Die timmerman

Marcus 6:1-6a

1 Hij vertrok weer en ging naar zijn vaderstad, gevolgd door zijn leerlingen. 2 Toen de sabbat was aangebroken, gaf Hij onderricht in de synagoge, en vele toehoorders waren stomverbaasd en zeiden: ‘Waar haalt Hij dat allemaal vandaan? Wat is dat voor wijsheid die Hem gegeven is? En dan die wonderen die zijn handen tot stand brengen! 3 Hij is toch die timmerman, de zoon van Maria en de broer van Jakobus en Joses en Judas en Simon? En wonen zijn zussen niet hier bij ons?’ En ze namen aanstoot aan Hem. 4 Jezus zei tegen hen: ‘Een profeet wordt overal erkend behalve in zijn vaderstad, onder zijn verwanten en huisgenoten.’ 5 Hij kon daar geen enkel wonder doen, behalve dat Hij een paar zieken de handen oplegde en hen genas. 6 Hij stond verbaasd over hun ongeloof. (NBV21)

Als iemand bij je in de buurt is opgegroeid kun je je nauwelijks voorstellen dat die persoon ineens een nationale persoonlijkheid wordt. Waar haalt hij toch al die wijsheid vandaan? Het is toch ook gewoon een zoon van een moeder, een broer van stadgenoten, broers en zusters die onder ons wonen? Alle glitter en glamour valt van mensen af als je ze ook in een natuurlijke omgeving ziet. Ze gaan allemaal naar het toilet en moeten allemaal in de ochtend de tanden poetsen.

Bij Jezus van Nazareth kwam daar ook nog de familie bij. Een eigenschap van dorpsleven dat ook in onze dagen nog lang heeft standgehouden. In veel dorpen zijn mensen familie van elkaar en is er maar een beperkt aantal achternamen. Als kinderen dan ook nog vernoemd worden naar grootouders of ouders dan heten heel veel mensen hetzelfde. Daar komt dan de familie bij. Je heet niet gewoon Jan maar je bent de Jan van Piet en Marie. Zo werd er in het kleine Nazareth ook naar Jezus gekeken.

Jezus van Nazareth verbaasde zich over het ongeloof van zijn dorpsgenoten. Als hij kon wat hij kon dan konden zij dat toch ook, zorgen dat mensen er weer bij gingen horen, eerlijk delen met elkaar, zorgen voor eerlijke handelsvoorwaarden. Maar werken aan een betere samenleving is niet eenvoudig. Voor gewone mensen is er elke dag ook wel een tegenslag en dat betekent dat je niet hoog van de toren moet blazen. Visioenen van een betere wereld worden niet gewaardeerd, probeer het eerst vandaag maar eens goed te doen. Dat kan dus ook, net als Jezus gewoon maar iemand helpen, je naaste zien en die een plaats geven, elke dag opnieuw.

Het werk van hun handen

Psalm 28

1 Van David. U, HEER, roep ik aan, mijn rots, houd u niet doof. Als U blijft zwijgen, word ik een dode met de doden in het graf. 2 Hoor mijn smeekbede als ik U om hulp roep, als ik mijn handen ophef naar het hart van uw heiligdom. 3 Ruk mij niet weg met de kwaadwilligen, met hen die onrecht doen, die hun vrienden vrede wensen, maar in hun hart zinnen op kwaad. 4 Geef hun wat ze verdienen, vergeld hun naar hun daden, naar het werk van hun handen, laat hen voor hun misdrijven boeten. 5 Voor de daden van de HEER hebben ze geen oog, noch voor het werk van zijn handen. Daarom zal Hij hen afbreken en nooit meer opbouwen. 6 De HEER zij geprezen, Hij heeft mijn smeekbede gehoord. 7 De HEER is mijn kracht en mijn schild, op Hem vertrouwde mijn hart, ik werd geholpen en mijn hart jubelde, Hem wil ik loven in mijn lied. 8 De HEER is de kracht van zijn volk, een burcht van redding voor zijn gezalfde. 9 Red het volk dat U toebehoort, zegen het, wees zijn herder en draag het voor eeuwig. (NBV21)

We zoeken de Schriftgedeelten die we dagelijks hier lezen en bespreken niet zelf uit. We volgen het leesrooster van het Nederlands Bijbelgenootschap dat op de site van de PKN is te downloaden en dat in heel veel kerken dagelijks gelezen wordt. Toch valt het op hoe vaak de keuze van het Bijbelgedeelte aansluit bij de actualiteit van het leven. Vandaag zingen we van Psalm 28. In deze Psalm wordt God aangeroepen als een Rots, een rots waarop je kunt bouwen. In een tijd van financiële en economische crisis, als alles om je heen onzeker is kun je zo’n rots wel gebruiken. Want wat zal de toekomst brengen? Heb je nog wel werk na de zomer? Komt er wel pensioen als je uitgewerkt bent? Is er een uitkering als je door ziekte of ongeval ongeschikt wordt om te werken? Blijf je wel verzekerd tegen alle risico’s van ziekte ook voor degenen die van jou afhankelijk zijn? Wordt het vinden van een huis straks mogelijk of nog moeilijker?

Voor heel veel mensen is het leven heel wat onzekerder geworden en dan kan je zo’n rots wel gebruiken. Maar we moeten oppassen van het geloof in de God van Israël geen vluchtweg voor ellende te maken. Als je in die God geloofd ben je niet verzekerd tegen ellende. Het overkomt je even goed. Alleen die ellende is wat beter te dragen. Christenen wijzen graag op het kruis en het lijden van Jezus van Nazareth. Dat is bijna altijd erger dan wat ons kan overkomen. Maar daar had de dichter van deze Psalm geen weet van. Hij is bang weggerukt te worden met de kwaadwilligen, met hen die onrecht doen, die hun vrienden vrede wensen, maar in hun hart zinnen op kwaad. Je moet het dus zoeken bij het tegendeel van het kwaad, het tegendeel van onrecht. De liefde voor de naaste kan je door het diepste dal heen helpen. Niet eens zozeer de liefde die mensen voor jou hebben als je het moeilijk hebt. Dat kan een hele steun zijn, maar soms ook een last.

Mensen zijn soms oppervlakkig, denken dat een enkel woord al genoeg is om het lijden weg te nemen. Ze glimlachen je alvast toe maar jouw pijn blijft, ja het lijkt er soms op dat ze je verbieden je pijn te tonen. Die liefde kan helpen maar daar moet je niet te vast op rekenen. Wat echt helpt is zelf je naaste lief te hebben als jezelf. Dat begint met het liefhebben van jezelf. Ook al wordt je werkloos, ook al verlies je bezit en aanzien, je blijft evenveel waard als je waard was. Wie afhankelijk wordt van ambtelijke instanties loopt de kans diep vernederd te worden. Je laten vernederen door ambtelijke instanties is nog erger, dan doe je het jezelf ook nog een keer aan. Er tegen opstaan kan jou helpen maar ook anderen, niemand is immers door eigen schuld werkloos. En ook als je nog werk hebt dan kun je je bewust worden van het feit dat je zusters en broeders gemakkelijk vernederd worden en onrecht wordt aangedaan. Kleine foutjes hebben voor armen vaak grote gevolgen. Doe mensen recht en heb ze lief. Dat is de rots waarop een samenleving gebouwd kan worden, dat is het gebod van onze God, ook vandaag, ook in deze dagen.

 

Wat de vrede bevordert

Romeinen 14:13-23

13 Laten we elkaar daarom niet langer veroordelen. In plaats daarvan moet u zich voornemen uw broeder en zuster niet te laten struikelen of ten val te brengen.14 De Heer Jezus geeft mij de vaste overtuiging dat niets op zichzelf onrein is; iets is alleen onrein voor wie het als onrein beschouwt.15 Als u dus uw broeder of zuster in verlegenheid brengt door wat u eet, handelt u niet langer overeenkomstig de liefde. Laat hen voor wie Christus gestorven is niet verloren gaan door het voedsel dat u eet.16 Breng het goede dat God u schenkt geen schade toe, 17 want het koninkrijk van God is geen zaak van eten en drinken, maar van gerechtigheid, vrede en vreugde door de heilige Geest. 18 Wie Christus zo dient, is God welgevallig en bij de mensen geacht. 19 Laten we daarom streven naar wat de vrede bevordert en naar wat opbouwend is voor elkaar. 20 Breek het werk van God niet af enkel vanwege voedsel. Weliswaar is alle voedsel rein, maar het is verkeerd om iets te eten dat een struikelblok vormt. 21 Vlees, wijn of iets anders dat voor uw broeder of zuster een struikelblok vormt, kunt u beter mijden. 22 Uw overtuiging is een aangelegenheid tussen u en God. Gelukkig is wie zich geen verwijten hoeft te maken over wat hij besluit te doen, 23 maar wie met zichzelf in conflict komt door wat hij eet, is op dat moment al veroordeeld. Want dan komt het niet voort uit geloof, en alles wat niet uit geloof voortkomt is zondig. (NBV21)

Paulus had in zijn dagen te maken met conflicten waar wij geen weet mee van hebben. Wij kennen in onze Christelijke westerse cultuur geen spijswetten. Natuurlijk hebben we weet van de Joodse spijswetten en het kosjer eten en natuurlijk kennen we ook het Islamitische Hallal, maar zelf hebben we zoiets over het algemeen niet. De Heidenen die zich tot het Christendom hadden bekeerd in de dagen van Paulus kenden dat wel. Zij kenden het vlees dat gegeten werd als offer aan bepaalde Heidense goden, met dat eten bracht je een offer. De boodschap van Paulus was: “hou daar nou eens mee op”. Die spijswetten van Israël maakten je ooit bewust van het voedsel dat je at en zorgden er voor dat je zorgvuldig met het voedsel omging, maar die tijd is geweest. Dat offervlees was in Heidense riten van betekenis maar nu je die riten achter je hebt gelaten is dat offervlees ook geen offervlees meer. Maar voor veel mensen uit de dagen van Paulus was die boodschap toch wat kort door de bocht.

Joden die Christenen waren geworden wilden toch aan hun kosjere eten vasthouden. Heidenen die Christen waren geworden wilden dat Heidense offervlees niet meer eten. En als ze dan voedsel zagen dat niet kosjer was of dat traditioneel offervlees was dan ergerden ze zich. Dat eten getuigde niet van respect voor de God van Israël, dat eten bleef je vasthouden in de wereld van afgoderij waar je van was bevrijdt. In het gedeelte dat we vandaag lezen zegt Paulus dat we met elkaar best rekening mogen houden met dergelijke gevoeligheden. Het gaat er immers niet om wat je aan regels aan een ander oplegt, of dat je jouw regels beter vindt dan de regels van een ander, jij bent toch ook niet beter of slechter dan die die ander, maar het gaat er om dat je samen een nieuwe samenleving opbouwt. In onze dagen wordt er nog wel eens een discussie gevoerd over Hallal, volgens de Islamitische regels bereid voedsel. Daar zouden Christenen dus niet van mee moeten hoeven eten.

Paulus vindt dat onzin. Voor Christenen zoals Paulus bestaat er geen Hallal of niet Hallal voedsel. Alles wat eetbaar is is geoorloofd. En dus als er mensen zijn die waarde hechten aan Hallal dan eten we daar en met hen Hallal, of Kosjer, of Surinaams, of Indonesisch. Of het nu religieus bepaald of cultureel bepaald is, het gaat er om mensen tot hun recht te laten komen. Daar werken we aan mee. En de drank? De wijn? Er zijn mensen die verslaafd waren en absoluut geen alcohol mogen drinken. Ook daar mogen we rekening mee houden. Zijn die in ons gezelschap, dan drinken ook wij geen alcohol, dan organiseren we ons eigen feest ook zonder alcohol zodat ook zij met ons feest kunnen vieren. Ook de overheid mag daar wel wat meer rekening mee houden. Mensen bestraffen omdat ze alcohol op hebben terwijl ze rijden en zelf aan het eind van de dag recepties organiseren met alcohol gaat niet altijd samen. Dat is wat Paulus bedoeld hier, denk eerst om de ander, dan pas om jezelf. Dat mogen we gelukkig elke dag opnieuw doen, ook vandaag weer.

Zwak staan in het geloof

Romeinen 14:1-12

1 Aanvaard degenen die zwak staan in het geloof, ontvang hen zonder hun opvattingen te bestrijden. 2 De een gelooft dat hij alles mag eten, maar iemand met een zwak geloof eet alleen groenten. 3 Wie alles eet mag niet neerzien op iemand die dat niet doet, en wie niet alles eet mag geen oordeel vellen over iemand die dat wel doet, want God heeft hem aanvaard. 4 Wie bent u dat u een oordeel velt over de dienaar van een ander? Of het wel of niet goed is wat hij doet, bepaalt alleen zijn eigen heer-en hij zal het goed blijven doen, want de Heer heeft de macht hem te laten volharden. 5 De een beschouwt bepaalde dagen als een feestdag, voor de ander zijn alle dagen gelijk. Laat iedereen zijn eigen overtuiging volgen. 6 Wie een feestdag viert, doet dat om de Heer te eren; wie alles eet, doet dat om de Heer te eren, en hij dankt God voor zijn voedsel. Wie iets niet wil eten, laat het staan om de Heer te eren, en ook hij dankt God. 7 Niemand van ons leeft voor zichzelf, en niemand van ons sterft voor zichzelf. 8 Zolang wij leven, leven we voor de Heer; en wanneer wij sterven, sterven we voor de Heer. Dus of we nu leven of sterven, wij zijn van de Heer. 9 Immers, Christus is gestorven en weer tot leven gekomen om te heersen over de doden en de levenden. 10 Wie bent u dat u een oordeel velt over uw broeder of zuster? Wie bent u dat u neerziet op uw broeder of zuster? Wij allen zullen voor Gods rechterstoel komen te staan, 11 want er staat geschreven: ‘Zo waar Ik leef-zegt de Heer-,voor Mij zal elke knie zich buigen, en elke tong zal God loven.’12 Ieder van ons zal dus over zichzelf verantwoording tegenover God moeten afleggen. (NBV21)

Elk jaar houden veel kerken de gebedsweek voor de eenheid van de Christenen en zelfs binnen de PKN kennen we eigenlijk niet zoveel eenheid. Zelfs in de grote Roomse Kerk zijn er veel verschillen en moeten er van tijd tot tijd mensen het zwijgen opgelegd worden om de verschillen niet al te groot te laten worden. In de Protestantse Kerken gaan de splitsingen nog door. De Romeinen aan wie Paulus deze brief schreef kenden heel andere verschillen dan wij en uit die verschillen kwamen gemakkelijk conflicten voort. In het jaar 46 waren de Joden uit de stad Rome verdreven, ook de Joden die Christen geworden waren. In het jaar 54 mochten ze weer terugkeren. De Heidenen die Christen waren geworden hadden zich inmiddels tot een hechte gemeenschap ontwikkeld.

Zo waren er groepen Christenen die omwille van hun geloof het een en ander hadden meegemaakt maar die grote verschillen in handelen hadden. De Joodse spijswetten werden soms wel en soms niet gevolgd, de Joodse feestdagen werden soms wel en soms niet gevolgd en soms werden ook Romeinse feestdagen gevierd.  Paulus wijst er op dat om te beginnen elke gelovige zich moet afvragen of wat hij of zij doet overeenkomt met wat God vraagt en dat je een ander daar niet op mag beoordelen. Samen sta je maar voor één ding en dat is de naaste lief te hebben als jezelf, zorgen voor de minsten en de zwaksten in de samenleving. Daarbij zijn vraagstukken over wat je eet of welke feestdagen je viert van zeer ondergeschikt belang. In onze dagen mag je zeggen dat ook vaak de taal die je gebruikt als je het hebt over Bijbelse zaken ondergeschikt zou moeten zijn aan de gezamenlijke verantwoording voor bijvoorbeeld onze Palestijnse broeders, of de daklozen, of de hoeren in de stad. Zelfs wat we zingen kan een bron van conflict zijn.

Na het verschijnen van het Nieuwe Liedboek in 2013 voor zeven kerkgenootschappen zijn er nog minstens drie bundels verschenen om alle stromingen te bedienen. Uit het Bijbelgedeelte van vandaag leren we dat we elkaar niet alleen moeten zien te verdragen maar moeten zorgen voor de zwaksten. Zo gaat het er niet om mensen te bekeren maar, is het stoppen van sekstoerisme naar Thailand en onze bijdragen aan ander onrecht veel belangrijker. Daartoe mensen in beweging krijgen brengt ze al bijna op de Weg van Jezus van Nazareth. De stap naar de echte Weg is dan nog maar klein. Dat geldt voor al het goede dat we kunnen doen om het kwade te bestrijden. We stapelen vurige kolen op hoofden en of we dan op zondagmiddag naar het voetbal gaan kijken doet volstrekt niet ter zake. We nemen elkaar vaak zo de maat dat we vergeten dat God ons de maat neemt en dat wij moeten zorgen dat Gods maat voor de armen gaat werken. Maar elke dag mogen we daar weer opnieuw mee beginnen, ook vandaag weer.

 

En verkondigde vrijmoedig

Handelingen 9:19b-31

19b Hij bleef enkele dagen bij de leerlingen in Damascus 20 en ging onmiddellijk in de synagogen verkondigen dat Jezus de Zoon van God is. 21 Allen die hem hoorden waren stomverbaasd en vroegen: ‘Dat is toch de man die in Jeruzalem iedereen naar het leven stond die de naam van Jezus aanroept? En hij is toch hierheen gekomen om hen gevangen te nemen en uit te leveren aan de hogepriesters?’ 22 Saulus’ optreden werd echter steeds krachtiger, en hij bracht de in Damascus wonende Joden in verwarring door aan te tonen dat Jezus de messias is. Al spoedig beraamden de Joden een plan om hem te vermoorden. 24 Saulus raakte echter van hun voornemen op de hoogte. Ze hielden zelfs dag en nacht de stadspoorten in de gaten om hem te kunnen doden. 25 Maar Saulus’ leerlingen brachten hem ’s nachts naar de stadsmuur en lieten hem daar in een mand naar beneden zakken. 26 Toen hij terug was in Jeruzalem wilde hij zich aansluiten bij de leerlingen, maar die waren bang voor hem omdat ze niet geloofden dat ook hij een leerling was geworden. 27 Barnabas nam hem echter onder zijn hoede en bracht hem naar de apostelen, aan wie hij vertelde dat Saulus onderweg de Heer had gezien, dat die met hem had gesproken en dat hij in Damascus vrijmoedig de naam van Jezus had verkondigd. 28 Saulus liep nu openlijk met de apostelen in Jeruzalem rond en verkondigde vrijmoedig de naam van de Heer. 29 Hij ging in debat met de Griekstalige Joden, maar die beraamden een aanslag op zijn leven. 30 Toen de broeders dat te weten kwamen, brachten ze hem naar Caesarea en stuurden hem van daar naar Tarsus. 31 In heel Judea en Galilea en Samaria leefde de gemeente in vrede en kwam tot bloei. De gelovigen leefden in ontzag voor de Heer, en dankzij de bijstand van de heilige Geest nam hun aantal steeds meer toe. (NBV21)

Je hebt dat ook tegenwoordig nog wel. Mensen die bekeerd zijn en dan nog fanatieker zijn dan de oorspronkelijke aanhangers. Zo moet het met die Saulus ook gegaan zijn. Hij kwam om te vervolgen maar vervolgens maakte hij oproer. Moet je eens voorstellen. De Joden zijn in het buitenland en vormen daar toch al een minderheid. Ze hebben de nodige moeite om hun eigen geloof, hun eigen cultuur te bewaren en dan komt er een vreemde snoeshaan, ook zo’n buitenlandse Jood, die ze vertelt dat ze bevrijd worden als ze meegaan in het verhaal van Jezus van Nazareth. Diezelfde Jezus die door de machthebbers van het rijk en door de autoriteiten van de Tempel is veroordeeld en een slavendood is gestorven. Hij bleef liefhebben ook door de dood heen is dan de boodschap. Levensgevaarlijk is zo’n optreden zeker als dat ook nog een beetje fanatiek wordt gebracht. Het gooit alles in de war, het schept partijen, de een is het eens met die Saulus de ander vindt het maar niks.

Weg met Saulus dus. In een mand over de muur moet de vervolger vluchten voor zijn vijanden. Terug naar Jeruzalem, naar de mensen die hij eerst uit hun huizen sleurde. Geen wonder dat die christenen bang voor hem waren. En dan gaat hij opnieuw in discussie met de Grieks sprekende Joden. De buitenlanders dus, die toch al moeite hadden om geaccepteerd te worden. Grieks sprekende weduwen werden zelfs in de Christelijke gemeente bijna achtergesteld. Ze waren de aanleiding om ook Grieks sprekende voorgangers, diakenen, aan te stellen. Voor de gemeente in Israël, de gemeente in opbouw, is het allemaal maar niks dat optreden van die Saulus. Hij moet maar terug naar huis, naar Turkije, naar Tarsus, daar komt hij immers vandaan, daar kennen ze hem. En dan keert inderdaad de rust weer.

Niet dat de groei afneemt. De gemeente blijft groeien. En het aantal gemeenten blijft groeien. Dat slaan op de trom en het opzetten van een grote mond is dus nergens voor nodig. Liefde laten zien, je vijanden lief hebben, je naaste liefhebben als je zelf, delen wat je hebt en de maaltijd houden met iedereen ongeacht afkomst of nationaliteit. Dat is wat er voortdurend staat in dit verhaal. Dat is wat we zelfs vandaag de dag nog moeten leren. Vandaag willen onze bestuurders een nieuwe start maken. Maar een aantal zijn vergeten dat we allemaal afstammen van Adam en Eva en dat dus alle mensen onze zusters en broers zijn, wie zet nu familie op straat. Ze vergeten ook dat samenwerking vruchtbaarder is dan hulp, van hulp krijg je toeslagenaffaires. Zo zullen we zelf als gelovigen de straat op moeten om het verhaal van de Liefde en haar kracht te vertellen en te laten zien.

 

Hij is aan het bidden

Handelingen 9:1-19a

1 Intussen bedreigde Saulus de leerlingen van de Heer nog steeds met de dood. Hij ging naar de hogepriester 2 met het verzoek hem aanbevelingsbrieven mee te geven voor de synagogen in Damascus, opdat hij de aanhangers van de Weg die hij daar zou aantreffen, mannen zowel als vrouwen, gevangen kon nemen en kon meevoeren naar Jeruzalem. 3 Toen hij onderweg was en Damascus naderde, werd hij plotseling omstraald door een lichtuit de hemel. 4 Hij viel op de grond en hoorde een stem tegen hem zeggen: ‘Saul, Saul, waarom vervolg je Mij?’ 5 Hij vroeg: ‘Wie bent U, Heer?’ Het antwoord was: ‘Ik ben Jezus, die jij vervolgt. 6 Maar sta nu op en ga de stad in, daar zal je gezegd worden wat je moet doen.’ 7 De mannen die met Saulus meereisden, stonden sprakeloos; ze hoorden de stem wel, maar zagen niemand. 8 Saulus kwam overeind, en hoewel hij zijn ogen open had, kon hij niets zien. Zijn metgezellen pakten hem bij de hand en brachten hem naar Damascus. 9 Drie dagen lang bleef hij blind en at en dronk hij niet. 10 In Damascus woonde een leerling die Ananias heette. In een visioen zei de Heer tegen hem: ‘Ananias!’ Hij antwoordde: ‘Ik luister, Heer.’ 11 Daarop zei de Heer: ‘Ga naar de Rechte Straat en vraag daar in het huis van Judas naar iemand uit Tarsus die Saulus heet. Hij is aan het bidden, 12 en hij heeft in een visioen gezien hoe een man die Ananias heet, binnenkomt en hem de handen oplegt om hem weer te laten zien.’ 13 Ananias antwoordde: ‘Heer, van veel kanten heb ik gehoord over deze man en over al het kwaad dat hij uw heiligen in Jeruzalem heeft aangedaan. 14 Bovendien heeft hij toestemming van de hogepriesters om hier iedereen die uw naam aanroept in de boeien te slaan.’ 15 Maar de Heer zei: ‘Ga, want hij is het instrument dat Ik gekozen heb om mijn naam uit te dragen onder de volken en hun heersers en onder de Israëlieten. 16 Ik zal hem tonen hoezeer hij moet lijden omwille van mijn naam.’ 17 Ananias vertrok en ging naar het huis, waar hij Saulus de handen oplegde, terwijl hij zei: ‘Saul, broeder, ik ben gezonden door de Heer, door Jezus, die aan u verschenen is op de weg hierheen, om ervoor te zorgen dat u weer kunt zien en vervuld wordt van de heilige Geest.’ 18 Meteen was het alsof er schellen van Saulus’ ogen vielen; hij kon weer zien, stond op en liet zich dopen, 19 en nadat hij gegeten had, kwam hij weer op krachten. (NBV21)

Bekeringsverhalen zijn altijd bloemrijk en dat mag natuurlijk ook wel. Het is niet niks als je plotseling het licht ziet en doorkrijgt dat hetgeen waarmee je bezig bent nu net het tegendeel is van hetgeen je wilt bereiken. Het verhaal van Paulus volgt niet voor niks op de verhalen over Filippus. Terwijl Saulus van Tarzus in Jeruzalem nog bezig was om Christenen uit hun huis te sleuren was Filippus al bezig de hoge ambtenaar uit Ethiopië te dopen Die vervolging door Saulus bereikte het tegendeel van haar doel. Niet een vernietiging van de beweging van aanhangers van Jezus van Nazareth, de mensen van de Weg genoemd in dit verhaal, maar een uitbreiding van het aantal aanhangers en een verspreiding over een steeds groter gebied. En dat alles zonder gewelddadig verzet. Buiten Jeruzalem op weg naar Damascus gaat Saulus het licht op. De manier waarop zijn ijver zich ontwikkelde moet een geweldige indruk gemaakt hebben. We gebruiken de namen Saulus en Paulus door elkaar maar dat is niet helemaal terecht.

Deze man uit het Turkse Tarzus was een Jood van buiten Israël. Hij had de nationaliteit van de Romeinse bezetter en was dus eigenlijk een buitenlander. En juist omdat die beweging van Jezus van Nazareth zoveel buitenlanders toeliet en zelfs Grieks sprekende bestuurders als Stephanus aanstelde werden ze vervolgd. Saulus zou dus eigenlijk ook zichzelf moeten vervolgen en buiten Israël komt zijn identiteit natuurlijk ter discussie. Gaat hij verder als Romeins Staatsburger of als Joods gelovige? Pas na zijn doop, zijn aanvaarding van de nieuwe Weg, gaat hij verder als Paulus, de Romeins staatsburger die op de manier van Jezus van Nazareth het gebod van Israel elkaar lief te hebben als jezelf over de wereld uitdraagt. De vraag over het waarom van vervolging is in onze dagen de vraag van Amnesty International geworden. Waarom worden mensen vervolgd die een andere opvatting of een ander geloof hebben dan de vervolgers? Wij moeten oppassen daarbij niet in het kamp van de vervolgers terecht te komen. Want hoe gaan wij met onze vijanden om?

Jezus van Nazareth riep eens dat je je vijanden lief moet hebben. Maar dat is gemakkelijk gezegd. Ananias uit dit verhaal zit wat dat betreft met een dilemma. Hoe laat je die Saulus inzien dat hij verkeerd zit. Die Saulus heeft volmachten van de Priesters in Jeruzalem om jou op te laten pakken. En toch moet je die Saulus lief hebben. Er op af klinkt het in het hoofd van Ananias. Door de dood heen moet die liefde een kans krijgen anders is het niks als vrome woorden maar zonder waarde. En zo gebeurd het, Saulus die al met de vraag zat waarom die volgelingen van Jezus van Nazareth eigenlijk vervolgd moeten worden ziet nu ook wat het betekent je naaste lief te hebben als jezelf. Ook hij besluit die nieuwe Weg in te slaan en zich te laten dopen, om vervolgens samen te eten want dat geeft nieuwe kracht. De beweging naar onze “vijanden” , de anderen, de vreemdelingen, toe, brengen tegenwoordig maar weinig mensen meer op. Toch ligt daar de basis van onze samenleving, staan wij in die Christelijke traditie. Herbronnen noemen we dat vandaag de dag, opnieuw de beweging maken naar wie anders doen, om te ontdekken dat ze helemaal niet zo anders zijn, het mag ook vandaag.

 

Mijn leven nadert het dodenrijk.

Psalm 88

1 Een lied, een psalm van de Korachieten. Voor de koorleider. Op de wijs van De rietpijp. Een beurtzang, een kunstig lied van de Ezrachiet Heman. 2 HEER, God, mijn redder, ik roep tot U, ik schreeuw het uit, bij dag en bij nacht. 3 Laat mijn gebed U bereiken, luister naar mijn klagen, 4 ik word door rampen bezocht, mijn leven nadert het dodenrijk. 5 Ik hoor bij wie afgedaald zijn in het graf, ik ben als een man aan het eind van zijn krachten, 6 als een naamloze dode ben ik, als een gesneuvelde in een massagraf, aan wie U niet langer denkt, losgerukt uit uw hand. 7 U hebt mij onder in de kuil gelegd, in het duister van de diepte, 8 uw toorn drukt zwaar op mij, uw golven slaan over mij heen. sela 9 Bekenden hebt U van mij vervreemd, afgrijzen roep ik bij hen op, ik ben ingesloten en zie geen uitweg meer. 10 Mijn ogen zijn dof van ellende, ik roep U aan, HEER, elke dag, en strek mijn handen naar U uit. 11 Doet U wonderen bij doden, staan schimmen op om U te loven? sela 12 Komt uw liefde in het graf ter sprake of uw trouw in de afgrond? 13 Weet men in de duisternis van uw wonderen of van uw weldaden in het land der vergetelheid? 14 Daarom roep ik U om hulp, HEER, elke morgen nader ik U met mijn gebed. 15 Waarom, HEER, verstoot U mij en verbergt U voor mij uw gelaat? 16 Ik ben verzwakt, van jongs af in doodsgevaar, verbijsterd moet ik uw woede verduren. 17 De gloed van uw toorn overweldigt mij, uw verschrikkingen maken mij sprakeloos, 18 als water omringen ze mij, dag aan dag, van alle kanten sluiten ze mij in. 19 Mijn beste vrienden hebt U van mij vervreemd, mijn enige metgezel is de duisternis. (NBV21)

Vandaag zingen we een wel heel droevige Psalm mee. Een klaagpsalm. Van Heman de Ezrachiet staat er. En de enige Heman die we uit de Bijbel kennen is de zoon van Zerach. Dat was één van de twee zonen uit het overspel van Juda met zijn schoondochter Tamar. Die kwam dus ook al uit zo’n droevige familie. Het lied stond oorspronkelijk in de bundel van de Korachieten, het koor dat de Tempelzang verzorgde en was op de wijze van het lied de Rietpijp zelfs een beurtzang. Zang en tegenzang. Wij zingen het op Keti Koti het feest van bevrijding van slaafgemaakten maar ook het feest waarop wij opnieuw leren te luisteren naar de klachten van broeders en zusters in nood. Nu staat er bij de klaagpsalmen altijd nog iets van een troost, een vers soms, maar altijd iets waaruit moet blijken dat de God van Israël een redder is, de klager te hulp komt, geneest, of verlost van zijn vijanden. Daar is in deze psalm niks van terug te vinden. Om er iets vrolijks van te maken moet je bijna een hele psalm verder lezen, pas halverwege psalm 89 kom je de zin tegen die gelukkig prijst het volk dat de jubel kent. Die Heman kent van jubel en vrolijkheid helemaal niks.

Misschien aan het begin. Want Heman spreekt de God van Israël aan als zijn redder. Zo ziet hij die God, al lijkt het er op dat die God hem niet ziet. Wie de rest van de psalm op zich in laat werken en verder niet doorleest in de Bijbel loopt kans op een ernstige depressie. Want de psalmist voelt zich van God en alle mensen verlaten. Totale doodsheid is zijn lot. En dat is tegelijk het belang van deze psalm. Want als de Bijbel spreekt over de dood dan is dat meestal helemaal niet de toestand die optreed na het sterven. In de Bijbel wordt vaker over de dood gesproken als een toestand voor het sterven, een situatie waarin iemand verkeerd en waar het sterven een onontkoombaar gevolg van zou kunnen zijn, maar waarin het sterven zelf nog niet aan de orde is. De totale afwezigheid van liefde, warmte en het vermogen om dat te voelen en te delen met wie dan ook, zelfs met God is een beschrijving van doodsheid. De dichter spreekt dan ook uit te horen bij wie in het graf liggen, als gestorven zijn dus.

De dichter wijst God er op dat doden niets zeggen, dat schimmen op de begraafplaats zwijgen en alleen afschrikken. Wie God loven moeten van God warmte en liefde hebben ervaren. Deze psalmdichter ervaart helemaal niets alleen de verschrikkingen van God die hem als water omringen. Water is in Israël zelf een symbool voor de dood. Wij houden niet van dit soort teksten. Zo erg kan het toch niet zijn? Wie ernstig depressief is herkent zich in deze psalm. Al die mensen die hem of haar omringen geven geen liefde, geven geen warmte, versterken eerder het gevoel van God en alle mensen verlaten te zijn, versterken het gevoel al dood te zijn en anderen slechts tot last. Juist omdat zogenaamd gezonde mensen, wij allemaal eigenlijk, zo’n verschrikkelijke hekel hebben aan teksten als deze weigeren we te luisteren naar mensen die ons zulke boodschappen over zichzelf willen brengen. Maar juist mensen die zich van God en alle mensen verlaten voelen hebben zulke teksten nodig, ergens is er begrip ook voor hen. En als zelfs de klassieke psalmberijming dit lied kan zingen, zie het liedboek, en de eenzaamheid kan laten staan moet het ons toch ook kunnen lukken, juist op een dag waarin we herdenken dat we af zijn van een zeer vreselijke situatie, toen we nog de waarde van onze broeders en zusters lieten bepalen door de markt en niet door God.

Hij pakte de hand

Marcus 5:21-43

21 Toen Jezus weer met de boot was overgestoken, verzamelde er zich een grote menigte bij Hem, en Hij bleef aan het meer. 22 Een van de leiders van de synagoge, die Jaïrus heette, kwam naar Hem toe, en toen hij Jezus zag viel hij aan zijn voeten neer. 23 Hij smeekte Hem dringend: ‘Mijn dochter ligt op sterven; kom haar de handen opleggen om haar te redden en te zorgen dat ze in leven blijft.’ 24 Hij ging met hem mee. Een grote menigte volgde Hem en verdrong zich om Hem heen. 25 Onder hen was ook een vrouw die al twaalf jaar aan bloedverlies leed. 26 Ze had veel ellende doorgemaakt door de behandeling van allerlei artsen, aan wie ze haar hele vermogen had uitgegeven zonder dat ze ergens baat bij had gehad; integendeel, ze was alleen maar achteruitgegaan. 27 Ze had gehoord over Jezus, en ze begaf zich tussen de menigte en raakte zijn mantel van achteren aan, 28 want ze dacht: Als ik alleen zijn kleren maar kan aanraken, zal ik genezen. 29 En meteen hield hetbloed op te vloeien en merkte ze aan haar lichaam dat ze van de kwaal genezen was. 30 Op hetzelfde ogenblik werd Jezus zich ervan bewust dat er kracht van Hem was uitgegaan. Midden in de menigte draaide Hij zich om en vroeg: ‘Wie heeft mijn kleren aangeraakt?’ 31 Zijn leerlingen zeiden tegen Hem: ‘U ziet dat de menigte zich om U verdringt en dan vraagt U: “Wie heeft Mij aangeraakt?”’ 32 maar Hij keek om zich heen om te zien wie het gedaan had. 33 De vrouw, die bang was geworden en stond te trillen omdat ze wist wat er met haar was gebeurd, kwam naar Hem toe en viel voor Hem neer en vertelde Hem de hele waarheid. 34 Toen zei Hij tegen haar: ‘Uw geloof heeft u gered, mijn dochter; ga in vrede, u bent van uw kwaal genezen.’ 35 Nog voor Hij uitgesproken was, kwamen enkele mensen tegen de leider van de synagoge zeggen: ‘Uw dochter is gestorven, waarom valt u de meester nog lastig?’ 36 Maar Jezus hoorde dat en zei tegen de leider van de synagoge: ‘Wees niet bang, maar blijf geloven.’ 37 Hij stond niemand toe om met Hem mee te gaan, behalve Petrus, Jakobus en Johannes, de broer van Jakobus. 38 Ze kwamen bij het huis van de leider van de synagoge en zagen daar een groep mensen die luid stonden te huilen en te weeklagen. 39 Hij ging naar binnen en zei tegen hen: ‘Waarom maken jullie zo’n misbaar en huilen jullie? Het kind is niet gestorven, het slaapt.’ 40 Ze lachten Hem uit. Maar Hij stuurde hen allemaal naar buiten en ging met de vader en moeder van het kind en de leerlingen die bij Hem waren de kamer binnen waar het kind lag. 41 Hij pakte de hand van het kind vast en zei tegen haar: ‘Talita koem!’ In onze taal betekent koem!’ In onze taal betekent dat: ‘Meisje, Ik zeg je, sta op!’ 42 Meteen stond het meisje op en begon heen en weer te lopen. Ze was twaalf jaar. Iedereen was met stomheid geslagen. 43 Hij drukte hun op het hart dat niemand dit te weten mocht komen, en zei dat ze haar iets te eten moesten geven. (NBV21)

De meeste mannelijke theologen knippen het verhaal van vandaag in twee stukken, als of er twee verhalen staan. Mannen kunnen namelijk niet zoveel met de menstruatie van vrouwen. Vrouwelijke seksualiteit is al helemaal iets waar mannen niet zoveel mee kunnen. Eeuwenlang hebben ze zelfs gedacht dat de Bijbel vrouwen het hebben van hun eigen seksualiteit verbood. Dat staat wel nergens maar het ontslaat mannen van een heleboel verantwoordelijkheid. De vrouw uit dit eerste deel van het verhaal is daar een mooi voorbeeld van. Als een vrouw menstrueert moet je haar respecteren en met rust laten staat er in de leer die Mozes ooit aan het volk had gegeven. In het bloed zetelt het leven en als een vrouw bloed verliest dan moet je voorzichtig zijn. Op zich helemaal niet van die onverstandige adviezen maar je gaat nu eenmaal ook niet aan vrouwen vragen of ze misschien wel of niet menstrueren. Daarom was de regel ontstaan om vrouwen helemaal maar niet meer aan te raken. De Islam heeft die regel later overgenomen. Die regel had wel tot gevolg dat de vrouw uit dit verhaal een paria werd, tot de onaanraakbaren ging behoren. Geen arts kon haar genezen, nee die maandstonden horen nu eenmaal bij een vrouw. Alleen herkende ze in Jezus iets dat ze in niemand anders ooit gezien had. Hij zorgde dat mensen er weer bij konden horen.

Dus raakte zij hem aan, als dat taboe eenmaal doorbroken zou zijn moest het immers beter gaan. En het lukte ,Jezus stond midden in de menigte toe dat deze vrouw hem aanraakte, vloeiingen of niet, ze hoorde er bij, genezen en wel. Als wij overigens zo krampachtig blijven doen over vrouwelijke seksualiteit kunnen ze er ook dood aan gaan. En omgaan met vrouwelijke seksualiteit hebben mannen nog steeds niet geleerd. Daar waar vrouwen willen laten zien hoe mooi ze zijn schrikken mannen er van. Aan de andere kant zijn lust en begeerte ook zaken waar je aan kunt verdienen en voor het opwekken van lust en begeerte kun je vrouwen als voorwerpen gebruiken. Een discussie over bloot in reclame is daarom maar al te zinvol, maken we voorwerpen van onze zusters of mogen we ze als mens blijven bekijken. Maar bloot op zich, bloot op straat of strand, of bloot in de kunst, daar is niets tegen, daarbij gaat het altijd om mensen die net zo mooi zijn als wijzelf, ieder mens is immers even mooi. Al die angst voor vrouwelijke seksualiteit kan ook dodelijk zijn voor vrouwen. Dat is het verhaal van het dochterje van Jaïrus, de leider van de synagoge. Dat verhaal over dat dochtertje wordt altijd zo gelezen dat het net leek dat het meisje gestorven was toen Jezus kwam. Hij wekte de dode weer tot leven.

Maar dat verhaal staat dus niet in de Bijbel. Het verhaal gaat over een vader, een meisje van 12 en een vrouw die aan bloedvloeiingen leed. Die vrouw was tot de onaanraakbaren gaan horen en Jezus had haar daarvan genezen. Als vader ben je als de dood dat je dochtertje ook zoiets overkomt. Zeker als ze op het punt staat een jonge vrouw te worden kan de angst ernstig toeslaan. Wat kan een meisje vandaag de dag allemaal wel niet overkomen. Het is het een of het ander, ze wordt verkracht of onaanraakbaar. Voor beide zou je ze willen behoeden, ze moet maar kind blijven. Meisjes kunnen onbewust hieraan tegemoet gaan komen. Ze gaan dan aan ernstige eetstoornissen leiden die uiteindelijk ook de dood tot gevolg kunnen hebben. Jezus van Nazareth reikt het meisje de hand en nodigt haar uit op te staan. Ze mag er bij horen, ze mag jonge vrouw worden, ze mag aangeraakt en gerespecteerd worden. De volwassenen om haar heen mogen haar ook leren hoe mensen met elkaar en met haar om horen te gaan, daar mag je dus ook open en eerlijk over praten, een meisje mag zich leren wapenen tegen de onzekerheid die haar aantrekkingskracht met zich meebrengt. Uiteindelijk nodigt Jezus van Nazareth uit de eetstoornis te overwinnen, geef haar te eten is zijn laatste opdracht. We moeten durven geloven dat het dochtertje van Jaïrus dus niet dood was maar sliep en niet uit de dood hoefde te worden opgewekt maar mocht gaan vloeien net als die vrouw die vloeide en er toch mocht bijhoren.

Die alles gezien hadden

Marcus 5:1-20

1 Ze kwamen aan de overkant van het meer, in het gebied van de Gerasenen. 2 Toen Hij uit de boot gestapt was, kwam Hem meteen vanuit de grafspelonken een man tegemoet die door een onreine geest bezeten was 3 en in de spelonken woonde. Niemand kon hem meer vastbinden, zelfs niet met kettingen. 4 Hij was al dikwijls aan handen en voeten geketend geweest, maar dan trok hij de kettingen los en sloeg hij de boeien stuk, en niemand was sterk genoeg om hem te bedwingen. 5 En altijd, dag en nacht, liep hij schreeuwend tussen de rotsgraven en door de bergen en sloeg hij zichzelf met stenen. 6 Toen hij Jezus in de verte zag, rende hij op Hem af en wierp zich voor Hem neer, 7 en luid schreeuwend zei hij: ‘Wat heb ik met Jou te maken, Jezus, Zoon van de allerhoogste God? Ik bezweer Je bij God: doe me geen pijn!’ 8 Want Hij had tegen hem gezegd: ‘Onreine geest, ga weg uit die man.’ 9 Jezus vroeg hem: ‘Wat is je naam?’ En hij antwoordde: ‘Legioen is mijn naam, want we zijn met velen.’ 10 Hij smeekte Hem dringend om hen niet uit deze streek te verjagen. 11 Nu werd er op de berghelling een grote kudde varkens gehoed. 12 De onreine geesten smeekten Hem: ‘Stuur ons naar die varkens, dan kunnen we bij ze intrekken.’ 13 Hij stond hun dat toe. Toen de onreine geesten de man verlaten hadden, trokken ze in de varkens, en de kudde van wel tweeduizend stuks stormde de steile helling af, het meer in, en verdronk in het water. 14 De varkenshoeders sloegen op de vlucht en vertelden in de stad en in de dorpen wat ze hadden meegemaakt, en de mensen gingen kijken wat er gebeurd was. 15 Ze kwamen bij Jezus en zagen de bezetene daar zitten, gekleed en bij zijn volle verstand, dezelfde man die altijd bezeten was geweest door het legioen, en ze werden door schrik bevangen. 16 Degenen die alles gezien hadden, legden uit wat er met de bezetene en met de varkens was gebeurd. 17 Daarop drongen de mensen er bij Jezus op aan om hun gebied te verlaten. 18 Toen Hij in de boot stapte, smeekte de man die bezeten was geweest om bij Hem te mogen blijven. 19 Dat stond Hij hem niet toe, maar Hij zei tegen hem: ‘Ga naar huis, naar uw eigen mensen, en vertel hun wat de Heer allemaal voor u heeft gedaan en hoe Hij zich over u heeft ontfermd.’ 20 De man ging weg en begon in de Dekapolis rond te vertellen wat Jezus voor hem had gedaan, en iedereen stond verbaasd. (NBV21)

Psychiaters kennen de verschijnselen wel die beschreven worden in het verhaal dat we vandaag lezen. De oorzaken kunnen vele zijn. Niet alleen psychische oorzaken overigens, maar ook lichamelijke oorzaken, beschadigingen aan de hersens, kunnen het gedrag van zelfverminking, wanen en uitzonderlijke woede veroorzaken. Maar ook psychische oorzaken. Angst ligt er dan vaak aan ten grondslag. Angst veroorzaakt door ervaringen in het verleden of angst die schijnbaar onverklaarbaar in de loop van de jaren is gegroeid. En als mensen angst hebben voor andere mensen worden die andere mensen ook bang voor hen. Het boze in de man uit het verhaal van vandaag vraagt om hem geen pijn te doen. Marcus spreekt van kettingen die hem niet konden houden en vastgebonden zijn met kettingen is meestal niet pijnloos.

Jezus van Nazareth is niet bang voor de man maar gaat met hem in gesprek. En dat gesprek brengt de man genezing. De oploop die het veroorzaakt brengt nog wel een kudde varkens op hol die van de rotsen storten. Een prachtig beeld voor mensen van Israël. Varkens zijn immers onrein en mogen niet gegeten worden. Het onreine stort zichzelf van de rotsen in dit verhaal. Voor de mensen uit het 10 stedengebied, aan de overkant van de Jordaan en dus eigenlijk buiten Israël, betekende het een verlies aan inkomsten en bezit. Jezus van Nazareth zorgt dat zelfs deze vreemdeling weer mee kan doen met zijn eigen gemeenschap maar dat heeft dus een prijs. Dat een plaats geven in de gemeenschap lezen we niet voor het eerst, dat is steeds bij zieken en zwakken het geval. Jezus van Nazareth zorgt er voor dat mensen er weer bij gaan horen. Daar staan mensen verbaasd over, want wij sturen ze liever naar onherbergzame streken als het ons niet aanstaat, of we sluiten ze op in gevangenissen en vreemdelingenbewaring. Inrichtingen staan meestal ver buiten de stad.

Wij kennen ook de angst voor vreemdelingen en voor andere soorten van geloven. Die angst neemt toe als ons bestaan bedreigd lijkt te worden, in tijden van economische crisis dus. Die angst raakt niet in de eerste plaats de armen, die zijn de crisis gewend en weten hoe te overleven. Die angst voor vreemdelingen en bedreiging van het eigen bestaan raakt die mensen die arm dreigen te worden als ze hun baan verliezen of als hun huis ineens minder waard wordt. Die mensen zoeken bescherming, ze zoeken een sterke man die hen zal beschermen. Dat wordt dus altijd een politicus die stoere taal spreekt, die zich in harde bewoordingen tegen de bedreiging keert. Dat dat politici zijn die zelf bang zijn, laffe angsthazen meestal, omringd door beveiligers, ontgaat de mensen door de harde taal die ze uitslaan. Genezen van de angst is ondenkbaar voor hen. Alleen het “weg met de vreemdelingen” kennen ze, toch is die genezing van de angst de weg van Jezus van Nazareth. Als we bereid zijn te delen met elkaar en met elkaar in gesprek te gaan hoeven we niet bang te zijn, niet voor vreemdelingen, niet voor armoede. Laat de mensen zich dus verbazen over jou vandaag.

Een leven lang

Psalm 30

1 Een psalm. Een lied bij de inwijding van de tempel. Van David. 2 Hoog wil ik U prijzen, HEER, want U hebt mij gered en mijn vijand geen reden gegeven tot vreugde. 3 HEER, mijn God, ik riep U te hulp en U hebt mij genezen. 4 HEER, U trok mij uit het dodenrijk omhoog, ik daalde af in het graf, maar U hield mij in leven. 5 Zing voor de HEER, u die Hem trouw bent, loof zijn heilige naam. 6 Zijn woede duurt een oogwenk, zijn liefde een leven lang. Met tranen slapen we ’s avonds in, ’s morgens staan we juichend op. 7 In mijn overmoed dacht ik: Nooit zal ik wankelen. 8 HEER, U had mij lief en ik stond als een machtige berg, U verborg uw gelaat en ik bezweek van angst. 9 U, HEER, roep ik aan, U, Heer, smeek ik om genade. 10 Wat baat het U als ik sterf, als ik afdaal in het graf? Kan het stof U soms loven en getuigen van uw trouw? soms loven en getuigen van uw trouw? 11 Luister, HEER, en toon uw genade, HEER, kom mij te hulp. 12 U hebt mijn klacht veranderd in een dans, mijn rouwkleed weggenomen, mij in vreugde gehuld. 13 Mijn ziel zal voor U zingen en niet zwijgen. HEER, mijn God, U wil ik eeuwig loven. (NBV21)

Vandaag zingen we met de kerk een Psalm mee met een politieke geschiedenis. Want de Psalm begint met  het opschrift : ” Een lied bij de inwijding van de tempel”. In de Statenvertaling stond nog ” een lied der inwijding van Davids huis.” Voor beide vertalingen is wel wat te zeggen. In het Hebreeuws staat letterlijk “voor de inwijding van het huis, van David” En staat die Nederlandse komma er nu wel of niet? Een Psalm gemaakt door David is niet zo vreemd. En in de Bijbel gaat het toch steeds over het Huis des Heren, dat is de Tempel. Zo is door de Rabbijnen door de eeuwen heen ook deze psalm uitgelegd en die uitleg was voor de vertalers van de Nieuwe Bijbelvertaling doorslaggevend. Maar er waren ook steeds uitleggers die vonden dat de Psalm gemaakt was toen David Koning was en het geslacht van David, het huis van David in koningstermen, een begin maakte, probleem is dat Salomo de tempel bouwde en David toen al lang dood was.

Ook Jezus van Nazareth behoorde tot het huis en het geslacht van David vertelt het Evangelie van Lucas ons. En in het onderscheid tussen het Huis des Heren en het Huis van David krijgt de geschiedenis van de Psalm een politiek tintje. Want wie beschouwen wij als onze hoogste Heer. Koning Willem-Alexander met zijn nieuwe kabinet, of de God van Israël Als we de regering als hoogste gezag beschouwen moeten we die maar gehoorzamen en ons neerleggen bij de gang van zaken. Maar als we de God van Israël als hoogste gezag aanvaarden moeten we stem geven aan de stemlozen, aan de minsten, de hongerigen, de naakten, de gevangenen, de zieken en de zwakken. Dan moeten we dus onophoudelijk blijven vragen waarom er meer nadruk gelegd wordt op de aanschaf van peperdure gevechtsvliegtuigen en je zelden iets hoort over het oplossen van de voedselcrisis in de armste landen van de wereld.

Dan moet je dus vragen waarom er in ons land wordt getolereerd dat bevolkingsgroepen tegen elkaar opgezet worden omdat ze verschillend zouden geloven, of omdat ze in een God geloven. Het is duidelijk dat deze Psalm in elk geval oproept om de God van Israël te loven en hem te vertrouwen als het gaat om de zaken van leven en dood. Koning David wordt in de Bijbel dan ook vaak als symbool voor de Godsgetrouwe bestuurder genoemd. Een koning die vrede bracht in het land en gerechtigheid betrachtte. Als wij een keus moeten maken tussen de inwijding van de Tempel of het Huis van David dan maakt dat voor ons niet veel uit. In de Tempel werden immers de richtlijnen voor de menselijke samenleving bewaard, samengevat in het heb uw naaste lief als uzelf en van het Huis van David wordt juist van die richtlijnen de toepassing door de regering verwacht. Door het zingen van deze Psalm geven wij daar vandaag stem aan, stem voor de minsten op aarde en het vertrouwen dat dat lijden voorbij zal gaan. Laat die nieuwe regering deze psalm maar eens zingen als ze beëdigd zijn.