Als het licht wordt

Sefanja 3:1-8

1 Wee de opstandige, bezoedelde, gewelddadige stad! 2 Ze luistert naar niemand, neemt geen terechtwijzing aan, vertrouwt niet op de HEER, wendt zich niet tot haar God. 3 Haar leiders zijn brullende leeuwen, haar rechters wolven in de avond die ’s ochtends niets meer te kluiven hebben. 4 Haar profeten zijn leugenaars en bedriegers, haar priesters ontwijden wat heilig is en doen de wet geweld aan. 5 Maar de HEER is in haar midden, Hij is rechtvaardig, Hij doet geen onrecht. Iedere ochtend spreekt Hij recht; als het licht wordt, ontbreekt Hij niet. Maar wie onrecht doet, kent geen schaamte. 6 Volken heb Ik uitgeroeid, hun torens vernield, hun straten verwoest, niemand kan erdoor. Hun steden zijn vernietigd, geen mens kan er meer wonen. 7 Ik zei: ‘Heb toch ontzag voor Mij, neem mijn terechtwijzing aan.’ Dan zou haar woonplaats niet vernietigd zijn, dan had Ik haar niet hoeven te straffen. Maar nee, ze deden telkens weer de schandelijkste dingen. 8 Wacht maar-spreekt de HEER -, wacht op de dag dat Ik mijn buit kom halen. Ik heb besloten volken te verzamelen en koninkrijken bijeen te halen, en mijn toorn, mijn laaiende woede over ze uit te storten. Het vuur van mijn woede verteert heel de aarde. (NBV21)

Je weet dat je elke morgen weer opnieuw mag opstaan. Opnieuw beginnen aan een splinternieuwe dag. Dat is ook het moment om je af te vragen wat je anders wil doen. Op welke manier je vanaf nu richtlijn van heb Uw naaste lief als Uzelf wil volgen. Wie je daarvoor in de komende dag wil inschakelen, wie daartoe opwekken. Het is een prachtig beeld in de Bijbel dat God elke ochtend rechtspreekt en nooit ontbreekt. Want er is immers elke ochtend weer een nieuwe dag en dat we weer opnieuw mogen beginnen is dus een geschenk van God. We hoeven de fouten van de vorige dag en van de vorige dagen niet te herhalen. We hoeven de armen niet opnieuw te verwaarlozen en mogen opnieuw proberen de onrechtvaardige handelsverhoudingen om te buigen tot rechtvaardige.

Het gedeelte dat we vandaag lezen begint met zich kwaad te maken op de stad waar alles altijd maar doorgaat. Wat wij noemen de vierentwintig uurs economie. Waar mensen dag en nacht als slaven van de economie gehouden worden. Daar wordt geen Sabbath meer gehouden, geen zondagsvrijheid is er meer te vinden. Alles is er gericht om de rijken te beschermen en te voorkomen dat bezit eerlijk wordt gedeeld. De rechters zorgen daarvoor maar ook de zogenaamde profeten en priesters, ook zij praten goed wat de armen onrecht aandoet. Maar ook de God van Israël is in die stad aanwezig en elke ochtend geeft hij de mensen van die stad weer een nieuwe kans. Een nieuwe kans om zich te bevrijden van de slavernij van winst en profijt, zich te ontdoen van de mechanismes van geweld en uitbuiting, een nieuwe kans de hongerigen te voeden, de dorstigen te laven en de gevangenen te bevrijden.

Het lijkt op een klaaglied dat we vandaag zingen, maar het is het lied dat in Noord Afrika wordt gezongen tegen de machten die de armen uitbuiten en hen de rijkdom onthouden die hen toekomt. Daarmee is het ook het lied van de hoop, de hoop op de nieuwe morgen die in de nacht kan ontwaken als er alleen nog maar duisternis lijkt te zijn. Wij lezen het begin van dit lied van Sefanja als een aanklacht tegen een opstandige bezoedelde gewelddadige stad, zo kennen wij onze steden die dag en nacht doorgaan zonder een moment zelfs van rust. Maar in het Hebreeuws staat er een woordspeling, je zou ook kunnen lezen: “beroemde, bevrijde stad, duivenstad”, dat is de andere kant van dezelfde stad, is wat je er nu leest de stad van gisteren, de stad van de afgelopen nacht, wat je er ook zou kunnen lezen is de stad van vandaag, de stad waarvoor we vandaag weer aan het werk gaan. De stad die God ons als nieuwe kans heeft gegeven, een kans die we elke dag mogen grijpen, ook vandaag weer.

 

Een gunstig teken

Psalm 64

1 Een kunstig lied van Asaf. Waarom, God, hebt U ons voor altijd verstoten, brandt uw woede tegen de schapen die U hoedt? 2 Denk aan het volk dat U ooit hebt verworven, de stam die U hebt vrijgekocht, uw eigen bezit, de Sionsberg waar U ging wonen. 3 Kom naar de stad die voor altijd in puin ligt, de vijand liet niets van het heiligdom heel. 4 In het hart van uw huis brulden uw tegenstanders, zij zetten er hun zegetekens neer. 5 Zoals met kapmessen wordt ingehakt op struikgewas en kreupelhout, 6 zo sloegen zij met bijl en breekijzer al het snijwerk kort en klein. 7 Ze hebben uw heiligdom in de as gelegd, de plaats waar uw naam woont, verwoest en ontwijd. 8 ‘We vagen alles weg,’ zeiden ze, en alle godshuizen in het land hebben zij verbrand. 9 Een gunstig teken zien wij niet, niet één profeet meer, en geen van ons weet voor hoe lang. 10 Hoe lang nog, God, zal de tegenstander U bespotten? Zal de vijand uw naam voor altijd beschimpen? 11 Waarom houdt uw hand zich in bedwang? Hef uw machtige hand en sla toe, 12 God, mijn koning van oudsher, die verlossing brengt in het hart van het land! 13 U hebt door uw kracht de zee gespleten en de koppen van monsters op het water verpletterd, 14 U hebt de schedels van Leviatan verbrijzeld, hem als voedsel gegeven aan de dieren in de woestijn, 15 U hebt bronnen en beken laten ontspringen, altijd stromende rivieren drooggelegd. 16 Van U is de dag, van U is de nacht, U hebt maan en zon een vaste plaats gegeven, 17 U hebt de grenzen van de aarde bepaald, zomer en winter, U hebt ze gevormd. 18 Bedenk, HEER, hoe de vijand U bespot en dwazen uw naam beschimpen. 19 Geef uw duifje niet prijs aan de wilde dieren, vergeet uw vernederd volk niet voorgoed. 20 Houd uw verbond voor ogen-vol is het land met duistere oorden, holen van geweld. 21 Laat verdrukten niet teleurgesteld heengaan, laat zwakken en armen uw naam loven. 22 Sta op, God, verdedig uw zaak, bedenk dat dwazen U dag na dag bespotten, 23 vergeet het razen van uw tegenstanders niet, het tieren van uw vijanden, het klinkt voortdurend op. (NBV21)

Vandaag zingen we weer een klaagpsalm mee met de Kerk. In deze Psalm worden de misdaden van de onderdrukker en vijand breed uitgemeten. Je zou bijna gaan denken dat een Syrisch orthodox priester de afgelopen week de Psalm heeft geschreven. De psalm gaat immers over vijanden die hun misdaden in het verborgene plegen? Niemand krijgt hun kwade praktijken te zien? Die vijanden denken dat ze onschuldig lijken, zo verborgen zijn hun plannen. Maar zo is het niet. De Psalm bezingt de mensen die niet de Weg van de God van Israël volgen. Die de richtlijnen van heb uw naaste lief niet kennen, die zich niet houden aan het Gij zult niet doden en het Gij zult niet begeren iets dat van uw naaste is. De Psalm waarschuwt voor die mensen, want hun kwade plannen zijn verborgen in hun hart en ons hart is diep als een afgrond.

Omdat de Psalm dus niet gemaakt is voor de verandering van de situatie in Syrië moeten we op zoek naar de oorspronkelijke betekenis. Ook die zou voor ons wel eens van belang kunnen zijn. De meeste uitleggers van de Psalmen wijzen er op dat in het vervolg van de Psalm de vijanden struikelen over hun eigen tong en zich daardoor verraden. Die verborgen plannen die hen zo onschuldig doen lijken moeten daarom ook te maken hebben met wat ze zeggen. Of ze nu tovenaars zijn die met toverspreuken de gelovige in hun macht proberen te krijgen, in oude Bijbelse tijden zeker niet ondenkbaar, of geestenfluisteraars die via verbale trucs net doen of ze meer weten dan een ander, ze komen bij ons op de TV, ze liegen en bedriegen en proberen onschuldigen in hun macht te krijgen. Maar ook dictators en politici kunnen gemakkelijk van goed in het gehoor liggende frases gebruik maken om hun eigenlijke bedoelingen te verbergen.

Het is Gods pijl die de misdadigers in deze Psalm zwaar verwond. Nu niet gelijk denken aan donder en bliksem die uit de hemel komen als iemand een leugen vertelt. Dat is oud Germaans denken aan Donar de dondergod. Die god bestaat zeker niet. De pijl waar hier over gezongen wordt is het Woord van God. Gesproken wordt van de rechtvaardigen die zich verblijden in de Heer. Rechtvaardigen zijn mensen die de minsten tot hun recht laten komen. Dat merk je dus pas aan hun daden. En aan de vruchten herkent met de boom nietwaar. Als jouw daden ondanks je mooie woorden leiden tot oorlog en geweld dan deugen jouw daden niet. Als jouw woorden leiden tot bloei van de minsten, als die eindelijk mee mogen delen in de rijkdom van deze wereld, dan spreek je woorden die ingegeven worden door de God van Israël. En het Woord van God maakt een scherp onderscheid tussen de een en de ander. We moeten dus niet alleen luisteren naar wat woorden te zeggen hebben maar ook wat de daden te vertellen hebben. En wij mogen elke dag opnieuw onze daden voor zich laten spreken en zo de eer van God laten verkondigen. Ook vandaag weer.

Jubelen en bloeien

Jesaja 35:1-10

1 De woestijn zal zich verheugen, de dorre vlakte vrolijk zijn, de wildernis zal jubelen en bloeien, 2 welig bloeien als een lelie, jubelen en juichen van vreugde. De woestijn tooit zich met de luister van de Libanon, met de schoonheid van de Karmel en de Saron. Allen aanschouwen de luister van de HEER, de schoonheid van onze God. 3 Geef kracht aan trillende handen, maak knikkende knieën sterk. 4 Zeg tegen het moedeloze volk: ‘Wees sterk en vrees niet, want jullie God komt met zijn wraak. Gods vergelding zal komen, Hijzelf zal jullie bevrijden.’ 5 Dan worden blinden de ogen geopend, de oren van doven worden ontsloten. 6 Verlamden zullen springen als herten, de mond van stommen zal jubelen: waterstromen zullen de woestijn splijten, beken de dorre vlakte doorsnijden. 7 Het verzengde land wordt een waterplas, dorstige grond een bronrijk gebied; waar eenmaal jakhalzen huisden, maakt dor gras plaats voor riet en biezen. 8 Daar zal een gebaande weg lopen, die Heilige weg wordt genoemd, geen onreine zal die betreden. Hij is alleen voor het volk dat over de weg gaat. Dwazen dwalen er niet rond. 9 Leeuwen zullen daar niet komen, een roofdier is er niet te vinden, ze blijven er allemaal weg, alleen zij die verlost zijn zullen daar gaan. 10 Wie door de HEER bevrijd zijn, keren terug. Jubelend komen zij naar Sion, gekroond met eeuwige vreugde. Blijdschap en vreugde komen hun tegemoet, gejammer en verdriet vluchten weg. (NBV21)

Vandaag lezen we een stukje uit de Bijbel dat in kerken heel beroemd is geworden. Dat komt met name door dominee J.J.L. ten Kate. Die leefde in de negentiende eeuw en maakte een heleboel gedichten. Het gedeelte dat we vandaag lezen inspireerde hem tot het gedicht: “de dorre vlakten der woestijnen zal zich verheugen eindeloos, de zandzee zal herschapen schijnen want bloeien zal zij als een roos”. Het werd een zeer populair kerklied dat in 1938 als gezang 111 werd opgenomen in de zangbundel van de Hervormde Kerk. Toen in 1973 het liedboek voor de kerken uitkwam was het lied daaruit verdwenen. Want hoewel de springende lammen, de sprekende stommen, de ziende blinden en de horende doven er ook in voorkwamen was er één element niet aanwezig. Dat moedeloze volk dat sterk moet zijn en niet moet vrezen, dat moet vertrouwen op Gods wraak, op Gods vergelding.

Want de vrolijke melodie die bij het lied van dominee ten Kate was gemaakt paste niet bij de plaats die Jesaja aan zijn lied over de wildernis had gegeven. Jesaja plaatst het visioen midden in het verhaal over de ballingschap. In het gedeelte dat hier pal voor staat beschrijft hij wat er van de aarde is geworden, een van bloed doordrenkte vruchteloze aarde waar niets meer aan te beleven valt. Een aarde zoals wij dezer dagen in Jemen hebben zien ontstaan. Maar volgens Jesaja zal het daar niet bij blijven. De ballingen zullen weer naar huis keren. Het verwoeste Jeruzalem en de Tempel zullen weer opgebouwd worden. De wilde dieren zullen er verdwijnen. We weten dat na de ballingschap er zelfs leeuwen in Israël rondliepen die mensen aanvielen die naar de verlaten streek waren gedeporteerd. Het is dus een lied van hoop dat Jesaja ons laat zingen.

Die hoop is duidelijker terug te vinden in een lied dat Huub Oosterhuis dichtte bij dit Bijbelgedeelte: “De steppe zal bloeien, de steppe zal lachen juichen, de rotsen die staan vol water, maar dicht, de rotsen gaan open”. In het laatste couplet zet hij het ook voor ons in een toekomstperspectief als hij schrijft over een stem die ons zal roepen “dode, dode sta op” over de hand die ons zal wenken. Al de ellende die ons overkomt, die volken als dat van Jemen overkomt zijn geen natuurwetten. Tegen die dodende ellende mogen we opstaan. En in dat beeld van hoop passen weer de huppelende lammen, de sprekende stommen, de horende doven en de ziende blinden. Antoine Oomen componeerde een prachtige pianopartij bij het lied van Oosterhuis. Die pianopartij is zo mooi dat we het lied niet zo vaak zullen zingen als ooit de “dorre vlakten” van Ds. ten Kate was gezongen. Maar de hoop van Jesaja mag ook ons in beweging zetten. Want als wij elke dag opnieuw beginnen te leven volgens de regel van heb uw naaste lief als uzelf, dan zal de woestijn gaan bloeien, dan breekt eindelijk de vrede aan, daar mogen we ook vandaag weer aan beginnen.

Lastertaal

Psalm 50

1 Een psalm van Asaf. De God der goden, de HEER, gaat spreken en roept de aarde bijeen van waar de zon opkomt tot waar zij ondergaat. 2 Uit Sion, stad van volmaakte pracht, verschijnt God in stralend licht. 3 Hij komt, onze God, en zal niet zwijgen! Laaiend vuur raast voor Hem uit, rondom Hem wervelt een storm. 4 Hij roept de hemel op, daarboven, en ook de aarde, bij het oordeel over zijn volk: 5 ‘Breng mijn getrouwen vóór Mij, die zich met offers aan Mij verbinden.’ 6 De hemel verkondigt Gods gerechtigheid, Hijzelf treedt op als rechter. sela 7 ‘Luister, mijn volk, Ik ga spreken, Israël, Ik ga tegen je getuigen, Ik, God, je eigen God. 8 Ik klaag je niet aan om je offers, nooit dooft voor Mij het offervuur. 9 Maar de stier uit je stal heb Ik niet nodig, noch de bokken uit je kooien. 10 Mij behoren de dieren van het woud, de beesten op duizenden bergen, 11 Ik ken alle vogels van het gebergte, wat beweegt in het veld is van Mij. 12 Had Ik honger, Ik zou het je niet zeggen, van Mij is de wereld en wat daar leeft.13 Eet Ik soms het vlees van stieren of drink Ik het bloed van bokken? 14 Breng God een dankoffer, geef de Allerhoogste wat je Hem belooft. 15 Roep Mij te hulp in tijden van nood, Ik zal je redden, en je zult Mij eren.’ 16 Maar tot wie kwaad doet zegt God: ‘Wat baat het dat je mijn geboden opzegt en mijn verbond in de mond neemt? 17 Je haat het als Ik je terechtwijs, mijn woorden schuif je terzijde. 18 Zie je een dief, je loopt met hem mee, en bij overspeligen ben je thuis. 19 Je gebruikt je mond voor lastertaal en verbindt je tong aan bedrog. 20 Je getuigt tegen je eigen broer, werpt een smet op de zoon van je moeder. 21 Zou Ik dan zwijgen bij wat je doet, je denkt toch niet dat Ik ben als jij? Ik klaag je aan, Ik som je wandaden op. 22 Begrijp dit goed, jullie die God vergeten, of Ik verscheur je, en er is niemand die redt: 23 wie een dankoffer brengt, geeft Mij alle eer, wie zo zijn weg gaat, zal zien dat God redt.’ (NBV21)

Vandaag een bijzondere rechtspraak. De God van Israël roept de hele wereld bij elkaar. Er komt een rechtszaak tegen Israël. Al die volken hadden een god, wij hebben dan goden als winst en profijt hun weg is de economie waaraan alles ondergeschikt moet worden gemaakt, de dagen en de nachten, zelfs de enige slaafvrije dag die we hadden, moeten in dienst worden gesteld van de economie om de goden van winst en profijt te dienen. De volken zouden eens moeten kijken hoe de God van Israël met zijn volk omgaat. Niet meer een voor wat hoort wat geloof. Niet je wordt gezegend door je God als je maar genoeg offert. Je winst stijgt echt niet als je nog meer uren je uitslooft voor je god. Je mag best aan de God van Israël offeren maar die heeft je offers niet nodig. Het licht van de God der goden komt uit Sion. Dat is de naam van een berg. Rond die berg is Jeruzalem gebouwd. In de dagen van Asaf werden de goden van de volken vaak op bergen vereerd. Maar die Tempel was een ander soort Tempel dan de tempels van de voor wat hoort wat goden. Hier stond geen beeld van de god die er werd vereerd. Wat er in die Tempel stond bleef verborgen voor buitenstaanders.

Het was ooit de bedoeling geweest dat de God van Israël geëerd zou worden door het nakomen van de richtlijnen voor de menselijke samenleving. Daarin stond dat je eerlijk en trouw moest zijn, dat je voor de minsten in je volk moest zorgen, dat je moest delen met de armen, dat je zelfs de vreemdelingen moest behandelen als de mensen van je eigen volk, dat je moest zorgen dat er niemand gedood werd. Maar in de straten van Jeruzalem werd gebedeld. De weduwen en de wezen werden uit hun huizen gezet als ze geen inkomen hadden, en weduwen en kleine kinderen hadden nu eenmaal geen inkomen. Dacht en nacht brandden er offervuren bij de Tempel. Maar de offers lieten zien hoe rijk de offeraars geworden waren, hoe vroom en netjes ze wel niet waren. Ze waren gaan geloven dat als ze de God van Israël voldoende offers gaven, mooie liederen voor die God zongen, op de wekelijkse slaafvrije dag het werk aan knechten en slaven overlieten, ze vanzelf van die God welzijn en voorspoed zouden krijgen. Ze waren dus eigenlijk helemaal niet anders dan de andere volken met hun goden. In deze Psalm treed God zelf als leraar en rechter voor. God is de leraar voor de gelovigen, de mensen die de Tora navolgen en weet hebben van de Tora als richtlijn voor een menselijke samenleving.

Maar in dat volgen van de Tora sluipt een gevaar. Het gevaar van de religie. De dienst aan de God van Israël gaat over gerechtigheid, om het recht doen aan mensen, aan alle mensen in de hele wereld. We weten natuurlijk dat Israël een licht voor de volkeren zou moeten zijn, een land van liefde, vrede en recht, zo’n land zou elk volk immers ook wel willen volgen. Maar die richtlijnen voor de menselijke samenleving was tot een religie verworden. Dagelijks werden zeer vroom offers aan de God van Israël gebracht. Dag en nacht bleven de offervuren branden. Maar die offers hoef je van God niet te brengen. Alle dieren zijn immers van God? Je hoeft je God toch niet zijn eten te brengen? Je godsdienst voeden doe je door te delen met de armen en de vreemdelingen. Daardoor verbindt je je met Gods gerechtigheid. En doen wij dat ons verbinden met gerechtigheid en zorg voor de minsten? Hoe gaan we als volk om met de vluchtelingen voor armoede en geweld. De vluchtelingen voor geweld willen we misschien wel opvangen, maar de vluchtelingen voor de armoede niet, hen sturen we weer terug naar landen waar mensen van honger sterven, waar de armen moeten bedelen, waar de stervenden langs de kant van de weg te vinden zijn. Het is de God uit deze psalm die ons voortdurend de onrechtvaardigheden uit onze samenleving voorhoudt. Houdt maar op met je religie zegt de psalmdichter. Zolang je je nog laat inpalmen door leugenaars en dieven heeft het opzeggen van lange gebeden, het brengen van offers aan God geen zin. Als wij werkelijk dankbaar willen zijn voor alles wat God ons gegeven heeft nemen we daar de hele wereld in mee. Als we daartoe komen zien we ook nog dat God redt

Laat u niet meeslepen

2 Petrus 3:10-18

10 De dag van de Heer zal komen als een dief. De hemelsferen zullen die dag met luid gedreun vergaan, de elementen gaan in vlammen op, de aarde en alles wat daarop gedaan is verdwijnt. 11 Als dit allemaal op die manier te gronde gaat, hoe heilig en vroom moet u dan niet leven, 12 u die uitziet naar de dag van God en het aanbreken daarvan bespoedigt! Omwille van die dag gaan de hemelsferen in vlammen op, en de elementen vatten vlam en smelten weg, 13 maar wij vertrouwen op Gods belofte en zien uit naar een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, waar gerechtigheid woont. 14 Omdat u hiernaar uitziet, geliefde broeders en zusters, moet u zich inspannen om smetteloos, onberispelijk en in vrede door Hem te worden aangetroffen. 15 Bedenk dat het geduld van onze Heer uw redding is. Dat heeft ook onze geliefde broeder Paulus u geschreven met de wijsheid die hem is geschonken. 16 Hij schrijft dit overigens in alle brieven waarin hij dit onderwerp ter sprake brengt. Daarin staat een en ander dat moeilijk te begrijpen is en dat door onwetende en onstandvastige mensen steevast wordt verdraaid, tot hun eigen ondergang; dat doen ze trouwens ook met de overige geschriften. 17 Geliefde broeders en zusters, u weet van tevoren wat er gaat komen. Wees daarom op uw hoede en laat u niet meeslepen op de dwaalwegen van wettelozen. Laat uw standvastigheid niet varen, 18 maar groei in de genade en in de kennis van onze Heer en redder Jezus Christus. Hem komt de eer toe, nu en in eeuwigheid. (NBV21)

Het laatste deel van de Tweede Brief van Petrus lezen we vandaag. Het einde van de tijden zal zeker wel eens komen maar ze komt als een dief in de nacht. Je kunt wel fantaseren hoe die dag er zal uitzien. Zon en Maan vergaan, bergen vallen om en zeeën vallen droog. Onvoorstelbare gebeurtenissen. Het idee van de briefschrijver is dat we moeten gaan leven of het ons morgen al zal gebeuren. Want het einde der tijden is in de beleving van deze briefschrijver ook het begin van een nieuw tijdperk. Een nieuwe hemel en een nieuwe aarde zullen de huidige vervangen. En op die nieuwe aarde zal gerechtigheid wonen. In de Openbaring van Johannes heet het dan dat God zelf zijn tenten op deze aarde zal spannen. En waar willen we bij horen dat is de vraag. Willen we horen bij de oude aarde, de aarde van uitbuiting, oorlog, honger en hebben en graaien, of willen we horen bij de nieuwe aarde, die van gerechtigheid en vrede, daar waar alle tranen gewist zullen zijn? Die nieuwe aarde is niet iets van de toekomst, of zelfs van na onze dood. Dat zou te gemakkelijk zijn. Het is geen opium voor lijdende mensen die daardoor hun lijden wat gemakkelijker kunnen dragen. Die nieuwe aarde is een visioen dat we vanaf nu tot werkelijkheid kunnen brengen.

Die nieuwe aarde wordt werkelijkheid als iedereen meedoet, maar waar we ook telkens weer, elke dag, elk moment weer opnieuw mee mogen beginnen. Die nieuwe aarde is de norm die we kunnen leggen naast onze eigen beslissingen en die van het bestuur dat ons regeert, in de stad, in de provincie, in het land, in Europa en in de Wereld. Daarom mogen we de komst van elke echte vredesconferentie toejuichen, de kans dat het einde der tijden ons aantreft in vrede neemt daardoor toe. De kans dat gerechtigheid zal worden gedaan aan onze zusters en broeders neemt daardoor toe. Daar mogen we ons allemaal voor inspannen en dat hoeven we niet over te laten aan een enkele minister van Buitenlandse Zaken en zijn ambtenaren. Maar ook bij de plannen voor het bestrijden van de coronaa crisis zal de nieuwe aarde de maat moeten zijn van de oplossingen. Daar zal immers de honger zijn verdwenen die nu nog het Afrikaanse continent teistert. Daar zal alle ziekte zijn verdwenen ook de aids in Afrika.

Bij alle maatregelen die genomen moeten worden zullen ook eerlijke handelsverhoudingen en overdracht van noodzakelijke kennis voorop moeten staan. De Tweede Brief van Petrus was maar een korte brief. En helemaal op het einde verwijst die brief naar alle brieven van Paulus die ook in de Bijbel zijn opgenomen. Daar kunnen we de rest in lezen, vooral ook hoe we in onze eigen steden en dorpen gemeenschappen kunnen vormen die het licht van die nieuwe aarde nu al laten schijnen. Natuurlijk zijn er mensen die er graag zelf een slaatje uit slaan en er macht en aanzien aan willen ontlenen. Dat is de oude aarde, waar macht en aanzien, rijkdom en welvaart de normen zijn. In de nieuwe aarde gaat het om het lot van de minsten, de armen, de hongerigen. Dat zijn onze normen en waarden.

 

Eén dag als duizend jaar

2 Petrus 3:1-9

1 Geliefde broeders en zusters, dit is al de tweede brief die ik u schrijf. Met beide wil ik uw zuivere inzicht wakker houden, 2 en wel door u te herinneren aan de woorden die de heilige profeten destijds hebben gesproken en aan het gebod van onze Heer en redder dat uw apostelen u hebben doorgegeven. 3 Vergeet vooral niet dat er aan het einde van de tijd spotters zullen komen, die hun eigen begeerten volgen. 4 ‘Waar blijft Hij nu?’ zullen ze smalen. ‘Hij had toch beloofd te komen? De generatie aan wie deze belofte was gedaan is al gestorven, maar alles is nog steeds zoals het sinds het begin van de schepping geweest is.’ 5 Ze gaan er dan willens en wetens aan voorbij dat er in het begin al eens een hemel en een aarde zijn geweest die door Gods woord gevormd waren, uit water en door middel van water, 6 en dat de toenmalige wereld ook weer door Gods woord is vergaan, toen ze door het water werd overspoeld. 7 Maar door datzelfde woord worden de tegenwoordige hemel en aarde bewaard om op de dag van het oordeel, waarop de goddelozen ten onder zullen gaan, te worden prijsgegeven aan het vuur. 8 Eén ding mag u niet over het hoofd zien, geliefde broeders en zusters: voor de Heer is één dag als duizend jaar en duizend jaar als één dag. 9 De Heer is niet traag met het nakomen van zijn belofte, zoals sommigen menen; Hij heeft alleen maar geduld met u, omdat Hij wil dat iedereen tot inkeer komt en niemand verloren gaat. (NBV21)

Door de eeuwen heen zijn mensen nieuwsgierig naar de datum waarop de geschiedenis ten einde zal zijn gekomen. Alles gaat voorbij dus ook onze geschiedenis. Vlak na het uitstorten van de Heilige Geest met Pinksteren geloofden de Apostelen dat het einde der tijden wel zeer nabij was. Ook Paulus schrijft herhaaldelijk aan de diverse gemeenten dat het einde der tijden zeer nabij is. In de Evangeliën zijn aanwijzingen te vinden dat ook Jezus van Nazareth er voor waarschuwde dat het einde der tijden niet ver zou zijn. In de tijd dat deze Tweede Brief van Petrus werd geschreven was er echter al geruime tijd verlopen zonder dat het einde der tijden zich had aangekondigd. Wij zijn inmiddels ruim 20 eeuwen verder en nog is van het einde der tijden geen sprake. Integendeel, we weten uit de natuurwetenschappen dat het nog vele eeuwen kan duren voor onze zon opgebrand zal zijn en het leven op aarde zal verdwijnen.

We kunnen dat zelf versnellen door een nucleaire oorlog te beginnen op de wereld maar onze wereldleiders zijn daar de afgelopen 50 jaar steeds voor teruggeschrokken. De herinneringen van het gooien van atoombommen op Japan roepen de beelden van de verschrikkingen zo levendig op dat het opnieuw gooien van atoombommen tot nu geen optie was. Hoe zit dat dan met het einde der tijden waarover in de Bijbel wordt gesproken? De schrijver van de Tweede Brief van Petrus heeft een paar mooie oplossingen. Er was al eens een overstroming die al het leven op aarde had vernietigd. Wij kennen die overstroming uit het verhaal van Noach maar ook in tal van andere religies klinkt een verhaal over een dergelijke overstroming door. Verder stond al in Psalm 90 dat duizend jaar in de ogen van God als één dag is, wat natuurlijk ook een ander licht op Genesis 1 werpt. Maar de mooiste reden is dat God eerst alle mensen wil bekeren tot het geloof in de bevrijding van de armen, tot het geloof in het Koninkrijk, het geloof in God zelf. Voordat dat gebeurd zal de wereld niet vergaan.

Dan kan het onze tijd dus ook nog wel duren. Heel langzaam zijn we tot de overtuiging gekomen dat het niet in de datum zit. Het zit in onze houding. Wat zou er gebeuren als we wisten dat morgen de wereld zou vergaan? Velen van ons zouden zich bekeren en zorgen dat ze nog net het goede doen wat ze kunnen doen. De laatste hongerige nog voeden, de dorstige nog te drinken geven, de gevangene nog bezoeken, de bedroefde nog troosten. Als dat zo is dan moeten we dus elke dag leven alsof morgen de wereld vergaat. Niet om er zelf beter van te worden, of bij de terugkeer van de Heiland een plekje in de hemel te verdienen, maar om een einde te laten komen aan de geschiedenis van oorlog, honger en ellende. Het einde der tijden is nabij omdat wij leven alsof het nabij is. Daarmee kan de hele wereld bekeerd worden want we willen immers dat iedereen meedoet met heb Uw naaste lief als Uzelf en delen met wie er gedeeld moet worden, daarvoor zullen de volken vrede moeten willen en ook daar kunnen we aan werken. Vandaag is dus niet alleen de eerste dag van de rest van je leven maar ook de laatste.

 

In tranen zaaien

Psalm 126

1 Een pelgrimslied. Toen de HEER het lot van Sion keerde, was het of wij droomden, 2 een lach vulde onze mond, onze tong brak uit in gejuich. Toen zeiden alle volken: ‘De HEER heeft voor hen iets groots verricht.’ 3 Ja, de HEER had voor ons iets groots verricht, we waren vol vreugde. 4 Keer ook nu ons lot, HEER, zoals U water doet weerkeren in de woestijn. 5 Zij die in tranen zaaien, zullen oogsten met gejuich. 6 Wie in tranen op weg gaat, dragend de buidel met zaad, zal thuiskomen met gejuich, dragend de volle schoven. (NBV21)

Vandaag zingen we een pelgrimslied. Een lied om onderweg te zingen. En als je met elkaar op weg bent dan zing je geen sombere liederen. Zij die in tranen zaaiden zullen dan ook oogsten met gejuich. Het Paasfeest is een oogstfeest, en het feest van de eerstgeborene van God, die niet dood te krijgen is. Het kerstfeest is het feest van de hoop, hoe donker de wereld ook is er zal vrede zijn en in mensen een welbehagen. Deze korte psalm staat vol vrolijke beelden. Het zou een demonstratie lied kunnen zijn. Spandoeken en vlaggen hoog, daar gaat de menigte die opkomt voor het land van gerechtigheid, van eerlijk delen, van iedereen mee laten doen. Van herders wordt verteld dat zij bij de geboorte het hele dorp op stelten gingen zetten. De rijken en de machtigen van de wereld staan in deze psalm langs de kant toe te kijken.

Er is iets groots gebeurt, Sion, een andere naam voor de Tempelberg in Jeruzalem, is, van onbeduidend vlek, in het centrum van de wereld komen te liggen. Zo zal het uiteindelijk zijn, de dorre woestijn zal bloeien als een roos, dat mogen we ons toewensen. Er moet natuurlijk wel gewerkt worden. Je weet het, als je op pad gaat met zaad dan kom je uiteindelijk thuis met de schoven van graan. De velden staan wit om te oogsten zei Jezus eens, maar waar zijn de werkers. Dezer dagen wordt om vrijwilligers gevraagd. Mensen die werk willen doen niet om de carrière of het gewin, maar om het werk zelf. Onze koninklijke familie geeft zelfs elk jaar een voorbeeld op de Nederland doe dagen. Dan wordt er een buurtcentrum geschilderd, of maaltijden rondgebracht in een zorgcentrum een speeltuin opgeknapt en noem alles maar op waar ook u aan mee kunt doen. Want vrijwilligerswerk kunnen we allemaal doen. In het buurthuis of wijkcentrum om de hoek, in de basisschool vlakbij, in de kerk, in het asielzoekerscentrum ,in de gevangenis, bij de voedselbank, in het verzorgingshuis.

Maar ook bij de scouting, bij de sportvereniging, achter de telefoon bij de telefonische hulpdienst of de kindertelefoon, in de wereldwinkel of de kringloopwinkel, bij Amnesty International, op ontelbare plaatsen in onze samenleving kun je iets terug doen voor al die aardige mensen die je elke dag tegenkomt. In de Vluchtkerken zoals waar papierlozen onderdak krijgen, deze adventstijd in de doorlopende kerkdienst in Kampen. Op al die plaatsen kan al vast een klein stukje beginnen van dat bijzondere koninkrijk waar alle ellende voorbij is, waar vrede is en waar iedereen mag meedoen. Waar geoogst wordt met gejuich. Zoek maar een vrijwilligersbaantje dat bij je past, in veel gemeenten zijn vrijwilligerscentrales die je er bij willen helpen. En er zijn armen en vluchtelingen uit arme landen. Gelukkig zijn ook daar vrijwilligers, van het Rode Kruis en andere organisaties, hun giro staat altijd open voor het bestrijden van honger en armoede in Afrika. Wij kunnen die vrijwilligers aan de gang helpen door geld te storten, wij zaaien en zij delen uit van de oogst die het opbrengt

 

Weet je het niet?

Jesaja 40:27-31

27 Jakob, waarom zeg je-Israël, waarom beweer je: ‘Mijn weg blijft voor de HEER verborgen, mijn God heeft geen oog voor mijn recht’? 28 Weet je het niet? Heb je het niet gehoord? Een eeuwige God is de HEER, schepper van de einden der aarde. Hij wordt niet moe, Hij raakt niet uitgeput, zijn inzicht is niet te doorgronden. 29 Hij geeft de vermoeide kracht, de machteloze geeft Hij macht in overvloed. 30 Jongens worden moe en raken uitgeput, zelfs jonge mannen struikelen, 31 maar wie hoopt op de HEER krijgt nieuwe kracht: hij slaat zijn vleugels uit als een adelaar, hij loopt, maar wordt niet moe, hij rent, maar raakt niet uitgeput. (NBV21)

Overal lopen priesters, in prachtige gewaden, soms zijn mensen eerbiedig voor die priesters, bang dat de God die de priesters vertegenwoordigen boos op hen zouden worden. Overal staan tempels en tempeltjes, soms alleen de beelden van een god. In elke geval staat in elke tempel, in elk tempeltje een beeld van een God, het ene beeld nog mooier dan het andere. Natuurlijk weet je best dat die goden nep zijn, ze doen niks. De ballingen waar Jesaja naar schrijft weten ook heel goed dat het verkeerd met je kan aflopen als je achter dat soort goden aan loopt. Maar in het trotse onoverwinnelijke Babylon is dan toch de vraag wat je moet met een God die je niet kan zien, waar je geen uitspraken van kan verwachten. Geen orakels, geen toekomstvoorspellingen.

Is er een antwoord op de vraag waar en wie toch die God is? Mooi dat die de hemel en de aarde heeft geschapen. Als we tegenwoordig naar de wetenschap kijken is dat toch iets ingewikkelder gegaan als in dat ene zinnetje is verwoord. Dat die God niet moe wordt of uitgeput raakt zal best. Als al die miljoenen jaren waarin de aarde werd gevormd en al wat daarin en daarop is werd tot wat het in onze dagen is aan die God toegeschreven kan worden dan is het inderdaad een God die niet moe kan worden, maar wat hebben we er aan. Van die God is ook nog weinig te snappen, hij gaat alle verstand te boven. Vragen naar het waar, wie en hoe van die God zijn dus overbodig. Wat heb je er dan aan?

Die God geeft kracht. Dat is natuurlijk best aardig, sterke mensen kunnen veel aan en we weten dat het leven uitermate vermoeiend kan zijn. In onze dagen is alles zo ingewikkeld dat je bijna een baan er bij hebt, of zelfs een dagtaak aan het voldoen aan alle regels die je krijgt opgelegd en aan het informeren van instanties over hoe je die regels hebt uitgevoerd. Mooi dat die God dan kracht geeft. Maar geeft die God die kracht zo maar? Waarom worden we dan zo moe. Jesaja herhaalt hier niet nog een keer. Die God vraagt om geëerd te worden door het liefhebben van je naaste, door de zorg voor de minsten. En als je je daar volledig op instelt merk je dat je veel meer kan doen dat je verwacht. Daar wordt je niet moe van, daar krijg je energie van, daar raak je nooit van uitgeput. Ook vandaag niet, vandaag zijn er velen die een naaste nodig hebben en is dus niet de vraag waar is God, maar van wie wil jij de naaste zijn.

De paden van het recht

Jesaja 40:12-26

12 Wie heeft de wateren met holle hand omvat, de hemel met zijn hand gemeten? Wie heeft het stof van de aarde met een maatbeker afgepast? Wie heeft de bergen gewogen op een weegschaal, de heuvels met balans en gewichten? 13 Wie heeft de geest van de HEER gemeten? Heeft iemand Hem ooit raad gegeven? 14 Wie raadpleegt Hij, wie biedt Hem inzicht? Wie leidt Hem op de paden van het recht? Wie leidt Hem naar kennis? Wie toont Hem de weg van het inzicht? 15 In zijn ogen zijn de volken als een druppel in een emmer, als een stofje op een weegschaal; de eilanden weegt Hij als zandkorrels. 16 Zelfs de Libanon levert te weinig hout, te weinig wild voor een brandoffer.17 De volken betekenen niets in zijn ogen, voor Hem zijn ze minder dan niets. 18 Met wie wil je God vergelijken, waarmee is Hij gelijk te stellen? 19 Met een godenbeeld misschien? Dat is door een ambachtsman gemaakt, door een edelsmid overtrokken met goud en zilverbeslag. 20 Met een beeld op een voetstuk? Dat is maar een stuk hout dat niet vermolmt. Iemand heeft het uitgekozen en een vakman gezocht om een godenbeeld te maken dat niet omvalt. 21 Weet je het niet? Heb je het niet gehoord? Is het je niet van meet af aan verteld? Is het niet al helder sinds de grondvesting van de wereld? 22 Hij troont boven de schijf van de aarde -haar bewoners zijn als sprinkhanen-, Hij spreidt de hemel uit als een doek, spant hem uit als een tent om in te wonen. 23 Hij maakt vorsten nietig, de leiders van de aarde onbeduidend: 24 nauwelijks zijn ze geplant, nauwelijks gezaaid, nauwelijks hebben ze wortel geschoten, of Hij blaast over hen, en ze verdorren en de stormwind neemt hen op als kaf. 25 Met wie wil je Mij vergelijken, zegt de Heilige, aan wie ben Ik gelijk te stellen? 26 Kijk omhoog: wie heeft dit alles geschapen? Hij laat het leger sterren voltallig uitrukken, Hij roept ze bij hun naam, een voor een; door zijn kracht en onmetelijke grootheid ontbreekt er niet één. (NBV21)

Wat heb je nu aan een God die je niet kunt zien, die over het algemeen ook niet terugpraat en die je eigenlijk, volgens het verhaal, alleen maar er op uit stuurt om anderen te helpen. In de tijd dat het Bijbelgedeelte van vandaag geschreven is hadden de meeste volken goden in tempels. Die goden waren dan te zien in prachtige beelden waar kunstenaars hun uiterste best op hadden gedaan. In die tempels dienden de meest vreemd uitgedoste priesters. En als je de koningen van die volken zag dan hadden die zulke prachtige kleren en kronen dat ze wel een beetje op de goden leken. Sommige van die koningen of keizers riepen dan zo af en toe dat ze afstamden van een god of dat ze zelfs een god waren die aanbeden moest worden.

Volgens het boek van de tweede Jesaja is dan het hebben van een god als die God van Israël wel heel erg handig. Die kun je niet zien omdat die alles te boven gaat, dus ook die protserige koningen. In onze dagen zouden we kunnen zeggen dat er geen pracht en praal ter wereld te verzinnen is die het haalt bij onze God. En als we goed om ons heen kijken in de wereld dan moet het opvallen dat hoe onrechtvaardiger een dictator meestal is, hoe mooier het uniform en hoe fraaier de soldaten marcheren. Pracht en praal die machthebbers verheft boven het gewone volk gaat in onze dagen samen met onrecht dat het volk probeert te onderdrukken. Dat was in de dagen van de tweede Jesaja ook al zo en daarover gaat het gedeelte van vandaag. Als je dan weet dat die machthebbers ook gewone mensen zijn net als jezelf dan is het ook gemakkelijker je er tegen te verzetten of je te verheffen tegen het onrecht dat ze plegen. De machteloze krijgt daardoor macht in overvloed. Wie alleen de God van Israël als Heer, als heerser, van de wereld, erkent, krijgt nieuwe kracht. Niets en niemand is immers sterker dan die God, daarvoor ga je door het vuur, met hulp van die God krijg je alles voor elkaar.

Alles? Ja, want je weet dat je samen met iedereen die in die God geloofd het onrecht uiteindelijk uit de wereld kan doen verdwijnen. Met behulp van die God komt er een dag dat alle tranen gewist zullen zijn, dat machtigen geveld zijn en machtelozen de aarde zullen beërven. Die belofte is in veel prachtige bewoordingen aan de mensen gegeven. En we weten het natuurlijk wel, als we werkelijk van elkaar zouden houden en werkelijk bereid zouden zijn elkaar als broeders en zusters te zien in plaats van als vreemden en vijanden dan zou de hemel vanzelf op aarde komen. Zolang we bang zijn voor vreemden en andere geloven krijgen we alleen vijandschap en ellende. Er zijn mensen die daarvan kennelijk smullen, ook in ons land, die niet willen delen maar alleen wat ze hebben voor zichzelf willen houden. Dat is andere goden aanbidden, dat is jezelf boven anderen uitsteken, maar de God van Israël maakt ook die machthebbertjes klein. Samen leven, daar gaat het om, ook vandaag.

Ruig land

Jesaja 40:1-11

1 Troost, troost mijn volk, zegt jullie God. 2 Spreek Jeruzalem moed in, maak haar bekend dat haar slavendienst voorbij is, dat haar schuld is voldaan, omdat zij een dubbele straf voor haar zonden uit de hand van de HEER heeft ontvangen. 3 Hoor, een stem roept: ‘Baan voor de HEER een weg door de woestijn, effen in de wildernis een pad voor onze God. 4 Laat elke vallei verhoogd worden en elke berg en heuvel verlaagd, laat ruig land vlak worden en rotsige hellingen rustige dalen. 5 De luister van de HEER zal zich openbaren voor het oog van al wat leeft. De HEER heeft gesproken!’ 6 Hoor, een stem zegt: ‘Roep!’ En een stem antwoordt: ‘Wat zou ik roepen? De mens is als gras, teer als een bloem in het veld. 7 Het gras verdort en de bloem verwelkt wanneer de adem van de HEER erover blaast. Ja, als gras is dit volk.’ 8 Het gras verdort en de bloem verwelkt, maar het woord van onze God houdt eeuwig stand. 9 Beklim een hoge berg, vreugdebode Sion, verhef je stem met kracht, vreugdebode Jeruzalem, verhef je stem, vrees niet. Zeg tegen de steden van Juda: ‘Ziehier jullie God!’ 10 Ziehier God, de HEER! Hij komt met kracht, zijn arm zal heersen. Zijn loon heeft Hij bij zich, zijn beloning gaat voor Hem uit. 11 Als een herder weidt Hij zijn
kudde: zijn arm brengt de lammeren bijeen, Hij vlijt ze tegen zijn borst, en zorgzaam leidt Hij de ooien. (NBV21)

Het boek van de profeet Jesaja valt in drie delen uiteen. In het eerste deel staat de ballingschap voor de deur en die is onafwendbaar, het heeft geen enkele zin je er tegen te verzetten, dat zal alleen maar onnodig mensenlevens kosten. In het tweede deel is de ballingschap een feit en in het derde deel gaat het over de terugkeer uit de ballingschap. In het gedeelte van vandaag staan we aan het begin van het deel dat gaat over de ballingschap zelf. En wat lezen we? Dat de ballingschap al weer bijna ten einde is. Dat zal nog wel een aardige tijd duren maar hoop doet leven en zeker hoop op herstel van een eigen land een eigen gemeenschap en vooral de mogelijkheid je eigen godsdienst weer te beleven. Het gedeelte dat we vandaag lezen is een heel bekend gedeelte. Händel componeerde op deze tekst een van zijn mooiste melodieën uit de Messiah. Het wordt vaak gelezen in de adventstijd en in de Evangeliën wordt dit gedeelte geciteerd als het gaat over Johannes de Doper. De weg door de woestijn is hier de weg die nodig is om de ballingen terug te laten keren.

Dat moet een vlakke weg zijn, zonder gevaren want ze moeten nogal veel meenemen om weer een eigen land te kunnen opbouwen. Maar die weg werd het symbool van de bevrijding van Israël. De bezetting door de Romeinen was net zo uitzichtloos als de ballingschap, dat machtige rijk was onverslaanbaar. Het boek van de profeet Jesaja loopt uit op de beslissing van koning Cyrus dat de ballingen terug mogen keren, die koning wordt daar dan ook de messias genoemd, de bevrijder van Israël. Maar zover is het nog niet. Het volk Israël moet eerst het lied leren zingen dat gaat over die bevrijding. Want in dit lied wordt duidelijk gemaakt dat die bevrijding niet zal afhangen van de kracht of de slimheid van het volk zelf. Het moet de God van Israël zijn die zijn volk zal bevrijden zoals het eens uit de slavernij in Egypte was bevrijd. Daarom gaat dit lied ook over Sion. Dat is de berg in Jeruzalem waar de Tempel op was gebouwd.

Bevrijding van die Tempel betekent de bevrijding van Juda. In die Tempel werden de richtlijnen van de God van Israël bewaard en als je wil terugkeren naar Jeruzalem, naar de Tempel, dat zul je moeten horen bij de mensen van de Wet van de God van Israël. Dan zul je dus de armen recht moeten doen, geen andere goden nalopen, je naaste liefhebben als jezelf. Daar kun je ook in de ballingschap alvast mee beginnen zodat er ook een volk is dat bevrijd kan worden uit de ballingschap. Niet dat het einde van de ballingschap daardoor dichterbij komt, dat is iets wat God zelf beslist, maar wel dat je bij dat einde van die ballingschap mag horen, ook jij mag naar dat beloofde land. En zo is het voor ons natuurlijk ook. Ook wij kunnen beginnen ons aan die Wet van de Tempel te houden, zodat ook wij horen bij het land waar de armen recht zal worden gedaan. Want ook voor ons zal dat land eens komen. Uit die hoop mogen wij leven en werken, ook vandaag weer.