Wie heeft u die bevoegdheid gegeven?

Lucas 20:1-8
1 Op een van de dagen dat Jezus het volk in de tempel onderricht gaf en er het goede nieuws verkondigde, kwamen opeens de hogepriesters en de schriftgeleerden, samen met de oudsten, op hem af 2  en vroegen hem: ‘Op grond van welke bevoegdheid doet u die dingen? En wie heeft u die bevoegdheid gegeven? Zeg ons dat eens.’ 3  Jezus antwoordde: ‘Ook ik zal u iets vragen waarop u antwoord moet geven: 4  Doopte Johannes in opdracht van de hemel of van mensen?’ 5  Ze overlegden met elkaar: ‘Als we antwoorden: “Van de hemel, ”zal hij vragen: “Waarom hebt u hem dan niet geloofd?” 6  Maar als we antwoorden: “Van mensen, ”zal het volk ons willen stenigen, omdat iedereen ervan overtuigd is dat Johannes een profeet was.’ 7  Dus antwoordden ze dat ze het niet wisten. 8  Daarop zei Jezus tegen hen: ‘Dan zeg ik u ook niet op grond van welke bevoegdheid ik die dingen doe.’ (NBV)
Je kunt toch niet zomaar de armen de bevrijding van de armoede verkondigen? Dat haalt de hele samenleving omver. Opnieuw een verhaal over Jezus van Nazareth. Net als vandaag de dag was ook in zijn dagen de vraag of de ordelijke samenleving belangrijker was dan het lot van de mensen. En met dat argument van de ordelijke samenleving worden de machthebbers van zijn tijd klem gezet. Johannes de Doper was immers een martelaar geworden. Onthoofd door Herodes, een koning waar, zeker het religieuze deel, de bevolking een geweldige afkeer had. Die koning regeerde niet namens de God van Israel maar namens de Romeinse Keizer die zichzelf ook als een god liet aanbidden. Als je nu antwoordt dat die Johannes de Doper opgetreden was namens zichzelf dan had je de poppen aan het dansen. Dan kozen de religieuze leiders van de Tempel de kant van de gehate Herodes.
Maar als ze hadden gezegd dat Johannes de Doper optrad op last van God zelf dan hadden ze zich moeten omkeren. Dan hadden ze zelf de bevrijding van de armen moeten gaan verkondigen. Het is het gedraai waar ook onze politici zo vaak voor staan. Moeten we de rijken beschermen in hun rijkdom of moet er toch worden gedeeld met de armen. In onze dagen hebben politici zelfs mensen in dienst die het draaien zo onder woorden brengen dat we het bijna niet door hebben, spin docters heten ze. Ook nu de allerrijksten op de lange termijn een heel klein beetje ontzien lijken te worden is het voor de verdedigers van de rijken niet genoeg, ook de gewone rijken moeten vrijgesteld worden van het delen met de armen. De leiders uit de dagen van Jezus van Nazareth lieten maar in het midden op grond waarvan Johannes de Doper optrad. Ze bleven daarmee aan de kant staan, het volk kon geloven wat het wilde, maar Herodes kon blijven regeren namens de Keizer in Rome.
De ordelijke samenleving kreeg daarmee de bovenhand boven de zorg voor de minsten in de samenleving. We moeten het zelf mogen beslissen klinkt het in onze dagen. En net als in de dagen van Jezus lijkt zelfbeschikking mooi maar betekent het in de praktijk dat we de beslissingen ver weg laten nemen. Als wij uit Europa stappen worden de beslissingen over onze welvaart en werkgelegenheid genomen in de kantoren van de multinationals, alleen een multi nationale regering kan daar tegen optreden. De boetes die aan zeer grote multinationals worden gegeven tonen dat aan.. Hoe onze samenleving zich ook ontwikkeld we kunnen en mogen ook niemand uitsluiten, waar men ook vandaan komt en wat men ook geloofd.. Dat niet iedereen uit de hele wereld hier kan komen wonen hebben we lang geleden al vastgelegd, maar iedereen heeft er recht op zelf een gezin te vormen waar liefde kan worden geoefend, de liefde die we in de samenleving zo hard nodig hebben. En iedereen moet kunnen meepraten zodat we samen voor de armsten en de minsten kunnen blijven zorgen, dat is nu ook meer nodig dan ooit.

Hij is een misbaksel geworden.

Hosea 7:8-16
8 Efraïm heeft zich met andere volken vermengd; hij is een misbaksel geworden. 9  Vreemdelingen hebben zijn krachten verteerd, maar hij beseft het niet; zijn haar is grijs geworden, maar hij beseft het niet. 10  Hoewel de hoogmoed van de Israëlieten tegen hen getuigde, zijn ze niet naar de HEER, hun God, teruggekeerd; ondanks alles hebben ze zich niet tot hem gewend. 11  Efraïm is als een duif, onnozel en zonder verstand: Egypte roepen ze te hulp, bij Assyrië zoeken ze hun toevlucht. 12  Maar als ze nog eens op weg gaan, zal ik mijn net over hen uitspreiden; ik haal ze neer, als vogels uit de lucht. Ik zal hen straffen zoals ik hun heb aangekondigd. 13  Onheil kome over hen, want ze hebben mij in de steek gelaten! Verderf over hen, want ze zijn tegen mij in opstand gekomen! Hoe kan ik hen bevrijden als ze mij in een kwaad daglicht stellen? 14  Ze roepen niet eerlijk en oprecht tot mij, maar liggen te jammeren op hun bed. Ze kerven hun lichaam voor hun goden, smekend om koren en wijn, en zo keren ze zich tegen mij. 15  Ik was het die hun een goede leerschool gaf, ik heb hen sterk gemaakt, en juist tegen mij beramen ze kwaad. 16  Naar mij, de Allerhoogste, keren ze niet terug; ze zijn als een boog zonder spankracht. Hun leiders zullen vallen door het zwaard, als straf voor hun onbeschaamde taal. Dan wordt in Egypte de spot met hen gedreven. (NBV)
Bondgenootschappen met andere volken kunnen grote gevolgen hebben. Israël, hier aangeduid met Efraïm, had met wereldmachten als Egypte een militair verbond gesloten. Als de een zou worden aangevallen zou de ander hulp bieden. Wij hebben in de NAVO een dergelijk verbondd. Dat verbond met Egypte was om de staat te beschermen tegen Assyrië. Er waren verschillende gevolgen. In de eerste plaats kon Assyrië nu Efraïm, Israël dus, als vijand beschouwen en een deel van het land werd daarom bezet. De leden van het verbond waren vrienden en een huwelijk van iemand uit het ene land met iemand uit het andere land kon je dus ook niet veroordelen.
Nu kan dat allemaal best maar de God van Israël komt er niet meer aan te pas. Het houden van de richtlijnen die het volk had ontvangen voor een menselijke samenleving kun je moeilijk houden als je vrienden daar andere opvattingen over hebben. En die richtlijnen had het volk nu juist ontvangen om de andere volken te laten zien hoe veilig en voorspoedig het gaat met een volk dat die richtlijnen volgt. Het volk schept haar eigen regels en spiegelt zich daarbij aan de regels van de Heidense volken. Winst en profijt komen bovenaan en uiterlijk vertoon van de machtigen en de rijken laten zien hoe goed het met een volk gaat.
De weduwen en de wezen blijven buiten beschouwing. Je hoort in ons land ook nog wel eens mensen die zeggen het zeuren over de armen zat te zijn. Je moet juist letten op mensen die het wat beter hebben. Ze noemen dat de midden inkomens al verdienen ze zo veel dat bezien vanuit de minima dat toch zeer rijke mensen zijn. Maar als het met de rijken goed gaat dan profiteren de armen daarvan. De Bijbel beweert het omgekeerde. Pas als het goed gaat met de armen, als de zieken, de weduwen en de wezen, de slaven en de vreemdelingen dan kan het goed gaan met het volk. Recht en gerechtigheid staat daarbij voorop. We moeten mensen tot hun recht laten komen. Dan wordt een volk onaantastbaar. Tegen dat gedrag kan geen machthebber zich immers verzetten. Ook in onze dagen niet.

Niemand van hen roept tot mij

Hosea 6:11b-7:7
11b Steeds wanneer ik het lot van mijn volk ten goede keer, 1 steeds wanneer ik Israël genees, komen Efraïms slechtheid en Samaria’s zonden aan het licht. Altijd maar bedriegen! Dieven dringen de huizen binnen, buiten plunderen roversbenden. 2  Het komt niet bij hen op dat ik al hun zonden onthoud; hun daden zullen hun opbreken, want ik zie ze voor mijn ogen gebeuren. 3  Met hun zonden doen ze de koning een plezier, met hun leugens vermaken ze de leiders. 4  Ze zijn allemaal even trouweloos. Hun hartstocht lijkt op een oven die door een bakker zo hoog is opgestookt, dat hij er niet meer naar hoeft om te zien terwijl hij het deeg kneedt en het laat rijzen. 5  Op de feestdag van onze koning verhitten ze de leiders met wijn tot die er ziek van worden, en intussen schudt de koning die verraders de hand! 6  Ze loeren, ze spannen samen, hun hart is als een oven: de hele nacht smeult het vuur, om ‘s morgens vlammend op te laaien. 7  In het vuur van hun woede verteren ze hun vorsten. Hun koningen komen allemaal ten val. Maar niemand van hen roept tot mij. (NBV)
Het zijn in de geschiedenis altijd de machthebbers die zich los zingen van het volk dat ze zouden moeten dienen. Daar tegen komen mensen in opstand. De boeren, de bouwers, de onderwijzers, het ziekenhuispersoneel, de politieagenten laten van zich horen. Het lijkt er op dat iedereen die dienst verleend op de een of andere manier zich in de steek gelaten voelt door een regering die alleen lijkt te wijzen naar de grote bedrijven die o zo belangrijk zijn, belangrijker dan betaalbaar voedsel, een goede woning, onderwijs voor de kinderen en veiligheid in de buurten waar we wonen.
Ook de God van Israël komt in opstand tegen dergelijke regeringen. In  de dagen van Hosea was het dan ook wel bar gesteld met die regeringen. In het boek Koningen kunnen we daar het een en ander over teruglezen. Na de dood van koning Jerobeam werden er in korte tijd liefst vier koningen van Israël vermoord, Zacharia, Sallum, Pekachja en Pekach. Telkens weer werden ze door nieuwe machthebbers vervangen. In de dagen van koning Menachem werden er zelfs in één maand twee koningen vermoord. Die koning Pekach had zich trouwens zeer verzet tegen de macht van Assyrië, een van de wereldmachten. Dat verzet had tot gevolg dat een groot deel van zijn rijk door Assyrië was bezet.
De waarheid is het eerste slachtoffer in een oorlog. We kunnen er nu over meepraten. Toen er immers tientallen burgers werden gedood bij een bombardement door Nederlandse bommenwerpers werd ons verteld dat er geen burgers waren omgekomen. Hosea beschrijft hoe intriganten met hun leugens de machthebbers van zijn tijd in hun greep proberen te krijgen. Etentjes, feestjes en leugens zijn de middelen die ze handteren. Wij praten dan graag over een integriteitsbeleid. Hoe nauw zijn ministers, gedeputeerden en wethouders betrokken bij bedrijven die belang hebben bij hun voorstellen en besluiten. Denk niet dat de Bijbel het heeft over oude geschiedenissen waar wij ons aan hebben ontworsteld. Ook wij zullen het kwaad van het eigenbelang van machthebbers aan de kaak moeten stellen, elke dag opnieuw.

Wat moet ik met je beginnen

Hosea 6:4-11a
4 Wat moet ik met je beginnen, Efraïm? Wat moet ik met je beginnen, Juda? Want jullie liefde is als een ochtendnevel, als dauw die ‘s morgens vroeg verdwijnt. 5  Daarom heb ik jullie gedood met de woorden die ik sprak, jullie neergehouwen door mijn profeten; zo brak het volle licht van mijn recht door. 6  Want liefde wil ik, geen offers; met God vertrouwd zijn is meer waard dan enig offer. 7  Maar zij hebben het verbond met mij geschonden, zoals eens in de stad Adam: daar waren ze mij al ontrouw. 8  Gilead is een broeinest van misdadigers, een stad vol bloedsporen. 9  De priesters liggen als een bende rovers op de loer, plegen moorden op de weg naar Sichem. Gruwelijk is het wat ze doen! 10  Bij het volk van Israël heb ik afschuwelijke dingen gezien: Efraïm is overspelig geworden, Israël heeft zich besmeurd. 11  Ook jij, Juda, zult oogsten wat je hebt gezaaid. (NBV)
Vandaag lezen we een stukje uit het boek Hosea, zoals het opgetekend staat in het twaalfprofetenboek. Vroeger noemden we die de “kleine profeten” maar hoewel elk deel van dat boek gaat over één profeet hebben die ook met elkaar te maken. Het boek is rond de ballingschap ontstaan. Hosea riep voor de belingschap het volk tot Gods orde. Het rijk van David en Salomo was uiteengevallen in twee delen. Israël, waar de stam van Efraïm de boventoon voerde, en Juda. Juda had Jeruzalem als hoofdstad en Israël Gilead.
Nu waren de inwoners van Israël en Juda zich best bewust dat zij de God van Israël hadden verlaten en daardoor zijn bescherming waren gaan missen. Elke morgen verzamelden ze zich bij de Tempel in Jeruzalem of bij het heiligdom in Gilead. Ze brachten offers, scheurden hun kleren en strooiden as op hun hoofd. Maar dan gingen ze gewoon weer aan het werk. Ze waren vroom voor God geweest maar de mensen konden hen verder niet schelen. En daar komt Hosea namens God tegenop. God houd niet van uiterlijk vertoon. Op zondag in een net pak of een mooie jurk naar de kerk heeft lang niet altijd met geloof te maken.
Liefde voor de medemens is de sleutel en het teken van geloof in de God van Israël. God heeft alle mensen lief, de weduwe en de wees, de armen en gehandicapten en de vreemdelingen onder ons. Als die liefde niet dag en nacht zichtbaar is dan is er geen sprake van geloof in die God. Het verbond houdt immers in dat God het ons mogelijk maakt zijn kinderen lief te hebben. Daarvoor komen we bij elkaar, daarvoor lezen we oude verhalen als die van Hosea, daar zingen we over. Dankbaar zijn we als het lukt om de bedroefden te troosten, de uitgestotenen weer op te nemen in onze samenleving, de vreemdelingen gastvrij te ontvangen. Het fatsoen dat velen als teken van geloof zien is voor Hosea een masker voor  misdaden. Laten wij het masker afzetten en weer gaan werken aan de liefde voor de medemens.

Ik wil zingen over trouw en recht

Psalm 101
1 Van David, een psalm. Ik wil zingen over trouw en recht in een lied voor u, o HEER, 2  nadenken over de volmaakte weg-wanneer zult u bij mij komen? Ik handel met een zuiver hart, ook in mijn paleis, 3  niets staat mij voor ogen wat boosaardig is. Gedraai, ik haat het, ik laat mij er niet mee in, 4  sluwheid houd ik ver van mij, het kwaad wil ik niet kennen. 5  Wie heimelijk een vriend belastert, leg ik het zwijgen op, een trotse blik, een aanmatigend hart verdraag ik niet. 6  Mijn oog zoekt de getrouwen in het land, met hen wil ik mijn woning delen. Wie de volmaakte weg bewandelt, mag mij dienen. 7 In mijn paleis is geen plaats voor wie liegt en bedriegt, wie onwaarheid spreekt komt mij niet onder ogen. 8  De schuldigen in het land breng ik elke morgen tot zwijgen, uit de stad van de HEER verdrijf ik allen die onrecht begaan.(NBV)
We hebben al weer een aantal jaren een nieuw Liedboek in de kerken in Nederland. Langzaamaan zij de kerken in Nederland dat Liedboek in gebruik gaan nemen. Veel liederen gaan over trouw en recht. Al tijdens de reformatie in de zestiende eeuw werden psalmen op rijm gezet zodat ze gezongen konden worden in de kerken. Vooral de verzameling melodieën die er in Geneve voor werden uitgekozen en gecomponeerd kreeg grote bekendheid. Alle 150 psalmen zijn nog eind jaren 60 van de vorige eeuw opnieuw op rijm gezet zodat ze op die melodieën kunnen worden gezongen. Het zijn nu de eerste 150 liederen van dat nieuwe liedboek, dat overigens meer dan 1000 liederen telt. Is dat zingen belangrijk? Volgens het lied dat we vandaag met de kerk meezingen wel. Je wordt door het zingen van zo’n lied weer eens bepaald bij waar het ook al weer om gaat: om het goede te doen en niet dan het goede, reine harten en reine daden zingt de berijming uit het Liedboek.
En het lied dat we vandaag meezingen is niet zomaar een liedje. Het is het lied van de Koning. Want wie anders kan overzien waar in het Rijk in het geheim mensen worden belastert. In onze dagen zijn het toch de overheden en bestuurders die weten waar de anonieme beschuldigingen worden geuit. En anoniem moet het want zelfs als een ambtenaar corruptie in zijn dienst meldt dan loopt hij een grote kans als vervelende klokkenluider te worden ontslagen. Dat zou onder een overheid die deze Psalm meezingt niet voorkomen. Want die overheid neemt zich voor elke ochtend alle boosdoeners tot zwijgen te brengen, uitroeiend uit de stad van de Heer. En we weten het allemaal, list en bedrog kan gemakkelijk onze samenleving regeren. Een handjevol bankiers kan met leugens de hoogte van de hypotheekrente in eigen voordeel bepalen. Van schadevergoeding aan de slachtoffers is als het uitkomt geen sprake.
Zo’n kleine Psalm als die we vandaag meezingen doet ons dus nog weer eens beseffen dat we er goed aan doen voor een overheid te zorgen die er op let dat er geen boosaardigheid voorkomt. Die niets moet hebben van gedraai en sluwheid. Die van anonieme beschuldigingen zonder bewijs niets moet hebben. Maar die ook niet de mensen op straat zet die het niet in haar land wil hebben. Die naast mensen blijft staan om het goede te doen en niet dan het goede. Als je wil dat mensen naar een ander land gaan moet je zorgen dat het gebeurt, dat ze papieren krijgen en de kans om een nieuwe start in dat andere land te maken. Als je ze op straat zet vervallen ze te gemakkelijk tot het kwade of worden ze slachtoffer van het kwaad dat de straat nu eenmaal beheerst. Zingen en als nieuw zingen is dus niet onbelangrijk. Elke zondag kan dat in de Protestantse Kerken in Nederland, in elk dorp en elke stad zijn die kerken te vinden, stap gerust eens binnen en zing mee. Zodat we een land krijgen waar het goede heerst, elke dag van de week.

U kent uw dienaar

2 Samuel 7:17-29
17  Natan bracht alles wat hij had gezien en gehoord aan David over. 18  Koning David ging het heiligdom binnen, nam plaats voor de HEER en bad: ‘Wie ben ik, HEER, mijn God, wat is mijn familie, dat u mij zo ver hebt gebracht? 19  En alsof dat nog niet genoeg was, HEER, mijn God, hebt u ook gesproken over de toekomst van mijn koningshuis. Moge dit de mensheid tot wet worden gesteld, HEER, mijn God. 20  Wat kan ik verder nog zeggen? U kent uw dienaar, HEER, mijn God. 21  U hebt al deze grootse dingen gedaan en ze aan mij bekendgemaakt omdat u handelt naar uw woord en u houdt aan wat u zich hebt voorgenomen. 22  Daarom bent u groot, HEER, mijn God. Het is zoals ons altijd is voorgehouden: zoals u is er geen, er bestaat geen andere God dan u. 23  En wie kan zich meten met Israël, uw volk? Het is het enige volk op aarde waarvoor een god zich heeft ingezet om het vrij te kopen en tot zijn volk te maken, om zo voor zichzelf een naam te vestigen door middel van grootse en indrukwekkende daden: omwille van uw volk, dat u hebt bevrijd, hebt u vreemde volken en hun goden op de vlucht gedreven. 24  U hebt uw volk Israël voor altijd aan u toegewijd, en u, HEER, bent hun tot God. 25  Welnu, HEER, mijn God, houd u dan ook aan de belofte die u aan mij en mijn koningshuis hebt gedaan en doe uw woord voor altijd gestand. 26  Dan zal uw naam voor altijd in ere worden gehouden en zal men zeggen: “De HEER van de hemelse machten is God over Israël, ”en dan zal het koningshuis van uw dienaar David altijd standhouden. 27  U, HEER van de hemelse machten, God van Israël, hebt aan uw dienaar onthuld dat u voor mij een huis zult bouwen. Daarom durf ik dit gebed tot u te richten. 28  U, HEER, mijn God, hebt me zo’n grootse toekomst beloofd. U alleen bent God, uw woorden zullen zeker in vervulling gaan. 29  Welnu, zegen dus mijn koningshuis opdat het altijd standhoudt. Dat hebt u, HEER, mijn God, immers beloofd. Moge het koningshuis van uw dienaar voor altijd door u gezegend zijn.’ (NBV)
David had dus wat op de borst te kloppen. Hij mocht weliswaar geen Tempel bouwen maar de God van Israël zou er voor zorgen dat zijn huis eeuwenlang over Israël zou regeren. Op basis van die belofte bleven en blijven de Joden geloven dat de bevrijder van Israël een afstammeling van David zal zijn. Daarom spreekt de Christelijke Bijbel over Jezus van Nazareth als geboren uit het huis en het geslacht van David. Daarom gingen Jozef en Maria naar Bethlehem omdat daar het grondstuk lag dat aan de voorouders van David was toegewezen na de intocht in het beloofde land. Nog steeds geloven Joden dat er een messias zal komen die het land Israël voorgoed verlossen zal van al haar vijanden. Zeer conservatieve Joden erkennen zelfs de staat Israël niet omdat die niet is gesticht door een Messias, een bevrijder, die de afstammeling van Koning David is en die het huis van David opnieuw heeft gevestigd in Jeruzalem. Bij alle discussies over de Staat Israël en het volk van God moeten we dus niet al te gemakkelijk de beloften van de Bijbel plakken op de actuele politieke situatie in Palestina.
David gaat na het krijgen van de belofte naar het Heiligdom om God te danken. Dat dankgebed heeft ook het karakter van een verbond. U kunt dat wel beloven maar zorg dan ook dat die belofte waargemaakt wordt, want eigenlijk heb ik die belofte helemaal niet verdient, laat het dankgebed van David zich samenvatten. David zit hierbij voor de Ark, dat was per slot het enige dat in dit heiligdom stond voorzover wij weten. De Ark werd beschouwd als de voetenbank van God en daarom kan er staan dat David plaats nam voor de Heer, of voor het aangezicht des Heren, of voor het aanschijn van de Heer. Geleerden worstelen dan met de vraag hoe het komt dat David gewoon kan gaan zitten. Maar kennelijk gebruikt David het Heiligdom zoals Mozes het Heiligdom gebruikte, als een Tent der Ontmoeting. Met dat beeld krijgt David dezelfde trekken als waarmee Mozes werd beschreven. David is de leider van het volk die als instrument van God het volk vrede en veiligheid zou schenken.
Ook de vraag van David om de belofte tot een wet voor de mensen te maken verwart veel Bijbelgeleerden. Het is God die de belofte doet en zal houden, daar komen geen mensen aan te pas. Maar wij zijn besmet met het Romeinse denken over recht, wij moeten ons aan wetten houden. Het Bijbelse denken over recht en gerechtigheid zet mensen in beweging. Als wij het huis van David willen erkennen als Koning, als Heer, van de wereld dan zullen wij in beweging moeten komen. Geloven we echt dat Jezus van Nazareth de waarheid sprak toen hij zei dat hem alle macht in hemel en op aarde gegeven was? Jezus van Nazareth beroept zich op de belofte aan David gedaan, want echte vrede is er pas als er vrede voor iedereen is, als iedereen een veilige plaats op aarde heeft, als honger is gestild, als naakten zijn gekleed en de armen bevrijd. Dan zullen alle tranen gedroogd zijn en kan God zijn Tent op aarde spannen staat er in het slot van de Bijbel. Om dat te bereiken zullen we dus in beweging moeten komen, dan vervullen we de belofte van God aan David gedaan. Dat doen we dus door onze naaste lief te hebben als onszelf. Elke dag opnieuw mogen we daar mee beginnen, ook vandaag weer.

Hij zal een huis bouwen voor mijn naam.

2 Samuel 7:1-16
1 Toen de koning zijn intrek had genomen in het paleis en de HEER hem rust had gegeven door hem van al zijn vijanden te verlossen, 2  zei de koning tegen de profeet Natan: ‘Kijk nu toch! Ik woon in een paleis van cederhout, terwijl de ark van God in een tent staat.’ 3  ‘Doe wat uw hart u ingeeft, ‘antwoordde Natan, ‘de HEER staat u immers ter zijde.’ 4 Maar diezelfde nacht richtte de HEER zich tot Natan: 5  ‘Zeg tegen mijn dienaar, tegen David: “Dit zegt de HEER: Wil jij voor mij een huis bouwen om in te wonen? 6  Ik heb toch nooit in een huis gewoond, vanaf de dag dat ik de Israëlieten uit Egypte heb geleid tot nu toe! Al die tijd trok ik rond in tent en tabernakel. 7  Overal heb ik met de Israëlieten rondgetrokken, en heb ik ooit aan een van de herders van Israël, die ik had aangesteld om mijn volk te weiden, gevraagd om voor mij een huis van cederhout te bouwen?” 8 Welnu, zeg tegen mijn dienaar, tegen David: “Dit zegt de HEER van de hemelse machten: Ik heb je achter de kudde vandaan gehaald om mijn volk, Israël, te leiden. 9  Ik heb je bijgestaan in alles wat je ondernam, ik heb al je vijanden voor je uitgeschakeld en ik heb je naam gevestigd als een van de groten der aarde. 10  Ik heb aan mijn volk, Israël, een gebied toegewezen. Daar heb ik het geplant en daar kan het nu onbevreesd wonen. Het wordt niet langer door misdadige volken onderdrukt, zoals toen het er pas woonde 11  en ik rechters over mijn volk Israël had aangesteld. Jou heb ik rust gegeven door je van je vijanden te verlossen. De HEER zegt je dat hij voor jou een huis zal bouwen: 12  Wanneer je leven voorbij is en je bij je voorouders te ruste gaat, zal ik je laten opvolgen door je eigen zoon en hem een bestendig koningschap schenken. 13  Hij zal een huis bouwen voor mijn naam, en ik zal ervoor zorgen dat zijn troon nooit wankelt. 14  Ik zal een vader voor hem zijn en hij voor mij een zoon: als hij zondigt, zal ik hem kastijden met stok- en zweepslagen, zoals een vader doet, 15  maar hij zal nooit bij mij uit de gunst raken zoals Saul, die ik verstootte omwille van jou. 16  Jou stel ik in het vooruitzicht dat je koningshuis eeuwig zal voortbestaan en je troon nooit zal wankelen.”’ (NBV)
Het lijkt soms jammer dat de Bijbel in een andere taal, zelfs in een andere taalsoort, geschreven is dan die wij spreken en verstaan. Maar het dwingt ons ook om nauwkeuriger te lezen en bij het vertalen van de oorspronkelijke tekst goed te letten op wat er in de tekst eigenlijk gebeurt. Het verhaal dat we vandaag lezen is daar een goed voorbeeld van. We kennen het misschien, David wil een tempel bouwen voor de God van Israël maar David mag dat niet. tot troost krijgt hij de belofte dat zijn zoon die Tempel mag bouwen. Zo wordt het verhaal van vandaag vaak samengevat. Maar als we de oorspronkelijke tekst lezen en we laten daarbij ook de Tora, de eerste boeken van de Bijbel, meeklinken, dan wordt er een ander verhaal verteld. Het verhaal van David die in zijn huis rust heeft gevonden verlost van al zijn vijanden en nu een huis voor de Naam van God wil bouwen. David wil doen wat in Deuteronomium staat, als het volk intrek in het land van God heeft genomen en rust heeft gevonden verlost van zijn vijanden dan zal er een huis voor de Naam van God gebouwd worden.
Geen wonder dus dat de profeet Natan zegt dat David zijn hart moet volgen omdat de God van Israël bij hem is. Maar als de nacht valt en ook de profeet rust vindt komen de woorden van de God van Israël nog duidelijker tot hem. Niet de Koning moet een huis voor God bouwen, maar God moet een huis voor de Koning bouwen. Het eerste koningshuis was immers ten onder gegaan. Voor ons lijkt het een woordspel, maar het gaat om de inhoud van de Naam van God en de inhoud van de Tempel. Ook voor het volk Israël gekozen werd heeft God nooit in een Tempel gewoond, een psalmist dichtte eens dat de Tempel de voetenbank van God was. De Naam van God was de belofte met het volk te zijn, met de gelovigen mee te gaan en stok en steun te zijn in tijden van beproeving, het volk tegen vijanden te beschermen. Daarom was die God nooit ergens vast te leggen, daarom was er die Tent der ontmoeting waar geen beeld stond maar waar de Ark stond die de richtlijnen voor de menselijke samenleving bevatte. Pas als die richtlijnen gevestigd waren in het land kon je zeggen dat je daar overal de God van Israël tegen kwam. Dat is het verhaal dat Natan aan David ging vertellen.
Ook David moet weten dat terwijl hij overal heeft rondgetrokken, in het veld bij de schapen, aan het hof bij Saul, in de woestijn van Zif waar hij Saul had kunnen doden, in het land van de Filistijnen waar hij een stad had gekregen, steeds de God van Israël bij hem was geweest. De richtlijnen voor de menselijke samenleving in een tent in de hoofdstad, laten ook zien hoe vluchtig de aanwezigheid van die richtlijnen kunnen zijn. Voor je het weet zijn ze vastgelegd in wetten en regels waar mensen zich aan moeten onderwerpen in plaats van door bevrijd te worden. Pas als er een Koningshuis is naar Gods hart dan kan er een centrum ontstaan waar God ontmoet kan worden, waar met de armen, de familie, de levieten, de vreemdelingen maaltijd kan worden gehouden als een offer aan de God van Israël. De belofte dat het huis van David, dat huis naar Gods hart, eeuwig zal bestaan is voor Christenen vervult in Davids Zoon, Jezus van Nazareth die, zoals Paulus het uitdrukte, zijn Tempel bouwde in de harten van de gelovigen en daar de richtlijnen voor de menselijke samenleving in beitelde. Vervult van die richtlijnen, heb je naaste lief als jezelf, vervult van de liefde van God, mogen we elke dag weer op pad gaan om te zorgen voor de minsten in onze samenleving, om voor hen een huis te zijn, ook vandaag weer.

Vol overgave danste hij voor de HEER

2 Samuel 6:12-23
12 Toen koning David hoorde dat de HEER Obed-Edom en zijn familie en bezittingen had gezegend vanwege de aanwezigheid van de ark van God, ging hij naar het huis van Obed-Edom om de ark feestelijk in te halen in de Davidsburcht. 13  Telkens als de dragers van de ark van de HEER zes passen gedaan hadden, offerde hij een stier en een vetgemeste koe. 14  Vol overgave danste hij voor de HEER, slechts gekleed in een linnen priesterhemd. 15  Onder gejuich en stoten op de ramshoorn brachten David en de Israëlieten de ark van de HEER de berg op. 16  Toen de ark de Davidsburcht werd binnengedragen, stond Michal, de dochter van Saul, al op de uitkijk bij haar venster. Ze zag koning David dansen en springen voor de HEER, en haar hart vulde zich met minachting. 17  De ark van de HEER werd neergezet in de tent die David ervoor had opgericht, en David bracht de HEER brandoffers en vredeoffers. 18  Na afloop daarvan zegende hij het volk in de naam van de HEER van de hemelse machten. 19  Aan heel het volk, aan alle aanwezige Israëlieten, zowel de mannen als de vrouwen, liet hij brood, gedroogde dadels en rozijnen uitdelen. Daarna ging iedereen naar huis. 20 Ook David ging naar huis, om zijn familie en bedienden te zegenen. Michal kwam hem tegemoet en zei: ‘De koning van Israël heeft zich vandaag wel bijzonder waardig gedragen! Als de eerste de beste dwaas heeft hij zich voor de ogen van zijn slavinnen en onderdanen ontbloot!’ 21  David antwoordde: ‘Dat deed ik voor de HEER, die mij heeft aangesteld als vorst over het volk van de HEER, over Israël, en mij zo heeft verkozen boven jouw vader en heel zijn familie; voor de HEER danste ik! 22  En al zou ik me nog erger vernederen, al zou ik me zelfs in mijn eigen ogen verlagen, dan nog zou ik in aanzien staan bij de slavinnen over wie je spreekt.’ 23  Michal, de dochter van Saul, zou kinderloos blijven tot op de dag van haar dood. (NBV)
Maar die Ark van het Verbond schonk voorspoed. De richtlijnen voor de menselijke samenleving die in die Ark werden bewaard leiden tot een land dat overvloeit van melk en honing. Na drie maanden, de tijd was vol, haalde David de Ark opnieuw op. Maar nu zoals de Ark was bedoeld, je draagt de richtlijnen voor de menselijke samenleving zelf, je laat zien dat ze vreugde schenken. Niks deftigheid, niks verering van voorwerpen. Religie zoals de Heidenen hebben speelt bij de verering van de God van Israël geen rol.  Wat een grote rol speelt is de bereidheid te delen. Daarom al die offers. Maar na elke 6 passen volgt de zevende. De pas van de Sabbat, de dag die God geheiligd heeft om de mens van alle slavernij te bevrijden. Dat hoort bij de richtlijnen voor de menselijke samenleving net als het delen. Die offers zijn dan ook tekenen aan God dat je bereid bent alles te delen.
Het volgen van de richtlijnen voor de menselijke samenleving is de basis  van de regering van David. Dat blijkt ook als David uiteindelijk thuis komt om te zorgen dat van zijn huis het goede zal uitgaan, om zijn huis te zegenen. De Koningin, Michal, dochter van Saul, verweet David onvoldoende deftigheid te hebben laten zien. En David laat zien begrepen te hebben waar het bij de dienst aan de God van Israël eigenlijk om gaat: om te dienen, om je niet te verheffen boven de minsten maar een hand uit te steken naar de minsten in de samenleving, om te beseffen dat je door de God van Israël bevrijd bent van de slavernij.  Leiderschap begint bij het wassen van de voeten van hen aan wie leiding moet worden gegeven, dat is de boodschap die ook Jezus, zoon van David, heeft gegeven.
Deftigheid leidt tot onvruchtbaarheid, Michal zal dan ook geen kinderen krijgen. Gelukkig dat ook wij tot op de dag van vandaag af mogen zien van al die deftigheid maar onze hand uit mogen steken naar de minsten, ook vandaag weer, met vreugde. Leiderschap als een eigenschap van iemand tegen wie je moet opkijken is een vals en heidens leiderschap. Er wordt tegenwoordig wat af gediscussieerd over Christelijk leiderschap. Maar de termen Christelijk en leiderschap sluiten elkaar eigenlijk uit. Een koning dans met het volk voor de God van Israël. Een echte koning erkent dat niet hij maar God de eigenlijke koning, de eigenlijke leider is. Dat laat je zien in je doen en laten. Dat verkondigen in woord en dat is echt leiderschap. Opdrachten, oordelen en veroordelen horen daar niet bij. Samen mag je aan Gods schepping werken, werken aan een aarde waar niemand zich verheven acht boven de ander.

Tamboerijnen, rinkelbellen en cimbalen.

2 Samuel 6:1-11
1 Weer riep David alle weerbare mannen van Israël bijeen; het waren er dertigduizend. 2  Hij ging met zijn gevolg op weg om de ark van God op te halen uit Baäla in Juda, de ark waaraan een bijzondere naam verbonden is: die van de HEER van de hemelse machten, die op de cherubs troont. 3-4 Ze haalden de ark van God uit het huis van Abinadab, dat op een heuvel ligt, en laadden hem op een nieuwe wagen. Abinadabs zonen Uzza en Achio leidden de wagen; Achio liep voor de ark uit.5  David en de Israëlieten speelden voor de HEER op allerlei muziekinstrumenten van hout en op lieren en harpen, op tamboerijnen, rinkelbellen en cimbalen. 6 Toen ze langs de plek kwamen waar Nachon zijn graan dorste, gingen de ossen daar op af. Uzza stak zijn hand uit en greep de ark van God vast. 7  De HEER ontstak in woede tegen Uzza en strafte hem ter plekke voor zijn onachtzaamheid, zodat hij op slag dood was. 8  David werd kwaad omdat de HEER Uzza had doorkliefd. Hij noemde die plaats Peres-Uzza, en zo heet het daar tot op de dag van vandaag. 9  Toen werd David bang voor de HEER en hij vroeg zich af: Hoe kan de ark van de HEER ooit bij mij in Jeruzalem komen? 10  Hij durfde de ark niet meer terug te leiden op de weg naar de Davidsburcht, en liet de wagen afslaan naar het huis van Obed-Edom, een Gatiet. 11  De ark van de HEER bleef drie maanden in het huis van Obed-Edom, en de HEER zegende Obed-Edom en zijn hele huishouden. (NBV)
§ De machtigen en de rijken willen altijd wat hebben om te laten zien. Mooie villa’s, schitterende gewaden, in onze tijd mooie auto’s en fraaie jachten. Dat was ook al zo in de dagen van David. Hij had een mooie hoofdstad, Jeruzalem met daarin een prachtig nieuw paleis, de Davidsburcht. Dat fraaie paleis dat hij ook gekregen had van naburige koningen. Hij had een harem met vruchtbare vrouwen. En als Koningin een dochter van de vorige Koning van Israël, Saul. Maar er ontbrak nog wat. David had het altijd gehad over de God van Israël. Hij had een profeet van die God in zijn gevolg en een priester die hem ook hielp antwoorden van die God te vinden op de vragen die David had voor de oorlogen die hij voerde.
§ Van die God was echter niets te zien in de mooie hoofdstad. Het werd dus tijd om daar wat aan te doen. Maar wat en hoe? Toen herinnerde men zich de Ark van het Verbond. Een geheimzinnige kist die ooit in een tent had gestaan, een tent die ook als Heiligdom had gediend. Een tent die ze apart hadden moeten bouwen in de Woestijn om een heiligdom te worden voor het hele volk. David zette dus bij zijn paleis ook een tent op en besloot de Ark op te halen. Daarmee kon hij een begin maken met de centralisatie van de godsdienst. Elke stam had eigen heiligdommen voor de God van Israël maar met de Ark zou daarvan alleen het heiligdom in Jeruzalem overblijven. Die Ark had ooit dienst gedaan in de oorlog tegen de Filistijnen. Die hadden de Ark veroverd maar er alleen maar ellende van ondervonden.   Op een kar met twee stieren er voor hadden ze de Ark uiteindelijk teruggestuurd naar Israël.
§ En ook in Israël bleek dat je de Ark niet zomaar kon vereren en zo was de Ark bij Abinadab in een schuur terecht gekomen. De schuur werd het heiligdom. David nam het hele leger van Israël mee om de Ark op te halen. Muziekkorpsen voorop en de Ark op een kar zoals de Filistijnen hadden gedaan. Maar de Ark was geen godenbeeld en toen de Ark langs een dorsvloer kwam ging het mis. Een dorsvloer was een heiligdom van de vruchtbaarheidsgoden van Kanaän. Later zou de Tempel van Salomo ook op een dorsvloer worden gebouwd. De Ark verzette zich tegen die religiositeit en dreigde van de kar te vallen. Dat kostte de redder van de Ark het leven, de arme man die de Ark voor vallen behoedde. Mensen kunnen de God van Israël niet redden. En zo belandde de Ark weer in een schuur. Wij willen nog wel eens beweren te weten wat God wel of niet zou willen maar buiten de Liefde weten we niks.

Ga op hen af!

2 Samuel 5:17-25
17 Toen de Filistijnen hoorden dat David tot koning van Israël was gezalfd, rukten ze met al hun troepen uit omdat ze hem wilden overmeesteren. Zodra David dit vernam, verschanste hij zich in de bergvesting. 18  De hele vallei van Refaïm stond al vol Filistijnen. 19  David wendde zich tot de HEER en vroeg: ‘Zal ik de Filistijnen aanvallen? Zult u ze aan mij uitleveren?’ De HEER antwoordde: ‘Ga op hen af! Ik verzeker je dat ik de Filistijnen aan je zal uitleveren.’ 20  David ging naar Baäl-Perasim. Daar versloeg hij hen, en sprak de woorden: ‘De HEER is voor mij door de vijandelijke linies gebroken zoals plotseling opkomend water zich een baan breekt.’ Daarom wordt die plaats Baäl-Perasim genoemd. 21  De godenbeelden die door de Filistijnen waren achtergelaten, werden door David en zijn soldaten meegenomen. 22  De Filistijnen waagden nog een tweede aanval. Opnieuw stond de hele vallei van Refaïm vol. 23  Opnieuw wendde David zich tot de HEER, en deze zei: ‘Ga niet recht op hen af. Maak een omtrekkende beweging tot bij de moerbeibomen en val hen in de rug aan. 24  Zodra je in de boomkruinen het geluid van een aanstormend leger hoort, moet je toeslaan, want dan gaat de HEER voor je uit om het leger van de Filistijnen te verslaan.’ 25  David deed wat de HEER hem had bevolen en sloeg de Filistijnen terug van Geba tot Gezer. (NBV)
David is nu dus niet alleen koning van Juda maar koning van heel Israël, alle stammen samen onder één koning. Een geduchte vijand. Dat kunnen de Filistijnen niet op zich laten zitten . Als dan de Filistijnen dus massaal tegen de nieuwe vorst optrekken went hij zich eerst tot de God van Israël om hulp en raad. Zijn bergvesting Jeruzalem stond bekend als onneembaar, David had het door een list weten te veroveren. Maar ja, als David met zijn legers de Filistijnen overspoelt in het dal waar zijn hun leger hadden gelegerd dan is de winst verzekerd. Het vertrouwen in de God van Israël geeft kracht. Maar de Filistijnen geven niet op, tot aan het eind van zijn leven blijft David last hebben van de Filistijnen.
Ook daarom werd eerst Jeruzalem veroverd, zo heeft de herder van Israël een uitkijkpost op de hoogste berg om de gevaren voor Israël waar te nemen. De Filistijnen staan in de vallei, David komt van de bergen het bedreigde volk te hulp. Als hij bij de tweede keer een omtrekkende beweging maakt en gebruik maakt van een valwind die de bomen doet klinken als een aanstormend leger, dan wint Israël opnieuw. We moeten dus uitkijkplaatsen hebben waar we de gevaren voor de minsten en de zwaksten in de samenleving kunnen overzien.
In veel kerken worden in deze dagen niet alleen bondgenootschappen gesmeed met de voedselbanken maar worden ook spreekuren ingericht voor de armen zodat hun hulpgeroep gehoord kan worden en versterkt kan worden door de Kerken, zodat de kerken de armen in onze samenleving te hulp kunnen komen. Jezus van Nazareth heeft ons niet voor niets geleerd dat een hekel aan armen, een hekel aan kreupelen en blinden, het best kan worden bestreden door bevrijding van de armen en genezing van kreupelen en blinden. Elke dag opnieuw mogen we daarvoor strijden zoals David deed, ook vandaag mag dat weer.