Omwille van mijn naam

Marcus 13:3-13

3 Toen Hij op de Olijfberg was gaan zitten, tegenover de tempel, en Petrus, Jakobus, Johannes en Andreas alleen met Hem waren, stelde Petrus Hem de vraag: 4 ‘Vertel ons, wanneer zal dat allemaal gebeuren en aan
welk teken kunnen we herkennen dat het zover is?’ 5 Jezus antwoordde: ‘Pas op dat niemand jullie misleidt. 6 Want er zullen velen komen die mijn naam gebruiken en zeggen: “Ik ben het,” en ze zullen veel mensen
misleiden. 7 Als jullie berichten horen over oorlog en oorlogsdreiging, wees dan niet verontrust. Die dingen moeten gebeuren, maar daarmee is het einde nog niet gekomen. 8 Het ene volk zal tegen het andere ten strijde trekken en het ene koninkrijk tegen het andere, en overal zullen er aardbevingen en hongersnoden zijn: dat is het begin van de weeën. 9 Wat jullie zelf betreft: pas goed op. Jullie zullen voor het gerecht gesleept worden en in synagogen worden gegeseld, en jullie zullen omwille van Mij voor gouverneurs en koningen moeten verschijnen om getuigenis af te leggen. 10 Want eerst moet aan alle volken het goede nieuws worden verkondigd. 11 Wanneer jullie weggevoerd worden om te worden uitgeleverd, maak je dan vooraf geen zorgen over wat je zult gaan zeggen; zeg wat jullie op dat moment wordt ingegeven, want jullie zijn het niet die dan spreken, maar het is de heilige Geest. 12 De ene broer zal de andere uitleveren om hem te laten doden, en vaders zullen hetzelfde doen met hun kinderen, en kinderen zullen zich tegen hun ouders keren en hen ter dood laten brengen. 13 Jullie zullen door iedereen worden gehaat omwille van mijn naam, maar wie standhoudt tot het einde zal worden gered. (NBV21)

We zijn nog lang niet zo ver, dat aan alle volken op de aarde het goede nieuws is verkondigd. In de tijd dat het evangelie van Marcus werd geschreven leek dat heel wat dichterbij dan vandaag. Toen geloofde men dat er zeventig volken op de wereld waren en dat eigenlijk al die volken zo ongeveer onderworpen waren aan het Romeinse Rijk. Het feit dat er overal oorlog werd gevoerd en dat er hongersnoden en aardbevingen waren droeg bij aan het gevoel dat het einde van de geschiedenis wel dichtbij zou moeten zijn. Als je nagaat hoe oud de kosmos is, hoe ver we afzitten van de oerknal, dan is die paar duizend jaar waarover we nu praten inderdaad niet veel. Maar op een mensenleven is het nog een hele tijd. Als we het gedeelte van vandaag nauwkeurig lezen dan blijkt dat we ons eigenlijk helemaal niet druk hoeven maken over al die tekenen die wijzen op een mogelijk einde van de geschiedenis. Ook in onze dagen duikt het verlangen het te kunnen voorspellen weer op. Er zijn hele bewegingen die zich voor christelijk uitgeven die zich bezig houden met het bewijs dat we in de eindtijd leven. Volgens de Bijbel betekenen die tekenen voor gelovigen helemaal niks.

Wat veel belangrijker is is de vraag hoe je dat geloof volhoudt. Al die keurige nette schriftgeleerden in hun mooie pakken vinden het maar niks, dat voorop zetten van de minste, dat dag en nacht zorgen voor de mensen die zorg nodig hebben. Ze zullen zich er met geweld tegen verzetten. Ja zelfs binnen families zal er ruzie blijven ontstaan rond de vraag waar de familie bij hoort, bij die scherpslijpende zich duur voordoende bijbelgeleerden, of bij de mensen die alles wat ze hebben delen met hen die niets hebben, die proberen iedereen er van de overtuigen dat alleen samen leven en samen delen kan leiden tot een betere samenleving. Gelukkig hoef je je niet af te vragen hoe je dat moet uitleggen, als je behept bent met dezelfde geest als Jezus van Nazareth, de Heilige Geest noemen we dat in de kerk, dan vallen de juiste woorden je vanzelf in. Soms zul je zelfs verbaasd staan van jezelf hoe helder en overtuigend je de bevrijding van de armen kunt verkondigen.

Denk overigens niet dat Jezus van Nazareth de vier volgelingen met wie hij naar de tempel zat te kijken iets nieuws vertelde. Hij citeert hier volop uit de boeken van de profeten. Dat van die familieruzies werd bijvoorbeeld al voorspeld door de profeet Micha en Daniël had temidden van de ballingschap in Babel al opgeroepen om vol te houden in het geloof in de God van Israël ook al wordt je door iedereen er om gehaat. In de dagen van het ontstaan van het evangelie van Marcus was er alle reden om kijkend naar de Tempel na te denken over het einde van de geschiedenis. Keizer Caligula had eerst de Tempel op verschrikkelijke wijze ontwijd en in het jaar 70 zou de Tempel in Jeruzalem voorgoed verwoest worden, alleen een muur bleef staan. Die verwoesting bracht een einde aan de manier waarop de godsdienst van de God van Israël vanouds werd gevierd. Christenen bedachten toen dat hun hart de Tempel zou moeten zijn waar God zou komen wonen. En dat betekent dat overal waar we zijn, dag in dag uit, we de wil van God kunnen doen door oog en zorg te hebben voor de minsten op aarde, ook vandaag kan dat weer, ondanks alle tegenstand.

 

Met een lofzang prijzen.

Psalm 69:20-37

19 Wees mij nabij en bevrijd mij, verlos mij van mijn vijanden. 20 U kent mijn smaad, mijn schande, mijn schaamte, al mijn belagers staan voor U. 21 Smaad heeft mijn hart gebroken, ik ben radeloos, ik hoopte op
mededogen-vergeefs; op troost-die ik niet vond. 22 Nee, ze mengden gif door mijn eten en lesten mijn dorst met azijn. 23 Laat hun tafel hun valstrik worden en een valkuil voor hun vrienden. 24 Laat het licht uit hun ogen verdwijnen, beroof hun lendenen van alle kracht. 25 Stort over hen uw toorn uit, laat hen aan uw woede niet ontkomen. 26 Maak hun woonplaats tot een woestenij, verdrijf uit hun tenten de laatste bewoner. 27 Want zij vervolgen wie U hebt geslagen, en wegen het leed van wie door U is verwond. 28 Voeg dit alles toe aan hun schuld, sluit hen uit van uw genade, 29 schrap hun namen uit het boek van het leven, laat ze niet geschreven staan bij de rechtvaardigen. 30 Ik ben verzwakt, ik ben verwond, maar uw hulp, o God, zal mij beschermen. 31 De naam van God wil ik loven met een lied, zijn grootheid met een lofzang prijzen. 32 Dat behaagt de HEER meer dan offerdieren, dan stieren met hun hoorns en hoeven. 33 De nederigen zien het en verheugen zich, wie God zoeken, hun hart zal opleven. 34 Want de HEER hoort de armen, zijn gevangen volk verwerpt Hij niet. 35 Hemel en aarde moeten Hem loven, de zeeën, met alles wat daarin leeft. 36 Want God zal Sion redden en de steden van Juda herbouwen. Zijn volk zal daar wonen en het land bezitten. 37 De kinderen van wie Hem dienen, erven het, en wie zijn naam liefheeft, mag er verblijven. (NBV21)

We zijn ook vandaag nog niet van het klaaglied af. Want waar kun je over klagen. Over je vijanden, die je niet tot je recht laten komen. Neem nu de dichter van deze psalm. Hij is verzwakt en verwond. Misschien is dat wel het werk van God. Maar waarom komen de mensen hem niet tot hulp. Nee ze beschuldigen hem, ze vervolgen hem. Ze vergiftigen zijn eten en geven azijn te drinken. Het komt ook vandaag de dag nog voor. Als je ziek bent of gehandicapt dan is dat een straf van God zeggen sommigen. Mensen gaan nu eenmaal graag op de stoel van God zitten en vinden dat normaal ook. De Bijbel spreekt een andere taal. Toen aan Jezus eens gevraagd werd of een verlamde door God gestraft werd van wegen zijn eigen zonden of vanwege de zonden van zijn ouders riep Jezus dat het helemaal niet ging om de zonden, maar opdat de heerlijkheid van God duidelijk zou worden en hielp vervolgens de verlamde weer op weg.

Zo mogen wij ook nog wel eens kijken naar onze zieken en gehandicapten. De mensen die aangewezen zijn op verpleging en verzorging. Zijn zij ons niet alles waard? Kunnen ook wij niet zeggen dat de liefde die God ons gegeven heeft zichtbaar wordt in de wijze waarop wij zorg en verpleging beschikbaar stellen aan hen die het nodig hebben? Dus komt in onze dagen aan het licht hoe onze samenleving in elkaar zit. Kijk maar eens rond in de verpleeghuizen. Overbelast personeel kan nauwelijks de zorg verlenen die nodig is. Wij leven in een samenleving van ikke ikke ikke en de rest kan stikken. De zorg wordt de rijken te duur. Wie alles voor een ander over heeft dreigt drie dagen preventief opgesloten te worden wegens gevaarlijk gedrag. Je moet immers voor jezelf leven, in grote auto’s zo hard mogelijk rijden zonder je aan de snelheidsregels te houden, die regels zijn alleen voor de armen.

De dichter van deze klaagzang blijft niet bij de pakken neer zitten. Het geven van liefde is nog altijd beter dan zelfs een mooi religieus ritueel. De armen hebben dat als eerste door. Als je elkaar niet helpt dan redt je het niet in het leven. De manier waarop de God van Israël ons richtlijnen heeft gegeven voor een menselijke samenleving is nog steeds de beste en vaak de enige manier om werkelijk nog iets menselijks tot stand te brengen. Overal zijn vrijwilligers en mantelzorgers. Als er ergens een nieuwe noodopvang voor vluchtelingen geopend wordt komen er zo veel vrijwilligers op af dat men niet altijd weet wat ze kunnen doen. Natuurlijk de rijken wijzen graag op het handje vol bange schreeuwende broekenpissers die hun angst laten zien en alle goedwillende mensen overschreeuwen. De machtigen willen dat die angst ons zal leiden. Maar ook de psalmdichter wijst ons vandaag op de macht van de God van Israël die maakt dat wij niet bang hoeven te zijn zo lang we uit liefde blijven handelen, dag in dag uit.

 

Bevrijd mij

Psalm 69:1-19

1 Voor de koorleider. Op de wijs van De lelies. Van David. 2 Red mij, God, het water staat aan mijn lippen, 3 ik zink weg in bodemloos slijk en vind geen grond voor mijn voeten, ik ben in diep water geraakt, de stroom sleurt mij mee. 4 Uitgeput ben ik van het roepen, mijn keel is schor geschreeuwd, mijn ogen zijn verzwakt van het uitzien naar mijn God. 5 Talrijker dan de haren op mijn hoofd zijn zij die mij haten zonder reden, met velen zijn mijn belagers, mijn vijanden die mij bedriegen: teruggeven moet ik wat ik niet heb geroofd. 6 God, U kent mijn lichtzinnig leven, mijn schuld is U niet ontgaan. 7 Laat ik niet beschamen wie naar U uitzien, HEER, God van de hemelse machten, laat wie U zoekt niet om mij te schande staan, God van Israël. 8 Om U moet ik smaad verduren en bedekt het schaamrood mijn gezicht. 9 Ik ben voor mijn broers een vreemde geworden, een onbekende voor de zonen van mijn moeder. 10 De hartstocht voor uw huis heeft mij verteerd, de smaad van wie U smaadt, is op mij neergekomen. 11 Ik huilde tranen toen ik vastte, maar hoon was mijn deel, 12 ik hulde mij in een boetekleed, maar werd een mikpunt van spot. 13 In de stadspoort wordt over mij gepraat, dronkaards zingen liedjes over mij. 14 En nu, HEER, richt ik mijn gebed tot U, laat dit een uur zijn van mededogen. Groot is uw liefde, God, antwoord mij, toon uw trouw en red mij. 15 Trek mij uit het slijk voordat ik wegzink, laat mij ontkomen aan wie mij haten, haal mij uit dit diepe water. 16 Laat de droom mij niet meesleuren mij niet verzwelgen, de afgrond zijn muil niet boven mij sluiten. 17 Antwoord mij, HEER, U bent genadig en goed, keer u tot mij, zie mij in erbarmen aan. 18 Verberg uw gelaat niet voor uw dienaar, antwoord mij snel, want de angst benauwt mij. 19 Wees mij nabij en bevrijd mij, verlos mij van mijn vijanden. (NBV21)

Vandaag lezen we het eerste gedeelte van een klaagzang, geschreven op een in Israël heel vroeger populaire melodie. De dichter vraagt zijn God om bevrijding. Nu kennen we in de Theologische Verloskunde ook die klachten wel. De gelovige moet dan verlost worden van de eigen zonden al heeft die gelovige dat niet verdient. Dat laatste klopt dan wel met de Bijbelse gegevens want alleen maar vragen om verlossing voor jezelf is behoorlijk egoïstisch en daar gaat het bij het geloven in de God van Israël nu juist niet om. Het gaat hier om een schreeuw om verlossing van de vijanden, van de goddelozen. Die brengen je steeds in verleiding het verkeerde te doen. Je lijkt te gaan verdrinken in een samenleving die in alles het tegengestelde is van hetgeen je op grond van de Bijbel lijkt te geloven. Je wordt van alle kanten bedrogen, niemand is meer te vertrouwen.

Ze halen je bankrekening leeg als je iemand een glas water hebt gegeven. Misschien dat je houding tegenover vreemden wat lichtzinnig is en dat je er zelf ook mede schuld aan hebt maar vriendelijkheid, hulpvaardigheid en gastvrijheid zijn ook voorbeelden voor anderen, voorbeelden over hoe je kunt zijn als je luistert naar de God van Israël. Maar in plaats van je recht te doen gaat iedereen je verwijten dat je zo stom was die ander te helpen. Die diefstal, die nood waar je in verzeilt geraakt bent is je eigen schuld. En zelfs als je je schuld toont wordt je nog bespot, een stommerd ben je, een naïeveling die altijd anderen vertrouwt en die ellende krijg je als je onbevangen de God van Israël volgt. Je zou willen dat je recht zou worden gedaan, dat je erkenning krijgt voor het goede dat je hebt gedaan voor iemand die een beroep op je deed.

In Israël werd het recht gesproken in de poort van de stad. Daar zaten de oudsten die op grond van de Tora, de leer van Mozes, mensen tot hun recht moesten laten komen. De armen, de slachtoffers van ziekte, onderdrukking, geweld, de weduwen en de wees kregen daar de voorrang die ze nodig hadden en het recht waarmee ze door konden gaan. Maar in plaats van recht krijgt de dichter spot. In de kroegen van de stad zongen de drinkebroers spotliedjes. Van broederschap, van erkenning en ondersteuning is geen sprake meer. Moet je dan veranderen? Moet je dan meegaan in de wereld van het grote ik? Kennelijk heeft de Psalmdichter door dat je als je twijfelt aan de manier waarop je leeft en handelt de God van Israël een manier biedt om te ontdekken wat een betere en meer vruchtbare manier is van leven. Dat aanbod hebben wij ook. Aan het werk dus met naastenliefde, wat men er ook van vinden moge.

 

 

Als een herder

Zacharia 11:10-17

10 Toen nam ik mijn staf Vriendelijkheid en sloeg hem aan stukken om het verbond te verbreken dat ik gesloten had met alle volken, 11 en daarmee was het verbroken. De veehandelaars, die goed op mij letten, begrepen dat ik dit deed in opdracht van de HEER. 12 Ik zei tegen hen: ‘Als u tevreden bent, keer me dan mijn loon uit; zo niet, laat het dan maar.’ En ze betaalden mij mijn loon uit, dertig sjekel zilver. 13 Toen zei de HEER tegen mij: ‘Bied het de smelter maar aan, dat vorstelijke loon dat zij Me waard vinden.’ Dus bood ik de smelter dat zilver aan en smeet het bij hem in de tempel neer, 14 en ik sloeg ook mijn andere staf, Eenheid, in stukken, om de broederschap tussen Juda en Israël te verbreken. 15 Toen zei de HEER tegen mij: ‘Rust je nogmaals toe als een herder, als een die niet deugt. 16 Ik zal immers in dit land een herder laten optreden die zich om het verdoolde schaap niet bekommert en het afgedwaalde niet zoekt, die het gekwetste niet geneest en het gezonde niet verzorgt, maar die het vlees van de vette dieren opeet en afkluift tot op het bot.’ 17 Wee de nietsnut van een herder die de kudde in de steek laat! Moge het zwaard zijn rechterarm treffen en zijn rechteroog uitsteken. Moge zijn arm verschrompelen en het licht in zijn oog doven. (NBV21)

Zacharia verkleedde zich nog een keer als herder maar nu als de herder die niet deugt. Geen Vriendelijkheid of Eenheid meer als staf, maar de herder die het er goed van neemt, de vette schapen slacht en opeet en de magere schapen laat lopen. Het was een profetie in beeld, een toneelspel dat uitbeeld wat gezegd zou moeten worden. Hij neemt niet langer verantwoordelijkheid maar verhuurd zich. Het loon is daarom niet voor zichzelf maar voor de Tempel, daar kwam men te kort. Zo kwam het ook tot de scheiding tussen Israël en Juda.

Nu moet Zacharia eerst recht een slechte herder spelen. Eén die zelf de schapen opeet en zeker niet op pad gaat als er een schaap verdwaalt. Zo blijft er in korte tijd niets van de kudde over en het gedeelte van vandaag eindigt dan ook met een vervloeking. Het zijn de leiders die vervloekt worden, aan ons om die leiders op tijd bij te sturen en te zorgen dat ze oog krijgen voor de zwaksten in de samenleving. Er blijft er een belofte over en een liedje.

De belofte is dat er een herder komt die de zwakke schapen verwaarloost, de vette schapen slacht en het vlees opeet en afkluift tot op het bot. Het lied is het laatste vers, daar in wordt de slechte herder de wacht aangezegd. Soms kijken mensen om zich heen en zeggen dan dat toch niet langer gaat. Zo was het niet bedoeld toen God de mens naar zijn beeld vormde. God immers is de herder die de mens aan levend water leidt, waar er eten in overvloed is en rust en veiligheid heersen. Jezus van Nazareth zou het later ook over dit gedeelte van Zacharia hebben. Hij liet zien wat de goede herder was en hoe wij goede herder kunnen worden. Kijk maar eens naar onze herders en waar die bij horen.

 

Open je poorten

Zacharia 11:1-9

1 Open je poorten, Libanon! Vuur zal je ceders verteren. 2 Klaag, cipres, want gevallen is de ceder: de machtigen zijn geveld. Huil, eiken van Basan, want gevallen is het ondoordringbare woud. 3 Hoor de herders jammeren, want verwoest is hun lustoord. Hoor de leeuwen brullen, want verwoest is de trots van de Jordaan. 4 Dit heeft de HEER, mijn God, gezegd: ‘Weid de schapen die voor de slacht bestemd zijn. 5 Hun kopers kunnen ze zonder wroeging slachten, de verkopers danken de HEER dat ze er rijk van worden, en de herders sparen het vee niet. 6 Ik zal immers de bevolking van dit land niet langer sparen-spreekt de HEER. Ik lever de mensen aan elkaar en aan hun koning uit; ze zullen het land vernielen zonder dat Ik ingrijp.’ 7 Dus weidde ik het slachtvee dat aan de veehandelaars toebehoorde. Ik nam twee stokken- de ene noemde ik Vriendelijkheid en de andere Eenheid-en daarmee weidde ik het vee. 8 Binnen een maand ontdeed ik me van drie herders, omdat ik mijn geduld met hen verloor en zij een afkeer van mij kregen. 9 Tegen het vee zei ik: ‘Ik weid jullie niet langer. Laat maar sterven wie sterven moet, laat maar verdwijnen wie verdwaalt, en laat de rest elkaar maar verslinden.’ (NBV21)

Er was kennelijk een conflict ontstaan met de Libanon, het gebied dat ten noorden van Israel ligt. De profeet ziet dat het gelijk in dat conflict aan de kant van Israël ligt. Denk niet dat de profeet dat nu eenmaal zegt omdat hij zelf tot het volk behoort want zo zit het niet met profeten. Die roepen namelijk net zo gemakkelijk het onheil af over het eigen volk als dat fout zit. In dit geval worden de vijanden vergeleken met vee. Het wordt geweid, vetgemest en verkocht. Zo ga je met je vijanden om. God komt er niet aan te pas in dit soort conflicten. Wij hebben vaak de neiging om conflicten tussen mensen aan God toe te schrijven. Waarom staat God toe dat het geweld in Israël en Palestina geen eind kent? Waarom kent de geschiedenis van de mensheid, oppervlakkig bekeken, niet anders dan oorlog en geweld? De mensen zijn aan elkaar en aan hun koningen uitgeleverd zegt de profeet.

Als mensen oorlog willen maken dan moeten ze hun gang maar gaan. Ze moeten zich wel afvragen aan wiens kant ze gaan staan. Maar als ze oorlog willen voeren en er zelfs rijk van willen worden moeten ze dat zelf weten. Propageert de profeet in dit gedeelte het voeren van oorlog? Natuurlijk niet. Oorlog gaat gepaard met verdriet en ellende en in dit Bijbelgedeelte is het gehuil en het gebrul niet van de lucht. Verwoest worden de lustoorden en de trots van de Jordaan. Oorlog gaat immers nooit zonder schade en zonder verwoesting. Maar je hebt zelf de keuze of je oorlog wil voeren of niet. Soms spelen profeten spelletjes om duidelijk te maken wat ze bedoelen. Ezechiël was daar heel goed in maar in dit gedeelte uit het boek van de profeet Zacharia lezen we dat die er ook wat van kon. Op welke manier moeten leiders nu voor hun volk zorgen. In de boerengemeenschap die Israel was sprak het beeld van de herder direct aan. Je vindt dat beeld dan ook op veel plaatsen in de Bijbel. Denk maar aan die beroemde psalm van de Heer is mijn herder, psalm 23.

De laatste jaren komt bij ons de herder weer in beeld als landschapsbewaarder. De kudde graast en voorkomt dat de heide een bos wordt. Als je dan met je kudde van de ene naar de andere plek trekt moet je natuurlijk wel zorgen dat alle schapen meetrekken, anders houd je op de duur geen kudde meer over. Het aardige in de Bijbel is dat daar geleerd wordt dat hoe beter je zorgt voor elk schaap afzonderlijk, vooral voor de zwakke schapen, hoe beter je zorgt voor de hele kudde. In Israël had de herder een staf. Zacharia neemt twee van die stokken en noemt die Vriendelijkheid en Eenheid. Zijn staf Vriendelijkheid sloeg hij in stukken. Hij liet zich daarom uitbetalen, dertig zilverlingen. Toen de staf Eenheid in stukken geslagen werd viel ook het rijk Israël in twee stukken, Juda en Israël. Nog was het spel niet uit. Duidelijk wordt dat Vriendelijkheid en Eenheid begrippen zijn waarmee oorlogen tot een einde gedwongen kunnen worden. In onze dagen zijn die dus meer dan nodig.

 

Ik ben vol zorg

Zacharia 10:1-12

1 Wanneer het voorjaar wordt, vraag dan de HEER om regen. Hij is het die onweerswolken maakt, Hij schenkt de mensen stortregens en gewas op het veld. 2 Orakels zijn bedrog en waarzeggers vertellen leugens: wat zij dromen komt niet uit, hun troost bestaat uit holle woorden. De mensen dolen rond als schapen, ontredderd, want een herder is er niet. 3 Woedend ben Ik op de herders, en de bokken zal Ik weten te vinden. De HEER van de hemelse machten zal zich ontfermen over het volk van Juda, zijn kudde, en het tot zijn prachtig strijdros maken. 4 Uit dit volk komt de hoeksteen voort, de tentpin en de oorlogsboog, uit dit volk komen alle overwinnaars. 5 Krijgshaftig zullen ze in de strijd de vijand in het slijk vertrappen. Ze zullen overwinnen, want de HEER staat hen bij, maar zij die hoog te paard zitten gaan roemloos ten onder. 6 Ik zal het volk van Juda onoverwinnelijk maken en de nakomelingen van Jozef laten zegevieren. Ik ben vol zorg voor hen en zal hen veilig thuisbrengen. Dan zal het weer zijn als voorheen, alsof Ik hen nooit verstoten had, want Ik ben de HEER, hun God, en Ik zal hun gebeden verhoren. 7 Het krijgshaftige Efraïm zal dronken zijn van vreugde, en wanneer hun kinderen dat zien, zullen ook zij zich verheugen en vol overgave juichen voor de HEER. 8 Ik zal hen bij mij fluiten en hen samenbrengen, want Ik heb hen vrijgekocht. Ze zullen weer even talrijk worden als vroeger. 9 In den vreemde zal Ik hen vrucht laten dragen, in verre streken zullen ze Mij gedenken en hun kinderen grootbrengen, en dan zullen ze terugkeren. 10 Ik zal hen terughalen uit Egypte en Assyrië, en hen samenbrengen in Gilead en de Libanon, maar daar zal niet genoeg plaats zijn voor hen. 11 Wanneer ze door de zee trekken, die hen omspoelt, zal de HEER de golven bedwingen en de beddingen van de Nijl zullen droogvallen. Zo wordt de trots van Assyrië gebroken en wordt Egypte zijn scepter afgenomen. 12 Met mijn hulp zullen ze onoverwinnelijk zijn, en zij zullen optrekken in mijn naam-zo spreekt de HEER. (NBV21)

De babyfluisteraars, de geestensprekers, de paranormaal begaafden, het zijn allemaal leugenaars en bedriegers. Dat is wat de Bijbel er van zegt. En eerlijk is eerlijk, alle wetenschappelijke onderzoeken in de parapsychologie hebben aangetoond dat de Bijbel gelijk heeft. Sommige mensen hebben wat meer gevoeligheid voor de betekenis van menselijke verhalen dan anderen. Daarom lijkt het er soms op dat ze meer weten dan een ander, maar dat is dus niet zo. In tijden van bedreiging weet je dat als je samen staat, je ook sterk staat, als je samen weet te delen en alles voor elkaar over hebt dan ben je bijna onoverwinnelijk, zeker als niemand zich af laat schrikken door bedreigingen met de dood. Als je samen staat en samen deelt dan volg je de weg van God, en God is uiteindelijk de enige heer van de wereld. Niemand heeft macht op aarde dan God, al die anderen wenden hun macht alleen maar voor en er wordt naar hen geluisterd omdat mensen bang zijn en zich laten misleiden. Voor die angst is geen reden. Dus ook niet het wanhopig zoeken naar zekerheid over de toekomst.

Rond de ballingschap was de stam Efraïm een van de eerste stammen die uit Israel werd weggevoerd. Het behoorde ook tot de 10 stammen die uiteindelijk niet zouden terugkeren en op zouden gaan in Juda en Benjamin, in Judea en Galilea. De voorspelling van Zacharia in dit Bijbelgedeelte is dan ook niet uitgekomen. Maar het is ook geen voorspelling. Als ook de nakomelingen van Jozef, Efraïm was de zoon van Jozef die stamvader werd, die leidende rol zou erkennen, dan groeit het volk weer in het land dat werd beloofd. Een troost voor het handjevol mensen dat uiteindelijk uit ballingschap zou terugkeren. Niet langer speelde de vraag een rol tot welke stam je nu precies behoorde maar veel meer gaat het er om of je met God mee wil doen. Dan hoor je bij een volk waarnaar alle volken van de wereld zich zullen wenden, het volk namelijk dat de Wet zal bewaren van eerlijk delen en je naaste liefhebben als jezelf.

Na de ballingschap bleven veel Joden achter, zowel in Babylon als in Egypte waar een groot deel was heen gevlucht. Ook over die Joden hoefde men zich volgens Zacharia geen zorgen te maken. Ook daar zouden grote en sterke Joodse gemeenschappen kunnen ontstaan waaruit de kinderen en kleinkinderen terug konden keren naar het beloofde land. En dat is ook gebeurd, het gebeurt tot op de dag van vandaag. En nog steeds bestaat de droom dat Israël op zal houden te strijden met haar buren maar daar bondgenootschappen mee zal weten te smeden dwars tegen dood en vijandschap in zodat alle volken in de wereld zich naar Israël zullen keren en daar een voorbeeld aan zullen nemen. Zo ver zijn ze nog steeds niet. Wij kunnen ze helpen, door ze op te roepen vrede te sluiten met de Palestijnen en Palestijnen te overtuigen van het goede van de weg van vrede door ook in Gaza en op de Westbank de hongerenden te voeden, de naakten te kleden en de gevangenen te bezoeken. Christenen in Palestina geven ons daarvan het voorbeeld. Door een organisatie van Palestijnse Christenen als Sabeel te steunen bouwen we mee aan dat Koninkrijk.

 

Levensonderhoud

Marcus 12:38–13:2

38 Tijdens zijn onderricht zei Hij: ‘Pas op voor de schriftgeleerden die zo graag in dure gewaden rondlopen en eerbiedig begroet willen worden op het marktplein, 39 en een ereplaats willen in de synagogen en bij feestmaaltijden: 40 ze verslinden de huizen van de weduwen en zeggen voor de schijn lange gebeden op. Over hen zal strenger worden geoordeeld dan over anderen!’ 41 Hij ging tegenover de offerkist zitten en keek hoe de mensen er geld in wierpen. Veel rijken gooiden veel geld in de kist. 42 Er kwam ook een arme weduwe, die er twee muntjes in gooide, ter waarde van niet meer dan een quadrans. 43 Hij riep zijn leerlingen bij zich en zei tegen hen: ‘Ik verzeker jullie: deze arme weduwe heeft meer in de offerkist gedaan dan alle anderen die er geld in hebben gegooid; 44 want die hebben gegeven van hun overvloed, maar zij heeft van haar armoede alles gegeven wat ze had, haar hele levensonderhoud.’ 1 Toen Hij de tempel verliet, zei een van zijn leerlingen tegen Hem: ‘Meester, kijk eens, wat een enorme stenen en wat een imposante gebouwen!’ 2 Jezus zei tegen hem: ‘Die grote gebouwen die je nu ziet-wees er maar zeker van dat geen steen op de andere zal blijven; alles zal worden afgebroken.’ (NBV21)

Als het uitgangspunt van je godsdienst is dat je je naaste lief moet hebben als jezelf, dat je dus in de eerste plaats oog moet hebben voor de armen in de samenleving, voor de weduwe en de wees stond er in de Hebreeuwse Bijbel die we tegenwoordig het Oude Testament noemen, wat zie je dan als je bij het centrum van je godsdienst bent? Zie je dan scherpslijperij waar je uren over kunt debatteren? Jezus van Nazareth geeft er een voorbeeld van. Een echte theologische discussie waar gestudeerde dominees en pastoors van houden. Dikke boeken zijn er volgeschreven over vragen zoals Jezus van Nazareth hier formuleert. Soms wordt er over God, engelen, de hemel en het hiernamaals zo lang en breed gesproken dat het er op lijkt dat die discussies het belangrijkste zijn op geloofsgebied. Mensen luisteren graag naar dat soort discussies, ze doen een beroep op hun denkvermogen en als hun voorgangers en leraars er logische en fraaie redeneringen over opzetten dan lijken ze belangrijker en hun luisteraars doen dan belangrijke dingen door naar ze te luisteren of door hun dikke boeken te lezen.

Maar het heeft niks te maken met het houden van God en dus niks met het liefhebben van een naaste als jezelf. Integendeel, als je dat soort scherp slijpende voorgangers goed bekijkt zie je hun deftige zwarte en grijze pakken, hun smetteloos witte overhemden en zorgvuldig geknoopte stropdassen. Ze zijn lid van de plaatselijke Rotary clubs en zitten vooraan als er belangrijke diners worden georganiseerd of als belangrijke personen in het zonnetje moeten worden gezet. Het heet bij ons anders maar het is niet anders als in de dagen van Jezus van Nazareth. Dat verslinden van die huizen van de weduwen begrijpen we misschien niet direct. Maar als we de boeken van de profeten weer eens nalezen dan horen we weer de waarschuwing aan de rijken dat ze akker aan akker rijgen en de armen laten creperen. In een stad als Jeruzalem waren weduwen extra afhankelijk van mensen die bereid waren hun een eigen plaats in de samenleving te geven. Zorgen dat ze ongestoord konden wonen was het eerste dat nodig was. Dus als er geen huur betaald kon worden, als de woning verkocht moest worden om te kunnen blijven eten, dan moet je de weduwe niet direct op straat zetten.

Die vrome keurige scherpslijpers met hun fraai geformuleerde lange gebeden wisten er wel raad mee. Er was toch werk genoeg? Iedereen kan toch werk vinden? Dat is toch een eigen verantwoordelijkheid? Je moet de armen toch niet belonen voor hun armoede? Het zijn de kreten die je ook vandaag de dag kunt horen als je je inzet voor de bestrijding van armoede, tegen woekerrente, voor het laten werken van mensen die lang uit het arbeidsproces zijn. Jezus van Nazareth vraagt ons vandaag waar we bij willen horen, bij die mensen waar de mensen oog voor hebben omdat ze zich rijk en succesvol voordoen, of bij de mensen die oog hebben voor de armen voor de minsten. In Parijs zetten mensen hun adres en toegangscode op de sociale media onder het motto “porte ouvert”, voor iedereen die het geweld wilde ontvluchten. De mooiste gebouwen vergaan. Die gebouwen en paleizen zijn niet zo belangrijk. Belangrijker is de woning voor de weduwe, de arme en de vreemdeling. Daar moeten we aan werken, ook vandaag.

 

Vrede stichten

Zacharia 9:9-17

9 Juich, vrouwe Sion, Jeruzalem, schreeuw het uit van vreugde! Je koning is in aantocht, bekleed met gerechtigheid en zege. Nederig komt hij aanrijden op een ezel, op een hengstveulen, het jong van een ezelin. 10 Ik zal de strijdwagens uit Efraïm verjagen en de paarden uit Jeruzalem; de oorlogsboog wordt gebroken. Hij zal vrede stichten tussen de volken. Zijn heerschappij strekt zich uit van zee tot zee, van de Rivier tot aan de einden der aarde. 11 Want, Sion, omwille van mijn verbond met jou, met offerbloed bekrachtigd, zal Ik de gevangenen vrijlaten uit de put zonder water. 12 Keer terug naar de burcht, gevangenen. Jullie hoop is niet vergeefs geweest, want ook nu geldt de toezegging aan Sion: Ik zal je dubbel schadeloosstellen. 13 Juda span Ik als mijn boog, Efraïm richt Ik als mijn pijl, en jouw zonen, Sion, hef Ik als een heldenzwaard tegen de Grieken. 14 De HEER zal boven hen verschijnen: met pijlen flitsend als bliksemschichten en met schallende ramshoorn trekt God, de HEER, op in een zuiderstorm. 15 De HEER van de hemelse machten is hun schild. Ze zullen de vijand verslinden en zijn slingerstenen verbrijzelen, ze zullen zijn bloed drinken tot ze dronken zijn, tot ze ervan overlopen als een plengschaal en met bloed besmeurd zijn als de hoeken van een altaar. 16 Op die dag zal de HEER, hun God, zijn volk als een kudde in veiligheid brengen. Als edelstenen in een kroon zullen ze fonkelen op zijn land. 17 Wat schitterend! Wat mooi! Jonge mannen en vrouwen bloeien op, gesterkt door graan en wijn. (NBV21)

Christenen hebben dit Bijbelgedeelte later uitgelegd als een voorspelling van de intocht van Jezus van Nazareth in Jeruzalem. Die ging immers ook op een ezel de stad binnen toegejuicht door een grote menigte? Maar kloppen doet die redenering niet. Je kunt zeggen dat Jezus van Nazareth de profeet Zacharia citeerde, of in elk geval dat de schrijvers van de evangeliën beschreven hoe Jezus van Nazareth koning was in Israël. Iedereen die optrok naar Jeruzalem herkende dat citaat uit Zacharia. Zonder iets te zeggen werd Jezus van Nazareth tot het soort Koning waar het hele Oude Testament vol mee staat. Een koning die er niet is voor eigen macht maar voor het welzijn van het volk. En dat met voorbijzien van eigen belang. Zacharia profeteerde in de tijd van Alexander de Grote. De hele wereld zoals die men toen kende werd door deze Griekse veroveraar onder de voet gelopen.

Volgens Zacharia zou trouw aan God, behoud van het geloof in de Wet van eerlijk delen, leiden tot vrijheid en verlossing van onderdrukking. Zo’n leger als dat van Alexander trekt voorbij, het is een machtig gezicht, maar het trekt voorbij. Wat overblijft is een bevrijder zoals vanouds bedoeld, de messias. De komst van die messias is geen machtig gezicht, die zit niet hoog te paard, maar op een ezeltje. Want of de bevrijder de beloofde messias is zal blijken uit wat hij bereikt. Die messias zal mensen bevrijden van angst voor de dood, die zal mensen inspireren weer voor elkaar te zorgen, het voor elkaar op te nemen. Die messias zal mensen er toe brengen iedereen mee te laten doen. De profeet wordt er lyrisch van, hij heft een overwinningslied aan waar in felle kleuren de bevrijding van het land wordt bezongen. Want het is duidelijk dat die bevrijding niet gaat om goederen, macht of meer land, maar om de mensen. Als edelstenen zullen ze fonkelen op zijn land, jonge mannen en vrouwen bloeien op gesterkt door wijn en graan.

Dat zijn beloften die wij nog maar waar moeten zien te maken. Want zien wij kans alle kinderen in onze samenleving tot bloei te brengen en de mogelijkheden te laten realiseren die ze in zich hebben? Het gaat in ons onderwijs nog maar moeizaam en lang niet iedereen komt er goed door terecht. Wereldwijd is het nog erger. We zien in de wereld zelfs geen kans om alle kinderen voldoende te eten geven, om medische zorg zo te organiseren dat alle kinderen er in mee kunnen delen. Voor ons is de komst van die messias nog net zo hard nodig als in de tijd van Zacharias. Maar een profeet staat niet zo maar langs de kant te roepen dat alles goed zal komen. Een profeet is een waarheidszegger, geen toekomstvoorspeller. En de messias, de bevrijder, komt alleen als we allemaal bereid zijn alles te delen wat we hebben, iedereen lief te hebben als onszelf, daar kunnen we vandaag mee beginnen.

 

De wacht betrekken

Zacharia 9:1-8

1 Profetie. Het woord van de HEER heeft Chadrach bereikt, en het rust op Damascus. Naar de HEER immers zal de hele mensheid zich richten, net als de stammen van Israël. 2 Ook op het aangrenzende Hamat rust het woord van de HEER, en op Tyrus en Sidon, ondanks al hun vernuft. 3 Tyrus bouwde voor zichzelf een bolwerk, het hoopte zilver op als stof en goud als slijk in de straten, 4 maar de Heer zal de stad in bezit nemen, haar rijkdom in zee storten, en de stad zelf gaat in vlammen op. 5 Wanneer Askelon dat ziet, zal het schrikken, en Gaza zal beven van angst. Zo ook Ekron, dat zijn hoop in rook ziet opgaan. Uit Gaza verdwijnt de koning, Askelon raakt ontvolkt, 6 en in Asdod wonen alleen nog bastaards. Zo zal Ik de trots van de Filistijnen breken. 7 Vlees waar nog bloed in zit zal Ik hun uit de mond rukken, en het voedsel dat Ik verafschuw scheur Ik tussen hun tanden vandaan. Maar een deel van hen zal gespaard worden, en ook zij zullen toebehoren aan onze God. Ze zullen in Juda worden opgenomen, en Ekron zal met ons verbonden zijn zoals de Jebusieten. 8 Ik zal de wacht betrekken en mijn huis beschermen tegen indringers. Geen geweldenaar zal het nog binnenvallen, want nu waak Ik er met eigen ogen over. (NBV21)

Ooit waren de Verenigde Staten de morele leider van de wereld. Overal waar het kon werden mensenrechten aan de orde gesteld, probeerde men vrede te stichten en stond de vrijheid om handel te drijven zoals men zelf wil hoog in het vaandel. Maar volken die zichzelf zo verheven vinden boven de anderen lopen het risico stuk te lopen op hun eigenwaan. De Bijbel waarschuwt daar tegen Vooral de profeten kunnen daar tegen te hoop lopen en op dagen als deze, in aanloop naar een echte machtswisseling, mogen we daar over lezen ook om er zelf van te leren. Vandaag dus uit het boek Zacharia. Het tweede gedeelte, want geleerden hebben ontdekt dat het boek Zacharia in twee delen is ontstaan. Het is een profetie die thuis is gekomen zo begint dit gedeelte, een profetie die er op wijst dat alle volken zich naar Jeruzalem zullen wenden, daar waar de Wet van eerlijk delen wordt bewaard. Dat begint voor de profeet met de omringende volken. Damascus, de hoofdstad van Syrië. Tyrus en Sidon, veel betwiste grenssteden van Israel, Hamat, de hoofdstad van Noord Syrië.

Hoe dichterbij hoe meer de profeet er van af weet en hoe zekerder hij is dat er een omwenteling te wachten staat. Nu zijn profeten geen toekomstvoorspellers die met een soort glazen bol de toekomst kunnen zien of via instralingen boodschappen van boven krijgen die ze dan moeten doorgeven. Profeten zijn waarheidssprekers. Op basis van het verhaal van God, zoals dat doorverteld is en ons is doorgegeven in de Bijbel, kijken zij naar hun samenleving en zien waar het op uit zal lopen. Als je als stad, of tegenwoordig als land, een muur bouwt rondom en je hoopt de schatten van de aarde, de winsten die je maakt, maar op en je laat alleen je eigen bevolking daarvan profiteren dan zal het uiteindelijk uitlopen op een ondergang van je stad. De armen die je hebt veroorzaakt zullen zoveel liefde en sympathie opwekken dat er voldoende kracht kan worden verzameld om ook de sterkste muren te slopen waarna je rijkdom verdeeld kan worden over de talloze armen die je gemaakt hebt.

Misschien dat als we zo deze profetie vertellen iemand zegt dat dat ook nu uitgekomen is. De bankiers die de winsten van hun banken lieten ophopen, die financiële producten verkochten die ze zelf niet meer begrepen, die bonussen en salarissen opstreken waar hele volken van hadden kunnen leven, zijn uiteindelijk aan hun eigen hebzucht ten onder gegaan, hun rijkdom is als sneeuw voor de zon verdwenen. Weten wij daarvan te leren? Zoeken wij nu naar een koning die afziet van pracht en praal en genoegen neemt met het jong van een ezelin? Een hybride auto die goedkoop is en nauwelijks brandstof gebruikt? Natuurlijk niet. De grijze streepjespakken, uniformen van bankiers, machthebbers en rijken, konden in ons parlement komen getuigen dat ze niets verkeerd hadden gedaan en dat de overheid voortaan maar moest proberen te snappen welke producten zij aan het verhandelen waren. Ze werden niet weersproken. Het toezicht op die producten zal wel verscherpt worden maar de eerste bankier die nieuw wordt benoemd krijgt al een inkomen waar een gemiddelde stad in ons land de werklozen van aan het werk kan zetten. En de nieuwe staats op financiën is het rijkste lid van de Tweede Kamer. Ook dit zal uitlopen op ondergang, we moesten dus nog maar even wachten met het juichen waartoe de profeet oproept.

Puntig als een ossenprik

Prediker 12:1-14

1 Gedenk daarom je schepper in de dagen van je jeugd-voordat de slechte dagen komen en de jaren naderen waarvan je zegt: In deze jaren vind ik weinig vreugde meer. 2 Voordat de zon verduistert, de sterren en de maan niet langer stralen, de lucht ook na de regen grauw van wolken wordt. 3 De dag waarop de wachter trillend voor het huis staat, de soldaten kromgebogen voortgaan, de maalsters langzaamaan verdwijnen, de vrouwen uit het venster staren en een schaduw lijken. 4 Wanneer de deuren naar de straat worden gesloten, de molen geen geluid meer maakt, het fluiten van de vogels ijl van toon wordt, wanneer hun lied versterft. 5 Je durft geen heuvel te beklimmen, de weg is vol gevaar. De amandelboom behoudt zijn wintertooi, de sprinkhaan sleept zich voort, de kapperbes droogt uit. Een mens gaat naar zijn eeuwig huis, een klaagzang vult de straat. 6 Voordat het zilverkoord wordt weggenomen, de gouden lamp gebroken, de kruik bij de bron in stukken valt, het scheprad bij de put wordt stukgebroken. 7 Wanneer het stof terugkeert naar de aarde, weer wordt zoals het was, wanneer de adem van het leven weer naar God gaat, die het leven heeft gegeven. 8 Lucht en leegte, zegt Prediker, alles is leegte. 9 Prediker was een wijs man en heeft het volk veel kennis bijgebracht. Hij heeft gewikt en gewogen en veel spreuken opgesteld. 10 In treffende spreuken probeerde Prediker de waarheid getrouw onder woorden te brengen. 11 De woorden van wijzen zijn zo scherp en puntig als een ossenprik, al hun spreuken zijn ons door één herder ingeprent. 12 En tot slot, mijn zoon, nog deze waarschuwing: er komt geen einde aan het aantal boeken dat geschreven wordt, en veel lezen mat het lichaam af. 13 Alles wat je hebt gehoord komt hierop neer: heb ontzag voor God en leef zijn geboden na. Dat geldt voor ieder mens, 14 want God oordeelt over elke daad, ook over de verborgen daden, zowel over de goede als de slechte. (NBV21)

De laatste passage uit het boek Prediker. We sluiten het af. Het boek gaf ons de raad te genieten van wat we hebben. Streven naar meer en beter is streven naar lucht en leegte en dus najagen van wind. Beter is het te delen met elkaar. Ook in deze slotpassage klinkt weer die raad, heb ontzag voor God en leef zijn geboden na. Sinds de jaren 60 van de vorige eeuw ligt alle nadruk in onze cultuur op de jeugd. Als de mensen in de leeftijd tussen 20 en 40 iets niet leuk vinden dan is het commercieel niet interessant, ook al zijn er inmiddels veel meer mensen boven de 55 jaar oud. Alles moet jong en hip zijn is de leus. Dat lijkt ook de leus van Prediker, maar als we dat denken hebben we het toch niet helemaal goed gelezen. Prediker geeft hier een advies aan de jeugd dat aansluit bij het advies over het gooien van brood op het water. Als je namelijk in je jeugd al het goede doet en weet te delen met mensen die niets hebben dan kon je daar nog wel eens profijt van hebben als je ouder wordt en de schaduwen van het leven boven je hangen.

Ieder mens heeft dagen dat het mee zit en dagen dat het tegen zit. Ziekte, zeer, conflicten, ze zijn in een mensenleven onontkoombaar. Als je er dan voor gezorgd hebt dat er ergens steun en hulp vandaan komt dan ben je extra geholpen. In onze samenleving hadden we dat georganiseerd in de verzorgingsstaat.  Jongeren doen er goed aan zich op de hoogte te stellen van de voordelen van een verzorgingsstaat waarin eerlijk delen voorop staat. Samen Werken en Samen Leven betekent voor een samenleving in de zin van de Bijbel ook altijd Samen Delen. zolang dat niet het geval is zullen ze zichzelf moeten verzekeren, tegen ziekte, tegen arbeidsongeschiktheid, tegen werkloosheid, en tegen het ouder worden. Vergeet ook het laatste niet. Doordat de gezondheidszorg verbetert worden we ook steeds ouder. Daardoor zijn er ook meer pensioenen nodig die langer genoten worden. Dat Samen delen is het centrum van wat we noemen de geboden uit de Bijbel.  Geboden in de Bijbel zijn niet de Romeinse wetten en de opvattingen over wetten zoals wij die kennen. Geboden in de Bijbel zetten je in beweging, laten je kijken naar andere dingen dan in de wereld vanzelfsprekend zijn, laten je gaan op wegen die onbekend zijn bij mensen die streven naar meer en beter.

Je ziet met die geboden de armen langs de weg, je gaat dan naar slachtoffers van oorlog en onrecht, je voedt de hongerigen en kleedt de naakten. Je zet je in voor de zieken en de eenzame ouderen. Dat is niet iets wat je zo maar op je eentje kunt doen. Daar heb je bondgenoten bij nodig. Dat doe je dus met heel het volk zegt de Bijbel, dat doe je zelfs met alle volken. Wij zeggen dan dat de hele samenleving er op moet worden ingericht, dat de hele wereld er bij betrokken moet worden. Daarin telt ieder mens, daar telt geen huidskleur of soort van geloof. Dat is de richting die het boek Prediker ons wijst. Elke aansporing om carrière te maken, om mee te doen met de race naar meer consumptiegoederen, om rijker te worden en nog rijker, is lucht en leegte, het stelt allemaal niets voor. Het enige dat telt en dat blijft is liefde voor mensen. Zelfs de studie in al die boeken die beloven je een beter mens te maken is alleen maar vermoeiend, het mat het lichaam af. Je wordt niet een beter mens door te mediteren of oefeningen te doen die worden voorgeschreven door boeken en goeroes, je wordt een echt mens door mens te zijn voor anderen, door je naaste lief te hebben als jezelf en daar alles voor over te hebben, dat telt.