Jesaja 40:27-31
27 Jakob, waarom zeg je-Israël, waarom beweer je: ‘Mijn weg blijft voor de HEER verborgen, mijn God heeft geen oog voor mijn recht’? 28 Weet je het niet? Heb je het niet gehoord? Een eeuwige God is de HEER, schepper van de einden der aarde. Hij wordt niet moe, Hij raakt niet uitgeput, zijn inzicht is niet te doorgronden. 29 Hij geeft de vermoeide kracht, de machteloze geeft Hij macht in overvloed. 30 Jongens worden moe en raken uitgeput, zelfs jonge mannen struikelen, 31 maar wie hoopt op de HEER krijgt nieuwe kracht: hij slaat zijn vleugels uit als een adelaar, hij loopt, maar wordt niet moe, hij rent, maar raakt niet uitgeput. (NBV21)
Overal lopen priesters, in prachtige gewaden, soms zijn mensen eerbiedig voor die priesters, bang dat de God die de priesters vertegenwoordigen boos op hen zouden worden. Overal staan tempels en tempeltjes, soms alleen de beelden van een god. In elke geval staat in elke tempel, in elk tempeltje een beeld van een God, het ene beeld nog mooier dan het andere. Natuurlijk weet je best dat die goden nep zijn, ze doen niks. De ballingen waar Jesaja naar schrijft weten ook heel goed dat het verkeerd met je kan aflopen als je achter dat soort goden aan loopt. Maar in het trotse onoverwinnelijke Babylon is dan toch de vraag wat je moet met een God die je niet kan zien, waar je geen uitspraken van kan verwachten. Geen orakels, geen toekomstvoorspellingen.
Is er een antwoord op de vraag waar en wie toch die God is? Mooi dat die de hemel en de aarde heeft geschapen. Als we tegenwoordig naar de wetenschap kijken is dat toch iets ingewikkelder gegaan als in dat ene zinnetje is verwoord. Dat die God niet moe wordt of uitgeput raakt zal best. Als al die miljoenen jaren waarin de aarde werd gevormd en al wat daarin en daarop is werd tot wat het in onze dagen is aan die God toegeschreven kan worden dan is het inderdaad een God die niet moe kan worden, maar wat hebben we er aan. Van die God is ook nog weinig te snappen, hij gaat alle verstand te boven. Vragen naar het waar, wie en hoe van die God zijn dus overbodig. Wat heb je er dan aan?
Die God geeft kracht. Dat is natuurlijk best aardig, sterke mensen kunnen veel aan en we weten dat het leven uitermate vermoeiend kan zijn. In onze dagen is alles zo ingewikkeld dat je bijna een baan er bij hebt, of zelfs een dagtaak aan het voldoen aan alle regels die je krijgt opgelegd en aan het informeren van instanties over hoe je die regels hebt uitgevoerd. Mooi dat die God dan kracht geeft. Maar geeft die God die kracht zo maar? Waarom worden we dan zo moe. Jesaja herhaalt hier niet nog een keer. Die God vraagt om geëerd te worden door het liefhebben van je naaste, door de zorg voor de minsten. En als je je daar volledig op instelt merk je dat je veel meer kan doen dat je verwacht. Daar wordt je niet moe van, daar krijg je energie van, daar raak je nooit van uitgeput. Ook vandaag niet, vandaag zijn er velen die een naaste nodig hebben en is dus niet de vraag waar is God, maar van wie wil jij de naaste zijn.