De toekomst is niets dan leegte

Prediker 11:1-10

1 Werp je brood uit over het water, want je vindt het later weer terug. 2 Bewaar je brood in zeven delen, zelfs in acht, want je weet niet welke ramp de aarde treffen zal. 3 Wanneer de wolken vol zijn, gieten ze hun regen uit over de aarde. Naar welke kant een boom ook valt, naar het noorden of het zuiden, hij blijft liggen op de plaats waar hij valt. 4 Wie altijd op de wind let, komt nooit aan zaaien toe; wie altijd naar de wolken kijkt, komt nooit aan maaien toe. 5 Je kent de wegen van de wind niet, je kent het kind dat in de moederschoot groeit niet, zo ken je ook de daden niet van God, die alles maakt. 6 Zaai in de morgen, en laat in de avond je hand niet rusten. Want je weet niet of het zaad de ene of de andere, of elke keer ontkiemen zal. 7 Het licht is een genot. Wat een weldaad voor de ogen om de zon te zien! 8 Wanneer een mens lang leeft, laat hij dan van elke dag genieten en bedenken dat de dagen van de duisternis ontelbaar zullen zijn. De toekomst is niets dan leegte. 9 Geniet dus, beste vriend, van je jonge jaren, haal je hart op aan de dagen van je jeugd. Volg de wegen die je hart wil gaan, gun je ogen wat ze wensen. En onthoud bij alles wat je doet dat God je aan zijn oordeel onderwerpt. 10 Belast je hart niet met verdriet en houd je lichaam vrij van kwalen, want je jeugd en jonge jaren zijn al snel voorbij. (NBV21)

Je ziet het hengelaars nog wel eens doen. Voeren noemen ze dat. Als je dat regelmatig op dezelfde plaats doet komen de vissen er zwemmen in de hoop gemakkelijk voer te vinden en dan vis je ze gemakkelijk op met een hengel. Nu kende de Prediker in zijn dagen de hengelsport niet en blijft de vraag wat hij nu bedoelde met het spreekwoord. De hengelaars vinden hun brood als vis weer terug. Predikanten uit havensteden legden vroeger het spreekwoord wel uit als een aansporing te investeren in de zeevaart met alle risico’s van dien. Maar als je in gedachten houdt dat Prediker toch op de eerste plaats de wijsheid verkondigt dan moet je de liefde in gedachten nemen bij de uitleg van dit vers. En dan is het een oude manier om het gezegde “wie goed doet goed ontmoet” te verwoorden. Immers als je zonder aanziens des persoons je eten en drinken deelt, dan wordt er als het nodig is ook met jou gedeeld en krijg je terug wat je weggegeven hebt.

Wat de Prediker in deze passage ook zegt is dat het geen zin heeft alles vooraf te willen controleren. We kunnen niet in de toekomst kijken en dat moet ons niet verlammen. Goed doen levert altijd iets op in de toekomst. Je kunt dus maar het beste genieten van wat je ten deel is gevallen, er van delen met anderen, met name met hen die niets hebben, en je niet druk maken over de toekomst. Het advies om je lichaam vrij te houden van kwalen is in onze dagen nog steeds op z’n plaats. Daar kun je niet jong genoeg mee beginnen. Daarom is het zo vreemd dat de overheid daar niet bij helpt. Er was een tijd dat tabakswaren alleen te koop waren bij winkels met een speciale tabaksvergunning. Het bleek toch niet zo ingewikkeld te zijn die situatie terug te brengen. Dat dan de tabaksindustrie ruim de gelegenheid krijgt jongeren verslaafd te maken is toch wel heel raar. Supermarktketens richten nu pseudowinkels op om de winst op de verslaving te kunnen behouden.

Hetzelfde geld voor de verkoop van alcohol. Er was een tijd, niet zo lang geleden, dat alle alcoholhoudende drank alleen verkrijgbaar was bij winkels met een speciale vergunning, slijterijen genaamd. Ook die situatie zou teruggebracht kunnen worden. Tabakswinkels en slijterijen bestaan nog steeds, beperk de verkoop tot die winkels en bescherm de jeugd. Maar ja, Prediker richt zich niet voor niets tot de jeugd zelf, als je het moet hebben van de rijken en de machtigen gebeurd er niets. Toch zou in onze dagen ook een pleidooi voor een verbod op het toevoegen van suiker aan frisdranken op zijn plaats zijn. Wij denken toch meer te weten over gezondheidsrisico’s dan de schrijver van het Bijbelboek Prediker enkele honderden jaren voor het begin van onze jaartelling. Als we dan meer weten, waarom doen we er zo weinig mee?

De vogels van de hemel

Prediker 10:8-20

8 Wie een kuil graaft, loopt de kans erin te vallen; wie een bres slaat in de muur, kan gebeten worden door een slang. 9 Wie stenen uit een rots houwt, kan zich verwonden; wie hout in stukken hakt, loopt gevaar. 10 Iemand die zijn bijl niet slijpt wanneer de snede bot wordt, moet meer kracht gebruiken. Wie met wijs beraad te werk gaat, heeft meer kans van slagen. 11 Wanneer de slang niet wordt bezworen en dan bijt, helpt de kunst hem te bezweren niet meer. 12 De woorden die de wijze in de mond neemt, geven hem respect; wat er van de lippen van de dwaas komt, stort hem in het ongeluk. 13 Wat er uit zijn mond aan woorden komt, is aan het begin al dwaasheid en wordt erbarmelijke waanzin aan het eind. 14 Een dwaas bazelt er maar op los, terwijl geen mens weet hoe het later wordt en wat er na hem komt. Wie kan hem dat vertellen? 15 Een dwaas zwoegt almaar door en dat mat hem af, hij weet niet eens de weg te vinden naar de stad. 16 Je bent beklagenswaardig, land, wanneer je koning maar een kind is en zijn raadgevers al in de morgen naar een feestmaal gaan. 17 Je bent gelukkig, land, wanneer je koning een man van adel is en zijn raadgevers alleen op de gepaste tijd naar een feestmaal gaan, zichzelf beteugelen en niet dronken zijn. 18 Luiheid ondermijnt de balken, door slappe handen krijgt het huis een lekkend dak. 19 Dronkenlappen denken bij hun feestmaal slechts aan hun plezier, de wijn vrolijkt alleen hun eigen leven op. Hun geld staat het ze toe. 20 Maar vervloek de koning zelfs niet in gedachte en de rijke zelfs niet in je slaapvertrek, want de vogels van de hemel zeggen het voort, hun vleugels brengen je woorden verder. (NBV21)

Wellicht komen we er ooit nog achter dat we minder moeten luisteren naar mooie praatjes maar meer moeten kijken wat ze werkelijk betekenen voor de zwakken in de samenleving. Want wie een kuil graaft heeft niet alleen veel werk maar kan er ook zelf invallen. Ook vandaag vinden we spreekwoorden die we niet meer zo vaak gebruiken. Vooral die over het bezweren van de slang wordt nogal eens vergeten. Als je de slang niet bezweert is het te laat als die gaat bijten. Wie jongeren over straat laat zwerven en hun ouders verplicht te gaan werken zodat de jongeren geen opvang hebben buiten schooltijd moet niet verbaasd staan dat die jongeren kattenkwaad gaan uithalen en als daar niet op gereageerd wordt van kwaad tot erger vervallen. Kritiek op machthebbers kan daarbij zeer gevaarlijk zijn. De machtigen en de rijken houden iedereen in de gaten. Ons parlement heeft onlangs nog wetten aangenomen waarbij is bepaald dat ook het internetverkeer kan worden bekeken door de overheid zonder dat we dat weten en dat gegevens over ons internetverkeer lange tijd bewaard moeten worden zodat de overheid later kan zien of we ons wel netjes hebben gedragen. Prediker wist het al, tot in je slaapvertrek ben je niet zeker, ja zelfs je gedachten kunnen funest zijn.

Voor de machthebbers en de rijken in deze wereld gaat niets te ver om hun positie te behouden. Tegen de inbreuken op onze vrijheid onze mening te uiten en gedachten te wisselen met anderen is in ons land geen protest te horen geweest. De dreiging met terreuraanslagen heeft ons kennelijk verlamd. Dat je in een willekeurige huiskamer rustig aanslagen kunt beraden en dat je op het openbare net geen openlijke kritiek kunt uiten nemen we maar voor lief. Naar oorzaken van geweld hoeven we verder niet te kijken. Het internet is gevaarlijk, sommige religies zijn gewelddadig van zichzelf en als je een baard heb ben je een potentiële terrorist zijn de vooroordelen waardoor we ons kennelijk laten leiden. De dag is niet ver dat alle baarddragers in ons land in een kamp worden gestopt. Die dag is niet ver omdat in begin december de verkoop van scheerapparaten moet worden gestimuleerd. Hoe eenvoudig is het om ons voor de gek te houden, om met dwaas gebabbel ons angst aan te jagen en ons te verleiden onze vrijheden op te geven. Je mag je gelukkig prijzen als je een heerser hebt die nog weet heeft van vrijheden en zich als dienaar van het volk opstelt.

Je mag blij zijn als er een burgemeester is die hart heeft voor jongeren en er voor zorgt dat er opvang is als ze vrij zijn van school, ook als hun ouders gedwongen worden te werken en ze dus niet thuis kunnen opvangen. Bestuurders die zich vol laten lopen op recepties en ontvangsten om daarna voor TV camera’s te roepen dat die tot werken gedwongen ouders zelf maar moeten omzien naar de kinderen die de auto’s in de brand steken wakkeren het vuur alleen maar aan. Dat soort slappe handen maakt dat het dak van onze samenleving lekken gaat vertonen. Lekken waardoor onze vrijheid weglekt maar ook waardoor onze veiligheid meer en meer gevaar gaat lopen. De gevangenen die we weer in de samenleving moeten opnemen krijgen in de gevangenis niet de kans om te leren productieve en nuttige leden van de samenleving te worden, alles wat daarvoor nodig was is wegbezuinigd. Jongeren krijgen geen kans op een loopbaan, ze zijn afhankelijk van de luimen van de werkgevers onder het motto dat ze flexibel moeten zijn. Grijpen en graaien is de norm in de samenleving, het Samen Leven gaat er aan kapot. Kijk dus uit met de kritiek op de regeerders, de machtigen en rijken.

 

Een beetje dwaasheid

Prediker 9:13–10:7

13 Ik heb onder de zon iets gezien dat voor wijsheid doorging. Het was verbijsterend. 14 Er was een kleine stad met weinig inwoners. Een machtig koning trok tegen het stadje op, omsingelde het en bouwde grote belegeringswerken. 15 Er woonde daar een man van lage afkomst, die wijs was en met zijn wijsheid de stad had kunnen redden. Maar niemand schonk aandacht aan die onbeduidende persoon. 16 Ik zei daarom tegen mezelf: Wijsheid is beter dan macht, maar de wijsheid van een mens van lage afkomst wordt geminacht en zijn woorden vinden geen gehoor. 17 Het is beter dat je luistert naar de kalme woorden van wijzen dan naar het geschreeuw van een heerser onder dwazen. 18 Wijsheid is beter dan het wapengekletter van zo’n dwaas; hij alleen richt al veel goeds te gronde. 1 Een kostbare zalf bederft al door één dode vlieg, een beetje dwaasheid maakt de beste wijsheid ranzig. 2 De wijze volgt altijd het goede spoor, de dwaas ontspoort voortdurend, 3 en terwijl hij doelloos ronddwaalt op de weg toont hij steeds aan iedereen hoe dwaas hij is. 4 Wanneer de koning tegen je uitvaart, onderga zijn woede dan gelaten, want kalmte helpt je te voorkomen dat je jammerlijke fouten maakt. 5 Ik heb een kwade zaak onder de zon gezien, een wandaad die machthebbers plegen te begaan: 6 dwazen zetelen op hoge posten, rijken worden neergezet op lage posten. 7 Slaven komen te paard, zo heb ik gezien, maar edelen gaan te voet als slaven. (NBV21)

In de tijd van de grote strijd voor vrouwenemancipatie werd vaak opgemerkt dat, doordat veel vrouwen thuis bleven zitten, de maatschappij verstoken bleef van heel veel talent. Ook in de strijd tegen de discriminatie van zwarten in Amerika hoorde je dat de samenleving verstoken bleef van het talent van zeer knappe mensen. Nu vrouwen mee mogen doen en zwarten veel minder worden gediscrimineerd zie je ineens ook slimme en intelligente mensen boven komen drijven. Dat gaat nog maar langzaam maar het gebeurd wel. De Nobelprijswinnaar die suggereerde dat zwarte mensen genetisch minder slim zijn dan blanke mensen moet dan ook wel ongelijk hebben als je kijkt naar de gekleurde medemensen die ineens wijzen blijken te zijn. Hij moest zijn excuses dan ook aanbieden omdat zijn opmerkingen wel heel erg onwetenschappelijk bleken te zijn. Ook Prediker waarschuwt de samenleving voor het verlies aan wijsheid dat we lijden als niet iedereen op gelijke voet mag meedoen. In onze samenleving hebben we een zogenaamde representatieve democratie. Een maal in de vier jaar mogen we afgevaardigden kiezen die ons dan vier jaar lang vertegenwoordigen.

Een veel betere vorm van democratie is er nog niet gevonden. Maar als die volksvertegenwoordigers gaan denken dat ze zelf het volk zijn en niet meer gecontroleerd worden door de mensen die hen gekozen hebben en niet meer in gesprek blijven met die kiezers, dan lopen ze kans de wijze over het hoofd te zien die de problemen had kunnen oplossen. De kunst van het houden van een goede samenleving is nu juist te zorgen dat iedereen er bij betrokken blijft. Vroeger gebeurde dat in politieke partijen. Daar zijn nu zo weinig mensen lid van dat de gedachte opkomt om er maar losse en vrijblijvende bewegingen van te maken. Dat versterkt de gedachte dat de discussie op Televisie of internet bepalend is voor de vraag wie ons vertegenwoordigd. Dat verzwakt de gedachte dat iedereen mee moet kunnen praten en dat juist onder de armen ook de wijze zou kunnen schuilen die de oplossing voorhanden heeft voor de grote maatschappelijke problemen. Misschien zouden de massamedia wat meer aandacht moeten besteden aan de waarde van de politieke partijen met hun afdelingsvergaderingen, met de vele ideeën die daar worden vertaald in eindeloze moties en lange congressen die schijnbaar over kleine problemen gaan en waar vaak stamelend en haperend de goede oplossingen worden bepleit.

Voor Televisie en kranten zijn de goed geformuleerde slagzinnen natuurlijk veel aantrekkelijker, kort door de bocht, aanstootgevend en helder. Maar brengt ons dat de oplossingen waar we echt op zitten te wachten? In onze dagen zien we dat we daardoor gemakkelijker tegen elkaar worden opgezet. En dat is het soort oorlog waarvoor de Prediker ook waarschuwt. Prediker waarschuwt ook voor het verlies van vertrouwen in de politiek, hij spreekt daar de machtigen op aan. Dat van die kostbare zalf die al bederft door één dode vlieg vindt je nog wel eens in spreekwoordenboeken terug. Het is een spreekwoord dat wat in onbruik is geraakt omdat we nu eenmaal graag iedereen mee willen laten doen maar waar je toch zo af en toe bij stil moet staan. Een beetje dwaasheid maakt de beste wijsheid ranzig. We kennen toch de verhalen over verborgen agenda’s, of liefdadigheid waar een luchtje aanzit omdat het meer in eigen belang is dan uit liefde voor de arme. Er zijn een aantal politici die zo eigenmachtig handelen, zo gaan houden van de luxe die een vertegenwoordigende plaats kan meebrengen dat ze alleen daardoor al schade kunnen toebrengen aan de politiek. Ze zijn ver in de minderheid maar we moeten er voortdurend op blijven letten.

De enige Heer

Marcus 12:28-37

28 Een van de schriftgeleerden die naar hen geluisterd had terwijl ze discussieerden, en gemerkt had dat Hij hun correct had geantwoord, kwam dichterbij en vroeg: ‘Wat is van alle geboden het belangrijkste gebod?’ 29 Jezus antwoordde: ‘Het voornaamste is: “Luister, Israël! De Heer, onze God, is de enige Heer; 30 heb de Heer, uw God, lief met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw verstand en met heel uw kracht.” 31 En daarna komt dit: “Heb uw naaste lief als uzelf.” Er zijn geen geboden belangrijker dan deze.’ 32 De schriftgeleerde zei tegen Hem: ‘Inderdaad, meester, wat U zegt is waar: Hij alleen is God en er is geen andere god dan Hij, 33 en Hem liefhebben met heel ons hart en met heel ons inzicht en met heel onze kracht, en onze naaste liefhebben als onszelf betekent veel meer dan alle brandoffers en andere offers.’ 34 Jezus vond dat hij verstandig had geantwoord en zei tegen hem: ‘U bent niet ver van het koninkrijk van God.’ En niemand durfde Hem nog een vraag te stellen. 35 Jezus vroeg de mensen bij zijn onderricht in de tempel: ‘Hoe kunnen de schriftgeleerden beweren dat de messias een zoon van David is? 36 Zelf heeft David, sprekend door de heilige Geest, gezegd: “De Heer sprak tot mijn Heer: ‘Neem plaats aan mijn rechterhand, tot Ik je vijanden onder je voeten heb gelegd.’” 37 David noemt Hem Heer, hoe kan Hij dan zijn zoon zijn?’ De talrijke aanwezigen luisterden graag naar Hem. (NBV21)

Wat is dat nu dat “geloven”? Zelfs schriftgeleerden kunnen er mee in de knoop zitten. Ze hadden altijd geleerd dat het zat in het nauwkeurig volgen van alle 163 geboden uit de eerste vijf boeken van de Bijbel. Over het hoe en wanneer van het volgen van die geboden waren lange discussies gevoerd. Uiteindelijk zouden er dikke boeken over worden geschreven. Elke denkbare situatie zou worden verkend en elke denkbare interpretatie van de regels zou onder woorden worden gebracht. Die geboden kwamen van God en aangezien niemand gelijk was aan God werd geen van die interpretaties of toepassingen verworpen. Maar was dat nu geloven in God? Wat is nu het hart van het geloof, wat is de essentie, waar draait het allemaal om en als je die interpretaties en toepassingen in het heden probeert te plaatsen wat is dan je richtsnoer? Ook daar is een antwoord op. Karen Amstrong, die veel over de Bijbel geschreven heeft en tal van godsdiensten heeft onderzocht, komt met de Gouden Regel : Wat gij niet wilt dat U geschiedt, doet dat ook een ander niet

Als iedereen dat zou doen dan zou het ogenblikkelijk vrede worden. Dat staat inderdaad ook in de Bijbel. Maar Jezus van Nazareth gaat nog een stap verder. Hij plakt twee geboden aan elkaar, het eerste gebod uit de 10 geboden zoals in het boek Deuteronomium te vinden is en de samenvatting zoals die in het boek Leviticus staat. Het begint zoals in het boek Deuteronomium Mozes vertelt dat hij begon te vertellen toen hij het volk de geboden bracht. Hoor Israël, een oproep aan het volk. Die oproep klinkt tot op vandaag de dag door. Telkens weer, dag in dag uit en ontelbare keren per dag wordt het volk Israël opgeroepen hier naar te luisteren. En wij mogen meeluisteren, door Jezus van Nazareth mogen we zelfs meedoen. Het allereerste dat dan gezegd moet worden is dat de God van Israël de enige Heer is. Wie jou ook wat heeft opgedragen of voorgehouden, als het niet van God komt is het van nul en generlei waarde. Want die God moet je immers liefhebben met alles wat in je is, je hart, dus emotioneel, je verstand, dus rationeel, je ziel, dus met je hele persoonlijkheid, maar ook fysiek met al je kracht. Hoe doe je dat dan die God liefhebben? Want een beeld van die God is er niet, een plaats waar hij woont is niet zichtbaar, ja “de hele aarde” zeggen ze: dat is zijn voetenbank.

Dan komt het tweede gebod, de Statenvertaling sprak nog uit dat dit gelijk is aan het eerste gebod, hier staat het één na belangrijkste, maar het is het Heb-Uw-Naaste-Lief-Als-Uzelf. Belangrijker dan deze twee is er niet. Alles is er op gericht geen andere machten macht en gezag toe te kennen op deze aarde dan alleen de God van Israël en alles wat je dus doet, denkt, voelt, in beweging zet en je kracht nodig heeft is gericht op de naaste, de minste bovenal, de armen, de hongerigen, de gevangenen, de lammen en de blinden, de weduwe en de wees. Dat is belangrijker dan alle religieuze rituelen. De Schriftgeleerde noemt er een aantal uit zijn tijd, wij hebben andere maar het Koninkrijk van God zit in die eerste twee geboden. Dat is zo glashelder dat je er verder geen vragen bij hoeft te stellen. Het bevrijdt ons van al die machten en krachten in de wereld die ons voor zichzelf willen gebruiken, die geld, eer, roem en genot aan ons willen verdienen en ons af willen houden van de zorg voor de minsten in de wereld. Het richt ons juist op die minsten. Dat kan en dat mag door Jezus van Nazareth die het ons voorleefde zelfs dwars door de dood heen. Daar mogen we ons vandaag dus ook weer door laten leiden en in beweging zetten. Opstaan dus, voor de minsten, meer is er ook vandaag met al de doden in de Gazastrook niet over te zeggen.

 

Wees heilig

Leviticus 19:1-18

1 De HEER zei tegen Mozes: 2 ‘Zeg tegen de gemeenschap van Israël: “Wees heilig, want Ik, de HEER, jullie God, ben heilig. 3 Toon ontzag voor je moeder en je vader, en neem steeds mijn sabbat in acht. Ik ben de HEER, jullie God. 4 Laat je niet in met afgoden en maak geen godenbeelden. Ik ben de HEER, jullie God. 5 Wanneer je de HEER een vredeoffer aanbiedt, moet je, wil het offer aanvaard worden, 6 het vlees eten op de dag dat het dier wordt geslacht, of op de volgende dag. Wat er op de derde dag nog over is, moet worden verbrand. 7 Als er op de derde dag nog van het offervlees gegeten wordt, is dat verwerpelijk en zal het offer niet worden aanvaard. 8 Wie ervan eet moet de gevolgen van zijn zonde dragen. Hij heeft ontwijd wat de HEER toebehoort en wordt uit de gemeenschap gestoten. 9 Wanneer je de graanoogst binnenhaalt, oogst dan niet tot aan de rand van de akker en raap wat blijft liggen niet bijeen. 10 En wanneer je bij de wijnoogst druiven plukt, loop dan niet alles nog eens na en raap niet bijeen wat op de grond is gevallen, maar laat het liggen voor de armen en de vreemdelingen. Ik ben de HEER, jullie God. 11 Steel niet, lieg niet en bedrieg je naaste niet. 12 Leg geen valse eed af als je bij mijn naam zweert, want daarmee ontwijd je de naam van je God. Ik ben de HEER. 13 Beroof niemand en pers een ander niet af. Betaal een dagloner zijn loon nog op dezelfde dag uit. 14 Spreek geen vloek uit over een dove en plaats geen obstakel voor de voeten van een blinde. Toon ontzag voor je God. Ik ben de HEER. 15 Wees niet partijdig wanneer je rechtspreekt. Trek onaanzienlijken niet voor en zie machthebbers niet naar de ogen. Spreek rechtvaardig recht over je naasten. 16 Breng het leven van een ander niet in gevaar door lasterpraat over hem rond te strooien. Ik ben de HEER. 17 Wees niet haatdragend. Als je iemand iets te verwijten hebt, roep hem dan ter verantwoording en laad niet omwille van een ander schuld op je. 18 Blijf geen wraakzucht of wrok koesteren, maar heb je naaste lief als jezelf. Ik ben de HEER. (NBV21)

In onze oren klinkt zo’n gedeelte uit de oude richtlijnen voor de menselijke samenleving als een voorschrift van je moet dit en je moet dat. Daar worden wij over het algemeen niet vrolijk van. Maar dat komt omdat wij opgevoed zijn met het Romeinse denken over wetgeving. In dat denken gaat het over geboden en verboden die nauwkeurig moeten worden opgeschreven en die door een rechter beoordeeld kunnen worden. Dat is heel anders dan het denken van Israël zoals het in de Bijbel beschreven wordt. Daar gaat het om een verdrag dat voordelig is voor beide partijen. En zo mag je het ook lezen, wie wordt er beter van en waarom. De eerste regel is dat je gelijk aan God moet worden. Dat klinkt gelijk zeer hoogmoedig want wie durft nu te zeggen gelijk te zijn aan God zelf. Die regel is dan ook niet voor een individu maar voor een gemeenschap. Omdat God heilig is moet de gemeenschap ook heilig zijn. En wat is dat “heilig” dan wel. Er zit ons woord heel in. God is volmaakt en dat moet onze gemeenschap ook zijn.

Zonder smet moet die gemeenschap zijn en daar kunnen we dus allemaal dag in dag uit aan werken. Daar worden we ook beter van want wie wil nu niet behoren tot een gemeenschap waar geen smetje aan kleeft. Zo is de tweede regel van het verdrag dat je je afkomst niet moet verloochenen. Zelfs al ben je van de laagste komaf dan hoef je je in die heilige gemeenschap daar niet voor te schamen. Het volk Israël zelf bestond uit slaven die uit Egypte waren ontsnapt, bepaald geen hoogstaand gezelschap dat daar door de woestijn trok. Maar zij hadden God als enige baas, de Heer, en dat maakte hun gemeenschap hoogstaand. Ook voor ons zou het wel eens voordelig kunnen zijn als niemand zich hoefde te schamen over afstamming of herkomst. Als je dan God als Heer hebt hoef je er geen idolen of afgoden op na te houden. Dat geeft pas rust geen slavenarbeid meer voor de goden van winst en profijt, niet altijd maar meer en beter, maar integendeel tenminste één dag in de week absolute rust, tijd voor jezelf en je geliefden.

Een maaltijd, een vredesmaal, moet je dan ook kunnen opeten op de dag dat de maaltijd wordt bereid. Daar moet je de tijd voor hebben. En als er wat over is kun je het de volgende dag nog eten maar de derde dag kan het bedorven zijn en hoort het verbrand te worden. Als je je dat niet kunt permitteren is er armoede en is het dus helemaal geen vredesmaal. Als je van armoede bedorven vlees moet eten wordt je niet alleen ziek maar hoor je dus ook niet bij een heilige gemeenschap. Denken om de armen hoort voorop te staan. Of je nu graan oogst of druiven plukt, je moet niet zo inhalig zijn dat je alles binnen haalt. Een heilige, volmaakte gemeenschap wordt je pas als je deelt met de armen. En met de vreemdelingen natuurlijk. Van dat laatste moeten wij nog een heleboel leren, maar we zijn dan ook nog lang geen heilige gemeenschap.

 

Hoe goed is het

Psalm 133

1 Een pelgrimslied van David. Hoe goed is het, hoe heerlijk als broeders bijeen te wonen! 2 Goed als olie op het hoofd die neervalt op de baard, de baard van Aäron, en neervalt op de hals van zijn gewaad, 3 als de dauw van de Hermon die neervalt op de bergen van Sion. Daar geeft de HEER zijn zegen: leven voor altijd. (NBV21)

We zingen vandaag wel een heel klein Psalmpje mee. Veel mensen zullen vinden dat dat geen wonder is. De Psalm bezingt de vreugde van het samenwonen met mensen uit eigen kring. In de kerk is daar vaak geen sprake van. Het “eigen volk eerst” wordt daar bestreden, je moet vreemdelingen behandelen alsof die er ook bij horen en je moet zelfs je vijanden lief hebben. Ook onderling zijn mensen in kerken het vaak zeer oneens met elkaar. Er zijn heel veel, bijna ontelbare, kerkgenootschappen  en dat zou niet moeten mogen. Daar is dan toch een misverstand. Vanaf de eerste dag na de opstanding van Jezus is er onderling discussie. We kennen het verhaal van de ongelovige Thomas, de apostel van eerst zien en dan geloven. De volgelingen van Jezus van Nazareth zaten nog steeds bij elkaar in een huis in Jeruzalem. En over dat bij elkaar zitten gaat de kleine Psalm die we vandaag lezen. Alleen hebben we hier weer te maken met een groot vertaalprobleem. In het Duits wordt vertaald met “Geschwester” waar wij broeders lezen.

In het Hebreeuws staat een woord dat familie van de zelfde stam aanduidt. Een goed Nederlands woord is er niet voor. Huub Oosterhuis heeft deze Psalm ook vertaald en hij laat het in het midden, bij hem luidt het eerste vers : “Alleen kan ook, met twee of drie, met twaalf, of zeven maal zeven, eendrachtig.” Daar hoor je de belofte van Jezus van Nazareth in terug dat waar twee of drie in zijn naam bijeen zijn hij ook aanwezig zal zijn. In het verhaal over die apostel Thomas verscheen hij inderdaad. Onze Psalm heeft het dan over Priesters die gezalfd zijn. De gemeenschap van gelovigen van de Weg van Jezus van Nazareth wordt ook wel een gemeenschap van Koningen en Priesters genoemd. Zo lezen we de Psalm als een oproep om samen te zijn in de Geest van de God van Israël, in de Geest van Jezus van Nazareth voor ons Heidenen. Het idee dat je op je eentje ook wel Christen kan zijn wordt hier ter discussie gesteld. Gelovigen in de nieuwe wereld van Jezus van Nazareth geloven nu eenmaal in een samenleving, een samenleving waaraan iedereen deel kan hebben. En een samenleving heb je nu eenmaal niet op je eentje, die heb je alleen maar samen.

Huub Oosterhuis besluit zijn vertaling van deze Psalm met “zo voelt de nieuwe wereld die komen zal”. In de Nieuwe Bijbelvertaling, die wij hier lezen staat ” leven voor altijd”. Dat is dus hetzelfde. Samen, in een gemeenschap van gelovigen, mogen we alvast ervaren wat ons te wachten staat in die nieuwe wereld. Daar zorgen mensen voor elkaar en voor de minsten op de aarde, daar zingen mensen voor elkaar, daar is iedereen welkom, daar worden verhalen verteld van die nieuwe wereld, daar mag je er nog best aan twijfelen, maar daar mag je het ook zien gebeuren. Die samenleving stuurt je de Weg op, de Weg van Jezus van Nazareth. Die samenleving inspireert je om anderen te helpen, om zicht te krijgen op wie de minsten zijn, om kracht te krijgen om je in te zetten voor hen die zwak zijn en onderdrukt. Daar wordt je dus gezegend, zodat van jou en van allen in die samenleving zegen mag uitgaan, het goede dus. Die samenleving is vlak bij, in de kerk om de hoek van de straat. Kijk maar eens bij Kerkdienstgemist.nl .

Draag altijd vrolijke kleren

Prediker 9:1-12

1 Ik vestigde mijn aandacht op het volgende en heb het onderzocht: Wat de wijzen en rechtvaardigen tot stand brengen, is in de hand van God. Ook hun liefde, ook hun haat. Geen mens kan in de toekomst zien. 2 Hij weet alleen dat ieder mens hetzelfde lot wacht. Ben je een rechtvaardige of zondaar, goed en rein of onrein, offer je wel of offer je niet, ben je goed of zondig, durf je makkelijk een eed te zweren of ben je bang een eed te zweren- 3 alle mensen treft hetzelfde lot. Dat is zo triest bij alles wat de mensen doen onder de zon; en hoe triest ook dat hun hart hun leven lang vol kwaad en dwaasheid is, en dat hun leven eindigt bij de doden. 4 Voor wie nog leven mag, is er nog hoop; beter een levende hond dan een dode leeuw. 5 Wie nog in leven zijn, weten tenminste dat ze moeten sterven, maar de doden weten niets. Er is niets meer dat hun loont, want ze zijn vergeten. 6 Hun liefde en hun haat, alle hartstocht die ze ooit hebben gehad, ging allang verloren. Ze nemen nooit meer deel aan alles wat gebeurt onder de zon. 7 Dus eet je brood met vreugde, drink met een vrolijk hart je wijn. God ziet alles wat je doet allang met welbehagen aan. 8 Draag altijd vrolijke kleren, kies een feestelijke geur. 9 Geniet van het leven met de vrouw die je bemint. Geniet op alle dagen van je leven, die God je heeft gegeven. Het bestaan is leeg en vluchtig en je zwoegt en zwoegt onder de zon, dus geniet op elke dag. Het is het loon dat God je heeft gegeven. 10 Doe wat je hand te doen vindt. Doe het met volle inzet, want er zijn geen daden en gedachten, geen kennis en geen wijsheid in het dodenrijk. Daar ben je altijd naar op weg. 11 Ik heb onder de zon opnieuw gezien dat niet altijd een snelle hardloper de wedloop wint, een sterke held de oorlog, dat niet altijd degene die wijs is zijn brood heeft, en hij die inzicht heeft de rijkdom, hij die bekwaam is het respect. Zij allen zijn afhankelijk van tijd en toeval. 12 Nooit weet de mens wanneer zijn tijd gekomen is: zoals de vissen verraderlijk worden gevangen door de fuik en de vogels door de val, zo wordt de mens verrast door de verraderlijke tijd, wanneer die als een klapnet op hem valt. (NBV21)

Toen de dichteres Jaqueline E. van der Waals net voor de Tweede Wereldoorlog hoorde dat ze kanker had maakte ze daar naar gewoonte een gedicht van. “Wat de toekomst brengen moge, mij geleid des Heren hand, moedig sla ik dus de ogen naar het onbekende land”. Het werd een populair gezang in de kerken en werd zelfs bij de begrafenis van Prinses Juliana gezongen. Het lied is echter geschreven bij deze passage van het boek Prediker. Wat ons zal overkomen weten we niet. Als we nog leven is er nog hoop ook als ons ellende overkomt want het is altijd beter een levende hond te zijn dan een dode leeuw. We zouden het mensen die met zelfmoordplannen rondlopen eens vaker moeten voorhouden. Maar dan zouden we onze samenleving toch wat anders moeten inrichten. Daar zou wat vaker plaats moeten zijn voor mensen die het wat minder in het leven hebben.  We zouden mensen wat beter moeten beschermen tegen de dwang om te consumeren.

Bevrijden van de dwang om allemaal een auto te hebben en een verre vakantie, om allemaal de keuken ingericht te hebben met de nieuwste apparatuur en een slimme Oled TV om ’s avonds naar te kijken. Het nastreven er van is lucht en leegte en najagen van wind. Al die goederen zijn in zichzelf niets waard en het zeker niet waard om je leven naar in te richten. De druk om wat voor te stellen is soms zo groot dat mensen er onder bezwijken. Wanhopig zoeken ze voor zichzelf, en soms zelfs voor hun kinderen, een uitweg uit het leven. Voor Prediker zijn mensen die niks voorstellen ook goed, ze kunnen ook meedoen, ze leven immers en ieder die leeft telt mee en doet mee. We zijn allemaal onderweg naar dat onbekende land “de Toekomst” en niemand komt daar voor het er tijd voor is. Toch zijn er zaken die je aan kunt zien komen als je je ogen open doet. of ze komen hangt af van die open ogen en de stem die je er tegen durft op te zetten.

De manier waarop in ons land over de Islam wordt gesproken door sommige populistische politici maakt dat jongeren zich met geweld moeten gaan bewijzen en dat soms mensen, die in de war zijn om heel andere reden, er een excuus in vinden om hun eigen spanningen af te reageren met geweld. We zouden met meer kennis en met meer respect voor medeburgers en hun geloof moeten durven spreken en de oppervlakkige scheldende populisten de mond moeten durven snoeren. In de Internationale Politiek gaat het al net zo. Overal worden mensen bang gemaakt voor de toekomst. Je kan alles verliezen wat je bezit en dat zou dan het einde zijn. De schuld wordt al vast afgeschoven op mensen die al alles kwijt zijn, de vluchtelingen voor geweld en onderdrukking. De Bijbel waarschuwt tegen keuzes gebaseerd op angst. Laat hoop en liefde de voorrang krijgen.

 

Alles wat God doet

Prediker 8:1-17

1 Wie heeft wijsheid? Wie kent de verklaring van de dingen? De wijsheid straalt een mens van het gezicht en verandert strenge ogen in een milde blik. 2 Ik geef je deze raad: Volg de bevelen van de koning op, zoals je hebt gezworen tegenover God. 3 Onttrek je niet aan zijn gezag, voorkom problemen. De koning doet wat hem behaagt, 4 zijn woord is wet. Is er iemand die hem rekenschap kan vragen van zijn daden? 5 Een wijs mens leeft zijn geboden na en heeft geen kwaad te duchten. Ook doet hij alles op de juiste tijd, want hij weet: 6 voor alles wat gebeurt is er een juiste tijd. Een zware last is dat, voor ieder mens. Het is een kwade zaak, 7 want niemand weet wat komen zal en hoe het later wordt. Wie kan daar iets over zeggen? 8 Niemand heeft macht over zijn adem, geen mens kan tegenhouden dat zijn adem vergaat. Niemand heeft macht over de dag waarop hij sterft, geen mens ontvlucht het slagveld van de dood. En ook het kwaad-het zal zijn dienaren niet redden. 9 Dit alles heb ik vastgesteld gedurende de tijd dat ik aandachtig keek naar alles wat gebeurt onder de zon, en zag dat een mens zijn macht misbruikt om een ander kwaad te doen. 10 Ik heb ook gezien hoe zondaars naar het graf werden gedragen. Op de heilige plaats werden ze in het graf gelegd en ze verlieten onder eerbetoon het leven. Maar de rechtvaardigen werden vergeten in de stad. Ook dat is enkel leegte. 11 Omdat een slechte daad niet snel bestraft wordt, is een mensenhart maar al te snel tot het kwaad geneigd. 12 Een zondaar kan wel honderdmaal kwaad doen en toch vele jaren leven. Natuurlijk weet ook ik: het zal een mens die ontzag voor God heeft goed vergaan-want hij heeft toch ontzag voor God? 13 Een zondaar daarentegen zal het slecht vergaan: de schaduw van zijn levensdagen zal niet lengen-want hij heeft toch geen ontzag voor God? 14 Maar is het hier op aarde niet een grote leegte dat rechtvaardigen ten deel valt wat zondaars verdienen, en zondaars wat rechtvaardigen verdienen? Ook dat-zeg ik-is leegte. 15 Daarom prijs ik de vreugde, want er is onder de zon niets beters voor de mens dan dat hij zich aan eten en drinken tegoed doet en geniet. De vreugde is zijn metgezel wanneer hij zwoegt op elke levensdag onder de zon die God hem heeft gegeven. 16 Ik zocht met heel mijn hart naar wijsheid. Alles wat de mens op aarde onderneemt, wilde ik doorgronden. Nooit geeft hij zijn ogen rust, dag noch nacht, 17 maar de mens is niet in staat, zo heb ik ingezien, de zin te vinden van alles wat God doet onder de zon. Hij tobt zich af en zoekt ernaar, maar hij vindt hem niet, en al zegt de wijze dat hij inzicht heeft, ook hij is niet in staat de zin ervan te vinden. (NBV21)

Sommige Bijbelgedeelten laten zich gemakkelijk misbruiken. Hier lezen we zo’n passage. Prediker waarschuwt er voor dat de hoge overheden, hij noemt hier naar de gewoonte in zijn tijd de Koning, niet voor niets hun macht hebben. Paulus zal later in een brief aan de Romeinen iets vergelijkbaars zeggen. Wil je tegen een overheid optreden dan moet je drie keer nadenken en vooral je eigen leven in de waagschaal willen stellen. Prediker besluit met een belangrijke opmerking. Mensen misbruiken hun macht om anderen kwaad te doen. Dat betekent dus niet dat we onze mond moeten houden. Het gaat er immers om het goede te doen en niets dan het goede. Het gaat er immers om de naaste lief te hebben als onszelf omdat dat het zelfde is als God lief te hebben boven alles, en God liefhebben was het begin van alle Wijsheid. De waarschuwing om de Koning te gehoorzamen is dus niet een opdracht om onrecht te bedrijven en de ogen te sluiten voor het misbruik dat wordt gemaakt. Het is geen Bijbels gebod om af te zien van verzet.

Kwaad is kwaad en goed is goed. Wat slecht is moet slecht genoemd blijven worden en wat goed is verdiend het om als goed te worden aangeprezen. Te vaak wordt macht misbruikt om er zelf beter van te worden. Eén maal per jaar is het de internationale vrijwilligersdag. In veel gemeenten in ons land krijgt een uitzonderlijke vrijwilliger of vrijwilligster dan een prijs. Soms is er ook een aanmoedigingsprijs voor een jongere die zich in het vrijwilligerswerk heeft onderscheiden. Die dag is ingesteld om het belang van vrijwilligerswerk onder de aandacht te brengen. overal op aarde is dat kennelijk nodig. Ook die prijzen zijn in het leven geroepen om voorbeelden van vrijwilligerswerk onder de aandacht van de burgers te brengen, ook dat is kennelijk nodig. Enkele jaren geleden is ook het decoratiestelsel herzien. Niet langer is een langdurig dienstverband met één en dezelfde werkgever reden om iemand koninklijk te onderscheiden maar zijn onbetaalde nevenactiviteiten voor de samenleving of voor vrijwilligersorganisaties reden om mensen in onze samenleving koninklijk te onderscheiden. Zonder vrijwilligerswerk komt onze samenleving kennelijk tot stilstand en ontstaan er grote gaten in de sociale samenhang.

Het is dan soms ook wel wat raar de nadruk te horen die politici leggen op het vervullen van betaald werk. Het lijkt er op dat de winsten voor de rijken waaraan mensen kunnen bijdragen vele malen belangrijker zijn dan de zorg voor de armen en de sociale samenhang waar mensen aan kunnen bijdragen. Stel dat de nood in de samenleving de rijken dwingt tot delen. Het is daarom dat de Prediker er op wijst dat de rechtvaardigen in de stad vergeten worden, zij delen niet mee. Ook wijst hij er op dat de rijken die zich rijk hebben gestolen dan wel rijk zijn gebleven omdat ze weigerden met hun rijkdom de armoede te bestrijden eer en roem ontvangen zelfs als ze dood gaan en begraven worden. Een slechte daad, het niet willen delen, wordt niet zo snel bestraft, integendeel het wordt nogal vaak als norm voorgehouden aan de samenleving, daarom denken veel mensen dat die slechte daden navolging verdienen. Daarom zijn er steeds minder vrijwilligers en wordt de nood in de samenleving soms schrijnend zichtbaar bij hangouderen en straatjeugd. We zullen dag aan dag de wijsheid van God moeten verkondigen, dan kan er wat veranderen.

 

Een rechtvaardig mens

Prediker 7:15-29

15 Dit heb ik in mijn leeg bestaan gezien: een rechtvaardig mens gaat aan zijn rechtvaardigheid ten onder, een onrechtvaardig mens leeft lang ondanks zijn slechte daden. 16 Wees daarom niet al te rechtvaardig en meet jezelf geen overdreven wijsheid aan. Waarom zou je jezelf te gronde richten? 17 Maar gedraag je ook niet al te onrechtvaardig en wees geen dwaas. Waarom zou je sterven voor je tijd? 18 Houd het ene vast en laat het andere niet los. Dat is het beste, want wie ontzag voor God heeft, ontsnapt aan al te veel rechtvaardigheid en ook aan al te veel onrechtvaardigheid. 19 De wijze heeft met deze wijsheid veel meer macht dan tien stadsbestuurders samen. 20 Er is geen mens op aarde die nooit zondigt, die alleen maar goed is en altijd rechtvaardig. 21 Spits daarom je oren niet bij alles wat er om je heen gezegd wordt. Dan hoef je niet te horen hoe je dienaar je vervloekt. 22 Je weet maar al te goed hoe vaak ook jij een ander hebt vervloekt. 23 Dit alles heb ik met mijn wijsheid onderzocht. Ik zei tegen mezelf: Laat ik wijsheid zoeken, maar ze bleef ver weg. 24 Ver is alles wat er is geweest, dieper nog dan diep. Wie zal ooit inzicht vinden? 25 Ik heb met heel mijn hart kennis gezocht en alles wat er is heb ik proberen te doorgronden. Ik heb wijsheid gezocht en wilde tot een slotsom komen; van het kwaad heb ik de dwaasheid willen kennen, van de dwaasheden de waanzin. 26 Altijd weer hoor ik over een vrouw die bitterder zou zijn dan de dood. Een valstrik is zij, haar hart is een klapnet en haar handen zijn ketenen. Een mens die God behaagt zal aan haar ontsnappen, maar een zondaar laat zich door haar strikken. 27 Al met al, zegt Prediker, is wat nu volgt de slotsom van mijn onderzoek. 28 Dit heb ik met hart en ziel onderzocht: ‘Onder duizend mensen vond ik er maar één die ook werkelijk een mens was, en dat was geen vrouw.’ Maar ik zag dat nooit bevestigd. 29 Het enige wat ik vond is dit: de mens is door God rechtschapen gemaakt, maar altijd weer kiest hij de verkeerde wegen. (NBV21)

Voor Prediker is dit een grote troost. Niemand is volmaakt en alsmaar streven naar het volmaakte is op zich ook weer een inspanning die leidt tot lucht en leegte, het is ook najagen van wind. Voor Prediker moet je niet alleen letten op je rechtvaardigheid maar ook op je onrechtvaardigheid. Juist als weet en wil toegeven dat je ook wel eens onvolmaakt bent dan heb je meer macht dan tien stadsbestuurders samen. De politici uit de tijd van Prediker deden net als de politici van vandaag of ze alles weten en de wijsheid in pacht hebben. Wie al te veel naar de burgers luistert hoort misschien net iets te veel hoe ze je vervloeken. Politici die zich daardoor laten leiden kunnen ook al te gemakkelijk de verkeerde beslissingen nemen. Want waren al jouw vervloekingen achteraf altijd terecht? Niet alleen politici menen vaak de wijsheid in pacht te hebben. Ook gelovigen kunnen daaraan lijden. Ze weten zo goed hoe het zit en hoe het moet dat ze hun geloof aan anderen willen opleggen. De wereld zou immers beter worden als iedereen God zou volgen? Dan wordt de wereld wel beter maar als de mensen gedwongen worden God te volgen dan volgen ze God niet maar hen die ze daartoe dwingt. Fundamentalisten brengen de mensen dus eerder verder van God dan dichter bij God.

Prediker is duidelijk een man. Op zoek naar de Wijsheid vond hij een vrouw. Nu is de Wijsheid in de Bijbel een vrouwelijk element. Daar waar Wijsheid samenvalt met God is God ineens een vrouw en niet een man, lees het boek Spreuken er maar eens op na. Maar mannen denken niet aan God als ze een vrouw tegenkomen. Mannen willen dan man zijn, haantje de voorste. De man wil veroveren, bezitten, zijn lust bevredigen. Een vrouw als gelijke behandelen zoals in het boek Hooglied geschetst wordt is bijna onmogelijk. Dat je elkaar tot hulp moet zijn en dat man en vrouw volgens het lied van de Schepping uit Genesis samen zo geschapen zijn ontgaat de meeste mannen. Nee, de man is volgens de meeste mannen de beschermer van de vrouw, beschermer tegen andere mannen die hetzelfde willen als de man zelf.  Dat vrouwen zelf verlangens hebben, dat vrouwen gelijk zijn aan mannen komt bij die mannen niet op. Werkelijk een mens is de mens die aan de bedoeling van de schepping beantwoordt. Mensen zijn geschapen als man en vrouw, elkaar tot hulp, gelijk dus. Zelfs vrouwen willen dat dus niet altijd inzien zegt de Prediker en waarschuwt ons dus om maar al te gemakkelijk vrouwen te volgen en daarmee te denken dat je de gelijkheid dient. Die gelijkheid, dat beantwoorden aan de schepping, zal door beiden veroverd moeten worden. De Bijbel staat vol met voorbeelden hoe dat zou kunnen en hoe dat voortdurend mislukt en dreigt te mislukken.

Daarom is het zo triest dat die ongelijkheid nog het hardst wordt verdedigd door mannen die zich beroepen op de Bijbel. Mannen die dit gedeelte van Prediker niet uitleggen als een spiegel voor mannen en een waarschuwing voor vrouwen maar als het bewijs dat vrouwen en mannen door God niet geschapen zijn als mens, elkaar tot hulp, maar als het bewijs dat vrouwen de mindere zijn van mannen en dat mannen terecht over vrouwen willen heersten. Wie Prediker goed leest in deze passage zal snappen dat juist als de ongelijkheid hier in wordt gelezen de mens in de val trapt van “de vrouw zien als verleidster”, als bezit van de man in plaats van als hulp en als mens van wie de man de hulp mag zijn. Prediker zegt dat een zondaar zich laat strikken en een zondaar is immers de mens die denkt het wel zonder dat verhaal van die God van Israël te kunnen. De gedachtenspinsels waar Prediker het over heeft maken een mens tot een god in het diepste van zijn gedachten. Mannen denken vrouwen te kunnen bezitten en daarmee over hen te kunnen heersen, vrouwen denken mannen te kunnen verleiden en daarmee mannen te kunnen manipuleren. Van menszijn, elkaar tot hulp om de naaste te kunnen liefhebben als zichzelf, blijven ze ver verwijderd.

 

De lofzang van de dwazen

Prediker 7:1-14

1 Beter een goede naam dan een kostbare geur, de dag waarop je sterft is beter dan de dag waarop je wordt geboren. 2 Het is beter dat je naar een huis vol rouw gaat dan naar een huis vol feestrumoer, want in een huis vol rouw eindigt iedereen. Dat neme ieder mens zijn leven lang ter harte. 3 Je kunt beter droevig zijn dan vrolijk, want bij een droevig gezicht maakt het hart het goed. 4 De gedachten van de wijze verkeren in een huis vol rouw, die van de dwaas in een huis vol plezier. 5 Je kunt beter luisteren naar de berisping van de wijzen dan naar de lofzang van de dwazen, 6 want zoals de dorens knetteren onder de pot, zo knettert het lachen van de dwaas. Ook dat is enkel leegte. 7 Afpersing maakt de wijze dwaas, steekpenningen richten het hart te gronde. 8 Beter de voltooiing van de dingen dan dat ze beginnen, beter geduld dan ongeduld. 9 Erger je niet te snel, want ergernis heerst in het hart van de dwaas. 10 En vraag jezelf niet af waarom het vroeger beter was dan nu. Het getuigt van weinig wijsheid als je daarnaar vraagt. 11 Bezit kan beter samengaan met wijsheid; dat is nuttiger onder de zon. 12 Ze bieden beide schaduw, maar het voordeel van de wijsheid is dat ze de mens meer schaduw in het leven biedt. 13 Bezie het werk van God: wie maakt recht wat Hij krom heeft gemaakt? 14 Geniet dus op de goede dagen van het goede, maar zie op de slechte dagen in dat God naast de goede ook de slechte dagen heeft gemaakt. Geen mens kan in de toekomst zien. (NBV21)

Soms is het moeilijk de Prediker serieus te blijven nemen. Het is beter dat je gaat naar een huis vol rouw dan naar een huis vol feestrumoer want in een huis vol rouw eindigen we allemaal. Het klinkt als een mop, net als de uitspraak dat je beter droevig kunt zijn dan vrolijk want bij een droevig gezicht maakt het hart het goed. We moeten bij deze passage niet vergeten dat Prediker ons een aantal malen op het hart heeft gedrukt dat iedereen dood gaat en dat je bezit, aanzien en rijkdom niet mee kan nemen als je dood gaat. Door aan dat dood gaan te denken wordt het makkelijk om je bezit te delen of weg te geven. Als je er niet van kunt genieten laat een ander er dan van genieten en geniet daar zelf ook nog van mee lijkt de Prediker te zeggen. Dit gedeelte begint met het noemen van de goede naam en een goede naam krijg je door veel te geven en over te hebben voor je naaste. Een slechte naam krijg je door je als vrek te gedragen en je te tooien met kostbare kleding en kostbare parfums. Daarom is het beter een goede naam te hebben dan een kostbare geur.

Dat denken aan de dood hoeft je dus niet te weerhouden te genieten van het leven. Met de oproep droevig te kijken vervalt niet de oproep te genieten van wat je hebt. Maar Prediker brengt je wel bij echt genieten. In de negentiende eeuw zei een dichtende dominee uit Heiloo eens dat Humor het lachen door tranen heen is. Prediker is hier een humorist bij uitstek. Juist door je te realiseren hoe betrekkelijk het leven is kun je de vreugde van het leven des te meer beleven, het kan immers elk moment afgelopen zijn en het zou toch jammer zijn als je er dan niet van hebt genoten omdat je nog zo ijverig bezig was om goederen en rijkdom te vergaren. Daarom is het ook zo onvoorstelbaar dat staten muren bouwen waardoor de invoer van producten die door de armen zijn gemaakt bijna onmogelijk wordt. Veel ouders vragen zich dezer dagen af waar de tijd gebleven is dat zij rustig en met een veilig gevoel naar school gingen. Het is dwaas daarnaar te vragen zegt de Prediker. En Prediker heeft gelijk.

Sinds de dagen van de oude Grieken, toen Plato klaagde over de houding van jongeren, wordt er in elke generatie geklaagd over de houding van de jeugd. De nozems uit de jaren 50 zijn nu, een paar jaar nadat ze met pensioen zijn gegaan, tot hangouderen uitgegroeid, maar iedereen lijkt de nozems met hun brutaliteit en geluidsoverlast te zijn vergeten. Er zijn daarna toch ook tijden geweest dat de politie elk weekeinde de binnenstad van Amsterdam met de wapenstok moest ontdoen van rel schoppende jeugd. Met die tijden vergeleken is het tegenwoordig rustig, ondanks het zinloze geweld dat van tijd tot tijd de rust verstoord. We moeten dus leren van de goede dagen waarop rust en wijsheid het leven lijken te besturen. Dat er slechte dagen zijn moeten we dan maar op de koop toe nemen. Het enige dat we kunnen doen is ons om elkaar bekommeren, luisteren naar jongeren die met hun woede en kwaadheid geen weg weten en proberen met hen verstandige wegen te vinden om hun kwaadheid te uiten en hun problemen op te lossen. Juist op de vele scholen voor voortgezet onderwijs zijn er veel leraren die dat dag in dag uit proberen. Niet altijd met succes, maar meestal wel. Ze verdienen de steun en de aandacht van volwassenen en leerlingen en de steun en waardering van de politiek, dat brengt wellicht nog meer rust.