Elk bedrieglijk pad.

Psalm 119:121-128

121 Ik heb altijd gedaan wat recht is en wettig, geef mij niet over aan mijn onderdrukkers. 122 Waarborg het geluk van uw dienaar, sta niet toe dat hoogmoedigen mij verdrukken. 123 Mijn ogen smachten naar de redding die U brengt, naar de gerechtigheid die U hebt beloofd. 124 Toon uw dienaar uw genade en trouw, onderwijs mij in uw wetten. 125 Ik ben uw dienaar, geef mij inzicht, dan leer ik uw richtlijnen kennen. 126 Het is tijd om in te grijpen, HEER, overal wordt uw wet geschonden. 127 Maar ik, ik heb uw geboden lief, meer dan goud, dan zuiver goud. 128 Daarom richt ik mij naar al uw regels en haat ik elk bedrieglijk pad. (NBV21)

Vandaag lezen we weer een stukje uit de langste Psalm uit de Bijbel, Psalm 119. Een Psalm die gaat over de richtlijnen van God voor de menselijke samenleving en die bezingt hoe mooi het is de weg van de God van Israël te volgen. Die Psalm was bijna 20 jaren geleden de aanleiding voor het schrijven van deze overwegingen. De Psalm bezingt immers dat het Woord van de God van Israël een lamp voor je voet kan zijn. Heeft dat hele oude verhaal over de God van Israël, voor Christenen aangevuld met het verhaal over Jezus van Nazareth, dan nog iets te vertellen voor onze hoog technologische ingewikkelde samenleving van vandaag? Na een aantal jaren is langzaam het besef gegroeid dat er inderdaad ook voor vandaag een boodschap in de Bijbel schuilt. Heel vaak wordt die boodschap aangeduid met geloof en je zult blindelings moeten geloven dat het ook waar is wat die boodschap biedt.

Die boodschap biedt in elk geval geen bevrijding van alle dagelijkse zorgen, die boodschap biedt ook geen gemakkelijk leven. De boodschap is dat het leven zin heeft als je anderen de kans geeft echt te leven. Dit gedeelte van de Psalm begint dan ook met een gebed om bevrijding van onderdrukking, om gerechtigheid. Er staat niet echt dat de dichter van de Psalm onderdrukt wordt. Die dichter vraagt om de gerechtigheid van God. Die gerechtigheid, hebben we geleerd, is de gerechtigheid voor iedereen op de wereld die gerechtigheid wordt niet gedaan, zeker niet aan de minsten, de zwaksten. Alle onderdrukking in de wereld wordt gevoeld als onderdrukking van de gelovigen. En als de onderdrukten zelf niet in staat zijn op te staan tegen de onderdrukking dan zijn het de gelovigen die dat voor hen doen. Daar komt de gerechtigheid vandaan die God heeft beloofd. Dat moet je dan maar weten vol te houden, maar dat mogen we dan ook volhouden, dat is genade, we hoeven niet op te geven, we mogen vast houden aan de grondregel van heb Uw naaste lief als Uzelf.

De Psalmen zijn op vele manieren vertaald. Telkens weer zochten dichters en schrijvers naar de juiste woorden om de boodschap van de Bijbel door te geven. De Naardense Bijbel heeft het in dit gedeelte van de Psalmen over “pleiten” om de richtlijnen te leren kennen. Het is namelijk tijd om in te grijpen want overal worden de richtlijnen van de God van Israël geschonden. En een rechter grijpt in door de Wet uit te leggen en toe te passen en daarmee in te grijpen. Zo mag de God van Israël ons weer en opnieuw op weg sturen om zijn richtlijnen toe te passen in ons leven en in onze wereld. Niet omdat het voor ons iets oplevert maar omdat het voor de onderdrukten, voor de ontrechten, voor de zwaksten in onze wereld iets oplevert, omdat het hen recht zal doen aan mensen. Het slot van dit Bijbelgedeelte spreekt in de taal van de Naardense Bijbel wellicht ook iets luider als de Nieuwe Bijbelvertaling er staat : “127. Paarlen echter zijn mij uw geboden, ik heb ze liever dan goud en het edelste metaal, 128 paden van leugen, ik ben ze alle gaan haten, daarom houd ik uw orders alle voor recht” Daarmee mogen we vandaag op weg gaan.

 

Eén ding ontbreekt u

Marcus 10:17-31

17 Toen Hij zijn weg vervolgde, kwam er iemand naar Hem toe die voor Hem op zijn knieën viel en vroeg: ‘Goede meester, wat moet ik doen om deel te krijgen aan het eeuwige leven?’ 18 Jezus antwoordde: ‘Waarom noemt u Mij goed? Niemand is goed, behalve God. 19 U kent de geboden: pleeg geen moord, pleeg geen overspel, steel niet, leg geen vals getuigenis af, bedrieg niemand, toon eerbied voor uw vader en uw moeder.’ 20 Toen zei de man: ‘Meester, sinds mijn jeugd heb ik me daaraan gehouden.’ 21 Jezus keek hem liefdevol aan en zei tegen hem: ‘Eén ding ontbreekt u: ga naar huis, verkoop alles wat u hebt en geef de opbrengst aan de armen, dan zult u een schat in de hemel bezitten; kom daarna terug en volg Mij.’ 22 Maar de man werd somber toen hij dit hoorde en ging terneergeslagen weg; hij had namelijk veel bezittingen. 23 Jezus keek de kring rond en zei tegen zijn leerlingen: ‘Wat is het moeilijk voor rijken om het koninkrijk van God binnen te gaan.’ 24 De leerlingen schrokken van zijn woorden. Maar Jezus zei nog eens uitdrukkelijk: ‘Kinderen, wat is het moeilijk om het koninkrijk van God binnen te gaan: 25 het is gemakkelijker voor een kameel om door het oog van een naald te gaan dan voor een rijke om het koninkrijk van God binnen te gaan.’ 26 Nu waren ze nog meer ontzet, en ze zeiden tegen elkaar: ‘Wie kan er dan nog gered worden?’ 27 Jezus keek hen aan en zei: ‘Bij mensen is dat onmogelijk, maar niet bij God, want bij God is alles mogelijk.’ 28 Petrus nam het woord en zei: ‘Maar wij hebben alles achtergelaten om U te volgen!’ 29 Jezus zei: ‘Ik verzeker jullie: iedereen die broers of zussen, moeder, vader of kinderen, huis of akkers heeft achtergelaten omwille van Mij en het evangelie, 30 zal het honderdvoudige ontvangen: in deze tijd broers en zussen, moeders en kinderen, huizen en akkers, al zal dat gepaard gaan met vervolging, en in de tijd die komt het eeuwige leven. 31 Vele eersten zullen de laatsten zijn en vele laatsten de eersten.’ (NBV21)

Als Jezus van Nazareth God was hoe kon hij dan zeggen dat hij niet goed is? Dat hij geen “goede meester” genoemd wil worden? Wij kunnen het ons bijna niet voorstellen dat we eretitels en vleiende benamingen zullen afwijzen. Maar in dat Koninkrijk van God is niemand meer dan een ander, alleen God gaat alles en iedereen te boven. De mens Jezus van Nazareth schaart zich daar ook onder en dat maakt hem goddelijk, dat te kunnen volhouden, een menigte mensen achter je aan, het halve volk aan je lippen, lammen laten lopen en blinden laten zien, boze geesten uitdrijven bij de vleet, en dan nog zeggen dat je niet meer bent dan een ander. De meesten van ons zouden dat niet kunnen en als we het kunnen hebben we daarvoor voorbeelden als Jezus van Nazareth nodig. En wat we moeten doen om bij die beweging te horen? Heel eenvoudig, geen moord plegen, niet je eigen partner of een ander als voorwerp voor je eigen genot beschouwen, niet een rechter bedriegen zodat er onrecht ontstaat, niet je afkomst vergeten of ontkennen.

Fatsoenlijke mensen hebben dat eigenlijk altijd al wel gedaan en weldenkende mensen halen het niet in hun hoofd om iets anders te doen. Zijn ze er dan, hebben ze het toegangsbewijs voor het Koninkrijk in handen? In het verhaal dat we vandaag lezen ontbreekt er nog één ding: Afstand doen van alle rijkdom. Dat is niet eenvoudig. Zomaar alles wat je bij elkaar gespaard en verdiend hebt wegdoen om Jezus van Nazareth te volgen. Mogen er dan geen rijken zijn? Worden rijken veroordeeld? Nee, maar volgens Jezus van Nazareth mogen er geen armen zijn. Zo lang er nog mensen zijn die honger lijden, zo lang er nog slachtoffers van aardbevingen zijn die geen huizen hebben, zolang er nog mensen dood gaan aan ziekten waarvoor wij medicijnen hebben, zolang er nog leed en ellende is zullen we ons met voorbijzien van onszelf moeten inzetten. En vele laatsten zullen de eersten zijn. In het verhaal van vandaag lopen we eigenlijk aan tegen het gebruik van losse teksten. Over het algemeen rukken die het verhaal van de Bijbel uit hun verband en verbergen ze de werkelijke boodschap van de Bijbel.

Er zijn dan ook een boel kerkelijke leiders die met hartstocht het gebruik van losse teksten bevorderen. Ze schrijven daarmee hun eigen Bijbel en hebben daardoor een maximale invloed op hun volgelingen. We kennen de bekende teksten uit het verhaal van vandaag natuurlijk. Het is moeilijker voor een rijke het koninkrijk van God binnen te komen dan een kameel gaat door het oog van de naald.  Maar had U wel bedacht dat die teksten bij één verhaal horen? En dat die laatste tekst een troost is voor de discipelen omdat ze nogal schrokken van het harde oordeel over de rijken? Het is moeilijk om onze gewoonlijke kijk op de wereld zo radicaal te veranderen als Jezus van Nazareth wil. Voor de armen, de zwakken, de mensen die het niet goed hebben gered in het leven, betekent het Koninkrijk van God alles. Daar zijn alle tranen gewist, daar heeft niemand meer honger, daar is de toekomst van alle kinderen verzekerd, daar mag iedereen mee doen. Wat voor de rijken bereikbaar was is nu ook voor de armen bereikbaar. Daarvoor is het nodig dat mensen huis en haard verlaten, hun gehechtheid aan eigen bezit en kapitaal opgeven en de Weg van Jezus van Nazareth volgen. Op die Weg kun je vandaag nog de reis beginnen.

Voor altijd

Leviticus 16:22b-34

22b Nadat de bok in de woestijn is losgelaten, 23 moet Aäron de ontmoetingstent binnengaan. Hij moet de linnen kleren uitdoen die hij had aangetrokken toen hij de heilige ruimte binnenging, en ze daar laten liggen. 24 Op een heilige plaats moet hij zijn lichaam met water wassen en zijn gewone kleren weer aantrekken. Dan gaat hij naar buiten en brengt zijn eigen brandoffer en het brandoffer van het volk, om voor zichzelf en voor het volk verzoening te bewerken. 25 Het vet van de reinigingsoffers moet hij op het altaar verbranden. 26 De man die de bok naar Azazel heeft gestuurd, moet zijn kleren en zijn lichaam met water wassen voordat hij het kamp weer in mag. 27 De stier en de bok voor het reinigingsoffer, waarvan het bloed het heiligdom is binnengebracht voor de verzoeningsrite, worden buiten het kamp gebracht, waar de huid en het vlees en de ingewanden moeten worden verbrand. 28 Degene die ze verbrand heeft, moet zijn kleren en zijn lichaam met water wassen voordat hij het kamp weer in mag. 29 De volgende bepaling blijft voor jullie voor altijd van kracht: De tiende dag van de zevende maand moeten jullie in onthouding doorbrengen en je mag dan geen enkele bezigheid verrichten, geboren Israëlieten evenmin als de vreemdelingen die bij jullie wonen. 30 Want op die dag wordt voor jullie de verzoeningsrite voltrokken opdat jullie van al je zonden gereinigd worden en de HEER weer rein tegemoet kunnen treden. 31 Die dag moet in volstrekte rust en onthouding worden doorgebracht; deze bepaling blijft voor altijd van kracht. 32 De priester die gezalfd is en tot opvolger van zijn vader is aangesteld, zal dan de verzoeningsrite voltrekken. Gehuld in zijn heilige linnen kleding 33 moet hij de verzoeningsrite voltrekken aan de heilige ruimte in het heiligdom, en ook aan het voorste deel van de ontmoetingstent en aan het altaar. Zo bewerkt hij verzoening voor de priesters en de hele gemeenschap. 34 Deze bepaling blijft voor jullie voor altijd van kracht: eenmaal per jaar moet voor de Israëlieten verzoening bewerkt worden voor al hun zonden.’ Aäron deed wat de HEER Mozes had opgedragen. (NBV21)

Ook na de verzoening moeten de betrokkenen gereinigd worden. De schone linnen kleding van de Hogepriester blijft in de Ontmoetingstent en ook de man die de bok de woestijn heeft ingestuurd moet zich reinigen. Na die reiniging begint het gewone leven opnieuw. Elk jaar moet vervolgens die rite worden voltrokken. Elk jaar lijkt het leven even stil te staan. Elk jaar worden de handelingen van het volk gewogen, dat wat te licht bevonden wordt, niet in overeenstemming is met de Wet die in het heilige der heiligen wordt bewaard, wordt op de zondenbok gelegd en de woestijn ingestuurd en met de God van Israël gedeeld in de vorm van een bok die geslacht wordt en verbrand. Dan pas na de reiniging begint het volk weer opnieuw het volk van de God van Israël te zijn. Een volk met richtlijnen voor een menselijke samenleving, een samenleving die zo goed kan zijn dat alle volken van de wereld zich zo zouden willen gedragen en mee zouden willen doen met die Wet die in de Ontmoetingstent, later de Tempel wordt bewaard. Het getal zeven speelt hier een belangrijke rol, het is de zevende maand na Pesach toen de bevrijding uit Egypte werd gevierd, wat heeft het volk met de bevrijding gedaan is de vraag.

In de geschiedenis van het Christendom is de zondenbok wel eens verward met het lam dat het volk Israël had bevrijd van de dood. Met name de evangelist Johannes was hier schuld aan toen hij sprak over Jezus van Nazareth die de zonden van het volk had weggedragen. Hij schreef dat na de verwoesting van de Tempel en een grote opstand die zeer veel levens van het volk Israël had gekost en het overblijvende deel in de verstrooiing over het Romeinse Rijk had gestuurd. De zonden waar Johannes het over had was het geweld dat het volk door op te staan tegen een wereldmacht op zich had geladen. Jezus van Nazareth had laten zien dat het ook anders kon. Hij had zijn volgelingen bevolen de zwaarden in de schede te laten toen hij gevangen werd genomen. Daarom was hij de enige die gevangen werd genomen en sneuvelde er niemand vanwege de leer van Jezus. Zijn proces, zo vertelt Johannes, vond plaats op de dag van voorbereiding van het Paasfeest. Toen werden er duizenden lammeren geslacht voor de Pesachmaaltijd. Het bloed van die lammeren was in Egypte aan de deurposten gesmeerd alsof de eerstgeborenen geofferd waren. Het bloed van die lammeren had het volk behoed voor de dood.

Het bloed van Jezus van Nazareth had het volk, in elk geval zijn volgelingen, behoed voor een bloedige strijd met de Romeinen die bij voorbaat tot mislukken gedoemd zou zijn en tot het einde van het volk en de beweging van Jezus zou hebben geleid. Nu gebeurde het tegendeel. De beweging van Jezus van Nazareth sloeg een heel nieuwe weg in. In plaats van oorlog met de Heidenen werden de Heidenen betrokken bij de nieuwe beweging, werden ze lid gemaakt, gedoopt, en bekeerd tot de Weg die al met de God van Israël in de woestijn was begonnen. Ze mochten mee werken aan een samenleving waar mensen liever zichzelf opofferden dan geweld uit te lokken. Door de eeuwen heen is dit voorbeeld gevolgd, het maakte het Christendom tot een staatsgodsdienst, het deed de volken van de aarde een verklaring over mensenrechten aanvaarden, het brengt geweldloze demonstranten tot overwinningen, onafhankelijkheid van India, verzoening in Zuid Afrika en overal in de wereld zijn de voorbeelden te vinden. Elke dag opnieuw mogen wij die weg van verzoening gaan, mogen we ons naar de richtlijnen voor de menselijke samenleving richten, ook vandaag weer.

 

Zo reinigt hij

Leviticus 16:11-22a

11 Aäron moet de stier voor zijn eigen reinigingsoffer aan de HEER opdragen, om voor zichzelf en zijn familie verzoening te bewerken. Hij moet de stier slachten 12 en een vuurbak vullen met gloeiende houtskool van het altaar dat bij de ingang van de ontmoetingstent staat. Hij moet twee handen fijngestampt geurig reukwerk nemen en dat alles naar de heilige ruimte achter het voorhangsel brengen. 13 Daar moet hij het reukwerk ten overstaan van de HEER op het vuur leggen opdat de wolk van het reukwerk de verzoeningsplaat op de ark met de verbondstekst aan het oog onttrekt, anders sterft hij. 14 Hij moet met zijn vinger wat bloed van de stier op de verzoeningsplaat sprenkelen en zevenmaal wat bloed op de grond ervoor. 15 Daarna moet hij de bok voor het reinigingsoffer van het volk slachten, en het bloed naar de heilige ruimte achter het voorhangsel brengen. Met het bloed moet hij hetzelfde doen als met het bloed van de stier: hij moet het op de verzoeningsplaat en op de grond ervoor sprenkelen. 16 Zo voltrekt hij aan de heilige ruimte de verzoeningsrite voor de onreinheden en overtredingen van de Israëlieten, voor al hun zonden. Hetzelfde moet hij doen met het voorste deel van de ontmoetingstent, die in hun kamp staat, te midden van alle onreinheid van het volk. 17 Er mag niemand in de ontmoetingstent zijn, vanaf het moment dat hij die binnengaat om de verzoeningsrite te voltrekken tot het ogenblik waarop hij de tent verlaat. Nadat hij voor zichzelf en zijn familie en voor de hele gemeenschap van Israël de verzoeningsrite heeft voltrokken, 18 moet hij naar buiten gaan, naar het altaar dat bij de ingang staat. Ook daaraan moet hij de verzoeningsrite voltrekken. Hij moet wat bloed van de stier en van de bok aan de hoorns van het altaar strijken, 19 en vervolgens met zijn vinger het altaar zevenmaal met het bloed besprenkelen. Zo reinigt hij het van de onreinheid van de Israëlieten en heiligt hij het weer. 20 Nadat Aäron de verzoeningsrite heeft voltrokken aan de heilige ruimte, het voorste deel van de ontmoetingstent en het altaar, moet hij de andere, nog levende bok laten brengen. 21 Hij legt dan zijn beide handen op de kop van de bok en spreekt alle wandaden en vergrijpen van de Israëlieten openlijk uit, alle zonden die ze hebben begaan. Zo legt hij alle zonden op de kop van de bok. Daarna moet hij het dier de woestijn in sturen, onder de hoede van iemand die daarvoor is aangewezen. 22 De bok neemt alle zonden van het volk met zich mee, naar een verlaten gebied. (NBV21)

We mogen altijd weer opnieuw beginnen. Het is een ontdekking die in geen enkele Heidense godsdienst terug is te vinden. In oude kerkelijke taal heet het: “alles uit genade”. Dat “genade” is een juridische term, je hebt je misdragen, dat is bewezen geacht en er volgt een veroordeling. Maar voordat het vonnis wordt voltrokken wordt je genade geschonken. Je ontkomt aan je gerechte straf. Helaas is die genade in het Christendom geen bron van vreugde, geen energie brengend gegeven maar wordt de nadruk gelegd op de straf die je zou hebben moeten ondergaan. Terwijl die straf bedoeld is voor een heel volk, het volk Israël. Later zou Paulus schrijven dat ook de gemeente van Christus de kans loopt op diezelfde straf. En wat is die straf dan? Het wordt in de Bijbel de dood genoemd, de dood van een goddeloze samenleving. Een samenleving die functioneert alsof er geen God van Israël bestaat. Een samenleving waar de een zich uitnemender acht dan de ander, waar het gaat om materieel gewin, om eer en aanzien, waar geweld wordt gebruikt om de samenleving vorm te geven en te handhaven.

De richtlijnen voor de menselijke samenleving zijn dan verdwenen. En in elke menselijke samenleving dreigen die te verdwijnen. Wij zijn nu eenmaal geneigd met geweld ons toe te eigenen wat we denken dat ons toekomt. Of we dat geweld nu vastleggen in onrechtvaardige handelsverdragen, in milieuverwoestende productieprocessen of in echte oorlogen en het gebruik van wapens, geweld kenmerkt onze samenleving. Net als het zich uitnemender achten dan de ander. Mensen met een baan zijn beter dan mensen die geen passende baan kunnen vinden. Mensen die net als hun ouders en grootouders in ons land geboren zijn horen hier meer thuis dan mensen die afstammen van mensen die in een ver buitenland geboren zijn, zeker als je die afstamming aan de buitenkant kunt zien. De minsten in onze samenleving staan zeker niet voorop, de zorg is een last en geen voorrecht. Ook voor ons zou een grote verzoendag, waarin we al die afwijkingen van de richtlijnen voor de menselijke samenleving onder ogen zien en wegsturen en verbranden een goede zaak zijn.

In de Joodse godsdienst wordt die Grote Verzoendag nog steeds gevierd. Het is een ontzagwekkend feest. De gelovigen verschijnen in hun doodshemd. Want een samenleving die zich niet houdt aan de richtlijnen voor de menselijke samenleving zoals ze door de God van Israël zijn gegeven wordt tot een dode samenleving, daar lopen de mensen al in hun doodshemden rond, al noemen ze die haute couture en strak gesneden pakken. Dat we opnieuw mogen beginnen is een geweldige ervaring. Dat je opnieuw voor de minsten mag gaan zorgen, dat je bevrijd wordt van het streven naar meer materieel gewin en nog meer materieel gewin, dat je weer één dag in de week bevrijd bent van de slavernij van consumptie en productie, dat de liefde weer de grondslag wordt van de samenleving waarin je leeft, dat je geweld achter je mag laten. Het zet je hele wereld op z’n kop, het maakt je bestaande wereld compleet nieuw. Het doet je beseffen dat als zo’n wereld van liefde blijvend zou zijn zelfs God op die wereld zou willen wonen. Wij mogen elke dag weer opnieuw beginnen, elke morgen als de zon opgaat weer die wereld scheppen die God voor ons heeft bestemd, ook vandaag weer.

Naar Azazel

Leviticus 16:1-10

1 Na de dood van de twee zonen van Aäron die stierven toen ze in de nabijheid van de HEER kwamen, 2 zei de HEER tegen Mozes: ‘Zeg tegen je broer Aäron dat hij niet zomaar de heilige ruimte achter het voorhangsel mag binnengaan. Het zou zijn dood betekenen, want daar, boven de verzoeningsplaat die op de ark ligt, is de plaats waar Ik in een wolk verschijn. 3 Dit moet Aäron bij zich hebben wanneer hij de heilige ruimte betreedt: een stier voor een reinigingsoffer en een ram voor een brandoffer. 4 Hij moet een heilige linnen tuniek aantrekken en een linnen broek dragen. Hij moet een linnen gordel om zijn middel binden en zijn hoofd met een linnen tulband bedekken. Dat is heilige kleding; voordat hij die aantrekt, moet hij zijn lichaam met water wassen. 5 Van de Israëlieten moet hij twee bokken voor een reinigingsoffer in ontvangst nemen en een ram voor een brandoffer. 6 De stier biedt Aäron aan als reinigingsoffer namens zichzelf, om voor zichzelf en zijn familie verzoening te bewerken. 7 De beide bokken moet hij naar de ingang van de ontmoetingstent brengen, en daar, ten overstaan van de HEER, 8 moet hij door loting vaststellen welke bok bestemd is voor de HEER en welke voor Azazel. 9 De bok die door het lot voor de HEER bestemd is, moet hij als reinigingsoffer opdragen; 10 de bok die door het lot bestemd is voor Azazel moet levend voor de HEER blijven staan om verzoening mee te bewerken, en daarna de woestijn in worden gestuurd, naar Azazel. (NBV21)

Wie is dat nu weer, die Azazel? We mogen er naar raden, de Bijbel legt dat niet uit en ook in de overlevering is er geen aanknopingspunt dat ons houvast kan bieden. Er is een verhaal dat Azazel de naam is van een steile kloof waar de bok vanzelf vanaf valt en daardoor verdwijnt. Maar dat lijkt toch sterk. Een hele oude aanduiding voor een woestijndemon lijkt nog de meest aannemelijke verklaring. Let er wel op dat die bok met al het kwaad niet geofferd wordt aan die woestijndemon maar er heen gezonden wordt. Het kwaad zal bij het kwaad moeten wonen is de kennelijke boodschap. Het kwaad woont in het land van de dood, in de woestijn. Bij het kwaad wil niks groeien, daar is geen levend water te vinden, bij het kwaad is het te heet overdag en te koud in de nacht. Leven houdt er geen stand. Daar wordt een bok heengestuurd, een taaie bok, een dier dat zelfs op kale rotsen nog leven vindt. Die krijgt het kwaad van het volk te dragen.

In de Christelijke overlevering is die bok die de zonden draagt verward met het lam dat gedeeld wordt met God. Jezus is aan het kruis niet de zondebok geworden, maar gedeeld met God, God heeft aan het kruis deel aan het lijden van de mensen. Het deel dat we vandaag uit het boek Leviticus lezen gaat over verzoening. Maar wat voor verzoening, wat moet er verzoend worden? Het stuk begint in de ontmoetingstent. Daar hadden de zonen van Aäron gedaan of zij namens de God van Israël konden spreken en voor die God van alles konden bewerkstelligen. Ze waren door onheilig vuur verteerd. Priesters zijn in Israël vertegenwoordigers van het volk. Een volk waarin gedood wordt, waarin gestolen wordt, waarin van alles gedaan wordt dat de menselijke samenleving van de God van Israël in de weg staat. En dat moet iedere keer weer uit de weg geruimd worden. Iedere keer weer moet het volk opnieuw beginnen. Beginnen met delen, beginnen met de Wet van delen weer in het midden van de samenleving te stellen. En dat gebeurd in dit gedeelte uit het boek Leviticus.

Wij zijn die rituelen van verzoening vergeten. In Zuid Afrika leverden ze de waarheidscommissie op. Als de Waarheid naar buiten kwam kon men met die Waarheid leren leven. Dan was de willekeur verdreven, dan waren geheime machten onschadelijk gemaakt, iedereen wist welk mechanisme geleid had tot geweld, onderdrukking en intimidatie, tot het martelen van gevangenen en het vermoorden van tegenstanders van het regime. Want na een veroordeling van misdaden volgt de veroordeling van misdadigers en het bestraffen van misdadigers. Maar nadat de straf is toegediend moet de samenleving weer verder. met dezelfde mensen die ooit bestraft werden. Dan moeten ze weer een huis weten te vinden, opgenomen worden in de gemeenschap, de kans niet meer krijgen opnieuw in de oude fouten te vervallen. De fouten moeten naar Azazel, de mensen naar het volk en de ontmoetingstent. De laatste weken lijkt het er op dat wij eens te meer een tent van verzoening nodig hebben, dan kunnen moordenaars en schenders van kinderen na het uitzitten van hun straf weer een plaats onder ons vinden. Want vergeven is niet vergeten, vergeven is samen opnieuw beginnen. Met schone kleren en gezamenlijk gebrachte offers, dat kan ook nog vandaag.

Uw wet heb ik lief

Psalm 119:113-120

113 Huichelaars haat ik, maar uw wet heb ik lief. 114 Bij U schuil ik, U bent mijn schild, in uw woord stel ik mijn hoop. 115 Zondaars, ga weg van mij! Ik wil de geboden volgen van mijn God. 116 Steun mij zoals U hebt beloofd, en ik zal leven, beschaam mijn verwachting niet. 117 Sta mij bij, want U bent mijn redding, altijd houd ik uw wetten voor ogen. 118 U verwerpt wie afdwalen van uw wetten, hun bedrog loopt uit op niets. 119 Als schuim veracht U wie kwaad doen op aarde, daarom heb ik uw richtlijnen lief. 120 Ik huiver van angst voor U, uw vonnissen wekken mijn vrees. (NBV21)

We zingen vandaag weer een couplet mee uit Psalm 119. We zijn bij de Hebreeuwse letter Samech, elk couplet van deze Psalm begint immers met een letter uit het Hebreeuwse alfabet. Dat wankelmoedigen klonk een beetje ouderwets daarom vertaalt de NBV21 het met Huichelaars. De Naardense Bijbel vertaalt met onvaste mensen, kwade ranken zei de Statenvertaling vroeger. Die Statenvertaling bedoelde dan de mensen die geen vrucht droegen voor het Koninkrijk van God. Want om dat Koninkrijk gaat het. Nu spreekt de Psalm voortdurend over een Wet en wij zitten toch vaak vast aan het Romeinse beeld van wat er met een Wet bedoeld wordt. Dan gaat het om de lettertjes, soms zelfs de kleine lettertjes in een Wet. De uitleg van de verschillende woorden en begrippen wordt dan heel belangrijk, wat is de jurisprudentie. Uiteindelijk kunnen alleen deskundigen er wijs uit worden.

Dat is niet het beeld van de Wet zoals die in de Bijbel geschetst wordt. Daar gaat het niet om een papieren wet. Je kunt het misschien nog het beste vergelijken met een natuurwet. Zoals dat alles wat valt altijd naar de aarde valt. Die Wet zegt dat je je naaste lief moet hebben als jezelf. Die Wet zet je dus in beweging want dan zul je naar je naaste toe moeten. Daar is moed voor nodig en als de moed je in de schoenen zinkt dan kom je geen stap verder. Dan mag je best om steun vragen. De landen in de wereld weten al sinds de jaren 30 van de vorige eeuw dat welvaart pas komt door echte samenwerking. De Tweede Wereldoorlog kwam er tussen maar direct na die oorlog maakten ze een systeem van financiële samenwerking. Dat heeft heel lang goed gewerkt tot ze de spelregels gingen afschaffen. Toen konden de hebberts en de graaiers uit de bankwereld hun gang gaan. Toen ging het dus mis.

Mensen die de Bijbel kennen, en met name deze Psalm 119, hadden daar al voor gewaarschuwd. Alleen samenwerken en samen delen maakt dat het goed gaat in de wereld. Onder dat oude systeem bleven de arme landen arm. Ze werden door de oude spelregels vaak zelfs nog armer dan ze al waren. Want echt delen met elkaar was er niet bij. Lenen door landen van elkaar kon wel en daardoor bouwden de arme landen grote schulden op. Als ze er al eens een keer in slaagden hun economie beter te laten draaien dan moesten ze eerst grote schulden aflossen. Veel schulden moesten daarom ook kwijt gescholden worden. Er is geprobeerd een nieuw systeem ontworpen met nieuwe spelregels die de hebberts en graaiers aan banden moeten leggen. Het is te hopen dat in dit nieuwe systeem eindelijk geleerd wordt dat ook delen hoort bij een eerlijk systeem. In het Bijbelgedeelte wordt gesproken over straffen maar als we de Wet van God niet toepassen en eerlijk delen dan zit de volgende ramp al vanzelf in het nieuwe systeem ingebakken. Let er de komende tijd maar eens op.

 

Twee keer zoveel

Deuteronomium 15:12-23

12 Wanneer iemand uit uw volk, een Hebreeuwse man of vrouw, zich als slaaf of slavin aan u verkoopt, moet deze u zes jaar lang dienen; in het zevende jaar moet u hem of haar de vrijheid teruggeven. 13 wanneer u dan de betreffende persoon in vrijheid laat vertrekken, mag u hem niet met lege handen laten gaan. 14 U moet hem met gulle hand een deel geven van uw kudde, van uw graan en uw wijn, of van wat de HEER u ook maar heeft toebedeeld. 15 Bedenk dat u zelf slaaf bent geweest in Egypte totdat de HEER, uw God, u bevrijdde. Daarom geef ik u vandaag dit gebod. 16 Maar indien hij niet bij u weg wil, omdat hij het goed bij u heeft en aan u en uw familie gehecht is geraakt, 17 moet u een priem door zijn oor in uw deur steken. Daarmee wordt hij voorgoed uw slaaf. En met een slavin moet u hetzelfde doen. 18 Laat het u niet hard vallen als u hen moet vrijlaten, want zij hebben u als slaaf in die zes jaar twee keer zoveel opgeleverd als een dagloner. De HEER, uw God, zal u erom zegenen in alles wat u doet. 19 Elk eerstgeboren mannelijk dier dat uw koeien, geiten en schapen werpen, moet u aan de HEER, uw God, wijden. Zo’n eerstgeboren kalf mag u niet voor u laten werken en zo’n lam of bokje mag u niet scheren. 20 U moet daarmee elk jaar voor uw familie een feestmaal aanrichten ten overstaan van de HEER, uw God, op de plaats die Hij uitkiest. 21 Maar als zo’n dier een gebrek heeft, als het kreupel of blind is of wat dan ook, dan mag u het niet ter ere van de HEER, uw God, slachten. 22 In dat geval moet u het in uw eigen stad eten, net zoals iedereen, rein of onrein, gazellen of herten mag eten. 23 Onthoud u alleen wel van het bloed; laat het als water op de grond weglopen. (NBV21)

We hebben al enige tijd een maatschappelijke discussie over het verschijnsel bonussen. De bestuurders van grote banken en bedrijven krijgen aan het eind van het jaar, of aan het eind van hun dienstverband, exorbitant grote beloningen die ze dan bonussen noemen. Sommigen hebben het zelfs zo georganiseerd dat als het met hun bank of bedrijf slecht gaat er toch een bonus gegeven moet worden. Mensen die in recht en gerechtigheid geloven vinden over het algemeen dat het geven van die exorbitant grote bonussen aan leidinggevenden onrechtvaardig is, de rest van de werknemers krijgen ze over het algemeen niet. De verenigingen van banken en grote bedrijven hebben daarom een code opgesteld waarin staat dat die bonussen niet groter mogen zijn dan een jaarsalaris, anders moet je het kunnen uitleggen. Die code bevalt niet helemaal, salarissen moeten gematigd, pensioenen worden gekort. Daarom was er een aantal  jaren geleden een wet in de maak die zelfs die bonussen helemaal verbiedt.

Het gedeelte dat we vandaag uit het boek Deuteronomium lezen kent ook zo’n bonusregeling. We zijn meestal onder de indruk van hetgeen er in het begin staat over slaven en slavinnen. Die moet je na zes jaar in het zevende jaar in vrijheid stellen. Alleen als die slaaf of die slavin zelf wil blijven dan moet je die in je huishouden opnemen, aan je deurpost spijkeren staat er letterlijk. Dat is natuurlijk mooi om een slaaf of slavin in vrijheid te stellen. Maar nog mooier is dat je die slaaf en die slavin dan ook nog een bonus mee mag geven, met gulle hand een deel van de kudde, van het graan en de wijn of van hetgeen je met je werk, met je slaaf en slavin dus, verdient hebt. Zo ver zijn we nog niet. Het zou natuurlijk mooi zijn onze loonslaven ook een dergelijke bonus te geven als ze vertrekken, als ze met pensioen gaan of na een aantal jaren naar een andere werkgever of voor zichzelf gaan beginnen.

De reden van deze regels staat er ook bij. Slaven en slavinnen verschillen niet van jou die in staat is slaven en slavinnen te houden. Je bent ook slaaf geweest, je stamt ook van slaven af. Het volk Israël wordt direct bepaald bij de slavernij in Egypte, het land van de dood. Zoals de Egyptenaren voor hun slaven zorgden zo kan ook Israël voor zijn slaven zorgen en zo moet het dus niet. De zorg voor slaven en slavinnen moet als zorgen voor een gelijke zijn. Daarom wordt hier ook nog even teruggekomen op de rituele maaltijden die zijn voorgeschreven. Die moet je bij het Heiligdom houden. Daar moet je het beste voor reserveren. O ja, je zou het bijna vergeten, daar horen naast je familie en de tempeldienaren dus ook je slaven en slavinnen bij, net als de vreemdelingen die je geholpen hebben. Zo zouden we dus ook vandaag nog onze samenleving moeten inrichten. Van hoog tot laag behandeld worden als gelijken, daar staat pas echt een bonus op, voor iedereen, iedere dag weer opnieuw, ook vandaag.

In armoede leven

Deuteronomium 15:1-11

1 Elk zevende jaar moet u algemene kwijtschelding verlenen. 2 Dat houdt het volgende in: elke schuldeiser moet iedereen die iets van hem heeft geleend zijn schuld kwijtschelden; hij mag zijn volksgenoot, zijn broeder, niet tot afbetaling dwingen, want de kwijtschelding is afgekondigd in de naam van de HEER. 3 Van een buitenlander mag u wel betaling vorderen, maar wat u van een volksgenoot tegoed hebt moet u kwijtschelden. 4 Overigens zal niemand van u in armoede leven, zozeer zal de HEER u zegenen in het land dat Hij u in bezit zal geven, 5 tenminste, als u Hem gehoorzaamt en de geboden die ik u vandaag voorhoud zorgvuldig naleeft; 6 dan zal de HEER, uw God, u zeker zegenen, zoals Hij beloofd heeft. U zult aan veel volken leningen verstrekken, maar zelf hoeft u niet te lenen. U zult over veel volken macht uitoefenen, maar zij niet over u. 7 Zou er in een van de steden in het land dat de HEER, uw God, u zal geven toch iemand uit uw eigen volk gebrek lijden, dan mag dat u niet koud laten. U mag uw hand niet op de zak houden, 8 maar u moet diep in de buidel tasten en hem lenen zo veel als hij nodig heeft. 9 Wees niet zo laaghartig om bij uzelf te denken: Het zevende jaar, het jaar van de kwijtschelding, komt eraan-waardoor u de ogen sluit voor de ellende van uw volksgenoot en hem met lege handen laat gaan. Als hij dan de HEER zijn nood klaagt om wat u hem hebt aangedaan, zal het u als zonde worden aangerekend. 10 Geef hem dus ruimhartig en zonder spijt, en de HEER, uw God, zal u erom zegenen in alles wat u doet en onderneemt. 11 Armen zullen er altijd zijn bij u. Daarom gebied ik u vrijgevig te zijn tegenover iedereen in uw land die in armoede leeft of er slecht aan toe is. (NBV21)

Het idee dat geloven alles goed maakt en dat je tegenslagen in meevallers veranderen en dat je geen problemen meer tegenkomt wordt door de Bijbel zeer tegengesproken. Er zijn altijd armen en altijd moeten we daarvoor openstaan en daarvoor zorgen. Juist in de richtlijnen die voor het volk van God worden gegeven wordt voor de armen gezorgd. Niet alleen in de oproep om ruimhartig te geven maar ook in de oproep om schulden kwijt te schelden in het zevende jaar. Dat zevende jaar was namelijk een belangrijk jaar. Dan moest de akker rusten en mocht er niet gezaaid en geoogst worden. Er groeit dan nog wel wat vanzelf en daar moest men dan maar van leven. Maar voor de armen zou dat een probleem geven. Die mochten het graan plukken aan de rand van de akker. In het zevende jaar was het maar de vraag of daar wat zou groeien. Door de kwijtschelding werden ze van een last verlost waardoor ze ook dat jaar konden doorkomen en een nieuw begin konden maken. Dat nieuwe begin is ook in onze dagen van groot belang. Mensen met een laag inkomen heel lang in schuldenlast laten maakt dat er steeds meer kapot gaat, kwijtschelding kan dan helpen ook nieuwe schulden te voorkomen.

Er zijn mensen die de regels van het volk Israël ook van toepassing laten zijn op het verkeer tussen landen in de huidige wereldsamenleving. En daar is natuurlijk wel wat voor te zeggen. Israël wordt geschilderd als een voorbeeld voor alle volken. Zoals de God van Israël wil dat het met dat volk gaat zou het met alle volken moeten gaan. En als de volken in de wereld nu eens zouden zien hoe goed het kan gaan met het volk Israël als het doet wat ze met God hebben afgesproken dan gaan alle volken luisteren naar de God van Israël. Want stel eens voor dat er geen armen meer zijn op de wereld. En volgens het deel dat we vandaag lezen hoeven er geen armen in het land te zijn, hoeven er dus geen armen op de wereld te zijn. Omdat we niet altijd willen delen, omdat we de lasten van schulden ook na zeven jaar laten bestaan, omdat we vanuit onze rijkdom zo machtig zijn dat we geen eerlijke prijs betalen voor de producten van de armen, blijven er armen in het land, blijven er arme volken. De regels voor het volk Israël zijn geen regels die je af en toe, als het uitkomt, kan toepassen. De richtlijnen van de God van Israël horen het hart van elke samenleving te zijn.

Nu zijn de voorschriften voor het zevende jaar heel mooi. Maar wat nu in de andere jaren, met name in het jaar voordat het zevende jaar aanbreekt, als de last van de armoede, de last van schulden het zwaarst is. Je kunt dan natuurlijk denken dat men maar even de tanden op elkaar moet zetten, dat de tijd tot het kwijtschelden van schulden niet ver meer is, maar de Bijbel roept op tot iets anders. Juist als de last het zwaarst is en de verlossing nabij dan zullen we de handen uit moeten steken en de armen helpen. Daarom zijn er voedselbanken in ons land die steun nodig hebben. Zij helpen op dit moment de armen door de tijd heen die nodig is om schuldsanering voor elkaar te maken. Daarom zijn de Fair Trade winkels nodig, zodat er ook mensen in arme landen zijn die wel een eerlijke prijs voor hun producten krijgen en wij leren welke prijs we eigenlijk zouden moeten betalen als we rechtvaardig willen handelen. We kunnen de armoede pas opheffen als iedereen en als alle landen de armoede ook echt willen opheffen. Daar lijkt het niet op, wie rijk is krijgt meer moeite met delen naarmate men rijker is, tot men heel erg rijk is. We zullen het delen daarom tot een vaste regel in onze samenleving moeten maken. Zelf delen en anderen daarin meenemen is het begin, ook vandaag weer.

 

Omdat u halsstarrig bent

Marcus 10:1-16

1 Hij vertrok daarvandaan naar Judea en het gebied aan de overkant van de Jordaan, en de mensen verzamelden zich weer in groten getale om Hem heen; Hij onderwees hen zoals Hij gewoon was te doen. 2 Er kwamen ook farizeeën op Hem af. Ze vroegen Hem of een man zijn vrouw mag verstoten. Zo wilden ze Hem op de proef stellen. 3 Hij vroeg hun: ‘Hoe luidt het voorschrift van Mozes?’ 4 Ze zeiden: ‘Mozes heeft de man toegestaan een scheidingsbrief te schrijven en haar te verstoten.’ 5 Jezus zei tegen hen: ‘Hij heeft u dat voorgeschreven omdat u halsstarrig bent. 6 Maar al bij het begin van de schepping heeft God de mens mannelijk en vrouwelijk gemaakt; 7 daarom zal een man zich losmaken van zijn vader en moeder en zich hechten aan zijn vrouw, 8 en die twee zullen één lichaam zijn, ze zijn dus niet langer twee, maar één. 9 Wat God heeft verbonden, mag een mens niet scheiden.’ 10 In huis stelden de leerlingen Hem hier weer vragen over. 11 Hij zei tegen hen: ‘Wie zijn vrouw verstoot en met een ander trouwt, pleegt overspel; 12 en als zij haar man verstoot en met een ander trouwt, pleegt zij overspel.’ 13 De mensen probeerden kinderen bij Hem te brengen om ze door Hem te laten aanraken, maar de leerlingen berispten hen. 14 Toen Jezus dat zag, wond Hij zich erover op en zei tegen hen: ‘Laat de kinderen bij Me komen, houd ze niet tegen, want het koninkrijk van God behoort toe aan wie is zoals zij. 15 Ik verzeker jullie: wie niet als een kind het koninkrijk van God ontvangt, zal er zeker niet binnengaan.’ 16 Hij nam de kinderen in zijn armen en zegende hen door hun de handen op te leggen. (NBV21)

Mag je nu wel of niet scheiden? Dat mag best maar daar geeft dit Bijbelstuk eigenlijk geen antwoord op. Jezus van Nazareth begint zijn antwoord op de strikvraag van de Farizeeën bij de leer van Mozes. Een man mag volgens de leer van Mozes een vrouw een scheidingsbrief meegeven. Niet omdat het een voorrecht voor een man is, maar omdat die man nu eenmaal een mens is die fouten kan maken en zaken stuk kan laten lopen. God heeft de mens geschapen naar zijn beeld, vrouwelijk en mannelijk schiep God de mens. Pas als twee mensen intens van elkaar houden en één vlees worden en dat weten vol te houden, zoals God nooit verlaat het werk dat zijn hand begon, wordt dat beeld zijn duidelijk voor de mensen. In het boek Hooglied in de Bijbel wordt die Goddelijke liefde tussen twee mensen op prachtige wijze bezongen. We hebben overigens ontdekt dat mannelijk en vrouwelijk schiep hij hen ook op kan gaan voor twee mannen of twee vrouwen.

Heel uitdrukkelijk zegt Jezus van Nazareth dat je van buiten af nooit mag stoken in de liefde tussen twee mensen. Ouders die het niet eens zijn met de partnerkeuze van hun kinderen, een kerk die waarschuwt voor anders gelovigen als partners, een staat die eisen stelt aan de partnerkeuze van haar inwoners, ze houden zich niet aan het gebod van Jezus van Nazareth om mensen in vrijheid hun levenslange relatie van liefde aan te laten gaan. En al die scheidingen dan? Mensen hertrouwen toch vaak na een scheiding? De richtlijn van Mozes om een scheidingsbrief te geven was al een verbetering ten opzichte van de gewoonte een echtgenote die niet meer te beviel te verkopen of te vermoorden. Jezus van Nazareth waarschuwt er tegen om je partner te beschouwen als een bron voor je persoonlijke genot en als je er niet meer van geniet dan zoek je maar een ander. Let op dat die regel in dit verhaal zowel geldt voor mannen als voor vrouwen. Paulus heeft later eens geschreven dat de liefde zichzelf niet zoekt, het gaat ook in een huwelijksrelatie om de ander en niet om jezelf.

Natuurlijk kun je dan uit elkaar groeien. Soms is het goed om elk een andere weg te gaan, dat kan zelfs uit liefde besloten worden. De spanningen die er zijn, verschillende verwachtingen, verschillende karakters of culturen kunnen zich oplossen in een scheiding zodat er voor kinderen weer vrede en rust aanbreekt. Als kinderen zien dat gescheiden ouders elkaar weten te respecteren en voor de kinderen ook samen in de bres weten te springen dan leren ze misschien wel beter wat er met de goddelijke liefde wordt bedoeld dan van ouders die omwille van het fatsoen bij elkaar blijven maar elkaar niets meer te bieden hebben. We zijn met de regels uit de Bijbel op weg naar een ideale samenleving, een samenleving waarin alle tranen gewist zijn en waarin iedereen mag meedoen. We zijn nog niet in die hemel op aarde aangekomen. Zolang moeten we rekenen met zaken die mislopen, ook tussen mensen die van elkaar houden. Niemand van buiten mag een dergelijke breuk veroorzaken of bevorderen dat is in elk geval duidelijk. Ook van binnenuit kan een dergelijke breuk nooit lichtvaardig tot stand komen. Maar als die eenmaal vastgesteld is dan zullen we die moeten respecteren. Dan pas ook kan een nieuwe poging gewaagd worden de relatie op te bouwen tussen twee mensen die God bij de schepping heeft bedoeld. En zo worden ook de woorden van Jezus van Nazareth wegwijzers op de weg naar het mensenland van God, wegwijzers die we ook vandaag nog nodig hebben.

 

Een feestmaal

Deuteronomium 14:22-29

22 Ieder jaar moet u het tiende deel van de opbrengst van uw akkers afdragen. 23 Van de tienden van uw graan, wijn en olie en uw eerstgeboren runderen, schapen en geiten moet u een feestmaal aanrichten ten overstaan van de HEER, uw God, op de plaats die Hij zal uitkiezen om er zijn naam te laten wonen. Zo leert u steeds opnieuw te leven in ontzag voor de HEER, uw God. 24 Voor het geval u niet in staat bent om uw tienden en uw offergaven die hele afstand mee te nemen-zeker wanneer de HEER u rijk gezegend heeft-omdat de plaats die Hij uitkiest te ver weg is, 25 moet u uw afdracht te gelde maken en met dat geld in een buidel naar de plaats van zijn keuze gaan. 26 Daar mag u het uitgeven aan alles wat u maar wilt: runderen, schapen en geiten, wijn en bier en wat maar in u opkomt, en daarvan richt u dan, ten overstaan van de HEER, uw God, een feestmaal aan met uw hele familie. 27 En vergeet daarbij de Levieten die bij u in de stad wonen niet, want zij bezitten geen eigen grond zoals u. 28 Elk derde jaar moet u het tiende deel van de opbrengst in zijn geheel afstaan en het opslaan in de stad. 29 De Levieten, die geen grond bezitten zoals u, en de vreemdelingen, de weduwen en de wezen die bij u in de stad wonen, mogen daarvan dan eten tot ze verzadigd zijn. De HEER, uw God, zal u erom zegenen in alles wat u onderneemt. (NBV21)

In Israël kende men klaarblijkelijk de vlaktaks. Een belasting waarbij iedereen tien procent van de opbrengst moest afdragen. Een mooi bedrag. Toen Hertog Alva dat in de zestiende eeuw namens de Koning van Spanje ook in Nederland wilde introduceren kwam de opstand in de Nederlanden direct in een stroomversnelling. Een tiende deel van ons inkomen reserveren om bij te dragen aan de samenleving? Bekijk het maar. Ook vandaag de dag is het betalen van belasting voor velen een vervelende zaak. Natuurlijk moet er goed onderwijs zijn, een goede gezondheidszorg, een politie die ons beschermd tegen misdadigers, een leger dat ons land beschermd tegen vreemde overheersing een bestuur dat in gemeente, provincie en het land de zaak goed regelt en waterschappen die de dijken onderhouden. Maar er voor betalen? Dat laten we liever aan anderen over en de rijken weten het zo te krijgen dat naar verhouding de armen nog het meeste bijdragen aan het in stand houden van de samenleving.

Maar gaat het in het gedeelte van vandaag eigenlijk wel om een belasting? In het boek Deuteronomium vertelt Mozes hoe het volk het beste kan gehoorzamen aan het gebod van de God van Israël de naaste lief te hebben als zichzelf en daarmee God lief te hebben boven alles. Dat gaat door te delen van wat je hebt. En delen met anderen is een feest. Daarom moet je niet alles oppotten maar elk jaar een tiende van de koren, wijn en de olie afzonderen om er een feestmaal mee aan te richten, Ook de eerstgeboren schapen, geiten en runderen moeten voor dat feestmaal worden bestemd. We hebben al eerder gelezen dat het feestmaal gegeven moet worden bij het heiligdom voor de God van Israël. Als je daar ver vandaan woont dan verkoop je dat tiende deel en de eerstgeboren dieren en koop je van de opbrengst nieuwe in de buurt van het heiligdom. Daar houd je dan het feestmaal met de familie, de levieten, de slaven en slavinnen, de armen en met de vreemdelingen die je hebben geholpen.

Maar de zorg voor hen die niets hebben gaat verder. Je moet een opslagplaats inrichten. En er voor zorgen dat elk derde jaar daar een tiende van de hele opbrengst van je oogst en je fokprogramma terecht komt. Die opslagplaats hoort in de stad waar je bij hoort. En die opbrengst is voor de Levieten, de vreemdelingen, de weduwen en de wezen. Die vreemdelingen die zetten we hier niet zomaar in, die worden in dit rijtje in de Bijbel voortdurend genoemd. Wat zetten wij voor hen op zij? Die Levieten zijn eigenlijk de bestuurders van nu. Zij zorgen voor het handhaven van het recht. Daarbij mochten ze van niemand afhankelijk zijn en dus bezaten ze niks, geen land, geen oogst. Dan wisten ze gelijk hoe het is arm te zijn en bij geschillen tussen arm en rijk konden ze de juiste, de rechtvaardige, kan kiezen. Onafhankelijkheid van rechtspraak en bestuur is dus een groot goed. Ook wij mogen bij de inrichting van onze samenleving daar wel eens op letten. Dan wordt belasting betalen een feest, voor de rechtvaardige bestuurders, voor de armen, en voor de vreemdelingen die onder ons zijn. Allen mogen de lof zingen van onze God die het ons heeft gegeven en wij mogen weten dat met het betalen van belasting we laten zien dat we God lief hebben boven alles.