Ze opende haar ogen

Handelingen 9:32-43

32 Toen Petrus door het land reisde, kwam hij ook bij de heiligen die in Lydda woonden. 33 Hij trof daar een man aan die Eneas heette en al acht jaar verlamd op bed lag. 34 Petrus zei tegen hem: ‘Eneas, Jezus Christus geneest u! Sta op en breng nu zelf uw bed in orde.’ Onmiddellijk stond hij op. 35 Alle inwoners van Lydda en van de Saronvlakte zagen wat er gebeurd was en bekeerden zich tot de Heer. 36 In Joppe woonde een leerlinge die Tabita heette, in onze taal is dat Dorkas. Ze deed veel goeds voor anderen en gaf vaak geld aan de armen. 37 Maar juist in die tijd werd ze ziek en stierf. Ze werd gewassen en in het bovenvertrek opgebaard. 38 Omdat Lydda dicht bij Joppe ligt, stuurden de leerlingen, die gehoord hadden dat Petrus daar was, twee mannen naar hem toe met het dringende verzoek om direct te komen.
39 Petrus ging meteen met hen mee. Na zijn aankomst werd hij naar het bovenvertrek gebracht, waar de weduwen om hem heen kwamen staan en hem huilend de tunica’s en mantels lieten zien die Dorkas nog maar pas gemaakt had. 40 Petrus stuurde iedereen weg, waarna hij knielde om te bidden. Na het gebed draaide hij zich om naar het lichaam en zei: ‘Tabita, sta op!’ Ze opende haar ogen, en toen ze Petrus zag ging ze rechtop zitten. 41 Hij nam haar bij de hand en hielp haar opstaan, en toen hij de heiligen en de weduwen weer binnengeroepen had, liet hij hun zien dat ze weer leefde. 42 Dit voorval werd in heel Joppe bekend en velen kwamen tot geloof in de Heer. 43 Petrus bleef nog enige tijd in Joppe, bij een zekere Simon, een leerlooier. (NBV21)

Het boek Handelingen is bekend om de geschiedenissen van Paulus, zijn bekering, zijn opleiding en zijn zendingsreizen. Maar er zijn ook een aantal verhalen over andere apostelen. Over Petrus worden een aantal opstandingsverhalen verteld. Op de grens nog wel van Israël en de rest van de wereld. Eerst in Samaria waar al Joden woonden die niet echt als Joden werden geaccepteerd. Daar woonde ook ene Eneas. zijn naam is gelijk aan de Romeinse Aeneas. Over die laatste was in de tijd van het verschijnen van het boek Handelingen ook net een boek verschenen, van de schrijver Vergilius. Aan die Aeneas werd de stichting van Rome toegeschreven. De oorsprong van Rome lag echter al een tijdje verlamd op bed. Handig natuurlijk want als je dat acht jaar doet dan zijn er allerlei mensen die voor je zorgen. Opstaan dus, de liefde van Jezus van Nazareth maakt immers dat jij voor andere mensen zorgt en niet meer voor je laat zorgen dan strikt noodzakelijk is.

De mensen die het boek van de Handelingen voor het eerst lazen wisten al dat uiteindelijk dat hele Romeinse Rijk doordrongen zou worden van mensen die op de manier van Jezus van Nazareth wilden gaan leven. Dat werd volgens dit verhaal over Eneas dus een heel nieuw rijk. Petrus gaat tot aan de grens van Israël, hij is aan het hele Romeinse Rijk nog niet toe. Joppe is de havenstad waar ooit de profeet Jona scheep ging. Een havenstad waar je een dubbel paspoort kunt hebben en namen in verschillende talen. Dorcas woonde daar en zorgde voor de weduwen van de stad zoals er voor weduwen gezorgd moet worden. Maar Dorcas ging dood. Zou de liefde van Jezus van Nazareth echt door de dood heen volgehouden kunnen worden? Petrus blijft bij zijn eigen taal en spreekt haar aan bij haar Aramese naam en niet in het Grieks. Maar opstaan doen die Christenen, tegen de dood in. In Jeruzalem was het Jezus van Nazareth, aan de grens van Israël was het Dorcas.

Wij kennen de naam Dorcas van de hulporganisatie uit Andijk waar Christenen samen mensen in nood gingen helpen en tot hun eigen verbazing er achter kwamen dat al die goederen die ze over hadden de bron werden van een organisatie die jaren en jaren zou blijven werken. Opstaan tegen de ellende in de wereld kunnen we dus allemaal. Zeker in onze dagen nu elke stad en elk dorp in ons land moet helpen bij de opvang van vluchtelingen, tijdelijk soms in noodopvang, wat langer in een asielzoekerscentrum zodat er een fatsoenlijk onderzoek naar hen gedaan kan worden en later als buurman en buurvrouw die dan als statushouders worden aangeduid. Of ze kunnen inburgeren, er bij mogen horen in onze samenleving hangt van ons af. Zijn er Dorcassen onder ons die ze helpen bij kleding, zijn er mannen die ze helpen bij de inrichting van het huis, zijn er christenen die brood en wijn met ze willen delen. De organisaties voor de opvang van armen in de wereld en vluchtelingen elders vragen of wij onze welvaart delen. Petrus leert ons dat we ook onze eigen mogelijkheden mogen delen.

 

Ga met ons mee.

Zacharia 8:18-23

18 En de HEER van de hemelse machten richtte zich tot mij: 19 ‘Dit zegt de HEER van de hemelse machten: De vastendagen in de vierde en de vijfde maand en de vastendagen in de zevende en de tiende maand zullen voor Juda veranderen in blijde feestdagen vol vreugde en vrolijkheid. Maar let wel: houd de vrede en de waarheid in ere! 20 Dit zegt de HEER van de hemelse machten: Er zullen opnieuw mensen komen uit allerlei landen en steden. 21 De inwoners van de ene stad zullen naar de volgende stad gaan en zeggen: “Ga met ons mee. Wij zijn op weg om de HEER van de hemelse machten om raad te vragen en zijn gunst af te smeken.” 22 Grote en machtige volken zullen naar Jeruzalem komen om daar de HEER van de hemelse machten te raadplegen en zijn gunst af te smeken. 23 En dit zegt de HEER van de hemelse machten: Als die tijd is gekomen, zullen tien mannen uit volken met verschillende talen een Joodse man bij de slip van zijn mantel grijpen met de woorden: “Wij willen ons bij u aansluiten, want we hebben gehoord dat God bij u is.”’ (NBV21)

Tijdens de ballingschap in Babel hadden de Israëlieten besloten te gaan vasten in de maand dat de Tempel in Jeruzalem was verwoest. Voor velen was daarmee het laatste restje hoop op herstel van het land Israël verdwenen. De lieren werden aan de wilgen gehangen en ze zaten te treuren bij de stromen in Babylon. Maar God had zich over hen ontfermd en ze waren teruggekeerd en hadden Jeruzalem en de Tempel opnieuw opgebouwd. Toen waren er mensen gekomen die vroegen of ze niet konden ophouden met vasten. Het eerste antwoord dat ze kregen was dat het betonen van gerechtigheid belangrijker was dan het vasten. Al voor de ballingschap hadden profeten het uiterlijk vertoon bij het vasten aan de kaak gesteld. Vasten doe je om beter te kunnen delen, beter te kunnen zorgen voor de minsten en niet om er zelf beter van te worden. Je bespaart en stijgt in aanzien, maar zo wil God het niet.

Daarom vandaag het antwoord. Alle vastendagen worden feestdagen. Niks treuren om verlies, maar besparen om de winst. Iedereen mag meedelen. De God van Israël zal er door in aanzien stijgen. Ineens kunnen de armen naar de Tempel, hoeven de armen zich geen zorgen meer te maken over de dag van morgen. Ineens wordt de rechtspraak weer toegankelijk voor mensen zonder geld. Je zult een samenleving zien waar geen onderscheid meer wordt gemaakt op grond van afkomst, rijkdom, sekse, geaardheid en noem maar op. Iedereen mag horen bij het volk van God. Het nooit gedachte wordt werkelijkheid. Natuurlijk profeten hadden gezegd dat het volgen van de richtlijnen van God zou uitlopen op de deelname van gemeenschappen uit alle volken aan de dienst in de Tempel, maar tot dan waren de Heidense volken vijanden geweest die macht over het volk en de Tempel wilden uitoefenen. Daarom wordt het volk nog eens vermaand de vrede en de waarheid in ere te houden.

Zo grijpen de feestdagen terug op de oorspronkelijke bedoeling van de dagen die bestemd waren voor de God van Israël. De bekendste is de Sabbat. Op die dag is iedereen bevrijdt van de dwang van de arbeid. Mensen en zelfs ook de dieren hebben rust. Niets en niemand is meer verplicht te werken. Wij kennen dat niet meer. Als we vrij zijn dan staat dat in het teken van consumeren, hoe meer hoe beter. Daarvoor moet ook op onze zogenaamde vrije dagen gewerkt worden. De winkels zijn open en de fabrieken blijven draaien. Het zal niet lang meer duren of ook de overheid zal haar kantoren op de Zondag openstellen en de ambtenaren gewoon door laten werken. Heel het volk is dan onder het slavenjuk van de arbeid gebracht. Er moet immers brood op de plank komen. Maar mensen leven niet bij brood alleen maar leven door het Woord van God. Tijd dus om ons te laten bevrijden van de slavernij van de arbeid door onze feestdagen weer te vieren. Te beginnen met de Zondag, organiseer maar vieringen en feesten, gaat iedereen vanzelf weer mee doen

Houd vol!

Zacharia 8:9-17

9 Dit zegt de HEER van de hemelse machten: Nu jullie deze woorden uit de mond van de profeten hebben gehoord, moeten jullie volhouden. Het huis van de HEER van de hemelse machten is nu gegrondvest; de herbouw van de tempel is begonnen. 10 Eerst bracht de arbeid van mens en dier niets op, en wie maar een voet buiten de deur zette werd belaagd, want Ik had iedereen tegen iedereen opgezet. 11 Maar nu behandel Ik jullie niet meer als vroeger-spreekt de HEER van de hemelse machten. 12 Nu is het zaad gezegend: de wijnstok zal vrucht dragen, de aarde zal haar opbrengst geven, de hemel zal zijn dauw afstaan. Dit alles zal Ik schenken aan wie er van dit volk nog over zijn. 13 Vroeger golden jullie bij de andere volken als vervloekt, Juda en Israël, maar nu Ik jullie te hulp kom, zullen ze jullie als gezegend beschouwen. Wees dus niet bang en houd vol! 14 Want dit zegt de HEER van de hemelse machten: Toen jullie voorouders mijn toorn opwekten, nam Ik me voor dit volk kwaad te doen-zegt de HEER van de hemelse machten-,en dat heb Ik ook gedaan, zonder erop terug te komen. 15 Maar nu heb Ik me voorgenomen om het goede te doen voor het volk van Jeruzalem en Juda. Wees dus niet bang. 16 Hier moeten jullie je aan houden: Spreek de waarheid tegen elkaar, bewaar de vrede door eerlijk en rechtvaardig recht te spreken in de poort; 17 wees er niet op uit om een ander kwaad te doen en laat je niet verleiden tot meineed, want daar heb Ik een afkeer van-spreekt de HEER.’ (NBV21)

Het gaat niet vanzelf, de opbouw van een nieuwe samenleving. Dat was in de tijd van Zacharia, Ezra en Nehemia zo, dat is vandaag de dag niet anders. Ooit hebben onze voorouders slavenhandel bedreven en de slavernij afgeschaft, maar de afschaffing van de slavernij heeft voor de nakomelingen van tot slaaf gemaakten tot in onze dagen niet de gelijkheid gebracht die voor de kinderen van de slavenhandelaren zo vanzelfsprekend is. Zoals de teruggekeerde ballingen geen last meer hebben van concurrerende buurvolken hebben wij geen last meer van opstanden en bevrijdingsoorlogen. Maar pas als we de richtlijnen van de God van Israël volgen dan zullen we blijvend een licht kunnen worden voor anderen.

In dit gedeelte staat de veranderlijkheid van de God van Israël centraal. Eerst is die God woedend op dat volk en zet deze God de buurvolken tegen ze op en dan gaat die God datzelfde volk redden en neemt zich voor het volk zelfs goed te doen. Wij horen vaak dat God onveranderlijk is. God is heden en gisteren dezelfde. We hebben al eens eerder gehoord dat die God ook berouw kan hebben. In het verhaal over Noach had die God zelfs berouw over zijn hele schepping. Wat we uit dit gedeelte ook kunnen leren is dat de God van Israël tegelijk veranderlijk en onveranderlijk kan zijn. Toen de hele wereld onder bevel stond van de Keizer in Rome zond die God zelfs zijn zoon om daar verandering in te brengen. Die God is namelijk onveranderlijk trouw in zijn liefde voor de mensen.

Waar moeten we ons aan houden? Aan het prijzen van God? Aan een regelmatige kerkgang? Aan het exclusief houden van mede gelovigen? Aan het kritiekloos volgen van de regering van de staat Israël? De God van Israël heeft het er niet over. Integendeel de eerste die kritiek krijgen zijn de gelovigen, is het volk Israël. We moeten elkaar de waarheid durven zeggen, we moeten eerlijk en rechtvaardig recht spreken. Dat betekent dat we heel voorzichtig moeten zijn met oordelen, ook over misdadigers. De politie arresteert verdachten en geen criminelen. Die verdachten worden pas criminelen als een onafhankelijk rechter in een eerlijk proces dat etiket er op plakt. We moeten dus geen kwaad doen aan een ander en zeker geen vals getuigenis voor een rechtbank afleggen. Samengevat betekent dat dat je God pas liefhebt als je je naaste liefhebt als jezelf. En daar kunnen we elke dag opnieuw mee beginnen.

 

Onwankelbare trouw.

Zacharia 8:1-8

1 Maar nu luidt het woord van de HEER van de hemelse machten: 2 ‘Dit zegt de HEER van de hemelse machten: Ik brand van liefde voor Sion; met vurige liefde neem Ik het voor haar op. 3 Dit zegt de HEER: Ik keer terug naar de Sion en kom in Jeruzalem wonen. Jeruzalem zal Stad van trouw heten, en de berg van de HEER van de hemelse machten Heilige berg. 4 Dit zegt de HEER van de hemelse machten: Opnieuw zullen er op de pleinen van Jeruzalem oude mannen en vrouwen zitten, elk met een stok in de hand vanwege hun hoge leeftijd, 5 en de straten zullen krioelen van de spelende jongens en meisjes. 6 Dit zegt de HEER van de hemelse machten: Ook al lijkt het jullie, die van dit volk nog over zijn, nu onmogelijk, waarom zou het voor Mij onmogelijk zijn? -spreekt de HEER van de hemelse machten. 7 Dit zegt de HEER van de hemelse machten: Ik zal mijn volk bevrijden uit het land waar de zon opkomt en uit het land waar de zon ondergaat 8 en hen naar Jeruzalem brengen. Daar zullen ze wonen. Zij zullen mijn volk zijn en Ik hun God, in onwankelbare trouw. (NBV21)

Het gedeelte dat we vandaag lezen maakt duidelijk waarom er zo uitdrukkelijk is gesproken over de tijd waarin Zacharia het Woord van de Heer te horen kreeg. In het vierde jaar van Koning Darius. Dus niet in 1948 of vandaag de dag. De liefde voor Jeruzalem en Sion komt dus niet door de nederzettingen politiek of het beleid van de huidige regering van de staat Israël. Dat is wel eens lastig, want Christenen zijn immers onopgeefbaar verbonden met Israël, maar we moeten de Bijbel niet vervalsen door te doen of het over ons gaat. Wij kunnen er veel van leren maar we zijn zelf verantwoordelijk voor het naleven van de richtlijnen van de God van Israël. Deze liefdesverklaring voor Jeruzalem en Sion komt voort uit de herbouw en de vraag die aan de Priesters in de Tempel werd gesteld. Het volk bekommerd zich weer om de richtlijnen van de God van Israël. Ze gaan weer naar de Tempel om te vragen hoe ze die richtlijnen in hun eigen stad of dorp moeten toepassen.

Wat hoort er wel en wat hoort er niet bij. Jeruzalem is daarbij een voorbeeld. Een stad die zo dichtbij de Tempel is dat het daar niet moeilijk zou moeten zijn om de richtlijnen van God op een goede wijze uit te voeren. De berg waar de Tempel op is gebouwd, de berg Sion, is daarom een Heilige Berg, daar gaat het alleen nog over het verbond met God. Daar laten de Israëlieten zien dat wat ze gekregen hebben van God niet als hun eigen verdienste wordt gerekend maar dat ze het delen, met God in offers, in maaltijden met de armen en de vreemdelingen zoals dat voorgeschreven is. Maar het volgen van de God van Israël is niet gemakkelijk. Ezra en Nehemia beschrijven ook vijanden die zich verzetten tegen de nieuwe samenleving die aan het ontstaan is. Geleerden noemen die samenleving wel eens de Tora-staat, in dat land, bij dat volk is er geen andere wet dan de wet van God. Zacharia schetst wat het gevolg is van een land dat je op die manier inricht.

Sommigen zullen dat luchtfietserij noemen maar volgens Zacharia zullen op de pleinen van Jeruzalem oude mensen zitten steunend op hun stok vanwege hun hoge leeftijd, niemand zal sterven voor zijn tijd sprak Jesaja al. Er zullen talrijke kinderen spelen in de straten van Jeruzalem, geen kind zal meer sterven zei Jesaja al. Als alle ballingen nu eens terug keren, als iedereen de richtlijnen van God volgt dan gaat dat gebeuren. Door Jezus van Nazareth en de Geest van God die hij heeft gebracht is het voor ons ook mogelijk geworden. Ook wij kunnen de hongerenden te eten geven, de naakten kleden, de vreemdelingen huisvesten, de gevangenen bezoeken, de weduwen en de wezen een eerlijk leven geven, de rechtspraak toegankelijk maken ook voor de armen. We kunnen dat elke dag weer, ook vandaag.

Eerlijk recht

Zacharia 7:1-14

1 In het vierde regeringsjaar van koning Darius richtte de HEER zich tot Zacharia. Het was op de vierde dag van de negende maand, de maand kislew. 2 De stad Betel had Sareser en Regem-Melech met zijn mannen afgevaardigd om de gunst van de HEER af te smeken, 3 en om aan de priesters in het huis van de HEER van de hemelse machten en aan de profeten de volgende vraag voor te leggen: ‘Al jarenlang wordt er bij ons in de vijfde maand getreurd en gevast. Is het werkelijk nodig dat we dat blijven doen?’ 4 Toen richtte de HEER van de hemelse machten zich tot mij: 5 ‘Zeg tegen de bevolking van dit land en tegen de priesters: “Wanneer jullie in de vijfde en de zevende maand rouwen en vasten, nu al zeventig jaar lang, doe je dat dan werkelijk voor Mij? 6 Ook wanneer jullie eten en drinken, doe je dat toch omdat je het zelf wilt?”’ 7 Jullie weten toch wat de HEER bij monde van de vroegere profeten heeft gezegd, toen Jeruzalem en de omliggende steden nog bewoond en vredig waren, en er ook mensen woonden in de Negev en het heuvelland. 8 En nu zegt de HEER het nogmaals, bij monde van mij, Zacharia: 9 ‘Dit zegt de HEER van de hemelse machten: Spreek eerlijk recht, wees goed en zorgzaam voor elkaar; 10 onderdruk geen weduwen en wezen en ook geen vreemdelingen en armen, en wees er niet op uit om een ander kwaad te doen.’ 11 Maar jullie voorouders weigerden halsstarrig om te luisteren; ze stopten hun oren dicht om het maar niet te hoeven horen. 12 Ze lieten de woorden en vermaningen die de HEER van de hemelse machten hun door zijn geest bij monde van de vroegere profeten voorhield niet tot zich doordringen, maar sloten zich ervoor af. Daarom werden ze getroffen door de toorn van de HEER van de hemelse machten. 13 Ze luisterden niet toen Hij hen riep. ‘Daarom’ -zei de HEER van de hemelse machten- ‘zal Ik niet luisteren wanneer zij Mij roepen. 14 Als een stormwind zal Ik hen uiteenjagen, onder onbekende volken.’ Het land bleef ontvolkt achter; niemand ging er meer naartoe, niemand kwam er nog vandaan. Zo is dit heerlijke land door hun toedoen een woestenij geworden. (NBV21)

Heel langzaam had het leven in het land Israël weer haar gewone loop genomen. Twee jaar nadat Zacharia het volk had opgeroepen zich aan de richtlijnen van de God van Israël te houden, in het vierde jaar van koning Darius dus, kwamen er uit de stad Betal een paar afgevaardigden van de stadsbevolking. De geschiedenisboekjes beweren dat het in onze jaartelling en jaarindeling zou moeten zijn op 7 december 518 voor het begin van onze jaartelling, maar het verhaal van Zacharia is geen journalistieke of historische weergave van de werkelijkheid, het is een geloofsverhaal over een volk dat opnieuw is gaan geloven in de oude verhalen over de God van Israël en probeert te gaan leven volgens de richtlijnen die hun God in de woestijn aan het volk had gegeven. De vraag die ze stellen is een zeer reële vraag. Toen de Tempel in Jeruzalem aan het begin van de ballingschap was verwoest kregen de ballingen in Babel door dat het was afgelopen met de steun die het volk had gehad van de God van Israël. Dat was een enorme klap geweest.

In de hoop dat die God ooit berouw zou krijgen van het opgeven van het volk Israël hadden ze besloten elk jaar een maand te vasten. In de maand waarin de Tempel was gebouwd. Dat hadden ze zeventig jaar volgehouden. Jeremia had ze ooit geschreven dat de ballingschap zeventig jaar zou duren en daardoor hadden ze het kunnen volhouden. Er zou, ook volgens de profeten Jesaja en Ezechiël, een dag komen dat de ballingen zouden terugkeren. Die dag was dus nu gekomen, de Tempel was herbouwd en het volk probeerde zich weer aan de richtlijnen van God te houden. Is het nu tijd om het vasten, het rouwen te stoppen? Zacharia gaat niet in op de vraag. Hij houdt ze de richtlijnen nog eens voor, daar gaat het immers om. Eerlijke rechtspraak, waar ook de armen dus toegang tot zouden moeten hebben. Voor elkaar zorgen, dat moet je dus niet aan het toeval overlaten maar dat moet je als volk goed organiseren. De weduwen, de wezen, de vreemdelingen en de armen moet je niet onderdrukken. Ze hebben een zwakke positie en daar moet je geen misbruik van maken.

Dat zijn geen nieuwe regels, die waren op de Horeb al gegeven aan Mozes en door de eeuwen heen door profeten aan het volk voorgehouden. Het volk had echter die richtlijnen verwaarloosd en geweigerd om er naar te luisteren. Met de bekende gevolgen, het land was een woestenij geworden. Zacharia zegt het niet maar het ligt voor de hand te denken dat zo’n maand vasten gebruikt kan worden om samen na te denken over de richtlijnen en hoe je daarmee nog steeds om gaat en om wil gaan. Daar gaat ook onze 40 dagen tijd om. Sinds de opstanding zouden we de dood en het lijden achter ons kunnen laten. Maar het niet volgen van de richtlijnen, zoals hier weer door Zacharia is doorgegeven, brengt steeds weer nieuw lijden, slachtoffers van oorlog, geweld en onderdrukking, vluchtelingen uit wanhoop die verdrinken in een gevaarlijke zee, honger door misoogsten en gebrek aan hulp. Ook voor ons aanleiding genoeg om te zien waar we onze samenleving moeten veranderen om tegemoet te komen aan de richtlijnen van God.

De hoogste God

Deuteronomium 10:12-22

12 Israël, bedenk dus dat de HEER, uw God, niets anders van u vraagt dan dat u ontzag voor Hem toont, dat u de weg volgt die Hij u wijst, dat u Hem liefhebt, Hem met hart en ziel dient 13 en zijn geboden en wetten, die ik u vandaag voorhoud, naleeft; dan zal het u goed gaan. 14 De HEER, aan wie de hoogste hemel toebehoort, en de aarde met alles wat daarop leeft, 15 heeft toch alleen voor úw voorouders liefde opgevat en u, hun nazaten, verkozen boven alle volken, en zo is het nog steeds. 16 Besnijd daarom uw hart en wees niet langer halsstarrig. 17 Want de HEER, uw God, is de hoogste God en Heer. Hij is de grote, de sterke, de ontzagwekkende God. Hij handelt zonder aanzien des persoons en is onomkoopbaar; 18 Hij verschaft weduwen en wezen recht, bewijst vreemdelingen zijn liefde door hen van voedsel en kleding te voorzien. 19 Ook u moet vreemdelingen met liefde behandelen, want u bent zelf vreemdelingen geweest in Egypte. 20 Toon ontzag voor de HEER, uw God, dien Hem, wees Hem toegedaan en zweer alleen bij zijn naam. 21 Zing zijn lof, Hij is uw God! U hebt met eigen ogen gezien welke grootse, indrukwekkende daden Hij voor u heeft verricht: 22 met zeventig personen trokken uw voorouders naar Egypte, maar nu heeft Hij u zo talrijk gemaakt als de sterren aan de hemel! (NBV21)

Sjonge, vijf boeken aan het begin van de Bijbel die aangeven hoe je zult moeten leven in allerlei omstandigheden om tegemoet te komen aan dat wat de God van Israël van je wil. Daar ben je dus wel een heel leven mee bezig. Bij de Joden wordt dit ook wel in de praktijk gebracht. Orthodoxe Joden leggen de nadruk op het lernen, van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat bestuderen ze die vijf boeken en de commentaren die er door de leraren op zijn geleverd. Maar moet het zo ingewikkeld? Het gedeelte dat we vandaag lezen zegt dat het ook eenvoudig onder woorden te brengen is. Volg de weg die God wijst en heb hem lief met hart en ziel. Je richten op de eerste vijf boeken van de Bijbel wordt dan een plezierige bezigheid. Er gaat je steeds een lichtje op over de zaken die je op je weg tegenkomt.

Want de vraag is natuurlijk hoe je die weg volgt en God liefhebt met hart en ziel. Oude verhalen kunnen je daarbij danig in de war brengen. Moet je mensen doden of moet je zelfs een moordenaar in staat stellen leider van het volk te worden. Mozes, zijn afscheidstoespraak wordt in dit boek beschreven, wijst op wat God heeft gedaan en nog steeds doet. Hij handelt zonder onderscheid in persoon. Wij zeggen dan dat discriminatie die God vreemd is, niet in taal, niet in houding, niet in bejegening en niet in de plaats die je mensen in de samenleving geeft. Iedereen is net als jij, geschapen naar Gods beeld. Jij mag dus de weduwen en wezen recht verschaffen, de vreemdelingen beschermen en hen voorzien van voedsel en kleding. Ook mag je de vreemdelingen onder ons met liefde behandelen. Een voorschrift dat ze net gaan doen als in Israël gebruikelijk was en de God van Israël gaan volgen staat er hier niet bij.

Bij alles wat je doet zou je dat terug moeten willen voeren op de Liefde van de God van Israël. Mensen doden is er niet bij staat er in het verbond dat je met het volk en God bent aangegaan. Er is eigenlijk op de hele wereld maar één echte machthebber, dat is de God van Israël. Zelfs van een slavenvolkje dat ooit met 70 mensen door honger gedreven naar Egypte trok, is door die God een groot volk gemaakt. Zo groot als er sterren aan de hemel zijn. Dat volk trekt in volle vrijheid door de chaos van de woestijn. Daar is niets te eten, maar God zorgt voor het dagelijks brood, de manna. Daar is niets te drinken, maar als er dorst is laat God het water desnoods uit de rotsen stromen. Die God mag je in vreugde dienen door de naaste lief te hebben als jezelf en voortdurend gericht te zijn op de minsten in de samenleving.

 

Daarom

Deuteronomium 10:1-11

1 Toen zei de HEER tegen mij: ‘Hak twee stenen platen uit, gelijk aan de vorige, maak een houten kist en kom naar Mij toe, op de berg. 2 Dan zal Ik op die platen de geboden schrijven die ook op de eerste stonden, die jij hebt stukgeslagen. Daarna moet je ze in de kist leggen.’ 3 Ik heb toen van acaciahout een kist gemaakt en twee nieuwe stenen platen gehouwen. Daarna ben ik met de twee stenen platen de berg op gegaan. 4 En de HEER heeft er hetzelfde op geschreven als de eerste keer: de tien geboden die Hij u vanuit het vuur had bekendgemaakt, toen u bij de berg bijeen was. Hij overhandigde mij de platen, 5 waarna ik terugging, de berg af. Ik heb ze in de ark gelegd, de kist die ik in opdracht van de HEER gemaakt had, en daar liggen ze nog. 6 Vervolgens zijn de Israëlieten van de bronnen van Bene-Jaäkan naar Mosera getrokken. Aäron is daar toen gestorven en er begraven; zijn zoon Eleazar volgde hem op als priester. 7 Ze zijn daarna verder gereisd naar Gudgod en van daar naar Jotbata, dat in een gebied met veel wadi’s ligt. 8 In die tijd wees de HEER de stam Levi aan om de ark van het verbond met de HEER te dragen, om voor Hem dienst te doen en in zijn naam de zegen uit te spreken. Zo is het tot op de dag van vandaag. 9 Daarom bezitten de Levieten geen eigen grond zoals de anderen; zij mogen immers bestaan van de dienst aan de HEER, zoals Hij hun heeft beloofd. 10 Net als de eerste keer heb ik dus veertig dagen en nachten op de berg doorgebracht, en ook ditmaal gaf de HEER mij gehoor: Hij besloot u te sparen. 11 En de HEER zei tegen mij: ‘Ga aan het hoofd van het volk weer op weg, dan kunnen ze het land binnengaan dat Ik hun voorouders onder ede heb beloofd, en het in bezit nemen.’ (NBV21)

Als je de verhalen achteraf leest ken je de afloop al. Dat de Levieten mochten bestaan van de dienst aan de God van Israël wisten we al. Dat ze daarom geen land hadden wisten we eigenlijk ook al. Maar dat er een tijd zat tussen het vertrek bij de Horeb en de aanstelling van de Levieten ontgaat je dan, evenals het feit dat er eerst een nieuwe hogepriester moest komen voordat Mozes de trouwste volgelingen van de God van Israël en de leer die hij in het hart van het volk geplaatst had, tot bewakers en verzorgers van die leer had aangesteld. In het gedeelte dat we vandaag lezen wordt dat nog eens samengevat. In plaats van het volk te vernietigen omdat het andere goden naliep dan de God van Israël werd er in plaats van een gouden stierkalf een kist van acaciahout met twee stenen platen in het hart van het volk geplaatst. Die kist en dat wat er in lag waren geen beeld van de God van Israël maar waren een geschenk van die God en het houden van de geboden op de platen in die kist waren de wederdienst van het volk aan die God. Overigens had die God zelf die wederdienst helemaal niet nodig maar het volk wel. Door het naleven van de geboden werd het volk een beter volk, werd het volk een voorbeeld voor alle volken op de aarde. Het hart van die geboden laat zich samenvatten in het heb-Uw-naaste-Lief-als-Uzelf.

Als een heel volk dat doet is er geen onrecht meer in dat volk, zijn er geen mensen die aan de kant gezet worden, is er geen bedrog en afperserij, worden er geen moorden gepleegd, is niemand jaloers op een ander, houdt niemand het bezit voor zichzelf, is er geen honger meer en wordt voor de weduwe en de wees gezorgd. Als je dus echt die kist met die Wet in het hart van een volk plaatst dan kan dat volk het beloofde land binnengaan. Als alle volken dat doen dan wordt de aarde een hemel en zal God zijn tent op deze aarde spannen. De ark heeft heel lang in de tent van de samenkomst gestaan en kwam uiteindelijk in de Tempel van Salomo terecht. Daarna is hij verloren gegaan. De boeken met de leer van Mozes, zoals wij ze uit de eerste vijf boeken van de Bijbel kennen, doken later bij een restauratie van de Tempel weer op. Toen bleken ze vergeten en voerde de toenmalige Koning ze weer in. Maar ook als de stenen of de papieren verdwenen schenen waren er profeten die opstonden om het volk weer de Wet van de God van Israël voor te houden. Na de ballingschap kregen ook de Levieten weer hun bijzondere plaats in het land. Vooral hun functie van rechtspreker en onderwijzer kwam daarbij weer tot uiting. Ze lazen heel de leer voor aan het volk zo staat in het boek Nehemia beschreven. Christenen hebben het nog wel eens moeilijk gehad met de leer zoals die in detail beschreven staat en soms lijkt op een Romeinse wet.

In het begin waren er Joden die vonden dat ja naar elk detail uit die leer moest leven. Voor Heidenen maakte dat het leven bijna onmogelijk. Omdat Jezus van Nazareth zo duidelijk had geleerd dat het zou gaan om het hart van die leer, het je naaste liefhebben als jezelf, werd dat de Wet die gold voor Christenen, en Joden dus ook. Paulus roept zelfs op om die leer in je hart te laten beitelen en daarmee worden alle gelovigen Levieten, dienaren van de Ark waar het verbond tussen God en mensen wordt bewaard. Als dat eens waar zou zijn dan zouden we allemaal nu al dat land binnen mogen gaan waar God zelf zal wonen. Zover is het nog niet. Er zit immers tijd tussen het begin en het einde van het verhaal. Wij staan nog maar aan het begin. In onze samenleving is nog maar weinig van die leer over de God van Israël te merken, vraag het maar eens aan de slachtoffers van de leenbedrijven en de bank die omviel, of aan de slachtoffers van de toeslagenaffaire. We zullen nog heel hard en heel lang moeten werken om iets van de aanwezigheid van die leer in onze samenleving merkbaar te maken, maar we mogen er vandaag weer mee beginnen.

Uw wangedrag

Deuteronomium 9:15-29

15 Toen ging ik terug; ik daalde de berg af, die in vuur en vlam stond, en de twee platen van het verbond droeg ik met beide handen. 16 En toen zag ik hoe u tegen de HEER, uw God, had gezondigd: u had een beeld gemaakt in de vorm van een stierkalf. Zo snel was u al afgeweken van de weg die de HEER u gewezen had. 17 Ik heb toen in uw bijzijn de twee platen die ik in mijn handen had, stukgesmeten. 18 Ik wierp me ter aarde voor de HEER, net als de eerste keer, en bleef veertig dagen en nachten zo liggen, zonder iets te eten of te drinken. Dat was omdat u zo zwaar gezondigd had: u had gedaan wat slecht is in de ogen van de HEER en Hem daarmee getergd. 19 Ik vreesde de toorn van de HEER, want Hij was zo kwaad op u dat Hij u wilde uitroeien. Maar ook ditmaal gaf Hij mij gehoor. 20 Ik heb toen in het bijzonder voor Aäron gebeden, want ook Hem wilde de HEER doden, zo groot was zijn woede. 21 Het bewijs van uw wangedrag, het stierenbeeld dat u gemaakt had, heb ik verbrand en verbrijzeld, versplinterd en verpulverd; het stof dat overbleef heb ik in de bergstroom gegooid. 22 Ook later, in Tabera, in Massa, in Kibrot-Hattaäwa, zou u steeds opnieuw de woede van de HEER wekken. 23 En ook toen de HEER u vanuit Kades-Barnea op weg stuurde met de woorden: ‘Trek op, neem het land dat Ik je geef in bezit,’ verzette u zich nog tegen zijn bevel, in plaats van Hem te vertrouwen en te gehoorzamen. 24 Vanaf het moment dat ik met u te maken kreeg, hebt u zich tegen de HEER verzet. 25 Ik had me dus voor de HEER ter aarde geworpen, en bleef veertig dagen en nachten op de grond liggen, omdat Hij tot uw ondergang besloten had. 26 En ik bad tot de HEER: ‘Ach HEER, mijn God, spaar toch het volk dat U toebehoort en dat U zelf in uw grootheid hebt gered en met sterke hand uit Egypte hebt weggeleid. 27 Denk terug aan uw dienaren Abraham, Isaak en Jakob. Blijf niet stilstaan bij het halsstarrige, slechte en zondige gedrag van dit volk. 28 Laat de mensen in het land waaruit U dit volk hebt weggeleid, niet kunnen zeggen: “De HEER was zeker niet in staat om ze naar het land te brengen dat Hij hun beloofd had. Hij moet hen wel gehaat hebben, dat Hij ze hier heeft weggehaald om ze in de woestijn te laten omkomen!” 29 Ach HEER, het is toch het volk dat U toebehoort en dat U door uw grote macht met opgeheven arm hebt bevrijd?’ (NBV21)

Dat krijgen van die richtlijnen werd nog een aardige puinhoop. Terwijl Mozes met God samen dat hele stelsel van richtlijnen opstelde, boven op de Berg, was het volk al vast maar zelf begonnen. Wachten duurt vaak te lang. Dat maken wij vandaag de dag ook mee. Toen er een dodelijk virus rondwaarde waartegen nog maar weinig mensen beschermd waren waanden wij ons gemakkelijk veilig. Dus niet meer knuffelen, geen begroetingskussen, niet omhelzen en niet samen dichtbij elkaar zijn werden ons te veel. Zeker toen het aantal mensen dat beschermd is steeg dachten we wel op te kunnen houden met alle voorzorgen. En daar gaan dus onnodig weer mensen aan dood of worden zeer lang ziek. Het volk Israël was ook alvast maar begonnen. Terwijl Mozes met God de leer ontwikkelde ging het volk maar vast aan de aanbidding beginnen. In Egypte hadden ze geleerd hoe je een God kon aanbidden. Je zorgde voor een mooi beeld van die God en daar ging je dan aan offeren, danste en speelde je rond om die God aangenaam te stemmen.

Vruchtbaarheid verlangde dit slavenvolk van hun God en een stierkalf brengt vruchtbaarheid, dus dat werd de godsdienst. Geen wonder dat de aanhangers van de God van Israël in de loop van de geschiedenis steeds kwader werden over die aanbidding en het verhaal tegen de aanbidding van stierkalveren steeds feller werd. Kennelijk hadden ook Priesters van de Tempel zich schuldig gemaakt aan de godsdienst voor de stierkalveren want hier wordt verteld dat ook Aäron, broer van Mozes en de eerste Priester, bedreigd was met de dood. In het verhaal uit Exodus 32, waarnaar hier wordt verwezen, lees je dat niet direct. Wel zou je uit de opdracht aan de Levieten om alle aanhangers van de stierkalveren uit te roeien kunnen afleiden dat ook Aäron bedoeld zou moeten zijn omdat die het beeld had gemaakt. Aäron ontsnapte echter, hij zou 40 jaar na de uittocht uit Egypte sterven.

De Levieten zouden in het beloofde land een bijzondere plaats innemen. Zij kregen geen eigen grond maar moesten onderhouden worden door de overige stammen. Zij werden verdeeld over het land en moesten optreden als rechters die de leer van Mozes moesten uitleggen en er op toezien dat die leer nageleefd werd. Ook bij ons is dat wat ons winst belooft, goud en rijkdom, het allerbelangrijkst. Degene die met eigen handen een vermogen weet op te bouwen geniet bij ons het hoogste aanzien, Ook onze welvaart hebben we dus niet aan onszelf te danken maar aan de genade van God die ons blijft oproepen om zijn Weg te volgen, te delen van onze overvloed met de zwaksten en de minsten op aarde. Als we dat kunnen zal het ook onze kinderen en kleinkinderen goed en gaan en zullen ook zij in welvaart kunnen leven. Maar ook nu is God niet af te beelden als vruchtbaarheid of winst en profijt. Ook nu gaat het onze God om de zorg voor de minsten en leven in vrede. Als we de fout in gaan dan is onze God ook in staat ons de kans te geven opnieuw te beginnen. Vandaag beginnen dus.

Niet uw eigen rechtvaardigheid

Deuteronomium 9:1-14

1 Luister, Israël! U staat op het punt de Jordaan over te steken om het land van die andere volken binnen te gaan en het in bezit te nemen. Zij zijn groter en machtiger dan u en hebben grote steden met hemelhoge versterkingen. 2 Onder hen zijn ook de beruchte Enakieten, een volk van mensen zo sterk en lang dat volgens de verhalen niemand tegen hen opgewassen is. 3 Laat vandaag echter goed tot u doordringen dat het de HEER, uw God, is die u voorgaat als een verterend vuur. Hij zal hun ondergang bewerken en hen op de knieën dwingen. Zo zult u hen in korte tijd kunnen verdrijven en te gronde richten, zoals de HEER u heeft beloofd. 4 Maar wanneer Hij hen zo voor u op de vlucht jaagt, moet u niet bij uzelf denken: We hebben het ook wel verdiend dat de HEER ons hierheen heeft gebracht om ons dit land in bezit te geven. Nee, het is omdat die volken zo slecht zijn dat Hij ze voor u verdrijft. 5 Niet uw eigen rechtvaardigheid of uw zuivere geweten geeft u toegang tot hun land. De HEER, uw God, verdrijft die volken voor u omdat ze zo slecht zijn, en omdat Hij zich wil houden aan de eed die Hij uw voorouders Abraham, Isaak en Jakob heeft gezworen. 6 Onthoud goed dat de HEER u dit goede land niet in bezit geeft omdat u het verdiend hebt, want u bent een onhandelbaar volk.7 Herinner u hoe u in de woestijn de woede van de HEER, uw God, hebt gewekt.Vanaf het moment dat u Egypte verliet tot uw aankomst hier hebt u zich steeds weer tegen de HEER verzet. 8 Vooral bij de Horeb hebt u Hem kwaad gemaakt, zo kwaad dat Hij u wilde vernietigen. 9 Ik was de berg op gegaan om de stenen platen van het verbond dat de HEER met u gesloten had, in ontvangst te nemen.Veertig dagen en nachten bleef ik op de berg, zonder iets te eten of te drinken; 10 daarna overhandigde de HEER mij twee stenen platen, met Gods vinger beschreven. Op die platen stonden alle geboden die de HEER u vanuit het vuur had bekendgemaakt, toen u bij de berg bijeengekomen was. 11 Na veertig dagen en nachten gaf Hij mij de twee stenen platen van het verbond, 12 en zei: ‘Haast je naar beneden. Jouw volk, dat jij uit Egypte hebt meegenomen, misdraagt zich. Nu al zijn ze afgeweken van de weg die Ik hun heb gewezen: ze hebben een godenbeeld gemaakt.’ 13 En de HEER voegde eraan toe: ‘Ik weet inmiddels hoe onhandelbaar dit volk is. 14 Houd Me niet tegen: Ik zal hen vernietigen en hun naam uitwissen onder de hemel. Maar uit jou zal Ik een volk laten voortkomen dat groter en machtiger is dan dit.’ (NBV21)

Aan het begin van het gedeelte dat we vandaag lezen klinkt het dwingende “Hoor Israël, zo wordt het vanouds tenminste vertaald. Het doet gelijk denken aan de geloofsbelijdenis van het volk Israël, “Hoor Israël, de Heer is onze God, de Heer is de enige. Die belijdenis luidt de intocht in het beloofde land in, het oversteken van de Jordaan. Die oversteek zou een belangrijke symbolische betekenis krijgen. Van de woestijn ga je door de rivier het land binnen dat overvloeit van melk en honing. Je gaat als het ware van de dood naar het leven. Dat land van leven krijg je echter niet zomaar. Er wonen meer mensen, reuzen zelfs. En in dat land van leven is het niet vanzelfsprekend dat iedereen mag meedoen, dat er gedeeld wordt van de overvloed met de armen en de zwakken. Integendeel, het is vanzelfsprekend dat ieder voor zich probeert zoveel mogelijk van die rijkdom naar zich toe te halen.

Die manier van leven is echter ten dode opgeschreven, als je zo leeft dan maak je van het land van leven een woestijn van dood. Ooit is hij begonnen met Abraham en diens nakomelingen. Zonder het land te kennen, zonder die God te kennen, trok Abraham uit zijn eigen land en ging op weg naar het land van leven. God had het hem beloofd. De enige God die telde was de God die dat kon beloven. En van een God die dat kan beloven kun je je geen voorstelling maken, die God gaat alle verstand te boven. Maar die God is ook trouw aan wat hij is begonnen, die laat niet los wat hij ooit aanving en het begon immers met de schepping van de chaos tot mensenland, met de scheiding van dood en leven, licht en donker, hemel en aarde. Het land van leven krijg je dus niet omdat je het verdiend hebt, hoe goed je ook je best hebt gedaan, het land van leven krijgen we omdat God genadig is.

Omdat we het land van leven krijgen kunnen we niet anders dan het met iedereen delen. Want doen we dat niet dan wordt het voor sommigen een land van dood en dan is het gelijk niet meer het land van leven. Uiteindelijk zullen daarom alle tranen gewist zijn en zal de dood niet meer zijn. Dat het volk Israël zeker het beloofde land niet aan eigen verdiensten te danken had blijkt nog eens uit de opsomming die Mozes geeft in het gedeelte dat we vandaag lezen. Centraal daarbij staat het verhaal over het gouden stierkalf dat het volk maakte toen ze op Mozes wachtte die op de Berg de stenen platen met de tien geboden aan het halen was. Nu zou je toch denken dat het volk Israël nooit en te nimmer meer een gouden stierkalf zou maken voor hun godsdienst maar als je nu het boek Koningen opslaat, vooral 2 Koningen, dan kom je daar steeds de mededeling tegen dat de godsdienst van Baäl vernietigd wordt maar dat de gouden stierkalveren die werden aanbeden ongemoeid worden gelaten. Net als wij veel geld ophalen voor de armen maar de rijken ongemoeid laten.

Ziet u iets?’

Marcus 8:22-26

22 Ze kwamen in Betsaïda. Er werd een blinde bij Hem gebracht, en men smeekte Hem om de man aan te raken. 23 Hij pakte de blinde bij de hand en bracht hem buiten het dorp. Hij deed wat speeksel op zijn ogen, legde er zijn handen op en vroeg: ‘Ziet u iets?’ 24 Hij begon weer te zien en zei: ‘Ik zie mensen, het zijn net bomen, maar ze lopen rond.’ 25 Daarna legde Hij weer zijn handen op de ogen van de blinde. Deze sperde zijn ogen open en genas; hij zag alles nu heel helder. 26 Hij stuurde hem naar huis met de waarschuwing: ‘Ga het dorp niet in!’ (NBV21)

We knippen zo graag de kleine verhaaltjes in de Bijbel. Het lijken toch allemaal verschillende verhaaltjes die als een geschiedenisverhaal aan elkaar zijn geregen. Een verhaal als “en toen, en toen” Zeker het Evangelie naar Marcus leent zich daarvoor. Het is een relatief klein boek en Marcus reest door de gebeurtenissen heen naar het lijdensverhaal dat uitgebreid en gedetailleerd verhaal wordt verteld. Maar er zit een samenhang in de verhaaltjes. Na het delen van brood en vis, als er veel over blijkt te zijn, maken de volgelingen zich weer zorgen over een mogelijk te kort aan brood. “Zien jullie het dan nog niet?” bromt Jezus en waarschuwt hen voor het gif in de verhalen van de Farizeeën.

Maar wat moeten ze dan zien. Centraal staat de spelregel dat je om je heen moet kijken en de minste moet helpen, de kreten van de mensen horen die buiten de samenleving zijn komen te staan. Maar wat zie je dan? Ook als je de mensen om je heen dan gaat zien moet je uitkijken. De blinde die weer kon zien zag de mensen alsof het bewegende bomen waren. En mensen als bomen kennen we uit de Psalmen. Het zijn de rechtvaardigen die de Wet van Heb-Uw-Naaste-Lief-Als-Uzelf dag in dag uit in praktijk brengen. Het zijn mensen als bomen die gepland zijn aan levend water. Daar gaat kracht van uit, daar groeien de mooiste vruchten aan. Maar alle mensen als rechtvaardig zien is ook weer niet goed. Er zijn immers mensen die willen delen en mensen die juist niet willen delen. Dat onderscheid moeten we zien te maken.

Daar moeten we dus op uit zijn. Weer leren zien is niet genoeg, opstaan uit de slaap van de onverschilligheid ook niet. Zelfs de genezing van een blinde is ondergeschikt aan het doel. Jezus van Nazareth maakt er geen show van maar gebruikt het geneesmiddel dat iedereen kende, speeksel, zoals de kus van een moeder de zere knie van haar kind genezen kan. Maar alle mensen zomaar als rechtvaardig zien is ook weer niet goed. Er zijn immers mensen die willen delen en mensen die juist niet willen delen. Dat onderscheid moeten we zien te maken. Dat delen begint bij onszelf, dat wat we hebben weten te delen met hen die niets hebben in het vertrouwen dat er voor ons allemaal genoeg is. Maar het moet daar niet bij blijven steken. Het moet als zuurdesem de samenleving op smaak brengen.