Vier dan feest

Deuteronomium 12:2-12

2 De volken die u zult verdrijven, vereren hun goden op heuveltoppen en hoge bergen en onder bladerrijke bomen. U moet hun gewijde plaatsen met de grond gelijkmaken, 3 hun altaren slopen en hun gewijde stenen verbrijzelen; hun Asjerapalen moet u verbranden en hun godenbeelden in stukken hakken. Alles wat aan die goden herinnert moet u wegvagen. 4 Het is u verboden om de HEER, uw God, op allerlei plaatsen te vereren. 5 U mag u daarvoor alleen naar de plaats begeven die Hij in een van uw stamgebieden zal kiezen om er zijn naam te laten wonen. Ga dus naar de plaats waar Hij woont 6 en neem de dieren mee die u voor de brandoffers en vredeoffers hebt bestemd, en ook uw tienden en andere heffingen, de offers die u brengt ter nakoming van een gelofte en uw vrijwillige gaven, en uw eerstgeboren runderen, schapen en geiten. 7 Richt daar ten overstaan van de HEER, uw God, een feestmaal aan en geniet met uw familie van de
zegeningen waarmee Hij uw inspanningen heeft beloond. 8 Wij zijn hier nu gewend dat iedereen offert naar het hem goeddunkt, maar dat mag niet zo blijven. 9 Weliswaar bent u nu nog niet binnen de veilige grenzen van het gebied dat de HEER, uw God, u zal geven, 10 maar straks steekt u de Jordaan over om u in het land dat de HEER u in eigendom geeft, te vestigen. Als Hij u eenmaal rust heeft gegeven door u te verlossen van de vijanden die u omringen, en u leeft er onbezorgd, 11 dan mag u zich alleen maar naar de ene plaats begeven die de HEER, uw God, zal uitkiezen om er zijn naam te laten wonen. Ga daar met alles wat u moet afdragen heen: de dieren voor uw brandoffers en vredeoffers, uw tienden en andere heffingen, en de bijzondere offers die u ter nakoming van een gelofte aan de HEER brengt. 12 En vier dan feest ten overstaan van de HEER, samen met uw zonen en dochters, uw slaven, uw slavinnen, en de Levieten bij u in de stad, die immers geen grondgebied hebben zoals u. (NBV21)

Het boek Deuteronomium heeft de vorm van een lange toespraak. De boeken Genesis, Exodus, Numeri en Leviticus zijn afgesloten en het volk Israël staat op het punt het beloofde land binnen te trekken. Mozes, hun leider bij de bevrijding uit Egypte en bij de tocht door de woestijn, neemt afscheid. Hij haalt nog eenmaal herinneringen op aan alles wat er is gebeurd en hij vertelt wat er straks nodig zal zijn in het land dat overvloeit van melk en honing. Het volk, dat zich pas in die woestijn heeft gevormd als volk, zal een heel ander volk moeten zijn dan de volken die nu al vruchtbare landen bewonen. Dat verschil is het beste te zien aan de manier waarop het volk Israël haar godsdienst belijdt. Geleerden wijzen er op dat Israël heel lang verschillende plaatsen heeft gehad om de God van Israël te dienen. Pas heel laat in haar geschiedenis is de Tempel in Jeruzalem aangewezen als de enige plek waar de God van Israël gediend moest worden. Op deze plek in de Bijbel is er voor gezorgd dat er ook een Bijbelse grond voor te vinden was. Maar hoe het ook zij, hier lezen we waarom die godsdienst van Israël zo vreemd en anders was en dat is voor ons het belangrijkste.

De godsdienst van de volken van Kanaän was een vruchtbaarheidsgodsdienst. De goden woonden boven in de hemel en als je dus wat gedaan wilde hebben dan moest je op een hoge berg zijn dan was je dichter bij de goden en zouden ze eerder naar je luisteren. De goden zorgden voor vruchtbaarheid en dus zou je die goden ook kunnen vinden bij de meest vruchtbare bomen, weelderige bomen staat er in het Hebreeuws, daar werden de goden van Kanaän aanbeden. Hoe de goden hun vruchtbaarheid konden schenken werd in de godsdienst van Kanaän ook duidelijk gemaakt. De aarde was een vrouw die Asjeera heette, en natuurlijk ook werd aanbeden. Die vrouw moest door de goden bevrucht worden zoals een man een vrouw bevruchtte. Om de goden te laten zien hoe dat moest sloegen ze op de hoeken van de akkers Asjeera palen in de grond waar offers werden gebracht, als je hier je vruchtbaarheid zou schenken dan staat je een grote beloning te wachten werd aan de goden gezegd.

De God van Israël was niet in de hemel. In de woestijn ging hij voor het volk uit en beschermde hij de achterhoede van het volk. De vruchtbaarheid van het land was niet afhankelijk van de God van Israël. De regen die de vruchtbaarheid bracht viel voor goeden en kwaden. Een volk was pas vruchtbaar als het wist te zorgen voor de zwakken en de minsten in de samenleving. Daarom moest men weten te delen, dat waren de ware offers. Dat delen was een feest op zich, daarom moest je met de offers een feestmaaltijd houden. Niet op je akkers, zelfs niet op je dorp, maar daar waar de richtlijn van heb uw naaste lief als jezelf werd bewaard. Daar moest die maaltijd ook uitlopen op een feest voor je familie, de armen, de vreemdelingen in je midden, je slaven en de Levieten, die de godsdienst vorm gaven en zorgden voor de rechtspraak, het handhaven van recht en gerechtigheid vooral voor de zwaksten. Tot vandaag de dag mogen we op die manier onze godsdienst vormgeven, delend en zorgend met en voor de minsten in onze samenleving. Dat is pas een feest.

Aan onze broeders en zusters

Handelingen 15:19-35

19 Daarom ben ik van mening dat we de mensen uit de heidense volken die zich tot God bekeren geen al te zware lasten moeten opleggen, 20 maar dat we hun moeten schrijven dat ze zich dienen te onthouden van wat door de afgodendienst bezoedeld is, van ontucht, van vlees waar nog bloed in zit en van het bloed zelf. 21 In elke stad wordt de wet van Mozes immers al sinds mensenheugenis verkondigd en op iedere sabbat in de synagogen voorgelezen.’ 22 Daarop besloten de apostelen en de oudsten in overleg met de hele gemeente enkele afgevaardigden met Paulus en Barnabas mee te zenden naar Antiochië. De keuze viel op twee leiders uit de gemeente: Judas, wiens bijnaam Barsabbas luidde, en Silas. 23 Men gaf hun een brief mee met de volgende inhoud: ‘Van de apostelen en de oudsten. Aan onze broeders en zusters in Antiochië, Syrië en Cilicië afkomstig uit de heidense volken: gegroet! 24 Wij hebben vernomen dat enkelen van ons u een bezoek hebben gebracht-zonder dat wij hun dat hadden opgedragen-en dat hun uitspraken aanleiding zijn geweest tot verwarring en verontrusting. 25 Daarom hebben we eensgezind besloten enkele broeders naar u toe te zenden in het gezelschap van onze geliefde Barnabas en Paulus, 26 mensen die hun leven op het spel hebben gezet voor de naam van onze Heer Jezus Christus. 27 We hebben Judas en Silas afgevaardigd, en zij zullen de inhoud van deze brief mondeling toelichten. 28 In overeenstemming met de heilige Geest hebben wij namelijk besloten u geen andere verplichtingen op te leggen dan wat strikt noodzakelijk is: 29 onthoud u van vlees dat bij de afgodendienst is gebruikt, van bloed, van vlees waar nog bloed in zit, en van ontucht. Als u zich hieraan houdt, doet u wat juist is. Het ga u goed.’ 30 Ze namen afscheid en vertrokken naar Antiochië, en nadat ze daar de gemeente hadden bijeengeroepen, overhandigden ze de brief. 31 Toen de brief was voorgelezen, verheugde de gemeente zich over de bemoedigende inhoud. 32 Judas en Silas, die zelf ook profeten waren, hielden een lange toespraak, waarmee ze de gelovigen bemoedigden en sterkten. 33 Ze brachten enige tijd in Antiochië door en werden toen met een vredegroet door de gelovigen teruggezonden naar degenen die hen hadden afgevaardigd. 34 35 Paulus en Barnabas bleven in Antiochië, waar ze met nog vele anderen de boodschap van de Heer onderwezen en verkondigden. (NBV21)

We kennen de brieven van Paulus, brieven van onbekende schrijvers en een aantal brieven die aan andere apostelen worden toegeschreven. Die staan als aparte Bijbelboeken in het Nieuwe Testament. Maar er is nog een brief in het Nieuwe Testament, waar veel minder aandacht voor is. Die brief lezen we vandaag. Volgens het verhaal van Lucas in Handelingen is het de eerste brief die door Apostelen en Oudsten, door de vergadering in Jeruzalem, aan de gemeenten buiten Israël werd gestuurd. De brief werd het eerst voorgelezen in Antiochië maar is voor alle Christelijke kerken van belang. Daarin staan de regels die opgelegd zijn aan Christenen. En die regels zijn zeer eenvoudig. Geen offervlees eten en geen vlees waar het bloed nog uitdruipt. Het zijn de regels die volgens het verhaal van Genesis ooit aan Noach waren gegeven toen Noach, zijn vrouw en kinderen opnieuw begon de aarde te bevolken.

Dat offervlees was in de dagen van Paulus niet onbelangrijk. Door het eten van het offervlees kreeg je immers deel aan de macht van de god aan wie het vlees geofferd was. De zorg dat alle bloed uit het vlees was verwijderd kwam voort uit een oude Joodse gedachte. Volgens de Joodse leer was bloed de zetel van het leven. En levende dieren behoorde je niet te eten. Je moest er voor zorgen dat dieren die je at pijnloos en zorgvuldig werden gedood. Ze waren pas echt dood als al het leven, als al het bloed uit het dier was verdwenen. Wie de regels uit het Oude Testament over het ritueel slachten nog eens naleest en op zich in laat werken zal onder de indruk komen van de zorgvuldigheid waarmee de dieren die men consumeerde werden benaderd. Voor dat leven bestond zeer veel respect en dat respect werd van alle gelovigen gevraagd. Dat respect wordt nu ook van Christenen gevraagd. Hier staat ook nog dat ontucht moet worden nagelaten maar bedoeld wordt eigenlijk dat men moet afzien van het gebruik van Tempelprostitutie. Alleen de God van Israël zorgt immers voor ons en ons voedsel.

En hoe zit het dan met het Heb-Uw-Naaste-Lief-Als-Uzelf? Is dat geen gebod? Nee dat is het hart van het geloof. Je behoort niet tot een Christelijke gemeente als je dat niet dag in dag uit doet. Dat is geen last, maar een voorrecht, een teken dat je er bij mag horen, dat je deel mag uitmaken van het Koninkrijk van God. Die regels die de Apostelen en de Oudsten in hun brief vragen behoeden je juist van verwijdering van de arbeid in dat Koninkrijk. Offervlees dat voor jou is deel je niet, maar voedsel dat je hebt kun je als Christen altijd delen, het is zelfs jammer als je geen hongerige meer kunt vinden om het te delen. Dat je van je geloof van alles zou moeten en van alles niet zou mogen is dus klinkklare onzin. Er zijn maar een paar regels. Die staan in een brief gebracht door voorname leiders van de gemeente in Jeruzalem naar de gelovigen buiten Palestina. Regels die Joden en Christenen verenigen en beiden niet verlegenheid brengen maar hen samen tot gemeenschappen smeed die tot op de dag van vandaag de voorhoede laten vormen van het Koninkrijk van God, waar hongerigen worden gevoed, bedroefden getroost, de vreemdelingen worden behandeld zoals je zelf behandeld wil worden en de armen worden bevrijd. Daar mogen we vandaag ook weer aan meedoen.

 

Geen enkel onderscheid

Handelingen 15:1-18

1 Er kwamen enkele leerlingen uit Judea, die betoogden dat de broeders zich moesten laten besnijden, overeenkomstig het door Mozes overgeleverde gebruik, omdat ze anders niet konden worden gered. 2 Dit leidde tot grote onenigheid met Paulus en Barnabas en mondde uit in een felle woordenstrijd. Besloten werd dat Paulus en Barnabas, samen met enkele andere leerlingen, naar Jeruzalem zouden gaan om deze kwestie voor te leggen aan de apostelen en de oudsten. 3 Nadat de gemeente hun uitgeleide had gedaan, gingen ze op weg en trokken ze door Fenicië en Samaria. Daar verhaalden ze uitvoerig van de bekering van de heidense volken, iets dat bij alle gelovigen grote vreugde wekte. 4 Bij hun aankomst in Jeruzalem werden ze verwelkomd door de apostelen en de oudsten en door de rest van de gemeente. Ze brachten verslag uit van alles wat God door hen tot stand had gebracht. 5 Enkele gelovigen die tot de partij van de farizeeën behoorden, gaven echter te verstaan dat ook de niet-Joodse gelovigen dienden te worden besneden en opdracht moesten krijgen zich aan de wet van Mozes te houden. 6 De apostelen en de oudsten kwamen bijeen om nader op deze zaak in te gaan. 7 Toen het tot een hevige woordenstrijd kwam, stond Petrus op en zei: ‘Broeders, u weet dat God mij al in het begin uit uw midden heeft gekozen om de boodschap van het evangelie onder de andere volken te verspreiden, opdat ook zij tot geloof zouden komen. 8 God, die de harten doorgrondt, heeft zich duidelijk voor hen uitgesproken door hun de heilige Geest te schenken, zoals Hij die ook aan ons geschonken heeft. 9 Hij heeft geen enkel onderscheid gemaakt tussen ons en hen, want Hij heeft hun hart door het geloof gereinigd. 10 Waarom wilt u God dan trotseren door op de schouders van deze leerlingen een juk te leggen dat onze voorouders noch wijzelf konden dragen? 11 Nee, we geloven dat we door de genade van de Heer Jezus gered worden, op dezelfde wijze als zij.’ 12 Daarop zwegen alle aanwezigen, en men luisterde naar Barnabas en Paulus, die vertelden welke grote tekenen en wonderen God door hen onder de heidense volken had verricht. 13 Toen ze uitgesproken waren, nam Jakobus het woord. Hij zei: ‘Broeders, luister. 14 Simeon heeft uiteengezet hoe God vanaf het begin het voornemen had om uit alle volken een volk te vormen dat zijn naam vereert. 15 Dat stemt overeen met de woorden van de profeten; er staat immers geschreven: 16 “Dan keer Ik terug op mijn schreden. Ik zal het vervallen huis van David herbouwen, wat is neergehaald zal Ik weer opbouwen. Ik zal dit huis doen herrijzen, 17-18 zodat de mensen die overgebleven zijn de Heer zullen zoeken, evenals alle volken over wie mijn naam is uitgeroepen. Zo spreekt de Heer, die dit van oudsher heeft aangekondigd.” (NBV21)

Er wordt aan Christenen wel eens verweten dat ze zo vreselijk verdeeld zijn. Dat is al vanouds zo. In het gedeelte dat we vandaag lezen wordt ons verteld dat Paulus en Barnabas nog maar net terug zijn van hun eerste reis of er komt ruzie. Vanaf de eerste Pinksterdag af zijn er al niet-Joden bekeerd tot de nieuwe beweging van de Weg zoals ze toen nog heetten. Maar dat waren over het algemeen Jodengenoten, Heidenen die zich wilden bekeren tot het Jodendom. Dat zij zich na hun bekering tot de beweging van de Weg ook lieten besnijden en de voedselvoorschriften van het Jodendom gingen houden lag voor de hand. Maar Paulus en Barnabas hadden op hun reis heel andere omstandigheden meegemaakt. De leiding van de verschillende synagogen had hen de voet danig dwars gezet en ze hadden buiten de synagoge om gemeenten gesticht van Joden en Heidenen. Als daar de Heidenen verplicht zouden moeten worden om zich te laten besnijden, dus Jood te worden, dan zouden zij zich ook moeten onderwerpen aan de leiding van de synagogen en dan zou er eigenlijk van de bekering tot de leer van Jezus van Nazareth weinig overgebleven zijn.

Maar het is nogal een principiële strijd en er wordt besloten naar Jeruzalem te gaan waar de meeste apostelen nog waren en waar een centrale gemeente onder leiding van de broer van Jezus van Nazareth, Jacobus, was gevormd. Het gaat om het vraagstuk van de Heidenen. Daar wordt wel heel erg de nadruk op gelegd want het woord komt wel zeven keer voor en zeven is het getal van de volmaaktheid. Er ontstaan twee richtingen die zich uiteindelijk tot verschillende godsdiensten zouden uitgroeien al bleven ze dezelfde God aanbidden. Er ontstaat een Joodse stroming die de Talmoed van de Rabbijnen als uitleg van de Hebreeuwse Bijbel aanneemt en een stroming van Heidenen en Joden die het Nieuwe Testament als uitleg van de Hebreeuwse Bijbel aanneemt.  De aversie tussen de twee stromingen is zo groot dat er in die Christelijke stroming zelfs bewegingen zichtbaar worden die de hele Hebreeuwse Bijbel, ons Oude Testament, maar willen afschaffen. Zo ver komt het niet. De Christelijke Kerk zal zich uiteindelijk verenigen in het aanvaarden van het Oude en Nieuwe Testament. De wederzijdse aversie wordt wel een bron van antisemitisme, met gruwelijke gevolgen.

Nu is de kerk weer terug waar Paulus en Barnabas ook waren, de leer van Jezus van Nazareth is voor ons de uitleg van de Hebreeuwse Bijbel en het gebod dat door beide stromingen gevolgd moet worden is dat van de naaste liefhebben als zichzelf. Voor een oordeel door een rechter zijn er volgens de wetten van Mozes tenminste twee betrouwbare getuigen nodig. In het verhaal, dat Lucas in zijn Handelingen vertelt over het geschil over de vraag of Heidenen nu wel of niet besneden moesten worden en de spijswetten moeten naleven, lijkt het wel of Lukas opnieuw het proces van Jezus van Nazareth voor het Sanhedrin, de Hoge Raad van het Joodse Volk, beschrijft. Er is een twistgesprek en er treden twee getuigen op. Maar deze getuigen vertellen geen leugens zoals in het proces tegen Jezus van Nazareth maar controleerbare feiten, zoals voorgeschreven is. De eerste getuige is Petrus. Er is in de geschiedenis van de kerk nog wel eens geprobeerd een tegenstelling te vinden tussen Paulus, die onder de Heidenen het geloof verspreidde, en Petrus die dat onder de Joden zou doen. Nu in dit verhaal zijn Petrus en Paulus gelijk.  Wij zullen moeten vasthouden aan de gedachte dat het Christendom afstamt van het Jodendom en dat zij dus broeders en zusters in het geloof zijn. Voor beide volken geldt het “Gij zult niet doden”

 

Daar aangekomen

Handelingen 14:21-28

21 In Derbe verkondigden Paulus en Barnabas het evangelie en ze maakten er veel leerlingen. Daarna keerden ze terug naar Lystra en vervolgens naar Ikonium en Antiochië. 22 Ze bemoedigden de leerlingen en spoorden hen aan te volharden in het geloof, maar wezen hun erop ‘dat wij pas na veel beproevingen het koninkrijk van God binnen kunnen gaan’. 23 In elke gemeente stelden ze oudsten aan, en na gevast en gebeden te hebben bevalen ze hen aan bij de Heer, in wie ze nu geloofden. 24 Na hun reis door Pisidië kwamen ze in Pamfylië, 25 waar ze in Perge Gods boodschap verkondigden. Vervolgens reisden ze verder naar Attalia. 26 Van daar gingen ze per schip naar Antiochië, de stad waar ze aan Gods genade waren toevertrouwd toen hun de taak was opgelegd die ze nu hadden volbracht. 27 Daar aangekomen riepen ze de gemeente bijeen en brachten verslag uit van alles wat God door hen tot stand had gebracht. Ze vertelden hoe Hij voor alle volken de deur naar het geloof had geopend. 28 Ze bleven nog geruime tijd bij de leerlingen. (NBV21)

Vandaag lezen we het laatste gedeelte van de eerste zendingsreis van Paulus. Samen met Barnabas, aanvankelijk ook met Johannes Marcus, was hij vertrokken uit Antiochië in Syrië om via Cyprus naar Turkije te reizen. Ze hadden nogal wat meegemaakt, ze waren ziek geworden, weggejaagd, bespot, vereerd als goden, gestenigd en belasterd. Je zou zo denken dat Paulus en Barnabas er nu wel genoeg van zouden hebben en via de kortste weg terug zouden reizen naar huis. Niets is minder waar. We lezen het stuk van vandaag vaak als een soort routinestuk. Er moet immers een mooi eind aan een verhaal gebreid worden. Maar de verhalen in de Bijbel zijn geen sprookjes en die eindigen dus niet met ze leefden nog lang en gelukkig. Paulus en Barnabas, zo lezen we gaan eerst terug naar al die steden waar ze geweest waren en waar ze niet alleen niet altijd even vriendelijk waren ontvangen maar waar vandaan ook hun tegenstanders hen achterna gereisd waren om mogelijke aanhangers in andere steden tegen hen op te zetten.

Ze gingen terug naar Lystra waar ze bijna aanbeden waren als Zeus en Hermes, naar Ikonium en naar het Pisidische Antiochië. Daar waren dus echte christelijke gemeenten ontstaan. Tegenwoordig moeten we de kerken sluiten maar in die dagen vormden zich gemeenschappen van Joden en Heidenen die alles samen deelden, die bijeen kwamen om de Schriften te lezen, het brood te breken en de wijn te drinken. Gemeenschappen die er om bekend stonden dat zij voor de armen en de zieken zorgden, dat slaven daar als vrijen werden behandeld, dat broeders en zusters als in één huis tezamen woonden. De Oudsten hadden de leiding over zulke gemeenten en zorgden voor een goed verloop. Onze kerken kennen die saamhorigheid soms niet meer. Veel van wat er gedaan wordt op grond van het evangelie wordt gedaan buiten de kerken, in schrijfgroepen van Amnesty, bezoekgroepen voor gevangenissen, aanloopcentra voor daklozen, eenzamen en verslaafden, vrijwilligersgroepen in ziekenhuizen en verpleegtehuizen, in Fair Tradewinkels, in de noodopvang en asielzoekerscentra voor vluchtelingen, in vakbonden en op tal van plaatsen waar mensen bezig zijn om aan een betere wereld te werken. We vinden de verhalen in kerken vaak zo vanzelfsprekend dat we denken die niet meer nodig te hebben.

Maar de verhalen uit de Bijbel werpen een nieuw licht op onze samenleving, ze laten zien waarom dat werken aan die nieuwe wereld zo hard nodig is, ze maken daardoor dat we het werk vol kunnen houden en niet trappen in de valkuilen waarin vanouds de mens geneigd is te stappen. Dat geld ook voor dit verhaal. Want wie gaat er nu terug naar de plaats waar goed is gedaan maar het goede is afgewezen. Wie durft er nog te gaan naar de plaats waar je bedreigd werd vanwege de gemeenschap van mensen die het goede willen toch te ondersteunen. Dat voorbeeld van Barnabas en Paulus verdient ook in onze dagen op veel plaatsen navolging. Pas dan kunnen we ook thuis komen in onze eigen gemeenschap. Want één element van die gemeenten hadden we nog niet benoemd. Over het goede dat gebeurt mag je ook vertellen, dat mag je ook delen en een gemeenschap is nodig om dat te kunnen delen. Vandaag dus er aan werken en zorgen voor een gemeenschap van mensen die het goede doen en daarover met elkaar delen. Kerken genoeg om die gemeenschappen onder te brengen.

 

Onze boodschap

Handelingen 14:8-20

8 In Lystra zat een man op straat die geen kracht in zijn voeten had; hij was al sinds zijn geboorte verlamd en had nooit kunnen lopen. 9 Toen deze man naar een toespraak van Paulus luisterde, keek Paulus hem strak aan en zag dat hij geloofde dat hij genezen kon worden. 10 Daarom riep hij hem toe: ‘Kom overeind en ga op uw voeten staan!’ De man sprong op en begon te lopen. 11 Toen de mensen zagen wat Paulus had gedaan, verhieven zij hun stem en ze zeiden in het Lykaonisch: ‘De goden zijn in mensengedaante naar ons afgedaald!’ 12 Ze noemden Barnabas Zeus en Paulus Hermes, omdat hij de woordvoerder was. 13 De priester van Zeus, wiens tempel vlak buiten de stad lag, bracht met bloemenkransen getooide stieren naar de stadspoort, die hij en het volk wilden offeren. 14 Maar toen de apostelen Barnabas en Paulus merkten wat de bedoeling was, scheurden ze van ontzetting hun kleren, drongen zich door de menigte heen en riepen: 15 ‘Wat doet u toch? Wij zijn mensen, net als u. Onze boodschap is nu juist dat u zich moet afkeren van de afgoden om u te bekeren tot de levende God, die de hemel en de aarde en de zee heeft geschapen en alles wat daar leeft. 16 Hij heeft in het verleden alle volken hun eigen weg laten gaan, 17 maar heeft toch blijk gegeven van zijn goedheid: vanuit de hemel heeft Hij u regen geschonken en vruchtbare seizoenen, Hij heeft u overvloedig te eten gegeven en u zodoende vreugde gebracht.’ 18 Door deze woorden slaagden ze er met moeite in de mensenmenigte ervan te weerhouden om aan hen een offer te brengen. 19 Na verloop van tijd kwamen er echter Joden uit Antiochië en Ikonium die de mensen ompraatten. Ze stenigden Paulus en sleepten hem vervolgens de stad uit, in de veronderstelling dat hij dood was. 20 Maar toen de leerlingen om hem heen waren gaan staan, kwam hij overeind en ging de stad weer in. De volgende dag vertrok hij met Barnabas naar Derbe. (NBV21)

Dat verblijf in Lystra liep nog maar net goed af voor Paulus. We maken graag afgoden van mensen die we groot en machtig vinden. Of het nu artiesten zijn, filmsterren, politici, pausen en weldoeners, mannen en vrouwen, als ze opvallen dan lopen we er graag achteraan. Er is zelfs een bonte verzameling weekbladen die niet anders doen dan berichten over het wel en wee van onze afgoden, vooral het wee overigens. In al die eeuwen sinds het optreden van Paulus en Barnabas is er nog steeds niks veranderd. Nu hadden zij een arme bedelaar bevrijd van zijn armzalig bestaan door hem te laten opstaan en in beweging te zetten. Mensen vinden dat een wonder, terwijl het toch de bestemming van mensen is om zelf een bijdrage te leveren aan de samenleving in plaats van afhankelijk te blijven van de aalmoezen van anderen. Ook in onze dagen is het onze plicht er voor te zorgen dat mensen mee kunnen blijven doen als ze dreigen aan de kant te komen zitten. Daar moeten wij onze politici op aanspreken. In de samenleving waar Paulus en Barnabas optreden is dat zeer ver buiten de orde van alle dag.

Nu waren er in de mythen over de goden van Grieken en Romeinen allerlei verhalen over goden die in de gedaante van mensen of dieren zich tussen de stervelingen hadden begeven om zich daar te vermaken of stervelingen op de proef te stellen. De daad van Paulus en Barnabas werd als goddelijk gezien en zo werden zij tot goden bestempeld. Barnabas werd de oppergod Zeus en Paulus zijn boodschapper Hermes. De priester van Zeus maakte de gebruikelijke offers al klaar, stieren met bloemenkransen getooid. Maar Barnabas en Paulus waren van een volk dat geen andere goden wilde nalopen, laat staan mensen die zich als goden voordeden. Hun optreden was dus kennelijk buiten elke orde van hun eigen godsdienst geweest, daarom werden de kleren gescheurd als waren ze in rouw. Het gaf het wel de kans om te vertellen over de God van Israël, de God die de zon laat opgaan en het laat regenen voor gelovigen en ongelovigen gelijk. Juist in dat geloof ligt de bevrijding van het veelgodendom. Regen en droogte, het weerkeren van de seizoenen, de vruchtbaarheid van het veld en het vee hoeven niet verkregen te worden door offers aan goden, door handelingen in Tempels, door aanbidding en overgave, maar wordt aan alle volken om niet gegeven uit de goedheid van de God van Israël.

Die God is zelfs goed als je niet in die God gelooft, maar zorg nooit dat je je uitgeeft voor ook een god. Al dat aanbidden van Goden zoals ook bij ons gebeurd, al dat nalopen van die schijnfiguren uit weekbladen en tv programma’s is lucht en leegte, nutteloos en zonder inhoud. Bevrijding daarvan en het gaan letten op verlamde mensen, mensen die langs de kant zijn komen te staan, die het niet meer zien zitten, de armen en de hongerigen zou ook in de dagen van Paulus tot onrust en revolutie geleid hebben. Uit de steden die daarmee al ervaring hadden kwamen ze dan ook om Paulus en Barnabas te stenigen. Toch waren er, ondanks al die onrust en teleurstelling, ondanks al die tegenwerking, ook in Lystra leerlingen die Paulus uiteindelijk weer op de been hielpen en zorgden dat hij kon doorreizen naar Derbe. Voor ons moet dat hoop geven en moed om door te gaan. Ook in onze dagen is er roddel en achterklap, worden mensen zwart gemaakt die de armen willen helpen, maar ook in onze dagen zijn er velen die zich inzetten voor die betere wereld die ons beloofd is en samen kunnen we ook vandaag weer verder op weg naar die wereld.

 

Een vijandige stemming

Handelingen 13:44–14:7

44 De volgende sabbat kwam bijna de hele stad bijeen om naar het woord van de Heer te luisteren. 45 Bij het zien van de mensenmenigte werden de Joden jaloers en begonnen ze de woorden van Paulus in een kwaad daglicht te stellen. 46 Maar Paulus en Barnabas zeiden onomwonden: ‘De boodschap van God moest het eerst onder u worden verkondigd, maar aangezien u die afwijst en uzelf het eeuwige leven niet waardig acht, wenden we ons tot de andere volken. 47 Want de Heer heeft ons het volgende opgedragen: “Ik heb je bestemd tot een licht voor alle volken, om redding te brengen tot aan de uiteinden van de aarde.”’ 48 Toen de niet-Joden dit hoorden, verheugden ze zich en spraken ze vol lof over het woord van de Heer, en allen die voor het eeuwige leven bestemd waren kwamen tot geloof. 49 Het woord van de Heer verspreidde zich over de hele streek. 50 De Joden hitsten echter de vrome vrouwen uit de hogere kringen op, evenals de vooraanstaande burgers van de stad, en wisten hen zover te krijgen dat ze zich tegen Paulus en Barnabas keerden, zodat die uit het gebied werden verdreven. 51 Maar zij schudden het stof van hun voeten als getuigenis tegen hen en vertrokken naar Ikonium. 52 De achterblijvende leerlingen waren vervuld van vreugde en van de heilige Geest. 1 Ook in Ikonium bezochten ze de synagoge van de Joden, en ook daar kwam een groot aantal mensen, Joden zowel als Grieken, door hun verkondiging tot geloof. 2 Maar er waren ook Joden die niets van hun boodschap wilden weten; zij deden hun best om bij de niet-Joden een vijandige stemming jegens de gelovigen te kweken. 3 Paulus en Barnabas bleven geruime tijd in de stad en spraken vrijmoedig over Gods woord, vol vertrouwen in de Heer, die de verkondiging van zijn genade kracht bijzette door hen tekenen en wonderen te laten verrichten. 4 Er ontstond echter verdeeldheid onder de inwoners van de stad, van wie sommigen partij kozen voor de Joden en anderen voor de apostelen. 5 Toen Paulus en Barnabas merkten dat Joden en niet-Joden samen met hun leiders op het punt stonden om geweld te gebruiken en hen wilden stenigen, 6 vluchtten ze naar Lykaonië, waar ze in de steden Lystra en Derbe en omstreken 7 het evangelie verkondigden. (NBV21)

Soms staan er merkwaardige verhalen in de Bijbel. Verhalen waarin elke logica lijkt te ontbreken. Neem nu dat verhaal over het bezoek dat Paulus en Barnabas brengen aan de synagoge in het Pisidische Antiochië, in het hart van het huidige Turkije. Paulus preekt daar op zijn eigen bijzondere manier, waarbij de hele Hebreeuwse Bijbel ter sprake komt en ook de jongste geschiedenis van Johannes de Doper tot aan de kruisiging en opstanding van Jezus van Nazareth. In de Synagoge waren naast de Joden ook Heidenen die wel meevoelden met de Joden, graag naar hun verhalen luisterden en soms ook zelf Jood werden. Die Heidenen werden Jodengenoten genoemd. Was het nu omdat Paulus benadrukte dat in Jezus van Nazareth het heil van God voor alle volken toegankelijk werd? Paulus en Barnabas werden in elk geval gevraagd de week er op terug te komen om er verder over te praten en dan gebeurt er iets vreemds, de hele stad loopt uit om dat verhaal te horen. Een verhaal dat begonnen is bij de bevrijding van een groep slaven uit Egypte.

Nu was ook de Romeinse samenleving gebaseerd op slaven dus het leggen van de verbinding tussen die bevrijding en de heerschappij van die God over alle volken was wat je noemt revolutionair. Het bevrijden van slaven in het Romeinse Rijk was het omverwerpen van de hele samenleving. Toch loopt een hele stad uit om die boodschap te horen. Het is geen wonder dat de leiding van de Joodse Synagoge spaans benauwd wordt en dat ze uit alle macht proberen bij de elite van de stad Paulus en Barnabas in diskrediet te brengen en duidelijk te maken dat zij daar niet bij horen. Die elite van de stad, met name de voorname vrouwen, had te veel profijt van hun slaven om hen zomaar te laten gaan. De rest van de samenleving had echter in toenemende mate last van de slaven. Hoe meer slaven er te werk konden worden gesteld hoe minder werk er over bleef voor de vrijen die betaald moesten worden. Bevrijding van slaven betekende dus direct ook bevrijding van de vrijen, bevrijding van de armen had Lucas al eens verteld was dat wat Jezus van Nazareth zijn volgelingen had opgedragen. Maar Paulus en Barnabas doen wat Jezus van Nazareth zijn volgelingen had opgedragen als ze ergens niet welkom bleken, ze schudden het stof van hun voeten en vertrokken.

Over de via Sebaste reisden Paulus en Barnabas van het Pisidisch Antiochië naar Ikonium in Turkije. Een stad die je ook vandaag de dag nog kunt bezoeken al heet de stad nu Konya. De via Sebaste was een van die grote Romeinse wegen die dwars door het hele Rijk liepen. Ikonium lag tussen dat Antiochië en Lystra en Derbe in en de keus van Barnabas en Paulus was dus niet zo vreemd. In elke stad die ze tegenkwamen konden ze het recept van Antiochië herhalen, ze gingen naar de Synagoge om na de lezing uit de Tora hun verhaal over Jezus van Nazareth te vertellen en probeerden dan een gemeente te stichten. En ook in Ikonium lijken ze succes te hebben. Joden en Grieken kwamen tot geloof Voor de Romeinen vormden die Christenen aanvankelijk een Joodse sekte. Het was de Joden er daarom er veel aan gelegen om duidelijk te maken dat zij niet bij die Christenen hoorden. Een beweging die de slavernij wilde afschaffen, die vrede tussen de volken wilde op basis van gelijkheid tussen de mensen, die iedereen wilde oproepen om de bestaande goden af te zweren en voortaan voor elkaar te zorgen bracht zoveel onrust in de samenleving en taste zo fundamenteel de bestaande verhoudingen aan dat een Romeinse overheid wel tot vervolging zou moeten overgaan. Mensen die het goede in de wereld willen brengen worden snel verdacht gemaakt, daar mogen wij in onze dagen ook wel eens beter op letten.

 

Geen enkele grond

Handelingen 13:26-43

26 Volksgenoten, nakomelingen van Abraham, en ook u allen die God vereert, ons werd het nieuws over deze redding bekendgemaakt. 27 De inwoners van Jeruzalem en hun leiders hebben niet alleen Jezus miskend, maar ook de uitspraken van de profeten die elke sabbat worden voorgelezen. Door Jezus te veroordelen hebben ze deze uitspraken in vervulling doen gaan. 28 Ofschoon ze geen enkele grond voor een doodvonnis konden vinden, drongen ze er bij Pilatus op aan Hem terecht te stellen. 29 Toen ze alles ten uitvoer hadden gebracht wat er over Hem geschreven staat, haalden ze Hem van het kruishout en legden Hem in een graf. 30 Maar God heeft Hem opgewekt uit de dood; 31 gedurende ettelijke dagen is Hij verschenen aan degenen die met Hem van Galilea naar Jeruzalem waren getrokken en die nu onder het volk van Hem getuigen. 32 Wij verkondigen u het goede nieuws dat God zijn belofte aan onze voorouders 33 in vervulling heeft doen gaan ten behoeve van hun kinderen-ten behoeve van ons-doordat Hij Jezus tot leven heeft gewekt. Daarover staat in de tweede psalm geschreven: “Jij bent mijn Zoon, Ik heb Je vandaag verwekt.” 34 Dat Hij Jezus uit de dood heeft doen opstaan en Hem niet weer aan de ontbinding zal prijsgeven, heeft Hij aangekondigd met deze woorden: “Ik zal jullie schenken wat Ik David plechtig beloofd heb.” 35 In verband hiermee wordt in een andere psalm gezegd: “Het lichaam van uw trouwe dienaar zal niet tot ontbinding overgaan.” 36 Wat David betreft, hij is, nadat hij de mensen uit zijn eigen tijd had gediend, overeenkomstig Gods wil gestorven en met zijn voorouders verenigd; hij is tot ontbinding overgegaan, 37 maar Hij die door God tot leven is gewekt, is niet tot ontbinding overgegaan. 38-39 U moet dus weten, volksgenoten, dat het dankzij Hem is dat aan u de vergeving van de zonden verkondigd wordt; ieder die gelooft wordt door Hem vrijgesproken van alles waarvan hij geen vrijspraak kon krijgen op grond van de wet van Mozes. 40 Zorg daarom dat op u niet van toepassing wordt wat door de profeten is gezegd: 41 “Let op, spotters, sta verbaasd en ga te gronde, want Ik zal in jullie tijd een daad stellen, iets dat je niet zult geloven als het je wordt verteld.”’ 42 Toen Paulus en Barnabas de synagoge verlieten, kregen ze het verzoek om de volgende sabbat opnieuw over dit onderwerp te spreken. 43 Na afloop van de samenkomst liep een groot deel van de Joden en de vrome proselieten met Paulus en Barnabas mee, die hen toespraken en hen aanspoorden te blijven vertrouwen op Gods genade. (NBV21)

Nadat Paulus de geschiedenis van Israël heeft samengevat, van de uittocht tot en met het optreden van Johannes de Doper, begint hij de betekenis van Jezus van Nazareth te schetsen. Uitgangspunt daarbij is dat de kruisdood en de opstanding van Jezus van Nazareth al vooraf in de Hebreeuwse Bijbel, de schriften, werd voorspeld. Het belangrijkste citaat komt daarbij uit Psalm 16, vers 10 waar volgens Paulus staat :”Hij die door God tot leven is gewekt is niet tot ontbinding overgegaan”. In de Nieuwe Bijbelvertaling staat in Psalm 16: 10 “U levert mij niet over aan het dodenrijk en laat Uw trouwe dienaar het graf niet zien”. Dat lijkt anders maar we moeten ons realiseren dat Paulus citeert uit de Griekse vertaling van de Hebreeuwse Bijbel en dat de Nieuwe Bijbelvertaling het Oude Testament, dus ook de Psalmen, vertaald heeft uit het Hebreeuws en het Nieuwe Testament vertaald heeft uit het Grieks. Er zijn mensen die willen dat je zo’n Bijbelcitaat op beide plaatsen letterlijk hetzelfde vertaalt maar de vraag is of je dan vertaalt wat er staat. We moeten immers de Bijbel niet altijd letterlijk nemen maar naar haar bedoeling.

Het is duidelijk dat Paulus wil vertellen dat de afstammeling van David die de mensheid gaat redden en tot God zal kunnen brengen niet in het graf kon blijven maar zijn leerlingen met een levende Messias de wereld in zou sturen totdat alle volken zijn volgelingen zouden zijn. Paulus spreekt in een taal die wij ook na vertaling maar met moeite kunnen begrijpen. Wat moeten we aan met de Wet van Mozes en een vrijspraak die je niet op grond van de Wet van Mozes zou kunnen begrijpen? Dat is typisch een verhaal dat je aan de Joden in de tijd van Paulus kunt voorhouden. Zij geloofden immers, zo werd het hun voorgehouden, dat als je het zou kunnen alle 163 geboden uit de Tora, die de Wet van Mozes werden genoemd, te houden je een rechtvaardige voor God zou zijn en het eeuwige leven zou kunnen hebben. Dat werd eigenlijk voor iedereen een teleurstelling want niemand kon al die geboden een heel leven lang houden. Steeds veranderden de omstandigheden, de uitdagingen in het leven, het geluk en het ongeluk in het leven en steeds weer moest je dus op een andere manier de Wet van Mozes toepassen en houden.

De Rabbijnen leerden dat er voor elk gebod wel zeventig manieren waren om dat gebod uit te leggen en dat elk van die zeventig manieren de juiste was. Jezus van Nazareth was een andere weg ingeslagen. Niet het uitpluizen van elk wetje en elk regeltje was de opgave maar de vraag hoe je de leer van Mozes tot voordeel kon laten zijn voor de zwaksten en de minsten in de samenleving. Niet jij met jouw streven de Wet te houden moest behouden worden, maar de zieke, de arme, de hongerige, de slaaf, de vreemdelingen, de weduwe en de wees. Dat kon alleen door de samenvatting van de leer centraal te stellen: heb Uw naaste lief als Uzelf. Dat, zelfs door de dood heen volhouden, bracht de redding van de wereld. Want we zijn allemaal in staat om samen er voor te zorgen dat iedereen te eten heeft, dat aan alle mensen recht wordt gedaan en dat niemand langs de kant van de weg hoeft te blijven zitten. Jezus van Nazareth heeft het ons voorgedaan en wij mogen hem daarin navolgen, ook vandaag weer.

 

Een bemoedigend woord

Handelingen 13:13-25

13 Paulus en zijn reisgenoten scheepten zich in Pafos in om naar Perge in Pamfylië te reizen. Daar verliet Johannes de beide anderen, en hij keerde terug naar Jeruzalem. 14 Paulus en Barnabas trokken van Perge verder naar Antiochië in Pisidië. Na aankomst gingen ze op sabbat naar de synagoge; daar namen ze plaats. 15 Na de voorlezing uit de Wet en de Profeten werd hun namens de leiders van de synagoge gezegd: ‘Broeders, als u voor de mensen een bemoedigend woord hebt, ga dan uw gang.’ 16 Paulus stond op en gebaarde dat hij wilde spreken. Hij zei: ‘Israëlieten en alle anderen die God vereren, luister naar wat ik u te zeggen heb. 17 De God van het volk van Israël heeft onze voorouders uitverkozen; Hij heeft hen, toen ze als vreemdelingen in Egypte woonden, groot en machtig gemaakt. Met opgeheven arm heeft Hij onze voorouders weggeleid uit Egypte, 18 en ongeveer veertig jaar lang heeft Hij hen in de woestijn geduldig verdragen. 19 In Kanaän roeide Hij zeven volken uit, en hun land gaf Hij in bezit aan onze voorouders. 20 Dit alles vond plaats in ongeveer vierhonderdvijftig jaar. Vervolgens stelde Hij rechters aan, die heersten tot de tijd van de profeet Samuel. 21 Daarna vroeg het volk om een koning, en God gaf hun Saul, de zoon van Kis, een man uit de stam Benjamin, die veertig jaar regeerde. 22 Toen stootte God hem van de troon en maakte David koning, van wie Hij getuigde: “In David, de zoon van Isaï, heb Ik een man naar mijn hart gevonden, die geheel naar mijn wil zal handelen.” 23 En uit Davids nageslacht heeft God, overeenkomstig zijn belofte, een redder voor Israël voortgebracht, Jezus. 24 Voor zijn komst had Johannes het hele volk van Israël opgeroepen om zich te laten dopen en tot inkeer te komen. 25 Toen zijn levenswerk ten einde liep, heeft Johannes gezegd: “Wie jullie denken dat ik ben, ben ik niet. Maar let op: na mij komt iemand anders, en ik ben het niet waard om zelfs maar zijn sandalen los te maken.” (NBV21)

Vandaag lezen we een preek van Paulus. De eerste preek die in de Bijbel van Paulus bewaard is gebleven. Samen met Barnabas en Johannes Marcus waren ze van Cyprus vertrokken. Ze waren naar het toenmalige Pamfilië gegaan, een Romeinse provincie die in het huidige Turkije lag. Ze voeren naar Perge, vlak bij het huidige Murtana en daar besloot Johannes Marcus terug te gaan naar Jeruzalem. Ze waren al zo’n 15 kilometer de rivier de Cestrus opgevaren en Paulus en Barnabas bleven ook niet in Perge kunnen we in de brief van Paulus aan de Galaten lezen omdat Paulus ziek werd, het klimaat in Perge was kennelijk ongezond. Paulus en Barnabas reisden door naar het koelere hoogland in Turkije en kwamen in Antiochië in de provincie Pisidië. In deze Romeinse kolonie woonde een aanzienlijk aantal Joden. Daarom konden Paulus en Barnabas op de Sabbat naar de Synagoge gaan. In de Synagoge werd elke week een stuk uit de Tora gelezen, de eerste vijf boeken van Mozes, en een gedeelte uit de profeten. Welke gedeelten werden gelezen toen Paulus en Barnabas er waren vermeld het verhaal niet maar Paulus en Barnabas werden wel uitgenodigd om die Sabbat de preek te houden, ze werden kennelijk als voorname gasten beschouwd, mannen broeders zelfs.

Paulus begint gelijk met het veranderen van de gewoonten, de prediker in de Synagoge bleef gewoonlijk zitten, Paulus ging staan en sprak de aanwezigen aan met “Israëlieten en alle anderen die God vereren”. Joden en Heidenen, die laatsten zijn de Jodengenoten, worden hier gelijkelijk aangesproken als gelovigen in de God van Israël. Paulus gaat ook niet in op de gelezen gedeelten maar vat de Tenach, de Hebreeuwse Bijbel, samen door de geschiedenis van het volk Israël vanuit de Uittocht tot het optreden van Johannes de Doper samen te vatten. Paulus en Barnabas zijn mensen van de Weg, de Weg van Jezus van Nazareth, en zoals Paulus de geschiedenis presenteert was het volk Israël vanouds al het volk van de Weg, de Weg van de God van Israël. En langs die Weg, dat was voor de toehoorders natuurlijk duidelijk, stonden de richtingaanwijzers van de God van Israël, de geboden die mensen op de goede weg moesten brengen. Paulus geeft de geschiedenis van het volk overigens ook weer zoals die in zijn tijd in het Grieks verteld werd. Dat Koning Saul veertig jaar geregeerd zou hebben lezen we niet in de Bijbel maar wel bij de Joodse historicus Flavius Josephus, een tijdgenoot van Paulus.

Uiteindelijk loopt het verhaal uit op de komst van de Messias, de bevrijder van Israël, volgens Paulus niemand anders dan Jezus van Nazareth. Paulus beroept zich daarbij op de verklaring van Johannes de Doper, daar had heel het volk achteraan gelopen maar Johannes had zich de wegbereider genoemd en Jezus van Nazareth aangewezen als de uiteindelijke Messias voor wie hij de Weg moest bereiden. Met Johannes de Doper eindigt het tijdperk van de belofte en begint het tijdperk van de vervulling. Nu is het mogelijk van je naaste te houden als van jezelf. Nu is het pas echt mogelijk maaltijd te houden met de armen en de vreemdelingen zoals de Tora al had geboden. In de Messiaanse gemeente, de Christelijke gemeente, konden Joden en Heidenen samen aan het Avondmaal, samen de maaltijd van de bevrijding vieren in gedachtenis aan Jezus van Nazareth, samen konden ze de beker drinken omdat zijn bloed was vergoten en hij door de dood heen de liefde van God had weten te dragen. Dat kunnen ook wij doen in onze dagen, samen met armen en vreemdelingen het brood breken, delen wat nodig is en een samenleving opbouwen van gelijkheid en vrede. Daar mogen we vandaag ook weer aan werken.

 

Een gewetenloze oplichter

Handelingen 13:1-12

1 Er waren in de gemeente van Antiochië profeten en leraren, onder wie Barnabas, Simeon, die Niger werd genoemd, Lucius de Cyreneeër, Manaën, een jeugdvriend van de tetrarch Herodes, en Saulus. 2 Op een dag, toen ze aan het vasten waren en een samenkomst hielden voor de Heer, zei de heilige Geest tegen hen: ‘Stel Mij Barnabas en Saulus ter beschikking voor de taak die Ik hun heb toebedeeld.’ 3 Nadat ze gevast en gebeden hadden, legden ze hun de handen op en lieten hen vertrekken. 4 Zo werden Barnabas en Saulus uitgezonden door de heilige Geest. Ze gingen eerst naar Seleucië en van daar per schip naar Cyprus, 5 waar ze aankwamen in Salamis. Daar verkondigden ze Gods boodschap in de synagogen van de Joden. Johannes was met hen meegegaan om hen te helpen. 6 Ze reisden het hele eiland rond tot ze in Pafos kwamen, waar ze een Joodse magiër aantroffen, een valse profeet die Barjesus heette 7 en tot het gevolg behoorde van Sergius Paulus, de proconsul. Sergius Paulus, een verstandig man, liet Barnabas en Saulus bij zich komen omdat hij meer wilde horen over het woord van God. 8 Maar Elymas, zoals Barjesus ook wel werd genoemd-want Elymas betekent ‘magiër’ -,stelde zich tegen hen teweer en probeerde de proconsul van het geloof af te houden. 9 Daarop keek Saulus (die ook bekendstond als Paulus) hem strak aan, en vervuld van de heilige Geest 10 zei hij: ‘U bent een bedrieger, een gewetenloze oplichter, een kind van de duivel en een vijand van elke vorm van gerechtigheid. Hoe durft u de rechte wegen van de Heer te veranderen in kronkelpaden? 11 Let op: de hand van de Heer zal u treffen, u zult blind zijn en voorlopig geen zonlicht meer zien.’ Onmiddellijk werd alles donker om hem heen, zodat hij tastend zijn weg moest zoeken en anderen moest vragen of ze hem wilden leiden. 12 Toen de proconsul dit zag, kwam hij tot geloof, diep onder de indruk als hij was van wat hij over de Heer had geleerd. (NBV21)

Het boek Handelingen vertelt het verhaal hoe de boodschap van Jezus van Nazareth van Jeruzalem naar Rome is gekomen. Dat ging niet rechtstreeks, soms met grote omwegen, maar het leert ons iets over hoe wij dat verhaal in onze dagen in onze geschiedenis en onze omgeving zouden kunnen doen landen. Vandaag lezen we over het begin van de eerste reis van Saulus, ook wel bekend als Paulus. Die was vanuit Jeruzalem naar Antiochië in Syrie gereisd. Daar was hij de jaren daarvoor ook opgeleid tot verkondiger van die boodschap van Jezus van Nazareth. In Jeruzalem was de gemeente van de Weg, de volgelingen van Jezus van Nazareth, steeds kleiner geworden door de vervolging en de vlucht van Christenen die daarop volgde. In Antiochië was geen vervolging en daar was een sterke groep van aanhangers van de Weg gegroeid. Er waren mensen van allerlei afkomst en achtergrond lid van die gemeente.

Het verhaal noemt er een paar en in die kleine groep wordt de grote verscheidenheid al duidelijk. We hadden al kennis gemaakt met Barnabas, die was met Saulus naar Jeruzalem gereisd om een gift te brengen van de gemeente van Antiochië. Zij hadden de executie van Jacobus de broer van Johannes meegemaakt en de bevrijding en de vlucht van Petrus. Samen met Johannes Marcus waren ze teruggekeerd naar Antiochië. Maar er was ook een neger, een zwarte Afrikaan, Simon heette die, en Lucius een Romein uit Cyrene in Noord Afrika, zo ook Manaën een relatie van de viervorst Herodes die stierf toen die god genoemd werd. Een bont gezelschap. Uit dat gezelschap gingen Barnabas en Saulus weer op reis en opnieuw namen ze Johannes Marcus met zich mee. Ze gingen uiteindelijk naar Cyprus, de plaats waar Barnabas oorspronkelijk vandaan kwam. Ze gaan, als vrome Joden, eerst naar de Synagoge om daar te vertellen over Jezus van Nazareth en zijn Weg om de Heer te dienen en de wetten van Mozes te vervullen. Dan reizen ze door naar de hoofdstad van Cyprus, Pafos, om daar Sergius Paulus te bezoeken die namens de Romeinen de baas was op Cyprus.

Als een echt Romeins heerser had deze een magiër of voorspeller in dienst. Romeinse heersers deden weinig zonder dat een deskundige de afloop van hun handelen had voorspeld. Zoals tegenwoordig mensen hun horoscoop laten trekken of een reading laten doen. Met die man komt Saulus in conflict. Hij noemt hem een bedrieger en zorgt er voor dat deze ziener niets meer kan zien. Dat brengt zelfs de Romeinse consul tot geloof en nu Saulus ook een prediker is geworden van de Romeinen, de Heidenen, verandert in het verhaal ook zijn naam in Paulus, een meer Romeins klinkende naam. Al eerder werd die naam genoemd want uiteindelijk toen de lezers voor het eerst dit verhaal van de Handelingen lazen hadden ze al lang kennis gemaakt met de brieven van diezelfde Paulus. Paulus had geen magische tekenen of hulpmiddelen nodig om duidelijk te maken hoe de verhoudingen er uit zien. Geen sterren of readings, dat is allemaal bedrog. Waar het om gaat zijn de rechte wegen van de Heer, dat zijn de wegen waarin mensen tot hun recht komen. Dat is de weg die rechters als de proconsul moeten bewandelen, maar dat is de weg die ook wij kunnen bewandelen, elke dag opnieuw en ook vandaag.

 

 

Breng hem bij Me.

Marcus 9:14-29

14 Toen ze terugkwamen bij de andere leerlingen, zagen ze een grote menigte om hen heen staan. Er waren ook schriftgeleerden bij, die met hen aan het discussiëren waren. 15 De mensen waren verbaasd toen ze Hem zagen, en liepen meteen naar Hem toe om Hem te begroeten. 16 Hij vroeg hun: ‘Waarover zijn jullie met hen aan het discussiëren?’ 17 Iemand uit de menigte antwoordde: ‘Meester, ik heb mijn zoon naar U gebracht omdat hij door een geest bezeten is en niet kan praten; 18 steeds wanneer de geest hem overweldigt, gooit die hem op de grond, en dan komt het schuim hem op de mond te staan, hij knarst met zijn tanden en wordt helemaal stijf. Ik zei tegen uw leerlingen dat ze hem moesten uitdrijven, maar dat konden ze niet.’ 19 Hij zei tegen hen: ‘Wat zijn jullie toch een ongelovig volk, hoe lang moet Ik nog bij jullie blijven? Hoe lang moet Ik jullie nog verdragen? Breng hem bij Me.’ 20 Ze brachten de jongen bij Hem. Toen de geest Hem zag, deed hij de jongen meteen stuiptrekken, en met het schuim op de lippen viel hij op de grond en rolde heen en weer. 21 Jezus vroeg aan zijn vader: ‘Hoe lang heeft hij hier al last van?’ Hij antwoordde: ‘Al vanaf zijn vroegste jeugd, 22 en hij heeft hem zelfs vaak in het vuur gegooid en in het water met de bedoeling hem te doden; maar als U iets kunt doen, heb dan medelijden met ons en help ons.’ 23 Toen zei Jezus tegen hem: ‘Of Ik iets kan doen? Alles is mogelijk voor wie gelooft.’ 24 Meteen riep de vader van het kind uit: ‘Ik geloof! Kom mijn ongeloof te hulp.’ 25 Toen Jezus zag dat er een grote groep mensen toestroomde, sprak Hij de onreine geest streng toe en zei: ‘Geest die doof en stom maakt, Ik gebied je: ga uit hem weg en keer niet meer in hem terug.’ 26 Onder geschreeuw en met hevige stuiptrekkingen ging hij uit hem weg; de jongen bleef voor dood achter, zodat de mensen zeiden dat hij was gestorven. 27 Maar Jezus pakte hem bij de hand om hem overeind te helpen en hij stond op. 28 Hij ging een huis in, en toen ze weer alleen waren, vroegen zijn leerlingen Hem: ‘Waarom konden wij die geest niet uitdrijven?’ 29 Hij antwoordde: ‘Dit soort kan alleen door gebed worden uitgedreven.’ (NBV21)

Geloven dat het Goede je de weg wijst in alle situaties is natuurlijk mooi. Maar weet je dan ook overal raad op? “Gods plan leren kennen” wordt vaak als heel belangrijk afgeschilderd. “Als Jezus maar in je hart woont dan weet je overal raad op” wordt vaak beweerd. Dat het dus niet zo is blijkt hier in dit verhaal maar weer. Het antwoord op een epileptische jongen moeten de volgelingen van Jezus van Nazareth schuldig blijven. Daar is kennelijk het gebed van de vader voor nodig. Zo lang met een ziek kind rondzeulen maakt soms dat genezing onbestaanbaar wordt. Nog steeds zijn er ouders die de neiging hebben alle behandelingen van artsen maar te staken als er steeds weer nieuwe therapieën worden geprobeerd en hun ernstig zieke kinderen nieuwe martelingen moeten doormaken in de hoop op genezing van een ernstige ziekte. Hulp bij de twijfel in de mogelijkheden op genezing en begrip voor de twijfel is dan geboden.

Een luisterend oor en een hand op de schouder zijn in een modern ziekenhuis echter soms ver te zoeken ook bij op zich goedwillende artsen. We hebben van de gezondheidszorg een markt gemaakt. Artsen en verpleegkundigen moeten daardoor genezing produceren, zorg voor mensen hoort daar meestal niet bij, daar staat geen vergoeding tegenover en dus is er ook geen tijd voor. Gelukkig zijn er vrijwilligers die in vrijwilligersorganisaties steun en toeverlaat voor patiënten en verwanten willen zijn. Volgelingen van Jezus van Nazareth kunnen hier hun geloof in het onmogelijke laten zien. Steun lijkt onmogelijk maar dat is het juist niet. Gebedsgenezing, daar moet je voorzichtig mee zijn. Te gemakkelijk wordt een niet genezen aan ongeloof, of een te weinig geloof toegeschreven. Spontane genezingen op gebed, als een soort wonderen, zijn niet de genezingen waarvoor Jezus van Nazareth reclame heeft gemaakt. Integendeel hij verbood steeds de mensen er over te praten.

Waar hij voor zorgde was voor begrip voor mensen, voor nieuwe kracht waardoor mensen met hun leven verder konden, voor de steun en het begrip dat ieder van ons aan een ander kan schenken. De geest, die doof en stom maakt, moet vaker bij de omstanders worden uitgedreven dan bij de patiënten zelf. En daar kunnen we zelf een heleboel aan doen. Uiteindelijk sprak die vader in zijn gebed misschien zijn ongeloof in een God uit die zijn kind zo liet lijden maar hij bleef geloof houden in het kind zelf. Geloof vrijwaart ons niet van ziekte en ellende, geloof is geen levensverzekering waarmee de dood is uitgesloten. Maar het geloof in de mensen om ons heen kan hen op de been houden en dokters en verpleegkundigen de gelegenheid geven hun moeilijke werk te doen. Het kan mensen ook helpen afscheid te nemen van elkaar en toch te weten dat het goed is. Aan ieder van ons om ook in de gezondheidszorg de mensen voorop te blijven plaatsen. Ook daar is het lot van de zwaksten de maat voor de kwaliteit, ook daar is nog veel werk te doen dus.