Een afbeelding

Marcus 12:13-27

13 Ze stuurden enkele farizeeën en herodianen naar Hem toe om Hem een ongeoorloofde uitspraak te ontlokken. 14 Toen ze bij Hem gekomen waren, zeiden ze tegen Hem: ‘Meester, we weten dat U oprecht bent en dat U zich niets aantrekt van het oordeel van anderen. U ziet niemand naar de ogen, maar geeft in alle oprechtheid onderricht over de weg van God. Is het toegestaan belasting te betalen aan de keizer of niet? Moeten we betalen of niet?’ 15 Maar omdat Hij hun huichelarij doorzag, antwoordde Hij: ‘Waarom stelt u Me op de proef? Laat Me eens een denarie zien.’ 16 Ze gaven Hem een munt en Hij vroeg hun: ‘Van wie is dit een afbeelding en van wie is het opschrift?’ ‘Van de keizer,’ antwoordden ze. 17 Toen zei Jezus tegen hen: ‘Geef wat van de keizer is aan de keizer, en geef aan God wat God toebehoort.’ En ze waren met stomheid geslagen. 18 Ook kwamen er enkele sadduceeën naar Hem toe-sadduceeën beweren dat er geen opstanding uit de dood is-en ze vroegen Hem: 19 ‘Meester, Mozes heeft ons het volgende voorgeschreven: “Als iemand sterft en een vrouw achterlaat, maar geen kinderen, moet zijn broer die vrouw bij zich nemen en nakomelingen verwekken voor zijn broer.” 20 Er waren eens zeven broers. De eerste nam een vrouw en stierf zonder nakomelingen; 21 de tweede nam haar tot vrouw, maar stierf ook zonder nakomelingen; en met de derde ging het net zo. 22 Geen van de zeven kreeg nakomelingen. Het laatst van allen stierf de vrouw. 23 Wiens vrouw zal ze dan zijn bij de opstanding, wanneer ze opstaan uit de dood? Alle zeven zijn ze immers met haar getrouwd geweest.’ 24 Jezus antwoordde: ‘Dwaalt u niet? U kent de Schriften niet en de macht van God evenmin. 25 Want wanneer de mensen uit de dood opstaan, trouwen ze niet en worden ze niet uitgehuwelijkt, maar zijn ze als engelen in de hemel. 26 Wat betreft de opwekking van de doden, hebt u in het boek van Mozes in het gedeelte over de doornstruik niet gelezen dat God tegen hem zei: “Ik ben de God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jakob”? 27 Hij is geen God van doden, maar van levenden; u dwaalt vreselijk!’ (NBV21)

Twee verhalen vandaag die schijnbaar niets met elkaar te maken hebben. Eén over de belasting die je moet betalen en één over de opstanding van de doden. Maar het verschil is maar schijn. Het verhaal over de belasting wordt meestal zo uitgelegd dat het lijkt of Jezus de mensen opdraagt netjes belasting te betalen. Dat is in een geordende samenleving waar de kerk op goede voet met de overheid wil blijven natuurlijk wel een heel handige uitleg. Maar is het de juiste? We hebben hier al eens gelezen over het misbaar dat gemaakt werd toen Jezus bij een belastinginner, een tollenaar, binnen ging. We hebben ook gelezen dat we geen afbeeldingen van enig God mogen maken. En de keizer die op de munt stond kwam uit de zak van de kerkleiding, die keizer vond zichzelf God, en zijn afbeelding stond op zijn munt. Zo’n munt hoorde je dus niet in je zak te hebben.

Geld van de bezetter die het volk uitperst, die alles doet wat God nu juist verboden heeft. Daar moet je niet bij willen horen. Integendeel je moet God geven wat van God is. Nu is de mens naar Gods beeld gemaakt, jezelf geven is dan ook voor de hand liggend. En daar komt het tweede verhaal om de hoek kijken. Want wat nu als je jezelf maar blijft weggeven. Van wie ben je dan na de opstanding uit de doden. Het antwoord ligt voor de hand, je bent van God en je blijft van God en die opstanding uit de doden is volstrekt onbelangrijk want die God waar we het over hebben is een God van levenden niet van de doden. Zo horen beide verhalen bij elkaar.

Niet een machtige overheid verafgoden maar samen zorgen voor een leefbare samenleving. Je er van bewust zijn dat ook een overheid fouten kan maken. Dat zelfs in een democratische samenleving er wetten kunnen komen die niet de liefde voor de mensen voorop zetten maar de angst voor het kwade. Ooit werd bedacht dat als de machten in de samenleving gescheiden waren, een wetgevende macht, een uitvoerende macht en een rechterlijke macht, de kwaliteit van het samenleving zou toenemen. Maar de wetgevende en controlerende macht verklaarde de wensen van de uitvoerende macht Heilig en de rechterlijke macht vond dat heilige onaantastbaar. Door de toeslagenmisdaden beginnen we langzaam weer het heil van naastenliefde en de menselijke maat te herontdekken. Meer mensen zouden daarvoor kunnen opstaan.

Doe wat goed is

Psalm 34

1 Van David, toen hij zich aan het hof van Abimelech als een krankzinnige voordeed en pas wegging toen deze hem verjoeg. 2 De HEER wil ik prijzen, elk uur van de dag, mijn mond is altijd vol van zijn lof. 3 Laat mijn leven een loflied zijn voor de HEER, de nederigen zullen het met vreugde horen. 4 Roem met mij de grootheid van de HEER, sluit u aan om zijn naam te verheffen. 5 Ik zocht de HEER en Hij gaf antwoord, Hij heeft mij van alle angst bevrijd. 6 Wie naar Hem opzien, stralen van vreugde, schaamte zal hun gezicht niet kleuren. 7 In mijn verdrukking riep ik tot de HEER, Hij heeft geluisterd en mij uit de nood gered. 8 De engel van de HEER waakt over wie Hem vrezen, en bevrijdt hen. 9 Proef en geniet de goedheid van de HEER, gelukkig de mens die bij Hem schuilt. 10 Vromen, heb ontzag voor de HEER: wie Hem vreest lijdt geen gebrek. 11 Jonge leeuwen lopen hongerig rond, wie de HEER zoekt, ontbreekt het aan niets. 12 Kom, kinderen, luister naar mij, ik leer je ontzag voor de HEER. 13 Hebben jullie het leven lief, wil je goede jaren genieten? 14 Behoed dan je tong voor het kwaad, je lippen voor woorden van bedrog. 15 Mijd het kwade, doe wat goed is, streef naar vrede, jaag die na. 16 Het oog van de HEER rust op de rechtvaardigen, zijn oor luistert naar hun hulpgeroep. 17 Toornig ziet de HEER wie kwaad doen aan, Hij wist hun namen op aarde uit. 18 De HEER hoort de kreten van de rechtvaardigen, Hij bevrijdt hen uit de nood. 19 Gebroken mensen is de HEER nabij, Hij redt wie zwaar wordt getroffen. 20 Al blijft de rechtvaardige niets bespaard, de HEER zal hem steeds weer bevrijden. 21 Hij waakt zelfs over zijn beenderen, niet één ervan wordt verbrijzeld. :22 Een slecht mens komt om door eigen kwaad, wie een rechtvaardige haat zal boeten. 23 De HEER redt het leven van zijn dienaren, nooit zal boeten wie schuilt bij Hem. (NBV21)

Elk jaar op 1 november is er de Rooms Katholieke feestdag van Allerheiligen Dat van die heiligen lijkt typisch voor de Rooms Katholieke kerk. Vroeger dachten ze dat je aan gestorven christenen kon vragen om voor de gelovigen te bidden tot God. Dat gebeurt in de Rooms Katholieke Kerk nog wel maar de Protestanten hebben na Maarten Luther geleerd dat je ook rechtstreeks tot God kunt bidden. Net als David deed, toen hij weer eens ontsnapt was, zoals verteld wordt in de Psalm die we vandaag meezingen. Maar met dat bidden tot de Heiligen hebben Protestanten ook een andere kant van de Rooms Katholieke Heiligen weggegooid en dat is het voorbeeld dat vele van die Heiligen kunnen hebben. Zo vieren we ook in november het feest van Sint Maarten, die zijn mantel in tweeën sneed en de helft aan een bedelaar gaf. Vandaag zou je veel van dit soort verhalen moeten vertellen. In sommige Protestantse Kerken wordt in november ook de dankdag voor gewas en arbeid gevierd. Zoals kinderen op het feest van Sint Maarten zingend langs de deuren gaan en snoep krijgen zo moeten we op de Dankdag voor gewas en arbeid, het oogstfeest, stilstaan bij de honger in de wereld en de voedselbanken in ons eigen land. Het is bij uitstek het feest van delen en van bevrijding van honger en onderdrukking.

Het zijn de Heiligen die ons zijn voorgegaan, die altijd de droom van de rechtvaardige samenleving, waar liefde heerst, levend hebben gehouden. Soms ten koste van hun eigen leven. Die Heiligen hebben we ook vandaag de dag nog, denk maar aan mensen als Martin Luther King en Rosa Parks, aan Alan Boesak en Nelson Mandela en aan al die ontelbare mensen die honger en onrecht in de wereld bestrijden en ons blijven wakker houden. Aan hen denken betekent vandaag ook met die armen delen van onze overvloed. In de overtuiging van Protestanten kan iedereen behoren tot de Heiligen die wij gedenken. Uiteindelijk zullen alle heiligen, alle gelovigen, mee kunnen doen in de nieuwe wereld die ons wacht. Geloven in die nieuwe wereld betekent dat je er niet op kunt wachten tot die wereld komt en dat je er alvast mee gaat beginnen. Delen met de armen, je in dienst stellen van de mensen die dat nodig hebben. Dat kunnen we leren van de mensen die ons zijn voorgegaan, misschien je eigen ouders of grootouders zelfs, dat kunnen we leren uit de verhalen over Jezus van Nazareth die de liefde tot de naaste zelfs door de dood heen droeg.

Je mag aan die nieuwe wereld werken terwijl je de Psalm van vandaag meezingt. Volgens het opschrift schreef David deze Psalm toen hij zich als een gek aanstelde aan het hof van Abimelech en niet ophield tot deze hem verjoeg. Al zingend werken voor de armen wordt ook vandaag nog als gek bestempeld, gelovigen lijden aan massa psychose schreef iemand nog niet zo lang geleden. Je inzetten voor een ander, zonder te letten op je eigenbelang, is in deze dagen van “meer en altijd maar meer” onnatuurlijk dwaas en gek. Maar geloven in de God van Israël en in de Weg van Jezus van Nazareth betekent dat je gelooft dat er op geen andere manier een nieuwe wereld zal komen waarin alle tranen gedroogd zullen zijn. De Psalm van vandaag geeft vele voorbeelden van de richtingwijzers die langs de weg staan, vrede, gerechtigheid, bevrijdt van angst, zonder gebrek, het leven liefhebbend, zonder bedrog. Daar mogen we vandaag van leren, zo mogen we heiligen worden die de weg van onze voorouders voortzetten, daar mogen we vandaag opnieuw mee beginnen.

 

Naar de nederige

Psalm 138

1 Van David. Ik wil U loven met heel mijn hart, voor U zingen onder het oog van de goden, 2 mij buigen naar uw heilige tempel, uw naam loven om uw liefde en trouw: grote dingen hebt U beloofd, tot eer van uw naam. 3 Toen ik U aanriep, hebt U geantwoord, mij bemoedigd en gesterkt. 4 Laten alle koningen op aarde U loven, HEER, zij hebben de beloften uit uw mond gehoord. 5 Laten zij de wegen van de HEER bezingen: ‘Groot is de majesteit van de HEER. 6 De HEER is hoogverheven! Naar de nederige ziet Hij om, de hoogmoedige doorziet Hij van verre.’ 7 Al is mijn weg vol gevaren, U houdt mij in leven, U verdedigt mij tegen de woede van mijn vijanden, uw rechterhand brengt mij redding. 8 De HEER zal mij altijd beschermen. HEER, uw trouw duurt eeuwig, laat het werk van uw handen niet los. (NBV21)

De Psalmen zijn niet allemaal geschreven door Koning David. Dat is aan sommige Psalmen ook duidelijk te merken, ook al staat David in het opschrift. Geleerden nemen aan dat het boek van de Psalmen is samengesteld uit een aantal verzamelingen liederen die in het volk Israël in gebruik waren. Ook ons nieuwe Liedboek voor zingen en bidden in huis en kerk is op die manier tot stand gekomen. De Psalm die we vandaag met de Kerk meezingen stond dus in elk geval in de bundel die David heette. Als we ons eenzijdig op de verhalen uit de Bijbel over Koning David zouden baseren bij de uitleg van deze Psalm dan komen we wellicht op een verkeerd spoor. Het eerste vers gaat over het loven van God, met heel het hart, zingend loven. Wij denken dan toch aan onze kerkzang, prachtige taal, mooie muziek waar je stil van kan worden, of vrolijk, of geroerd, of groots maar die gaat over God en jou en niemand of niets anders.

Maar de Psalm zingt niet zo maar over de lof die God toekomst. Dat zingen gebeurd onder het oog van de goden. Er staat eigenlijk niks zomaar in de Bijbel dus ook die goden onder wiens oog het lof zingen van de God van Israël plaatsvindt hebben een betekenis. We lopen in het dagelijks leven allerlei modes, idolen en gewoonten achterna. Dat is van alle tijden. Maar het is geen natuurwet. Er is een mode die niet zomaar door iedereen gevolgd wordt en dat is het buigen naar de Heilige Tempel van de God van Israël. Die Tempel kennen we niet meer maar daarin werden de richtlijnen bewaard voor een menselijke samenleving. Eén van die richtlijnen, een heel belangrijke, was dat je geen andere goden mocht nalopen. Dat laat je dus horen als je de lof zingt van de God van Israël. De dichter looft met name de naam van die God. Die spreken we nooit uit maar wordt vaak vertaald als “ik ben die ik zijn zal”. Nu kent het Hebreeuws geen werkwoord voor zijn in de zin van was is en is. Nee het zijn is in Israël verbonden met wat er gebeurd, er zijn zoals dat nodig is ligt dichter bij de betekenis van de Naam van God.

Het is ook een God voor hen die een God het meest nodig hebben. De nederigen in bescherming tegen de hoogmoedigen. Die God laat niet varen het werk dat zijn hand begon. Als je tegenslag overkomt, als je vijanden hebt dan mag je daar op vertrouwen. Het kwaad heeft nooit het laatste woord. Het verdwijnt niet als je op deze God gaat vertrouwen, maar het wordt voor mensen draagbaar als er het uitzicht is dat de God van Israël je er van zal bevrijden. Altijd, overal, eeuwig noemen we dat. De machtigen op deze aarde worden daarom opgeroepen zich aan die richtlijnen van de God van Israël te gaan houden. Ze vallen immers onder zijn heerschappij. Wie een brief schrijft voor Amnesty International ter bestrijding van onrecht en ondersteuning van de slachtoffers van onrecht die schrijft namens de God van Israël. Hoe meer schrijvers hoe groter de invloed. Dat is pas lof zingen onder de ogen van de goden. Het mag elke dag opnieuw.

 

Niet in tel

Psalm 119:137-144

137 U bent rechtvaardig, HEER, elk van uw voorschriften is juist. 138 De richtlijnen door U uitgevaardigd zijn eerlijk en volkomen betrouwbaar. 139 Mijn hartstocht voor U verteert mij, mijn belagers zijn uw woorden vergeten. 140 Uw woord is volkomen zuiver, uw dienaar heeft het lief. 141 Al ben ik maar klein en niet in tel, ik ben uw regels niet vergeten. 142 Uw gerechtigheid is gerechtigheid voor eeuwig, uw wet berust op waarheid. 143Al ben ik in nood en dreigt er gevaar, uw geboden verheugen mij. 144 Uw richtlijnen zijn rechtvaardig tot in eeuwigheid, geef mij inzicht, en ik zal leven. (NBV21)

Sommige van die kleine zinnetjes in de Bijbel kunnen tot geweldige misverstanden leiden. “Al ben ik maar klein en niet in tel” is zo’n zinnetje. De nadruk op de kleinheid van de mens heeft er in ons land toe geleid dat we onze nek niet mogen uitsteken. Iedereen die zichzelf ergens goed in vindt of die ergens ook buitengewoon goed in is wordt minutieus nagevlooid op de kleinste onvolkomenheid. De mens is klein en moet vooral klein blijven. Maar dat staat er dus in het geheel niet, integendeel. Waar het hier om gaat is dat God groot is, zo groot dat God alle verstand te boven gaat. Hoeveel verstand een mens ook heeft, hoeveel kracht, hoeveel betekenis, God is oneindig veel groter. Daarom kun je je ook geen beeld van God maken. Maar hoe klein je ook bent in vergelijking met die geweldige God, de richtlijnen van die God voor een leven in liefde zul je nooit kunnen vergeten. Of je nu wel of niet in een God geloofd, je kent die richtlijnen. En richtlijnen als “je moet niet moorden” en “je moet niet stelen” en “voor een rechter niet liegen” zul je in het algemeen ook wel naleven. Sterker nog, die richtlijnen zul je zelfs aanbevelen bij anderen en aanleren aan je kinderen.

En als je niet in een God geloofd zul je zelfs proberen geen andere goden na te lopen en zeker geen beelden van goden te maken die je vervolgens gaat aanbidden. Ook dat zul je aan anderen aanbevelen en aan je kinderen aanleren. Verstandige mensen propageren zelfs dat je van andere mensen geen object moet maken om je lusten aan te bevredigen en dat het altijd hetzelfde willen hebben als een ander ook niet erg verstandig is. Verstandige mensen, gelovig of niet, zullen ook dat aan anderen aanbevelen en aan hun kinderen aanleren. En daarmee doen die verstandige ongelovigen precies wat God van hen vraagt. Nou ja, bijna precies. Want er ontbreekt nog wat. Geloof in de God van Israël heeft twee vaste begeleiders en die ontbreken meestal. De eerste is de hoop. Dat betekent het vaste vertrouwen dat de belofte van die God ook werkelijk zal uitkomen. Ondanks alle tekenen van het tegendeel is de hoop op een betere wereld, een wereld waar alle tranen gedroogd zullen zijn, waar iedereen mag meedoen en waar geen honger en ellende meer is, waar vrede heerst, een zekerheid waaraan door dik en dun wordt vastgehouden door de gelovige. God zal immers uiteindelijk op aarde komen wonen.

De tweede metgezel van het geloof is de Liefde. Ook gelovigen raken die metgezel van tijd tot tijd wel eens kwijt. Liefdeloos worden dan andere mensen benaderd. Je mag gelovigen daar altijd op aanspreken want liefdeloos is voor hen hetzelfde als goddeloos. Paulus schreef ooit over geloof, hoop en liefde en citeerde een prachtig lied daarover. Hij besloot met te zeggen dat de Liefde de grootste van de drie is. Dat komt omdat werkelijk geloof in de God van Israël en in Jezus van Nazareth zich uitdrukt in de liefde voor de naaste. Zelfs al hebben mensen een heel ander geloof, een geloof dat het onze zou willen overwinnen dan mogen ze dat en hebben gelovigen in de God van Israël hen zo lief dat ze zich zullen inspannen om die anderen in de gelegenheid te stellen hun geloof tot uitdrukking te brengen en hun God te aanbidden op de manier die ze vanuit hun geloof het beste vinden. Daarin lijken vooral Christenen altijd de kleinste te willen zijn. Maar omdat ze willen opkomen voor de minsten, voor de zwaksten, zijn ze de grootste. Ze gaan namelijk steeds meer op hun God lijken die ook de minsten en de zwaksten lief heeft. Daarom geloven we ook vandaag dat de hoop op een betere wereld een zekerheid is als alle mensen hun naaste lief hebben als zichzelf, daar kunnen we zelf vandaag weer mee beginnen.

De hoeksteen

Marcus12:1-12

1 Hij begon tegen hen te spreken in gelijkenissen: ‘Een man legde een wijngaard aan en omheinde die. Hij groef een kuil voor de wijnpers en bouwde een uitkijktoren. Hij verpachtte de wijngaard aan wijnbouwers en ging op reis. 2 Toen de oogsttijd was gekomen, stuurde hij een knecht naar de wijnbouwers om zijn deel van de opbrengst in ontvangst te nemen; 3 maar ze grepen hem vast, mishandelden hem en stuurden hem met lege handen terug. 4 Daarna stuurde hij een andere knecht naar hen toe, die ze in het gezicht sloegen en vernederden. 5 Hij stuurde nog een derde, die ze doodden, en nog vele anderen; sommigen werden door de wijnbouwers mishandeld en anderen werden door hen gedood. 6 Ten slotte was alleen nog zijn geliefde zoon over; die stuurde hij als laatste naar hen toe, met de gedachte: Voor mijn zoon zullen ze wel ontzag hebben. 7 Maar de wijnbouwers zeiden tegen elkaar: “Dat is de erfgenaam. Kom op, laten we hem doden, dan is de erfenis van ons.” 8 Ze grepen hem vast en doodden hem en gooiden zijn lichaam buiten de wijngaard. 9 Wat zal de eigenaar van de wijngaard daarna doen? Hij komt zelf, hij doodt de wijnbouwers en geeft de wijngaard aan anderen. 10 Hebt u deze schrifttekst dan niet gelezen: “De steen die de bouwers afkeurden is de hoeksteen geworden. 11 Dankzij de Heer is dit gebeurd, wonderbaarlijk is het om te zien.”’ 12 Daarop wilden ze Hem gevangennemen, want ze begrepen dat Hij hen op het oog had bij het vertellen van deze gelijkenis, maar ze waren bang voor de reactie van de menigte. Dus lieten ze Hem staan en gingen weg. (NBV21)

Jezus van Nazareth hield er van zijn boodschap in vergelijkingen te gieten, de gelijkenissen, korte verhaaltjes die zijn boodschap duidelijk moeten maken. Dat geldt ook voor deze gelijkenis van de knechten in de wijngaard die weliswaar knechten blijven maar iedereen wijs maken dat ze de baas zijn en daartoe boodschappers van de heer van de wijngaard zelfs weten te mishandelen of te doden. De religieuze leiders van die tijd voelden zich aangesproken, hij maakt ze immers uit voor criminelen. Dat gaat toch wel een beetje ver. Zo sterk durven we het tegenwoordig bijna niet meer te brengen, al lijkt het op sociale media soms of het heel gewoon is. Het offeren in de Tempel is door het optreden van die Jezus onmogelijk geworden.

Hij had de geldwisselaars en offerdierverkopers verdreven. Dat het offeren betekent dat je samen een maaltijd houdt, dat de dienaren van de Tempel er voor zijn om toezicht te houden op een goed verloop van die maaltijd en dat iedereen daaraan mee kan doen, dat wordt vergeten. Maar in de Tempel waren het priesters en Levieten die hun eigen regels hadden over de offers die zo uitdrukkelijk in de leer van Mozes aan hen waren toegewezen. Samen eten met de armen en de vreemdelingen zoals in het boek Deuteronomium werd geboden moest maar buiten de Tempel plaatsvinden. Toezicht ging over het betalen van de Tempelbelasting en de aankoop van offerdieren.

Uiterlijk vertoon had de plaats ingenomen van het oude godsdienstige handelen dat gericht was op samen leven en samen delen. Wij moeten in onze dagen bijvoorbeeld politici blijven herinneren aan hun plicht namens ons te zorgen voor een rechtvaardige samenleving waarin we in vrede met elkaar kunnen leven. In elk geval ook tot iedereen in ons land mee kan doen met de samenleving en niet het gevaar loopt apart gezet te worden vanwege een geloof, levensovertuiging, leeftijd of seksuele voorkeur. Aan burgers denken of het criminelen zijn is eigenlijk op zich al misdadig. Een wijngaard kan een ideale samenleving zijn als we maar niet denken dat we het exclusieve recht op de vruchten van de wijngaard hebben. Ook de vruchten van onze wijngaard zullen gedeeld moeten worden, ook vandaag.

Wie heeft U het recht gegeven

Marcus 11:20-33

20 Toen ze ’s morgens vroeg weer langs de vijgenboom kwamen, zagen ze dat hij tot aan de wortels verdord was. 21 Petrus herinnerde zich het voorval en zei: ‘Rabbi, kijk, de vijgenboom die U vervloekt hebt, is verdord.’ 22 Jezus zei tegen hen: ‘Heb geloof in God. 23 Ik verzeker jullie: als iemand tegen die berg zegt: “Kom van je plaats en stort je in zee,” en niet twijfelt in zijn hart, maar gelooft dat gebeuren zal wat hij zegt, dan zal het ook gebeuren. 24 Daarom zeg Ik jullie: alles waarom jullie bidden en vragen, geloof dat je het al ontvangen hebt, en je zult het krijgen. 25 Wanneer je staat te bidden en je hebt een ander iets te verwijten, vergeef hem dan, opdat ook jullie Vader in de hemel jullie je misstappen vergeeft.’ 26 27 Ze kwamen weer in Jeruzalem aan. Toen Jezus zich in de tempel ophield, kwamen de hogepriesters, de schriftgeleerden en de oudsten van het volk naar Hem toe 28 en vroegen Hem: ‘Op grond van welke bevoegdheid doet U die dingen? Wie heeft U het recht gegeven om zo te handelen?’ 29 Jezus antwoordde: ‘Ik zal u een vraag stellen; als u Me daarop antwoord geeft, zal Ik u zeggen op grond van welke bevoegdheid Ik die dingen doe. 30 Doopte Johannes in opdracht van de hemel of in opdracht van mensen? Antwoord Mij.’ 31 Ze overlegden met elkaar: ‘Als we zeggen: “Van de hemel,” zal Hij zeggen: “Waarom hebt u hem dan niet geloofd?” 32 Maar als we zeggen: “Van mensen,” wat dan?’ Ze waren namelijk bang voor de menigte, want iedereen hield Johannes voor een echte profeet. 33 Dus zeiden ze tegen Jezus: ‘We weten het niet.’ Daarop zei Jezus tegen hen: ‘Dan zeg Ik ook niet op grond van welke bevoegdheid Ik die dingen doe.’ (NBV21)

Er zijn vruchtbare en onvruchtbare vragen. Wie in nood een ander helpt moet je niet lastig vallen met bureaucratische voorschriften. Vaak is het eigenlijk een eigen agenda die moet verhullen dat je, of je overheid, niet heeft geholpen. Wij hebben daar ook zo’n mooi woord voor, legitimering. Zijn je daden legitiem, ofwel is er een wet of voorschrift waarop je je kunt beroepen. of nog mooier, is er een autoriteit die je een opdracht voor je gedrag heeft gegeven? De diaken uit Wijchen die terecht stond omdat ze een uit te zetten gezin had helpen inpakken beriep zich op haar ambt, ze was immers door haar kerk aangesteld om de armen te helpen en dus kon ze niet anders dan de kinderen in haar armen nemen toen die werden uitgezet met hun ouders. De rechter sprak haar dan ook vrij van de beschuldiging zich onnodig bemoeit te hebben met de uitzetting. Maar wie springt in de bres voor twee Amsterdamse meiden die uitgezet dreigen te worden naar Turkije?

Ze zijn 14 en 16 jaar oud. Oud genoeg om zelf op een vliegtuig te stappen, naar een land dat ze niet kennen want 11 jaar geleden kwamen ze hier in Nederland bij hun vader wonen. In Turkije mogen ze naar de Nederlandse ambassade om te vragen of dat mag, dat wonen in Nederland bij hun vader, dat waren ze elf jaar geleden namelijk vergeten, ze hadden dat ook niet helemaal goed begrepen. Ze moeten dan wel Nederlands spreken en kennis hebben van onze Nederlandse samenleving, daar op die ambassade mogen ze examen doen. Iedereen moet de wet kennen nietwaar en dus moeten ze terug. Regels zijn regels en hier datzelfde examen doen is tegen de regels. Maar wie springt er voor hen in de bres? Nederland heeft ooit in New York een verdrag getekend dat we gezinnen niet uit elkaar halen. Deze Amsterdamse meiden wonen bij hun Nederlandse vader en Nederlandse stiefmoeder en volgens de leiding van hun school is dat een gelukkig en stabiel gezin waarin de meiden opgroeien tot nuttige burgers. Op grond van wie of wat mogen we nu kritiek hebben op de beslissing hen terug te sturen naar Turkije?

Doen we dat omdat een God wil dat we op goede voet met vreemdelingen komen, of omdat onze godsdienst zegt dat je je naaste lief moet hebben als jezelf en we zelf onze dochters van 14 en 16 voor geen goud op een vliegtuig naar Turkije zouden zetten? Of doen we dat omdat we van mensen houden en omdat we bureaucratisch gedrag in dit geval uiterst wreed vinden? Eigenlijk maakt het antwoord op de vraag naar de legitimiteit van onze protesten tegen wat de Amsterdamse meiden wordt aangedaan niet uit. De vraag is verkeerd. De vraag is of we met elkaar in een samenleving willen leven waarin we elkaar dit willen aandoen. Een samenleving waar de voorhof van de Tempel een marktplaats is geworden en waar voor samen maaltijd houden geen plaats meer is. In het verhaal van Jezus van Nazareth zwijgen de vraagstellers op dit punt, maar de protesten tegen de wreedheid van een absurt beleid mogen niet tot zwijgen worden gebracht. Die protesten zijn een opdracht van ons geloof. De vraag kunnen wij daarom niet ontwijken, die moeten we elke dag beantwoorden, elke dag opnieuw.

Een huis van gebed

Marcus 11:12-19

12 Toen ze de volgende dag uit Betanië vertrokken, kreeg Hij honger. 13 Hij zag in de verte een vijgenboom die in blad stond en ging erheen in de hoop iets eetbaars te vinden, maar toen Hij bij de boom gekomen was, trof Hij alleen maar bladeren aan; het was namelijk nog niet de tijd voor vijgen. 14 Hij zei tegen de boom: ‘Nooit ofte nimmer zal er nog iemand vruchten van jou eten!’ Zijn leerlingen hoorden dit. 15 Ze kwamen in Jeruzalem. Hij ging de tempel binnen en begon iedereen die daar iets kocht of verkocht weg te jagen; Hij gooide de tafels van de geldwisselaars en de stoelen van de duivenverkopers omver, 16 en Hij liet niet toe dat iemand voorwerpen over het tempelplein droeg. 17 Hij hield de omstanders voor: ‘Staat er niet geschreven: “Mijn huis moet voor alle volken een huis van gebed zijn”? Maar jullie hebben er een rovershol van gemaakt!’ 18 De hogepriesters en de schriftgeleerden hoorden wat er gebeurd was en zochten naar een mogelijkheid om Hem uit de weg te ruimen; ze waren bang voor Hem, omdat het hele volk diep onder de indruk was van zijn onderricht. 19 Nadat de avond gevallen was, gingen Jezus en zijn leerlingen weg uit de stad. (NBV21)

Godsdienst, de dienst aan de God van Israël, en geld gaan niet samen. Toch ontkom je natuurlijk niet aan een zekere samenwerking. Een kerkgebouw moet onderhouden worden en de schilders en de dakdekkers moeten nu eenmaal ook leven. En een gewone protestantse gemeente heeft een voorganger die de hele week rondgaat en de zieken en bejaarden bezoekt, trouwdiensten en begrafenissen leidt en op zondag ook nog preekt, ook die heeft recht op een salaris. Maar goed gaat het nooit. Of er wordt een te groot beroep gedaan op de gemeenteleden of er wordt te gemakkelijk verspild of niet goed begroot, goed gaat het nooit. De economie gaat minder, er komen steeds minder mensen in de kerk en steeds minder mensen geven minder geld. In het verhaal van vandaag gaat het nog erger. Niet alleen geeft de vijgenboom geen vruchten, de tempel is verworden tot een marktplaats voor religie.

Geldwisselaars, offerdierenverkopers, het wemelt van mensen die een graantje meepikken van het religieus besef van de gemiddelde bezoekers. Ooit was de opdracht om als offer een maaltijd te houden, met mensen die dienst deden in de tempel, de levieten, met de armen en de vreemdelingen. Maar de levieten waren inzamelingen gaan houden voor hun levensonderhoud en de armen werd wijsgemaakt dat ze ook mee moesten betalen voor God. De vreemdelingen mochten er al helemaal niet meer komen. Jezus zwiept iedereen die er niet hoort de tempel uit. Dat moet een geweldige rel gegeven hebben. Als je zoiets doet voel je je natuurlijk ook heel sterk. Verzet tegen onrechtvaardigheid helpt. Maar de weerstand wordt ook groter. Al die mensen in onze samenleving die proberen ook samen met de vreemdelingen in ons midden een echte samenleving op te bouwen voelen zich steeds vaker bedreigd door de geweldige propaganda die TV programma’s maken voor de vreemdelingen angst die er bij een minderheid is.

Die TV programma’s doen dat onder het motto dat uiterst rechts ook gehoord moet worden maar niemand hoort ooit die grote hoeveelheid vrijwilligers die zich met taallessen, integratie in buurten, opvang van asielzoekers en rechtsbijstand bezig houden. Voor een echte rechtvaardige samenleving is nog veel werk te doen al geeft het moed te weten dat als je gelooft dat je het al ontvangen hebt je het ook zult krijgen. In de tijd van Jezus van Nazareth zullen sommigen gedacht hebben dat het hem in zijn bol geslagen is. De tijd voor vijgen was er nog niet eens en toch vervloekt hij de vijgenboom en wie wil er nu een berg verplaatsen. Handelaren uit de religie meppen helpt ook niet echt. Toch sterkt zo’n verhaal je bij het werken aan een nieuwe samenleving, hoe meer mensen er in slagen aan die samenleving samen vorm te geven hoe meer de angst voor het onbekende af zal nemen en vrede en gerechtigheid hun plaats weer zullen innemen. Vandaag dus maar weer aan die berg beginnen.

 

Een grote menigte

Marcus 10:46-52

46 Ze kwamen in Jericho. Toen Hij met zijn leerlingen en gevolgd door een grote menigte weer uit Jericho vertrok, zat daar een blinde bedelaar langs de weg; het was Bartimeüs, de zoon van Timeüs. 47 Toen hij hoorde dat Jezus van Nazaret voorbijkwam, begon hij luidkeels te roepen: ‘Zoon van David, Jezus, heb medelijden met mij!’ 48 De omstanders berispten hem en zeiden dat hij zijn mond moest houden, maar hij schreeuwde des te harder: ‘Zoon van David, heb medelijden met mij!’ 49 Jezus bleef staan en zei: ‘Roep hem.’ Ze riepen de blinde en zeiden tegen hem: ‘Houd moed, sta op, Hij roept u.’ 50 Hij gooide zijn mantel af, sprong op en ging naar Jezus. 51 Jezus vroeg hem: ‘Wat wilt u dat Ik voor u doe?’ De blinde antwoordde: ‘Rabboeni, zorg dat ik kan zien.’ 52 Jezus zei tegen hem: ‘Ga heen, uw geloof heeft u gered.’ En meteen kon hij zien en hij volgde Hem op zijn weg.

De vraag of Jezus van Nazareth nu wel of niet genezen heeft wordt zelden gesteld. Dat is eigenlijk ook een gevaarlijke vraag. Want als hij zou kunnen genezen als een dokter dan zouden alle andere blinden die niet zijn genezen kennelijk te weinig geloofd hebben. Dit verhaal gaat dus niet over genezen, maar dit verhaal gaat over gehoord worden. Mensen die langs de weg zitten worden zelden gehoord. Als ze al eens opgemerkt worden krijgen ze een aalmoes toegeworpen. Aandacht is er nooit voor. Om aandacht te trekken is in ons land de straatkrant of de daklozenkrant bedacht. Een echte krant met leuke artikelen die verkocht wordt zoals alle andere kranten. Alleen de opbrengst gaat naar mensen die langs de weg zijn komen te staan, want ook in onze samenleving komen er mensen langs de weg te staan. Denk niet dat het hun eigen schuld is. De schade die ze hebben opgelopen en die maakt dat ze buiten de samenleving zijn komen te staan, maar ook blijven staan, is vaak  van veel vroeger. Ze zijn al langer niet gehoord en opgemerkt en het op straat komen te staan is vaak het einde van een lange lijdensweg.

Zo ook Bartimeüs. In de dagen van Jezus van Nazareth bleef er voor veel mensen niet veel anders over dan als blinde of lamme langs de weg gaan zitten en te gaan bedelen. Ze waren niet meer vooruit te branden. De weg had voor hen opgehouden en alleen aalmoezen hielden hen nog in leven. Maar Bartimeüs had ergens nog een sprankje hoop. Ooit zou er een moment komen dat iemand hem weer op weg zou helpen, ooit kwam er een dag dat er meer zou zijn dan een aalmoes, dat iemand hem weer als mens zou herkennen. Dat was nu net wat er gebeurde toen Jezus van Nazareth langs kwam. Want een drukke menigte die Jezus van Nazareth omringde zou zo gemakkelijk alle aandacht voor zich hebben kunnen opeisen. Al die sterke mensen die wel ter been zijn kunnen je de mond snoeren, je staat immers al aan de kant en wie hoort je dan nog?

In onze dagen kunnen oudere werknemers daarvan wanhopig worden. Van werknemers ouder dan 50 jaar werkt nog maar 13%, slechts een klein deel van ons haalt dus de pensioengerechtigde leeftijd ook als werkende. Zoals aan oudere werknemers geen aandacht wordt geschonken zo probeert men ook Bartimeüs tot zwijgen te brengen. Maar hij gaat harder roepen, zo kunnen wij ook de stem worden van mensen die in onze dagen langs de kant staan en niet gehoord dreigen te worden. Jezus van Nazareth laat terugroepen. Hij laat Bartimeüs roepen. Want deze blinde man zag iets dat niemand zag. Hij roept Jezus uit tot Koning, hierna volgt dan ook het verhaal van Palmzondag. Hij vraagt niet meer om aalmoezen, hij vraagt om volwaardig mee te mogen doen in een nieuw Koninkrijk, waar mensen niet langer langs de kant hoeven staan. Hij gelooft weer dat het kan, dat hij de Weg mag gaan van Jezus van Nazareth. Wie het niet meer ziet zitten mag die weg gaan, de Weg van je naaste lief hebben als jezelf, de Weg van de zwakke horen aan de kant van de Weg en daar de hand naar uitsteken. Ook vandaag mogen we die Weg gaan.

 

Wie weet wat goed is

Prediker 6:1-12

1 Het is, dat heb ik ingezien, een trieste zaak onder de zon en voor de mens een zware last: 2 God geeft iemand rijkdom, bezittingen en aanzien; er ontbreekt hem in zijn leven niets van wat hij zich wenst, maar God staat niet toe dat hij ervan geniet-dat laat Hij een vreemde doen. Leegte is het, een ellendige en trieste zaak. 3 Zo iemand zou wel honderd kinderen kunnen krijgen en wel jaren kunnen leven, vele jaren lang, maar als zijn dorst naar rijkdom nooit gelest wordt en hem nog niet eens een graf rest, dan-zeg ik-is een doodgeboren kind beter af. 4 Het wordt in leegte geboren en verdwijnt in het duister, even naamloos als het is gekomen. 5 Het heeft nooit de zon gezien en geen weet gehad van het bestaan. Het heeft rust, veel meer dan die ander 6 die, ook al leeft hij duizend jaar en nog eens duizend jaar, niet genieten kan van al het goede dat hij heeft. Zijn zij niet beiden op weg naar dezelfde plaats? 7 Al het gezwoeg dient ertoe dat de mens zijn buik vult, maar zijn verlangens blijven onvervuld. 8 Welk voordeel heeft de wijze vergeleken met de dwaas, wat is het voordeel voor de arme dat hij inzicht in het leven heeft? 9 Het is beter te genieten van iets tastbaars dan te grijpen naar iets onbereikbaars. Ook dat is niets dan lucht en najagen van wind. 10 Wie en wat de mens is, werd al lang geleden vastgesteld: zijn naam is Mens en hij is niet in staat het op te nemen tegen Hem die meer macht bezit dan hij. 11 Alles wat er meer over gezegd wordt, vermeerdert slechts de leegte. Wat is hiervan het voordeel voor de mens? 12 Wie weet wat goed is voor de mens gedurende het luttel aantal dagen van zijn leeg bestaan? Ze zijn voor hem zo vluchtig als een schaduw. Wie kan hem vertellen wat er na hem komen zal onder de zon? (NBV21)

Er wordt nog wel eens gemopperd dat die Christenen zo tegen het genot van en het genieten door mensen zouden zijn. Wie deze passage uit het boek van Prediker op zich in laat werken moet toch vermoeden dat er sprake van een misverstand zou kunnen zijn. Een mens die het goede heeft ontvangen maar er niet van weet te genieten is als een dode, die leeft niet echt. Prediker heeft al geschreven over het zwelgen in wijn en de leegte die dat met zich meebrengt. Dat jonge mensen en opgroeiende kinderen nog op zoek zijn naar de grenzen waarbij ze optimaal kunnen genieten en bij het houden van maat begeleiding verdienen lijkt duidelijk. Maar waarom diezelfde jonge mensen onbeperkt drank kunnen kopen en zonder enige controle kunnen nuttigen waardoor elke week weer vele ongelukken gebeuren en jonge levens verwoest worden en knoppen in de kiem worden gebroken is minder duidelijk. Het moet toch geen moeite zijn een stelsel in te voeren waarbij alcoholhoudende drank verkocht wordt bij speciaal daarvoor aangewezen verkooppunten? Waarom moet drank, die in het verkeer niet mag worden genuttigd, langs onze snelwegen vrij verkrijgbaar zijn?

Het hele boek Prediker is doordrenkt van de opvatting dat een mens allerlei dingen nastreeft die helemaal niets opleveren. Macht, aanzien, rijkdom, kennis en inzicht, het kost allemaal moeite en uiteindelijk levert het niets op. Je kunt, zegt de Prediker telkens weer, beter genieten van wat je hebt, van wat je toevalt. Want als je daarvan niet geniet maar bezig blijft met als maar meer te vergaren dan loop je de kans dood te gaan zonder ergens van genoten te hebben. Dat is triest, dat is zielig. Een mens is een mens en meer dan een mens kan een mens niet worden. Harde woorden voor mensen die de ongelijkheid van mensen benadrukken, die spreken van mensen die meer en die minder verdienen met wat ze kunnen. Natuurlijk zijn er mensen die meer weten te krijgen. De graaiers in onze economie vergaren miljoenen met de koop en verkoop van bedrijven. Dat het geld daarvoor bijeen gebracht wordt door werknemers die in een uitkering komen en dan aan de bedelstaf raken wordt niet verteld. Dat het redelijk is dat werknemers het werk neerleggen als ze zo behandeld worden wordt niet verteld. En als het gaat om versoepeling van de mogelijkheid mensen te ontslaan dan gaat het er uitdrukkelijk niet om de werknemers de macht te geven deze graaiers te ontslaan zodat hun werk de erkenning kan krijgen die het verdient. Maar ook de graaiers kunnen hun miljoenen niet meenemen als ze dood gaan.

Ook al leven ze nog lang nadat hun manipulaties zoveel hebben opgebracht het zal ze niet lukken zelf te genieten van al hetgeen ze hebben bijeengegaard. Ook hun moeite is lucht en leegte en was najagen van wind. Het enige dat de graaiers in onze samenleving bereiken is dat de werknemers zich meer bewust worden van de onrechtvaardigheid die ingebakken zit in de arbeidsverhoudingen. De roep om recht wordt sterker. Het verzet tegen vergroting van het onrecht door versoepeling van het recht werknemers te ontslaan wordt groter. Natuurlijk zullen de rijken zeggen dat hun kinderen de rijkdommen zullen erven en dat daarmee de continuïteit is gewaarborgd. Maar kunnen wij in de toekomst kijken? Weten wij wat onze kinderen en kleinkinderen zal overkomen als wij er niet meer zijn? Wat we echt allemaal willen, een wereld zonder strijd, zonder leed en ellende, komt er niet als we ons bezig houden met het dienen van de goden van meer en beter. Het streven naar meer en nog meer houdt ons af van delen met de armsten, met het voeden van de hongerigen, het kleden van de naakten, het bezoeken van de gevangenen, het laven van de dorstigen, het opvangen van de vluchtelingen. En alles wat ons daarvan afhoudt is najagen van wind en levert alleen lucht en leegte op.

 

Het voordeel voor de mens

Prediker 5:7-19

7 Wanneer je ziet dat in het land de armen worden onderdrukt en het recht en de rechtvaardigheid geschonden, wees dan niet verbaasd. Want een hoge ambtenaar wordt door een hogere beschermd, en zij beiden weer door ambtenaren die nog hoger zijn. 8 Het is hierbij nog een geluk wanneer de koning zorg draagt voor de oogst. 9 Wie van geld houdt, kan er niet genoeg van krijgen. Wie verzot op rijkdom is, is altijd op meer gewin belust. Ook dat is enkel leegte. 10 Maar hoe groter iemands kapitaal is, des te groter ook het aantal mensen dat het komt verbrassen. Wat heeft de eigenaar hierbij te winnen? Hij kan alleen maar toekijken. 11 Een arbeider slaapt goed, of hij nu veel of weinig te verteren heeft, maar wie zwelgt in rijkdom kan de slaap niet vatten. 12 Ik heb een trieste zaak onder de zon gezien die tot veel ellende leidt. Iemand waakt over zijn rijkdom, maar het loopt rampzalig af, 13 want één tegenslag vaagt al die rijkdom weg. De zoon die hij verwekt heeft, blijft met lege handen achter. 14 Naakt is zo iemand uit de moederschoot gekomen, even naakt keert hij terug. Niets van wat hij heeft verworven en in handen dacht te hebben, neemt hij mee. 15 Het is, ook dit, triest en ellendig, maar zoals hij is gekomen, zo keert hij terug. Wat is het voordeel voor de mens dat hij zwoegt voor wind? 16 Alle dagen van zijn leven brengt hij door in duisternis, heel zijn bestaan is vol ellende en verdriet, en vol ontevredenheid. 17 Het is daarom, zo heb ik ingezien, goed en weldadig voor een mens wanneer hij zich aan eten en drinken tegoed doet, en geniet van alles wat hij heeft verworven. Daar zwoegt hij voor onder de zon gedurende het luttel aantal levensdagen dat hij van God gekregen heeft; dat is wat hem is toebedeeld. 18 Wanneer een mens geniet van rijkdom en bezit, wanneer hem dat door God wordt toegestaan als zijn rechtmatig deel en hij zich verheugt in alles wat hij moeizaam heeft verworven, is dat een geschenk van God. 19 Dan piekert hij tenminste niet zoveel over het luttel aantal dagen van zijn leven, maar gaat hij van ganser harte op in de vreugde die God hem toebedeelt. (NBV21)

Groot geld is grote zorgen zei men vroeger, want wie zwelgt in rijkdom kan de slaap niet vatten zegt de Prediker. Geld en macht maken bovendien corrupt. In de beweging “de arme kant van Nederland” wordt nogal eens geklaagd over de behandeling van mensen met een uitkering door de ambtenaren van de diensten die de uitkeringen moeten verstrekken. Hooghartigheid is het minste dat ze tegenkomen maar soms lijkt het ook of het oog voor de maatschappelijke werkelijkheid volledig zoek is geraakt. Zo werd onlangs de alleenstaande moeder van een jongen van 6 bedreigt met het intrekken van haar uitkering omdat ze de zorg voor haar zoon verkoos boven het werken als afwashulp tussen 6 uur ’s avonds en 12 uur ’s nachts. Het was toch een keurig hotel waar ze zou komen te werken stelde de ambtenaar. Prediker zegt ons dat we ons hierover niet moeten verbazen, die ambtenaar heeft een ambtenaar boven zich en die ook weer een boven zich en ze willen allemaal hoger op. Daarom nemen ze de houding en opvattingen over van hen die boven hen staan.

Het is een geluk, zegt de Prediker, als de koning voor de oogst zorgt, of in onze dagen, als de regering zoveel belasting durft te heffen dat de uitkeringen betaald kunnnen worden Als arbeider die niet hoger kan, die een loon heeft en niet meer, heb je al die zorgen niet, dan slaap je dus gerust. In “de arme kant van Nederland” werken organisaties van mensen met een uitkering samen met de diaconieën en charitative organen van de Kerken in Nederland. De kerken staan tegenwoordig aan de kant van de armen, zij geven hen stem en steun. Ook de rijkdom is leegte zegt de Prediker. Denk nu niet direct: zie je wel, die Bijbel heeft een hekel aan de rijken. Nee, de Bijbel heeft een hekel aan armoede, ook de Prediker, al dat vergaren van rijkdom brengt je uiteindelijk niets. Delen met elkaar, dat brengt vreugde en genieten van wat je te brengen hebt. Daar gaat het dus om in het leven.

Dit weekeinde wordt de slag van Grolle herdacht. Nederlanders stonden in die slag tegenover elkaar, wil men door met de Spanjaarden of met Oranje was de vraag. Tolerantie en gewetensvrijheid speelde op de achtergrond een rol. De nieuwe staat wortelde zich op de apologie van Willem van Oranje, de vader des vaderlands, daarin stonden gewetensvrijheid en geloofsvrijheid voor elke burger centraal. Dat is dus de traditie die Nederlands is, die tolerantie bepaald de identiteit van de Nederlander. Daarom is het van buiten komend niet mogelijk een Nederlandse identiteit te vinden. Je zult als Nederlander je eigen identiteit moeten meebrengen. Daarom is het veroordelen van weer een nieuwe godsdienst die in ons land beleden wordt ook zeer on Nederlands, ja zelfs anti-Nederlands. Beter is tolerant te zijn en te genieten van wat je ten deel valt. Ook de Nederlandse gewoonten die je zelf het leukste vindt kun je niet aan het verleden ontlenen. De Protestantse en Rooms Katholieke godsdienstbeleving uit de dagen van de slagf vindt je vandaag niet meer terug in ons land. Alles verandert, maar de Liefde voor de naaste blijft, dat is een goede traditie, net als samen eten. En aan die tolerantie en het samen leven ontleent de Prediker de zin van het leven.