Ben ik soms zo’n hondsvot uit Juda?

2 Samuel 3:1-16
1 De strijd tussen het huis van David en het huis van Saul duurde lang. Maar terwijl David steeds sterker werd, werd het huis van Saul steeds zwakker. 2  David kreeg in Hebron zes zonen: de oudste was Amnon, een zoon van Achinoam uit Jizreël; 3  de tweede was Kileab, een zoon van Abigaïl, de vroegere vrouw van Nabal uit Karmel; de derde was Absalom, een zoon van Maächa, die een dochter was van koning Talmai van Gesur; 4  de vierde was Adonia, een zoon van Chaggit; de vijfde was Sefatja, een zoon van Abital; 5  en de zesde was Jitream, een zoon van Davids vrouw Egla. Dat waren de zonen die David in Hebron kreeg. 6  Terwijl de strijd tussen het huis van Saul en het huis van David voortduurde, verwierf Abner zich een steeds machtiger positie in het huis van Saul. 7 Saul had een bijvrouw gehad, een zekere Rispa, de dochter van Ajja. Isboset vroeg aan Abner: ‘Waarom hebt u bezit genomen van de bijvrouw van mijn vader?’ 8  Abner werd woedend over de woorden van Isboset en viel uit: ‘Wat?! Ben ik soms zo’n hondsvot uit Juda? Heb ik niet steeds het beste voorgehad met het huis van uw vader Saul, met zijn familie en zijn vrienden? Ik heb ervoor gezorgd dat u niet in handen van David viel, en ú verwijt mij overspel? 9  God mag met mij doen wat hij wil als ik David niet zal bezorgen wat de HEER hem gezworen heeft: 10  het koningschap afnemen van het huis van Saul en voor David een troon oprichten over Israël en over Juda, van Dan tot Berseba!’ 11  Isboset was zo bang voor Abner dat hij hier niets tegenin durfde brengen. 12  Meteen stuurde Abner afgezanten naar David met de boodschap: ‘Aan wie behoort het land? Sluit met mij een verdrag, dan zal ik u helpen om heel het volk van Israël voor u te winnen.’ 13  David liet antwoorden: ‘Goed, ik zal met u een verdrag sluiten, maar onder één voorwaarde: ik zal u alleen ontvangen als u Sauls dochter Michal voor me meebrengt.’ 14  Hij stuurde ook afgezanten naar Sauls zoon Isboset met de boodschap: ‘Geef me mijn vrouw Michal terug, die ik als bruid verworven heb voor de voorhuiden van honderd Filistijnen.’ 15  Isboset liet Michal ophalen bij haar man Paltiël, de zoon van Laïs. 16  Haar man ging met haar mee en volgde haar in tranen tot aan Bachurim. Pas toen Abner zei: ‘Vooruit, ga naar huis!’ maakte hij rechtsomkeert. (NBV)

De oorlog tussen Juda en Israël had lang geduurd staat er in het begin van het verhaal van vandaag. Het eerste dat in de oorlog slachtoffer wordt is de waarheid. Beide partijen hebben er belang bij om hun partij zo goed mogelijk voor te stellen. Tegelijk met de waarheid worden ook de zwakken in de samenleving slachtoffer van de oorlog. Zij kunnen zich immers niet verweren. Vrouwen horen in de geschiedenis bij de zwakken en vrouwen worden in deze geschiedenis over de oorlog tussen David en het huis van Saul dan ook opzichtig het slachtoffer. Nu moeten we ook bedenken dat het verhaal dat we lezen is opgeschreven door mensen die het zeer hoog hadden met David, dat was voor hen een koning naar Gods hart, terwijl ze niets moesten hebben van Saul die een koning was zoals de Heidenen hadden gehad.  Dat het huis van Saul geregeerd werd door een generaal en eigenlijk niet door de zwakke Koning Isboset was voor tegenstanders van Saul heel normaal.  Dat huis en die regering stortten dan ook in toen er ruzie ontstond tussen Abner en Isboset.
In dit verhaal worden David en Saul nog eens tegenover elkaar gezet als twee kanten van de medaille. David woont in Hebron, regeert daar, wordt steeds sterker en krijgt van zijn zes vrouwen zonen, van elke vrouw evenveel. Een harmonisch gezin, zo zou de God van Israël het misschien wel graag zien. Zijn eerste vrouw, een dochter van Saul is er in dit verhaal nog steeds niet bij. In het huis van Saul ontstaat ruzie. De regerende generaal Abner legt het aan met een weduwe van Saul, Rispa, een bijvrouw. Maar Abner was geen familie van Saul, hij kon dus niet de losser zijn van de weduwe, hij blokkeerde zelfs een mogelijk losserschap, hij pleegde dus overspel.  Dat losserschap was een belangrijke regel om de inkomenspositie van weduwen veilig te stellen en goed voorbeeld doet goed volgen maar Abner geeft het verkeerde voorbeeld, hij gebruikt een vrouw om zijn eigen macht te vergroten.
Abner was feitelijk ook de baas en als Isboset dreigt hem aan de kant te zetten dan besluit Abner toenadering te zoeken tot David en de stammen van Israël en de stam Benjamin over te halen David als koning te erkennen. David laat merken dat hij door heeft dat vrouwen een rol spelen in de conflicten, gebruikt worden als pionnen in een schaakspel. Hij eist Michal terug. Zij was door Saul aan een ander uitgehuwelijkt toen David was gevlucht voor Saul. Michal was bij uitstek de speelbal geworden van de politieke conflicten om haar heen. Ons mag dat aan het denken zetten over mensen die vinden dat de vrouw van nature een ondergeschikte positie heeft aan de man, de Bijbel maakt er een onderdrukking van. Vrouwen worden in die ideologie onderdrukt en misbruikt. We zullen het in onze kerken moeten herkennen.

Laten er kampvechters naar voren treden

2 Samuel 2:12-32
12  Abner, de zoon van Ner, trok met het leger van Sauls zoon Isboset uit Machanaïm op naar Gibeon. 13  Ook Joab, de zoon van Seruja, was uitgerukt met het leger van David. Bij het waterbekken van Gibeon troffen ze elkaar, ieder aan een kant van het water. 14  Abner zei tegen Joab: ‘Laten er kampvechters naar voren treden en met elkaar een tweegevecht houden.’ ‘Goed, ‘antwoordde Joab. 15  De kampvechters traden naar voren en werden geteld: twaalf voor Benjamin en Sauls zoon Isboset en twaalf van de mannen van David. 16  Ieder greep zijn tegenstander bij de haren beet en stak hem zijn zwaard in zijn zij, zodat ze samen sneuvelden. Daarom wordt die plek in Gibeon Chelkat-Hassurim genoemd. 17  Meteen ontbrandde er een hevige strijd, waarin Abner met het leger van Israël door het leger van David werd verslagen. 18 De drie zonen van Seruja waren er ook: Joab, Abisai en Asaël. Asaël kon lopen als een wilde gazelle. 19  Hij zette de achtervolging op Abner in en bleef hem op de hielen zitten. 20  Abner keek achterom en riep: ‘Ben jij het, Asaël?’ ‘Jazeker, ‘antwoordde deze. 21  Toen riep Abner: ‘Laat me toch met rust! Grijp liever een van de soldaten en pak hem zijn uitrusting af.’ Maar Asaël bleef hem op de hielen zitten. 22  Nogmaals riep Abner: ‘Laat me met rust! Dwing me niet om je te doden, want dan zou ik je broer Joab niet meer recht in de ogen kunnen kijken.’ 23  Maar toen Asaël hem nog altijd niet met rust wilde laten, stootte Abner hem met het achtereinde van zijn lans in de buik, zodat die aan de andere kant weer naar buiten kwam. Asaël viel neer en stierf ter plekke. Iedereen die langs de plaats kwam waar Asaël was gesneuveld, bleef stilstaan. 24  Maar Joab en Abisai zetten de achtervolging van Abner voort, tot ze bij zonsondergang bij de heuvel Amma kwamen, tegenover Giach, op de weg naar de woestijn van Gibeon. 25 De Benjaminieten sloten de gelederen achter Abner en stelden zich op de top van een heuvel op. 26  Abner riep Joab toe: ‘Moet het zwaard dan blijven verslinden? Dat leidt toch alleen maar tot bittere ellende! Hoe lang zal het nog duren tot u uw mannen beveelt om hun broeders met rust te laten?’ 27 ‘Zo waar God leeft, ‘antwoordde Joab, ‘als u niets had gezegd, hadden mijn mannen hun broeders vanmorgen gewoon laten gaan.’ 28  Joab blies op de ramshoorn, waarop heel het leger halt hield. De achtervolging van Israël werd opgegeven en de strijd gestaakt. 29  Abner trok de hele nacht met zijn leger door de Jordaanvallei. Ze staken de Jordaan over en gingen door de Bitron naar Machanaïm. 30  Nadat Joab de achtervolging van Abner had gestaakt, verzamelde hij zijn troepen. Behalve Asaël bleken er nog negentien soldaten van David te zijn gesneuveld. 31  Van het leger van Benjamin, de mannen van Abner, hadden Davids soldaten driehonderdzestig man gedood. 32  Joab en zijn mannen namen Asaël mee om hem in Betlehem in het graf van zijn vader te begraven. Daarna liepen ze de hele nacht door, tot ze bij het aanbreken van de dag in Hebron aankwamen. (NBV)
De 12 stammen van Israël waren altijd behoorlijk zelfstandig geweest. Pas onder Saul hadden ze samen gestreden tegen de Filistijnen en hadden ze samen één koning. De opvolger van zo’n koning, een koning zoals ook de heidenen hadden, was een rechtstreekse afstammeling van die koning. David had die status nog niet. Hij was wel getrouwd met een dochter van Saul maar die had hij niet meegenomen naar Hebron waar hij tot Koning van Juda was gekroond. De generaal van Saul, Abner, had nog een zoon van Saul gevonden die de oorlog met de Filistijnen had overleefd. Dat was Isboset en hij werd door Abner uitgeroepen tot Koning over Israël, de stammen  buiten Juda. Twee jaar lang waren er dus twee koningen, David en Isboset. En de generaals van de beide koningen, Abner voor Isboset en Joab voor David. Daarbij was die Isobet koning dankzij Abner en was Joab uitddrukkelijk een knecht van David.
Abner begint zijn oorlog in Machanaïm, de plaats waar volgens de overlevering Jacob een Esau zich met elkaar hadden verzoend. De gebruikelijke truc om veel slachtoffers te vermijden, een tweegevecht tussen kampvechters mislukte, de kampvechters doodden elkaar tegelijk zodat er geen winnaars en verliezers waren. Daarop ontbrandde een strijd tussen legers. En als de dag voorbij is en de slag wordt gestaakt blijkt het leger van Abner veel meer slachtoffers te tellen dan het leger van Joab. Beide legers gaan dan eerst maar eens naar huis, maar de oorlog duurt voort. Er is dus geen sprake van een gemakkelijke overwinning van de zijde van David omdat die op de God van Israël vertrouwt, op last van de God van Israël is gezalfd en door de God van Israël Hebron heeft aangewezen gekregen. De vraag waarom goede mensen zoveel leed en ellende kan treffen houdt door de eeuwen heen veel mensen bezig.
Oorlog is niet het antwoord op de behoefte leed en ellende op te heffen. In de oorlog tussen Abner en Joab gebeurt er uiteindelijk niets, er gaan alleen veel mensen dood. In de Bijbel is het hele boek Job aan deze vraag gewijd. Het blijft een vraag, een antwoord wordt er niet gegeven. De geschiedenis van mensen loopt nu eenmaal zoals die loopt en de geschiedenis van de aarde met haar rampen door storm, aardbevingen. droogte en regens, loopt ook zo als die loopt. Het enige antwoord dat we hebben is dat we er op mogen vertrouwen dat ook in de donkerste uren God er is om ons te steunen en te troosten, niet om de ellende weg te nemen dus. Wie belooft dat zijn God alle ellende van de mens wegneemt liegt en dient een afgod. Gelovigen in de God van Israël mogen God helpen door te zorgen voor de minsten, door de bedroefden te troosten, te zorgen voor de weduwe en de wees, elke dag opnieuw, ook vandaag.

Naar welke stad zal ik gaan?

2 Samuel 2:1-11
1 Enige tijd later wendde David zich tot de HEER en vroeg: ‘Zal ik naar Juda gaan?’ ‘Goed, ‘antwoordde de HEER. ‘Naar welke stad zal ik gaan?’ vroeg David, en de HEER antwoordde: ‘Naar Hebron.’ 2  Daarop trok David naar Hebron. Hij nam zijn beide vrouwen mee, Achinoam uit Jizreël en Abigaïl, de vroegere vrouw van Nabal uit Karmel, 3  en ook zijn aanhangers met hun families. Zij allen vestigden zich in Hebron en de omliggende dorpen. 4  De Judeeërs kwamen naar Hebron en zalfden David tot koning van Juda.  Men vertelde aan David dat Saul door de bevolking van Jabes in Gilead was begraven. 5  David stuurde afgezanten naar Jabes in Gilead met de boodschap: ‘Wees gezegend door de HEER, omdat u trouw hebt bewezen aan uw heer Saul en hem begraven hebt. 6  Moge de HEER u allen daarom goed behandelen en u trouw bewijzen. Ook ik wil u hierbij mijn vriendschap aanbieden. 7  Wees dapper en houd moed, want ook al is uw heer Saul dood, het volk van Juda heeft nu mij tot hun koning gezalfd.’ 8 Intussen was Sauls zoon Isboset door Abner, de zoon van Ner en opperbevelhebber van Saul, naar Machanaïm gebracht 9  en door hem uitgeroepen tot koning van Gilead, van Aser en Jizreël, van Efraïm en Benjamin, kortom, van heel Israël. 10  Isboset was veertig jaar oud toen hij koning over Israël werd, en hij regeerde twee jaar. Maar Juda stond achter David 11  Vanuit Hebron regeerde David zeven jaar en zes maanden over Juda. (NBV)
Er zijn van die groepen en sektes die zich Christelijk noemen maar eigenlijk door en door Heidens zijn. Ze beloven gouden bergen als je maar gaat geloven in de Heere Jezus, of gewoon in Jezus. Je ziekten verdwijnen, je schulden worden afgelost, je hoeft niet meer bang te zijn voor de hel, niemand kan je meer wat maken en het materieel gewin stroomt bij je binnen. Hun geloof is het geloof dat in Kanaän werd beleden door de aanhangers van Baäl en Astarte. Het is het geloof in de afgoden waar de Hebreeuwse Bijbel en de Bijbel van de Christenen zich hardnekkig tegen verzetten. Het verhaal dat we vandaag lezen is een mooi voorbeeld van dat verzet. Je zou immers verwachten dat, nu Saul en zijn zonen de dood gevonden hebben op het slachtveld, David juichend wordt binnengehaald in Israël als de nieuwe Koning, een Koning naar Gods hart. Daar zal die God van hem toch wel even voor zorgen. Niets is minder waar.
David is niet meer dan een struikrover. Een dienaar van de Filistijnen die had moeten vluchten voor de grote koning Saul. Natuurlijk was er een tijd geweest dat het volk hem had toegezongen over zijn overwinningen. Maar nu aan het einde van Sauls bewind bleef er niet veel anders over dan een zwerver met een legertje van 600 mannen. Waar heen nu? Zou het Juda moeten worden? David kwam uit Bethlehem dus die vraag licht voor de hand. Het antwoord van God dus ook. Maar waar in Juda zal hij zich vestigen. En daarop komt een onverwacht antwoord. Het wordt Hebron. Natuurlijk, Hebron lag centraal in Juda en was een handelsstad. Maar in Hebron lagen ook Abraham en Sara begraven net als Iaäk en Jacob. Het was de plek waarop aan Ambraham het vaderschap van vele volken was beloofd. Daar had het nageslacht van Aäron een priesterlijk erfdeel.
Hebron was ook een vrijstad. Verdachten die werden gezocht voor ernstige misdrijven vonden daar een veilig heenkomen. David was er heen gevlucht toen Saul hem beschuldigde van hoogverraad. David wordt  dus naar Hebron gestuurd en daar opnieuw tot Koning gezalfd, nu in het openbaar want bij de zalving door Samuël waren alleen zijn broers aanwezig geweest. David vestigt zich daar samen met twee van zijn drie vrouwen. Ook zijn legertje gaat in Hebrom wonen met hun gezinnen. Bij elkaar was het een hele invasie van Hebron. Dan biedt David zijn vriendschap aan aan Jabes, de stad die de lichamen van Saul en zijn zonen bij de Filistijnen had weggehaald en fatsoenlijk begraven. Ook in de dood blijft David Saul eren als gezalfde van God. Juda had David nu aanvaard als Koning. Maar de rest van Israël moest nog niks van David hebben. Belangrijker dus is voor ons de vraag hoe zou God dit van ons willen. Zetten wij ons ook in de traditie van Abraham, Izaäk en Jacob, volgens de leer van Mozes?

Ach, dat je helden moesten vallen!

2 Samuel 1:17-27
17 Toen hief David een klaaglied aan over Saul en zijn zoon Jonatan. 18  Hij heeft gezegd dat alle Judeeërs dit lied, het Lied van de boog, moesten leren. Het staat opgetekend in het Boek van de Oprechte: 19  ‘Als een gevelde hinde, Israël, ligt jouw trots gesneuveld op je heuvels. Ach, dat je helden moesten vallen! 20  Maak het niet bekend in Gat, roep het niet rond in Askelon; laat niet de Filistijnse vrouwen zich verheugen,  de dochters van die onbesnedenen niet juichen. 21  Bergen van Gilboa, draag geen dauw meer, duld geen regen op je hooggelegen velden: daar ligt het heldenschild, vertrapt, het schild van Saul, vergeten en verwaarloosd. 22  Nooit keerde de boog van Jonatan terug zonder het bloed van verslagenen, zonder het vet van helden; het zwaard van Saul bleef nimmer onverzadigd. 23  Saul en Jonatan, de geliefden en beminden, bij leven niet te scheiden, en onafscheidelijk verbonden in de dood. Sneller dan een arend waren ze, en sterker dan een leeuw. 24  O dochters van Israël, treur om Saul! Rijk bewerkt scharlaken gaf hij je te dragen, door hem werd je getooid met sieraden van goud. 25  Ach, dat de helden in de oorlog moesten vallen! Jonatan ligt gesneuveld op de heuvels. 26  Het verdriet verstikt me, Jonatan, je was mijn broeder, en mijn beste vriend. Jouw liefde was mij dierbaar, meer dan die van vrouwen. 27  Ach, dat de helden moesten vallen, dat jullie, wapens in de strijd van Israël, verloren moesten gaan!’ (NBV)
Als je vijanden zijn overwonnen dan past vreugde en opluchting. Maar het gedeelte van vandaag maakt eigenlijk ook duidelijk dat de vierde en de vijfde mei bij elkaar horen. We hebben eerst verdriet over hen die gevallen zijn ook al stonden ze ons naar het leven. Dat ze niet de kans hebben gekregen anders met ons om te gaan moet ons droevig maken. Het slechte wordt er niet minder slecht door, ook al leren we te begrijpen waarom onze vijanden ons naar het leven stonden, maar ons verlangen naar vrede en recht maakt ons droevig als het streven naar vrede met onze vijanden ons uit de handen geslagen worden door de dood. De schrijver van het boek Samuël gebruikt een klaaglied dat bij het volk bekend was om ons te laten zien hoe dat verdriet er uit zou kunnen zien.
Het lied stond in het boek van de oprechte, dat boek kennen we niet meer maar in het eerste boek Samuël wordt ook Samuël “oprechte” genoemd. Het is een prachtig lied, een heldenlied zo mooi als je maar weinig in de oude literatuur aantreft. Maar dat boek de Oprechte staat ook misschien niet ten onrechte niet in de Bijbel. Helden komen in de Bijbel maar weinig voor en als ze voorkomen dan stellen ze weinig voor. Ze hebben een heldendaad verricht en daar blijft het over het algemeen bij. Maar hier gaat het om de Gezalfde van de God van Israël, de geliefde van God en zijn zoon, de geliefde van David. Hier past een lied voor de doden die leiding hadden gegeven aan de strijd tegen de vijanden van Israël.
Ook in de dood blijft Saul de Gezalfde Koning van Israël, geroepen door de God van Israël. Wij veroordelen onze gevallen leiders met het grootste gemak. Een kleine misstap, een verkeerde inschatting en weg zijn ze. De laatste paar jaar is de meest gestelde vraag aan een Nederlands politicus zelfs de vraag wanneer die op stapt vanwege onvermogen of vermeende fouten. Misschien dat ons land wat minder versplinterd blijft als we het voorbeeld van David volgen en ook het goede van elke politicus in rekening brengen. Dat goede moeten we immers ook zelf doen, elke dag en niet dan het goede, dat kan dus ook vandaag weer. En de liefde die David voelde voor Jonathan en die wederzijds was en voor David meer betekende dan zijn liefde voor vrouwen is kennelijk hier ook een teken van de liefde voor God.

Ik ben een Amalekiet

2 Samuel 1:1-16
1 Saul was gesneuveld en David had de Amalekieten verslagen en was alweer twee dagen terug in Siklag. 2  Op de derde dag liet zich iemand uit het legerkamp van Saul aandienen. Hij had zijn kleren gescheurd en stof over zijn hoofd geworpen. Bij David gekomen, boog hij diep voorover. 3  ‘Waar komt u vandaan?’ vroeg David, en de man antwoordde: ‘Uit het legerkamp van Israël. Ik ben ontkomen.’ 4  ‘Wat is er dan gebeurd?’ vroeg David ongerust. ‘De soldaten moesten vluchten, ‘vertelde hij. ‘Velen van hen zijn gesneuveld, en ook Saul en zijn zoon Jonatan zijn omgekomen.’ 5  ‘Hoe weet u zo zeker dat Saul en zijn zoon Jonatan dood zijn?’ vroeg David aan de boodschapper die hem dit was komen vertellen. 6  ‘Ik was heel toevallig op de Gilboa, ‘antwoordde hij. ‘En daar stond Saul, leunend op zijn speer; de strijdwagens en ruiters hadden hem al bijna te pakken. 7  Hij keek om, en toen hij mij zag, riep hij me bij zich. “Wat kan ik voor u doen, heer?” vroeg ik, 8  en hij vroeg: “Wie ben jij?” “Ik ben een Amalekiet, ”zei ik, 9  en toen zei hij: “Kom hier en geef me de genadestoot. Want ik leef nog wel, maar de dood heeft mij al in zijn greep.” 10  Dus ik ging naar hem toe en gaf hem de genadestoot, want ik begreep dat hij, nu de strijd verloren was, niet lang meer te leven had. Toen nam ik hem zijn hoofdband en zijn armband af om ze voor u mee te nemen, mijn heer.’ 11 Hierop greep David zijn kleren en scheurde ze, en ook al zijn mannen deden dat. 12  Ze rouwden, jammerden en vastten tot de avond viel voor Saul, zijn zoon Jonatan en het volk van de HEER, het volk van Israël, omdat zij in de strijd waren gesneuveld. 13  David vroeg aan de boodschapper die hem dit alles was komen vertellen: ‘Waar komt uw familie vandaan?’ ‘Ik ben een Amalekiet, ‘antwoordde hij. ‘Mijn vader is hier als vreemdeling komen wonen.’ 14  Daarop vroeg David: ‘Hoe hebt u het gewaagd uw hand op te heffen tegen de gezalfde van de HEER, en hem te doden?’ 15  Hij riep een van zijn dienaren bij zich en beval: ‘Kom hier, dood hem.’ En de dienaar stak hem dood, 16  terwijl David zei: ‘U hebt uw dood aan uzelf te wijten, want u hebt uzelf met zoveel woorden beschuldigd door te zeggen: “Ik heb de gezalfde van de HEER de genadestoot gegeven.”’ (NBV)
Er was een tijd dat de boeken van de Hebreeuwse Bijbel op rollen werden geschreven. Tot op vandaag hebben Synagogen die rollen en ze dragen ze tijdens de dienst op Sabbat rond in de Synagogen, vooral de rollen van de Tora, de eerste vijf boeken van de Bijbel. Maar we hebben twee rollen die genoemd zijn naar de profeet Samuël. Hoedat kan? De rol waarop het boek Samuël werd geschreven was vol. Maar het verhaal over de komt van de koning voor Israël was nog niet uit. De vraag of een koning naar Gods hart ook kon in plaats van een koning zoals de Heidenen hadden was nog niet beantwoord. Daarom werd een tweede rol gepakt, ook een boekrol waarop het boek Samuël zou worden geschreven, de tweede rol, het tweede boek Samuël dus. En zo zijn wij in alle vertalingen aan het Eerste en het Tweede boek Samuël gekomen.  En op die tweede rol begon het direct met de vraag of de Koning van Israël een bevrijder zou worden of een bedwinger.
Was er vreugde of verdriet om de dood van Saul en zijn zonen? Om het belang van die vraag te onderstrepen komt de boodschap op de derde dag bij David, kleren gescheurd en stof op het hoofd, de kleding en het uiterlijk van diepe rouw.Hoe kan het dat iemand levend uit een strijdgewoel komt waarin Saul en zijn zonen de dood hebben gevonden? David wil precies weten van hoe en wat. En dat werd een mooi verhaal. De boodschapper was toevallig in de buurt geweest toen Saul op het punt stond gepakt te worden door de strijdwagens en ruiters van de Filistijnen. Saul had de dappere soldaat van Israël ontboden en, toen hij had verteld een Amalekiet te zijn, gevraagd hem de genadestoot te geven omdat hij stervende was. De Amalekiet had hem de genadestoot gegeven.en de armband en hoofdband van Saul meegenomen hij had dus ook het lijk van Saul beroofd.
Amelakieten zijn in de Bijbel de lafaards, strijders die hun tegenstander in de rug aanvallen. Maar nu kwam het er op aan hoe David op dit bericht al reageren. Barst er een feest los of juist niet?  Niet dus, er wordt gerouwd en gevast tot de avond voor Saul en zijn zonen. Kleren worden gescheurd en alle soldaten volgden David in zijn rouw. En nogmaals vroeg David wie de boodschapper was en weer klinkt het “ik ben een Amalekiet” Uitgerekend een Amalekiet had de Gezalfde Koning van Israël gedood? Het volk dat laf en achterbaks de zwakken aanviel terwijl het oorlog was? Op zulke daad staat de doodstraf, dit kan niet geduld worden onder de mensen. Pas dus op met de doodstraf. Want de Amelakiet had nepnieuws verspreid. Saul was immers gedwongen geweest zichzelf in zijn zwaard te werpen? Op verspreiden van nepnieuws staat niet de doodstraf maar bij nieuws mag je dus ook afvragen wie eigenlijk belang heeft bij het verspreiden van dat nieuws.

Of laat hij hen wachten?

Lucas 18:1-8
1 Hij vertelde hun een gelijkenis over de noodzaak om altijd te bidden en niet op te geven: 2  ‘Er was eens een rechter in een stad die geen ontzag had voor God en zich niets aan de mensen gelegen liet liggen. 3  Er woonde ook een weduwe in die stad, die steeds weer naar hem toe ging met het verzoek: “Doe mij recht in het geschil met mijn tegenstander.” 4  Maar lange tijd wilde hij dat niet doen. Ten slotte zei hij bij zichzelf: Ook al heb ik geen ontzag voor God en laat ik mij niets aan de mensen gelegen liggen, 5  toch zal ik die weduwe recht verschaffen omdat ze me last bezorgt. Anders blijft ze eindeloos bij me komen en vliegt ze me nog aan.’ 6  Toen zei de Heer: ‘Luister naar wat deze rechter zegt, al minacht hij ook het recht. 7  Zal God dan niet zeker recht verschaffen aan zijn uitverkorenen die dag en nacht tot hem roepen? Of laat hij hen wachten? 8  Ik zeg jullie dat hij hun spoedig recht zal verschaffen. Maar als de Mensenzoon komt, zal hij dan geloof vinden op aarde?’ (NBV)
Het komt nog steeds voor dat recht verkregen wordt door mensen die vasthoudend om het recht blijven vragen omdat de instanties die recht moeten verschaffen liever blij zijn er af te zijn. Tegenwoordig worden mensen daarbij geholpen door TV programma’s als Radar en Kassa want bedrijven willen nu eenmaal niet geportretteerd worden als bedrijven die mensen geen recht doen. Mensen worden tegenwoordig ook tegengewerkt door een overheid die de kosten voor toegang tot de rechtspraak zo hoog maakt dat de armen in ons land er nauwelijks of geen gebruik van kunnen maken. Recht doen aan individuele mensen in onze samenleving is sinds de tweede helft van de vorige eeuw een item dat steeds weer om aandacht vraagt. Na de sociale rechtshulp, die inmiddels weer is weg bezuinigd, hebben we ook de Nationale Ombudsman gekregen die er voor kan zorgen dat ook de overheid haar onderdanen recht doet.
Rechtvaardig mensen behandelen is in onze samenleving de norm, we hechten er veel waarde aan. Waarom zou het dan zo weinig gebeuren? In de eerste plaats omdat veel mensen niet om hun recht vragen. Dat is op zich jammer want vaak is het zo dat als aan één persoon recht is gedaan aan velen recht kan worden verschaft. Maar ook heeft het te maken met macht. TV programma’s en een Nationale Ombudsman zijn nodig omdat machthebbers en rijken misbruik maken van hun positie als het gaat om recht te verschaffen aan kleine mensen. Jezus van Nazareth raad aan om te blijven vragen om recht. Bidden is voor hem kennelijk ook zorgen dat aan mensen recht wordt gedaan, want als hem gevraagd wordt wat het effect is van bidden komt hij met het verhaal over de weduwe die maar niet ophoudt. Aan het eind is er echter de vraag of er nog mensen zijn die voldoende vertrouwen hebben in het feit dat ook echt aan mensen recht kan worden gedaan. Zoals de profeten het hadden uitgedrukt die “hongeren en dorsten naar gerechtigheid”.
Dat is een vraag die aan ons wordt gesteld. Helpen wij mensen als hen onrecht wordt aangedaan of wanneer aan hen geen recht wordt gedaan? Hebben wij oog voor de bedrijven, overheden en instanties in onze eigen buurt, waar we misschien zelfs zelf werken, die mensen onvoldoende recht doen? Staan we naast mensen die geen recht worden gedaan? Hongeren en dorsten we inderdaad onophoudelijk naar gerechtigheid? In de woorden van Jezus van Nazareth: geloven we wel? Bidden we wel? Smeken we de overheid die de weduwe afwijst om haar te helpen in het vertrouwen dat onze politici zich laten vermurwen en de armen zullen helpen als we het ze maar onophoudelijk vragen. Kloppen we op de muren van de regering met de vraag nu eindelijk de onrechtvaardige tolmuren te slopen in het vertrouwen dat wij net zo hard moeten roepen als onze broeders en zusters uit de armste landen in de wereld? Zijn we vandaag net als de weduwe uit het verhaal? Of horen we liever bij de goddelozen van wie geen recht te verwachten is?.

Zo zal het ook gaan

Lucas 17:20-37
20 Toen de Farizeeën Jezus vroegen wanneer het koninkrijk van God zou komen, antwoordde hij hun: ‘De komst van het koninkrijk van God laat zich niet aanwijzen, 21  en men kan niet zeggen: “Kijk, hier is het!” of: “Daar is het!” Maar weet wel: het koninkrijk van God ligt binnen uw bereik.’ 22  Tegen de leerlingen zei hij: ‘Er komt een tijd dat jullie ernaar zullen verlangen een van de dagen van de Mensenzoon te zien, maar jullie zullen die dag niet meemaken. 23  Dan zullen de mensen tegen jullie zeggen: “Kijk daar!” of: “Kijk hier!” Maar doe dat niet en schenk er geen aandacht aan.24  Want zoals de bliksem licht geeft wanneer hij van de ene naar de andere kant van de hemel flitst, zo zal de Mensenzoon verschijnen. 25  Maar eerst moet hij veel lijden en door deze generatie verworpen worden. 26  En zoals het eraan toeging in de dagen van Noach, zo zal het ook zijn in de dagen van de Mensenzoon: 27  ze aten, ze dronken, ze huwden, ze werden uitgehuwelijkt, tot aan de dag waarop Noach de ark binnenging en de vloed kwam die iedereen verzwolg. 28  Of zoals het eraan toeging in de dagen van Lot: ze aten, ze dronken, ze kochten, ze verkochten, ze plantten, ze bouwden; 29  maar op de dag waarop Lot wegtrok uit Sodom, regende het vuur en zwavel uit de hemel en kwamen allen om. 30  Zo zal het ook gaan op de dag waarop de Mensenzoon wordt geopenbaard.
31  Wie op die dag op het dak van zijn huis is moet niet naar beneden gaan om zijn bezittingen te gaan halen, en wie op het land is moet niet naar huis terug willen gaan. 32  Denk aan de vrouw van Lot! 33  Wie probeert zijn leven veilig te stellen zal het verliezen, maar wie het verliest zal het behouden. 34  Ik zeg jullie, die nacht zullen er twee in één bed liggen: de een zal worden meegenomen, de ander achtergelaten. 35-36  Van twee vrouwen die samen aan het malen zijn, zal de een worden meegenomen, de ander worden achtergelaten.’ 37  Ze vroegen hem: ‘Waar, Heer?’ Hij antwoordde: ‘Waar een lijk is, daar zullen de gieren zich verzamelen.’ (NBV)

Op het moment dat het over vreemdelingen gaat zijn mensen geneigd grenzen te gaan trekken. Daarom begint dit stuk met de vraag naar het Koninkrijk van God. En voor grenzentrekkers komen er dan verwarrende antwoorden. Je kunt dat Koninkrijk niet zien, je kunt het niet aanwijzen, als je er niet aan meedoet kun je beter niet willen dat het komt, als je er wel aan meedoet kan het niet vlug genoeg komen, en, wat nog het meest zal verbazen is, dat het vlakbij is, onder handbereik, zomaar voor het grijpen. Maar de leerlingen van Jezus zullen de dag zelfs niet meemaken dat het komt. Voor hen was de dag van de Mensenzoon immers al begonnen met het volgen van Jezus. In de Kerken en onder de geleerden is heel lang gestreden over hoe het nu zit met de komst van dat Koninkrijk, de komst van de Mensenzoon en het oordeel over goed en kwaad dat mensen te wachten zou staan.
Nu zijn wetenschappers echte grenzentrekkers en voor grenzentrekkers was dit hoofdstuk heel verwarrend. Voor de volgelingen van Jezus van Nazareth zal het heel wat minder verwarrend geweest zijn. Zij kenden immers ook het verhaal dat dat Koninkrijk van Jezus van Nazareth niet een Koninkrijk zou zijn zoals we dat in de wereld kennen, koninkrijken met grenzen en grensbewaking, waar koningen gaan en komen, waar staatsgrepen zijn en legers en waar machtigen elkaar bevechten om de macht. In het Koninkrijk van Jezus van Nazareth mag iedereen meedoen, met dat meedoen kun je zelfs elke dag al beginnen. Als de mensen de sporen van dat Koninkrijk herkennen dan weet je dat het er nog niet echt is. Niets is immers volmaakt en we kunnen altijd beter. Maar als er voor de armen wordt gezorgd, als hongerigen worden gevoed, als naakten worden gekleed, als er voor gevangenen wordt gezorgd dan weten we dat er aan de ene wet van heb Uw naaste lief als Uzelf, de enige wet van dat bijzondere Koninkrijk, al vast wordt gedaan.
Daarom kunnen we er ook niet op wachten. Dat zou mooi zijn, als we ouder worden gaan we wel goed doen, als het zomer is gaan we wel goed doen, of juist als het winter is. Misschien ben je morgen wel dood. We hebben het boek Prediker gelezen die daar steeds maar weer voor waarschuwt. Je rijkdom, je aanzien, je macht kun je niet meenemen. Als de donkere dagen komen kan alleen een bondgenootschap je redden en dat bondgenootschap kun je maken door te delen met wat je nu hebt. Daarom wijst Jezus van Nazareth op het lijden dat hij moet doormaken. Pas als wij het lijden zien, en het lijden van de minsten onder ons is ook zijn lijden, dan pas komen wij in beweging, dan pas worden wij geroerd en zijn we bereid de handen uit de mouwen te steken en dat Koninkrijk te grijpen. Let maar op als de gruwelbeelden uit NoordOost Syrië op de TV komen, dan komt de beweging voor de armen daar pas goed op gang. Beter is het natuurlijk elke dag de ogen open te houden.

Het was een Samaritaan.

Lucas 17:11-19
11 Op weg naar Jeruzalem trok Jezus door het grensgebied van Samaria en Galilea. 12  Toen hij daar een dorp wilde binnengaan, kwamen hem tien mensen tegemoet die aan huidvraat leden; ze bleven op een afstand staan. 13  Ze verhieven hun stem en riepen: ‘Jezus, meester, heb medelijden met ons!’ 14  Toen hij hen zag, zei hij tegen hen: ‘Ga u aan de priesters laten zien.’ Terwijl ze gingen werden ze gereinigd. 15  Een van hen, die zag dat hij genezen was, keerde terug en loofde God met luide stem. 16  Hij viel neer aan Jezus’ voeten om hem te danken. Het was een Samaritaan. 17  Toen zei Jezus: ‘Zijn er niet tien gereinigd? Waar zijn de negen anderen? 18  Wilde niemand anders terugkomen om God eer te bewijzen dan alleen deze vreemdeling?’ 19  Hij zei tegen de Samaritaan: ‘Sta op en ga. Uw geloof heeft u gered.’ (NBV)
Je moet maar durven, laat Wilders, Baudet en Rutte het maar niet horen, een vreemdeling behandelen als een landgenoot, net doen of die vreemdeling geen millimeter anders is dan de anderen. Dat zou volgens het Evangelie van Lucas de weg van Jezus van Nazareth zijn, de zogenaamde Joods Christelijke traditie waar met name Wilders de mond van vol had. Lees dit verhaal maar over die 10 mensen met huidvraat. Lang werd die huidvraat aangezien voor melaatsheid maar de laatste jaren wordt aan die vertaling toch wat getwijfeld. De Naardense Bijbel blijft overigens huidvraat wel vertalen met melaatsheid. Hoe het ook zij, het was een ziekte die al voorkwam in de boeken van Mozes. Daar stond in dat mensen die genezen waren zich aan de Priester moesten laten zien. Die Priester kon ze dan weer hun plaats in de samenleving teruggeven. Die plaats waren ze kwijt geraakt zolang ze besmet waren met de melaatsheid.
Maar een Samaritaan, dat was iemand van verdachte komaf, die werden niet tot de Joden gerekend, dat was een vreemdeling. En vreemdelingen hoefden zich helemaal niet aan de Priester te laten zien. Dat nu stelt Jezus van Nazareth ter discussie. Volgens de richtlijnen van Mozes hadden vreemdelingen immers ook hun rechtmatige plaats in de samenleving. Je moest ze zelfs uitnodigen bij de religieuze maaltijden die je op de feestdagen met je familie, de tempelbedienden en de armen moest houden. Waarom zouden die Priesters dan ook de vreemdelingen niet hun rechtmatige plaats in de samenleving kunnen teruggeven? Ooit had een profeet zelfs een vijandige krijgsheer die met huidvraat was besmet de huidvraat van zich af laten wassen in de Jordaan en hem een nieuwe plaats in de samenleving gegeven. Dat afwassen leek toen al wel wat op de doop die ook Johannes de Doper bij de Jordaan gepredikt had. Een nieuw leven begon voor mensen die het op een andere manier wilden proberen.
En de mensen met de huidvraat wilden zeker een ander leven dan dat als buitengeslotenen. Zijn wij in onze dagen nu anders dan de 9 die niet terugkeerden bij Jezus van Nazareth? Als je de kranten leest en de TV kijkt konden we daar wel eens heel sterk aan moeten twijfelen. Wij bekijken mensen van een andere komaf als de traditioneel Nederlandse toch ook als vreemdelingen, als mensen die buitengesloten zijn. Hoe vaak hoor je Nederlandse jongens met Marokkaanse ouders niet bestempelen als “vervelende Marokkaantjes” in plaats van als “lastige hangjongeren. Die “Marokkaantjes”gaan zich dus als buitengeslotenen gedragen en houden zich aan geen enkele wet of regel meer. Waarom zouden ze ook, ze horen niet bij de Marokkaanse samenleving, daar weten ze de weg niet, maar ze mogen ook niet bij onze samenleving horen. Jezus van Nazareth wijst ons een andere weg, die traditie levert meer op. Gelukkig krijgen we elke dag opnieuw de kans zijn Weg te volgen, ook vandaag weer.

Trek je zwaard en steek me dood

1 Samuel 31:1-13
1 Ondertussen leverden de Filistijnen slag met de Israëlieten. Het leger van Israël sloeg op de vlucht en velen sneuvelden in het Gilboagebergte. 2  De Filistijnen drongen tot bij Saul en zijn zonen door en doodden zijn drie zonen Jonatan, Abinadab en Malkisua. 3  Toen richtte de strijd zich in alle hevigheid tegen Saul zelf. De Filistijnse boogschutters hadden hem al onder schot, en Saul werd zo bang 4  dat hij zijn wapendrager beval: ‘Trek je zwaard en steek me dood, want ik wil niet dat die onbesnedenen me doorboren en zich op me gaan uitleven.’ Maar de wapendrager schrok ervoor terug en weigerde. Toen nam Saul zelf zijn zwaard en stortte zich erin. 5  Toen de wapendrager zag dat Saul dood was, stortte ook hij zich in zijn zwaard en volgde hem in de dood. 6  Zo sneuvelden Saul, zijn drie zonen, zijn wapendrager en al zijn manschappen op een en dezelfde dag. 7  Toen het tot de Israëlieten aan de overkant van de Jordaan en aan de overkant van de vlakte van Jizreël doordrong dat het leger van Israël was gevlucht en dat Saul en zijn zonen gesneuveld waren, verlieten zij hun steden en vluchtten weg. De Filistijnen trokken hun steden binnen en namen ze in bezit. 8 De volgende dag kwamen de Filistijnen op het slagveld terug om de gesneuvelden te plunderen. Daar, op de Gilboa, vonden ze de lijken van Saul en zijn drie zonen. 9  Ze sloegen Sauls hoofd af en ontdeden hem van zijn wapenrusting, en lieten in hun hele land boden rondgaan om het nieuws van de overwinning in de tempels van hun goden en aan het hele volk bekend te maken. 10  Sauls wapenrusting kreeg een plaats in de tempel van Astarte en zijn lijk werd aan de stadsmuur van Bet-San genageld. 11  Toen de inwoners van Jabes in Gilead hoorden wat er met Saul was gebeurd, wat de Filistijnen met hem hadden gedaan, 12  besloten ze om de lijken van de stadsmuur van Bet-San weg te halen. Alle weerbare mannen gingen mee. Ze liepen de hele nacht, namen de lichamen van Saul en zijn zonen mee naar Jabes en verbrandden ze daar. 13  Hun gebeente begroeven ze aan de voet van de tamarisk in Jabes, en daarna vastten ze zeven dagen. (NBV)
Terwijl David achter de Amalekieten aanzat die zijn vrouwen en kinderen en de vrouwen en kinderen van zijn soldaten hadden geroofd ontbrandde in Israël de strijd tussen de legers van de Filistijnen en van Israël. De Filistijnen waren door Sauls keuze van het slagveld diep in Israël binnengedrongen. Geen wonder dat het leger van Israël de schrik om het hart sloeg toen het geweldige leger van de Filistijnen, met haar afdelingen van honderd en haar afdelingen van duizend, eenmaal tot de aanval was overgegaan. Het eerste aanvalsdoel van de Filistijnen was het kamp van koning Saul zelf. Een militaire strategie die ook nu nog wel wordt gehanteerd, schakel de bevelhebber uit, zorg dat de legerleider geen leiding meer kan geven, en de oorlog is al bijna gewonnen. Eerst werden de drie zonen van Saul gedood. Jonatan, de speciale vriend en bondgenoot van David, en de broers van Jonatan Abinadab en Malkisua. Dan volgt een strijd tegen Koning Saul zelf. Hij werd omringt door Filistijnse boogschutters. Tegen een regen van goedgerichte pijlen is zelfs een wapenrusting van brons of ijzer niet bestand.
Saul heeft dus alle reden om bang te worden. Hem was immers door de waarzegster in Endor aangezegd dat hij en zijn familie de dood zouden vinden in de strijd die op handen was. Nu waren zijn zonen al gestorven en ook hij zou voorzeker de dood vinden. Maar beter door de vlucht in de dood nemen dan je door de vijand te laten doden. Daarom vroeg hij zijn wapendrager om hem te doden. Die weigerde het bevel van de Koning. Een gezalfde op last van de God van Israël breng je nu eenmaal niet ter dood. Saul stortte zich daarop maar in zijn eigen zwaard. De wapendrager pleegde daarop ook zelfmoord. De schrijver van het eerste boek Samuël beschrijft dit nauwkeurig. De Filistijnen mogen ook achteraf niet de geschiedenis van Israël ingaan als koningsmoordenaars. Het zal duidelijk zijn dat de Filistijnen de overwinning en de dood van Saul wel op hun eigen rekening hebben geschreven. Nadat het hele volk de woestijn was ingevlucht roofden ze alles leeg, hakten het hoofd van Saul af en namen zijn wapenrusting mee.
Het hele land mocht feest vieren vanwege de grote overwinning die de Filistijnen hadden behaald. De wapenrusting kreeg een plaats in een tempel van Astarte, de vruchtbaarheidsgodin en zijn lijk werd aan de stadsmuur gespijkerd. De inwoners van Jabes waren hierover zo ontsteld dat ze alle overgebleven mannen verzamelden, een hele nacht doormarcheerden, de lijken van Saul en zijn zonen in beslag namen, cremeerden en begroeven onder de centrale boom van de stad. Zo kwam er een einde aan de Koning die het volk aan Samuël had gevraagd, een koning zoals ook de heidenen hun koningen hadden. Telkens weer als wij leiders van kerk, stad, provincie of land moeten kiezen worden we door de Bijbel opgeroepen aan Saul en David terug te denken. Voor wie kiezen we, voor een koning die uit is op eer en glorie, of een koning die uit is op bescherming en zorg voor de minsten in de samenleving. Die zorg mogen we ook zelf verrichten, elke dag opnieuw, zodat we een goede keuze maken als het er op aankomt.

Ze moeten de buit samen delen.

1 Samuel 30:16-31
16  De Egyptenaar leidde David naar het kamp van de Amalekieten. Daar zaten ze, in groepjes verspreid, te eten en te drinken. Ze deden zich te goed aan de enorme buit die ze in het land van de Filistijnen en in Juda hadden vergaard. 17  De volgende dag overviel David hen en bestookte hen van de vroege ochtend tot de late avond. Niemand ontkwam, op vierhonderd jongemannen na, die op hun kamelen wegvluchtten. 18  Alles wat de Amalekieten hadden weggeroofd viel nu in Davids handen; ook zijn beide vrouwen bevrijdde hij. 19  Niet het minste of geringste van de buit ontbrak: alle kinderen waren er nog en alles wat ze verder maar hadden meegenomen. Alles werd door David mee teruggevoerd. 20  Hij legde beslag op de schapen, geiten en runderen; die werden meegevoerd, voor hun eigen vee uit. ‘Dit is Davids buit, ‘zo zeiden ze. 21 Toen David weer terugkwam in het dal van de Besor, werden hij en zijn mannen opgewacht door de tweehonderd man die daar waren achtergebleven omdat ze te moe waren om met hem mee te gaan. Hij ging naar hen toe en vroeg hun hoe het met ze was. 22  Onder de mannen die met David waren meegegaan, was echter een aantal kwaadwillige lieden die zeiden: ‘Omdat zij niet met ons zijn meegegaan, krijgen ze niets van de buit die wij heroverd hebben. Ze kunnen hun eigen vrouwen en kinderen terugkrijgen en dan moeten ze maar gaan.’ 23  Maar David zei: ‘Nee, mannen, geen sprake van. Het gaat hier om een geschenk van de HEER: hij heeft ons gespaard en de bende die ons had overvallen aan ons uitgeleverd. 24  Denken jullie dat iemand het met jullie eens is? Nee, degenen die hebben deelgenomen aan de strijd krijgen evenveel als degenen die zijn achtergebleven om de spullen te bewaken: ze moeten de buit samen delen.’ 25  En zo gebeurde het voortaan. Deze regel, die door David is ingesteld, geldt in Israël tot op de dag van vandaag. 26  Terug in Siklag stuurde David een deel van de buit aan de oudsten van Juda, zijn vrienden. ‘Hier is voor u een geschenk uit de buit die wij op de vijanden van de HEER veroverd hebben, ‘luidde de boodschap. 27  Het betrof de oudsten van Betuël, Ramot-Negev en Jattir, 28  Aroër, Sifmot, Estemoa 29  en Rachal, van de steden van de Jerachmeëlieten en de Kenieten, 30  van Chorma, Bor-Asan, Atach 31  en Hebron, kortom alle plaatsen die David en zijn mannen tijdens hun omzwervingen hadden aangedaan. (NBV)

Het verslaan van de Amelakieten was eenvoudig. Ze hadden zo veel buit meegenomen dat ze zich bij de eerste gelegenheid al te goed deden aan al het eten en drinken dat ze op het leger van David hadden buit gemaakt. David zou immers met zijn leger mee doen in de oorlog tussen de Filistijnen en Israël? Dar David met zijn leger terug zou keren naar Siklag was niet bij ze opgekomen. De oorlog tussen Filistijnen en Israël was een grote oorlog waarin elke strijder welkom was. David veroverde dus de laffe Amelakieten en sloeg ze dood. Behalve 400 jonge soldaten die er op hun kamelen vandoor gingen. Ook al wil God dat het kwaad is door mensen nooit helemaal uit te roeien en God had uitdrukkelijk bevolen alle Amelakieten te doden.
Als vrouwen en kinderen zijn bevrijd, het bezit van een ieder is veilig gesteld en extra buit is veroverd delen ook de soldaten die niet hebben meegevochten mee. Zo stel je ook voor de toekomst de achterhoede en de aanvoer van voedsel, wapens en munitie veilig. Het wordt een regel die voor elk leger van Israël in de toekomst zal gelden. Door het op deze manier te vertellen kan die regel niet meer ter discussie staan en vaak zal het gebeuren dat strijders die met gevaar voor eigen leven gevochten hebben teleurgesteld kijken naar de buit die ook de achterblijvers ten goede komt. En natuurlijk zal een Koning ook de politiek niet vergeten. David stuurt een deel van de buit naar de oudsten van Juda en naar de stammen die verbonden waren met Juda en die nu slachtoffer geworden waren van de Amalekieten.

Niemand wordt vergeten en iedereen mag meedoen. Pas door eccht te delen wordt je sterk. Dat is eigenlijk de boodschap die van het handelen van de Koning naar Gods hart uitgaat. Dat mogen wij ons ook aantrekken, als de raden van commissarissen  bonussen en bovenmatige beloningen toekennen aan de hoogste leiding van een bedrijf dat de lager betaalden op straat zet om winst veilig te stellen. Het niemand vergeten en iedereen mee laten doen mag ook daar gaan gelden. Wij kunnen dat laten zien door voor de minsten te zorgen, elke dag opnieuw, ook vandaag weer.