De stem

Psalm 29

1 Een psalm van David. Erken de HEER, o goden, erken de HEER, zijn macht en majesteit, 2 erken de HEER, de majesteit van zijn naam, buig u voor de HEER in zijn heilige glorie. 3 De stem van de HEER boven de wateren, de God vol majesteit doet de donder rollen, de HEER boven de wijde wateren, 4 de stem van de HEER vol kracht, de stem van de HEER vol glorie. 5 De stem van de HEER splijt ceders, de HEER splijt de ceders van de Libanon. 6 Opspringen doet Hij de Libanon als een kalf en de Sirjon als het jong van een wilde stier. 7 De stem van de HEER ontbrandt in vurige vlammen, 8 de stem van de HEER brengt de woestijn tot beven, beven doet de HEER de woestijn van Kades. 9 De stem van de HEER doet de hinden kalven en de geiten hun jongen werpen. ‘Majesteit!’ roept heel zijn paleis. 10 De HEER heeft zijn troon boven de vloed, ten troon zit de HEER als koning voor eeuwig.11 De HEER zal macht aan zijn volk verlenen, de HEER zal zijn volk zegenen met vrede. (NBV21)

Vandaag zingen we mee met een Psalm die begint met een oproep aan de goden. Zijn die er dan? We geloven toch dat er maar één God is? Vertalers hebben het dan ook lang moeilijk gehad met de vertaling van het Hebreeuwse origineel. In de Statenvertaling gaat de oproep uit naar de “kinderen der machtigen”, in de vertaling van het Nederlands Bijbelgenootschap uit 1951 staat “hemelingen”, ook leest men wel “zonen van God” of “zonen van goden” en in de Groot Nieuws Bijbel zelfs “leden van het hemelse hof”. Maar zoals een dominee uit Zeeland eens treffend opmerkte: je hoeft niet in een god te geloven om die god te aanbidden. Wij kennen vele goden, de goden van winst en profijt voorop. Wat aan die goden allemaal wel niet geofferd moet worden. En dan zijn er nog de geesten en machten met wie we denken te kunnen communiceren via geestenfluisteraars en mediums. Ook maken we onze carrière soms tot een god, of ons bezit, of ons huis, of zelfs onze auto.

De psalmdichter heeft dat haarfijn aangevoeld en roept ons op om al die zogenaamde goden in dienst te stellen van de God van Israël. Want niet die goden hebben macht over ons, uiteindelijk hebben wij macht over al die zogenaamde goden. Die macht krijgen we pas echt als we de God van Israël als Heer erkennen. Dan zien we in dat wij zelf die goden maken die ons leven beheersen. De god van de agenda, de god van de telefoon, de god van de sociale media die ons elke ogenblik vertellen waar ons mee bezig te houden, de god van meer en hoger en beter. Wij zijn de baas over die goden. Want de God van Israël geeft ons de macht om alles wat we bereiken te delen met de mensen die het in het leven niet kunnen bereiken. Die God geeft ons de macht onze naaste lief te hebben als onszelf.

En zeg nu zelf, van al die goden die we in de samenleving tegenkomen gaat toch geen liefde uit? Die goden maken mensen tot slaven, die drijven mensen voort, die maken mensen kapot als het nodig is, die goden leiden alleen tot de dood. De God van Israël bevrijdt ons daarvan. Die wil niet meer en niet anders van ons dan dat we onze handen uitsteken naar de mensen die het nodig hebben. Dat we luisteren naar de roep van hongerenden, de klacht van de verdrukten in de wereld, de klop op onze deur van vluchtelingen. De beelden die we in deze Psalm tegenkomen zijn beelden die ook voorkomen in liederen die in de volken werden gezongen die Israël omringden. Daar werd gezongen over de angst voor het onweer, daar werd gezongen over de noodzaak de god van de vruchtbaarheid gunstig te stemmen. Die angst is overbodig, de God van Israël bevrijdt van die angst voor de natuur, voor vreemdelingen en voor je vijanden. Vruchtbaarheid krijg je pas als je deelt. Daarom kunnen we altijd deze Psalm meezingen, zelfs als het donker is.

 

In de beerput

Marcus 7:14-23

14 Nadat Hij de menigte weer bij zich had geroepen, zei Hij: ‘Luister allemaal naar Mij en kom tot inzicht. 15 Niets dat van buitenaf in de mens komt kan hem onrein maken, het zijn de dingen die uit de mens naar buiten komen die hem onrein maken.’ 16 17 Toen Hij een huis was binnengegaan, weg van de menigte, vroegen zijn leerlingen Hem om uitleg over deze uitspraak. 18 Hij zei tegen hen: ‘Begrijpen ook jullie het dan nog niet? Zien jullie dan niet in dat niets dat van buitenaf in de mens komt, hem onrein kan maken 19 omdat het niet in zijn hart, maar in zijn maag komt en in de beerput weer verdwijnt?’ Zo verklaarde Hij alle spijzen rein. 20 Hij zei: ‘Wat uit de mens komt, dat maakt hem onrein. 21 Want van binnenuit, uit het hart van de mensen, komen slechte gedachten, ontucht, diefstal, moord, 22 overspel, hebzucht, kwaadaardigheid, bedrog, losbandigheid, afgunst, laster, hoogmoed, dwaasheid; 23 al deze slechte dingen komen van binnenuit, en die maken de mens onrein.’ (NBV21)

Je handen wassen voor het eten is een gezonde regel. De Farizeeën wijzen er dus kennelijk niet ten onrechte op dat de leerlingen van Jezus zich daar niet aan houden. Maar ze kijken niet naar het waarom van dit breken van de wet. Die leerlingen hadden het druk. Overal waar Jezus van Nazareth kwam stroomden mensen bij elkaar en werden talloze mensen genezen. Soms hadden ze geen tijd zelfs om fatsoenlijk te eten. De richtlijnen van God laten zich samenvatten in het heb je naaste lief als jezelf. In onze dagen speelt het handenwassen een belangrijke rol. Via de handen kan je zomaar onbedoeld een dodelijk virus overbrengen. En ook in de dagen van Jezus was het vuil om je heen een goede reden om voor het eten de handen te wassen.

Maar hebben die Farizeeën het nog wel over handen wassen? In het Grieks staat dat de handen gewassen worden met de vuist. Een rare uitdrukking maar bedoeld om duidelijk te maken dat het gaat om rituele wassingen, geen echte. De Farizeeën wasten ritueel alle heidendom van het eten af. Daarmee lieten ze zien beter te zijn dan anderen. God liefhebben is zorgen voor mensen, niet jezelf beter vinden dan een ander. Dat is ook de achtergrond van die Korban. Als je alles wat je hebt bestemd voor de Tempel kan je er niemand meer mee helpen, als het na je dood naar de Tempel gaat dan lijk je wel heel vroom maar je leeft er des te beter van.

De bedoeling van Marcus met zijn Evangelie was om verhalen over Jezus van Nazareth te vertellen die de pas gevormde gemeenten van gelovigen, konden helpen om het geloof in Jezus van Nazareth en zijn manier van leven vast te houden. Ook in dit gedeelte gaat het over zaken die na de verwoesting van de Tempel belangrijker zouden worden. De komst van grotere aantallen niet Joden, Heidenen als wij, leverden een probleem op. Moesten die ook mee gaan doen met de ingewikkelde spijswetten van de Joden? Uiteindelijk hadden de apostelen na veel strijd besloten dat die dwang nu juist in strijd was met de Weg van Jezus van Nazareth. Daarvan vindt je hier de weerslag. Niet wat de mens binnen gaat maakt onrein maar wat uit de mens komt. Voor ons lijkt dat vanzelfsprekend te zijn. De Weg van Jezus van Nazareth was de armen en verdrukten als maatstaf te nemen, werd hen recht gedaan dan gaat het goed, werden zij het slachtoffer dan gaat het slecht. Laten we dat vandaag ook doen, uit de mens komen slechte dingen, zie X en wees gewaarschuwd.

Mooi is dat

Marcus 7:1-13

1 Ook de farizeeën en enkele van de schriftgeleerden die uit Jeruzalem waren gekomen, hielden zich in zijn nabijheid op. 2 En toen ze zagen dat sommige leerlingen brood aten met onreine handen, dat wil zeggen, met ongewassen handen 3 (de farizeeën en alle andere Joden eten namelijk pas als ze hun handen gewassen hebben, omdat ze zich aan de traditie van hun voorouders houden, 4 en als ze van de markt komen, eten ze pas als ze zich helemaal gewassen hebben, en er zijn nog allerlei andere tradities waaraan ze zich houden, zoals het schoonmaken van bekers, kruiken, ketels en bedden), 5 toen vroegen de farizeeën en de schriftgeleerden Hem: ‘Waarom houden uw leerlingen zich niet aan de tradities van onze voorouders en eten ze hun brood met onreine handen?’ 6 Maar Hij antwoordde: ‘Hoe treffend is de profetie die Jesaja heeft uitgesproken over huichelaars als u! Er staat immers geschreven: “Dit volk eert Mij met de lippen, maar hun hart is ver van Mij; 7 tevergeefs vereren ze Mij, want wat ze onderwijzen zijn voorschriften van mensen.” 8 De geboden van God geeft u op, maar aan tradities van mensen houdt u vast.’ 9 En Hij vervolgde: ‘Mooi is dat, hoe u Gods geboden ongeldig maakt om uw eigen tradities te kunnen onderhouden! 10 Heeft Mozes niet gezegd: “Toon eerbied voor uw vader en uw moeder”, en ook: “Wie zijn vader of moeder vervloekt, moet ter dood gebracht worden”? 11 Maar u leert dat iemand tegen zijn vader of moeder mag zeggen: “Alles wat van mij is en voor u van nut had kunnen zijn is korban,”’ (wat ‘offergave’ betekent) 12 ‘waarmee u hem niet toestaat nog iets voor zijn vader of moeder te doen, 13 en zo ontkracht u het woord van God door de tradities die u doorgeeft; en u doet nog veel meer van dit soort dingen.’ (NBV21)

Mensen maken wetten die als een last worden ervaren. In onze dagen spreken we dan van regeldruk die verminderd moet worden, tenminste als het om regels gaat die onszelf raken, regels die alleen anderen raken moeten worden aangescherpt. Maar het volk Israël kreeg haar regels in de Woestijn. Toen was er geen land en geen volk dat in steden en op een platteland leefde. Het verhaal van die regels gaat over een groep ontvluchte slaven en die regels waren bedoeld om ze als een bevrijd volk te laten leven. Het waren richtlijnen waarlangs het leven zich kon ontwikkelen. Maar wetten zoals mensen die maken leggen het leven vast. Vooral de farizeeën probeerden de wetten uit het Oude Testament zo nauwkeurig mogelijk na te komen alsof het wetten van mensen waren. Jezus van Nazareth leek het vaak niet zo nauw met die wetten te nemen. In het verhaal van vandaag raakt hij in conflict over de reinheidswetten.

Wie houdt nu de Tora en waarom? Dat zijn de vragen waar het in dit Bijbelgedeelte om gaat. Jezus van Nazareth lijkt voortdurend te benadrukken dat de regels er zijn voor de mensen en niet de mensen voor de regels. De heiligheid van het offer zou dus niet de hulp aan je ouders in de weg moeten staan. De tien woorden die God zelf in de stenen platen schreef geeft als richtlijn dat je je vader en moeder moet eren. Voor het volk dat het beloofde land binnentrok betekende dat ook dat ze zich niet moesten schamen voor het slaaf geweest zijn van hun voorouders. Ook onder ons zijn er afstammelingen van slaven die weigeren dat nog langer te verzwijgen. Dat zij zich uitspreken over het leed hun ouders aangedaan is dus zeer Bijbels. Maar het verhaal gaat nog verder. Elke familie had bij de verdeling van het land een stuk grond gekregen waar je van moest leven. Als je ouders te oud zijn dan worden zij hun kinderen tot last.

Daar hadden die kinderen iets op gevonden. Om te voorkomen dat mensen gingen pronken met de offers die ze zouden gaan brengen zonder die offers ook daadwerkelijk te brengen, was er de regel dat als je eenmaal een deel van je bezit tot offer had bestemd en dat bekend had gemaakt je er niet meer handel mee mocht drijven. Je mag er dus ook niet je ouders van onderhouden. Belastingontwijking noemen wij dat. Schelden op de armen die de armoede aan zichzelf te wijten zouden hebben. Iedereen die aanvullende steun nodig heeft tot crimineel bestempelen maar zelf onder de regels uit duiken door slimme toepassing van regels verdient dezelfde kritiek die Jezus hier aan de Farizeeën geeft. God liefhebben is zorgen voor mensen, niet jezelf beter vinden dan een ander. Dat is ook de achtergrond van die Korban. Als je alles wat je hebt bestemd voor de Tempel kan je er niemand meer mee helpen, als het na je dood naar de Tempel gaat dan lijk je wel heel vroom maar je leeft er des te beter van.

Aan ieder van ons

Efeziërs 4:7-16

7 Aan ieder van ons is genade geschonken naar de maat waarmee Christus geeft. 8 Daarom staat er: ‘Toen Hij opsteeg naar omhoog, voerde Hij gevangenen mee en schonk Hij gaven aan de mensen.’ 9 ‘Hij steeg op’ -wat betekent dat anders dan dat Hij ook is afgedaald naar wat lager ligt, naar de aarde? 10 Hij die is afgedaald is dezelfde als Hij die opsteeg, tot boven de hemelsferen, om alles met zijn aanwezigheid te vullen. 11 En Hij is het die zowel apostelen heeft aangesteld als profeten, zowel verkondigers van het evangelie als herders en leraren, 12 om de heiligen toe te rusten voor het werk in zijn dienst. Zo wordt het lichaam van Christus opgebouwd, 13 totdat wij allen samen door ons geloof en door onze kennis van de Zoon van God een eenheid vormen, de eenheid van de volmaakte mens, van de tot volle wasdom gekomen volheid van Christus. 14 Dan zijn we geen onmondige kinderen meer die stuurloos ronddobberen en met elke wind meewaaien, met wat er maar verkondigd wordt door mensen die tot alles in staat zijn wanneer ze anderen listig en doortrapt op een dwaalspoor willen brengen. 15 Dan zullen we, door ons aan de waarheid te houden en elkaar lief te hebben, samen volledig toegroeien naar Hem die het hoofd is: Christus. 16 Vanuit dat hoofd krijgt het hele lichaam samenhang, en wordt het ondersteund en bijeengehouden door alle gewrichtsbanden. Ieder deel draagt op eigen wijze bij tot de groei van het lichaam, dat zo zichzelf opbouwt door de liefde. (NBV21)

In de Grieks-Romeinse wereld, waar Paulus rondreisde, gingen de meest fantastische theorieën rond over de aard van de geestelijke en materiële wereld. Te veel theorieën vaak om te weerleggen en te weerspreken. Ook in de Joodse wereld waar Paulus toe behoorde waren sporen van die speculaties terug te vinden. Ook in onze dagen horen we over persoonlijke verhoudingen tot Jezus, over kosmisch evenwicht, over energiebanen en innerlijke evenwichtspunten en momenten van persoonlijke groei. Paulus schuift al die mooie begrippen hier met een ferme beweging aan de kant. Het gaat om de Liefde, en in de Liefde vormen we een hechte gemeenschap die die liefde ook uitstraalt naar de samenleving. Dat is de reden dat kerkelijke vrijwilligers vele jaren hun werk voor de voedselbanken, de asielzoekers, de uitkeringsgerechtigden, de gevangenen, de zieken en invaliden en de derde wereld volhouden. Onophoudelijk leven ze in de Liefde zoals ze die van Jezus van Nazareth hebben geleerd.

Ze vormen in hun, vaak kleine, kerkelijke gemeenschappen, hechte groepen en horen er zondag in zondag uit over spreken en zingen. Stap gerust eens zo’n Protestantse Kerk binnen en vraag wat ze doen voor de armen en verdrukten in eigen stad, land en in de wereld. Je zult verstelt staan. De collecte voor de diaconie is daarin alleen een liturgische, dus symbolische, handeling om aan te geven waar het op aan komt. Paulus beschrijft die gemeenschap als een lichaam. Wij zeggen dan graag dat we handen en voeten willen geven aan die prachtige woorden. Het moet immers niet bij woorden alleen blijven maar vooral blijken uit de daden, uit de vruchten die het voortbrengt. Een kerkelijke gemeente waar het alleen gaat om een persoonlijke band met Christus of met God, waar dan ook vaak en lang en hardop in het openbaar wordt gebeden, belijdt niet de Messias waar Paulus aan de gemeente in Efeze over heeft geschreven.

Paulus schrijft over een gemeente waarin ieder naar vermogen, en dan niet alleen geldelijk vermogen, een plaats heeft en waar de Liefde het samenbindend element vormt. Juist in die gemeenschap krijgt de Bevrijder gestalte en wordt de bevrijding mogelijk. Zoals het volk Israel ooit in de woestijn ontdekte dat je alleen kunt overleven als je werkelijk alles voor elkaar over hebt, zo kent de Christelijke gemeente de gemeenschap met elkaar door de Liefde. In de loop van de geschiedenis is dat geloof in het bouwen van een nieuwe samenleving, een nieuw soort samenleving ook, verworden tot een voor wat hoort wat geloof. Als ik nu goed doe dan wordt er voor mij ook goed gedaan. Ik krijg leven na de dood, ik krijg gezondheid of maatschappelijke voorspoed. Maar dat is niet de bedoeling. Het geloof in de komst van die nieuwe samenleving door Jezus, door de God van Israël is genoeg. Dat geloof zet je in beweging, niet om er zelf beter van te worden maar om de Naam van God groot te maken. Het is geweldig die samenleving die alle mensen te wachten staat. Daarvoor ga je door het vuur. En iedereen mag daarin meedoen, zonder inburgeringscursus of toelatingsexamen.

 

Uit liefde

Efeziërs 4:1-6

1 Ik, die gevangenzit omwille van de Heer, vraag u dan ook dringend de weg te gaan die past bij de roeping die u hebt ontvangen: 2 wees altijd nederig, zachtmoedig en geduldig, en verdraag elkaar uit liefde. 3 Span u in om door de samenbindende kracht van de vrede de eenheid te bewaren die de Geest u geeft: 4 één lichaam en één geest, zoals u één hoop hebt op grond van uw roeping, 5 één Heer, één geloof, één doop, 6 één God en Vader van allen, die boven allen, door allen en in allen is. (NBV21)

Je hoort wel eens zeggen dat de Bijbel vol zou staan met voorschriften en verboden. Dat is natuurlijk niet waar. De Bijbel staat vol van verhalen. Uit die verhalen kun je dan leren hoe de God van Israël zou willen dat de mensen met elkaar en met die God zouden omgaan. Maar je moet het wel willen horen. Als je altijd wil voordringen dan is de raad die aan een jonge gemeente wordt gegeven om altijd bescheiden te zijn niet erg welkom. Dat gaat ook op als je je eigen mening, je eigen levensovertuiging, wilt opdringen aan anderen. Dan is bescheidenheid een goede eigenschap maar dan kom je verder zonder. Kerken en Christenen hebben nog wel eens de neiging om hun overtuiging aan de samenleving op te leggen. Natuurlijk is een vrije zondag van groot belang voor de samenleving, maar het gaat niet aan die vrije zondag aan anderen op te dringen, zo komt nooit iemand er achter hoe belangrijk die is.

Natuurlijk is de mens geschapen naar Gods beeld en gelijkenis, God heeft immers de mens gekneed uit de rode klei en de adem ingeblazen. Maar het gaat niet aan om de samenleving vervolgens op te dringen dat ze daar niet naar zouden mogen kijken en dat ze bloot moeten verbieden. Paulus schrijft aan de gemeente in Efeze wat die gemeente zou moeten uitstralen. Bescheiden, zachtmoedig en geduldig. De softies uit het Romeinse Rijk, de zalfjes, christenen, dat betekent gezalfden, genoemd. Niet omdat ze zich minder zouden moeten vinden, omdat ze zichzelf zouden willen wegcijferen, maar omdat ze van mensen houden. Van alle mensen, van de rijken en de machtigen en van de slaven en de mensen die uit de samenleving waren gezet. Binnen die gemeente werd de krachttoer verricht elkaar te verdragen.

Mensen die in de samenleving nooit met elkaar zouden omgaan, slaven en vrijen, mannen en vrouwen, Joden en Heidenen, autochtonen en allochtonen, vormden in de Christelijke gemeente een eenheid, een gemeenschap. Dat in de Geest van Jezus van Nazareth. Ze opereerden als één lichaam, allemaal verschillende functies en eigenschappen maar samen een onverslaanbaar sterk geheel. Gebonden door één hoop, de hoop op de wereld waarin alle geweld verdwenen zou zijn, waarin alle tranen gedroogd zouden zijn. Met één Heer, één Kurios of Keizer, Jezus van Nazareth. Het is mogelijk dat mensen van heel verschillende afkomst, van heel verschillende geloof, Joden en Heidenen, rond dat woord van Jezus van Nazareth samen één gemeenschap vormen. Ook voor ons is dat mogelijk, elke dag als wij van onze naaste houden als van onszelf en werken voor dat Koninkrijk van God, dat kan dus ook vandaag weer.

In goede vrede

Zacharia 6:9-15

9 Toen richtte de HEER zich tot mij: 10 ‘Je moet de geschenken van de ballingen Cheldai, Tobia en Jedaja, die uit Babel zijn gekomen, in ontvangst nemen en diezelfde dag nog naar het huis van Josia, de zoon van Sefanja, gaan. 11 Laat van het goud en zilver een kroon maken en zet die op het hoofd van de hogepriester Jozua, de zoon van Josadak. 12 Zeg tegen hem: “Dit zegt de HEER van de hemelse machten: Let op, een man met de naam Telg, die aan de stam zal ontspruiten, herbouwt de tempel van de HEER. 13 Hij is het die de tempel van de HEER zal herbouwen; hij is het die de koninklijke waardigheid zal dragen en zal heersen vanaf zijn troon. Er zal ook een priester zijn op een eigen troon, en zij zullen in goede vrede samenwerken. 14 De kroon zal in de tempel van de HEER worden bewaard ter herinnering aan Cheldai, Tobia en Jedaja, en ter herinnering aan de welwillendheid van de zoon van Sefanja. 15 Uit verre landen zullen mensen hierheen komen om te helpen bij de bouw van de tempel van de HEER.”’ Dan zullen jullie inzien dat de HEER van de hemelse machten mij naar jullie gezonden heeft. Dit alles zal gebeuren als jullie luisteren naar de HEER, jullie God. (NBV21)

Er waren rijke en arme ballingen teruggekeerd uit Babel. Nehemia bijvoorbeeld was een hoge ambtenaar, een rijk man lezen we bij Ezra en Nehemia. Het waren met name de armere ballingen die de vrijheid hadden ook echt terug te keren. Van sommige rijkere ballingen betekende het einde van de ballingschap meer een vrijheid en een herkenningspunt in het land van hun voorvaderen, het land ook van hun godsdienst. Ze wilden graag bijdragen aan het herstel van de glorie van Jeruzalem en de Tempel waar immers de glorie van God van zou uitgaan. Ze worden daarom met name genoemd. Cheldai, Tobia en Jedaja. Er is lang gezocht naar verdere gegevens over deze drie ballingen maar echt iets gevonden is er niet. Ze blijven dus alleen bekend om hun bijdrage aan het herstel van Tempel en Tempeldienst. Want hun bijdragen worden gebruikt voor het maken van een kroon voor de Hogepriester, Jozua, de zoon van Josadak.

Wordt Jozua dan koning? Het lijkt er op. Maar hij krijgt een boodschap, een man met de naam Telg, in oudere vertalingen Spruit geheten, zal de Tempel herbouwen. Die Spruit, of Telg komt uit het huis van David, weten we van de profeet Jeremia. Het is Zerubbabel die met recht de koning van Israël wordt als erfgenaam van David en Salomo. Zijn er dan twee Koningen? Het lijkt er wel op. Een die de dienst aan God vorm geeft en er voor zorgt dat er voldoende Priesters zijn voor de offerdiensten, die toezicht houdt op het onderhoud van de Tempel en die de Tempel en de voorhoven bewaakt tegen misbruik. Daarnaast is er een burgerlijke Koning die uitvoering geeft aan de richtlijnen van God die in de Tempel worden bewaard. Dat is Zerubbabel. Soms zul je in de praktijk nauwelijks kunnen onderscheiden waar een regel vandaan komt, van de Hogepriester, uit de Tempel dus, of van de Koning, van het burgerlijk bestuur dus.

Dan is er ook nog de profeet. Die roept op de richtlijnen van God te onderhouden en wijst op concrete maatschappelijke situaties die om toepassing van die regels vragen. Soms hoort hij daartoe oproepen van God, soms droomt hij er van, soms ziet hij het voor zijn ogen gebeuren. Altijd gaat het daarbij om de verheerlijking van God. Alles wat we hebben komt immers van die God, alles wat we doen mogen we in dienst stellen van zijn liefde, alles mag dus gedaan worden voor de minsten onder ons. De vluchtelingen, de mensen met grote schulden, de hongerenden in Afrika, de gevangen vreemdelingen die zonder misdrijf of vonnis van een rechter gevangen worden gehouden en vul dat zelf maar in. God heeft zijn richtlijnen in ons hart gegrift.

Vier winden

Zacharia 6:1-8

1 Opnieuw sloeg ik mijn ogen op, en daar zag ik vier wagens tussen twee bergen vandaan komen. Die bergen waren van koper. 2 Voor de eerste wagen waren voskleurige paarden gespannen, voor de tweede zwarte, 3
voor de derde witte en voor de vierde gevlekte. Het waren sterke paarden. 4 Ik vroeg aan de engel die met mij sprak: ‘Wat betekent dat, mijn heer?’ 5 Hij antwoordde: ‘Dat zijn de vier winden van de hemel, die eropuit trekken nadat ze hun opwachting hebben gemaakt bij de Heer van de hele aarde. 6 De wagen met de zwarte paarden rijdt uit naar het noorden, de witte paarden gaan naar het westen en de gevlekte naar het zuiden.’ 7 De paarden stonden te trappelen om uit te rijden en de aarde te doorkruisen. Zodra de Heer het bevel daartoe gaf, stoven ze ervandoor, de hele aarde over. 8 Luid riep Hij mij toe: ‘Let op, de paarden die uitrijden naar het noorden zullen ervoor zorgen dat mijn woede daar tot bedaren komt.’ (NBV21)

De aarde en haar volheid is van God zingt de psalmdichter. God heeft alles met de aarde te maken maar waar God woont weten we niet echt. In de hemel zeggen we voor het gemak maar de volgende vraag is dan waar die hemel is. Op die vragen is geen antwoord, God is immers groter dan het grootste dat wij ons kunnen denken. God gaat alle verstand te boven. De Heidense volken uit de dagen van Zacharia aanbaden nog wel eens de zon. Die zou elke morgen tussen twee koperen bergen uit zijn rustplaats opstijgen om zijn weg langs de hemel vervolgen, om in de avond weer terug te keren naar zijn nachtverblijf. Zacharia gebruikt dat beeld van die koperen bergen om te beschrijven wat hij te zien kreeg. Strijdwagens bespannen met paarden, voskleurige, zwarte, witte en gevlekte paarden. het waren sterke paarden. De lezers van dit visioen zullen in de dagen van Zacharia de rillingen over de rug hebben voelen lopen. Paarden en wagens waren geduchte strijdmiddelen waar je maar nauwelijks een militair antwoord op had.

Wat moeten die paarden en wagens, waar staan ze voor en waar gaan ze heen? Ze komen van God vandaan, daar hebben ze hun opwachting gemaakt. Het zijn de vier windstreken, in het Hebreeuws de vier winden. Voor ons de Noordenwind, de Zuidenwind, de Oostenwind en de Westenwind. Die winden waaien over de hele aarde. Soms brengen de winden het weer dat je nodig hebt. Regen als de grond dreigt uit te drogen, zon als de aarde te koud wordt, wolken om onder te schuilen, koude als de aarde rust moet hebben. De noordenwind zorgt er voor dat de woede van God tot bedaren komt. Wat wil Zacharia nu zeggen? Het bewerken van het land Israël is niet vergeefs. God zal zorgen voor het weer dat de mens nodig heeft. God doet de wind waaien waardoor het gewas kan groeien en de oogst echt iets beloofd. Maar denk er aan. God laat de winden waaien waarheen hij wil, over de rechtvaardigen en de goddelozen, over allebei.

Het zal duidelijk zijn dat de teruggekeerde ballingen zich afvroegen wat ze aan moesten met de steeds wisselende weeromstandigheden. Dat het in de dag licht wordt en in de nacht donker dat hadden ze geleerd. In Babel hadden ze het verhaal gehoord dat je die zon en die maan niet hoeft te aanbidden, God had ze aan de hemel geplaatst om verschil te maken tussen dag en nacht. Daar werd niet verteld hoe het gegaan was maar er werd verteld dat de Heidenen die de zon en de maan aanbaden en aan ze offerden het verkeerd hadden. Nu vertelt Zacharia dat die hele natuur als een God aanbidden flauwekul was. De winden en het weer stonden onder bevel van de God van Israël zelf. Als je dus een goede oogst had dan had je die van God gekregen en wat je van God gekregen had moet je delen. Want er zijn ook mensen met een slechte oogst, in onze dagen de armen, de vluchtelingen, de hongerenden in Afrika. Zij maken dat wij door God beproefd kunnen worden, zijn wij bereid te delen? Voeden wij de hongerigen, kleden we de naakten en nemen wij de vreemdelingen in ons midden op? We kunnen de schuld in elk geval niet aan het weer geven.

Daarom buig ik mijn knieën

Efeziërs 3:14-21

14 Daarom buig ik mijn knieën voor de Vader, 15 die de vader is van elke gemeenschap in de hemelsferen en op aarde. 16 Moge Hij vanuit zijn rijke luister u innerlijke kracht en sterkte schenken door zijn Geest, 17 zodat door uw geloof Christus kan gaan wonen in uw hart, en u geworteld en gegrondvest blijft in de liefde. 18 Dan zult u met alle heiligen in staat zijn de lengte en de breedte, de hoogte en de diepte te begrijpen, 19 ja de liefde van Christus te kennen die alle kennis te boven gaat, opdat u geheel vervuld zult raken van de volheid van God. 20 Aan Hem die door de kracht die in ons werkt bij machte is oneindig veel meer te doen dan wij vragen of denken, 21 aan Hem komt de eer toe, in de kerk en in Christus Jezus, van geslacht op geslacht, tot in alle eeuwigheid. Amen. (NBV21)

Alles wat je doet laten bepalen door de liefde. Dat is het centrale thema in de boodschap van Paulus. Niet door angst, niet door hebzucht, niet door een zucht naar macht, maar alleen door liefde moet je je laten regeren. Dat is moeilijker dan het lijkt. Wij laten ons nog wel eens leiden door wat anderen van ons zeggen. Wij houden meestal ook niet zoveel van onszelf zodat we ook niet veel van anderen kunnen houden. En dan zijn er nog gewoonten die ons gedrag bepalen, cultuur ook. Ook regels en wetjes van een overheid kunnen ons sturen. En het gevoel van onmacht, wie pakt grote instellingen en bedrijven aan, laat staan regeringen. Maar Paulus zegt ons in dit gedeelte dat de macht van de liefde in staat is oneindig meer te doen dan wij vragen of denken. Bij alles wat de liefde van ons vraagt en wat we niet doen moeten we ons dus afvragen wat ons in vredesnaam tegenhoud.

Om regeringen aan te pakken zijn er toch organisaties als politieke partijen, milieuverenigingen en Amnesty International. Om handelsverhoudingen te veranderen zijn er toch organisaties als Fair Trade, Max Havelaar en wereldwinkels. Om respect en liefde voor dieren te bevorderen zijn er toch organisaties als Wakker Dier en de dierenbescherming. Zo zijn er organisaties die kinderarbeid aan de kaak stellen en bestrijden, die onrechtvaardige huisvestingssituaties in Nederland aan de kaak stellen, die zelfs huizen bouwen in arme landen, die artsen sturen daar waar niemand meer durft te gaan, die voor onderwijs aan kinderen zorgen waar iedereen het af laat weten. Al die zaken van armen en verdrukten die we eigenlijk zouden willen veranderen kennen organisaties en bewegingen van mensen die er tegen te hoop lopen en de bevrijding brengen die het Evangelie ons belooft. We moeten ons alleen bij die messiaanse bewegingen durven aansluiten.

We moeten ons ook niet laten afschrikken door tegenslagen en tegenkrachten. Gegrondvest blijven in de liefde noemt Paulus dat. Paulus beroept zich op de opgestane Heer. Het geloof dat Jezus van Nazareth na zijn kruisdood opstond uit het graf is voor Paulus de grootste drijfveer om de Liefde vast te houden. Je moet het geloven. Maar kijk eens om je heen, als je die opstanding gelooft dan kun eigenlijk gemakkelijk geloven dat die aarde waar alle tranen verdwenen zijn er ook komt. Dat ooit al het leed dat je raakt verdwenen zal zijn en dat iedereen mag meedoen. Het mooiste is dat we er elke dag en elk moment weer opnieuw mee aan mogen beginnen te bouwen. Aan het begin van elke nieuwe dag kunnen we alles weer eens op een rijtje te zetten en kiezen bij welk stroompje van de brede messiaanse beweging we ons opnieuw zullen aansluiten. Maak een keuze en ga aan de slag.

Ondoorgrondelijke rijkdom

Efeziërs 3:1-13

1 Daarom bid ik, Paulus, gevangene omwille van Christus Jezus, voor u die afkomstig bent uit de heidense volken. 2 U hebt immers gehoord dat God zijn plan verwezenlijkt door de genade die ik met het oog op u ontvangen heb. 3 Mij is het geheim geopenbaard waarover ik hiervoor in het kort heb geschreven. 4 Aan de hand daarvan kunt u zich, wanneer u dat leest, een beeld vormen van mijn inzicht in dit geheim van Christus. 5 Het is onder vorige generaties niet aan de mensen onthuld, maar nu door de Geest geopenbaard aan zijn heilige apostelen en profeten: 6 ook mensen uit andere volken delen door hun eenheid met Christus Jezus in de erfenis, zij maken deel uit van hetzelfde lichaam en hebben ook deel aan de belofte, door middel van het evangelie. 7 Van dat evangelie ben ik dienaar geworden door de gave van Gods genade, die ik ontvangen heb door zijn kracht, die in mij werkt. 8 Mij, de allerminste van alle heiligen, is de genade geschonken om de heidense volken de ondoorgrondelijke rijkdom van Christus te verkondigen, 9 en voor allen in het licht te stellen hoe het geheim dat in alle eeuwen verborgen was in God, de schepper van alle dingen, verwezenlijkt wordt. 10 Zo zal nu door de kerk de wijsheid van God in al haar schakeringen bekend worden aan alle vorsten en heersers in de hemelsferen, 11 naar het eeuwige voornemen dat Hij ten uitvoer heeft gebracht in Christus Jezus, onze Heer. 12 Door onze eenheid met Hem hebben wij vrijelijk toegang tot God; door ons geloof in Hem mogen wij daarop vertrouwen. 13 Ik vraag u dan ook de moed niet te verliezen wanneer ik lijd omwille van u, want het leidt tot uw luister. (NBV21)

Wij lezen vandaag nog eens hoe Paulus benadrukt dat het verhaal van de bevrijding, zoals Israël dat door de woestijn heen had beleefd, ook voor de Heidenen geldt. Ook wij Heidenen worden uitgenodigd om, door mee te gaan in het verhaal van Jezus van Nazareth, aan die bevrijding deel te gaan nemen. Zodat uiteindelijk alle volken op aarde mee gaan doen aan dat geweldige verhaal van eerlijk delen. Een verhaal waarin alle mensen gelijk kunnen meedoen, waar geen onderdrukking meer is, waar geen sprake is van arm of rijk, maar iedereen deelt, waar geen sprake is van machtig of onderdrukt, maar iedereen ook de macht en verantwoordelijkheid deelt. We weten het uit het kerstverhaal, dan is er vrede op aarde en in mensen een welbehagen. Dat lied wat Lukas toeschrijft aan de engelen klinkt ook in deze brief van Paulus door. Paulus schrijft deze brief overigens in gevangenschap. Dat brengt in zijn boodschap geen verandering. Jezus van Nazareth ging immers door de dood heen en dat bracht de beweging alleen nog maar meer op gang.

Die gevangenschap van Paulus waar hij hier mee begint moet je dan ook dubbelzinnig lezen. Hij zou kunnen bedoelen dat hij in de gevangenis zit, en dat was Paulus al een aantal keren overkomen, ook in Efeze wisten ze daarvan mee te praten, maar hij zou ook kunnen bedoelen dat hij gevangene is van Jezus de Christus. En die laatste gevangenschap is bevrijdend. Mensen kunnen je in een cel stoppen, je martelen, je doden, maar mensen kunnen nooit je geloof afnemen, dat kun je alleen zelf loslaten. Het sterkste geloof is het geloof in de overwinning van Christus op de dood. De kans dat we dood gaan is geen reden meer om bang te zijn en dus ook geen reden meer om onze mond te houden en niet langer op te komen tegen onrecht en aandacht te vragen voor de mensen in de wereld aan wie geen recht wordt gedaan. Dat is het geheim van de onverzettelijkheid van Paulus. Hij blijft maar doorgaan. Zelfs al moest hij, zoals in Efeze gebeurd was, met een mand over de stadsmuur geholpen worden zodat hij kon ontsnappen, de gemeente in Efeze wordt door hem niet in de steek gelaten. Die stad moet voor Christus gewonnen worden, daar moet recht worden gedaan aan armen, aan slaven, aan de zwaksten en de minsten.

Efeze was een bedevaart centrum en een handelscentrum. In het boek Handelingen wordt verteld over het verblijf van Paulus in die stad. Hij kreeg ruzie met de makers van religieuze voorwerpen. Zilveren tempeltjes met de afbeelding van de jachtgodin Diana waren een belangrijke bron van inkomsten. Dat scherpe religieuze karakter van een dergelijke stad trok, en trekt, mensen van allerlei slag. Ook mensen die geloven dat je de geesten en krachten die bovennatuurlijk zijn tevreden moet stellen. Paulus zegt hier dat hij dat prima vindt. Als je dat wil geloven dan moet je dat maar doen. Maar de gemeente van Jezus van Nazareth laat zien, in het dagelijks leven, dat de Christus ook de baas is van al die bovennatuurlijke machten en krachten en dat je je daar dus niet mee bezig hoeft te houden. Als die gemeente een gemeente is waar geen verschil meer is tussen arme en rijk, tussen slaaf en vrije, tussen Jood en Heiden, dan bloeit er een nieuw soort gemeenschap op waar heel de wereld beter van wordt. Dat is waar het om draait. Wij weten inmiddels dat je er elke dag weer opnieuw mee moet beginnen. Dat veel mensen de moed opgeven maar dat door de eeuwen heen ook steeds weer mensen de fakkel overnemen en onvoorwaardelijk voor hun naaste gaan zorgen.

Wees niet bang.

Marcus 6:45-52

45 Meteen daarna gelastte Hij zijn leerlingen in de boot te stappen en alvast naar de overkant te varen, naar Betsaïda; intussen zou Hijzelf de menigte wegsturen. 46 Nadat Hij afscheid van de mensen had genomen, ging Hij de berg op om er te bidden. 47 Bij het vallen van de avond was de boot midden op het meer, en Hij was alleen aan land. 48 Toen Hij zag dat de leerlingen door de hevige tegenwind maar nauwelijks vooruitkwamen, hoe hard ze ook roeiden, liep Hij tegen het einde van de nacht over het water naar hen toe, en Hij wilde hen voorbijlopen. 49 Toen ze Hem over het water zagen lopen, dachten ze dat Hij een geestverschijning was en ze schreeuwden het uit. 50 Ze hadden Hem allemaal gezien en raakten in paniek. Maar Hij sprak hen meteen aan en zei: ‘Houd moed! Ik ben het, wees niet bang.’ 51 Hij stapte bij hen in de boot en de wind ging liggen. Zijn leerlingen waren helemaal van hun stuk gebracht. 52 Ze waren niet tot inzicht gekomen door wat er met de broden was gebeurd, doordat ze hardleers waren. (NBV21)

Je hoort Jezus van Nazareth zuchten in dit verhaal. De leerlingen waren twee aan twee op stap geweest. Een succesreis die diepe indruk had gemaakt tot aan het hof van koning Herodes toe. Van heinde en ver waren de mensen op ze afgekomen, zo veel dat ze zelfs bang werden dat er niet genoeg te eten was, maar Jezus had ze geleerd samen te werken en op elkaar te vertrouwen, dat had gewerkt. Nu was het eind van de dag gekomen. Nu leek de vakantie aangebroken waar ze zo’n behoefte aan hadden. Jezus zou de mensen naar huis sturen en alleen tot rust komen en wat bidden. De leerlingen stapten alvast in de boot en zouden naar de overkant van het meer varen. Nu ontgaat ons iets, omdat voor ons zo’n meer niet die betekenis meer heeft die het voor de vissers uit Galilea had. In de Joodse verhalen staat de zee, het meer, voor het dodenrijk, voor de chaos waaruit God ooit de hemel en de aarde had gemaakt, voor de wanorde.

Die zee, dat meer, was van zichzelf dus al bedreigend en nam die dreigende gestalte zeker aan als de valwinden van de heuvels het water opzweepten. Maar hoe zat het ook al weer, moet je je in tijden van nood door angst laten regeren of door samenwerken? Jezus van Nazareth kwam naar ze toe om ze te helpen en berispte ze om hun angst. In het verhaal van Jezus van Nazareth, zoals Marcus ons dat vertelt gaat samenwerking ver boven de angst die we kunnen voelen. In deze dagen wordt ons angst aangepraat voor het helpen van zusters en broeders die gevlucht zijn voor armoede, geweld en onderdrukking. Als we hen weer op de been helpen zouden wij arm worden. Zou het dan niet waar zijn dat vijf broden en twee vissen genoeg zijn om een volk te eten te geven? Of moeten we ons laten regeren door de angst? We moeten toch langzamerhand weten dat ruim 50 jaar van eerlijk delen ons allemaal kansen heeft gegeven.

We moeten toch langzamerhand weten dat iedere keer als de rijken rijker en de armen armer gemaakt worden de ellende in de samenleving ook toeneemt. Voor de rijken is de oplossing de vluchtelingen nog armer te maken.  De rijken, die geen of nauwelijks belasting betalen, verzekeren zich ondertussen voor een extra, wat vroeger ingaand, pensioen, trekken de premie van de belasting af en betalen opnieuw nauwelijks belasting over dat extra pensioen. Zelfs progressief democraten proberen ons dat als een eerlijke oplossing te verkopen. Maar ja, we zijn net volgelingen van Jezus, hardleers dus. Die leerlingen hoorden het “Vrees niet!” Zij maakten mee hoe het kwaad werd bestreden en mensen weer mee konden doen aan de samenleving. Hun eigen schulden werden kwijtgescholden op dezelfde manier als zij de schulden van anderen kwijtscholden. Daar zullen wij ook voor moeten werken. En bang voor de vluchtelingen hoeven we niet te zijn als arm en rijk eerlijk weten te delen.