Wie heeft zal nog meer krijgen

Lucas 19:11-28
11 Aan de mensen die stonden te luisteren, vertelde hij nog een gelijkenis, aangezien hij nu dicht bij Jeruzalem was en zij dachten dat het koninkrijk van God nu spoedig zou aanbreken.12  Hij zei: ‘Een man van voorname afkomst ging op reis naar een ver land om het koningschap in ontvangst te nemen en dan terug te keren. 13  Hij riep tien van zijn dienaren bij zich, gaf elk van hen honderd drachme en zei tegen hen: “Ga daarmee handeldrijven terwijl ik weg ben.” 14  Maar zijn landgenoten haatten hem en stuurden afgevaardigden achter hem aan met de boodschap: “We willen niet dat die man koning over ons wordt!” 15  Bij zijn terugkeer, toen hij het koningschap had ontvangen, liet hij de dienaren aan wie hij het geld had gegeven bij zich roepen om te vernemen wat ze met handeldrijven hadden verdiend. 16  De eerste kwam en zei: “Heer, uw geld heeft het tienvoudige opgeleverd.” 17  Zijn meester zei: “Voortreffelijk, je bent een goede dienaar. Omdat je betrouwbaar bent geweest in iets zeer gerings verleen ik je het bestuur over tien steden.” 18  De tweede kwam zeggen: “Uw geld, heer, heeft het vijfvoudige opgebracht.” 19  Tegen hem zei hij: “Jij krijgt het bestuur over vijf steden.” 20  Toen kwam de derde dienaar, die zei: “Heer, hier is uw geld, ik heb het in een doek voor u bewaard. 21  Ik was bang voor u, omdat u een streng man bent die terugvordert wat hij niet heeft gestort en oogst wat hij niet heeft gezaaid.” 22  Zijn meester zei tegen hem: “Je bent een slechte dienaar, met je eigen woorden zal ik je veroordelen! Je wist dat ik een streng man ben en terugvorder wat ik niet heb gestort en oogst wat ik niet heb gezaaid? 23  Waarom heb je mijn geld dan niet bij de bank in bewaring gegeven? Dan had ik het bij mijn terugkeer met rente kunnen opvorderen.” 24  En tegen degenen die erbij stonden zei hij: “Neem hem de honderd drachme af en geef ze aan de knecht die het tienvoudige verworven heeft.” 25  Ze zeiden tegen hem: “Heer, hij heeft al het tienvoudige!” 26  “Ik zeg jullie: wie heeft zal nog meer krijgen; maar wie niets heeft, hem zal zelfs wat hij heeft worden ontnomen. 27  En die vijanden van mij die niet wilden dat ik koning over hen werd, breng hen hier en dood ze voor mijn ogen.”’ 28  Na deze woorden trok Jezus verder, op weg naar Jeruzalem. (NBV)
Het grootste geschenk dat we gekregen hebben is de Liefde. Nu is het zo dat die softe Liefde gemakkelijk verwaarloosd kan worden. Wat moet je er mee zeggen veel mensen. Met Liefde wordt de wereld niet beter, mensen zijn immers boosaardig en denken alleen om zichzelf. In de verhalen van Jezus van Nazareth wordt geprobeerd ons en iedereen te overtuigen van het tegendeel. Daarom kan ook gezegd worden dat wie heeft nog meer zal krijgen. Want wie Liefde voor de naaste heeft, zal nog meer Liefde krijgen, liefde in ruil voor de liefde gegeven, maar je leert ook nog nog meer mensen lief te hebben. Want mensen zijn niet altijd boosaardig en denken alleen om zichzelf. Als we leren luisteren naar mensen en als we proberen te verstaan wat ze echt nodig hebben dan is onze liefde zeer op z’n plaats. We moeten dan wel bereid zijn om echt te delen en mensen echt een plek te geven in onze samenleving.
Het ergste wat je mensen aan kan doen is ze een aalmoes te geven. De gift die uitdrukt dat de gever rijk is en de ontvanger arm. Dat is niet delen maar dat is tot uitdrukking brengen dat je ongelijk bent. Daarom wordt in dit verhaal ook verteld dat de dienaren werken met het geld dat hun werd toevertrouwd. Natuurlijk kan de een meer verdienen dan de ander. Mensen zijn gelijkwaardig, zijn broeders en zusters, maar zijn niet gelijk. Er zijn mensen die handig zijn en er zijn mensen die slim zijn. Er zijn mensen die lang hetzelfde kunnen volhouden en er zijn mensen die veel dingen tegelijk of kort na elkaar kunnen doen. Al die mensen zijn nodig in onze samenleving. Al die mensen kunnen elkaar aanvullen en elkaar rijker maken. Daarom is het ook onrechtvaardig als mensen hun eigenschappen tot de meest belangrijke verklaren en daarvoor het grootste deel van de winst in hun zak steken.
Maar wie de Liefde ter zijde schuift en daar niets mee wil doen die wordt vanzelf boosaardig en kan niets anders meer dan alleen aan zichzelf denken. Die deelt niet, die profiteert alleen. Wees niet bang door zo iemand uitgebuit en voor de gek gehouden te worden. Als je werkelijk let op de armsten, op de minsten onder ons, dan zul je zien dat die liefdeloze mensen nooit iets voor iemand anders over hebben, nooit willen delen, geen stap voor een ander willen zetten, maar ook nooit de ander zien of horen. Doof zijn ze en blind voor wat er om hen heen met hun broeders en zusters gebeurd. Daarom kan hen zelfs het beetje liefde dat ze zouden kunnen krijgen van jou en mij worden ontnomen. Het kan ze immers gestolen worden zeggen ze zelf. Wie een schat wil hebben in het leven, wie werkelijk blijvend rijk wil worden, die werkt dag in dag uit met het grootste geschenk dat we ooit kregen, met de liefde.

Ook hij is een zoon van Abraham

Lucas 19:1-10
1 Jezus ging Jericho in en trok door de stad. 2  Er was daar een man die Zacheüs heette, een rijke hoofdtollenaar. 3  Hij wilde Jezus zien, om te weten te komen wat voor iemand het was, maar dat lukte hem niet vanwege de menigte, want hij was klein van stuk. 4  Daarom liep hij snel vooruit en klom in een vijgenboom om Jezus te kunnen zien wanneer hij voorbijkwam. 5  Toen Jezus daar langskwam, keek hij naar boven en zei: ‘Zacheüs, kom vlug naar beneden, want vandaag moet ik in jouw huis verblijven.’ 6  Zacheüs kwam meteen naar beneden en ontving Jezus vol vreugde bij zich thuis. 7  Allen die dit zagen, zeiden morrend tegen elkaar: ‘Hij is het huis van een zondig mens binnengegaan om onderdak te vinden voor de nacht.’ 8  Maar Zacheüs was gaan staan en zei tegen de Heer: ‘Kijk, Heer, de helft van mijn bezittingen geef ik aan de armen, en als ik iemand iets heb afgeperst vergoed ik het viervoudig.’ 9  Jezus zei tegen hem: ‘Vandaag is dit huis redding ten deel gevallen, want ook hij is een zoon van Abraham. 10  De Mensenzoon is gekomen om te zoeken en te redden wat verloren was.’ (NBV)
Kan een rijke die ook nog met de vijand samenwerkt een rechtvaardige zijn en bij het Koninkrijk horen waar Jezus van Nazareth toe oproept? Het kan, leren we in dit verhaal over de zuivere hoofdman van de Tollenaars. Want de naam Zacheüs betekent “zuivere”. In onze armzalige vertalingen valt soms veel weg, soms ook te veel. We kunnen niet beter en verhalen als deze over Zacheüs zijn al zo lang verteld dat ook vertalers niet ontkomen aan de traditie waarin ze zijn opgegroeid. We hebben immers altijd gehoord over dat kleine mannetje dat ze er niet door wilden laten en dat niks zag als hij achteraan stond omdat hij te klein was. In zo’n mannetje kunnen we ons nog wel verplaatsen. We hebben bij de intocht van Sint Nicolaas, het bloemencorso of een andere optocht ook wel eens achteraan gestaan en niks kunnen zien.
Opgeschoten jongens klimmen dan wel eens in een lantaarnpaal. Zo klom Zacheüs in een vijgenboom. Waarom nu juist een vijgenboom. Daar hebben we al een spreekwoord dat in de vertaling verloren gaat. De Naardense Bijbel heeft gewoon vertaald wat er stond “iemands vijgen schudden” maar dat spreekwoord kennen we niet en dan zou het mogelijk zijn dat we de betekenis over het hoofd zien. Bij de Nieuwe Bijbelvertaling zien we de betekenis namelijk iemand afpersen. Als je in een vijgenboom van iemand anders klimt dan kun je natuurlijk per ongeluk wel een aantal vruchten uit de boom schudden en zo schade aan de oogst toebrengen. In de leer van Mozes staat de straf daarvoor: je hoort viervoudig de schade vergoeden. Dat belooft Zacheüs dus, zoals de Nieuwe Bijbelvertaling aangeeft. Maar er zijn ook geleerden die zeggen dat je eigenlijk zou moeten vertalen met “zoals ik gewoon ben te doen”. Het is dus een rijke, die ook nog als belastinginner voor de vijand werkt, die zich aan de richtlijnen uit de Woestijn houdt.
Hij deelt met de armen en als hij per ongeluk iemand nadeel bezorgd dan vergoed hij dat viervoudig zoals de leer van Mozes hem dat voorschrijft in het boek Leviticus. Geen wonder dus dat Jezus van Nazareth bij hem wil eten. Dat geeft de arme Zacheüs die achteraan moet staan weer een nieuwe plaats in de samenleving, als voorbeeld namelijk. Zo hoort het, delen met de armen en de schade vergoeden die je veroorzaakt. Deze Zacheüs hoort dus niet bij de Romeinen maar bij het volk van Israel. Daarmee is de belastingbaas van Jericho ineens het lichtend voorbeeld voor het volk geworden dat ooit Jericho veroverde. Jezus hoefde dus inderdaad niet om Jericho heen te trekken om het te veroveren, hij trok Jericho in om onderdak te vinden voor de nacht en veroverde Jericho in het hart van de stad. Het roept natuurlijk wel de vraag op hoe wij dat doen, we houden ons wellicht verre van onchristelijke goddelozen, maar delen we ook met de armen van ons bezit en vergoeden we de schade die we veroorzaken? Doen we wat tegen de afbraak van het regenwoud? Tegen de woestijnvorming door de aanleg van tijdelijke plantages? Doen we wat tegen al die milieuschade waar wij geen last van hebben maar die de armen steeds armer maken op deze wereld?

Wat wilt u dat ik voor u doe?

Lucas 18:31-43
31 Hij nam de twaalf apart en zei tegen hen: ‘We zijn nu op weg naar Jeruzalem, en alles wat door de profeten is geschreven zal men de Mensenzoon laten ondergaan. 32  Want hij zal worden uitgeleverd aan de heidenen en worden bespot en mishandeld en bespuwd. 33  En nadat hij is gegeseld, zal hij worden gedood, maar op de derde dag zal hij opstaan.’ 34  De leerlingen begrepen er niets van. De betekenis van Jezus’ woorden bleef voor hen verborgen, en ze konden maar niet bevatten wat hij had gezegd. 35 Toen hij in de buurt van Jericho kwam, zat er langs de weg een blinde te bedelen. 36  Toen de blinde een menigte voorbij hoorde komen, vroeg hij wat er gaande was. 37  Ze zeiden tegen hem: ‘Jezus uit Nazaret komt voorbij.’ 38  Daarop riep de blinde: ‘Jezus, Zoon van David, heb medelijden met mij!’ 39  Degenen die voorop liepen, snauwden hem toe dat hij moest zwijgen, maar hij schreeuwde des te harder: ‘Zoon van David, heb medelijden met mij!’ 40  Jezus bleef staan en zei dat men de blinde bij hem moest brengen. Toen deze voor hem stond, vroeg hij hem: 41  ‘Wat wilt u dat ik voor u doe?’ De blinde antwoordde: ‘Heer, zorg dat ik weer kan zien.’ 42  Jezus zei: ‘Zie weer! Uw geloof heeft u gered.’ 43  Onmiddellijk kon hij weer zien en hij volgde hem terwijl hij God loofde. Alle mensen die getuige waren geweest van dit voorval brachten hulde aan God. (NBV)
Het hele Evangelie van Lucas draait om de tocht naar Jeruzalem. Na de geboorte van Jezus van Nazareth wordt deze naar de Tempel gebracht en vanaf het moment dat hij teruggaat met zijn ouders, na de mensen in te Tempel versteld te hebben doen staan van zijn wijsheid, gaat het hele verhaal over de tocht van Jezus naar Jeruzalem. Daar in Jeruzalem liggen immers de richtlijnen van God waar volgens de prediking van Jezus van Nazareth alles om draait. Heb Uw naaste lief als Uzelf. Maar mensen zien dat niet of willen dat vaak niet zien. Softies die steeds maar opkomen voor hun naaste worden bespot en beschimpt. Jezus van Nazareth zelf zou aan een kruis terecht komen. Hijzelf voorziet al dat het niet goed zou aflopen met iemand die steeds maar het goede doet en niets dan het goede. De leerlingen zien het, nog, niet. Dan moet Jezus van Nazareth hen maar de ogen openen.
Hoe werkt dat, oog hebben voor de mensen die dat nodig hebben. Nou, het gaat niet alleen om oog te hebben voor mensen in nood maar ook om hen te horen. Langs de kant zit een blinde bedelaar. Die zit te roepen en dat geschreeuw stoort. We kennen dat, van die verwarde mensen in onze binnensteden die stinken, bedelen en soms de mensen naroepen in de hoop tot zwijgen te worden gebracht met een gift. In onze ordelijke maatschappij storen die mensen. Zo horen eigenlijk in een psychiatrische setting heet het maar we kunnen ze niet dwingen. Daarom zijn er speciale teams die de straat op gaan en hen toe moeten zien te leiden naar die psychiatrische hulpverlening. Natuurlijk lukt dat maar matig. Ze willen immers door ons gezien en gehoord worden. Ze willen opgenomen worden in de gemeenschap die wij pretenderen te vormen en niet ze willen niet buitengesloten worden in het hokje van de psychiatrische voorziening.
Hun angsten en dromen moeten onderdeel uitmaken van ons leven van alle dag. Dan pas kunnen die angsten leefbaar worden en de dromen vervangen worden door de realiteit. Jezus van Nazareth legde de ordelievende leerlingen het zwijgen op. Hij luisterde naar de man langs de kant van de weg. Het vertrouwen van de man dat het gezien worden door Jezus van Nazareth, een geëerd en gerespecteerd prediker met een schare volgelingen, hem weer een echte plaats in de samenleving zou geven redde hem. Dat deed hem de ogen openen, daardoor durfde hij weer onder ogen te zien wat er gedaan moest worden. De Liefde voor de minste maakte dat mogelijk. Daarom brachten alle mensen die er om heen stonden hulde aan God. Dat was dus de weg die gegaan moest worden. Altijd zullen er mensen zijn die de roependen langs de kant van de weg het zwijgen op willen leggen, altijd zijn er mensen die de mensen die goed willen doen daar vanaf willen brengen. Maar als we blijven geloven dat het kan, dat het moet, dan zal het waarachtig ook lukken, ook vandaag weer.

Wat is het moeilijk voor rijken

Lucas 18:18-30
18 Een hooggeplaatst persoon vroeg hem: ‘Goede meester, wat moet ik doen om deel te krijgen aan het eeuwige leven?’ 19 Jezus antwoordde: ‘Waarom noemt u mij goed? Niemand is goed, alleen God. 20  U kent de geboden: pleeg geen overspel, pleeg geen moord, steel niet, leg geen vals getuigenis af, toon eerbied voor uw vader en uw moeder.’21  De man zei: ‘Aan dat alles heb ik me sinds mijn jeugd gehouden.’ 22  Toen Jezus dat hoorde, zei hij: ‘Nog één ding ontbreekt u. Verkoop alles wat u hebt en verdeel de opbrengst onder de armen, dan zult u een schat in de hemel bezitten. Kom daarna terug en volg mij!’ 23  Toen de man dat hoorde, werd hij diepbedroefd. Hij was namelijk zeer rijk. 24  Toen Jezus zag dat de man zo bedroefd werd, zei hij: ‘Wat is het moeilijk voor rijken om het koninkrijk van God binnen te gaan. 25  Het is gemakkelijker voor een kameel om door het oog van een naald te gaan dan voor een rijke om het koninkrijk van God binnen te gaan.’ 26  Daarop zeiden zijn toehoorders: ‘Wie kan er dan nog gered worden?’ 27  Jezus zei: ‘Wat bij de mensen onmogelijk is, is mogelijk bij God.’ 28  Toen zei Petrus: ‘Maar wij hebben alles wat we bezaten achtergelaten om u te volgen.’ 29  Jezus zei tegen hen: ‘Ik verzeker jullie: iedereen die huis of vrouw, broers of zusters, ouders of kinderen heeft achtergelaten omwille van het koninkrijk van God, 30  zal reeds in deze tijd het veelvoudige ontvangen en in de tijd die komt het eeuwige leven.’ (NBV)
Wat is het moeilijk voor rijken om het Koninkrijk van God binnen te gaan. Jezus van Nazareth is niet tegen de rijken maar tegen de armoede. Voorop staan de richtlijnen zoals die in de boeken van Mozes staan opgetekend: geen overspel plegen, niet moorden, niet stelen, geen valse getuigenis afleggen en niet verloochenen wie je vader en moeder zijn. Als je dat allemaal gedaan hebt dan zou er eigenlijk geen armoede meer moeten zijn, maar die is er wel. Die armoede kun je ook opheffen, daar kun je tenminste wat aan doen. De hypotheekrente afschaffen zodat niet de rijksten in het land de meeste subsidie krijgen. Het geheel van aftrek van hypotheekrente en huurtoeslagen vervangen door individuele woonsubsidie. Woonkosten naar draagkracht. Dat zou in ons land de armoede al een heel eind bestrijden en gedwongen verkoop van woningen niet meer nodig maken. Ook huurachterstanden zouden dan veel minder voorkomen. Op twee fronten zou je dan veel verdriet en ellende voor mensen voorkomen.
Ook de onrechtvaardige tolmuren kunnen worden afgeschaft. De armen in de wereld zullen dan hun producten tegen een eerlijke prijs op onze markten kunnen aanbieden. Daarmee vergroten we hun koopkracht en verminderen we dus oorlog, ziekte, hongersnood en andere ellende die de arme landen nu nog teisteren. Dan blijft natuurlijk nog de werkloosheid.  Volgens Jezus van Nazareth is dit delen van inkomen, werk en kennis namelijk economisch zeer voordelig. In een samenleving waar de problemen zijn opgelost behoor je tot de allerrijksten. In de samenleving zoals we die nu kennen moeten rijken nog steeds diep willen buigen voor ze mee kunnen doen in het Koninkrijk van God. Dat oog van de naald is namelijk niet dat kleine oogje uit het naaldje van de naaister of de kleermaker, maar het kleine poortje in de muur van de stad. Dat kleine poortje dat ook staat voor het kleine beetje rechtvaardigheid dat nodig is om gezonde mensen met veel ervaring weer een volwaardige plaats in de samenleving te geven.
Het volgen van Jezus van Nazareth is het dienen van de armsten in de samenleving voorop te stellen. Hoe daarbij je huis, je vrouw of je man, je broers of zusters, je ouders of kinderen er uit zien en bijlopen is daarbij van veel minder belang. Die stellen we niet voorop. Maar zijn we echt bereid om zo diep te bukken dat we delen met de minsten onder ons? Jezus belooft ons wel dat we reeds tijdens ons leven het veelvoudige zullen ontvangen wat we als rijken opgeven maar er zijn toch geen villabewoners te vinden die daar konden gaan wonen omdat ze zoveel hebben weggegeven. De belofte aan Petrus is dan ook een andere. Als je werkelijk de weg van Jezus van Nazareth volgt dan is materiële welvaart ineens totaal niet meer belangrijk. Vogels hebben nesten maar de Zoon van God had geen huis of een plek om zijn hoofd ter ruste te leggen. De rijkdom zit in het geluk dat je ziet opbloeien bij een ieder die je goed hebt gedaan. Dat geeft een rijk gevoel, zo rijk dat niemand je meer iets kan doen. Dat is ook door niemand af te nemen en elke dag mag het weer opnieuw, ook vandaag weer.

Laat ze bij me komen

Lucas 18:9-17
9 Met het oog op sommigen die zichzelf rechtvaardig vinden en anderen minachten, vertelde hij de volgende gelijkenis. 10  ‘Twee mensen gingen naar de tempel om te bidden, de een was een Farizeeër en de ander een tollenaar. 11  De Farizeeër stond daar rechtop en bad bij zichzelf: “God, ik dank u dat ik niet ben als de andere mensen, die roofzuchtig of onrechtvaardig of overspelig zijn, en dat ik ook niet ben als die tollenaar. 12  Ik vast tweemaal per week en draag een tiende van al mijn inkomsten af.” 13  De tollenaar echter bleef op een afstand staan en durfde niet eens zijn blik naar de hemel te richten. In plaats daarvan sloeg hij zich op de borst en zei: “God, wees mij zondaar genadig.” 14  Ik zeg jullie, hij ging naar huis als iemand die rechtvaardig is in de ogen van God, maar die ander niet. Want wie zichzelf verhoogt zal vernederd worden, maar wie zichzelf vernedert zal verhoogd worden.’ 15 De mensen probeerden ook kleine kinderen bij hem te brengen om ze door hem te laten aanraken. Toen de leerlingen dat zagen, berispten ze hen. 16  Maar Jezus riep de kinderen bij zich en zei: ‘Laat ze bij me komen, houd ze niet tegen, want het koninkrijk van God behoort toe aan wie is zoals zij. 17  Ik verzeker jullie: wie niet als een kind openstaat voor het koninkrijk van God, zal er zeker niet binnengaan!’ (NBV)
We zijn aan het eind van de maand oktober. Wij vieren vandaag Hervormingsdag maar in Amerika is het nu Halloween. En aangezien we alles uit de Verenigde Staten importeren, voeren we ook Halloween in. Het is een feest van wennen aan het enge donker en de angsten die dat kan opwekken en een feest voor kinderen die beloond worden voor het rondtrekken in het beginnende donker. Hun boodschap is “Trick or Treat” Wat betekende de uitdrukking “Trick or Treat”? Het is iets als “Struikel of Tracteer”. Als je niet deelt dan moge je alle ellende overkomen waar je bang voor bent. En als dat Engelse zinnetje klinkt dan kun je er van op aan dat de geesten, heksen, monsters, geraamten, vampiers en duivels niet veraf zijn. Het is een feest dat afkomstig is uit delen van Engeland en Ierland en dat eigenlijk hoort bij feesten als Sint Maarten en Sint Nicolaas. Hele oude volksfeesten die rond het winterseizoen de mensen er aan herinneren dat buiten in de kou mensen rondzwerven die geen warmte en geen wintervoorraad hebben.
Bedelfeesten zijn er de hele winter door. Halloween is de eerste, en Carnaval is de laatste maar de betekenissen zijn steeds weer dezelfde. Alleen door te delen van wat er nog is komen we samen de donkerste tijden door. Voor Protestanten is 31 oktober een hele andere feestdag. Het is de geboortedag van het Protestantisme. In 1517 spijkerde Maarten Luther de stelling op de slotkapel van Wittemberg dat het doorkomen van de donkerste dagen niet te koop was zoals de Paus van Rome wilde doen geloven. Alleen het vertrouwen dat de Liefde, dat God zelf, je door het donker heen zou leiden zou de redding zijn, verkondigde Maarten Luther. En wij kunnen daar aan toevoegen dat alleen kinderen zo gek zijn om daarin te blijven geloven, zij zijn zo gek dat ze in Amerika eind december verkleed als spook, in delen van Nederland half november met een uitgeholde suikerbiet, in Nederland en Vlaanderen begin december met een wortel en stro in de schoen, in Zuid-Nederland en Vlaanderen rond 6 januari met een ster en half februari op een kar door dorp en stad durven trekken. Die kinderen vertrouwen er op dat met dat plezier in het samen delen de donkerste tijden tot pleziertijden worden omgetoverd.
Maarten Luther was uit angst voor de Duivel in de Bijbel gaan zoeken naar manieren om de Duivel de baas te worden. Hij ontdekte dat je gewoon niet in de Duivel moest geloven maar je geloof moest stellen in Jezus van Nazareth. Juist als je gaat beseffen hoe ver je van het Koninkrijk af staat omdat je niet wilt en kunt delen met anderen begint dat Koninkrijk ook voor jou te leven. Als je denkt er bij te horen omdat je je zo keurig aan de regels houdt dan is het Koninkrijk nog heel ver weg. Kinderen weten dat, die kunnen alleen feest vieren als ze dat samen kunnen doen, samen met andere kinderen. Daarbij maakt kleur, afkomst of inkomen niet uit. Daar telt alleen het vermogen bij te dragen aan het plezier voor elkaar. Met die kinderlijke opstelling vieren we de komst van het Protestantisme en gaan we de donkere winterperiode in.  Met Halloween is iedereen gemaskerd. Het Protestantisme verbergt zich  niet dat vind je in de zorg voor vluchtelingen, voedselbanken, Fair Trade winkels en andere zorg voor zieken, gehandicapten en gevangenen. Zij zijn gelukkig niet de enigen die dat doen, maar dat is wel het hart van hun geloof.

Beoordeelt u de mensen eerlijk?

Psalm 58
1 Voor de koorleider. Op de wijs van Verdelg niet. Van David, een stil gebed. 2 Machtigen, spreekt u werkelijk recht, beoordeelt u de mensen eerlijk? 3 In uw hart bedrijft u al onrecht, en overal op aarde geeft u vrij spel aan het geweld van uw handen. 4 Van de moederschoot af zijn ze van God vervreemd, van hun geboorte af dwalen die leugenaars. 5 Giftig zijn ze als een bijtende adder, doof als een slang die zijn oren sluit, 6 die niet luistert naar de stem van zijn bezweerders, hoe bedreven zij hun spreuken ook zeggen. 7 God, sla hun de tanden uit de mond, verbrijzel de kaken van die leeuwen, HEER -8 dat ze verdwijnen als water dat wegvloeit, als pijlen die op de boog al breken, 9 als een slak die kruipend oplost in slijm, als een misgeboorte die nooit de zon ziet, 10 als een doorntak die in storm verwaait, nog voor hij de pot kan verhitten. 11 Verheugd is de rechtvaardige als hij vergelding ziet, in het bloed van de wettelozen wast hij zijn voeten. 12 Dan zegt men: ‘De rechtvaardige wordt beloond, er is een God die recht doet op aarde.’ (NBV)
Veel mensen denken dat de Bijbel zo oud is dat hetgeen er aan de orde wordt gesteld leuk is voor mensen die van fraaie literatuur houden of een kijkje willen nemen in oude culturen maar dat alle actualiteit en verbinding met onze dagen ontbreekt. Vandaag zingen we een psalm mee waar het tegendeel het geval is. Natuurlijk is het in het Hebreeuws een mooi gedicht. Maar waarom het een stil gebed is wordt in de tekst niet helemaal duidelijk. Oorspronkelijk kon het gedicht gezongen worden op de melodie van het lied “Verdelg niet”. De tekst van deze Psalm is dan te vatten onder het thema “Verdelg wel” En spreekt rechtstreeks de machtigen der aarde aan. Dat zijn die mensen die vinden dat de leiders van grote ondernemingen bonussen en salarisverhogingen verdienen terwijl de armen alleen maar lui zijn en de overheid bedriegen en bestelen. De vraag uit het begin van het lied is dus een vraag die we vandaag ook mogen stellen.
Machtigen moeten beseffen dat ze onrecht bedrijven. “In hun hart” zegt de Psalm en dat is dus in de manier waarop ze naar mensen kijken. Ze kijken niet naar het gevolg van het handelen voor de zwakken, maar naar uiterlijke verschijnselen als macht en inkomen, in Bijbelse termen zijn ze gericht op de vruchtbaarheid van mensen en meten ze de gunst die mensen ontvangen van de goden af aan de winst en het vermogen die ze weten te vergaren. Dat de ene mens daarvoor gewoon meer kansen heeft dan de andere blijft bij deze machtigen buiten beschouwing. Verzet van de armen tegen dergelijke verhoudingen wordt altijd allereerst met geweld bestreden en regeerders die de zorg voor de armen voorop stellen wordt verweten diefstal te plegen bij de rijken. De Psalm kent een mooie scheldpartij op de rijken die we tegenwoordig van regeringsleiders in Latijns Amerika ook nog wel eens horen.
Aan de God van Israël de vraag om die machtigen te verdelgen. Want immers de rechtvaardigheid van de God van Israël rekent af met de machtigen, de goddelozen, en laat tegelijkertijd de zwakken, de slachtoffers van uitbuiting en geweld tot hun recht komen. Het Woord van God is tegelijkertijd de daad. Niet de machtigen die zich het goddelijk oordeel over mensen aanmatigen hebben het laatste Woord. Het eerste en het laatste Woord is aan de God van Israël. Voor de psalmdichter is dit Woord het Scheppingswoord. Het schept een wereld waar alle mensen tot hun recht komen, waar iedereen gelijke kansen heeft en waar mensen die meer hebben dan een ander dat meerdere delen. Een wereld waarin iedereen zich inzet voor elkaar en daardoor voor de minsten in de samenleving. Het is de maat die de God van Israël aanlegt, die in zijn richtlijnen voor de menselijke samenleving zijn vervat. De rechtvaardige die daar een beroep op doet merkt dat er ook echt recht kan worden gedaan aan mensen. Dat beroep mogen we elke dag opnieuw doen door van onze naaste te houden als van onszelf, dat mag ook vandaag weer.

U komt er niet in!

2 Samuel 5:1-16
1 Alle stammen van Israël kwamen bij David in Hebron en zeiden tegen hem: ‘Hier zijn we, uw eigen vlees en bloed. 2  Ook vroeger al, toen Saul nog over ons regeerde, was u degene die de troepen van Israël aanvoerde. De HEER heeft u beloofd: Jij zult mijn volk, Israël, weiden; jij zult vorst over Israël zijn.’ 3  De oudsten van Israël kwamen bij de koning in Hebron. Daar sloot koning David ten overstaan van de HEER een verdrag met hen, en zij zalfden hem tot koning van Israël. 4  David was dertig jaar toen hij koning werd en hij regeerde veertig jaar: 5  vanuit Hebron regeerde hij zeven jaar en zes maanden over Juda en vanuit Jeruzalem regeerde hij drieëndertig jaar over heel Israël en Juda. 6 De koning en zijn mannen trokken op naar Jeruzalem, waar de Jebusieten woonden. De Jebusieten zeiden tegen David: ‘U komt er niet in! Sterker nog: de lammen en de blinden zullen u verjagen! David komt er niet in!’7  Toch veroverde David de bergvesting van Sion, de huidige Davidsburcht, 8  en hij verklaarde: ‘Wie de Jebusiet wil verslaan, hoeft slechts de watertoevoer af te snijden. En wat de lammen en de blinden betreft, die veracht ik uit de grond van mijn hart.’ Daarom zegt men: Lammen en blinden, die komen het huis niet in. 9  David ging in de bergvesting wonen en noemde deze de Davidsburcht. Hij liet een muur bouwen die liep van het Millobolwerk tot aan het paleis. 10  In de loop der tijd werd David steeds machtiger, want de HEER, de God van de hemelse machten, stond hem ter zijde. 11 Koning Chiram van Tyrus stuurde afgezanten naar David en leverde hem cederhout en timmerlieden en steenhouwers voor de bouw van het paleis. 12  David besefte dat de HEER hem als vorst over Israël had aangesteld, en hem ten behoeve van Israël, zijn volk, tot een machtig koning had gemaakt. 13  Na zijn komst uit Hebron nam David nog meer vrouwen en bijvrouwen, afkomstig uit Jeruzalem, en kreeg hij nog meer zonen en dochters. 14  Dit zijn de namen van de zonen die in Jeruzalem geboren werden: Sammua, Sobab, Natan en Salomo, 15  Jibchar, Elisua, Nefeg en Jafia, 16  en Elisama, Eljada en Elifelet. (NBV)
Door machinaties van Abner en de moord op Isboset is de weg vrijgemaakt om David te zalven tot Koning over Israël, de derde keer. Drie maal is scheepsrecht zegt ons spreekwoord maar in de Bijbel is drie ook vaak het getal van de volheid, het getal van God ook. David is nu drie maal gezalfd en niemand hoeft meer te twijfelen aan wie de Koning over heel Israël is, de koning naar Gods hart  Een koning die geweigerd heeft de wettige koning te doden ook al liep zijn eigen leven gevaar. Dit was de koning die het volk zou kunnen bevrijden van het Heidendom. Het Heidendom dat het volk kwam beroven van oogsten en winsten. Het Heidendom dat het volk kwam verkrachten en vernederen. Maar ook het Heidendom dat aantrekkelijke godsdiensten inbracht waar winst en profijt klaar lagen voor wie de juiste offers wist te brengen. Een Koning die zorgde voor de zwaksten in de samenleving, die recht en gerechtigheid bracht, dat was pas een koning naar Gods hart.
Dat is zo’n mooie droom dat later alle gelovigen een volk van koningen en priesters genoemd zouden worden. Zo komt het dat wij ons mogen identificeren met die Koning naar Gods hart wanneer we de armen recht verschaffen, de hongerigen voeden, de naakten kleden en de gevangenen bevrijden. Elke dag mogen we daar weer aan werken, ook vandaag weer. Hebron was vanouds een belangrijke plaats in Juda. Nu David ook Koning van het overige Israël was geworden moest er een Koningsstad, een hoofdstad voor het rijk, komen die niet gebonden was aan een van de twee delen van Israël maar symbool kon staan voor de eenheid. In het midden tussen Juda en Israël lag de stad van de Jebusieten. Een onneembare vesting dachten ze zelf. Maar als je de watertoevoer in een warm land afsnijdt dan houdt een stad het niet lang vol. Zelfs de blinden en de lammen hielden David dus niet tegen. Matteüs legt veel later nog eens uit wat het betekent dat David een hekel heeft aan blinden en lammen.
Nadat Jezus van Nazareth de Tempel gereinigd heeft van handelaars en wisselaars, vertelt Matteüs dat de blinden en de lammen naar Jezus toe kwamen. “En hij genas hen” staat er dan en genezen is dus beter dan ze buiten de samenleving te zetten en als minderwaardig te behandelen zoals de Jebusieten deden. David werd een machtig vorst. Hij kreeg zijn paleis bijna aangeboden door de vorsten van de buurlanden die hem te vriend wilden houden. Ook de harem van David wordt uitgebreid en hij heeft een vruchtbaar gezinsleven. Bijna gaat de Koning van Israël lijken op de Koningen die ook de Heidenen hebben. David beweegt zich op een gevaarlijke grens. Maar nog blijft hij een Koning naar Gods hart. Hij bekent dat hij zijn koningschap en de bijbehorende grootheid van God zelf heeft gekregen. Hij hoeft zich niet te verheffen omdat hij zo goed is. Ook wij mogen daaraan denken als ons veel is toegevallen, als we gezondheid en welvaart kennen, een voorspoedig gezinsleven hebben, het is ons gegeven door de God van Israël en het is ons gegeven om te delen.

Heel Israël was ontredderd

2 Samuel 4:1-12
1 Sauls zoon Isboset gaf alle moed op toen hij hoorde dat Abner in Hebron was vermoord. Heel Israël was ontredderd. 2  Aan het hoofd van de stoottroepen van de zoon van Saul stonden twee Beërotieten. Ze heetten Baäna en Rechab en waren zonen van Rimmon, een Beërotiet uit de stam Benjamin. De Beërotieten worden namelijk bij Benjamin gerekend, 3  omdat ze in het verleden naar Gittaïm zijn gevlucht en daar tot op de dag van vandaag als vreemdeling zijn blijven wonen. 4  Er was ook nog een zoon van Sauls zoon Jonatan. Hij was mank. Dat was zo gekomen: Toen hij vijf jaar oud was kwam uit Jizreël het bericht over Saul en Jonatan. Zijn voedster tilde hem op om te vluchten, maar in haar haast om weg te komen liet ze hem vallen, zodat hij kreupel werd. Zijn naam was Mefiboset. 5  Rechab en Baäna, de zonen van de Beërotiet Rimmon, gingen op weg en kwamen op het heetst van de dag bij het huis van Isboset, die juist zijn middagrust hield. 6  Onder het voorwendsel dat ze graan kwamen halen wisten de beide broers het huis binnen te dringen. Daar staken ze Isboset in de buik en toen maakten ze zich uit de voeten. 7  Ze drongen dus het huis binnen waar hij in het slaapvertrek op bed lag te slapen en staken hem dood. Ze sloegen zijn hoofd af en namen het mee. De hele nacht liepen ze door de Jordaanvallei. 8  In Hebron aangekomen overhandigden ze het hoofd van Isboset aan koning David met de woorden: ‘Hier is het hoofd van Isboset, de zoon van uw vijand Saul die u naar het leven stond. Vandaag heeft de HEER u, onze heer en koning, gewroken op Saul en zijn nageslacht.’ 9 David antwoordde Rechab en zijn broer Baäna, de zonen van de Beërotiet Rimmon: ‘Zo waar de HEER leeft, die mij steeds uit de nood heeft gered! 10  Waarachtig, de bode die mij in Siklag kwam vertellen dat Saul dood was, en die meende dat hij goed nieuws kwam brengen, die heb ik gegrepen en ter plekke gedood: dat was het bodeloon dat ik hem heb gegeven. 11  En nu hebben sluipmoordenaars als jullie een onschuldig man in zijn huis op zijn bed vermoord! Zou ik dan niet zijn bloed aan jullie wreken en jullie van de aarde wegvagen?’ 12  David gaf zijn soldaten een teken, en Rechab en Baäna werden ter dood gebracht. Hun handen en voeten werden afgehakt en hun lijken werden opgehangen bij het waterbekken van Hebron. Het hoofd van Isboset werd begraven in het graf van Abner in Hebron. (NBV)
Ergens in de Bijbel claimt de God van Israël het wraaknemen, “Mij is de wrake” heet het daar. Het is vaak uitgelegd als zou wraaknemen toegestaan zijn als je het maar in de naam van de God van Israël zou doen. Zo is het dus niet, wraak is niet toegestaan, voor ons mensen geldt het “Gij zult niet doden” en wie het zwaard trekt zal door het zwaard vergaan. Ook in het verhaal dat we vandaag lezen blijkt dat maar weer en misschien is het verhaal wel verteld om ons er aan te herinneren. Ooit had Saul een bloedbad aangericht in Gibeon. Daar waren ook de inwoners van Beërot het slachtoffer van geworden. Toen Jozua het land had veroverd waren zij bereid geweest het land met het volk Israël te delen en daarom had Jozua bevolen hen als bijwoners in het land te accepteren. Saul had de belofte van Jozua gebroken.
Het was voor de Beërotiet Rimmon aanleiding geweest te vluchten. Hij was opgevangen door de stam Benjamin, de stam van Saul. Maar de wraakgevoelens waren niet geweken. Twee zonen had Rimmon, Baäna en Rechab. Zij waren krijgslieden met een zekere verantwoordelijkheid geworden in het leger van Israël. Na de dood van generaal Abner zagen ze hun kans schoon. Koning Isboset had er over geklaagd dat hij geen kracht meer in zijn handen had, machteloos waren ze. Er was nog wel een andere erfgenaam van Saul, Mefiboset de zoon van Jonatan, “hij die schande verspreidt” betekent dat, maar die kon niet uit de voeten. Hij was verlamd nadat zijn verzorgster hem had laten vallen.
De twee zonen van Rimmon drongen op het heetst van de dag bij Isboset binnen, deze hield de siësta. Ze staken een lans in zijn onderlichaam en sloegen zijn hoofd er af. Met dat hoofd gingen ze naar David in de hoop op een goede beloning, de laatste vijand van David was gevallen. Maar David was niet blij met deze politieke moord uit berekening. Hij had steeds het huis van Saul ongemoeid gelaten. Hij had zelfs met Saul een verbond gesloten zijn huis ongemoeid te laten. Deze moord was dan ook een laffe moord en de moordenaars werden overeenkomstig hun misdaad gestraft. Onthoofd en zonder handen vonden zij hun einde. Weer leren we dat wat slecht is ook als slecht moet worden behandeld, ook al is dat slechte in ons voordeel.

David zelf liep achter de baar

2 Samuel 3:28-39
28  David vernam pas naderhand wat er gebeurd was. Toen riep hij uit: ‘Ik en mijn koningshuis zijn tegenover de HEER onschuldig aan de dood van Abner, voor nu en altijd! 29  Moge het bloed van Abner, de zoon van Ner, gewroken worden aan Joab en zijn familie. Laat er in Joabs familie altijd iemand zijn die een druiper of de schurft heeft, iemand die met krukken loopt, een gewelddadige dood sterft of honger lijdt.’ 30  Joab en zijn broer Abisai vermoordden Abner dus omdat hij hun broer Asaël in de slag bij Gibeon had gedood. 31  David zei tegen Joab en diens mannen: ‘Scheur je kleren, trek een rouwkleed aan en ga jammerend voor Abner uit.’ Koning David zelf liep achter de baar 32  toen Abner in Hebron werd begraven. De koning jammerde luidkeels bij Abners graf, en de soldaten jammerden mee. 33  De koning zong een klaaglied voor Abner: ‘Hoe eerloos moest je sterven, Abner. 34  Je handen waren niet geboeid, je voeten niet gekluisterd, toch ben je als door struikrovers geveld.’  Toen begon iedereen nog luider te jammeren. 35  De soldaten kwamen David iets te eten brengen, terwijl het nog licht was. Maar David zwoer: ‘God mag met mij doen wat hij wil als ik voor zonsondergang brood eet of wat dan ook.’ 36  Allen waren er getuige van en ze achtten het juist, zoals ze alles juist vonden wat de koning deed. 37  Het leger en iedereen in Israël wist toen dat het niet van de koning was uitgegaan om Abner, de zoon van Ner, te doden. 38  De koning zei tegen zijn soldaten: ‘Besef dat Israël vandaag een groot bevelhebber is ontvallen.39  Ik ben nog zwak, al ben ik dan tot koning gezalfd; tegen deze mannen, de zonen van Seruja, ben ik niet opgewassen. Moge de HEER de misdadiger naar zijn misdaad vergelden.’ (NBV)
Politiek is vaak een smerig spel. De letterlijke dolkstoten in de rug zijn in onze beschaafde samenleving langzaam aan wel uitgebannen, figuurlijke dolkstoten in de ruggen, zelfs van partijgenoten, zijn op allerlei niveau’s nog maar al te vaak aan de orde van de dag. Wie denkt dat de samenleving van David, Abner en Joab een primitieve samenleving was die wij al lang ontstegen zijn vergist zich deerlijk en kan van die vergissing gemakkelijk slachtoffer worden. David was alleen nog maar Koning in Juda. Al een aantal jaren was er oorlog tussen zijn Koninkrijk en het Koninkrijk Israël van Koning Isboset. Die oorlog werd gevoerd door twee generaals, Joab voor David en Abner voor Isboset. Joab was al generaal in het leger van David toen Saul nog oorlog voerde met als generaal Abner. In die dagen had Abner de broer van Joab achtervolgt en gedood. Tussen die twee was er dus ook een persoonlijke vete. Van die persoonlijke was wordt Abner het slachtoffer geworden.
David en Abner hadden een verdrag gesloten dat David feitelijk ook koning over Israël had gemaakt. Maar de oorlog was nog niet afgelopen. Joab bijvoorbeeld was nog op een rooftocht die hoorde bij de oorlogshandelingen. De vrede die was getekend tussen David en Abner ontnam Joab de mogelijkheid om persoonlijk wraak te nemen voor de moord op zijn broer. Hij organiseerde die wraak dus maar zelf onder het mom dat Abner toch een verrader zou blijken te zijn. Als verse Koning van Israël kon David natuurlijk een dergelijke moord op een populaire generaal niet gebruiken en hij veroordeelde de moord dan ook krachtig. Het straffen van Joab liet hij aan de God van Israël over, zo krachtig was de veroordeling dus ook weer niet. Maar Abner kreeg een staatsbegrafenis compleet met een lofzang. De paralellen van dit verhaal uit de Bijbel met de verhalen uit onze eigen geschiedenis zijn natuurlijk talrijk. Bij tal van ongelukken, moorden en plotselinge sterfgevallen zijn vragen te stellen over de rol van machthebbers, regeringen en staten.
Die vragen worden dan ook nog wel eens gesteld en er worden vaak onderzoekcommissies ingesteld die de schuldigen moeten aanwijzen. Er is zelfs een internationaal strafhof ingesteld dat schuldigen moet berechten en moet laten zien wat eerlijke rechtspraak inhoudt en waarin eerlijke rechtspraak verschilt van wraak. Maar in het algemeen is te zien dat alleen de verliezers worden berecht voor hun misdaden en dat de winnaars worden beschermd. De slachtoffers hoort niemand meer, ook de nabestaanden van de slachtoffers niet. Zij spelen in het recht vaak geen rol. Het verhaal uit de Bijbel vertelt ons vandaag hoe het bij machthebbers toegaat. De boodschap die we mogen horen is die van de ontsteltenis van het volk. Het is als een oproep zich met de slachtoffers van politieke manipulatie bezig te blijven houden. Zij zijn het die echt en lang te lijden hebben van deze processen. Wij zijn het die elke dag opnieuw ons hun lot mogen aantrekken, ook vandaag weer.

David wist hier niets van.

2 Samuel 3:17-27
17  Abner onderhandelde met de oudsten van Israël: ‘Eigenlijk hebt u altijd David al als koning gewild. 18  Grijp dan nu uw kans, want de HEER heeft David beloofd dat hij door zijn toedoen zijn volk Israël zal redden uit de handen van de Filistijnen en al hun andere vijanden.’ 19  Abner sprak ook met de Benjaminieten. Daarna ging hij naar Hebron om David mee te delen wat de Israëlieten en ook de stam Benjamin hadden besloten. 20  Hij kwam met twintig afgevaardigden in Hebron aan, waar David voor hen een feestmaal aanrichtte. 21  Abner zei tegen David: ‘Ik stel voor dat ik op weg ga om alle Israëlieten bijeen te brengen onder mijn heer en koning. Zij zullen een verdrag met u sluiten en u zult koning zijn over heel het gebied dat u verlangt.’ En David liet Abner ongehinderd vertrekken. vertrekken. 22 Vlak daarop kwam Joab met de mannen van David terug van een strooptocht. Ze brachten een grote buit mee. Abner was niet meer in Hebron, want David had hem ongehinderd laten gaan. 23  Toen Joab met zijn mannen aankwam, hoorde hij dat Abner, de zoon van Ner, bij de koning was geweest en dat die hem ongehinderd had laten vertrekken. 24  Daarop ging Joab naar de koning en vroeg: ‘Wat hebt u gedaan? Abner is naar u toe gekomen en u hebt hem zomaar laten gaan? 25  U kent hem toch! Hij is natuurlijk gekomen om u te misleiden en zich op de hoogte te stellen van uw troepenbewegingen en uw plannen.’ 26  Joab ging bij David weg en stuurde boden achter Abner aan, die hem bij de put van Sira lieten terugkeren; David wist hier niets van. 27  Toen Abner in Hebron terugkwam, nam Joab hem in het poortgebouw ter zijde alsof hij hem onder vier ogen wilde spreken en stak hem in de buik. Zo stierf Abner omdat hij Joabs broer Asaël had gedood. (NBV)
Als oorlogen lang duren dan wordt het verlangen naar vrede steeds groter. Een zwakke leiding in Israël betekende ook dat de vijanden meer ruimte hadden voor plundering en roof. David had in zijn gebied de Filistijnen aardig onder controle en iedereen kende nog het liedje van Saul die zijn duizenden versloeg en David zijn tienduizenden. De eigenlijke baas van het koninkrijk van Saul kwam tot de overtuiging dat het huis Saul zich had overleefd. Koning zijn en macht uitoefenen alleen omdat je toevallig geboren bent in de koninklijke familie is niet genoeg. Een echte koning is dienaar van zijn volk en dat beeld komt bij David terug. Er kwam dus een verdrag tot stand en terloops krijgt David zijn Michal terug.
Wij staan bij conflicten in de samenleving, zeker als het om oorlogen gaat, vaak niet echt stil bij de slachtoffers. Natuurlijk we hebben regels dat burgers geen slachtoffer mogen worden van militaire conflicten en de verontwaardiging is groot als die wel vallen. Maar de enige manier om burgerslachtoffers echt te vermijden is geen militaire operaties uit te voeren. Voor ons dus als eerste opgave ons naast de slachtoffers van oorlogen en geweldsconflicten te blijven opstellen. Zorgen dat zij beschermd worden, geholpen worden, een veilige plek krijgen als ze moeten vluchten.  Zij die van de oorlog misbruik hebben gemaakt door misdaden te plegen dienen bestraft de worden. Dat is een moeilijke zaak.
Abner had zich opgeworpen als  bemiddelaar tussen David en de oudsten van Israël en Benjamin. In het boek Rechters kunnen we lezen dat de stam Benjamin al eens eerder voor een burgeroorlog binnen Israël hadden gezorgd. Maar nu gaven de oudsten Abner gelijk en besloten ze zich onder het gezag van David te stellen. Maar Abner had zich schuldig gemaakt aan de moord op de broer van Joab, Asaël. Die moord was voor de loop van de oorlog niet nodig geweest en Joab voelde dat Abner bestrafd dient te worden. Een straf op een militaire manier, Joab was de legerleider van David, in een hoekje wordt Abner vermoord. Wij hebben geprobeerd er van te leren door de instelling van het strafhof en tribunalen. Ook al lopen onze eigen vertegenwoordigers gevaar daar berecht te worden moeten we ze toch steunen. Wat Joab deed kan niet, mensen moet recht worden gedaan. Ook vandaag.