Helder wit glanzen

Marcus 9:2-13

2 Zes dagen later nam Jezus Petrus, Jakobus en Johannes met zich mee een hoge berg op, waar ze helemaal alleen waren. Voor hun ogen veranderde Hij van gedaante, 3 zijn kleren gingen helder wit glanzen, zo wit als geen enkele wolwasser op aarde voor elkaar zou kunnen krijgen. 4 Toen verscheen Elia aan hen, samen met Mozes, en ze spraken met Jezus. 5 Petrus nam het woord en zei tegen Jezus: ‘Rabbi, het is goed dat wij hier zijn; laten we drie tenten maken, een voor U, een voor Mozes en een voor Elia.’ 6 Hij wist niet goed wat hij moest zeggen, want ze waren door schrik overweldigd. 7 Toen kwam er een wolk, die hen overdekte, en uit de wolk klonk een stem: ‘Dit is mijn geliefde Zoon, luister naar Hem!’ is mijn geliefde Zoon, luister naar Hem!’ 8 Ze keken om zich heen en zagen opeens niemand meer, behalve Jezus, die nog bij hen stond. 9 Toen ze de berg afdaalden, zei Hij tegen hen dat ze aan niemand mochten vertellen wat ze hadden gezien voordat de Mensenzoon uit de dood zou zijn opgestaan. 10 Ze namen zijn woorden ter harte, maar vroegen zich onder elkaar wel af wat Hij bedoelde met deze opstanding uit de dood. 11 Ze vroegen Hem: ‘Waarom zeggen de schriftgeleerden dat Elia eerst moet komen?’ 12 Hij antwoordde: ‘Elia komt inderdaad eerst en herstelt alles, maar over de Mensenzoon staat toch geschreven dat Hij veel moet lijden en met verachting behandeld zal worden? 13 Ik zeg jullie: Elia is al gekomen, en ze hebben met hem gedaan wat ze wilden, zoals over hem geschreven staat.’ (NBV21)

We willen graag alles begrijpen, alles vasthouden en alles voorzien. Dat zit nu eenmaal in onze aard. En als het gaat om aardse zaken is het ook zo gek nog niet. Ruimteschepen vliegen af en aan naar het ruimtelaboratorium ISS. Een prestatie van formaat. Er zijn medicijnen die zorgen dat mensen die besmet zijn met HIV geen AIDS meer kunnen krijgen. Een groot deel van de kankerpatiënten geneest tegenwoordig en ook behandelingen tegen Alzheimer komen langzaam in zicht. We bestrijden een wereldwijde pandemie met vaccinaties. De studie over menselijk samenleven en de vrede bewaren mag nog wel wat geïntensiveerd worden maar het is eigenlijk meer jammer dat bestuurders en machthebbers zo weinig kennis nemen van de wetenschappelijke resultaten op dit gebied. Als het gaat om de Bijbel is dat willen weten, meten, verklaren en voorzien wat minder vruchtbaar.

We weten dat aan alles een eind komt. Sterren storten in tot zwarte gaten, ooit was er een grote knal waarmee alles begon en ooit zal alles ineenstorten tot een groot zwart gat. We geloven dat God er dan iets mee te maken heeft, dat er een nieuwe hemel en een nieuwe aarde zal komen waar geen pijn en geen verdriet meer is. Dat geloof zet ons in beweging om pijn en lijden te bestrijden. Zoals Mozes niet ging wachten op de nieuwe aarde maar zijn volk uit Egypte leidde en Elia zijn mond niet hield maar de misstanden in de samenleving luidkeels aan de kaak stelde wachtte ook Jezus niet tot God ingreep maar begon hij brood te breken en mensen weer bij de samenleving te betrekken. Dat is mooi en dat willen we vastleggen. Zo zijn er veel zogenaamde Christenen die zich voortdurend bezig houden met de eindtijd en de tekenen die daar op zouden kunnen wijzen.

Maar juist vastleggen en nameten is niet aan de orde. Het verhaal van Jezus is een verhaal van beginnen en opnieuw beginnen, telkens weer. In de ogen van de wetenschap een bespottelijk verhaal, maar voor wie er in mee wil doen een glanzende werkelijkheid van bevrijding uit de slavernij van alle dag en het aan de kaak stellen van het kwade in de wereld. Ondanks de voortdurende nieuwe inzichten van de wetenschap gelooft men toch dat alles in de wetenschap vast ligt. Jezus neemt in het verhaal van vandaag de leer van Mozes en het verhaal van de profeten met zich mee. Dat geeft hem glans. Een glans waarvan de betekenis pas duidelijk wordt na de opstanding. Maar die glans kunnen we vandaag ook weerspiegelen daar kun je mee rekenen, en als er een morgen is dan begint het gewoon weer als nieuw.

 

Prent ze uw kinderen in

Deuteronomium 11:18–12:1

18 Houd mijn woorden dus in gedachten, maak ze u eigen, draag ze als een teken om uw arm en als een band op uw voorhoofd. 19 Prent ze uw kinderen in en spreek er steeds over, thuis en onderweg, als u naar bed gaat en als u opstaat. 20 Schrijf ze op de deurposten van uw huis en op de poorten van de stad. 21 Dan zullen u en uw kinderen lang mogen wonen in het land dat de HEER uw voorouders onder ede heeft beloofd, zolang de hemel boven de aarde staat. 22 Wanneer u alle geboden die ik u geef zorgvuldig naleeft, en u de HEER, uw God, liefhebt, Hem bent toegedaan en de weg volgt die Hij wijst, 23 dan zal Hij ter wille van u al die volken, die groter en machtiger zijn dan u, verdrijven en hun land aan u in bezit geven. 24 Elk stuk grond dat u zult betreden is voor u. Uw gebied zal zich uitstrekken van de woestijn tot aan de Libanon, en van de rivier de Eufraat tot aan de zee in het westen. 25 Er zal niemand zijn die tegen u kan standhouden. De HEER, uw God, laat in het land dat u binnengaat iedereen van angst voor u beven, zoals Hij u heeft beloofd. 26 Besef goed, vandaag stel ik u voor de keuze tussen zegen en vloek. 27 Zegen, als u gehoorzaam bent aan de geboden van de HEER, uw God, zoals ik ze u vandaag voorhoud. 28 Vloek, als u zijn geboden niet gehoorzaamt en afwijkt van de weg die ik u vandaag wijs en achter andere goden aan loopt die u eerst niet kende. 29 Wanneer u straks door zijn toedoen in het land aankomt dat u in bezit zult nemen, moet u op de Gerizim de zegen uitspreken, en op de Ebal de vloek. 30 (Deze bergen liggen ten esten van de Jordaan, ter hoogte van Gilgal, vlak bij de eiken van More. Ze zijn te bereiken over de weg die door het gebied van de Kanaänieten in de Jordaanvallei naar het westen loopt.) 31 Straks steekt u de Jordaan over om het land binnen te gaan dat de HEER u zal geven. Wanneer u het in bezit hebt genomen en er woont, 32 leef dan alle wetten en regels die ik u vandaag voorhoud strikt na. 1 Dit zijn de wetten en regels waaraan u zich moet houden zolang u leeft in het land dat de HEER, de God van uw voorouders, u in bezit geeft. (NBV21)

Voor wat hoort wat zou je bijna zeggen in dit gedeelte uit de afscheidstoespraak van Mozes. Als het volk zich aan de regels houdt dan krijgt het het beloofde land. Maar van voor wat hoort wat is eigenlijk geen sprake. God heeft Israël niet gekozen om met dat volk te handelen. Nee dat volk is gekozen om alle volken in de wereld te laten zien wat het leven van een volk volgens de richtlijnen van God zou kunnen betekenen. Dan komt er een land waar het overvloeit van melk en honing. Er is in ons land ook een “Bond tegen het vloeken” maar die gaat over heel iets anders dan waar de vloek in het gedeelte dat we vandaag lezen over gaat. Hier vloekt God zelf. Als het volk niet geschikt is om dat licht voor alle volken te zijn dan mislukt het plan van God. Volgens dit Bijbelgedeelte is een vloek daarom het niet volgen van de richtlijnen van de God van Israël, het is een zegen om die geboden wel te houden. Nu weten we dat het gebod van de God van Israël zich laat samenvatten als “Heb Uw naaste Lief als Uzelf”. Doe je dat niet dan vloek je dus. Een “Bond tegen het vloeken” zou dus moeten gaan over het opsluiten van onschuldige kinderen met gedragsproblemen in gevangenissen, over het tegengaan van eerwraak en vrouwenhandel, over het op straat zetten van gezinnen omdat ze hun woonlasten niet kunnen betalen, over het achterstellen van vreemdelingen, over eerlijke handelsverhoudingen met de armste landen in de wereld.

Maar daar gaat die “Bond tegen het vloeken” niet over, die gaat over taalgebruik en daarmee moet je oppassen want voor je het weet vervloek je de mensen die zich niet aan de geboden van de God van Israël houden en maak je zo duidelijk dat ze niet kiezen voor zegenen maar voor vloeken. Die zegen en die vloek gaan heel het land aan. Als je in het land Israël met je gezicht naar het Oosten gaat staan, daar waar de zon opkomt, dan ligt de Gerizim aan je rechterhand en de Ebal aan je linkerhand in het midden van het land Palestina. De plaats aan je rechterhand geldt in de Bijbel als de meest voorname plaats, die aan je linkerhand als de minst voorname plaats. Het voornaamste in het land behoort dus het houden van het gebod van de God van Israël te zijn, het omgekeerde komt ook voor maar hoort een veel mindere plaats in te nemen. Die berg Gerizim ligt bij de eiken van More, misschien wel Mamre. Dat was de eerste plaats waar Abraham zich vestigde in het land Kanaän. Die berg en die zegen herinnert dus ook aan de belofte die God heeft gedaan aan Abraham om hem een groot nageslacht te geven, een machtig volk. De zegen op de berg Gerizim is dus verleden heden en toekomst tegelijk. De belofte uit het verleden, de verovering in het heden en het volgen van de richtlijnen in de toekomst. De Gerizim zou daarom ook heel lang een belangrijke plaats in blijven nemen in Israël.

Het werd uiteindelijk de Tempelberg voor de Samaritanen. Die werden na de ballingschap wel niet erkend door de Joden als echte Joden maar ze hadden wel degelijk iets met de richtlijnen van de God van Israël. Ze kenden wel niet alle boeken uit de Hebreeuwse Bijbel, ons Oude Testament, maar hielden wel vast aan de eerste vijf boeken, de Tora, de leer van Mozes. De Samaritaanse Bijbel speelt voor ons nog altijd een rol in de vertaling van de Hebreeuwse Bijbel in het Nederlands. Ook op de Ebal werd een altaar opgericht, maar we leren uit de boeken van verschillende kleine profeten dat daar al heel snel een afgodendienst ontstond. Geen wonder dus dat uiteindelijk die berg het symbool werd van de vloek, andere goden achterna lopen is immers het verlaten van het gebod van de God van Israël. Hebben wij dan nu nog wat met die keuze tussen zegen en vloek? Het is natuurlijk goed te weten dat beide altijd voorkomen in een land, ook in een land als het onze. We zullen dag in dag uit vele malen de keuze moeten maken tussen zegen en vloek. Lastig is het als het niet met taal te maken heeft maar met zorg voor de naaste. Mooie woorden zijn niet genoeg, te vaak wordt daarin eigenbelang verpakt en het afwenden van de zorg voor de naaste. Vervloekingen kunnen ons soms attent maken op het onrecht dat onze naaste wordt aangedaan en waar we tegen hebben op te komen. Let dus niet te veel op de woorden maar veel meer op het effect op de armsten, de zwakken in de samenleving. Dat kunnen we ook vandaag tot zegen voor ons land zijn, door te houden van onze naaste als voor onszelf.

Getuige zijn geweest

Deuteronomium 11:1-17

1 Heb daarom de HEER, uw God, lief en houd u aan uw verplichtingen tegenover Hem. Leef zijn wetten, regels en geboden elke dag na. 2 Wees u ervan bewust dat uw kinderen geen getuige zijn geweest van het onderricht dat de HEER u gaf, en niet met eigen ogen zijn grootheid hebben gezien, zijn sterke hand en opgeheven arm. 3 Wat weten zij van de wonderen en daden die Hij in Egypte verrichtte, ten koste van de farao en zijn hele volk? 4 Of van wat Hij met het leger van Egypte en al zijn paarden en wagens heeft gedaan, hoe Hij ze liet verdwijnen in het water van de Rietzee toen ze u achtervolgden, waarmee Hij hun macht heeft gebroken tot op de dag van vandaag? 5 Uw kinderen weten toch niet wat Hij in de woestijn voor u heeft gedaan voordat u hier aankwam? 6 En wat Hij ten overstaan van het hele volk deed met Datan en Abiram, de zonen van de Rubeniet Eliab: hoe de aarde haar mond opensperde en hen opslokte met hun families, hun tenten en al het vee dat ze bezaten? 7 U daarentegen hebt al die machtige daden die de HEER verrichtte met eigen ogen gezien. 8 Daarom moet u alle geboden die ik u vandaag voorhoud naleven. Daaruit zult u de moed putten om het land aan de overkant binnen te gaan en het in bezit te nemen. 9 Dan zult u lang leven in het land dat de HEER onder ede aan uw voorouders en hun nageslacht heeft beloofd, het land dat overvloeit van melk en honing. 10 Want het land dat u in bezit zult nemen is heel anders dan Egypte, waar u vandaan komt. Daar moest u de akkers na het zaaien kunstmatig bevloeien als een groentetuin. 11 Maar het land aan de overkant is een land met bergen en dalen, dat zijn dorst lest met het water uit de hemel. 12 Het is een land waaraan de HEER, uw God, veel zorg besteedt en waarover Hij waakt, het hele jaar door, van de eerste tot de laatste dag. 13 Als u de geboden gehoorzaamt die ik u vandaag voorhoud, en de HEER, uw God, liefhebt en Hem met hart en ziel dient, 14 belooft de HEER: ‘Ik zal jullie land op de juiste tijd regen geven, in het najaar en in het voorjaar. Je zult je oogst binnenhalen, graan, wijn en olie, 15 en Ik zal groene weiden geven voor je vee. Je zult er volop te eten hebben.’ 16 Maar pas op: laat u er niet toe verleiden van de juiste weg af te wijken, voor andere goden neer te knielen en ze te vereren. 17 Want dan zal de HEER in woede tegen u ontsteken en de hemel sluiten. Er zal geen regen meer vallen en de hele oogst zal mislukken, en u zult spoedig verdreven worden uit het goede land dat de HEER u zal geven. (NBV21)

Er is nu een verbond, tussen God en het slavenvolk dat al veertig jaar door de woestijn heeft gezworven. Eigenlijk al veel langer want pas de tweede generatie van het volk dat uit de slavernij in Egypte was bevrijdt staat nu op de grens van de woestijn en dat beloofde land. Mozes kent natuurlijk de wijsheid dat wie de geschiedenis verwaarloosd gedoemd is dezelfde fouten te maken. En deze jonge generatie die geen andere omgeving kent als de woestijn moet toch weten waarom je zo nauwkeurig de geschiedenis van het volk moet kennen. Alleen maar God loven is niet genoeg. Dat verbond met die God moet een onderdeel van je leven worden en dat is niet gemakkelijk omdat je maar een deel van de geschiedenis kent.

Ook in onze dagen speelt dat. Wie zich bewust is van de verschrikkingen in de Tweede Wereldoorlog past wel op om met een gele ster in een demonstratie mee te lopen die zich richt tegen een democratisch ondersteund besluit van de regering. Ooit was de gele ster een toegangsbewijs voor de gaskamers of in elk geval voor de dood. Wij hebben geen gaskamers, wij hongeren geen mensen uit door ze te weinig eten te geven en te zware arbeid te laten verrichten. In onze dagen is er soms een spoor van de discriminatie die uiteindelijk tot die gaskamers heeft geleid.

Het klinkt dan: “Buitenlanders pakken ons werk af, buitenlanders nemen onze kansen op huisvesting af, buitenlanders eten ons belastinggeld op.” Het zijn de angsten die mensen tot een sterke leider laten leiden als ze bang zijn datgene dat ze aan vrijheid hebben gekregen weer kwijt te raken. Dat je zelf grenzen kunt stellen aan je gedrag en als het nodig is dat samen met anderen kan doen maakt je vrijheid alleen maar sterker. Ook daarvoor moet je de geschiedenis kennen, weten wanneer je voorouders verkeerd handelden en wat het gevolg was. Mozes schetst nog eens een aantal situaties waarin dat voorkwam. Wij zouden beter moeten letten op de verhalen van overlevenden, en ze doorvertellen in plaats van ze te bagatelliseren.

 

Vrede sluiten

Handelingen 12:18-25

18 Bij het aanbreken van de dag ontstond er enorme opschudding onder de soldaten, die zich afvroegen wat er met Petrus gebeurd kon zijn. 19 Herodes liet tevergeefs naar hem zoeken. Na de bewakers verhoord te hebben, gaf hij bevel hen terecht te stellen. vervolgens reisde hij van Judea naar Caesarea, waar hij enige tijd bleef. 20 Destijds was Herodes de inwoners van Tyrus en Sidon vijandig gezind. De beide steden stuurden gezamenlijk enkele afgezanten naar het hof, waar ze Blastus, de kamerheer van de koning, voor hun zaak wisten te winnen. Ze wilden vrede sluiten omdat hun gebied voor de voedselvoorziening afhankelijk was van dat van de koning. 21 Op de overeengekomen dag nam Herodes in zijn koninklijke gewaad plaats op zijn troon en sprak het volk toe. 22 De mensen riepen luidkeels: ‘Hier spreekt een god, geen mens!’ 23 Onmiddellijk werd Herodes geveld door een engel van de Heer omdat hij God niet de verschuldigde eer had bewezen, en door wormen aangevreten blies hij de laatste adem uit. 24 Het woord van God verspreidde zich en vond steeds meer gehoor. 25 Barnabas en Saulus keerden terug uit Jeruzalem na daar hun gift overhandigd te hebben. Ze namen Johannes Marcus met zich mee. (NBV21)

Humor in spannende tijden kan een belangrijk wapen zijn om te overleven. Je kunt van een levende keizer niet zeggen dat het belachelijk is dat hij zich god noemt, hij kan je ter dood laten brengen. Maar een koning die onverwacht dood neerviel nadat het volk hem als god had toegeroepen kun je natuurlijk wel belachelijk maken. Voor Christenen in het Romeinse Rijk moet zo’n kort verhaal over Koning Herodes lachen geweest zijn, God straft onmiddellijk. En een ruzie binnen het Romeinse Rijk tussen machthebbertjes maakte het natuurlijk nog leuker. Herodes had zijn eigen zeehaven Ceasarea, die concurreerde met Tyrus en Sidon. Het lijkt er in het verhaal op dat Herodes kans had gezien om een blokkade van Tyrus en Sidon voor elkaar te krijgen. Dat was knap want de beide steden lagen in de Romeinse provincie Syrië en de Romeinen waren er niet dol op dat plaatselijke machthebbers hun eigen steden te na kwamen.

Om aan de blokkade te ontkomen stuurden Tyrus en Sidon afgezanten naar het hof van Herodus en daar wisten ze een hoge ambtenaar van de Koning gunstig voor hun zaak te stemmen. Hoe ze dat gedaan hebben vertelt het verhaal niet, maar wie bekend is met de wegen van de machtigen en hoe hen gunstig te stemmen kan vermoeden hoe het gegaan is. Wie daar niet mee bekend is heeft vast wel eens van begrippen als smeergeld, corruptie en omkoping gehoord en van die zaken is in het Romeinse Rijk voldoende opgetekend om ook in dit geval te kunnen vermoeden dat de manier waarop Blastus gunstig werd gestemd onder deze begrippen ondergebracht zou kunnen worden maar we weten het niet en moeten niet oordelen zonder de feiten te kennen. Feit is dat die Blastus genoeg invloed had om ook de Koning gunstig te stemmen en het voor elkaar te krijgen dat er vrede gesloten wordt. Dat gaat dan gepaard met de plechtige ondertekening of bevestiging van een vredesverdrag. In al die eeuwen is er op dat punt niks veranderd. Mannen in deftige pakken, Herodes in zijn koninklijk gewaad in dit geval, houden plechtige toespraken en laten zich toejuichen door het volk. Ook hier is dat het geval.

Maar tot verbijstering van de aanwezige Judeeërs roept het volk van Tyrus en Sidon samen met het volk van Caesarea dat die Herodes een god is. Dat is voor de Joden een gruwel, dat was voor de Christenen ook een gruwel maar de Heidenen onder de Christenen waren er wat meer aan gewend. Bij de Joodse schrijver Flavius Josephus krijgt de dood van Herodes dan ook heel wat meer aandacht dan bij Lucas. Kennelijk vond Lucas het een goede grap en een goede wraak voor de dood van Jakobus de broer van Johannes. Het gevolg was wel dat steeds meer mensen de Christelijke weg gingen volgen. Het geld dat Saulus en Barnabas hadden ingezameld op hun voorgaande reis voor de vervolgde gemeente in Jeruzalem was dan ook meer dan welkom. Beiden gingen terug naar Antiochië. Christenen in de hoop achterlatend dat het al die zelfbenoemde godheden zou vergaan als Herodes, ze konden doodvallen. En ook dat is niet anders dan toen. Of al die deftige mannen in hun mooie pakken met hun fraaie toespraken echt vrede zullen brengen moeten we maar afwachten. En in de tijd dat we wachten kunnen we beter doen wat de mensen van de Weg, de Christenen, ook deden, de hongerigen voeden, delen met de armen en je naaste lief hebben als jezelf. Ook vandaag weer.

Met het zwaard

Handelingen 12:1-17

1 Omstreeks die tijd nam koning Herodes enkele leden van de gemeente gevangen en mishandelde hen. 2 Jakobus, de broer van Johannes, liet hij met het zwaard ter dood brengen. 3 Toen hij zag dat de Joden hier gunstig op reageerden, liet hij ook Petrus aanhouden-dat was tijdens het feest van het Ongedesemde brood. 4 Na de arrestatie sloot hij hem op in de gevangenis, waar hij hem door vier groepen soldaten van steeds vier man liet bewaken, met de bedoeling hem na het pesachfeest ten overstaan van het volk te berechten. 5 Terwijl Petrus onder zware bewaking zat opgesloten, bleef de gemeente vol vuur voor hem bidden tot God. 6 In de nacht voordat Herodes hem zou laten voorkomen, lag Petrus te slapen tussen twee soldaten, aan wie hij met twee kettingen was vastgeketend. Ook voor de deur van de kerker stonden bewakers. 7 Toen bewakers. 7 Toen verscheen er plotseling een engel van de Heer en een stralend licht vulde de hele ruimte. De engel stootte Petrus aan om hem wakker te maken en zei: Vlug, sta op.’ Meteen vielen de ketenen van zijn handen. 8 De engel zei tegen hem: ‘Doe je gordel om en trek je sandalen aan.’ Dat deed hij. Daarop zei de engel: ‘Sla je mantel om en volg mij.’ 9 Petrus volgde de engel naar buiten, maar zonder te beseffen dat de dingen die de engel liet gebeuren werkelijk plaatsvonden; hij meende een visioen te zien. 10 Toen ze de eerste en tweede wachtpost voorbij waren, kwamen ze bij de ijzeren poort die toegang gaf tot de stad. De poort ging vanzelf voor hen open, en toen ze buiten waren gekomen liepen ze nog één straat verder, waarna de engel Petrus opeens alleen achterliet. 11 Nadat Petrus weer tot zichzelf gekomen was, zei hij: ‘Nu weet ik zeker dat de Heer zijn engel heeft gezonden om me uit de handen van Herodes te bevrijden en me te behoeden voor wat het Joodse volk hoopte dat gebeuren zou.’ 12 Toen dit tot hem was doorgedrongen, ging hij naar het huis van Maria, de moeder van Johannes Marcus, waar een groot gezelschap bijeen was gekomen om te bidden. 13 Nadat hij op de deur van het voorportaal had geklopt, kwam er een dienstmeisje, dat Rhode heette, om open te doen, 14 maar toen ze de stem van Petrus herkende, was ze zo blij dat ze vergat de deur te openen en naar binnen rende om te zeggen dat Petrus voor de poort stond. 15 ‘Je bent niet goed wijs,’ zeiden ze tegen haar, maar ze bleef volhouden dat het echt zo was. ‘Dan moet het zijn engel zijn,’ zeiden ze ten slotte. 16 Intussen stond Petrus nog steeds aan de poort te kloppen. Toen ze dan toch opendeden, zagen ze tot hun grote verbazing dat hij tot hun grote verbazing dat hij het was. 17 Hij gebaarde dat ze moesten zwijgen en legde uit hoe de Heer hem uit de gevangenis had bevrijd. Daarna zei hij: Stel Jakobus en de anderen hiervan op de hoogte.’ Toen vertrok hij naar elders. (NBV21)

Daar juicht een toon, daar klinkt een stem die galmt door gans Jeruzalem. Dat is de eerste zin van een oud Paaslied dat de vreugde uitdrukt over het feest van de opstanding. Maar dat is in dit verhaal al weer een tijdje geleden en hoe zou het nu verder gaan met dat groepje achterblijvers dat drie jaar lang met Jezus van Nazareth was opgetrokken? In het boek Handelingen wordt het verhaal opgepakt als het opstandingsfeest al weer een jaar geleden is. En dan blijkt dat er van die juichende toon niet zoveel meer over is. Koning Herodes, kleinzoon van de Koning Herodes uit het verhaal over de kindermoord in Bethlehem en neef van de Koning Herodes die een rol had gespeeld in de kruisiging van Jezus van Nazareth, kon er toch slecht tegen dat er Joden waren die nog steeds over Jezus van Nazareth spraken als over de Koning van de wereld. Hij ging die volgelingen van Jezus van Nazareth vervolgen, liet ze arresteren en mishandelde ze. Hij zag de jonge beweging van de mensen van de weg, zoals ze werden genoemd, kennelijk als een politieke bedreiging.

Ook veel Judeeërs die aanhanger waren gebleven van de elite rond de Tempel ergerden zich aan die fanatiekelingen die dag in dag uit rond de Tempel dat verhaal over Jezus van Nazareth liepen te verkondigen. De arrestatie en onthoofding van een van de meer belangrijke leden van die sekte viel dan ook bij veel mensen in goede aarde. Die onruststokers moeten aangepakt worden. Meer Tempelpolitie en direct terechtstellen dat tuig was de opvatting. Je hoort het tegenwoordig ook nog wel eens roepen als het gaat om andersgelovigen die hun eigen godsdienst willen beleven. Toen het gelukt was een belangrijke voorman uit te schakelen kwam er natuurlijk ook ruimte om de meest vooraanstaande woordvoerder van de nieuwe beweging aan te pakken. Dat was Simon Petrus, die al een vooraanstaande positie had ingenomen toen Jezus van Nazareth nog rondtrok als een zeer populaire prediker. Maar die Simon Petrus was bij een groot aantal mensen zeer geliefd en het lag voor de hand dat een Koning van het formaat Herodes bang was dat die volgelingen hun voorganger zouden bevrijden. De gemeente van Jezus van Nazareth liet zich echter niet de mond snoeren. Ze waren vol vuur aan het bidden staat er en dat bidden was niet met de handen gevouwen en de ogen dicht.

Dat bidden was werken en proberen wegen te vinden om de gevangenen te bevrijden zoals Jezus van Nazareth hen nog had opgedragen. En kennelijk is er iemand geweest die een weg heeft gevonden. Lucas vertelt het verhaal of er een bevrijding heeft plaatsgevonden zoals het volk Israël uit de slavernij in Egypte werd bevrijd. Met een Engel die de deur opent, met Petrus die de lendenen omgorden moet en sandalen moet aantrekken, dat moest het volk Israël ook want dan konden ze harder lopen. Pas als ze buiten zijn en zich van de gevangenis hebben verwijderd beseft Petrus wat er is gebeurd. God heeft mensen, boodschappers dus engelen gezonden, om zijn knecht te bevrijden. Petrus doet dan verslag aan het gezelschap dat hij bij de moeder van Johannes Marcus had aangetroffen en dat zeer geschrokken was, vroeg hij om het verhaal aan Jacobus de broer van Jezus te melden, Jacobus was de leider van de gemeente in Jeruzalem, en vluchtte hij. En dat was hem geraden ook, want de soldaten die hem hadden moeten bewaken werden ter dood gebracht. Bevrijding van gevangenen is dus één van de eerste taken van de christelijke gemeente. In onze dagen sluiten we ons daarvoor aan bij Amnesty International en daar kun je elke dag op eenvoudige wijze voor in actie komen, bidden heet dat in Bijbelse termen, zoek ze maar eens op en doe mee.

 

Voor het eerst christenen

Handelingen 11:19-30

19 De leerlingen die verdreven waren als gevolg van de onderdrukking die na de dood van Stefanus was begonnen, trokken naar Fenicië, Cyprus en Antiochië, maar verkondigden Gods boodschap uitsluitend aan de Joden. 20 Enkele Cyprioten en Cyreneeërs onder hen, die naar Antiochië waren gereisd, maakten daar echter ook de Griekse bevolking bekend met het evangelie van de Heer Jezus. 21 De hand van de Heer steunde hen, zodat veel mensen tot geloof kwamen en zich bekeerden tot de Heer. 22 Het nieuws over hun optreden bereikte de gemeente in Jeruzalem, waar men besloot Barnabas naar Antiochië te zenden. 23 Toen hij daar was aangekomen en zag wat God in zijn goedgunstigheid had bewerkt, verheugde hij zich en spoorde hij iedereen aan om standvastig te zijn en trouw te blijven aan de Heer. 24 Hij was een voortreffelijk en diepgelovig man, die vervuld was van de heilige Geest. Een groot aantal mensen werd voor de Heer gewonnen. 25 Hierna vertrok Barnabas naar Tarsus om Saulus te zoeken, 26 en toen hij hem gevonden had, nam hij hem mee naar Antiochië. Een heel jaar lang kwamen ze met de gemeente daar bijeen en gaven ze onderricht aan tal van mensen. Het was in Antiochië dat de leerlingen voor het eerst christenen werden genoemd. 27 In diezelfde tijd kwamen er vanuit Jeruzalem profeten naar Antiochië. 28 Een van hen, die Agabus heette, voorspelde door de Geest dat de wereld door een grote hongersnood zou worden getroffen, iets dat tijdens de regering van Claudius inderdaad gebeurd is. 29 De leerlingen besloten dat de broeders en zusters in Judea ondersteund moesten worden. Ze droegen elk naar vermogen bij 30 en lieten hun gift door Barnabas en Saulus naar de oudsten brengen. (NBV21)

Van Geuzen weten we dat het een scheldnaam was die erenaam werd. De edelen uit de Nederlanden werden met het Franse scheldwoord voor bedelaars, Geux, verwelkomt toen zij hun smeekschrift voor gewetensvrijheid overhandigden. Zij die zich verzetten tegen de Spaanse pogingen de Rooms Katholieke Kerk het alleenrecht in de Nederlanden te geven noemden zich voortaan Geuzen. Waarom de volgelingen van Jezus van Nazareth gezalfden, of misschien zalfjes, werden genoemd is niet helemaal duidelijk. Het gebeurde in Antiochië en in het Grieks heet het Christenen. Het werd de erenaam voor allen die mee willen doen met dat nieuwe Koninkrijk van Jezus van Nazareth.

Misschien is het een politieke bijnaam. Met Monarchisten worden in een republiek de aanhangers van een Koninkrijk aangeduid. De volgelingen van Jezus van Nazareth hielden vol dat die Jezus de enige Heer, de enige Keizer was, als Heer van de wereld was hij gezalfd en daarom werd hij de Christus, de gezalfde, genoemd. Bij de vervolging van de Christenen door de Romeinse Keizers zou de erkenning van die keizers een grote rol spelen. Die keizers hadden zichzelf een goddelijke status toegekend en offeren aan de keizers was een vorm van eerbetoon. Christenen weigerden die goddelijke status te erkennen en werden daarom gedood of gevangen gezet. In Antiochië is in het verhaal een nieuwe fase in de groei van de beweging begonnen. Werden hier en daar aarzelend enkele niet Joden toegelaten tot de beweging, in Antiochië werden openlijk Joden en Grieken gelijk geworven voor de beweging.

In Jeruzalem maakte men zich daarover zorgen en Barnabas werd er op uit gestuurd. In plaats van orde op zaken te stellen sloot Barnabas zich aan bij die nieuwe gemeente. Hij herinnerde zich de Romeinse Jood die hij bij de apostelen had gebracht. Daarom ging hij tegen de instructies naar Tarsus en haalde die Saulus op om samen met hem de gemeente in Antiochië vorm te geven. Maar zo’n gemeente staat niet alleen. Het delen valt niet alleen te doen binnen de gemeente. Toen men lucht kreeg van een hongersnood die er zou komen werd er een collecte gehouden en stuurde men Barnabas en Saulus met de opbrengst naar Jeruzalem. Gelukkig dat die traditie is behouden. In de kerken is op zondag altijd de collecte, Eén van de collecten is voor de diaconie en heel vaak is de opbrengst daarvan bestemd voor de allerarmsten in de wereld, in Afrika, Azië of Latijns-Amerika. Ook wij delen met de hele bewoonde wereld, net als die Christenen in Antiochië en zonder kerkgemeenschap is er geen diaconie.

Het nieuwe leven

Handelingen 11:1-18

1 De apostelen en de gemeenteleden in Judea hoorden dat ook niet-Joden Gods woord hadden aanvaard. 2 Toen Petrus terugkwam in Jeruzalem, spraken de Joodse gelovigen hem hierover aan 3 en verweten hem dat hij onbesnedenen had bezocht en samen met hen had gegeten. 4 Daarop zette Petrus uiteen wat er precies gebeurd was. Hij zei: 5 ‘Toen ik in Joppe aan het bidden was, werd ik gegrepen door een visioen: een voorwerp dat op een groot linnen kleed leek, werd aan vier punten uit de hemel neergelaten tot vlak bij mij. 6 Ik keek er aandachtig naar en zag de lopende en kruipende dieren van de aarde, en ook de wilde dieren en de vogels van de hemel. 7 En ik hoorde een stem tegen me zeggen: “Ga je gang, Petrus, slacht en eet.” 8 Maar ik antwoordde: “Nee, Heer, in geen geval, want ik heb nog nooit gegeten van iets dat verwerpelijk of onrein is.” 9 Maar voor de tweede keer kwam er een een stem uit de hemel: “Wat God rein heeft verklaard, zul jij niet als verwerpelijk beschouwen.” 10 Dat gebeurde tot driemaal toe; daarna werd alles weer omhooggetrokken naar de hemel. 11 Precies op dat moment
kwamen er bij het huis waar wij verbleven drie mannen aan; ze waren uit Caesarea naar mij toe gestuurd. 12 De Geest zei tegen me dat ik zonder aarzelen met hen mee moest gaan. Deze zes medegelovigen hebben me vergezeld, en samen zijn we het huis binnengegaan van de man die ons had laten komen. 13 Hij vertelde ons dat hij in zijn huis een engel had zien staan, die tegen hem zei: “Stuur iemand naar Joppe om Simon, die ook Petrus wordt genoemd, te halen. 14 Hij zal je vertellen hoe jij en al je huisgenoten kunnen worden gered.” 15 Ik was nog maar nauwelijks begonnen te spreken of de heilige Geest daalde op hen neer, zoals destijds ook op ons. 16 Ik herinnerde me dat de Heer tegen ons zei: “Johannes doopte met water, maar jullie zullen gedoopt worden met de heilige Geest.” 17 Als God hun wegens hun geloof in de Heer Jezus Christus hetzelfde geschenk wilde geven als ons, hoe had ik Hem daar dan van kunnen weerhouden?’ 18 Toen ze dat gehoord hadden, waren ze gerustgesteld en loofden ze God met de woorden: ‘Dan geeft God het dus ook aan mensen uit andere volken om tot inkeer te komen en het nieuwe leven te ontvangen.’ (NBV21)

We moeten het verhaal van vandaag lezen tegen de achtergrond van conflicten waarover we lezen in de brieven van Paulus. Die schrijft verschillende malen dat de jonge gemeenten die hij had gesticht of waar zijn medewerkers bij betrokken waren zich niets moesten aantrekken van Joden die wilden dat alle Heidenen die waren toegetreden tot de beweging van de Weg zich moesten laten besnijden. Besnijdenis was iets voor Joden, zij die uit een Joodse moeder geboren waren, en niet voor de Heidenen. Het ging niet langer om een Wet op de stenen tafelen zou staan, maar om de richtlijn voor de menselijke samenleving die als liefde in je hart staat gebeiteld. Lucas neemt de gelegenheid te baat om in zijn geschiedschrijving van de beweging van de Weg nog eens aan te geven waar die uitbreiding van de beweging nu eigenlijk is begonnen. De beschrijving van die geschiedenis was hij begonnen met zijn Evangelie. En je leest hier eigenlijk de eerste etappe van de reis die de boodschap van Jezus van Nazareth uiteindelijk over de hele wereld zou maken. Die eerste etappe loopt van Jeruzalem naar Caesarea, van de Tempel naar de zetel van het Romeinse bestuur.

En op die etappe kom je mensen tegen, overal vandaan, die het gebod van je naaste lief te hebben als je zelf al volgen, of ze nu Jood zijn of Heiden. Het gaat daarbij om de Geest waarin je al die dingen doet, de Heilige Geest. Uiteindelijk zou dat Evangelie over de hele wereld verkondigd worden en zouden we bijna vergeten dat er een serieus conflict ten grondslag heeft gelegen aan het feit dat de meesten van ons onbesneden, maar gedoopt, deel kunnen hebben aan dat nieuwe leven dat Jezus van Nazareth voor ons heeft ontsloten. Wij zijn in de geschiedenis maar al te vaak vergeten dat het geloof in dat nieuwe leven haar oorsprong vond in dat rare volk aan de rand van de Middellandse Zee, tussen de zee en de woestijn. Dat volk dat in de woestijn had geleerd dat je onvoorwaardelijk op elkaar moest kunnen bouwen wil je overleven en dat die les voor elke samenleving zou moeten gelden, ja voor elk volk in de hele wereld.

De oorsprong van die les, de God van Israël gaat daarbij elk verstand te boven. Die God wil geen beelden maar liefde voor de naaste, die God beroept zich niet op de grootheid van het volk Israël maar op het feit dat het bevrijde slaven zijn. Cornelius, de Heidense officier, had iedereen bij zich thuis genodigd, het kan dus ook niet anders dan dat daar ook slaven bij geweest zijn. Willen wij dezelfde weg als Petrus en Cornelius volgen dan zullen ook wij niet mogen schromen iedereen uit te nodigen om samen die samenleving van recht en vrede op te bouwen, zelfs als je niet altijd precies hetzelfde gelooft. Elkaar uitschelden en verketteren levert in onze dagen maar alibi’s op voor verknipte figuren om molotof cocktails te gooien naar vreedzame burgers, om wild om zich heen te gaan schieten, of een ander dood te steken. Niet alleen in buitenlanden maar het gebeurt ook onder ons. Uit angst voor de lafhartige schreeuwers die zich tot in ons parlement hebben genesteld schenken we er maar weinig aandacht aan. We hebben volgens de Bijbel maar één Weg om dat tegen te gaan, samen eten, samen thee drinken. Gelukkig dat we er elke dag weer opnieuw aan mogen werken, ook vandaag weer.

Wat mensen willen.

Marcus 8:27–9:1

27 Jezus vertrok met zijn leerlingen naar de dorpen in de buurt van Caesarea Filippi. Onderweg vroeg Hij aan zijn leerlingen: ‘Wie zeggen de mensen dat Ik ben?’ 28 Ze antwoordden: ‘Johannes de Doper, en anderen zeggen Elia, en weer anderen zeggen dat U een van de profeten bent.’ 29 Toen vroeg Hij hun: ‘En jullie, wie zeggen jullie dat Ik ben?’ Petrus antwoordde: ‘U bent de messias.’ 30 Hij verbood hun uitdrukkelijk om met iemand hierover te spreken. 31 Hij begon hun te leren dat de Mensenzoon veel zou moeten lijden en door de oudsten van het volk, de hogepriesters en de schriftgeleerden verworpen zou worden, en dat Hij gedood zou worden, maar drie dagen later zou opstaan; 32 Hij sprak hierover in alle openheid. Toen nam Petrus Hem apart en begon Hem fel terecht te wijzen. 33 Maar Hij draaide zich om, keek zijn leerlingen aan en wees Petrus streng terecht met de woorden: ‘Ga terug, Satan, achter Mij! Jij denkt niet aan wat God wil, maar alleen aan wat mensen willen.’ 34 Hij riep de menigte samen met de leerlingen bij zich en zei: ‘Wie achter Mij aan wil komen, moet zichzelf verloochenen, zijn kruis op zich nemen en Mij volgen. 35 Want ieder die zijn leven wil behouden, zal het verliezen, maar wie zijn leven verliest omwille van Mij en het evangelie, zal het behouden. 36 Wat heeft een mens eraan de hele wereld te winnen als dat ten koste gaat van zijn leven? 37 Wat kan hij geven in ruil voor zijn leven? 38 Als iemand zich tegenover de trouweloze en zondige mensen van deze tijd schaamt voor Mij en mijn woorden, zal de Mensenzoon zich ook voor hem schamen, wanneer Hij komt in het gezelschap van de heilige engelen en bekleed met de stralende luister van zijn Vader.’ 1 En Hij eindigde met de woorden: ‘Ik verzeker jullie: sommigen die hier aanwezig zijn zullen de dood niet ervaren voordat ze het koninkrijk van God hebben zien komen in al zijn kracht.’ (NBV21)

Christendom is soms net Haarlemmer Olie. In vroeger dagen geloofden mensen dat Haarlemmer Olie je kon genezen van alle soorten kwalen. Was je ziek dan had je maar een paar eetlepels Haarlemmer Olie te nemen en je werd er beter van. Dat werkte natuurlijk niet echt maar als je er in gelooft kan het helpen. Veel huis tuin en keuken kwaaltjes verdwijnen vanzelf na een paar dagen en als je dan die paar dagen Haarlemmer Olie hebt geslikt dan schrijf je de genezing gemakkelijk toe aan dat medicijn. Zo is het ook als je tijdens zo’n lichte ongesteldheid hebt gebeden om genezing. Ja het helpt, je geneest. Maar ook dat gebed heeft net zomin geholpen als de Haarlemmer Olie. Toch hoor je sommige voorgangers en evangelisten nog wel eens verkondigen dat je geneest van je ziekten, dat je problemen worden opgelost, dat zelfs je schulden verdwijnen als je maar gaat geloven in Jezus van Nazareth als je Messias, je bevrijder van alle aardse ellende. Want Messias, in het Grieks Christos, betekent toch “bevrijder” en de discipelen hadden het toch bij het rechte eind toen ze Jezus van Nazareth aanwezen als hun Messias?

Natuurlijk, maar dat wilde toen niet zeggen dat alle ellende voorbij was en dat wil het nog steeds niet zeggen. Jezus van Nazareth zelf zou de eerste zijn die de dood onder ogen moest zien omdat hij zijn liefde voor mensen door de dood heen wilde volhouden. Maar ook daarmee zou het lijden voor zijn leerlingen niet de wereld uit zijn. Integendeel, ook zij moesten bereid zijn hun kruis op zich te nemen. Zo moeten ook wij bereid zijn het lijden van onszelf te dragen en het lijden van de wereld onder ogen te zien. Het Christen zijn voorkomt niet dat je kinderen kunnen omkomen bij brand of ongeval of sterven door ziekte. Het Christen zijn betekent niet dat je gevrijwaard bent voor seksueel, zinloos of huiselijk geweld. Christen zijn voorkomt niet dat je ziek wordt en arbeidsongeschikt, of gehandicapt raakt. Christen zijn betekent wel dat je een open oog hebt voor anderen die dat overkomt en die jouw hulp en steun nodig hebben. Christen zijn betekent dat je een open oor hebt voor die mensen die om hulp roepen.

Christen zijn betekent dus niet dat je minder met lijden te maken hebt maar het betekent dat je ook nog te maken wil hebben met het lijden van anderen. Want alleen als we bereid zijn te maken willen hebben met het lijden van de minsten in de wereld dan kunnen we een weg vinden om alle lijden de wereld uit te helpen. Daarvoor moeten we bereid zijn om het lijden desnoods door de dood heen te dragen. Die weg is een onvoorwaardelijke liefde voor mensen, onvoorwaardelijk afzien van geweld maar blijven kijken en luisteren naar de zwaksten. Niet om er zelf iets voor terug te krijgen, want liefde zoekt zichzelf niet heeft Paulus ons geleerd maar om onze samenleving er rijker door te maken. Het meest merkwaardige is dat die last niet een zware last is, als we werkelijk willen werken aan een wereld zonder lijden dan zal die last licht blijken te zijn. We kunnen dat kruis vandaag nog op ons nemen zoals elke dag opnieuw.

Giften van barmhartigheid

Handelingen 10:23b-48

23b. De volgende dag ging hij samen met hen op weg, en enkele gelovigen uit Joppe gingen met hem mee. 24 Een dag later kwam hij in Caesarea aan, waar hij werd opgewacht door Cornelius, die zijn familieleden en zijn naaste vrienden bijeen had geroepen. 25 Toen Petrus het huis wilde binnengaan, kwam Cornelius hem tegemoet, en hij wierp zich in aanbidding neer aan zijn voeten. 26 Maar Petrus hielp hem overeind en zei: ‘Sta op. Ik ben ook maar een mens.’ 27 Al pratend met Cornelius ging hij naar binnen, waar hij een groot aantal mensen aantrof. 28 Hij zei tegen hen: ‘U weet dat het Joden verboden is met niet-Joden om te gaan en dat ze niet bij hen aan huis mogen komen, maar God heeft me duidelijk gemaakt dat ik geen enkel mens als verwerpelijk of onrein mag beschouwen. 29 Daarom heb ik me niet verzet toen ik naar u toe werd gestuurd. Mag ik weten waarom u mij hebt laten komen?’ 30 Cornelius antwoordde: ‘Vier dagen geleden zei ik op ditzelfde tijdstip in mijn huis het namiddaggebed toen er opeens een man in een stralend gewaad voor me stond, 31 die me als volgt toesprak: “Cornelius, je gebed is verhoord en God heeft je giften van barmhartigheid aanvaard. 32 Stuur daarom iemand naar Joppe om Simon, die ook Petrus genoemd wordt, te laten komen; hij verblijft bij Simon, de leerlooier, in een huis aan zee.” 33 Ik heb meteen een paar mannen naar u toe gestuurd, en het is goed dat u gekomen bent. We zijn hier ten overstaan van God bijeen om te luisteren naar alles wat u door de Heer is opgedragen.’ 34 Daarop nam Petrus het woord en zei: ‘Nu begrijp ik pas goed dat God geen onderscheid maakt tussen mensen, 35 maar zich het lot aantrekt van iedereen, uit welk volk dan ook, die Hem vereert en rechtvaardig handelt. 36 God heeft aan de Israëlieten bekendgemaakt dat Hij door Jezus Christus het goede nieuws van de vrede is komen brengen. Deze Jezus is de Heer van alle mensen. 37 U weet wat er in heel het Joodse land is gebeurd, hoe het begon in Galilea, hoe God, na de doop waartoe Johannes opriep, 38 Jezus van Nazaret met de heilige Geest heeft gezalfd en met kracht heeft bekleed. Hij trok als weldoener door het land en genas iedereen die in de macht van de duivel was, want God stond Hem bij. 39 Wij zijn de getuigen van alles wat Hij gedaan heeft, in het land van de Joden en ook in Jeruzalem. Zeker, ze hebben Hem gedood door Hem aan een kruishout te hangen, 40 maar God heeft Hem op de derde dag weer tot leven gewekt en Hem aan de mensen laten verschijnen, 41 niet aan het hele volk, maar aan enkele getuigen die daartoe van tevoren door God waren aangewezen, aan ons namelijk, die samen met Hem gegeten en gedronken hebben nadat Hij uit de dood was opgestaan. 42 Hij heeft ons opgedragen daarvan getuigenis af te leggen en aan het volk bekend te maken dat Hij het is die door God is aangesteld als rechter over de levenden en de doden. 43 Van Hem getuigen alle profeten dat iedereen die in Hem gelooft door zijn naam vergeving van zonden krijgt.’ 44 Terwijl Petrus nog aan het woord was, daalde de heilige Geest neer op iedereen die naar zijn toespraak luisterde. 45 De Joodse gelovigen die met Petrus waren meegekomen, zagen vol verbazing dat ook niet-Joden het geschenk van de heilige Geest ontvingen, 46 want ze hoorden hen in klanktaal spreken en God prijzen. Toen merkte Petrus op: 47 ‘Wie kan nu nog weigeren deze mensen met water te dopen, nu ze net als wij de heilige Geest hebben ontvangen?’ 48 En hij gaf opdracht hen te dopen in de naam van Jezus Christus. Daarna vroegen ze hem of hij nog enkele dagen wilde blijven.

Als je je dromen over een betere wereld met elkaar deelt dan komt die betere wereld dichterbij. Dat is wat we vandaag mogen leren uit het verhaal over Cornelius en Petrus. Want het staat er zo eenvoudig, Cornelius was bezig met het middaggebed toen hij de boodschap kreeg dat hij Petrus moest laten komen. Maar die Cornelius was wel een op en top Romein, officier in het Italiaanse regiment in de regeringshoofdstad van de Romeinse bezetting Caesarea, genoemd dus naar de Keizer van Rome, de heer van de toenmalige wereld. Dat middaggebed was niet voor Jupiter of Mars, dat middaggebed was aan de God van Israël gericht. En ondanks dat middaggebed mochten de Joden, de kinderen van de God van Israël niet bij deze Romein binnengaan.

Petrus krijgt een visioen dat deze regel moest worden doorbroken. Wat hij met Pinksteren had meegemaakt was ook bij deze Romeinse officier en zijn huisgenoten te zien. Ook zij maakten deel uit van de beweging van de weg. De nieuwgevormde gemeente blijft wel de Hebreeuwse Bijbel trouw. Petrus beroept zich op de profeten van Israël als hij schetst hoe Jezus van Nazareth de Messias werd. In de Nieuwe Bijbelvertaling duikt ineens het kruishout op, maar in het Grieks staat alleen maar “hout” en dan wordt het een citaat uit het boek Deuteronomium. En door de Joden werd veel in citaten uit de Hebreeuwse Bijbel gesproken, dat blijft ook zo in de gemeenten van de beweging van de Weg. Ook de vertaling van het woord met “klanktaal” brengt ons op een dwaalspoor als het gaat om de betekenis van wat er hier wordt verteld. We hebben hier duidelijk te maken met een parallel met het Pinksterverhaal.

Bij Johannes was heel het volk Israël te hoop gelopen om zich te laten dopen, maar om nu alle Heidenen ook maar te dopen was wel wat veel gevraagd. Het gaat dan ook niet om alle Heidenen, voorwaarde is wel dat de Heidenen gaan geloven dat er één God is en dat je op die God moet gaan willen lijken door te gaan doen als Jezus van Nazareth. Zorgen voor zieken en zwakken, delen met de minsten, vrede brengen, niemand uitsluiten, samen een samenleving opbouwen van vrede en gerechtigheid. Als je gelooft dat het kan, dat er eigenlijk niks anders op zit, dan hoor je er bij, dan mag je vandaag nog beginnen om dat Koninkrijk van God op te bouwen. Petrus en Cornelius begonnen er mee op die bewuste dag in Caesarea, centrum van Romeins bestuur en godsdienst. Daar werd nu die Jezus van Nazareth als Heer beleden, op dezelfde hoogte gezet als de Romeinse Keizer. Van daaruit zou Paulus zijn reis naar Rome beginnen. Die reis is pas afgelopen als de hele bewoonde wereld Jezus van Nazareth als Heer erkent Daar mogen wij elke dag aan werken, ook vandaag weer.

Zonder aarzelen

Handelingen 10:1-23a

1 Een van de inwoners van Caesarea was een centurio van de Italiaanse cohort, die Cornelius heette. 2 Hij was een vroom man die, samen met zijn huisgenoten, God vereerde. Hij gaf uit barmhartigheid veel geld aan het volk en bad veelvuldig tot God. 3 Op een dag kreeg hij omstreeks het negende uur een visioen, waarin hij duidelijk zag hoe een engel van God zijn huis binnenkwam. Hij hoorde hem zeggen: ‘Cornelius!’ 4 Hij staarde de engel verschrikt aan en vroeg: ‘Wat is er, heer?’ De engel antwoordde: ‘Je gebeden en giften zijn door God opgemerkt. 5 Stuur daarom een paar van je mannen naar Joppe om een zekere Simon te halen, die ook wel Petrus wordt genoemd. 6 Hij verblijft bij een leerlooier die eveneens Simon heet en in een huis aan zee woont.’ 7 Toen de engel die met hem had gesproken was weggegaan, liet Cornelius twee dienaren bij zich komen en een vrome soldaat uit zijn gevolg. 8 Nadat hij had uitgelegd waar het om ging, stuurde hij hen naar Joppe. 9 De volgende dag, nog voordat de afgezanten van Cornelius in Joppe waren aangekomen, ging Petrus omstreeks het middaguur naar het dak van het huis om daar te bidden. 10 Maar hij kreeg honger en wilde iets eten. Terwijl er eten voor hem werd klaargemaakt, werd hij gegrepen door een visioen. 11 Hij zag hoe vanuit de geopende hemel een voorwerp dat op een groot linnen kleed leek aan vier punten op de aarde werd neergelaten. 12 Op het kleed bevonden zich alle lopende en kruipende dieren van de aarde en alle vogels van de hemel. 13 Hij hoorde een stem zeggen: ‘Ga je gang, Petrus, slacht en eet.’ 14 Maar Petrus antwoordde: ‘Nee, Heer, in geen geval, want ik heb nog nooit iets gegeten dat verwerpelijk of onrein is.’ 15 En voor de tweede maal hoorde hij de stem: ‘Wat God rein heeft verklaard, zul jij niet als verwerpelijk beschouwen.’ 16 Tot driemaal toe hoorde hij de stem, en direct daarna werd het voorwerp weer in de hemel opgenomen. 17 Petrus vroeg zich verbijsterd af wat de betekenis kon zijn van het visioen dat hij had gezien. Juist op dat moment arriveerden de afgezanten van Cornelius bij de poort, nadat ze overal navraag hadden gedaan naar het huis van Simon. 18 Ze trokken door geroep de aandacht van de bewoners en vroegen of Simon Petrus in dit huis verbleef. 19 Terwijl Petrus nog nadacht over het visioen, zei de Geest tegen hem: ‘Er zijn hier drie mannen die naar je op zoek zijn. 20 Ga meteen naar beneden en ga zonder aarzelen met hen mee, want Ik heb hen gezonden.’ 21 Petrus ging naar beneden en zei tegen de mannen: ‘Ik ben degene die u zoekt. Wat is de reden van uw komst?’ 22 Ze antwoordden: ‘Cornelius, een centurio, een rechtvaardig man die God vereert en bij het hele Joodse volk in aanzien staat, heeft van een heilige engel opdracht gekregen u naar zijn huis te laten komen om te luisteren naar wat u te zeggen hebt.’ 23 Daarop nodigde Petrus de mannen uit om binnen te komen en bood hun onderdak. (NBV21)

In de Bijbel staat ergens dat gelovigen die onder druk staan dromen zullen dromen en vergezichten zullen zien. Vandaag gaat het daar in het gedeelte dat we lezen ook over. Want hoe verander je een wereldrijk zonder geweld? Dan moet je in elk geval de mensen die het met je eens zijn niet buitensluiten. En daar gaat dit verhaal over. De spanningen tussen Joden en Romeinen liepen na de dood van Jezus van Nazareth steeds verder op. Uiteindelijk zou dit uitlopen op de grote opstand van het jaar 70 die door de Romeinen bloedig werd neergeslagen en als resultaat had dat de Tempel in Jeruzalem verwoest werd. Nu bestond een deel van het Joodse volk uit bekeerlingen, mensen die vanuit het Heidendom overgegaan waren tot het Jodendom, met besnijdenis en al. Dat zou later nog de nodige spanningen veroorzaken in de jonge Christelijke gemeenten.

Maar er waren ook een heleboel mensen die de God van Israël als enige God aanvaard hadden, met de Joden mee de grote feesten vierden en de eigen goden hadden afgezworen. Godvrezenden noemden ze die, maar die waren geen Joden geworden, ze hadden zich niet laten besnijden. Deze Cornelius, hoofdman van de Italiaanse cohort uit Caesarea, was zo iemand. Door de Rabbijnen werden deze godvrezenden later niet als Heidenen, afgodendienaars, gezien. Dat waren ze ook niet. Maar onder het toenemende nationalisme was er natuurlijk wel de vraag hoe met elkaar om te gaan. Die vraag leefde bij Cornelius en die vraag leefde bij Petrus. En beiden kregen een droom over hoe het zou kunnen gaan. Voor Cornelius was de manier waarop de Joodse regels bij de volgelingen van Jezus van Nazareth werden beleefd, vanuit liefde voor de mensen, veel aantrekkelijker dan de juridische beleving die steeds meer opgeld deed in de synagogen. Met die Petrus moest hij dus een woordje spreken.

Voor Petrus was het van belang juist die mensen niet af te stoten die het eigenlijk met de Joden eens waren, maar dan moest je ook met hen eten en bij hen over huis komen. En hij in zijn droom ontdekt hij dat alles wat mensen kan voeden van God afkomstig is en dat de liefde voor de minste je kan verenigen in God. Zo komen twee dromen bij elkaar. Het is een verhaal dat ook wij ons kunnen aantrekken in de discussie over inburgering. Er zijn veel Moslims die inmiddels volgens dezelfde gewoonten en gebruiken leven die ook wij vanouds kennen. Maar waarom moeten die over één kam geschoren worden met ultra conservatieven. De meesten van ons willen toch ook niet vereenzelvigd worden met ultraconservatieve protestanten of ultraconservatieve Rooms-Katholieken? Om de gewenste nuances aan te brengen in de omgang en met elkaar in gesprek te raken waar dat nodig is zullen ook wij bereid moeten zijn bij elkaar over de vloer te komen en samen de maaltijd te nuttigen. Die boodschap kregen Petrus en Cornelius in hun dromen mee. Laten ook wij dromen van een samenleving waarin we niet tegenover elkaar staan. Aan zo’n samenleving mogen we elke dag opnieuw gaan werken, ook vandaag weer.