Zijn kostbaar bezit

Deuteronomium 14:1-21

1 Omdat u kinderen van de HEER, uw God, bent is het u niet geoorloofd als teken van rouw uw lichaam te kerven of het haar op uw voorhoofd weg te scheren. 2 Want u bent een volk dat aan de HEER, uw God, is gewijd: u heeft Hij uitgekozen om, anders dan alle andere volken op aarde, zijn kostbaar bezit te zijn. 3 U mag niets eten dat door de HEER wordt verafschuwd. 4 De volgende dieren mag u eten: runderen, schapen, geiten, 5 herten, gazellen, reeën, steenbokken, spiesbokken, antilopen, wilde schapen, 6 en alle andere dieren die gespleten hoeven hebben-dus hoeven die helemaal gedeeld zijn-en bovendien hun voedsel herkauwen. Dat zijn de dieren die u wel mag eten. 7 Maar dieren die alleen herkauwen of alleen gespleten hoeven hebben, mag u niet eten. Kamelen, hazen en klipdassen zijn herkauwers, maar hebben geen gespleten hoeven; daarom gelden ze voor u als onrein. 8 En zwijnen hebben wel gespleten hoeven, maar herkauwen niet; daarom moet u ook die als onrein beschouwen. Eet geen vlees dat van zulke dieren afkomstig is en raak hun kadavers niet aan. 9 Alles wat in het water leeft en vinnen en schubben heeft mag u eten, 10 maar dieren zonder vinnen of schubben niet; die gelden voor u als onrein. 11 Alle vogelsoorten die rein zijn mag u eten. 12 De volgende vogels mag u niet eten: de vale gier, de lammergier, de monniksgier, 13 de rode en de zwarte wouw, de verschillende soorten buizerds, 14 alle soorten kraaien en raven, 15 de struisvogel, de velduil, de bosuil, alle soorten valken, 16 de steenuil, de ransuil, de kerkuil, 17 de dwergooruil, de visarend, de aalscholver, 18 de ooievaar, de verschillende soorten reigers, de hop en de vleermuis. 19 Ook gevleugelde insecten moet u als onreine dieren beschouwen, die u niet mag eten, 20 met uitzondering van enkele reine soorten. 21 U mag geen vlees eten van dieren die dood gevonden zijn. Laat het aan de vreemdelingen die bij u in de stad wonen, of verkoop het aan een buitenlander. Want u bent een volk dat aan de HEER, zijn God, gewijd is. U mag een geitenbokje niet koken in de melk van zijn moeder. (NBV21)

We lezen vandaag weer in de Hebreeuwse Bijbel, en wel in het vijfde boek van het hart van die Bijbel, de Tora. En we lezen daar wat er was voorgeschreven voor het volk Israël en hoe het met dat volk is gegaan. Maar waarom eigenlijk? Wat we lezen is al heel oud en het gaat over een volk waar wij niet bij horen. En als u als lezer er toevallig wel bij hoort dan leest u hier hoe dat verhaal door een Christelijke bril gelezen wordt. In het begin van het verhaal van vandaag lezen we waarom we zo bezig zijn met dat volk Israël. Via de volgelingen van de Israëliet Jezus van Nazareth hebben we dat verhaal over Israël leren kennen. En dat verhaal over Israël was er niet voor niets. Dat was omdat het volk Israël anders was als alle volken op de aarde. Niet omdat het uit zichzelf zo goed was, het was niet beter of slechter dan andere volken, maar het was uitgekozen door hun God om een voorbeeld te zijn voor alle andere volken.

Dit volk had een aantal regels die het zo anders maakten. Hun God viel niet samen met natuurkrachten. Hun God was ook niet in diergestalten te vangen. Hun God ging alle verstand te boven. De regels die ze hadden gekregen maakten dat duidelijk. Ze hadden 153 van die regels. Die lieten zich samenvatten in “Heb God lief boven alles en uw naaste als uzelf”. In het gedeelte dat we vandaag lezen komen 153 dieren voor. Dieren die het volk wel mocht eten en dieren die het volk niet mocht eten. Er is heel lang geprobeerd te begrijpen waarom het ene dier wel en het andere dier niet gegeten mocht worden. De menselijke logica bleek echter ontoereikend om er een verklaring voor te vinden. Tot men ontdekte dat er 153 dieren worden genoemd. Elk dier staat kennelijk voor een regel die de samenvatting van de regels tot leven kan brengen. En bij die regels gaat het ook om wat je wel hoort te doen en wat je niet hoort te doen.

Dat wat duidelijk wordt is dat er een grote eerbied behoort te zijn voor dieren, voor het leven van dieren. Natuurlijk is het slim om dieren die je dood in het wild vindt niet te eten, ze kunnen giftig zijn of bedorven, maar de eerbied komt misschien het nog het duidelijkst naar voren in de laatste regel van het gedeelte van vandaag het geitenbokje dat je niet in de melk van zijn moeder mag koken. Die melk behoort het bokje leven te geven en niet de dood om ons te plezieren. Al die dieren zijn er niet voor ons plezier. Al die dieren zijn er om ons in de gelegenheid te stellen de God van Israël te eren. Allereerst door ze te delen, daar zullen we de komende dagen ongetwijfeld op terug komen. Maar dat voorbeeld kunnen we dus volgen. Eerbied hebben voor het leven van dieren, zorgen dat ze een dierwaardig leven hebben, vrij van hokjes, leed en ellende, en dat ze op een eerbiedwaardige manier aan hun einde komen. Ook het leven van een dier laat ons niet onverschillig. Elk dier dat we eten moeten we als het ware eerst even aankijken of we dat wel mogen willen eten. Daarbij staat de liefde voor de God van Israël voorop, ook vandaag nog, ook voor ons Heidenen.

 

Weid uw volk

Micha 7:8-20

8 Jij die me haat, maak je niet vrolijk over mij. Al ben ik gevallen, ik sta op, al is het donker om mij heen, de HEER is mijn licht. 9 De toorn van de HEER zal ik dragen -ik weet, ik heb tegen Hem gezondigd- tot Hij mijn zaak heeft verdedigd, mij recht heeft verschaft. Hij zal me naar het licht voeren en ik zal zijn gerechtigheid aanschouwen. 10 Zij die me haat zal het zien en beschaamd zijn, zij die me vroeg: ‘Waar is Hij dan, de HEER, je God?’ Ik zal toekijken en graag getuige zijn wanneer ze als straatvuil wordt vertrapt. 11 Dat is de dag om je muren op te bouwen, de dag dat de grenzen worden verruimd. 12 Die dag zal men bij je komen, van Assyrië tot de steden van Egypte, van Egypte tot aan de Grote Rivier, en vanaf de zee in het westen tot aan de hoogste berg. 13 En de aarde zal worden verwoest, om de daden van haar bewoners. 14 Weid uw volk met uw staf, uw geliefde kudde, die eenzaam leeft in het woud, omringd door vruchtbaar land. Mogen ze weiden in Basan en Gilead, als in de dagen van weleer. 15 Als in de dagen van zijn bevrijding uit Egypte laat Ik dit volk wonderbaarlijke daden zien. 16 De volken zullen het zien en beschaamd staan, beroofd van hun kracht, doof en met de hand op de mond. 17 Ze zullen stof likken als een slang, als dieren die kronkelen over de grond. Sidderend zullen ze uit hun burchten komen, vol ontzag voor de HEER, onze God. Ze zullen U vrezen! 18 Wie is een God als U, die schuld vergeeft en aan zonde voorbijgaat? U blijft niet woedend op wie er van uw volk nog over zijn; liever toont U hun uw trouw. 19 Opnieuw zult U zich over ons ontfermen en al onze zonden tenietdoen. Onze zonden werpt U in de diepten van de zee. 20 U bewijst Jakob uw trouw en Abraham uw goedheid, zoals U gezworen hebt aan onze voorouders, in de dagen van weleer. (NBV21)

Vandaag sluiten we de lezing van het boek Micha af. Een hoopvol einde wordt het. Micha houdt ons voor dat wat er ook verkeerd is gedaan we altijd opnieuw mogen beginnen. De bevrijding van angst en onderdrukking door het volgen van de richtlijnen voor de menselijke samenleving begint elke dag opnieuw. Elke dag gaat de zon op en elke dag is de eerste dag van de rest van ons leven. Elke dag dus kunnen we beginnen met het opbouwen van een nieuwe samenleving. Elke dag opnieuw gaat het licht op waarin we onze naaste kunnen zien, de armen in onze eigen omgeving mogen herkennen, de armen in Afrika en andere arme landen mogen zien. Elke dag ook kunnen we hen opnieuw de hand reiken. In de Nieuwe Bijbelvertaling is degene die zich niet vrolijk moet maken weggevallen, in andere vertalingen is het een vijandin.

Daarom laat het zich vandaag wellicht wat gemakkelijker lezen. Er is altijd een keizer die denkt dat hij de baas is, ja zelfs de God, over de hele wereld was. Mis dus. Liefde regeert heel de wereld. Rijken en machtigen kunnen proberen zich ertegen te wapenen, extra muren op te bouwen, en als je dat nodig vindt moet je dat nu doen roept Micha, maar het zal niet helpen, de wereld zoals wij die kennen zal vergaan. Goden hebben nauwelijks betekenis meer zelfs de God van Abraham, Izaäk en Jacob dwingt geen respect meer af. Maar die laatste God heeft altijd al laten weten geen naam te willen hebben en geen gouden of zilveren beelden, alleen liefde voor de armsten en de verdrukten.

En die droom, ook de droom van Micha leeft nog steeds. Die droom zet machtigen en heersers onder druk om een einde te maken aan geweld en oorlog in de wereld. De droom over de bevrijding van geweld en onderdrukking, dat eerlijk delen in een rechtvaardige samenleving, brengt ons pas echte voorspoed en welvaart. Zoals een herder zorgt voor de schapen, en Micha laat nog een keer horen dat hij een boer is, zo zorgt het spoor van Liefde en Recht voor ons. En die weg mogen we elke dag gaan, en elke dag mogen we de rijken en de machtigen voorhouden dat vrede en recht geboden zijn en dat een humane opvang van vluchtelingen en een regering die uitgaat van de armen geboden zijn.

 

Iedereen belaagt zijn naaste

Micha 7:1-7

1 Ongelukkige die ik ben, het is als bij de late oogst, als bij de laatste pluk: geen druiventros meer om van te eten, geen vroege vijg, waarnaar ik smacht. 2 Zij die trouw waren zijn verdwenen uit het land, niemand is nog rechtschapen. Allen zijn op bloed belust, iedereen belaagt zijn naaste. 3 Ze bekwamen zich in het kwaad: alleen voor geld stellen leiders een onderzoek in, rechters spreken recht tegen betaling, hooggeplaatsten zeggen wat hun het beste uitkomt, en zo houden zij het recht op afstand. 4 De deugdzaamste van hen is als een doornstruik, de oprechtste is erger dan een stekelhaag. De dag van straf, door uw wachters aangekondigd, is gekomen, en het volk is in beroering! 5 Geloof je naaste niet, vertrouw je vriend niet, let op je woorden, ook bij wie er in je armen ligt. 6 De zoon veracht zijn vader, de dochter verzet zich tegen haar moeder, de schoondochter tegen haar schoonmoeder, en huisgenoten blijken vijanden. 7 Maar ik, ik blijf uitzien naar de HEER, ik blijf hopen op de God die mij redding zal brengen. Hij zal mij horen, mijn God. (NBV21)

Het is misschien bij ons nog niet zo slecht als de maatschappelijke situatie die Micha ons schetst maar er zijn toch een paar herkenbare aanknopingspunten. Micha vergelijkt de situatie in zijn samenleving met de laatste oogst. Alle volle en rijpe vruchten zijn binnengehaald. Bij het plukken zijn de onvoldragen nog niet gerijpte vruchten blijven hangen en zo vlak voor de winter begint moeten ook die er worden afgehaald. Ze brengen niets meer op, je hebt er ook niks aan. Zo gaat het ook in de samenleving van Micha, verstandige mensen die nog opkomen voor recht en gerechtigheid zijn uit het land verdwenen. Er lijkt alleen nog ruzie te zijn en als je dan naar een rechter stapt blijkt er klasse justitie en corruptie. Als er dan een vorm van bescherming wordt geboden dan doet die alleen maar pijn, als een doornhaag.  Is het bij ons anders? Soms lijkt het er op. De angstige schreeuwers lijken de overhand te krijgen. De hooligans zien hun kans schoon om weer eens met de mobiele eenheden van de politie in oorlog te gaan.

We hebben nog net geen corrupte rechters, maar klasse justitie is niet ver meer. De toegang tot het recht wordt zo duur gemaakt dat mensen met een eenvoudig inkomen geen kans meer hebben op een eerlijk en rechtvaardig vonnis van een onafhankelijke rechter. En het ministerie van justitie lijkt een onneembaar gesloten bolwerk geworden te zijn waar zich schimmige zaken lijken af te spelen die de criminaliteit in de kaart spelen, misdaden verdoezelen en waar de waarheid voortdurend het slachtoffer wordt. Micha waarschuwt ons tegen een samenleving van angst en wantrouwen. Iedereen kan uit zijn op jouw geluk en jouw verworvenheden. Je baan staat op het spel, de zorg voor je bejaarde ouders, je huisvesting is niet meer zeker, je kinderen kunnen worden misbruikt of tot drugsverslaafden gemaakt. Als je tieners een avond uitgaan loop je de kans ze in het ziekenhuis in coma terug te vinden. Een dergelijke samenleving wordt eigenlijk steeds meer onleefbaar.

Geen wonder dat de angst tegen die negatieve tendensen in onze samenleving tot geschreeuw en gewelddadig verzet leiden. Micha wijst echter een andere weg. Hij blijft uitzien naar de God van Israël en als je naar die God kijkt dan hoor je de roep om je naaste lief te hebben als jezelf. Dan hoor je roep om misstanden aan de kaak te stellen maar niet met geweld maar door ze te vergelijken met wat de God van Israël van ons vraagt. De weg die Micha ons wijst zullen wij ook moeten gaan. Blijven pogen met de angstige schreeuwers van verzet in gesprek te komen, wijzen op de vruchtbare weg van liefde en respect, van zorg voor de naaste. Ook wij zullen die weg moeten gaan. Die weg is eerst gewezen door de God van het volk Israël, de nazaten van dat volk bewaren de richtingwijzers voor die weg tot op de dag van vandaag. Voor hen begint een nieuw jaar en wij wensen hen een gezegend nieuwjaar.

 

Een leugenachtige tong

Micha 6:9-16

9 Hoor, de HEER roept tot de stad-wie wijs is heeft ontzag voor uw naam. Hoor het striemen van de roede: wie zou er dan nog voor haar getuigen? 10 Zou Ik geen aandacht schenken aan de schatten in het huis van een gewetenloos mens, schatten door onrecht verkregen, of aan die ondermaatse efa, die om vergelding schreeuwt? 11 Zou Ik een onzuivere weegschaal, een buidel met valse gewichten door de vingers zien? 12 De rijken van de stad zijn een en al geweld, haar inwoners zijn bedriegers, ze hebben een leugenachtige tong. 13 Daarom ook ben Ik begonnen je te slaan, je te treffen vanwege je zonden. 14 Nu zul je eten maar niet verzadigd worden, en je darmen raken verstopt. Wat je opbergt kun je niet behouden, en wat je wel behoudt laat Ik ten prooi vallen aan het zwaard. 15 Je zult wel zaaien maar niets oogsten, je zult olijven persen maar je niet met olie inwrijven, je zult druiven treden maar geen wijn drinken. 16 Jullie houden je graag aan de bepalingen van Omri en aan de besluiten van het koningshuis van Achab, jullie volgen hun raad. Daarom maak Ik van jullie, inwoners van de stad, een afschrikwekkend voorbeeld en een voorwerp van spot; de schande van mijn volk zullen jullie dragen. (NBV21)

Het hoort er bij, rijken moet je nooit vertrouwen. Wie eerlijk en rechtvaardig is wordt niet rijk. Die deelt op tijd. Armoede is geen ideaal maar rijkdom terwijl er nog armen zijn is verwerpelijk. Dat was in de tijd van Micha niet anders dan nu. Ook nu moeten we veel belasting bijeen brengen voor het ijkwezen, anders gaan de ondernemers op de loop met valse maten en gewichten, ook nu moet er toezicht zijn op arbeidsomstandigheden, op concurrentieverhoudingen op veiligheidsvoorschriften en noem maar op. En natuurlijk klagen de rijken over de vele regels die nodig zijn om hen in toom te houden, over de vele regels om de armen recht te verschaffen. Ze wijzen dan op koningen en regeerders die die regels niet kennen en waar het in hun landen met de rijken beter gaat. Dat de armen dan nog armer worden ontgaat ze, ze zien ze niet en ze horen ze niet.

Dat er wat gedaan zou moeten worden aan de exorbitante zelfverrijking in de top van het bedrijfsleven zodat er een rechtvaardiger inkomensverdeling kan ontstaan wordt voortdurend afgewezen. Dat we niet de behoefte aan energie van vandaag moeten afwentelen op onze kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen en hen moeten opzadelen met een giftig afval, waarbij het polonium uit Rusland een onschuldig medicijn lijkt,  dringt nog maar nauwelijks door. Het blijven wijzen op oneerlijke en onrechtvaardige inkomens en bezitsverhoudingen is niet iets van de filosoof Marx uit de negentiende eeuw, maar eeuwen voor de geboorte van Jezus van Nazareth en het begin van onze jaartelling hadden woestijnbewoners hetzelfde al opgeschreven en vervolgens werd dat verhaal wakker gehouden door een eindeloze stroom profeten en gelovigen. Tot de dag van vandaag, en dat zal doorgaan tot de dag dat het onrecht verdwijnt.

Wat voor Micha duidelijk is dat verdwijnt bij ons in het gebrek aan kennis. Wie kent nog de regels van Omri en het geslacht van Achab? Ze zijn in deze dagen hoogst actueel. Omri was de Koning die de rijkdom van Israël graag toeschreef aan de goden van vruchtbaarheid die in prachtige religieuze feesten werden aanbeden. Het kon niet mooi genoeg en houtsnijders en goudsmeden werden rijk door de prachtige beelden die voor deze goden gesmeed. Achab was de Koning die de wijngaard van Nabod inpikte onder het motto dat een Koning altijd recht had op het bezit van een ander. In onze dagen doen we niet anders. Dat we rijk kunnen worden wordt ons voorgehouden door organisatoren van loterijen waarbij de kans op winnen vrijwel nihil is maar die ook nog de illusie wekken dat je met meespelen zogenaamde goede doelen steunt. De werkelijke rijkdom gaat nog steeds naar de top van het bedrijfsleven met bonussen en al en naar de top van banken die buiten schot blijven als de armen de bank weer eens overeind moeten houden. Als afschrikwekkend voorbeeld van de absoluut foute verdeling van onze rijkdom kennen wij de voedselbanken. De armen in ons land steunen ze in ruime mate, de rijken weigeren om ze overbodig te maken.

Niets anders dan recht te doen

Micha 6:1-8

1 Hoor toch wat de HEER zegt! Sta op, laat de bergen uw rechtsgeding horen, laat de heuvels getuige zijn. 2 Luister, bergen, naar de aanklacht van de HEER, hoor toe, onwrikbare fundamenten van de aarde. De HEER voert een geding tegen zijn volk, Hij klaagt Israël aan: 3 ‘Mijn volk, wat heb Ik je misdaan? Waarmee heb Ik je gekweld? Antwoord Mij! 4 Ik heb je uit Egypte geleid, je bevrijd uit de slavernij. Ik zond Mozes, Aäron en Mirjam om je voor te gaan. 5 Herinner je, mijn volk, wat Balak besloot, de koning van Moab, wat Bileam, de zoon van Beor, hem antwoordde. Herinner je wat er gebeurde tussen Sittim en Gilgal. Dan zul je weer beseffen hoe rechtvaardig de HEER is.’ 6 ‘Wat kan ik de HEER aanbieden, waarmee hulde brengen aan de verheven God? Moet ik Hem tegemoet treden met brandoffers, zou Hij eenjarige stieren aanvaarden? 7 Kan ik Hem gunstig stemmen met duizenden rammen, met olie, stromend in tienduizend beken? Moet ik mijn eerstgeborene geven voor wat ik heb misdaan, de vrucht van mijn schoot voor mijn zondig leven?’ 8 Er is jou, mens, gezegd wat goed is, je weet wat de HEER van je wil: niets anders dan recht te doen, trouw te betrachten en nederig de weg te gaan van je God. (NBV21)

Vandaag lezen we verder in het boek van de profeet Micha en ook die zingt een lied. Een beurtzang, eerst wordt herinnert aan de geschiedenis en dan vraagt de zanger wat er nog gedaan kan worden om God gunstig te stemmen. Als we de bevrijding door God vergeten en onze zelfgemaakte goden aanbidden dan gaat het met de samenleving een verkeerde kant op. Wat moeten we doen om weer op het rechte spoor te komen. Niet anders dan recht doen is het antwoord. Daarmee krijgt voor Christenen ook de lofzang van Maria een bijzondere klank. Mijn ziel zingt lof aan de Heer begint het, want hij heeft omgezien naar de kleinen. Dat is ook wat Micha ons voorhoud. Recht doen en de weg te gaan van Recht en Vrede.

Micha verpakt zijn boodschap in de beschrijving van een rechtszaak. Een rechtszaak aangespannen door de God van Israël tegen het volk. Die God en dat volk waren immers partijen in een verbond. En de vrees bestaat dat het volk het verbond heeft verbroken. In de boeken van de profeten komen wel vaker passages voor die geschreven zijn in de vorm van rechtszaken over het verbond tussen God en zijn volk. We spreken zo gemakkelijk van een almachtig God maar uit de beschrijving van een rechtsgeding op grond van een verbond tussen twee partijen spreekt ook iets van een gelijkwaardigheid. Dat volk heeft de keus om de bepalingen uit het verbond na te volgen of naast zich neer te leggen. Niet dat het volk niet godsdienstig zou zijn. Duizenden dieren worden aan God geofferd.  Gelovigen zijn zelfs bereid hun kinderen te offeren.

De profeet beschrijft de wanhopige vraag van het volk naar wat het moet doen om God gunstig  te stemmen. Maar al die godsdienstigheid maakt de God van Israël eigenlijk alleen nog maar kwader. Dat verbond was een eenvoudig verbond. Het was samen te vatten in een paar regels, heb God lief boven alles en je naaste als jezelf. De rechtszaak die Micha beschrijft loopt dan ook niet uit op een vonnis, op een schuldig verklaren aan de schending van het verbond. De rechtszaak loopt uit op het zoeken naar een uitweg. En die uitweg ligt in het doen wat van je in het verbond verwacht wordt. Recht doen, je daaraan houden en blijven letten op de minsten in je samenleving omdat je God nu eenmaal de God van de zwakken is. Ook in onze dagen klinkt de roep om religiositeit, wie ben ik en wat kan ik doen om een beter ik te worden. Het antwoord van de God van Israël is nog steeds hetzelfde als in de dagen van Micha: heb je naaste lief als jezelf

 

De geringe mensen

Marcus 9:38-50

38 Johannes zei tegen Hem: ‘Meester, we hebben iemand gezien die in uw naam demonen uitdreef en we hebben geprobeerd hem dat te beletten omdat hij zich niet bij ons wilde aansluiten.’ 39 Jezus zei: ‘Belet het hem niet. Want iemand die een wonder verricht in mijn naam kan onmogelijk het volgende moment kwaad van Mij spreken. 40 Wie niet tegen ons is, is voor ons. 41 Ik verzeker je: wie jullie een beker water te drinken geeft omdat jullie bij Christus horen, die zal zeker beloond worden. 42 Wie een van de geringe mensen die in Mij geloven ten val brengt, zou beter af zijn als hij met een molensteen om zijn nek in zee gegooid werd. 43 Als je hand je ten val brengt, hak hem dan af: je kunt beter verminkt het leven binnengaan dan in het bezit van twee handen naar de Gehenna gaan, naar het onblusbare vuur. 44 45 Als je voet je ten val brengt, hak hem dan af: je kunt beter kreupel het leven binnengaan dan in het bezit van twee voeten in de Gehenna geworpen worden. 46 47 En als je oog je ten val brengt, ruk het dan uit: je kunt beter met één oog het koninkrijk van God binnengaan dan in het bezit van twee ogen in de Gehenna geworpen worden, 48 waar de wormen blijven knagen en het vuur niet dooft. 49 Iedereen moet met vuur gezouten worden. 50 Zout is goed! Maar als het zout zijn kracht verliest, hoe zul je het zijn kracht dan teruggeven? Zorg dat jullie het zout in jezelf niet verliezen en bewaar onder elkaar de vrede.’ (NBV21)

Ten zuiden en ten westen van Jeruzalem lag het dal Hinnom. Hier brandde dag en nacht een groot vuur waar al het afval van Jeruzalem in werd verbrand. Vanouds was hier een offerplaats voor de afgod Moloch. Daar werden kinderen als offer in het vuur geworpen. Ook werden er lijken van veroordeelde misdadigers verbrand, ze hoefden dan niet begraven te worden. De plaats werd Gehenna genoemd en was zo verschrikkelijk dat Gehenna ook de naam van het dodenrijk werd. Als Jezus van Nazareth over de Gehenna spreekt dan heeft hij het over een verschrikkelijke plaats die al zijn toehoorders helder voor ogen stond. Je kunt dus beter je handen af hakken dan als misdadiger in het vuur van de Gehenna geworpen worden. Zo verschrikkelijk moet het voor je zijn als je niet meer de Weg volgt van het houden van je naaste als van jezelf. Mensen van die weg afbrengen is wel het ergste dat je kan doen.

Toch heeft ook dat onblusbare vuur van die verschrikkelijke plaats Gehenna iets goeds. Het reinigt de stad zoals zout het voedsel reinigt en behoed voor bederf. Al het dode afval in de stad laten rotten maakt de stad onleefbaar. In het Italiaanse Napels kunnen ze daar over meepraten. Daar werd het afval niet meer opgehaald. Het werd zo erg dat het leger moest worden ingezet om de stad weer schoon te maken, de stad dreigde anders onleefbaar te worden. Zo was het ook met Jeruzalem en het Gehenna zorgde er voor dat de stad het afval kwijt kon. Daarom moeten wij er voor zorgen het zout in onszelf niet te verliezen. Dat betekent dat je telkens weer de Weg op moet gaan van Jezus van Nazareth. Dat je eens van die weg afdwaalt is erg, maar niet onherroepelijk, op elk moment kan ieder van ons zich weer omkeren, bekeren heette dat ook wel, om weer die Weg op te gaan.

In elke gemeenschap van mensen die zich niet om zichzelf maar om de ander als eerste bekommeren dien je de vrede te bewaren. Onderlinge strijd kost immers energie die ten koste gaat van de zorg voor de minsten, het laat ook niet zien hoe een samenleving waarin iedereen kan meedoen en waar oog en oor is voor de minsten er uit kan zien. Maar oog en oor voor de minsten in de wereld is waar Jezus van Nazareth ons om vraagt. Daar is zijn vader, daar is God zelf te vinden. Bij de slachtoffers van de voortdurende strijd in Somalië, bij de hongerenden in Darfur, bij de gevangenen in China, bij de vluchtelingen die uit al die landen met oorlog en onderdrukking bij ons aankloppen, en al die andere landen waar mensenrechten worden geschonden, bij de armen in Europa, bij de vreemdelingen onder ons die worden buitengesloten, bij de kinderen op de wereld die worden uitgebuit en misbruikt. Daar horen wij ook te zijn want hen verwaarlozen is het ergste wat ons kan gebeuren. Vandaag hoeft dat dus niet meer.

Ieders dienaar.

Marcus 9:30-37

30 Ze vertrokken uit die streek en reisden door Galilea, maar Hij wilde niet dat iemand dat te weten kwam, 31 want Hij was bezig zijn leerlingen onderricht te geven. Hij zei tegen hen: ‘De Mensenzoon wordt uitgeleverd aan de mensen. Die zullen Hem doden, maar drie dagen na zijn dood zal Hij opstaan.’ 32 Ze begrepen deze uitspraak niet, maar durfden Hem geen vragen te stellen. 33 Ze kwamen in Kafarnaüm. Toen ze in huis waren, vroeg Hij hun: ‘Waarover waren jullie onderweg aan het redetwisten?’ 34 Ze zwegen, want ze hadden onderweg met elkaar getwist over de vraag wie van hen de belangrijkste was. 35 Hij ging zitten en riep de twaalf bij zich. Hij zei tegen hen: ‘Wie de belangrijkste wil zijn, moet de minste van allemaal zijn en ieders dienaar.’ 36 Hij pakte een kind op en zette het in hun midden neer; Hij sloeg zijn arm eromheen en zei tegen hen: 37 ‘Wie in mijn naam één zo’n kind ontvangt, ontvangt Mij; en wie Mij ontvangt, ontvangt niet Mij, maar Hem die Mij gezonden heeft.’ (NBV21)

Ieders dienaar willen zijn, daar draait het om bij Jezus van Nazareth. En dat is niet eenvoudig. Daar moet je voor studeren lijkt het wel. Jezus van Nazareth neemt in dit verhaal immers zijn leerlingen mee naar huis om hen te onderrichten. Eerder had Marcus ons al verteld dat Jezus van Nazareth in Kafernaüm was gaan wonen. In de verhalen die voor het verhaal van vandaag staan had Jezus van Nazareth steeds last gehad van grote mensenmenigten die genezing bij hem zochten of gewoon achter hem aan liepen om te horen wat hij te zeggen heeft. Maar aan populariteit heeft Jezus van Nazareth kennelijk een broertje dood. Verering door de massa loopt altijd uit op de dood van degene die vereerd wordt. Of die kan het niet aan of de massa raakt teleurgesteld en dood het idool of die wordt door de concurrentie gedood, maar dood gaat het idool.

Jezus van Nazareth is voor alles realist, hij weet dat het hem ook zo zal vergaan. Maar hij weet ook dat zoveel liefde van God niet definitief dood kan gaan. Dus als het definitief lijkt, na drie dagen, het getal van de volmaaktheid, dat komt het weer tot leven. Dan staat het op tegen de dood. Daar zijn ook die leerlingen voor. Die moeten leren zichzelf uit te schakelen. Niet zij zijn belangrijk maar de mensen die de liefde nodig hebben. Daar moet je op letten. Jezus van Nazareth wijst op de zwaksten in elke samenleving, de kinderen. Die hebben nog geen weet van goed en kwaad, die leven nog als in het paradijs. Die zijn het eerst slachtoffer van honger, oorlog en geweld. Die zijn het zwaarste slachtoffer van misbruik, van uitbuiting en gebruik door volwassenen voor persoonlijk gewin of persoonlijk genot. Wie een kind opneemt en het daarmee voor het kind opneemt, neemt Jezus van Nazareth op en neemt het daarmee voor zijn liefde op.

Eigenlijk zegt Jezus van Nazareth dat wie zo doet zorgt dat hij opstaat uit de dood die het nalopen en de verering hem gebracht hadden. Daarom ook hoef je mensen die zorgen voor armen, die het opnemen voor kinderen, die pal staan voor de vrede, die het kwade uit de wereld proberen te verdrijven, niet te veroordelen als ze niet in Jezus van Nazareth geloven. Ze doen evengoed wat hij had bedoeld dat er gedaan moet worden. Je moet juist de mensen bestrijden die zeggen te geloven in Jezus van Nazareth maar het kwaad in de wereld laten voortbestaan. Mensen die niet willen delen omdat honger de verantwoording van de hongerige zou zijn, mensen die het niet opnemen voor kinderen omdat het hun kinderen niet zijn. Mensen die kinderen uitwijzen naar landen waar ze nooit zijn geweest. Die mensen moeten we bestrijden wegens onmenselijkheid. En als we dat weten te doen dan weten we dat wie niet voor de Weg van Jezus van Nazareth is, wie het niet opneemt voor zijn mensen, die is tegen hem, maar ook tegen ons.

 

Tot de dood erop volgt

Deuteronomium 13:7-19

7 Wanneer iemand-uw volle broer, uw zoon of uw dochter, of de vrouw die u bemint, of uw beste vriend-u in het geheim probeert over te halen om andere goden te dienen, goden die u nog niet kende en ook uw voorouders niet, 8 goden van de omringende volken, vlakbij of ver weg of waar ook ter wereld, 9 luister dan niet naar zo iemand en geef niet toe; wees onverbiddelijk, heb geen medelijden met hem en houd hem niet de hand boven het hoofd. 10-11 U moet hem ter dood brengen; samen met uw volksgenoten moet u hem stenigen tot de dood erop volgt, en zelf moet u de eerste steen werpen. Dat is zijn straf, want hij heeft geprobeerd u te vervreemden van de HEER, uw God, die u uit de slavernij in Egypte heeft bevrijd. 12 Het hele volk van Israël moet daardoor worden afgeschrikt, zodat dergelijke wandaden zich niet herhalen. 13 Wanneer in een van de steden die u van de HEER, uw God, krijgt om u daar te vestigen, het gerucht de ronde doet 14 dat er onder uw volk nietswaardige figuren zijn opgestaan die de andere inwoners van hun stad tot ontrouw hebben aangezet en hen naar andere goden hebben laten overlopen-goden die u onbekend zijn-, 15 dan moet u navraag doen, een onderzoek instellen en de zaak tot op de bodem uitzoeken. Als blijkt dat het waar is, als onomstotelijk vaststaat dat zoiets afschuwelijks bij u heeft plaatsgevonden,16 dan moet u de inwoners van die stad ter dood brengen. De hele stad, iedereen die er woont, en alle dieren moeten onvoorwaardelijk aan de HEER worden gewijd en gedood worden, 17 en alle
goederen van de stad moeten op het plein bijeengebracht worden. Daarna moet u de stad en de goederen in brand steken, als een brandoffer voor de HEER, uw God. De stad wordt zo voor eeuwig tot een ruïne gemaakt, ze mag nooit meer herbouwd worden. 18 Van de goederen waarop de ban van de HEER rust mag u niets verduisteren. Als u zo handelt zal de woede van de HEER bekoelen en zal Hij u genadig zijn. Hij zal zich over u ontfermen en u in aantal doen toenemen, zoals Hij uw voorouders onder ede heeft beloofd. 19 Want dan bent u de HEER, uw God, gehoorzaam: u leeft de geboden na die ik u vandaag voorhoud en u doet wat goed is in zijn ogen. (NBV21)

Het boek Deuteronomium gaat er heel sterk van uit dat er binnen het volk Israël geen koningen en koninkjes zullen zijn. Er zijn geen mensen die je de wet kunnen voorschrijven. Dat betekent dat je je ook niet kunt verschuilen achter autoriteiten die je wel zullen uitleggen hoe het moet in het leven. In het gedeelte van vandaag staat dat die mensen in je omgeving, die je af willen brengen van de richtlijnen van de God van Israël, dood kunnen vallen, ze bestaan niet meer voor je. Hun bezittingen mogen tot stof vergaan, je wilt er niks meer mee van doen hebben. Een discussie over de vraag of de richtlijnen van de God van Israël eigenlijk nog wel passen is er zelfs niet bij, wie zo begint dient uit de gemeenschap weggestreept te worden. Het staat er keihard, zo hard dat we tegenwoordig denken dat we er geen boodschap meer aan hoeven te hebben. We slaan mensen die anders denken dan wij toch niet zomaar dood, dat doen we zelfs niet met de ergste misdadigers.

Maar roepen we wel voldoende dat mensen die het helemaal bij het verkeerde eind hebben wat ons betreft kunnen doodvallen? Het lijkt er niet op. Mensen die ons angst aan willen jagen voor medeburgers omdat die wat anders geloven krijgen ruim de aandacht. Ze kunnen hun valse argumenten breed uitmeten in tal van TV programma’s die overvloedig worden herhaald en uitbundig geciteerd in onze kranten. De boodschap van de Bijbel dat we helemaal niet bang hoeven te zijn en dat er één Heer van deze wereld is en dat dat de God van Israël is hoor je nauwelijks. Die boodschap past kennelijk niet meer in onze huidige samenleving. Dat we onze naaste lief moeten hebben, dat we zelfs onze vijanden lief moeten hebben, wordt afgedaan als soft, zwak en slappe kost. Dat het liefhebben van de naaste zelfs de dood kan overwinnen en door de dood heen volgehouden kan worden wordt daarbij niet gehoord. Angst en haat worden ons voorgehouden als te horen bij onze geschiedenis. Dat eerbied en tolerantie daarbij horen en zorg voor de minsten, mag je niet meer vinden. Het wordt tijd de harde kant van het boek Deuteronomium maar wat meer serieus te nemen.

Want het gaat niet alleen om directe verwanten of vrienden en kennissen waar je mee zou moeten breken als ze je af brengen van de zorg voor de minsten en daarmee van het dienen van de God van Israël. Het gaat om hele steden waar mensen wijs gemaakt zijn dat de een beter is dan de ander en dat je de ander maar op mag leggen hoe zich te kleden en hoe zich te uiten. Natuurlijk moeten belemmeringen om samen te kunnen leven weggenomen worden, maar die neem je weg door bereid te zijn samen te delen, alles wat je hebt samen te delen. Want het liefhebben van de naaste als jezelf is juist volgens het boek Deuteronomium het liefhebben van God boven alles. Angst speelt daarbij geen rol. Bij de maaltijd die je als bewijs van de eer aan God moet houden op de plaats waar die regel van heb je naaste lief wordt bewaard moeten juist ook de vreemdelingen worden uitgenodigd. Niet de vreemde goden staan centraal maar de God van Israël en angst voor vreemde goden en andere godsdiensten is er al helemaal niet voor wie geloofd in de God van Israël. Die God heeft ons in Jezus van Nazareth laten zien dat er geen kracht of macht in hemel of op de aarde zo sterk is als die God. Daarom laten we doodvallen een ieder die ons daarvan afbrengt, ook vandaag weer.

 

Het kwaad uit uw midden

Deuteronomium 12:29–13:6

29 Straks zal de HEER, uw God, voor u de volken uitroeien die nu nog het land bewonen dat voor u bestemd is. Als u het eenmaal in bezit hebt gekregen en er bent gaan wonen, 30 zorg er dan voor dat die volken, die voor u zijn uitgeroeid, niet alsnog uw ondergang worden. Wees niet nieuwsgierig naar hun goden en vraag u niet af: Hoe hebben die volken hun goden vereerd? Zo willen wij het ook doen! 31 Nee, de HEER, uw God, verbiedt u dat. Want zij hebben voor hun goden alles gedaan wat de HEER verafschuwt; ze hebben zelfs hun zonen en dochters als offer voor hen verbrand. 1 U moet alles wat ik u gebied strikt naleven; voeg er niets aan toe en doe er ook niets van af. 2 Wanneer een profeet of een droomuitlegger uit uw midden een teken of een wonder voorspelt, 3 dat vervolgens uitkomt, en hij verbindt daaraan een oproep om andere, u onbekende goden te volgen en te dienen- 4 luister dan niet naar wat hij zegt. Want de HEER, uw God, wil u daarmee op de proef stellen, om te ontdekken of u Hem wel met hart en ziel liefhebt. 5 Blijf de HEER, uw God, volgen en heb alleen voor Hem ontzag. Leef zijn geboden na en luister naar Hem; dien alleen Hem en blijf Hem toegedaan. 6 En die profeet of droomuitlegger moet ter dood gebracht worden omdat hij u wilde opzetten tegen de HEER, uw God, die u uit Egypte heeft weggehaald en u uit de slavernij heeft bevrijd. Die man heeft immers geprobeerd u af te brengen van de weg die de HEER, uw God, u had gewezen. Zo moet u het kwaad uit uw midden verwijderen. (NBV21)

Waarom zou je toch die God van Israël blijven volgen? Er zijn toch ook andere manieren om vruchtbaarheid te krijgen. Er zijn toch ook andere waarzeggers die de waarheid kunnen brengen? In onze dagen hebben we fluisteraars van allerlei soort en instraalsters en astrologen die allemaal ons kunnen vertellen wat overledenen van ons willen, wat onze toekomst zal zijn en welke beslissingen we het beste kunnen nemen. Het volgen van de God van Israël is maar één van de vele mogelijkheden. Mozes waarschuwt zijn volk daar voor. Voor gelovigen in de God van Israël is er maar één weg en dat is de Weg die de God van Israël in zijn woord heeft gewezen. In onze dagen kunnen we zeggen dat je niet Christelijk kan zijn en met fluisteraars, instralers, astrologen of andere etherische voorspellers in zee gaan, die twee sluiten elkaar uit en zijn elkaars tegenpolen.

Levert het volgen van de God van Israël dan wat op? Is het zo dat beter volgen en meer gehoorzamen je beschermt tegen ziekte, werkloosheid, armoede, ongeluk, oorlog en onderdrukking? Wie het gedeelte van vandaag goed leest heeft begrepen dat ook dat niet het geval is. Je volgt de God van Israël omdat die je heeft liefgehad, omdat die de regen laat neerdalen op gelovigen en ongelovigen, omdat de God van Israël heeft laten zien wat recht en gerechtigheid is, omdat zijn zoon heeft voorgeleefd dat liefde zelfs door de dood heen houdbaar is en leven geeft. Er is met de God van Israël geen handeltje te drijven zoals met andere goden het geval is. Als je je persoonlijkheid opoffert dan belonen de goden van winst en profijt je. Als je je vrijheid van arbeid opoffert en op zeven dagen van de week wil werken dan belonen de goden van winst en profijt je. Dat wordt ons voorgehouden en wie de ene dag in de week voor iedereen vrij wil hebben als teken dat iedereen bevrijd is van de slavernij van de arbeid, dan wordt je voor ouderwets versleten en ben je een bedreiging voor de welvaart van het land.

In het gedeelte van vandaag wordt de ondergang van de volken van Kanaän aangekondigd. Die ondergang heeft te maken met hun godsdienst. Hoe dat precies zit is volgens het verhaal van Mozes niet interessant, dat moeten we ons niet afvragen. Er wordt één zaak genoemd die tot de gruweldaden hoort die de ondergang van volken teweeg brengt. Dat is het offeren van kinderen, zonen en dochters. Vlak voor het volk veel later in ballingschap zal worden gevoerd protesteren profeten als Jeremia ook tegen de kinderoffers die door het volk Israël gebracht werden. We weten dat ook in de Duitse concentratiekampen kinderen levend in het vuur werden geworpen. Wij doden geen kinderen meer uit religieuze overwegingen. Maar letten we genoeg op de kinderen in onze omgeving? Er sterven kinderen aan mishandeling omdat hun omgeving uit privacy overwegingen onverschillig blijft. Maken we “Privacy” tot een god aan wie offers moeten worden gebracht? We rukken gezinnen uiteen en sturen kinderen die hier groot geworden zijn naar een land waar ze geboren zijn maar nooit opgegroeid zijn, omdat we ons land voor onszelf willen houden. Hebben we ons grondgebied tot een god gemaakt waaraan offers moeten worden gebracht? Het zijn vragen die Deuteronomium ons stelt en waarop we een antwoord moeten geven, elke dag weer, ook vandaag.

 

Als u dit ter harte neemt

Deuteronomium 12:13-28

13 Denk erom dat u geen brandoffers brengt op een willekeurige plaats. 14 Alleen op de plaats die de HEER in een van uw stamgebieden kiest mag u offers brengen en aan uw andere verplichtingen voldoen. 15 Maar verder mag u, naar de mate waarin de HEER, uw God, u zal zegenen, dieren slachten en vlees eten wanneer u maar wilt, overal waar u woont. Iedereen mag dat, rein of onrein, zoals dat ook geldt voor het eten van gazellen of herten. 16 Onthoud u alleen wel van het bloed; laat dat als water op de grond weglopen. 17 Het is niet toegestaan om in uw eigen woonplaats een feestmaal aan te richten van de tienden van uw graan, wijn en olie, of van uw eerstgeboren runderen, schapen en geiten, van uw gelofteoffers, uw vrijwillige gaven en de andere heffingen. 18 Want dat mag alleen gebeuren ten overstaan van de HEER, uw God, op de plaats die Hij uitkiest. Dat geldt voor ieder van u, voor uw zonen en dochters, uw slaven, uw slavinnen, en voor de Levieten die bij u in de stad wonen. Ten overstaan van de HEER, uw God, zult u genieten van de vrucht van uw arbeid. 19 Maar let erop dat u, zolang u in dat land woont, de Levieten niet vergeet. 20-21 Wanneer de HEER, uw God, u de beschikking heeft gegeven over het hele gebied dat Hij u beloofd heeft, ligt de plaats die Hij zal kiezen om er zijn naam te laten wonen misschien te ver weg. Toch kunt u dan, wanneer u dat wilt, gewoon vlees eten. U mag runderen, schapen of geiten die u van de HEER hebt gekregen, slachten zoals ik u heb voorgeschreven, en het vlees eten wanneer u wilt, overal waar u woont. 22 Net zoals u gazellen of herten mag eten, mag dat ook met zulk vlees, en dat geldt voor iedereen, rein of onrein. 23 Maar wees er wel op bedacht dat u zich van het bloed onthoudt, want bloed is leven; vlees met leven erin mag u niet eten. 24 Nogmaals, onthoud u van bloed, laat het als water op de grond weglopen. 25 Als u dit ter harte neemt, zal het u en uw nageslacht goed gaan, want dan doet u wat goed is in de ogen van de HEER. 26 Maar alle gaven die de HEER toekomen en alles wat u Hem hebt toegezegd, moet u meenemen naar de plaats die Hij zal uitkiezen. 27 Van de brandoffers moet u zowel het vlees als het bloed offeren op het altaar van de HEER, uw God. Bij uw vredeoffers moet alleen het bloed tegen het altaar worden gegoten, en mag het vlees gegeten worden. 28 Ga zorgvuldig te werk in alles wat ik u vandaag heb voorgehouden. Dan zal het u en uw nageslacht tot in lengte van dagen goed gaan, omdat u dan doet wat goed is in de ogen van de HEER, uw God.(NBV21)

De discussie over het eten van vlees, ook offervlees, komen we vele eeuwen later weer tegen in de brieven van Paulus. Wie dit gedeelte uit het boek Deuteronomium zorgvuldig leest zal zien dat het eten van vlees, gewoon vlees of offervlees, nooit een probleem kan zijn voor het volk Israël. Eten en drinken is een gewone menselijke bezigheid. Die heeft God al lang geschonken en die hoef je met offers dan ook niet voortdurend opnieuw bij God te verdienen. Dat was voor andere godsdiensten dus heel anders. Je moet in veel godsdiensten zorgen dat je de verbinding tussen wat je geschonken is en de godheid tot uiting brengt, als het ware een handeltje voeren met de god die je wil aanbidden. De God van Israël verwerpt dat verre van zich.  Er zijn maar twee beperkingen die in dit gedeelte worden gegeven. De eerste is dat je geen bloed mag eten. Daar moet je goed op letten bij het slachten en het bereiden van vlees.  Wij, eters van bloedworst, staan daar nog even raar van te kijken maar het heeft te maken met de opvattingen die mensen hadden in de tijd dat de Bijbel is ontstaan over de manier waarop het leven in elkaar zat.

Ze hadden namelijk heel goed gezien dat een levend wezen zonder bloed niet kon leven. Als een mens of een dier gewond raakte en daardoor een overmatig bloedverlies leed dan stierf die mens of dat dier. Daar is ook vandaag de dag nog helemaal niks in veranderd. Daarom was men er van overtuigd dat het leven gedragen werd door het bloed. En als je het leven van een dier neemt dan moet je daar eerbiedig mee om gaan. Eigenlijk moet je dat leven weer teruggeven aan de God die het leven aan dat dier had gegeven. Daarom het voorschrift het bloed van een geslacht offerdier over het altaar te gieten. Is er geen altaar in de buurt dan moet je het bloed over de grond laten lopen. Daarmee geef je het leven terug aan God. Die eerbied voor het leven zit ook in andere gedeelten uit de Bijbel daar waar het gaat over de manier van slachten, ritueel slachten noemen we dat tegenwoordig. Ook daar gaat het over de eerbied voor het leven dat je neemt. Eigenlijk zou al ons vlees zo geslacht moeten worden om ons die eerbied weer bij te brengen.

De tweede beperking is in het vieren van feestmaaltijden. De opdracht om feestmaaltijden te houden in de centrale plaats waar God wordt aanbeden wordt hier herhaald. Nu is niet direct sprake van de Tempel in Jeruzalem maar is ook plaats voor heiligdommen per stam. Er zouden er in Israël lange tijd een aantal naast elkaar bestaan. Pas laat groeide het besef dat er voor Israël maar één heiligdom kon zijn, de Tempel in Jeruzalem. Hier gaat het om de aard en het doel van de feestmaaltijd. Het is de belijdenis van het geloof van Israël in de God van Israël en de trouw aan zijn verbond. Dat geloof ging immers om te delen van wat je hebt met hen die niets hebben. Met de armen, de slaven, de vreemdelingen die je helpen, de levieten die zorgen voor de rechtspraak, met hen deel je wat je ook met je familie deelt. Dat is het hart van het geloof in de God van Israël, heb God lief boven alles en dat doe je door je naaste lief te hebben als jezelf. Ook daarin is tot op vandaag geen verandering gekomen. Delen mag niet alleen, voor gelovigen geldt dat delen moet, elke dag opnieuw.