele gevaren, 7 Hij wees hun de rechte weg, de weg naar een stad, een woonplaats. 8 Laten zij de HEER loven om zijn trouw, om zijn wonderen aan mensen verricht: 9 wie dorst had, gaf Hij te drinken, wie honger had, volop te eten. (NBV21)

Vandaag zingen we een lied over bevrijding, over terugkeer naar het land dat je beloofd was. Het land waar ballingen vandaan gehaald waren. Overal waren ze nu vandaan gekomen na de ballingschap. De meeste verhalen voor de Bijbel waren in Babel opgeschreven en tot een verzameling boeken samengevoegd. In Jeruzalem was met de herbouw van de Tempel begonnen. De herontdekking van de richtlijnen voor liefde, recht en rechtvaardigheid was overal in de wereld als een lopend vuurtje rondgegaan. Eindelijk was er weer een reden voor die rare identiteit van die ballingen. In een wereld waarin iedereen achter prachtige godenbeelden aanliep.

In die wereld moesten ze door naar het beloofde land, door landen waar tempels met de meest wondere schoonheid werden gebouwd, waar de meest vreemde rituelen werden uitgevoerd, waar mannen met mannen en vrouwen met vrouwen moesten liggen om de goden tevreden te stellen en de vruchtbaarheid van de landerijen te bevorderen waren ze voortdurend raar aangekeken vanwege hun vreemde gewoonten. Het was niet altijd even eenvoudig geweest om het beloofde land te bereiken. Het land Israël was zelf na de ballingschap tot een wildernis verworden en het was omringt door wildernis en woestijn. Verdwalen doe je dan gemakkelijk.

Letterlijk de weg kwijtraken maar in de woorden van de Psalm mag je ook lezen dat de terugkerende ballingen soms ook op religieus gebied de weg kwijtraakten. De Heidense volken waar ze doorheen trokken hadden grondgebonden goden. Als je veilig door hun gebied wilde trekken moest je die goden gunstig stemmen. En dat was wel heel erg in strijd met de godsdienst van die ballingen. Maar als ze weigerden die vreemde goden te dienen merkten ze dat hun eigen God hen ter hulp kwam. Dat verdwalen overkomt ook ons wel eens. Als we denken dat vrijheid een absolute voorrang betekent voor het eigen gelijk. Als we denken dat we ons ten kosten van alles kunnen verrijken. In dat beloofde land, in ons land dus ook, gaat het om samen delen, samen zorgen voor elkaar. Dan kunnen we deze Psalm elke dag weer zingen.

 

Laat goed tot u doordringen

Deuteronomium 4:32-40

32 Ga de hele geschiedenis maar na, vanaf de dag dat God de mens op aarde schiep, en doorkruis de hele wereld van het uiterste oosten tot het uiterste westen: Is zoiets geweldigs ooit voorgekomen, heeft men ooit iets dergelijks vernomen? 33 Is er ooit een volk geweest dat net als u vanuit een vuur de stem van een god heeft gehoord en dat heeft overleefd? 34 Is er ooit een god geweest die het heeft aangedurfd zich een volk toe te eigenen waarover een ander volk macht uitoefende, en die dat deed met grootse daden, met tekenen en wonderen en strijd, met sterke hand en opgeheven arm, en op angstaanjagende wijze-zoals u met eigen ogen de HEER, uw God, in Egypte hebt zien doen? 35 U bent er getuige van geweest opdat u zou beseffen dat alleen de HEER God is; er is geen ander naast Hem. 36 Vanuit de hemel heeft Hij zijn stem laten horen om u te onderrichten, en op aarde heeft Hij u dat grote vuur laten zien en vanuit het vuur zijn geboden bekendgemaakt. 37 De HEER heeft uw voorouders liefgehad en hun nageslacht uitgekozen, en Hij zelf heeft u met zijn grote macht uit Egypte bevrijd 38 en ter wille van u volken verdreven die groter en machtiger waren dan u, om u hun land binnen te leiden en het u in eigendom te geven, zoals dat nu gebeurt. 39 Wees u er daarom van bewust en laat goed tot u doordringen dat alleen de HEER God is, boven in de hemel en hierbeneden op de aarde; een ander is er niet. 40 Houd u altijd aan zijn wetten en geboden, zoals ik ze u vandaag geef. Dan zal het u en uw kinderen goed gaan, en zult u lang leven in het land dat de HEER, uw God, u geven zal. (NBV21)

Toen het volk Israël een gouden kalf had gemaakt om hun God af te beelden wil de God van Israël compleet stoppen met het avontuur dat was aangegaan met dat volk. Dat het volk als slavenvolk was bevrijdt uit de slavernij en niet zomaar maar met rampen en plagen die het hele volk van Egypte hadden betroffen was voor dat volk kennelijk niet een reden om zich te beperken tot de aanbidding van juist die God. Mozes had toen God tegengeworpen dat een einde aan het verbond God tot een lachertje voor de omringende volken gemaakt zou hebben. Dat was de reden dat God toch doorgegaan was. Nu houd Mozes dezelfde gebeurtenissen aan het volk voor om hen in te prenten die God niet anders te volgen dan zoals afgesproken, geen beelden maken.

Het volk was overigens niet in vrede en rust door de woestijn getrokken. Het had vaak gemopperd op Mozes en daarmee op God omdat trekken door een woestijn van oase naar oase nu eenmaal niet gemakkelijk was. Het had Mozes zelfs zo boos gemaakt dat hij zelf voor water had gezorgd en dat niet aan God had overgelaten. Daarom mocht hij het beloofde land niet binnen. Ook was het volk aangevallen door volken waar ze langs trokken of door wier land ze moesten trekken op weg naar dat beloofde land. Tot veler verbazing hadden ze steeds de oorlog gewonnen. Het lukte de koningen van de vijanden zelfs niet het volk te laten vervloeken.

Maar het blijft een rare God. De andere volken hadden ook goden. Die kwamen nooit op de aarde maar als ze hun afbeeldingen nu maar voorzagen van alles wat nodig is om in leven te blijven en nog meer om in weelde te kunnen leven dan konden die goden gunstig gestemd worden zodat de aarde vruchtbaar werd en overwinningen in oorlogen behaald konden worden. Die God van Israël had ook wel een hemel maar die God kwam ook naar de aarde. Tijdens de reis door de woestijn had die God de richting aangegeven. En die richting lag ook vast in de boeken die aan Mozes waren gegeven en die ze moesten leren. Dat zouden ze ook aan hun kinderen duidelijk moeten maken. Dat moeten wij ook aan onze kinderen duidelijk maken. Het gaat niet om de beste te zijn, maar om de minsten te helpen.

Goden van hout en van steen

Deuteronomium 4:21-31

21 Door uw schuld is de HEER kwaad op mij geworden. Hij zwoer dat ik de Jordaan niet zou oversteken en het goede land niet binnen zou gaan dat Hij u als grondgebied zou geven. 22 Ik moet hier sterven, ik zal de Jordaan niet oversteken, maar u mag wel oversteken en dat goede land in bezit nemen. 23 Zorg er dan voor dat u het verbond dat de HEER, uw God, met u heeft gesloten niet vergeet, en dat u niet tegen zijn gebod in een godenbeeld maakt, een afbeelding van wat dan ook. 24 Want de HEER, uw God, is een verterend vuur, Hij duldt geen ontrouw. 25 Als u eenmaal in dat land geworteld bent en er kinderen en kleinkinderen hebt gekregen, en u gaat u misdragen door een godenbeeld te maken, een afbeelding van wat dan ook, en u tergt de HEER, uw God, door te doen wat slecht is in zijn ogen- 26 ik roep vandaag de hemel en de aarde op als getuigen tegen u, dat u dan spoedig zult worden verdreven uit het land aan de overkant van de Jordaan, dat u in bezit zult nemen. Daar zal u dan geen lang leven beschoren zijn, integendeel, u zult worden weggevaagd. 27 De HEER zal u uiteenjagen en u wegvoeren naar vreemde volken, waar maar een klein aantal van u zal overblijven. 28 Daar zult u dan andere goden vereren, goden van hout en van steen, door mensen gemaakt, goden die niet kunnen horen en zien, niet eten en niet ruiken. 29 Maar ten slotte zult u de HEER, uw God, weer zoeken, en Hem ook vinden, als u Hem met hart en ziel zoekt. 30 Wanneer dit alles u overkomt zult u in uw nood uiteindelijk terugkeren naar de HEER, uw God, en naar Hem luisteren. 31 Want de HEER, uw God, is een liefdevolle God. Hij zal u niet verlaten en u niet in het verderf storten. Wat Hij uw voorouders onder ede heeft beloofd, vergeet Hij niet. (NBV21)

Mozes, wiens afscheidsrede we hier lezen, legt de schuld voor het verbod dat God hem had gegeven om de Jordaan over te steken bij de generatie die Egypte had verlaten en die een gouden kalf had opgericht en te bang voor reuzen was geweest om het land dat God hen wilde  geven ook in bezit te nemen. Het verbod op afgodsbeelden, op de aanbidding van andere goden dan de God van Israël, de God van wie je zelfs de naam niet mag zeggen uit eerbied, moet je onder alle omstandigheden in acht nemen. De generatie waar Mozes het tegen heeft kent de afgodendienst niet. Ze zijn geboren in de woestijn en hebben tenminste 38 jaar door de woestijn gezworven tot hun ouders en grootouders waren overleden. Ze komen straks in een totaal vreemde cultuur waar godenbeelden een hoofdrol spelen.

En het is moeilijk om je daarvan los te maken. Zelfs de meest strenge protestanten kijken graag  naar een Rooms Katholieke processie waarin beelden van zogenaamde heiligen worden rondgedragen, begeleid door priesters in prachtige gewaden, muziekkorpsen en gelovigen die menen scenes uit de Bijbel uit te beelden. Dat er Rooms Katholieken zijn die zelfs knielen als er  een door mensenhanden gemaakt beeld langskomt doet  dan niet ter zake. Het ademt een sfeer van geloof, van een verbondenheid met het hogere en het is gewoon mooi om te zien. Zelfs protestanten gaan soms naar Lourdes om bewonderend te kijken naar de zorg voor de zieken en die de beelden waarvoor geknield wordt en kaarsjes  worden aangestoken maar al te graag vergeten. Dergelijke religieuze uitingen kunnen diepen indruk maken. Het volk Israël zou er in het beloofde land ook kennis mee maken.

Een beeld bij elke akker, op de hoeken van de akkers palen om moeder aarde, Asjeera, gerust te stellen en haar tot vruchtbaarheid te verleiden.  Je zou bijna vergeten dat het goden zijn door mensen gemaakt en die niet kunnen horen en zien, niet eten of ruiken. Branden van wierook voor die beelden, aansteken van kaarsen, altaren met reuk en andere offers zijn allen vergeefs. Zelfs voorspraak bij de God van Israël kun je van  deze afgoden niet verwachten. Die pracht en praal zijn ook in onze dagen verleidelijk. Ooit sloegen de protestanten die  afgoden de kerken uit omdat de onderdrukking door wereldlijke en kerkelijke overheid hen te veel werd. Mozes waarschuwt dat pas in grote nood de gelovigen zich weer iets gaan aantrekken van de God van Israël. Die waarschuwing geldt ook voor ons, laten we voorkomen dat ook wij die crisis moeten doormaken.

Voor altijd mogen jullie leven!

Psalm 22:23-32

23 Ik zal uw naam bekendmaken, U loven in de kring van mijn volk. 24 Loof Hem, jullie die de HEER vrezen, breng Hem eer, kinderen van Jakob, wees beducht voor Hem, volk van Israël. 25 Hij veracht de zwakke niet, verafschuwt niet wie wordt vernederd, Hij wendt zijn blik niet van hem af, maar hoort zijn hulpgeroep. 26 Daarom klinkt mijn lofzang in de kring van het volk, mijn geloften los ik in bij wie Hem vrezen. 27 De vernederden zullen eten en worden verzadigd. Zij die Hem zoeken, brengen lof aan de HEER. Voor altijd mogen jullie leven! 28 Overal, tot aan de einden der aarde, zal men de HEER gedenken en zich tot Hem wenden. Voor U zullen zich buigen alle stammen en volken. 29 Want het koningschap is aan de HEER, Hij heerst over de volken. 30 Wie op aarde in overvloed leven, zullen aanzitten en zich voor Hem buigen. Alle stervelingen zullen voor Hem knielen, allen die neerdalen in het graf. 31 Een nieuw geslacht zal Hem dienen en aan de kinderen vertellen van de Heer; 32 aan het volk dat nog geboren moet worden zal het verhalen van zijn gerechtigheid, om wat Hij heeft gedaan. (NBV21)

In het tweede deel van de Psalm barst de dichter uit in een lofzang op een wereld, op een samenleving zonder het lijden. Daar staan de minsten centraal, daar wordt gezorgd, daar wordt gedeeld. En het sluit met de regel dat de God van Israël niet een God is van mooie liedjes en grote massa’s mensen die zich laten amuseren door fraai vormgegeven verhalen over lijden, maar dat de God van Israël een God is van daden. Daden van bevrijding, daden van heling, daden van zorg voor elkaar. En het is niet de God van Israël die dat allemaal moet opknappen maar het zijn de gelovigen die de richtlijnen voor de menselijke samenleving volgen. In de samenleving van de God van Israël lopen die massa’s rond het detentiecentrum voor vreemdelingen .

Ze houden dat vol totdat de muren daar instorten en geen kinderen meer opgesloten worden en geen mensen die geen misdrijf hebben bedreven. In de samenleving van de God van Israël wordt er voor gezorgd dat niemand op de aarde meer hoeft dood te gaan van honger of van dorst, God heeft ons genoeg eten gegeven om iedereen in leven te houden. In de samenleving van de God van Israël staat bij alles wat wij met elkaar doen de veiligheid en de zorg voor elkaar voorop. Die wereld, die aarde is er nog steeds niet. De Psalm roept ons daarom ook op om aan de slag te gaan, het werk aan die wereld zonder aarzelen aan te vatten. Zoals Jezus van Nazareth deze Psalm aanhief toen hij zijn leven gaf om lijden van anderen te voorkomen zullen wij ons leven in dienst moeten stellen van het bestrijden, het opheffen, het voorkomen van lijden.

De bevrijdende God van Israël, tegen wie alle machten en krachten op deze wereld het moeten afleggen, wordt dan zichtbaar in het leven dat mensen zonder lijden mogen leven. De God van Israël is met slachtoffers van oorlog en geweld, de God van Israël is met mensen zonder geld, de armen, de minsten in deze wereld. Jezus van Nazareth is aan het kruis ook niet van God verlaten, juist aan het kruis gaat de aanwezigheid van God in vervulling, Jezus valt op dat moment juist met God samen. Door die kruisdood op zich te nemen, door zelfs in het bitterste uur van zijn lijden te blijven weigeren een opstand uit te lokken, redt Jezus de levens van ontelbaren. Zo mogen wij er op vertrouwen dat ons werk voor de minsten haar vruchten zal afwerpen.