Moet ik deze bende achtervolgen?

1 Samuel 30:1-15
1 Drie dagen later kwamen David en zijn mannen bij Siklag aan. Tijdens hun afwezigheid hadden de Amalekieten een plundertocht ondernomen in de Negev; ook Siklag hadden ze overvallen. Ze hadden de stad in de as gelegd 2  en de vrouwen, van jong tot oud, als gevangenen weggevoerd. Er was niemand gedood, maar ze hadden de vrouwen op hun tocht meegevoerd. 3 Toen David en zijn mannen bij Siklag aankwamen en zagen dat de stad in de as was gelegd en dat hun vrouwen en kinderen waren weggevoerd, 4  begonnen ze luidkeels te jammeren, tot ze geen kracht meer hadden om te huilen. 5  Ook de beide vrouwen van David waren verdwenen: Achinoam uit Jizreël en Abigaïl, de vroegere vrouw van Nabal uit Karmel. 6  David kreeg het zwaar te verduren, want zijn mannen waren zo verbitterd over het verlies van hun kinderen dat ze hem dreigden te stenigen. Daarom zocht hij steun bij de HEER, zijn God. 7 Hij vroeg de priester Abjatar, de zoon van Achimelech, om met het priestergewaad bij hem te komen. Abjatar kwam met het priestergewaad 8  en David raadpleegde de HEER: ‘Moet ik deze bende achtervolgen? Zal ik ze inhalen?’ ‘Ja, ‘antwoordde de HEER. ‘Achtervolg hen; je zult ze zeker inhalen en de gevangenen bevrijden.’ 9  David ging met zijn zeshonderd mannen op weg. Bij het dal van de Besor gekomen hielden de achterblijvers halt, 10  tweehonderd man die te uitgeput waren om het dal over te steken. Met vierhonderd man zette David de achtervolging voort. 11 Onderweg vonden ze een Egyptenaar, die bij David werd gebracht. Hij kreeg wat brood te eten en water te drinken, 12 en ook gaven ze hem een plak gedroogde vijgen en twee plakken rozijnen. Daardoor kwam hij weer op krachten; hij had namelijk drie dagen en drie nachten niets gegeten of gedronken. 13  Daarna vroeg David hem bij wie hij hoorde en waar hij vandaan kwam, en hij antwoordde: ‘Ik ben een Egyptenaar, de slaaf van een Amalekiet. Toen ik drie dagen geleden ziek werd, heeft mijn meester me achtergelaten.14  We waren op plundertocht in de Negev en hebben overvallen gedaan op de Keretieten, de Judeeërs en de Kalebieten; en Siklag hebben we in de as gelegd.’ 15  ‘Kun jij me de weg wijzen naar jullie bende?’ vroeg David. ‘Dat wil ik wel doen, ‘antwoordde de Egyptenaar, ‘maar zweer me dan eerst bij God dat u me niet zult doden of aan mijn meester uitleveren.’  (NBV)
Dat was maar een laf zootje, die bende van de Amalekieten. Die stelden zich niet op voor de strijd zoals normale vijanden deden, zoals Israël dat zelf ook deed, maar die vielen altijd in de rug aan, op de zwakste plekken. Zo gebeurde dat ook in deze oorlog. Terwijl de Filistijnen en Israël met grote legers posities tegen over elkaar hadden ingenomen waren de Amelekieten op rooftocht uitgegaan. Daarbij waren ze gestuit op een stadje waar alleen maar vrouwen en kinderen woonden, Siklag, de stad van David en zijn mannen. Voor getrainde krijgers was een stadje met alleen maar vrouwen en kinderen een gemakkelijk te veroveren buit.  En een rijke buit. Je kon de mooiste vrouwen voor jezelf uitzoeken en de rest, de kinderen ook, verkopen als slaaf.
 Amalekieten worden in de Bijbel altijd als voorbeeld gesteld van laf optreden. In de woestijn hadden ze de vermoeide Israëlieten in de rug aangevallen. De God van Israël had het volk uiteindelijk opgedragen een eeuwig durende wraak op de Amelekieten te zweren. Maar het verhaal staat ook nog in het teken van de tegenstelling tussen een Koning zoals de Heidenen hebben en een Koning naar Gods hart. Die Koning zoals de Heidenen hebben was verlaten door de God van Israël.  Saul bleef geen andere weg dan in de nacht naar een waarzegster gaan om nog eens van de Geest van Samuël te horen dat hij en zijn familie de dood in de oorlog zouden vinden. Voor de Koning naar Gods hart lonkt een andere weg. David en zijn manschappen zijn in één klap alles kwijtgeraakt, vrouwen, kinderen, huis en bezit.
De stad is platgebrand. Samen rouwen ze zoals gewoon was, huilen tot er geen tranen meer waren. Dan stelt een deel de aanvoerder verantwoordelijk. Die had hen steeds meegenomen op zijn avonturen. Net als Saul krijgt David het benauwd. Maar waar Saul geen antwoorden krijgt van de God van Israël, krijgt David die antwoorden wel via de priestermantel van Abjatar en de dobbelstenen die daarin zaten. En zo gaat men achter de Amalekieten aan. Het leven van mensen telt bij de Amalekieten niet. De slaaf die ziek werd is achtergelaten om te sterven van de honger. Bij David tellen mensenlevens wel. Zelfs vermoeide soldaten krijgen een plek en een taak in het geheel van zijn leger.

Ga in vrede

1 Samuel 29:1-11
1. De Filistijnen hadden zich verzameld in Afek; de Israëlieten lagen in de buurt van de bron bij Jizreël. 2  De Filistijnse stadsvorsten hielden troepenschouw. De manschappen trokken in afdelingen van honderd en duizend voorbij. In de achterste gelederen liepen David en zijn mannen met het leger van Achis mee. 3  ‘Wat doen die Hebreeën hier?’ vroegen de Filistijnse bevelhebbers zich af. ‘U kent David toch wel, de vroegere veldheer van Saul, de koning van Israël, ‘zei Achis. ‘Het is nu al meer dan een jaar geleden dat hij naar mij is overgelopen, en al die tijd heb ik niets op hem aan te merken gehad.’ 4  Maar de Filistijnse bevelhebbers waren woedend en zeiden tegen hem: ‘Stuur hem terug naar de woonplaats die u hem hebt toegewezen. Onder geen beding mag hij met ons ten strijde trekken. Stel dat hij zich tegen ons keert in het gevecht! Hij zou zijn heer toch nergens een groter plezier mee doen dan met de hoofden van onze mannen? 5  Dit is toch die David over wie ze triomfantelijk gezongen hebben: “Saul versloeg ze bij duizenden, David bij tienduizenden!”’ 6 Toen riep Achis David bij zich en zei tegen hem: ‘Zo waar de HEER leeft, ik ben ervan overtuigd dat u te vertrouwen bent. Ik vind het een goede zaak dat u aan mijn veldtochten meedoet, want vanaf de dag dat u naar mij toe bent gekomen tot nu toe heb ik niets op u aan te merken gehad. Maar de andere stadsvorsten zijn het er niet mee eens, 7  en daarom moet u naar huis teruggaan. Ga in vrede, en doe niets waar de Filistijnse stadsvorsten aanstoot aan zouden kunnen nemen.’ 8  ‘Wat heb ik dan misdaan, heer?’ riep David uit. ‘Waarom mag ik niet deelnemen aan de strijd tegen de vijanden van mijn heer en koning? Al die tijd dat ik bij u in dienst ben, hebt u toch nooit iets op me aan te merken gehad?’ 9  ‘Nee, ik weet het, ‘antwoordde Achis. ‘Ik voor mij vertrouw u alsof u door God zelf gestuurd was, maar onze bevelhebbers zijn er fel op tegen dat u met ons ten strijde trekt. 10  Morgenochtend vroeg moet u vertrekken, en de soldaten van uw heer die met u zijn meegekomen ook. Morgenochtend vroeg, zodra het licht wordt, moet u gaan.’ 11  De volgende morgen vroeg ging David met zijn mannen terug naar het land van de Filistijnen. De Filistijnen zelf trokken op naar Jizreël. (NBV)
Zo staat David dus op het punt met zijn legertje mee te gaan vechten in het leger van de Filistijnen. Het zijn de Filistijnen die hem echter beschermen tegen het plegen van broedermoord. De stadsvorsten van de Filistijnen nemen voor de slag tegen Israël eerst een parade af. Alle troepen marcheren langs hen heen. Het is een keurige parade van een echt beroepsleger. Afdelingen van honderd en afdelingen van duizend marcheren zoals het hoort. Helemaal achteraan komt het guerrillaleger van David. De mannen die zijn gevlucht voor Saul. De broers en andere familieleden van David zijn er ook bij. Zij vormen de lijfwacht van Achis de koning van Gad. De stadsvorsten van de Filistijnen zijn hoogst verbaasd als ze deze formidabele tegenstander achter aan hun eigen leger zien marcheren. Er ontstaat een discussie. De Filistijnse bevelhebbers gaan in discussie met Koning Achis. Wat zijn dat voor mensen, die Hebreeërs? Al eerder hadden Hebreeërs met hen meegevochten.
Maar toen Saul en later ook David hun duizenden en tienduizenden versloegen waren de Hebreeërs overgelopen naar het leger van Israël. Nu liepen de Hebreeërs weer mee in de parade die aan de slag vooraf ging. Achis legt het nog een keertje uit. Het is al meer dan een jaar geleden dat David met zijn mannen was overgelopen naar Achis en daar had die koning ruim een jaar het nodige plezier van gehad. maar de Filistijnse bevelhebbers waren David helemaal niet vergeten. Dit moet een list zijn. Als dit legertje hen in de rug gaat aanvallen dan nemen ze de hoofden van de soldaten straks mee naar hun eigen koning. Die Saul had ze verslagen bij duizenden maar David bij tienduizenden. Niet langer zijn het de vrouwen van Israël die het zingen, nu zingen de Filistijnen het ook. Achis kan niet anders dan David terugsturen naar de stad die hij hem gegeven had. Met excuses en nog eens de verzekering dat David zeker te vertrouwen is. Met de verzekering ook dat Achis nooit iets aan te merken heeft gehad op David.
Met de erkenning dus ook dat Achis zoveel buit kreeg dat hij zich nooit had afgevraagd waar de krijgsgevangenen waren gebleven. David had immers iedereen gedood zodat niemand had kunnen vertellen wat David eigenlijk gedaan had, bondgenoten van Achis en de Filistijnen in de pan gehakt. David verdedigt zich dus nu maar weer eens. Niet met het argument dat hij de vijanden van Archis al eerder had aangevallen maar met het argument dat Argis nooit iets op hem aan te merken had gehad. Maar dat kon dus niet de doorslag geven. Zo werd David beschermd tegen het plegen van broedermoord, hij ging met zijn mannen terug naar het land van de Filistijnen en de Filistijnen zelf trokken op naar de vlakte van Jizreëel in Israël. Later zou men zeggen dat de God van Israël had geholpen, maar dat staat dus niet in de Bijbel. Wat er staat is dat als we blijven geloven in die betere wereld die de God van Israël heeft beloofd het ook in moeilijke situaties wel goed zal komen met zijn plan. Daar mogen we dus elke aan blijven werken, ook vandaag weer.

Ik zie geen uitweg meer

1 Samuel 28:15-25
15 Samuël vroeg aan Saul: ‘Waarom heb je me opgeroepen en mijn rust verstoord?’ ‘Ik zie geen uitweg meer, ‘antwoordde Saul. ‘Ik word aangevallen door de Filistijnen en God heeft me in de steek gelaten. Hij geeft geen antwoord meer op mijn vragen, noch bij monde van profeten, noch in dromen. Daarom heb ik u opgeroepen om u te vragen wat ik moet doen.’
16  Maar Samuël zei: ‘Waarom kom je bij mij om raad? Je weet toch dat de HEER je verlaten heeft en zich nu tegen je heeft gekeerd. 17  De HEER heeft gedaan wat hij bij monde van mij heeft voorzegd: hij heeft het koningschap van je losgescheurd en aan je tegenspeler gegeven, aan David. 18  De HEER doet je dit nu aan omdat je destijds niet naar hem geluisterd hebt en voor hem geen wraak hebt genomen op de Amalekieten. 19  En om diezelfde reden zal hij Israël samen met jou aan de Filistijnen uitleveren. Morgen zijn jij en je zonen hier bij mij, en het leger van Israël zal hij aan de Filistijnen uitleveren.’ 20 Saul schrok zo van Samuëls woorden dat hij languit op de grond viel: zijn krachten lieten hem in de steek, ook al omdat hij de hele dag en de hele nacht niets gegeten had. 21  De vrouw kwam naar hem toe en zag dat hij erg in de war was. ‘Ik heb aan uw verzoek voldaan, heer, ‘zei ze. ‘Met gevaar voor eigen leven heb ik gedaan wat u me vroeg. 22  Doe dan nu ook wat ik u aanraad, heer. Laat me u iets te eten voorzetten, zodat u weer op krachten komt voordat u aan de terugreis begint.’ 23  Saul weigerde en zei dat hij niets wilde eten, maar zijn dienaren en ook de vrouw drongen aan en ten slotte gaf hij toe. Hij kwam overeind en ging op het bed zitten. 24  De vrouw had een mestkalf in huis, dat ze nu snel slachtte. Ook nam ze meel, kneedde het en bakte er ongedesemde broden van. 25  Nadat Saul en zijn dienaren gegeten hadden van het maal dat ze hun had voorgezet, vertrokken ze nog diezelfde nacht. (NBV)
In tegenstelling tot zijn eigen wet die waarzeggen en bezweren van geesten verbood is Saul naar een geestenfluisteraarster gegaan, in ons taalgebruik staat ze bekend als de heks van Endor. Saul dwingt haar om de geest van Samuël op te roepen. Er staat weer een oorlog te gebeuren met de Filistijnen maar Saul komt er maar niet achter wat God wil dat hij doet.
Een Joodse verklaring zegt dat wie de geest van een dode oproept maar  niet  nodig heeft hem ziet maar wie hem nodig heeft hem hoort. Saul hoort dus nog eens wat Samuël eerder gezegd heeft, God is niet langer bij hem en hij zal sterven.
Saul valt flauw bij het horen van de woorden van Samuël, tenminste dat is de officiële lezing. Fijntjes merkt de schrijver van het eerste boek Samuël er op dat Saul ook de hele dag niet gegeten had, dan wil je in zulke onstandigheden wel flauw vallen. De “heks van Endor” krijgt medelijden met hem en geeft hem te eten. Ongezuurde broden, alsof Israël wacht op bevrijding van de slavernij, een gemest kalf, snel gebraden, offervlees bij uitstek. Maar het is het volk dat bevrijdt zal worden van Saul heeft Samuël gezegd en de offers zijn niet meer voor God, maar voor het eigen welzijn.
Na ongezuurde broden te hebben gegeten en offervlees gaat Saul de nacht in. Jesaja zal zich deze woorden herinneren als hij schrijft dat een volk dat in duisternis wandelt een licht zal zien maar het niet zal aanvaarden. Wie zich dus bezig houdt met het Woord van de God van Israël, wie niet uit is op eigen eer en roem, eigen macht over anderen, maar zorgt voor de naasten als voor zichzelf, wie de ander liefheeft, die hoeft zich nooit in te laten met de schimmige wereld van paranormalen waarvan overigens het bedrog ook vaststaat al leven tv zenders er van. Gelukkig maar dat wij elke dag ons mogen bezig houden met de zorg voor de minsten om ons heen, met het werk dat God van ons vraagt, ook vandaag weer.

Waarom hebt u me bedrogen?

1 Samuel 28:3-14
3  Samuël was inmiddels gestorven. Heel Israël had over hem gerouwd, en hij was begraven in Rama, zijn woonplaats. Daarna had Saul in het hele land een verbod uitgevaardigd op geestenbezwering en waarzeggerij. 4  Toen nu de Filistijnen hun troepen hadden verzameld en waren opgerukt naar Sunem, waar ze hun kamp opsloegen, bracht ook Saul zijn leger op de been en sloeg zijn kamp op in het Gilboagebergte. 5  Maar toen hij het kamp van de Filistijnen zag, greep de angst hem bij de keel. 6  Hij raadpleegde de HEER, maar de HEER gaf geen antwoord: noch in dromen, noch door middel van orakelstenen, noch bij monde van profeten. 7  Daarom beval hij zijn dienaren om voor hem een dodenbezweerster op te sporen. ‘Daar wil ik naartoe gaan om antwoord te vinden op mijn vragen, ‘zei hij. Toen zijn dienaren hem vertelden dat er in Endor nog een dodenbezweerster woonde, 8  vermomde hij zich door andere kleren aan te trekken en ging hij met twee dienaren op pad. Midden in de nacht kwamen ze bij de vrouw aan. ‘Wilt u voor mij de geest van een dode raadplegen?’ verzocht hij haar. ‘Ik zal u zeggen wie u moet oproepen.’ 9  Maar de vrouw antwoordde: ‘U weet toch wat Saul heeft gedaan: hij heeft een streng verbod uitgevaardigd op geestenbezwering en waarzeggerij. Waarom probeert u me in de val te lokken? Wilt u me soms de dood in jagen?’ 10  Maar Saul bezwoer haar bij de HEER dat haar niets zou overkomen. 11  ‘Wie moet ik dan voor u oproepen?’ vroeg ze. ‘Samuël, ‘antwoordde Saul. 12  Zodra de vrouw Samuël zag, slaakte ze een ijselijke kreet. ‘Waarom hebt u me bedrogen?’ vroeg ze aan Saul. ‘U bent Saul zelf!’ 13  ‘Wees niet bang, ‘stelde de koning haar gerust. ‘Maar zeg me, wat ziet u?’ ‘Ik zie een goddelijke gestalte uit de aarde oprijzen, ‘antwoordde ze. 14  ‘Hoe ziet hij eruit?’ vroeg Saul. ‘Het is een oude man, gehuld in een mantel.’ Toen wist Saul dat het Samuël was, en hij knielde neer en boog diep voorover. (NBV)
Als de Filistijnen weer eens massaal oorlog willen voeren wordt David het hoofd van de lijfwacht van de Koning van Gat. Maar hoe vergaat het Saul, de Koning waarvan de God van Israël zijn handen had afgetrokken? Ook Saul verzamelt een leger en slaat zijn kamp op zo ver mogelijk van de Filistijnen vandaan. Die kunnen dus een flink eind door Israël optrekken. Nu wil Saul wel weten wat hij moet doen en hij probeert op allerlei manieren antwoord van God te krijgen. Het staat er nogal terloops, hij kreeg geen antwoord, noch in dromen, noch door middel van orakelstenen, noch door profeten. Maar de hele religieuze gemeenschap van Israël komt hier voorbij. Dromen vinden we ook bij individuele gelovigen en gelovig was Saul. Maar niemand van zijn volk had een boodschap van God gedroomd. De orakelstenen waren de instrumenten van de Priesters om antwoorden van God te geven.
David had een priester met orakelstenen in zijn gevolg. De Priesters bij Saul kregen geen antwoord. En altijd waren er profeten, David had Gad, maar de profeten van Saul kregen geen boodschappen van de God van Israël voor hem. Heel lang is Saul als wat primitief en bijgelovig afgeschilderd omdat hij naar de vrouw in Endor ging waarvan werd gefluisterd dat ze contact zou hebben met de doden. Maar tegenwoordig is het heel gewoon je te laten bedriegen door geestenfluisteraars, sterrenwichelaars en zogenaamde paranormalen die boodschappen van gene zijde doorkrijgen. Saul is wat dat betreft een moderne buitenkerkelijke.
Hij is er ondanks zijn breuk met Samuël toch van overtuigd is dat er meer is tussen hemel en aarde en net als veel mensen die geluk zoeken wil hij zich graag wat wil laten voorspiegelen zonder zich bij een kerkelijke gemeenschap te hoeven aansluiten’. Daar gaat het om de zorg voor de minsten, voor de ander, voor de naaste en het eigen lot veel minder een grote rol speelt. Saul heeft zich vermomd en neemt twee getuigen mee. Na de dood van Samuël was Saul al bang geworden dat allerlei mensen de geest van Samuël zouden gaan raadplegen. Hij liet daarom alle geestenbezweerders en waarzeggers ombrengen. Nu moest hij wel, als niemand hem wilde vertellen wat de God van Israël te vertellen had moest de geest van Samuël dat doen. De vrouw van Endor krijgt gelijk door met wie ze te maken heeft.

Voortaan zal hij mij dienen.

1 Samuel 27:1-28:2
1 Vandaag of morgen val ik natuurlijk toch in handen van Saul, dacht David bij zichzelf. Ik kan me dus maar beter in veiligheid brengen in het land van de Filistijnen. Dan zal Saul het opgeven om mij door heel Israël te achtervolgen en kan ik aan hem ontkomen. 2  Daarom vertrok hij met de zeshonderd man die bij hem waren naar de koning van Gat, Achis, de zoon van Maoch, 3  waar hij en zijn mannen met hun gezinnen hun toevlucht namen. David had zijn twee vrouwen bij zich: Achinoam uit Jizreël en Abigaïl, de weduwe van Nabal uit Karmel. 4  Toen Saul hoorde dat David naar Gat was gevlucht, gaf hij de achtervolging op. 5  David had aan Achis gevraagd: ‘Heer, wees zo goed mij een van de stadjes op het platteland ter beschikking te stellen om in te wonen. Wie ben ik, dat ik bij u in de koningsstad zou wonen?’ 6  Achis wees David Siklag toe, en zo komt het dat Siklag tot op de dag van vandaag aan de koningen van Juda behoort. 7  In de tijd dat David en zijn mannen op Filistijns grondgebied woonden, een jaar en vier maanden om precies te zijn, 8 trokken ze er geregeld op uit om de stammen te overvallen die woonden in het gebied van Telam tot aan Sur, waar Egypte begint: nu eens de Gesurieten, dan weer de Girzieten of de Amalekieten. 9  Wanneer David daar ergens toesloeg, liet hij geen man of vrouw in leven en nam alles mee: schapen, geiten, runderen en kamelen, en dekens en kleren. Als hij dan weer bij Achis kwam 10  en die hem vroeg: ‘Waar hebt u ditmaal een overval gepleegd?’ antwoordde David: ‘In de Negev, bij de Judeeërs, ‘of: ‘Bij de familie van Jerachmeël, ‘of: ‘Bij de Kenieten.’ 11  Hij liet niemand in leven en nam geen enkele gevangene mee naar Gat, want hij wilde voorkomen dat iemand aan Achis zou kunnen navertellen wat hij en zijn mannen hadden gedaan. Heel de tijd dat hij op Filistijns grondgebied woonde ging hij zo te werk. 12  Achis kreeg vertrouwen in hem en dacht bij zichzelf: Bij zijn landgenoten heeft hij het nu vast en zeker verbruid. Voortaan zal hij mij dienen. 1  En toen de Filistijnen hun troepen op de been brachten om tegen Israël ten oorlog te trekken, vroeg Achis aan David: ‘U begrijpt zeker wel dat u en uw mannen zich bij mij moeten aansluiten.’ 2  ‘Jazeker, heer, ‘antwoordde David. ‘U zult eens zien wat ik zal doen.’ ‘Afgesproken, ‘zei Achis, ‘dan stel ik u aan als mijn vaste lijfwacht.’ (NBV)

Er was een tijd dat het verhaal dat we vandaag lezen met een glimlach werd verteld. Vooral aan kinderen werd het verhaal met een zekere bewondering voor David verteld. Het was ook niet niks. David vluchtte voor Saul naar de Filistijnen en hij kreeg onderdak in een eigen stadje in het gebied van Achis de Koning van Gat. Maar in plaats van Achis te helpen bij het vechten tegen Israël ging David vechten tegen de bondgenoten van de Filistijnen en hij betaalde de bescherming door Achis met de buit die hij had veroverd op die bondgenoten. Dat was toch een hele slimme oplossing van deze Koning van de Vrede. Tegenwoordig spreken we niet zo positief meer over het verhaal uit dit hoofdstuk. Natuurlijk, David hield Achis voor de gek en Achis vertrouwde de Judeese krijgsheer kennelijk blindelings.
Maar moest David nu werkelijk iedereen uitroeien van die vijandige stammen? En moest de buit gespaard blijven? Het lijken geen pluspunten voor deze Koning.
Het verhaal verdient dus nadere studie. Het staat niet voor niets in de Bijbel en nog steeds als onderdeel van het verhaal over de tegenstelling tussen Saul, als koning zoals de Heidenen die hebben, en David de Koning naar Gods hart. Voert David dan soms toch geboden uit van de God van Israël? David had God niet geraadpleegd toen hij naar de Filistijnen vluchtte. Dat Saul zijn verbond met David had gebroken en opnieuw tegen hem was opgetrokken was genoeg reden. David had zich er wel uit gered maar zo kon het natuurlijk niet doorgaan. Het zou ook tot een gewapend treffen kunnen komen en kennelijk wilde David dat tot elke prijs vermijden. Hij ging naar Achis en kreeg als onderkomen de stad Siklag. Die stad wordt in het boek Jozua genoemd als een stad in Israël. Kennelijk dus ingelijfd door de Filistijnen en nu terug in Israël. Met vrouwen en kinderen mee vindt het legertje van krijgsheer David hier een veilig onderkomen. Dan trekt David op tegen de Gesurieten, de Girzieten of de Amelekieten. Die laatste kennen we maar die andere stammen zeggen ons weinig.
Het zijn echter bondgenoten van de Filistijnen die wonen in een gebied dat door Jozua niet meer werd veroverd. David maakt dus de verovering door Jozua van het beloofde land af. Ook deze stammen wilden niet delen met Israël maar alleen profiteren. De Amelakieten roeit hij overigens niet uit en dat zal hij later nog merken. De buit die veroverd wordt gebruikt hij niet voor zichzelf maar geeft hij aan Achis, anders dus als Saul die de buit voor zijn eigen leger bestemde en het beste voor zichzelf hield. Hij beschermde gelijk bondgenoten van Israël als de Kenieten en de familie van Jerachmeël. Zij wilden wel delen met Israël en mochten dus in Kanaän blijven wonen. Dat Achis gaat denken David te kunnen gebruiken in de strijd tegen Israël ligt aan hemzelf. Kennelijk is het verkrijgen van rijkdom al genoeg om iemand te vertrouwen en wordt aan de zorg voor mensen helemaal geen aandacht besteed. Daar mogen we dus van leren. Terwijl David, ook op de vlucht in vijandelijk gebied, blijft zorgen voor zijn eigen volk, blijken de Filistijnen alleen uit op materiële rijkdom. Ook aan ons de keuze, zorgen we voor mensen of zorgen we rijk te worden? Elke dag mogen we weer opnieuw kiezen, ook vandaag weer.

Je hebt je taak slecht vervuld.

1 Samuel 26:13-25
13 David stak het ravijn over en een eind verder, op de kam van de rotsen aan de overkant, bleef hij staan, op veilige afstand van het kamp. 14  Daarvandaan begon hij de soldaten en Abner, de zoon van Ner, toe te schreeuwen. ‘Geef je nog antwoord, Abner!’ riep hij. Abner antwoordde: ‘Wie ben jij wel, dat je de koning durft te roepen?’ 15  Maar David riep tegen Abner: ‘En jij, wat ben jij voor een man? Zoals jij is er in Israël toch geen tweede? Waarom heb je dan niet gewaakt over je heer, de koning? Heb je niet gemerkt dat de koning, je heer, bijna door een van zijn onderdanen is gedood? 16  Je hebt je taak slecht vervuld. Zo waar de HEER leeft, jullie zijn ten dode opgeschreven, want jullie hebben niet gewaakt over je heer, zijn gezalfde. Kijk maar, waar zijn de speer en de waterkruik gebleven die aan zijn hoofdeind stonden?’ 17  Saul had Davids stem herkend en vroeg: ‘Is dat jouw stem die ik daar hoor, David, mijn zoon?’ ‘Ja, ik ben het, mijn heer en koning, ‘antwoordde David. 18  En meteen vroeg hij: ‘Waarom jaagt u me toch achterna, mijn heer? Wat heb ik misdaan, waaraan heb ik me schuldig gemaakt? 19  Luister alstublieft naar wat ik u te zeggen heb, mijn heer en koning: Als het de HEER is die u tegen mij heeft opgezet, laat dan een geurig offer hem vermurwen. Maar als u door mensen bent opgestookt, moge de HEER ze dan vervloeken omdat ze mij uit Gods eigen land verdrijven en zeggen dat ik maar andere goden moet gaan dienen. 20  Ik smeek u, voorkom toch dat mijn bloed in vreemde bodem vloeit, ver weg van de HEER. De koning van Israël is uitgetrokken om een vlo na te jagen, zoals men in de bergen jacht maakt op een patrijs.’ 21 Toen zei Saul: ‘Ik heb verkeerd gedaan. Kom terug, David, mijn zoon. Ik wil je niet langer kwaad doen, want jij hebt vandaag mijn leven gespaard. Ja, ik ben dwaas geweest en heb ernstige fouten gemaakt.’ 22  Maar David zei: ‘Hier is uw speer, koning, laat een van uw mannen hem komen halen. 23  Wie rechtvaardig en trouw is, wordt door de HEER beloond; ik heb vandaag mijn hand niet tegen de gezalfde van de HEER willen opheffen, ofschoon hij u aan mij had uitgeleverd. 24  Zoals ik vandaag uw leven gespaard heb, zo zal de HEER mijn leven sparen; hij zal me redden uit alle nood.’ 25  Toen zei Saul tegen David: ‘Gezegend ben je, David, mijn zoon. Je zult volbrengen wat je te doen staat. Ik weet dat je het kunt.’ Daarop vervolgde David zijn weg en Saul keerde terug naar zijn woonplaats. (NBV)
David was met een knecht het kamp van Koning Saul binnengeslopen  en had uit de tent waar Saul lag te slapen de speer en speer gestolen. Elke zelfmoordterrorist kan een legerbasis binnenkomen en verwoesting aanrichten. Er is in al die eeuwen niets veranderd. Toch blijven ook wij op legers vertrouwen als het gaat om vrede en recht. Zolang dat zo is zijn ook vredesverdragen maar van een betrekkelijke waarde. Pas als er echt de wil is om samen te werken en samen te zorgen voor de minsten kan er echte vrede komen. Wij kunnen elke dag opnieuw met die zorg voor minsten beginnen en zo als David laten merken niet op macht voor onszelf uit te zijn maar op een wereld zonder tranen.
Niet dat het gesprek tussen David en Saul zonder problemen verloopt. Eerst komt de generaal van Saul, Abner aan het woord. Die stelt zich als de sterkste, op grond van zijn leger, boven David. Maar de sterkte van een leger maakt niet uit wie  de sterkste is. Dat leger heeft een taak en als die taak verwaarloosd wordt is de eerste de beste terrorist in staat de overwinning te behalen. David maakt dat duidelijk aan Abner. Saul hoort het aan en laat dat weten ook. David maakt daar gebruik van door duidelijk te maken dat hij alleen van de God van Israël afhankelijk wil zijn. En daar zit de pijn voor Saul. Die God had immers zijn handen van Saul afgetrokken.
Er blijft Saul niet anders over de zich te onderwerpen aan David. Hij erkent zijn fouten en hij erkent dat David hier het beste handelt, gezegend is door God en Saul zal opvolgen als Koning. David zelf blijft zijn handelen als onbeduidend aanduiden. Hij is slechts een vlo waarop de Koning met een grote legermacht vergeefs jacht maakt. Komen de beide kemphanen nu bij elkaar? Is het vergeven dat in dit gesprek doorklinkt nu een nieuw begin voor beide deelnemers aan het gesprek? Niks er van. Ze blijven wie ze zijn en al sluiten ze vrede met elkaar uiteindelijk gaan ze beiden hun eigen weg. Saul terug naar de hoofdstad en David verder de bergen in. Vrede sluiten is dus kennelijk belangrijker dan samen opnieuw beginnen.

Hijzelf zal Saul treffen

1 Samuel 26:1-12
1  Enkele inwoners van Zif waren naar Gibea gegaan om Saul te vertellen: ‘Weet u wel dat David zich schuilhoudt op de Chachila, tegenover de Jesimon?’ 2  Onmiddellijk vertrok Saul met drieduizend man, die tot de beste soldaten van Israël behoorden, naar de woestijn van Zif om David te zoeken. 3  Op de Chachila aangekomen sloeg hij zijn kamp op langs de kant van de weg. David, die daar in de buurt verbleef, merkte dat Saul achter hem aan was gekomen 4  en stuurde verkenners uit. Zodra hij zeker wist waar Saul zich bevond, 5  ging hij naar de plaats waar die zijn kamp had opgeslagen. Daar zag hij Saul liggen, naast zijn legeraanvoerder Abner, de zoon van Ner. Saul lag in het midden van het kamp; daaromheen waren de soldaten gelegerd. 6 ‘Wie gaat er met me mee het kamp in, naar Saul?’ vroeg hij aan zijn metgezellen, de Hethiet Achimelech en Abisai, die een zoon van Seruja was en een broer van Joab. ‘Ik ga mee, ‘antwoordde Abisai. 7  Gedekt door de duisternis slopen David en Abisai tussen de soldaten door. Daar, omringd door Abner en de soldaten, lag Saul te slapen, met zijn speer naast zijn hoofd in de grond gestoken. 8  ‘Vandaag heeft God je vijand aan je uitgeleverd, ‘zei Abisai tegen David. ‘Laat mij hem met zijn eigen speer aan de grond nagelen. Eén gerichte stoot en het is met hem gedaan.’ 9  ‘Nee, dood hem niet, ‘antwoordde David. ‘Niemand heft ongestraft zijn hand op tegen de gezalfde van de HEER. 10  Zo waar de HEER leeft, hijzelf zal Saul treffen: hetzij doordat hij een natuurlijke dood sterft wanneer zijn tijd gekomen is, hetzij doordat hij ten oorlog trekt en sneuvelt. 11  De HEER verhoede dat ik mijn hand ophef tegen zijn gezalfde! Kom, pak de speer daar bij zijn hoofdeind, en de waterkruik, dan gaan we.’ 12  David nam de speer en de waterkruik mee die bij Sauls hoofdeind stonden, en zo verlieten ze het kamp. Niemand had iets gezien, niemand had iets gemerkt, niemand was wakker geworden. Ze lagen allemaal vast te slapen, want de HEER had hen in een diepe slaap gedompeld. (NBV)
Gerechtvaardigde woede hoeft je dus niet tot doden te brengen. Dat is de les die David kan trekken uit de ontmoeting met Nabal en Abichaïl. En Abichaïl zal hem er ongetwijfeld aan herinnerd hebben als hij eenmaal met haar getrouwd is. Maar hoe zit het dan als iemand er op uit is jou te doden? Is dat geen reden om die vijand uit te schakelen? Hoe gaat een Koning naar Gods hart daar mee om? Als die vijand je toevalt en alleen en nietsvermoedend zich in jouw grot begeeft en dus aan jou is overgeleverd dan hoef je die vijand dus niet te doden. Dan kun je laten zien dat die vervolging eigenlijk overbodig is want dat die vijand niets van jou te vrezen heeft. Dat heeft David er toe gebracht om zich te beperken tot het afsnijden van een reep van de koningsmantel en de koning nog eens aan te spreken.
Maar helpt dat? Zijn de eden die die koning zweert, is het verbond met die koning, betrouwbaar? David had zijn taak gevonden. Samen met zijn legertje beschermde hij in de bergen en de woestijn de herders en boeren tegen diefstal en plundering. Met succes hebben we kunnen lezen in het verhaal van David en Abichaïl. Maar de inwoners van de Zifwoestijn hebben het nog steeds niet erg op met een krijgsheer als David, gezocht door de wettige koning en met een groeiend leger waar ze ook nog belasting aan moesten betalen. Moesten ze nu de wraak van de koning vrezen of de wraak van de krijgsheer David? Om dat uit te vinden gaan ze naar koning Saul en vertellen hem precies waar David verblijft.
Als Saul dat goed vindt hebben ze verder niets te vrezen, als Saul kwaad wordt dan zal hij zijn woede richten op David en zijn leger. In beide gevallen zijn de inwoners van Zif goed af. Saul wordt inderdaad kwaad en verzamelt opnieuw een leger van drieduizend man en trekt op tegen de zeshonderd man van David. David was al verder de woestijn ingetrokken en heeft zijn reactie nu zelf in de hand. Hij zet verspieders uit en laat zich nauwgezet informeren over de bewegingen van het Koninklijk leger. Als de legerplaats is ontdekt en iedereen slaapt gaat David zelf met zijn neef Abisai op verkenning uit. Iedereen blijkt in diepe slaap verzonken. Zo komen de twee ongemerkt in de tent van de Koning die daar samen met zijn generaal Abner ligt te slapen. Opnieuw weigert David van de situatie ten eigen bate gebruik te maken. Hij steelt de waterkruik en de speer van Saul maar laat hem in leven.

Ik ben uw dienares.

1 Samuel 25:36-44
36 Bij haar thuiskomst zag Abigaïl dat Nabal een feestmaal had aangericht, het leek wel een koningsmaal. Hij had zeer veel gedronken en de wijn was hem naar het hoofd gestegen, daarom repte ze die avond met geen woord van het gebeurde. 37  De volgende ochtend, toen Nabal zijn roes had uitgeslapen, vertelde ze hem wat ze had gedaan. Zijn hart bleef stilstaan in zijn borst, en hij zakte roerloos in elkaar. 38  Tien dagen later trof de HEER Nabal zo zwaar dat hij bezweek. 39  Toen David hoorde dat Nabal dood was, zei hij: ‘Geprezen zij de HEER; hij heeft het voor mij opgenomen tegen Nabal, die me zo beledigd heeft. Op die manier heeft hij mij ervan weerhouden iets verkeerds te doen en heeft hij toch Nabal zijn verdiende loon gegeven.’ Daarop stuurde hij boden naar Abigaïl om haar ten huwelijk te vragen. 40  In Karmel aangekomen zeiden Davids dienaren tegen Abigaïl: ‘David heeft ons gestuurd om u te vragen zijn vrouw te worden.’ 41  Abigaïl knielde neer, boog diep voorover en zei: ‘Ik ben uw dienares. Ik ben bereid de slavin te zijn die de voeten wast van de dienaren van mijn heer.’ 42  Snel maakte ze zich klaar om te vertrekken. Toen reed ze op haar ezel, met vijf slavinnen in haar gevolg, achter de boden van David aan en werd zijn vrouw. 43  Hij had ook Achinoam uit Jizreël tot vrouw genomen; zij beiden waren nu zijn vrouw. 44  Davids vrouw Michal was door haar vader Saul inmiddels uitgehuwelijkt aan Palti, de zoon van Laïs, uit Gallim.(NBV)

In de Bijbel staat vaak dat de rijken aan hun eigen hebzucht ten onder gaan. Nabal is daar een voorbeeld van. Hij had een ruim oogst kunnen binnenhalen omdat zijn personeel beschermd werd door het legertje van David. Die had hem zeer beleefd gevraagd mee te mogen delen van die ruime opbrengst. Bot was dat geweigerd. Nabal mocht blij zijn met een vrouw die hem had gecorrigeerd maar zelfs daar was hij niet dankbaar voor. Nabal kan dus doodvallen en van de arme Nabal houdt het hart dan op met kloppen. Het hele verhaal laat ook zien hoe je met vrouwen moet omgaan. Luister je er naar, beschouw je die als gelijke of als handelswaar.
Terloops wordt gemeld dat Saul zijn dochter Michal, die zo verliefd was op David, aan een ander heeft uitgehuwelijkt. David gaat pas achter Abichail aan als Nabal echt dood is. Kennelijk is David bereid de steun van haar te aanvaarden. Hij wordt er ook meer Koninklijk door want Koningen hebben nu eenmaal meer vrouwen. Abichail werd de derde vrouw, naast Michal en Achinoam. Ook voor ons geldt vaak dat we de regels voor de menswaardige samenleving voor een ander moeten houden. Onze staat kan niet altijd  gastvrij zorgen voor vreemdelingen die hier aangespoeld en vastgelopen zijn.
Voor die papierlozen moeten wij dan onze kerken maar openen om hen te voeden, te kleden en te helpen weer op weg te komen naar een veilige plaats onder de zon. Als men iedereen de slaaf wil maken van de economie door productie en consumptie op zeven dagen van de week mogelijk wil maken moeten wij ons maar verzetten om de bevrijding van de slavernij van productie en consumptie vol te houden. Als niemand meer zorgt voor zieken en eenzamen dan zullen we dat zelf moeten organiseren. Gelukkig mogen we elke dag opnieuw werken aan die menselijke samenleving, ook vandaag weer.

Allen gordden hun zwaard om

1 Samuel 25:20-35
20  Abigaïl reed op haar ezel door de kloof, terwijl David en zijn mannen van de andere kant optrokken. Omdat ze door de bergwand aan het zicht onttrokken was, werd David door haar komst verrast. 21  Hij was nog steeds vreselijk kwaad: ‘Wat denkt die vent wel? Heb ik daarom al die tijd zijn bezittingen beschermd? Ik had het net zo goed kunnen laten! Nog niet één schaap is hij kwijt, en wat krijg ik? Stank voor dank! 22  God mag met me doen wat hij wil als ik morgenvroeg van zijn familie ook maar iemand van het mannelijk geslacht in leven heb gelaten!’ 23-24 Zodra Abigaïl David zag, sprong ze van haar ezel af. Ze viel voor zijn voeten op haar knieën, boog diep voorover en zei: ‘Mij treft alle schuld, mijn heer. Sta me toe het woord tot u te richten en wees zo goed te luisteren naar wat ik te zeggen heb. 25  Schenk alstublieft geen aandacht aan die domme praatjesmaker van een Nabal. Hij is een onbenul, zoals zijn naam al zegt. Had ik uw boden maar zelf te woord kunnen staan. 26  Zo waar de HEER leeft, mijn heer, en zo waar u zelf leeft, de HEER heeft u ervan weerhouden om het recht in eigen hand te nemen en bloedschuld op u te laden. Maar ik hoop dat het al uw vijanden en tegenstanders zal vergaan zoals Nabal. 27  Aanvaard de geschenken die ik voor u heb meegebracht, mijn heer; ze zijn bestemd voor de mannen die u op uw tochten vergezellen. 28  Vergeef me alstublieft dat ik heb gefaald. Ik weet zeker dat de HEER uw huis zal laten voortbestaan, u trekt immers voor de HEER ten strijde. Er mag bij u dus uw leven lang geen spoor van kwaad te vinden zijn. 29  Mocht iemand het wagen om u te achtervolgen en u naar het leven te staan, dan zal het steentje van uw leven veilig geborgen zijn in de buidel waarin de HEER, uw God, de mensenlevens bewaart, maar het leven van uw vijanden zal worden weggeslingerd. 30  Wanneer de HEER al zijn goede beloften aan u inlost en u aanstelt tot vorst van Israël, 31  zult u niet gehinderd worden doordat u uw geweten hebt belast door het recht in eigen hand te nemen en onschuldig bloed te vergieten. Wanneer het eenmaal zover is, mijn heer, vergeet uw dienares dan niet.’ 32  David antwoordde: ‘Ik dank de HEER, de God van Israël, dat hij u vandaag op mijn weg heeft gestuurd. 33  En u dank ik voor uw verstandig optreden van zojuist, waarmee u hebt voorkomen dat ik het recht in eigen hand nam en me schuldig zou maken aan moord. 34  Maar zo waar de HEER leeft, de God van Israël, die me ervan heeft weerhouden om u kwaad te doen, als u niet zo snel naar me toe was gekomen, was er van Nabals familie morgenvroeg niemand van het mannelijk geslacht meer in leven geweest!’ 35  En hij aanvaardde haar geschenken met de woorden: ‘Ga gerust naar huis; ik heb uw woorden aangehoord en uw verontschuldigingen aanvaard.’ (NBV)
Soms moet je de geboden uit de Bijbel ook voor een ander houden. Wij zijn gewend dat ieder voor zich de wetten van het rijk moet houden en dat er een overheid is die daar op toezicht houdt en overtreders aanpakt. Zo zit het niet met de regels voor een menselijke samenleving die we in de Bijbel terugvinden. Voor die regels zijn we samen verantwoordelijk en als iemand ze niet kan of wil houden dan moeten we dat zelf maar doen voor die iemand omdat het doel, de menselijke samenleving, bij ons altijd voorop staat. Dat wil de God van Israël immers van ons, dat we door te houden van onze naaste als van onszelf die menselijke samenleving een stukje dichterbij brengen. Het is ook eigenlijk de boodschap die Abichaïl eerst aan David en dan aan Nabal brengt.
David was woest geworden om de botte weigering van Nabal iets bij te dragen aan het onderhoud van de beschermers van zijn bezit. Nabal was er rijker door geworden want hij had geen dier, geen schaap of lam, verloren in het seizoen dat ze buiten liepen, zich hadden vetgemest en voordat ze geschoren werden. David trok op met zijn mannen om de mannen van de clan van Nabal te doden, je doet het niet voor niks. Ze waren anders gedood geweest door plunderende Filistijnen. Maar Abichaïl de vrouw van Nabal, die door had hoe de verhoudingen lagen, was met eten bepakt naar David gereden. En haar toespraak overtuigde de krijgsheer.
 Haar complete toespraak vormt een literair hoogtepunt uit het eerste boek Samuël en verdient het meerdere malen gelezen te worden. Maar door de schuld op zich te nemen voor de afwijzing laat Abichaïl zien dat het houden van de wetten voor een ander de redding van een volk kan zijn. David krijgt nu de gelegenheid zich te houden aan het “Gij zult niet doden” Nabal krijgt de gelegenheid toch te delen. In de Bijbel krijgt iedereen eigenlijk altijd een tweede kans, als je die niet aanneemt kun je doodvallen, maar dat is een ander verhaal. Wij worden geroepen om te delen en zo God lief te hebben boven alles.

Een nakomeling van Kaleb.

1 Samuel 25:1-19

1 Omstreeks die tijd kwam Samuël te overlijden. Heel Israël kwam bijeen om over hem te rouwen. Hij werd begraven bij zijn huis in Rama. David trok verder, naar de woestijn van Paran. 2 Nu woonde er in Maon iemand die zijn bedrijf in Karmel had. Hij was schatrijk: hij bezat drieduizend stuks schapen en duizend geiten. Hij was voor het scheren van de schapen naar Karmel gekomen. 3 Zijn naam was Nabal en zijn vrouw heette Abigaïl. Zij had een helder verstand en was mooi om te zien; hij was hard en gewetenloos. Hij was een nakomeling van Kaleb. 4 Toen David in de woestijn hoorde dat bij Nabal de schapen werden geschoren, 5 stuurde hij tien van zijn knechten naar Karmel met de opdracht: ‘Ga naar Nabal en breng hem mijn groeten over. 6 Zeg hem uit mijn naam: “Ik wens u en uw familie en uw bedrijf alle goeds, ook voor volgend jaar. 7 Ik heb gehoord dat ze uw schapen aan het scheren zijn. Nu zit het zo: toen uw herders bij ons in de buurt waren, hebben we hen niet lastiggevallen; al die tijd dat ze hier in Karmel waren is hun niets ontvreemd. 8 Vraag het uw knechten maar, zij zullen het u bevestigen. Ik hoop dat u op uw beurt mijn knechten goed zult behandelen, ze komen immers op een feestdag bij u. Daarom verzoek ik u beleefd om mijn knechten en mij, David, te geven wat u missen kunt.”’ 9 Toen Davids knechten bij Nabal kwamen, brachten ze uit Davids naam dit alles over en wachtten af wat hij zou zeggen. 10 Nabal antwoordde Davids knechten als volgt: ‘Wie is die David? Wie is die zoon van Isaï? Het wemelt vandaag de dag van de slaven die bij hun meester weggelopen zijn. 11 Denken jullie heus dat ik mijn brood en mijn water en het vlees dat ik voor mijn scheerders heb laten klaarmaken aan de eerste de beste onbekende ga weggeven?’ 12 Davids knechten gingen onverrichter zake terug en vertelden David wat Nabal had gezegd. 13 Daarop beval David zijn mannen: ‘Te wapen!’ Allen gordden hun zwaard om, ook David zelf, en met vierhonderd man trokken ze onder aanvoering van David naar Karmel op; tweehonderd man bleven achter om het kamp te bewaken. 14 Intussen was Nabals vrouw Abigaïl door een van de knechten op de hoogte gesteld. ‘David heeft uit de woestijn boden gestuurd om onze heer te groeten, ‘zei hij, ‘maar die is tegen hen uitgevaren’. 15 En dat terwijl David en zijn mannen ons juist zo goed behandeld hebben: ze hebben ons niet lastiggevallen en al die tijd dat we in hun buurt rondtrokken om de schapen te weiden is ons niets ontvreemd. 16 Ze zijn juist dag en nacht als een muur om ons heen geweest, al die tijd dat we in hun buurt onze kudde hoedden. 17 U moet er iets op verzinnen, want nu onze heer, die onheil stichter, zo’n toon tegen hem heeft aangeslagen, heeft hij zichzelf in het ongeluk gestort en ons erbij.’ 18 Haastig liet Abigaïl tweehonderd broden, twee zakken wijn, gedroogd vlees van vijf schapen, vijf schepel geroosterd graan, honderd plakken rozijnen en tweehonderd plakken gedroogde vijgen op ezels laden 19 en ging zonder met haar man te overleggen op weg. ‘Rijden jullie voor me uit, ‘beval ze haar knechten, ‘ik kom achter jullie aan.’ (NBV)

Samuël sterft. De profeet die de beide Koningen heeft gezalfd en zo gezorgd heeft dat Israël een land werd om rekening mee te houden. Een land met twaalf stammen die zich voortaan als één volk zullen gedragen. De eerste Koning deed niet wat de bedoeling was. Hij spiegelde zich aan de Koningen van de Heidenen, de buurvolken. Maar er was nog een koning die wachtte tot hij geroepen werd. David de herder en strijder uit Bethlehem, uit het huis van brood. Na de begrafenis van Samuël trekt David weer de woestijn in met zijn legertje. Nu is een guerrillaleger altijd afhankelijk van de vredelievende boeren. Dat is ook in onze dagen nog steeds het geval en als de boeren niet vrijwillig geven dan worden ze gedwongen en als ze zich laten dwingen dan worden ze gestraft door het leger van de machthebbers.

Na de dood van Samuël, hoeder van de wetten van de God van Israël, is er natuurlijk de vraag hoe David met zijn positie van guerrillaleider zal omgaan. Daarvoor is het verhaal dat we vandaag en morgen zullen lezen Een verhaal dat zich laat lezen als een sprookje, er was eens een rijk man die heel rijk was. Hij heette Nabal en was een afstammeling van Kaleb. Wie weet wat Nabal wil zeggen en wie Kaleb geweest is weet waar het verhaal heen zal gaan. Nabal betekent dwaas en Kaleb betekent hond of slaaf. Maar we kennen Kaleb als verkenner voor Mozes die samen met Jozua het land verkende en herkende als het land dat de God van Israël het volk had beloofd, het volk hoefde er niet bang voor te zijn. Van Nabal wordt dan vertelt dat hij getrouwd was met Abichaïl, dat betekent “mijn vader is blijdschap” en met die vader wordt ook de vader in de hemel bedoeld.

Als Nabal zijn oogst binnenhaalt, hij laat zijn schapen scheren, stuurt David een paar van zijn mannen met het verzoek van de oogst mee te mogen delen. Het verzoek is uiterst beleefd gesteld. Maar Nabal wijst het bot van de hand. Die zoon van Isaï ken ik niet, dus geef ik niet. Hij weet dus heel goed wie David is maar wil niet met hem geassocieerd worden. Een gevaarlijk standpunt. Dat snapt zijn vrouw ook als die hoort dat Nabal zo bot geweest is. Zij hoort dat David optreedt als beschermer van de herders van Israël. Er wordt niets meer gestolen of geroofd en van die soldaten hebben ze zelfs geen last. Van zulke beschermers wordt je rijk en ze laad haar ezels vol met voedsel en gaat zelf naar David. Weer leren we dat we moeten letten op de daden van de mensen die wat van ons willen. Beschermen ze de zwakken, zijn ze uit op het goede, of jagen ze alleen hun eigen voordeel na en als ze zeggen dat ze onbaatzuchtig zijn blijkt dat dan ook ergens uit. We leren dat het beste onderscheiden als we zelf het goede doen en niet dan het goede. Gelukkig mogen we daar elke dag opnieuw mee beginnen, ook vandaag weer.