Op een voetstuk

Zacharia 5:1-11

1 Opnieuw sloeg ik mijn ogen op, en daar zag ik een vliegende boekrol. 2 ‘Wat zie je?’ vroeg hij me, en ik antwoordde: ‘Ik zie een vliegende boekrol van twintig el lang en tien el breed.’ 3 Toen zei hij: ‘Dat is de vloek
die rondwaart over het hele land. Aan de ene kant staat geschreven dat ieder die steelt zal worden gestraft, aan de andere kant dat ook ieder die meineed pleegt zijn straf niet zal ontlopen. 4 Ik heb die vloek uitgevaardigd-spreekt de HEER van de hemelse machten. Hij zal het huis van de dief bezoeken en het huis van eenieder die bij mijn naam een valse eed zweert. Hij zal op hun huizen rusten en ze verwoesten, zodat er geen balk of steen van heel blijft.’ 5 Weer verscheen de engel die met mij sprak. Hij zei tegen me: ‘Sla je ogen op en kijk wat daar tevoorschijn komt.’ 6 Wat is dat?’ vroeg ik, en hij antwoordde: ‘Dat is een meelvat; daarop houdt heel het land zijn blik gericht.’ 7 En kijk, daar ging het loden deksel open en in het vat zat een vrouw. 8 ‘Dit is de verdorvenheid,’ zei hij, en hij duwde haar terug op de bodem van het vat en sloot het loden deksel. 9 Weer sloeg ik mijn ogen op, en daar zag ik twee vrouwen komen aanzweven met de wind in hun vleugels; ze hadden vleugels als van een ooievaar. Ze tilden het vat op en namen het met zich mee, hoog de lucht in. 10 Ik vroeg aan de engel die met mij sprak: ‘Waar brengen ze het naartoe?’ 11 Hij antwoordde: ‘Ze gaan er in Sinear een tempel voor bouwen, en wanneer die klaar is, wordt het daar op een voetstuk gezet.’ (NBV21)

Zacharia schrijft aan de ballingen die teruggekeerd zijn uit Babel met de opdracht Jeruzalem weer op te bouwen en de Tempel in oude luister te herstellen. Als we de Bijbel in stukjes blijven knippen dan komen we ineens rare verhalen tegen waar we ons geen raad mee weten. Maar de Bijbel kent geen rare verhalen. In de Bijbel gaat het over hoe mensen met elkaar en met hun God om gaan. Daar gaat ook het gedeelte over dat we vandaag lezen. Het visioen van de vliegende boekrol. Dat lijkt wel een hele grote boekrol. Maar de afmetingen hebben een bijzondere betekenis. Hij is van normale lengte, in de grotten van Qumran is in 1947 ook een boekrol gevonden die net zo lang was. Maar dit is wel een heel erg brede boekrol. Zo lijkt het tenminste maar als we nog eens gaan kijken naar de afmetingen die over de Tempel worden beschreven dan is de boekrol net zo breed als het Heilige en het Allerheiligste. En van die plaatsen gaan de richtlijnen de wereld in die het volk van God had gekregen.

Want wat staat er op die boekrol volgens het gedeelte dat we vandaag lezen? De meest voor de hand liggende misdaden die iemand kan plegen. Diefstal en meineed. Het zijn dagen waarin er nauwelijks of geen sloten waren en slotenmakers niet worden genoemd. Het is een landbouweconomie met enige handel. Akkers waarop graan wordt geteeld, vruchtbomen als vijgen en granaatappels en veeteelt, koeien en schapen. Als daarvan gestolen wordt dan hebben mensen direct niet meer te eten en veroordeel je ze ter dood. Het is het ergste dat je iemand, dat je een gezin, kan aandoen. Iedereen snapt dat. Hetzelfde geldt voor meineed. In het oude Israël was geen CSI, geen NFI, geen forensisch onderzoek bij misdrijven. Zelfs de techniek van vingerafdrukken vergelijken was nog niet uitgevonden. Een eerlijk proces hing daarom af van eerlijke getuigen. Eén getuige kon daarom ook geen veroordeling opleveren. Maar als getuigen samen spanden tegen een aangeklaagde dan ging het met het recht heel erg mis. Meineed bederft niet alleen één zaak maar zet het vertrouwen in het hele systeem op het spel.

Het hele volk is dus afhankelijk van de landbouw. Zonder landbouw krijg je nooit het brood dat je voor een dag nodig hebt. Jezus zal ons leren voor niet meer te bidden dan juist voor dat brood. Het aantasten van dat systeem is de verdorvenheid ten top. Die wordt weggestopt op de bodem van een loden vat. En als je voor verdorvenheid, voor hebzucht en praalzucht een tempel wil bouwen dan is het beeld dat voor die tempel staat het symbool van die verdorvenheid. Bedenk hierbij dat het volk de neiging had vreemde goden achterna te lopen. Ook in onze dagen is de bescherming van de rechtstaat een onderwerp dat aandacht verdient. Als de onafhankelijkheid van de rechters in het algemeen ter discussie wordt gesteld dan glijden we af en daar kan iedereen het slachtoffer van worden. Die discussie wordt ook gevoed door de aanbidding van de goden van winst en profijt. Toegang tot de rechtspraak is er eigenlijk alleen nog voor de rijken. Zacharia waarschuwt ook ons voor het afwijken van de goddelijke richtlijnen. Een waarschuwing die wij ons ter harte mogen nemen.

Eigen kracht

Zacharia 4:1-14

1 De engel die met mij sprak kwam terug en wekte mij zoals je iemand wekt uit een diepe slaap. 2 ‘Wat zie je?’ vroeg hij, en ik antwoordde: ‘Ik zie een standaard die helemaal van goud is, met een schaal erop, en op die schaal zijn zeven lampen bevestigd, zeven lampen met elk zeven tuitjes. 3 Daarnaast staan twee olijfbomen, één rechts en één links van de schaal. 4 Wat betekent dat, mijn heer?’ 5 ‘Weet je niet wat dat betekent?’ vroeg de engel die met mij sprak, en ik antwoordde: ‘Nee, heer.’ 6 Toen zei hij: ‘Luister, dit zegt de HEER over Zerubbabel: Niet door eigen kracht of macht zal hij slagen-zegt de HEER van de hemelse machten-maar alleen met hulp van mijn geest. 7 Voor Zerubbabel verandert zelfs de hoogste berg in een vlakte; onder luid gejuich zal hij de eerste steen aandragen.’ 8 Daarna richtte de HEER zich tot mij met de woorden: 9 Zerubbabel zal deze tempel eigenhandig voltooien, zoals hij hem eigenhandig heeft gegrondvest.’ Dan zullen jullie inzien dat de HEER van de hemelse machten mij naar jullie gezonden heeft. 10 Ook al hadden jullie in het begin geen vertrouwen in het werk, de ogen van de HEER zullen met welgevallen rusten op de gegraveerde steen in de handen van Zerubbabel. Die zeven lampen zijn de ogen van de HEER, die over de hele aarde rondgaan. 11Vervolgens vroeg ik aan de engel: ‘En die twee olijfbomen links en rechts van de lampenstandaard, wat betekenen die?’ 12 En ik voegde eraan toe: ‘Wat betekenen die twee olijftakken waaruit door twee gouden buisjes de gouden olie vloeit?’ 13 ‘Weet je dat niet?’ vroeg hij. ‘Nee, heer,’ antwoordde ik, 14 en hij zei: ‘Dat zijn de twee gezalfden die aan weerszijden van de Heer van de hele aarde staan.’ (NBV21)

In de Tempel in Jeruzalem staat een kandelaar met zeven lampen. Hoe die kandelaar er precies heeft uitgezien weten we niet. Zacharia heeft het hier over een standaard met een schaal er op waarin zeven lampen zijn bevestigd. Wij zien zo’n standaard vaak als een kaarsenstandaard met 7 armen maar het zijn olielampen. Ze zijn gevuld met olie dat door een Priester is gewijd, voorbestemd om voor God te branden. Apart gezet. Voor het volk Israël niet onbelangrijk. Er is een verhaal dat de Tempel in Jeruzalem was terugveroverd op de Grieken die onder Alexander de Grote de macht van de Perzen hadden gebroken. Het duurde een week voordat er olie was die zo goed was gereinigd en gewijd kon worden om te branden voor God. In de Tempel werd een flesje gevonden waar nog olie in zat voor één dag. Toen de lampen gevuld werden was de olie niet op, dat ene flesje gaf olie voor die hele week. Naast de lampenstandaard staan twee olijfbomen.

Twee bomen die dus de olijven leveren waar de olie uit geperst kan worden voor de lamp van God. Nu zijn bomen in de Bijbel altijd iets bijzonders. Rechtvaardigen worden in de Psalmen vergeleken met bomend die geworteld zijn aan levend water. Het zijn de mensen die zich houden aan het gebod van de God van Israël te zorgen voor de armsten en de minsten, die mensen tot hun recht laten komen en een plaats geven in de samenleving. De nieuwe samenleving van teruggekeerde ballingen voor wie Zacharia schrijft heeft ook van die twee rechtvaardigen. Jozua de Hogepriester en Zerubbabel de Koning. Zij moeten zorgen voor het licht dat vanuit de Tempel over de hele aarde uitstraalt en dat aantoont wie het licht hebben gezien en wie niet, zo zijn het de ogen van de God van Israël. Reken er dus maar op dat ondanks alle tegenstand Zerubbabel het werk aan de Tempel zal laten afmaken. Uit de twee olijfbomen komt een voortdurende stroom van gewijde olie. Olie dat stroomt door gouden buisjes, daar is geen smet aan te ontdekken.

Ook daarvan geeft Zacharia ons de uitleg. Het zijn de twee gezalfden, Zerubbabel en Jozua, die naast de Heer van de hele aarde staan. Wij vinden het mooi als onze God als zo groot wordt afgeschilderd dat hij de Heer van de hele aarde wordt genoemd. Maar in het gedeelte dat we vandaag lezen heeft dat een bijzondere betekenis. Een volk dat zo in staat is uit het niets, uit de ballingschap, een nieuwe samenleving op te bouwen zou de hele aarde wel kunnen veroveren. En dat is niet de bedoeling. Want niet door eigen kracht zal de nieuwe Koning van Israël de aarde veroveren, maar door de Geest van God. De Heidenen geloven dat hun goden met de sterksten zijn, met de mensen die geslaagd zijn in het leven. Ook al gaat het je slecht de god helpt je er bovenop en zorgt dat je in plaats van tegenslag succes krijgt. Dat is een echte Heidense voorstelling van zaken. De God van Israël is te vinden bij de minsten, de zwakken, de mensen langs de kant van de weg, bij hen voor wie geen plaats is, daar moeten we die God zoeken en als we er zelf bij horen dan mogen we weten dat we God aan onze kant hebben.

 

Dit land reinigen

Zacharia 3:1-10

1 Vervolgens liet Hij me de hogepriester Jozua zien. Deze stond voor de engel van de HEER, met aan zijn rechterhand de satan, die tegen hem pleitte. 2 De HEER zei tegen de satan: ‘De HEER zal je het zwijgen opleggen. De HEER, die Jeruzalem heeft uitverkozen, zal jou het zwijgen opleggen. Is deze Jozua niet een stuk zwartgeblakerd hout dat uit het vuur is weggerukt?’ 3 Nu was Jozua in vuile kleren voor de engel verschenen. 4 Deze zei tegen degenen die voor Hem stonden: ‘Trek hem die vuile kleren uit.’ En tegen Jozua zei Hij: ‘Hierbij reinig Ik je van alle schuld en kleed Ik je in een feestelijk gewaad.’ 5 Ik zei: ‘Ze zouden hem een schone tulband moeten omdoen.’ Ze deden hem een schone tulband om en kleedden hem aan in het bijzijn van de engel van de HEER. 6 De engel verzekerde Jozua: 7 ‘Dit zegt de HEER van de hemelse machten: Indien je Mij gehoorzaamt en mijn voorschriften in acht neemt, indien je mijn tempel beheert en mijn voorhoven bewaakt, zal Ik je opnemen in deze kring. 8 Luister, hogepriester Jozua, jij en je priesters, die voor je zitten en die in staat zijn om tekenen uit te leggen. Ik zal mijn dienaar sturen, de nieuwe telg. 9 Voor je ligt een steen, Jozua, die Ik heb neergelegd, één steen waarop zeven ogen rusten. Ikzelf zal daarin een inscriptie graveren-spreekt de HEER van de hemelse machten-en in één enkele dag zal Ik dit land reinigen van alle schuld.10 Op die dag-spreekt de HEER van de hemelse machten-zullen jullie elkaar uitnodigen onder de wijnrank en onder de vijgenboom.’ (NBV21)

We geloven in God en niet in de Duivel, of Satan, zoals hij hier genoemd wordt. Het is maar al te gemakkelijk om het kwaad dat we bedrijven aan een ander toe te schrijven. Niet de slang voor Adam en Eva, niet de verwarrer voor Job, niet de Satan voor de hogepriester Jozua krijgen de schuld voor het kwaad maar de mensen zelf. Natuurlijk was er twijfel aan de rechtmatigheid van het Priesterambt voor die nieuwe Priesters die te voorschijn kwamen toen de Tempel na de ballingschap herbouwd was. Ze zagen er niet uit, het waren bouwvakkers die zelf aan de herbouw van de Tempel hadden meegewerkt. Maar de boodschapper die God had gestuurd legde de verwarring het zwijgen op. Niet de kleren maken uit of iemand Priester is, niet de kleren maken uit wat iemand waard is, maar de gehoorzaamheid aan de God van Israël. Jozua en zijn priesters hadden hun gehoorzaamheid bewezen, hun vuile kleren waren er het bewijs van dat zij gehoorzaam waren geweest aan het bevel de Tempel weer te herbouwen.

De Priester kan dus weer gewoon priester worden. Hij heeft zich weliswaar niet als Hogepriester gedragen maar de gehoorzaamheid aan de God van Israël is vele malen belangrijker. De vuile kleren worden hem dan ook uitgetrokken en daarmee is alles wat niet paste bij zijn priesterschap vergeven. Hij krijgt weer het feestkleed aan dat hoort bij de Hogepriester. Een bezoek aan de Tempel is een feest, de Priesters zijn daar de levende getuigen van. Zij vormen de koren die de psalmen zingen, zij vormen de orkesten van trompetten, harpen en luiten alle andere muziekinstrumenten die in de Bijbel worden genoemd. Het Priesterschap van Jozua is niet alleen een beloning het is ook een taak die hij te vervullen krijgt. Hij moet de Tempel beheren, zorgen dat alles er gaat zoals God het heeft bedoeld. Niet alleen het Tempelgebouw zelf, met het Heilige en het Allerheiligste waar alleen Priesters en de Hogepriester mogen komen maar ook de voorhoven waar het volk komt om offers te brengen en maaltijd te houden met de Priesters, hun familie, hun personeel, de armen en de vreemdelingen die bij hen wonen.

Vanouds had de Hogepriester ook twee stenen waarmee bij belangrijke gebeurtenissen de wil van God geraadpleegd kon worden. Vooral de koningen van Israël werden gemaand hier gebruik van de maken en niet op eigen houtje belangrijke beslissingen voor hun volk te nemen. Nu er een nieuwe koning is gekomen, Zerubbabel volgens Ezra en Nehemia, moet de Priester weer over de mogelijkheden beschikken om God te raadplegen. Hij krijgt kennelijk een soort dobbelsteen, met zeven ogen, voor elke dag 1, zeven is ook het getal van de schepping door God en door de steen te raadplegen bij belangrijke beslissingen zal God zijn schepping door zijn mensen kunnen voortzetten. Duidelijk zal zijn dat het volk dan op de zevende dag bevrijd moet worden van alle arbeid. Zo kan er een nieuwe toekomst gemaakt worden alsof er in het verleden geen fouten zijn gemaakt. Zacharia grijpt terug op oude profetieën in Israël die je ook bij profeten als Micha en Haggaï vind, een ieder heeft een eigen wijnrank en rust onder zijn vijgenboom. Als we God op die manier volgen hoeft niemand meer te kort te komen. Daar mogen we elke dag aan werken, ook vandaag weer.

Als de vier winden

Zacharia 2:10-17

10 ‘Kom, vlucht weg uit het land van het Noorden! -spreekt de HEER. Als de vier winden van de hemel heb Ik jullie verspreid-spreekt de HEER. 11 Kom, jullie die in Babel verblijven, zoek een veilig heenkomen in Sion.’ 12 Want de HEER van de hemelse machten, die mij zijn grootheid heeft geopenbaard en die mij gezonden heeft, zegt over de volken door wie jullie geplunderd zijn: ‘Wie aan mijn volk komt, komt aan mijn oogappel! 13 Ik zal mijn hand dreigend naar hen uitstrekken, zodat zij op hun beurt geplunderd worden door degenen die zij hadden geknecht.’ Dan zullen jullie inzien dat de HEER van de hemelse machten mij gezonden heeft. 14 ‘Jubel, Sion, en verheug je, want Ik kom in jouw midden wonen-spreekt de HEER. 15 Er komt een tijd dat vele volken zich met de HEER zullen verbinden. Zij zullen mijn volk zijn, en in jouw midden zal Ik wonen.’ Dan zul je inzien dat de HEER van de hemelse machten mij naar je gezonden heeft. 16 Op heilige grond zal de HEER het volk van Juda tot zijn bezit maken en opnieuw zal Hij Jeruzalem uitverkiezen. 17 Wees stil voor de HEER, al wat leeft, want Hij komt uit zijn heilige woning naar buiten. (NBV21)

De ballingen uit Babel zijn teruggekeerd. Om de profeet Zacharia te begrijpen moet je eigenlijk ook de boeken Ezra en Nehemia goed doorlezen. Nehemia was een hoge ambtenaar die terugkeerde naar Jeruzalem met Israëlieten die bij hem in de buurt woonden. Maar het volk Israël was over de hele bekende wereld verspreid geraakt. Assyriërs, Babyloniërs, Meden en Perzen, in al die landen waren ze terecht gekomen. Al die landen verkondigden dat hun goden de God van Israël had overwonnen. Maar in al die landen hadden ze vastgehouden aan hun eigen geloof, hun eigen cultuur en gewoonten. Nooit waren ze helemaal ingeburgerd. Wel hadden ze zich vrienden gemaakt. Jeremia had hun eens geschreven groentetuinen aan te leggen en ook de armen daarvan mee te laten delen.

Nu keerde God zich eindelijk tegen de volken die hem hadden beschimpt. En als God zich tegen je keert dan kun je beter niet in de buurt zijn. Daarom roept Zacharia alle ballingen op nu naar Jeruzalem en Judea te komen. Daar zijn ze veilig. Wie inderdaad Ezra en Nehemia gelezen heeft weet dat het ook een politiek verstandige oproep van Zacharia is. Het land Israël, Judea, is woest en ledig. Het moet weer opgebouwd worden en daar zijn mensen voor nodig. De terugkerende ballingen zijn dus meer dan welkom. De volken waar ze in ballingschap hadden gewoond moeten leren wat het betekent dat je land wordt geplunderd en je bevolking wordt uitgeroeid of weggevoerd. Niet dat het volk Israël wordt opgeroepen om oorlog te gaan voeren en wraak te plegen. De wereldmachten op deze aarde maken elkaar wel af. Voor Israël is een andere taak weggelegd.

In Jeruzalem, op de berg Sion waar de Tempel is gebouwd komt God weer in het middelpunt van de wereld te staan. Daar zijn de richtlijnen voor de menselijke samenleving te vinden. Van Gij zult niet doden tot het heb uw naaste lief als uzelf zijn weer de grondregels waar iedereen zich aan kan houden. God liefhebben boven alles, met heel je hart en heel je verstand is je naaste liefhebben als jezelf. Zelfs je vijanden mag je liefhebben. Als het volk dat echt gaat doen dan zal het zo goed gaan met het volk dat ieder volk op aarde daar wel bij zou willen horen. En Zacharia zegt dat het daar ook op zal uitlopen. Dan zal iedereen snappen dat hij het niet zo maar gezegd heeft maar dat God zelf zulke beloften doet. Als je zo naar God luistert wordt je er stil van, dan klinkt zijn Woord van Liefde zo in onze harten dat heel de aarde het zal horen. Dat is natuurlijk vandaag ook nog zo, ook vandaag mogen we laten zien dat we de minsten liefhebben, de hongerigen voeden en de naakten kleden, de vreemdelingen verwelkomen. Elke dag mag dat opnieuw.

Hij is onze vrede

Efeziërs 2:11-22

11 Bedenk daarom dat u, die geen geboren Joden bent en onbesnedenen genoemd wordt door hen die door mensenhanden besneden zijn- 12 bedenk dat u destijds niet verbonden was met Christus, uitgesloten was van het burgerschap van Israël en geen deel had aan de verbondssluitingen en de beloften die daarbij hoorden. U leefde zonder hoop en zonder God in deze wereld. 13 Maar nu bent u, die eens ver weg was, in Christus Jezus dichtbij gekomen, door zijn bloed. 14 Want Hij is onze vrede: Hij heeft met zijn dood Joden en niet-Joden verenigd, de muur van vijandschap, die hen scheidde, afgebroken 15 en de wet met zijn geboden en voorschriften buiten werking gesteld, om uit die twee in zichzelf één nieuwe mens te scheppen. Zo bracht Hij vrede 16 en verzoende Hij door het kruis beiden in één lichaam met God, door in zijn lichaam de vijandschap te doden. door in zijn lichaam de vijandschap te doden. 17 Vrede kwam Hij verkondigen aan u die ver weg was en vrede aan hen die dichtbij waren: 18 dankzij Hem hebben wij allen door één Geest toegang tot de Vader. 19 Zo bent u dus geen vreemdelingen of gasten meer, maar burgers, net als de heiligen, en huisgenoten van God, 20 gebouwd op het fundament van de apostelen en profeten, met Christus Jezus zelf als de hoeksteen. 21 In Hem vormt het bouwwerk één geheel en groeit het uit tot een tempel die gewijd is aan de Heer, 22 in wie ook u samen opgebouwd wordt tot een plaats waar God woont door zijn Geest. (NBV21)

Hoe gaan Heidenen en Joden samen in het Romeinse Rijk een nieuwe gemeenschap vormen die uiteindelijk het Heidense afgodenrijk van de Romeinen omver zal werpen? Dat is de vraag die Paulus ons in de lezing van vandaag stelt. Een vraag die ook vandaag niet onbelangrijk is. Wij willen immers de hele bewoonde wereld tot een Keizerrijk voor de God van Israël maken waar Jezus van Nazareth door zijn geest regeert? De Joden hadden lang gedacht dat de besnijdenis het enige teken was waardoor je er bij kon horen. Maar in de dagen van Abraham had die nog de voorhuiden van Filistijnen kunnen afsnijden als teken van overwinning en zijn eigen volk kunnen besnijden als teken van onoverwinnelijkheid van zijn God, maar dat ging al lang niet meer op. Natuurlijk, Joden moeten Joden blijven en zich laten besnijden maar voor Paulus was er geen enkele reden om dat van iedereen te gaan vragen. Het gaat immers niet om uiterlijkheden maar om wat je doet.

De profeet Jesaja had het ooit al over een vredevorst gehad die zou komen om blijvende vrede op de wereld te brengen en waar alle volken zich achter zouden scharen. Voor Paulus is die vredevorst gekomen in Jezus van Nazareth, de bevrijder, de gezalfde, Messias in het Hebreeuws, Christus in het Grieks. Dat hij de meest wrede slavendood aan het kruis op zich had genomen, genade voor zijn vervolgers had gevraagd, gezorgd had vanaf het kruis voor zijn nabestaanden en zijn medegekruisigden getroost, maakte dat iedereen de liefde van de God van Israël volledig kon volhouden en mee mocht maken. Jood en Heiden werden één kracht in Jezus van Nazareth. Als je die Weg volgt dan hoor je er onlosmakelijk bij, ook vandaag nog dus. Als alle vijandschap gedood is dan blijft de liefde over en kan er eindelijk leven zijn in overvloed.

Dat de Joden die niet meewilden met de Weg van Jezus van Nazareth, de Heidenen bleven uitschelden voor onbesnedenen deed er voor Paulus niet toe. Dat gelovigen in Jezus van Nazareth vandaag de dag uitgemaakt worden voor luchtfietsers doet er ook niet toe. Wie hongerigen voedt, de voedselbanken helpt bevoorraden, wie gevangenen bezoekt, schrijft met Amnesty International, wie de armen hoop geeft, werkt in een Fair Trade winkel of wie op welke manier zich ook inzet voor armen en behoeftigen, die weet dat het effect van dat werk blijvend is. Wie immers één mens redt heeft een heel volk gered, de hele wereld zelfs wordt gezegd. Wie onderwijs verzorgt voor kinderen, zelf of door steun, zorgt voor de toekomst van de wereld. Het resultaat is tastbaar en zichtbaar voor je. Daarom mogen we ook vandaag weer werken aan het Koninkrijk van de God van Israël, met alles wat in ons is.

 

Terwijl wij allen dood waren

Efeziërs 2:1-10

1 U was dood door de misstappen en zonden 2 waarmee u voorheen de weg ging van de god van deze wereld, de heerser over de machten in de lucht, de geest die nu werkzaam is in hen die God ongehoorzaam zijn. 3 Eens leefden wij allen net als zij: wij volgden onze wereldse begeerten en alle aardse verlangens die in ons opkwamen en stonden van nature bloot aan Gods toorn, net als ieder ander. 4 Maar omdat God zo barmhartig is en de liefde die Hij voor ons heeft opgevat zo groot, 5 heeft Hij ons, terwijl wij allen dood waren door onze zonden, samen met Christus levend gemaakt. Door genade bent u gered! 6 Hij heeft ons samen met Hem tot leven gewekt en ons een plaats gegeven in de hemelsferen, in Christus Jezus. 7 Zo zal Hij, in de eeuwen die komen, laten zien hoe overweldigend rijk zijn genade is, hoe goed Hij voor ons is in Christus Jezus. 8 Door die genade bent u nu immers gered, doordat u gelooft. Deze redding dankt u niet aan uzelf; ze is een geschenk van God 9 en geen gevolg van uw daden. Niemand kan zich er dus op laten voorstaan. 10 Want Hij is het die ons gemaakt heeft tot wat wij nu zijn: in Christus Jezus geschapen om de weg te gaan van de goede daden die God heeft voorbereid. (NBV21)

“U was dood”, “U bent gered van de dood”, het zijn van die zinnetjes in de Bijbel waarvan je je kunt afvragen wat die onzin te betekenen heeft. Je slaakt een diepe zucht en je merkt dat je wel degelijk leeft. Je kijkt eens om je heen en je ziet geen enkele reden waarom je nou direct dood zou gaan. Wat een flauwekul, als je gewoon thuis zit te lezen dan hoef je toch niet en nergens van gered te worden? En daar heb je natuurlijk helemaal gelijk in. Dat staat er dus ook niet in de Bijbel. Het gaat hier om het nalopen van de god van deze wereld, de heerser over machten in de lucht en de geest die werkzaam is in hen die God ongehoorzaam zijn. Het gaat om het aanbidden van de god van de kater, de god die je koppijn bezorgd in plaats van vreugde, de god die je alcohol en drugs aansmeert om het gezellig te kunnen hebben met andere mensen. De god van carrière die je beloont met een burn out of werkloosheid als je je maar lang genoeg door je baas hebt laten afbeulen. De god die je wijsgemaakt heeft dat alles in het leven draait om ikke, ikke , ikke en de rest kan stikken en als je dan eens hulp nodig hebt laat merken dat je er helemaal alleen voor staat.

De Bijbel noemt dat de dood, het is de dood voor de levenden, zoals wij spreken over de dood in een glas bier als alle bubbels er uit verdwenen zijn. Al de zaken die de god van de wereld ons wil aansmeren leveren niks blijvends op, niet voor ons leven, niet voor anderen en niet voor de wereld. Als je al kinderen hebt dan laat je de wereld in zijn geest niet beter achter dan je die wereld hebt aangetroffen. En daarom staat er al vroeg in het Oude Testament “kies het leven”. Want de God van Israël, die het leven geeft, heeft gemaakt dat je elke dag de god van deze wereld in de steek mag laten, ongestraft kan dat, en dat je je op zijn Weg mag begeven. Dat is dus de weg van de Liefde. Hou nou eens op alleen aan je zelf te denken en denk je eens in wat je voor een ander kan betekenen.

Luister naar de verhalen van en over Jezus van Nazareth en leer er van waar die ander die jou nu nodig heeft te vinden is. Want er zijn voor die ander, dat is pas leven, dan komt de hemel op aarde. Het verschil is geweldig, je staat er versteld van. Al het goede dat je mee mag maken, feesten zonder je beroerd te voelen de volgende morgen, mensen echt ontmoeten zonder drugs of alcohol nodig te hebben, zorgen voor een ander en te leren steeds beter te zorgen. Er komt geen eind aan wat Christenen genade noemen, je leven is niet meer leeg, maar vol, je hoeft nooit meer te zoeken naar de volgende kik, mensen die je een kik geven genoeg. De weg gaan van de goede daden die God mogelijk heeft gemaakt is ons genoeg. De moeilijkheden overwinnen die op die Weg liggen, maakt ons leven rijk, het uithoudingsvermogen dat daarvoor nodig is, maakt ons sterk. En elke dag opnieuw mogen wij er weer aan beginnen, ook vandaag weer.

Hoeveel broden hebben jullie

Marcus 6:30-44

30 De apostelen kwamen weer terug bij Jezus en vertelden Hem over alles wat ze gedaan hadden en wat ze de mensen onderwezen hadden. 31 Hij zei tegen hen: ‘Ga nu mee naar een eenzame plaats om alleen te zijn en een tijdje uit te rusten.’ Want het was een voortdurend komen en gaan van mensen, zodat ze zelfs niet de kans kregen om te eten. 32 Ze voeren met de boot naar een afgelegen plaats, om daar alleen te kunnen zijn. 33 Maar hun vertrek werd opgemerkt, en velen herkenden hen; uit alle steden haastten de mensen zich over land naar die plaats en ze kwamen er nog eerder aan dan Jezus en de apostelen. 34 Toen Hij uit de boot stapte, zag Hij een grote menigte en voelde medelijden met hen, want ze waren als schapen zonder herder, en Hij onderwees hen langdurig. 35 Toen er al veel tijd was verstreken, kwamen zijn leerlingen naar Hem toe en zeiden: ‘Dit is een afgelegen plaats en het is al laat. 36 Stuur hen weg, dan kunnen ze naar Stuur hen weg, dan kunnen ze naar de dorpen en gehuchten in de omtrek gaan om eten voor zichzelf te kopen.’ 37 Maar Hij zei: ‘Geven jullie hun maar te eten!’ Ze vroegen Hem: ‘Moeten wij dan voor tweehonderd denarie brood gaan kopen om hun te eten te geven?’ 38 Toen zei Hij: ‘Hoeveel broden hebben jullie bij je? Ga eens kijken.’ Ze gingen kijken en zeiden: ‘Vijf, en twee vissen.’ 39 Hij zei tegen hen dat ze de mensen opdracht moesten geven om in groepen in het groene gras te gaan zitten. 40 Ze gingen zitten in groepen van honderd en groepen van vijftig. 41 Hij nam de vijf broden en de twee vissen, keek omhoog naar de hemel, sprak het zegengebed uit, brak de broden en gaf ze aan zijn leerlingen om ze aan de menigte uit te delen; ook de twee vissen verdeelde Hij onder allen die er waren. 42 Iedereen at en werd verzadigd. 43 Ze haalden de overgebleven stukken brood op, waar wel twaalf manden mee konden worden gevuld, en ook wat er over was van de vissen. 44 Vijfduizend mensen hadden van de broden gegeten. (NBV21)

We leven in de vakantietijd. In onze dagen een tijd om te rusten, om er op uit te gaan, om even los te komen van werken en zwoegen. In de Bijbel is daar het Sabbatsjaar voor, eens in de zeven jaar dan leef je van het land en laat je het bewerken van het land achterwege. Onze zomervakantie is een gevolg van kinderarbeid. Toen de leerplicht werd ingevoerd bleek dat kinderen in de zomer onmisbaar waren bij het oogsten en bij het verwerken van de oogst. Die kinderarbeid is meer en meer verboden geraakt maar de vakantieweken in de zomer zijn gebleven. En in plaats van de kinderarbeid is de arbeid van illegale vreemdelingen gekomen. In het verhaal van vandaag gaat het bijna over vakantie. Jezus van Nazareth wil namelijk met zijn leerlingen op vakantie. Ze kregen zelfs de tijd niet om te eten zo namen de mensen hen in beslag.

De leerlingen waren de dorpen en steden rondgegaan om het goede nieuws te brengen en waren bij de meester teruggekeerd om te vertellen wat ze hadden meegemaakt. Maar van vakantie kwam niet veel. Ze hadden zo’n succes gehad dat een grote menigte hen volgde. Jezus van Nazareth kon niet anders dan al die mensen vertellen over zijn nieuwe Koninkrijk en hen te leren hoe daarin te leven. Maar ja, organisatoren van massabijeenkomsten moeten de catering niet vergeten. Nu niet en toen ook niet. Zelf hadden ze maar vijf broden en twee vissen bij zich. Jezus had echter net de menigte geleerd over delen met elkaar, ook het laatste wat je hebt, al is het je leven, delen met degene die minder of niets heeft. En als iedereen het weinige dat er is met elkaar deelt is er voor iedereen genoeg. De 12 manden die overbleven zeggen dat er voor het hele volk zelfs wel genoeg is. Degenen die de verhalen uit de Hebreeuwse Bijbel hadden bestudeerd die konden dat weten. De profeet Elisa had bijvoorbeeld een arme vrouw eens geadviseerd om alle lege kruiken van de buren bij elkaar te halen en dan van de ene kruik naar de andere de olie over te schenken.

Uiteindelijk hield ze zoveel over dat ze zelf genoeg had en genoeg kon verkopen om er van te leven. Ook wij gooien zoveel weg dat anderen er ruim van zouden kunnen leven. Zelfs tijdens de crisis gingen we daar mee door. Onze voedselbanken krijgen voedsel dat in de supermarkten niet meer verkocht kan worden omdat het over is. Maar de armen in ons land die van de voedselbanken moeten leven zijn er nog wat blij mee. En van wat aan ons huisvuil wordt verbrand worden hele steden van elektra voorzien en zullen wijken en bedrijven de komende winter van warmte kunnen genieten. Dat delen van brood en wijn gebeurd met enige regelmaat in alle kerken in ons land. Dat herinnert ons aan de les van Jezus van Nazareth waarover we vandaag lezen, als we bereid zijn om te delen is er voor iedereen genoeg, we moeten alleen bereid zijn om eventueel onszelf te delen, hij is ons daar in voorgegaan, wij mogen volgen, ook vandaag.

Dat zijn de hoorns

Zacharia 2:1-9

1 Weer sloeg ik mijn ogen op, en daar zag ik vier hoorns. 2 ‘Wat betekent dat?’ vroeg ik de engel die met mij sprak, en hij antwoordde: ‘Dat zijn de hoorns die het volk van Juda, Israël en Jeruzalem uiteen hebben gedreven.’ 3 Toen liet de HEER mij vier smeden zien. 4 ‘Wat komen die doen?’ vroeg ik, en de engel antwoordde: ‘De hoorns hebben Juda uiteengedreven en zijn verzet gebroken, maar nu zijn deze smeden gekomen om de volken op te schrikken en de hoorns neer te slaan die ze hadden geheven om Juda uiteen te drijven.’ 5 Weer sloeg ik mijn ogen op, en daar zag ik iemand met een meetlint in zijn hand. 6 ‘Waar gaat u heen?’ vroeg ik, en hij antwoordde: ‘Ik ga opmeten hoe groot Jeruzalem moet worden.’ 7 Toen verscheen de engel die met mij sprak, en een andere engel kwam hem tegemoet 8 en zei tegen hem: ‘Vlug, zeg tegen die jongeman dat Jeruzalem een open stad zal blijven, niet ommuurd, vanwege het grote aantal mensen en dieren dat er zal wonen. 9 Ik zal zelf rondom de stad een muur van vuur zijn-spreekt de HEER -en haar met mijn luister vullen.’ (NBV21)

Zacharia steekt de bouwers van Jeruzalem en haar Tempel een hart onder de riem. Hij droomt hoe de God van Israël Judea en Jeruzalem zal beschermen. Vanouds sloegen de mensen hun ogen op naar de bergen. Daar werden de goden vereerd, daar woonden de goden die hen zouden hebben moeten beschermen. Maar in de Tempel zong men over de God van Israël waar de hulp vandaan zou moeten komen. Israël had vreemde goden nagelopen. Ze hadden zelfs tempels gebouwd voor die goden op de toppen van die bergen. Ook Mozes had zijn leer immers op een berg van zijn God gekregen? Maar dit is niet een God die je wakker moet maken. Dit is een God die met je meetrekt. Zonder die God kun je als volk overwonnen worden door de wereldmachten, met ijzeren hoorns komen ze uit alle windstreken om je land te veroveren en haar inwoners als slaven in ballingschap te brengen.

Nu had het volk haar God weer gevonden. In Babel hadden ze al die verhalen opgeschreven die vertelden hoe ze een menselijke samenleving konden opbouwen naar de richtlijnen die God had gegeven. En jawel, ze hadden mogen terugkeren met een opdracht de stad en Tempel te herbouwen. Maar is het gevaar van die wereldmachten geweken? Je mag er op rekenen droomt Zacharia. De ijzeren hoorns waarmee de wereldmachten de trots en de sterkte van Israël hadden gebroken worden nu gebruikt om die volken schrik aan te jagen, sterke smeden maakten ze tot goddelijke wapens. Geen wereldmacht is in staat om uiteindelijk de macht van de God van Israël van de aarde te verdrijven. Telkens weer in de geschiedenis is het geprobeerd, maar zo lang er gelovigen zijn die die God aanbidden en elkaar de verhalen vertellen, zolang er mensen zijn die de armen en de minsten blijven liefhebben, blijft de macht van God op aarde.

Geld dat alleen voor Jeruzalem? Zelfs in de dagen van Zacharia wordt daar aan getwijfeld. De stad Jeruzalem waar de Tempel binnen staat wordt weer opgebouwd. Twaalf poorten zou die stad krijgen. Maar zit de macht van de God van Israël daarin opgesloten? Die God gaat immers alle verstand te boven, die God is immers de schepper van hemel en aarde, van alles en iedereen die er is. Het kan dus niet zo zijn dat die God alleen heerst over een klein stukje land met een aardige stad. Alle macht in hemel en aarde komt van die God. Daarom wordt de hele aarde opgemeten om aan de te geven waar het die God om te doen is, daarom neemt die God de hele aarde in bescherming. Aan de gelovigen om te laten zien wat voor gevolg dat kan hebben door de hongerigen te voeden, de dorstigen te laven, de gevangenen de bezoeken, door vrede te stichten tussen de volken, de aarde te bewaren en te bewerken voor iedereen en iedereen daaraan mee te laten doen. Zodat de blinden zien en de doven horen. Elke dag weer.

 

Overal is het vredig

Zacharia 1:7-17

7 Op de vierentwintigste dag van de elfde maand, de maand sebat, in het tweede regeringsjaar van Darius, richtte de HEER zich tot de profeet Zacharia, de zoon van Berechja, de zoon van Iddo. Dit is zijn relaas. 8 Vannacht had ik een visioen. Ik zag een man op een voskleurig paard. Hij stond tussen de mirtenstruiken aan de oever van het diepe water, en iets verderop stonden nog meer paarden: roodvossen, goudvossen en schimmels. 9 ‘Wat betekent dat, mijn heer?’ vroeg ik, en de engel die met mij sprak antwoordde: ‘Ik zal je laten zien wat dit betekent.’ 10 De
man die tussen de mirtenstruiken stond zei: ‘Dit zijn de ruiters die de HEER heeft gestuurd om de aarde te doorkruisen.’ 11 De ruiters zeiden tegen de engel van de HEER, die tussen de mirtenstruiken stond: ‘Wij hebben de hele aarde doorkruist. Overal is het vredig en stil.’ 12 Toen riep de engel van de HEER uit: ‘HEER van de hemelse machten, hoe lang zal het nog duren voor U erbarmen toont met Jeruzalem en de steden van Juda, waarop U nu al zeventig jaar verbolgen bent?’ 13 Daarop antwoordde de HEER de engel die met mij sprak met troostende en bemoedigende woorden, 14 en de engel droeg mij op te verkondigen: ‘Dit zegt de HEER van de hemelse machten: Brandend van liefde neem Ik het op voor Jeruzalem en Sion, 15 maar Ik ben ziedend van woede op de zelfgenoegzame volken. Ik had mijn toorn immers alweer laten varen, maar zij hebben het lijden van mijn volk verzwaard. 16 Daarom-zegt de HEER -keer Ik vol erbarmen terug naar Jeruzalem. Mijn huis zal er worden herbouwd-spreekt de HEER van de hemelse machten-en over de stad zal het meetlint worden gespannen.’ 17 verder moest ik verkondigen: ‘Dit zegt de HEER van de hemelse machten: Opnieuw zullen mijn steden overvloeien van voorspoed, opnieuw zal de HEER Sion troosten, opnieuw zal Hij Jeruzalem uitverkiezen.’ (NBV21)

De Perzen hadden de Israëlieten in de gelegenheid gesteld Jeruzalem en de Tempel weer op te bouwen. Wat was daar het gevolg van geweest? Zacharia zag dat in een droom. Cyrus was opgevolgd door Darius. Het leven had haar gewone loop weer genomen. Maar iets moet er op aarde toch te merken geweest zijn van de vrijheid die de Israëlieten gekregen hadden om hun God te dienen en te vereren. Het tegendeel bleek, er waren soldaten gestuurd om de herbouw van de Tempel stil te leggen. Ooit hadden de Israëlieten hun lieren in de wilgen gehangen en huilden zij aan de oevers van de rivieren van Babylon. Nu groeiden er geurige struiken, lekkerder konden ze niet zijn. Mirte, het kruid dat de lijkengeur van de dood wegneemt, het werd daarom gebruikt bij het balsemen. Daar stond een man, daar stonden paarden, maar wat was de betekenis. Het moet een boodschap van God geweest zijn vond Zacharia kennelijk.  En boodschappers van God kunnen uitleggen waar het om gaat, wij noemen ze daarom engelen en die naam heeft een hemelse klank gekregen.

De ruiters hadden de hele aarde doorkruist. Alle vier de windstreken van de aarde waren verkend, tot aan de einden der aarde. Een overal was vrede aangetroffen. De geruchten van oorlogen waren verstomd. Een wereld die zich richt naar de Tempel in Jeruzalem, naar de richtlijnen voor de menselijke samenleving kent vrede. Maar de boodschapper van God weet het beter. Israël kreeg wel de ruimte maar de volken hebben het licht dat door Israël werd getoond niet willen zien. En hoe moet het dan als ook de andere steden in Juda moeten worden herbouwd, hoe moet het nu als de akkers van Juda weer vrucht moeten dragen. Het stond al lang geschreven, de God van Israël laat nooit varen het werk dat zijn hand begon. De terugkeer naar de richtlijnen van God was begonnen in Babel met het opschrijven van al die verhalen. Al die verhalen die begonnen bij de Schepping, doorgingen met Noach en Abraham, Izaäk en Jacob.

Die verhalen liepen uit op de bevrijding uit Egypte en het krijgen van de richtlijnen die van het volk een volk van God zouden maken. Dat werk had geleid tot de terugkeer uit de ballingschap. Dat werk had het mogelijk gemaakt tempel en stad te herbouwen. Zacharia had geholpen de bouwers te bevrijden van de angst voor de autoriteiten. Volgens Ezra en Nehemia had heel het volk daar de goddelijke richtlijnen opnieuw gehoord. De Priesters en Levieten hadden ze opnieuw voorgelezen. En zo lang als het volk daarnaar bleef handelen zouden ook de andere steden opgebouwd worden en overvloeien over voorspoed. Pelgrims zouden weer optrekken naar Jeruzalem om de eerstelingen van de oogst te brengen en te delen met de armen, de vreemdelingen en de Priesters van de Tempel. Dat vooruitzicht van vrede is ook voor ons weggelegd, zo lang wij de volken mee proberen te krijgen in het leven volgens de richtlijnen van onze God.

Wees niet als jullie voorouders.

Zacharia 1:1-6

1 In de achtste maand van het tweede regeringsjaar van Darius richtte de HEER zich tot de profeet Zacharia, de zoon van Berechja, de zoon van Iddo: 2 ‘De toorn van de HEER heeft jullie voorouders getroffen. 3 Zeg nu tegen het volk: “Dit zegt de HEER van de hemelse machten: Keer terug naar Mij, dan zal Ik naar jullie terugkeren-zegt de HEER van de hemelse machten. 4 Wees niet als jullie voorouders. Toen de vroegere profeten hen in mijn naam opriepen om terug te keren van hun dwaalwegen en te breken met hun kwalijke praktijken, luisterden ze niet en gaven ze aan mijn woorden geen gehoor-spreekt de HEER. 5 Waar zijn ze nu, jullie voorouders? En de profeten, leven zij eeuwig voort? 6 Toch hebben mijn woorden en de wetten die Ik mijn dienaren, de profeten, had opgedragen te verkondigen, jullie voorouders getroffen. Zij kwamen tot inkeer en erkenden: ‘De HEER van de hemelse machten heeft vanwege onze handel en wandel met ons gedaan wat Hij zich had voorgenomen.’”’ (NBV21)

Vandaag lezen we een deel uit het 12 profetenboek, het deel van de profeet Zacharia, ook wel Zacharja genoemd. Vroeger noemden we de profeten uit dat boek de kleine profeten. In de Synagoge stonden ze op één rol. Modern onderzoek naar de Bijbel heeft aangetoond dat de 12 delen van dat boek wel naar verschillende profeten zijn genoemd maar dat de delen ook een onderlinge samenhang vertonen. Zacharia was niet zo maar iemand. Hij leefde in het tweede regeringsjaar van de Perzische Koning Darius. Dat betekent dat de Tempel en Jeruzalem werden hersteld zoals de voorganger van Darius, koning Cyrus, had bevolen. Er breekt een nieuwe tijd aan waarin nieuwe profeten optreden om het volk voor te houden hoe de God van Israël de wereld wil zien in die nieuwe verhoudingen. Zacharia was daarbij een tijdgenoot van Haggaï die ook een deel van het 12 profetenboek heeft geschreven.

Zacharia was niet zo maar iemand. Hij was de zoon van Berechja, de zoon van Iddo. Die namen zeggen ons niet zo veel. Maar in het boek Nehemia komt een heel lang register voor van alle mensen die tot het volk Israël gerekend worden. Daar wordt Iddo genoemd als de grondlegger van een van de priestergeslachten. Zacharia was dus een priesterzoon en zo moeten we ook zijn deel van het boek lezen. De nieuwe Tempel stond wel in Jeruzalem en de mensen zouden daar best wel hun offers brengen voor die God die hen volgens zeggen ook uit de ballingschap had bevrijd. Maar de verwoesting van de Tempel was er niet zo maar gekomen, die ballingschap was meer dan gewone pech voor een klein volkje. Zacharia wijst op de voorvaderen van het volk die niet geluister hadden naar de waarschuwingen van de profeten uit hun tijd dat ze moesten leven naar de richtlijnen die God gegeven had.

Uiteindelijk had het volk gesnapt dat al die ellende die hen was overkomen het gevolg was van het afwijken van de richtlijnen van hun God. In Babel hadden ze alle verhalen over hun God weer eens opgeschreven. Hoe was het allemaal begonnen, met de schepping en zo, wat was er waar van de verhalen van de godsdienst van Babel? Je vindt de sporen er van in het begin van Genesis. De mens was niet geschapen om de goden een plezier te doen zoals de godsdienst van Babel verkondigde, maar God had de mens geschapen als geliefden van God. De mens had die vriendschap verstoort door gelijk te willen worden aan God. Die weg leidt tot de dood, God heeft dat steeds herhaalt en Hij houdt zich aan zijn woord. Alleen het volgen van de richtlijnen van die God, richtlijnen voor een menselijke samenleving waaraan iedereen kan deelnemen, leidt tot het leven, uiteindelijk tot een leven in eeuwigheid. Elke dag mogen we die weg opnieuw inslaan, houden van je naaste als van jezelf. Daar mogen we die God dankbaar voor zijn.