Moge je bron gezegend zijn

Spreuken 5:15-23
15 Drink water uit je eigen bekken, ga naar de stromen van je eigen bron. 16  Je wilt toch niet dat ze de vrije loop krijgen en de pleinen overstromen? 17  Ze zijn van jou, van jou alleen, laat niemand anders ervan drinken. 18  Moge je bron gezegend zijn, moge de geliefde van je jeugd je vreugde geven. 19  Ze is zo lieflijk als een hinde, bekoorlijk als een ree. Ze laat je altijd van haar borsten drinken, je kunt eindeloos verzinken in haar liefde. 20  Waarom, mijn zoon, zou je dan dwalen bij een lichtzinnige vrouw, je vlijen aan de borsten van zo’n afgedwaalde? 21  De HEER ziet alle wegen die een mens bewandelt, al zijn stappen slaat hij gade. 22  Wie kwaad doet, zet voor zichzelf een val, hij raakt verstrikt in de koorden van zijn zonde. 23  Omdat hij weigerde te luisteren naar een wijze les, verdwaalt hij in zijn eigen dwaasheid en wacht hem de dood. (NBV)
De bron waaruit je leeft is dus niet een verzameling dorre regeltjes die je uit je hoofd moet leren en die uitmaken welke kant je opgaat. De bron van waaruit je leeft is een heldere stroom water die je verkwikt in de hitte van alledag en je energie geeft. Wie tijdens de hete dagen van de afgelopen zomer een lange wandeling gemaakt heeft weet precies wat er wordt bedoeld. Je bent blij als je af en toe een slok fris water kan nemen, dan kun je er weer even tegenaan en krijg je als het ware weer nieuwe energie. Je ziet het ook bij lange afstandslopen als de vierdaagse van Nijmegen of de marathon van Rotterdam, langs de kant staan mensen met bekertjes fris en vers water om de wandelaars en hardlopers te verfrissen en nieuwe energie te geven. Die bron is jouw bron, zo leef je volgens de Thora, maar zo hoeven anderen niet te leven volgens de Thora. Volgens de Rabbijnen is elke tekst op 70 manieren uit te leggen en elke manier is de ware. Je kunt je eigen geloof, je eigen manier van leven dus niet aan anderen opleggen, maar anderen kunnen hun manier van leven ook niet aan jou opleggen.
Dat idee dat je mensen voor de keus zet of te geloven zoals jij doet of gedood te worden is dus ook zeer on-Bijbels. Keizer Karel de Grote heeft zo geprobeerd de Germanen te bekeren, en van de buitenkant gezien had hij daarmee ook wel succes maar hij was zeer on-Bijbels bezig. In de Islam is IS op precies dezelfde manier bezig en ook binnen de leer van de Islam wordt elke dwang tot geloof in de Profeet afgewezen, net als elke dwang om het geloof in de Islam op te geven trouwens en dat laatste heeft door de eeuwen heen, sinds de kruistochten, al heel wat bloed doen vloeien. Juist die dwang tot geloven brengt je gemakkelijk tot het volgen van valse goden, het aanbidden van afgoden. In onze dagen is het mode om het geloof in de God van Israël, het leven uit de Thora, tot achterlijk te verklaren. Er is geen God en je kunt maar het beste leven volgens je eigen verstand dat je aanwijst waar jouw voordeel in het leven ligt. Materieel gewin en maatschappelijk aanzien zijn de beloningen die de aanbidding van het verstand je brengen. Tot je beseft dat je slaaf bent geworden van productie en consumptie. Dat dode artikelen nooit het geluk kunnen brengen dat levende mensen met zich meedragen.
In het gedeelte dat we vandaag lezen wordt dat het verstrikt raken in de koorden van je zonde genoemd. Je komt er inderdaad niet zo gemakkelijk meer van af. Je moet gaan inzien dat alleen vertrouwen op je eigen verstand je tot slaaf maakt van materieel gewin en maatschappelijk aanzien maar je vervreemd van de liefde voor de mensen. Die mensen lijken er voortaan alleen maar op uit om te profiteren van jouw materieel gewin zonder jou het aanzien te geven dat je volgens je verstand zou verdienen. Je verdwaalt in je eigen dwaasheid en blijft met dode dingen in een lege dode wereld achter. Er is overigens niks tegen het gebruik van je verstand. In de Bijbel wordt je opgeroepen om God te dienen met heel je hart en met heel je verstand. Denk nooit dat Christenen of dat de Bijbel het beoefenen van wetenschap of de resultaten van de moderne wetenschap verwerpen, integendeel. De resultaten van de moderne wetenschap worden omarmt en verwelkomt als geschenken van de God van Israël. Zij die theorieën als die over het ontstaan van de aarde of de evolutie verwerpen blijven zelf steken in Heidens bijgeloof en het vergoddelijken van teksten die niet geschreven zijn met het oog op wetenschap maar met het oog op God. Niet de wetenschap is slecht maar de manier waarop mensen sommige wetenschap gebruiken, ten eigen voordeel, om macht uit te oefenen over anderen, om geweld en onderdrukking te brengen aan armen. Daar springt de Thora in, die gaat het om de Liefde voor en tussen mensen. En over liefde gaat geen wetenschap echt.

Luister naar mijn wijsheid

Spreuken 5:1-14
1 Mijn zoon, luister naar mijn wijsheid, schenk mijn inzicht een aandachtig oor, 2-3 opdat bezonnenheid je blijft behoeden, kennis over je waakt bij wat je zegt tegen een lichtzinnige vrouw. Van haar lippen komen gladde praatjes, haar mond spreekt honingzoete woorden, 4  maar uiteindelijk zijn ze als gif zo bitter, zo scherp als een tweesnijdend zwaard. 5  Haar pad voert naar het graf, haar voeten dalen af in het dodenrijk. 6  Ze wil dat je de weg die naar het leven leidt niet inslaat, haar valse sporen volg je zonder dat je het beseft. 7  Daarom, mijn zonen, luister naar mij, wijk nooit af van wat ik zeg. 8  Blijf bij zo’n vrouw vandaan, houd afstand van haar woning. 9  Want je zult bij anderen je eer verkwanselen, je verspeelt je leven aan die wrede vrouw. 10  Van wat jij zo moeizaam hebt verworven, genieten vreemde mannen in de woning van die afgedwaalde. 11  En uiteindelijk, wanneer er niets meer van je over is, schreeuw je het uit: 12  ‘Waarom heb ik wat mij is geleerd verworpen? Elke waarschuwing heb ik veracht.13  Waarom heb ik niet geluisterd naar mijn leraren? Ik sloot mijn oren voor hun raad.14  Nu ben ik bijna te gronde gegaan, voor ieders blik, voor het oog van alle mensen.’ (NBV)
Wat vroeger heel gewoon was is voor ons tegenwoordig ongewoon. Wat elders op de wereld als vanzelf spreekt is voor ons onbegrijpelijk. We moeten dus uitkijken onze gewoonten en opvattingen te plakken op verhalen die niet uit onze tijd en onze eigen omgeving komen. Dat geldt zeker voor zaken betreffende seksualiteit. De omgang tussen twee mensen die lichamelijk van elkaar genieten. De Bijbel spreekt zich niet uit tegen prostitutie om maar iets vast te stellen wat we tegenwoordig niet meer verwachten. De Bijbel geeft aan dat je vreemdelingen moet behandelen als behorend tot je eigen volk. Wat is dan de waarschuwing tegen de omgang met een vreemde vrouw waard. Een vrouw die je verleid maar die de verleiding kennelijk waard is. Wat kan dan het gif zijn als prostitutie niet veroordeeld wordt. In onze dagen staat prostitutie in een verdacht licht omdat de meeste prostituees tot de prostitutie gedwongen zijn, nu nog of eerder in hun leven. En seksueel contact onder dwang is in onze wet zelfs een misdrijf.
In de Bijbel is er één soort prostitutie die scherp veroordeeld wordt. Dat is de Tempel prostitutie, seksueel contact tussen twee mensen om goden tevreden te stellen, vruchtbaarheid in de landbouw af te dwingen, een goede oogst te behalen, of zelfs vruchtbaarheid tussen mensen die van elkaar houden maar bij wie er geen kinderen komen. De ergste vorm van Tempelprostitutie is die waarbij je gedwongen wordt tot vormen van seksueel contact die je buiten de Tempel in het geheel niet aantrekkelijk vind. Homoseksueel contact als je hetero bent, of heteroseksueel contact als je homo bent. Het is gruwelijk want volgens de Bijbel hoort het seksueel contact bij een liefdesrelatie, twee mensen versmelten tot één en dat is een kostbare ervaring. Over seksueel contact tussen geliefden wordt in de Bijbel dan ook nauwelijks gesproken, alleen in het boek Hooglied schemert door dat de twee geliefden zich laten voeren tot de hoogste toppen van menselijk welbevinden. In het gedeelte dat we vandaag lezen wordt allereerst gewaarschuwd tegen onbezonnenheid.
De leer van de God van Israël die wijsheid geeft als je die leer ter harte neemt leert je dat er geen verschil is tussen man en vrouw. God schiep de mens als man en vrouw, gelijk, beide mens. De ander is dus geen object, geen voorwerp dat je kunt gebruiken om je eigen lustgevoelens te bevredigen, een stukje speelgoed. En als het gaat om Tempelprostitutie loop je niet alleen je eigen geslachtsorgaan achterna maar je loopt ook een vreemde God achterna. En daarmee is het vreemde aan de vreemde vrouw verklaard. Dat is geen vreemdelinge maar de dienares van een vreemde God. Als je een vreemde God achterna loopt dan laat je de God van Israël in de steek. Dan heeft al dat leren van de leer van Mozes geen enkele zin. Dan gaat het je niet meer om het goede te doen en niet dan het goede, dan leef je alleen nog voor je zelf. Wie voor zichzelf leeft zal ook ervaren dat die alleen leeft, al het andere is dood, is klatergoud en koud als steen. Iedereen zal zien hoe ver je van je mens zijn bent afgedwaald. Het mooie is natuurlijk dat als het je overkomen is en als je tot inzicht gekomen bent hoe verkeerd het is, je met de God van Israël altijd weer opnieuw mag beginnen. Gewoon delen met de minsten, en de ander als gelijk aan jou beschouwen, elke dag opnieuw.

Ik ben een vreemdeling

Exodus 2:11-22
11  Toen Mozes volwassen geworden was, zocht hij op een dag de mensen van zijn volk op. Hij zag welke zware dwangarbeid ze verrichtten en was er getuige van dat een Hebreeër, een volksgenoot van hem, door een Egyptenaar werd geslagen. 12 Hij keek om zich heen, en toen hij zag dat er niemand in de buurt was sloeg hij de Egyptenaar dood; hij verborg hem onder het zand. 13 De dag daarop zag hij hoe twee Hebreeuwse mannen met elkaar op de vuist gingen. ‘Waarom sla je iemand van je eigen volk?’ vroeg hij aan de man die begonnen was. 14 Maar die antwoordde: ‘Wie heeft jou als leider en rechter over ons aangesteld? Wou je mij soms ook doodslaan, net als die Egyptenaar?’ Mozes schrok, hij dacht: Dan is het dus toch bekend geworden! 15 Toen de farao ervan hoorde, wilde hij Mozes laten doden. Daarom vluchtte Mozes voor de farao. Zo kwam hij in Midjan terecht, en daar ging hij bij een put zitten. 16  De priester van Midjan had zeven dochters. Zij kwamen daar water putten en vulden de drinkbakken om de schapen en geiten van hun vader te drinken te geven. 17 Maar er kwamen ook herders, die hen wilden wegjagen. Daarop schoot Mozes hun te hulp en gaf het vee te drinken. 18 Toen ze thuiskwamen, vroeg hun vader, Reüel, hoe het kwam dat ze die dag zo snel terug waren. 19 ‘Er was een Egyptenaar die ons te hulp kwam tegen de herders, ‘antwoordden ze, ‘en hij heeft ook water voor ons geput en de dieren te drinken gegeven.’ 20 ‘En waar is hij nu?’ vroeg hun vader. ‘Waarom hebben jullie die man daar achtergelaten? Nodig hem uit om te komen eten.’ 21 Mozes liet zich overhalen om bij die man te blijven, en deze gaf hem zijn dochter Sippora tot vrouw. 22  Zij bracht een zoon ter wereld, en Mozes noemde hem Gersom, ‘want, ‘zei hij, ‘ik ben een vreemdeling geworden, ik woon in een land dat ik niet ken.’ (NBV)
Wat zou er worden van die zoon van de God zonder naam, dat betekent de naam “Mozes” immers? Hij groeide op aan het Hof van de Farao van Egypte. Het Hof waar de dood heerste, waar levens niet telden maar waar de angst regeerde. De angst voor het vreemde, voor mensen met een ander geloof, zo’n geloof kan immers best radicaal zijn, kan best tot doel hebben dat alle andere geloven moeten worden onderworpen aan dat ene ware geloof? Mozes groeide op tot een voorbeeldig Egyptenaar. Zijn antwoord op onrecht was het doodslaan van de onrechtvaardige. Zijn poging vrede te stichten opende zijn ogen voor wat de gevolgen kunnen zijn van het gebruik van geweld. Maar het antwoord van Mozes was de vlucht, de angst die ook aan het Hof heerste. Mozes moest nog veel leren. Maar Mozes droeg al één eigenschap met zich mee, hij kwam op voor de zwakkere, hij verzette zich tegen geweld, al gebruikte hij het wel. Hij kwam dan ook niet zomaar bij een waterput. Die waterput staat al eerder in Bijbelse verhalen die gaan over de tijd van voor Mozes.
Bij die waterput trof de dienstknecht van Abraham Rebekka aan, die later met Izaäk zou trouwen. Bij diezelfde waterput ontmoette Jakob zijn lieveling Rachel. Mozes trof er zeven zusters, dochters van een priester van Midian, zeven het getal van de volheid. De vrouwen werden verjaagd door herders uit diezelfde landstreek. Wie de macht over het water heeft in een woestijn heeft ook de macht over mensen. Weer grijpt Mozes in ten gunste van de zwakken in het conflict. Hij bevrijdde de vrouwen, in de Nieuwe Bijbelvertaling is dat element van bevrijding verdwenen, de Statenvertaling had het zelfs over verlossen, maar ook de Naardense Bijbel spreekt over bevrijding van de macht van de herders. Dat scheelt natuurlijk een hoop tijd voor de vrouwen, als je altijd achteraan komt dan gaat er ook veel tijd in je leven verloren. Mozes blijft bij hen wonen, trouwt en krijgt een zoon. Dan blijkt dat hij geleerd heeft wat het is om vreemdeling te zijn in een vreemd land. Voor Abraham, Izaäk en Jakob waren er nog nauwe banden geweest met het land waar Mozes heen vluchtte, Mozes werd aangesproken als Egyptenaar.
Geweld en angst zijn dus geen oplossingen voor de verhouding tussen mensen, zelfs niet tussen mensen van verschillende afkomst of mensen van verschillend geloof. Wat voor priester die schoonvader van Mozes is weten we niet, later zal hij zich bij het volk Israël aansluiten. Mozes blijft zijn hele leven een vreemdeling, zwervend door de woestijn, zelfs het land waarheen hij zijn volk zou brengen zal hij niet binnengaan. Wie wil leven als Mozes moet dus allereerst leren dat je een vreemdeling bent. Maar als je zelf een vreemdeling bent hoef je geen geweld te gebruiken tegen andere vreemdelingen, hoef je je niet af te zetten tegen een andere godsdienst van die andere vreemdelingen. Als je zelf vreemdeling bent kijk je wel uit geweld te gebruiken. Als je vreemdeling bent dan zoek je mensen, mensen op die je onvoorwaardelijk kunt vertrouwen en die onvoorwaardelijk op jou kunnen bouwen. Zorg voor zwakken en verdrukten is daarbij het eerste waar je je op richt, die zullen weten hoe belangrijk het is om van je naaste te houden als van jezelf. Vandaag kunnen we al verder gaan als vreemdelingen, zelfs in ons eigen land.

Ik heb hem uit het water gehaald.

Exodus 2:1-10
1 Een man uit de stam Levi trouwde met een vrouw uit diezelfde stam.  2  Zij werd zwanger en bracht een zoon ter wereld. Het was een mooi kind en ze hield het verborgen, drie maanden lang. 3 Toen ze geen kans zag haar zoon nog langer verborgen te houden, nam ze een mand van papyrus, bestreek die met pek en teer, legde het kind erin en zette de mand tussen het riet langs de oever van de Nijl. 4 De zuster van het kind ging een eind verderop staan, om te zien wat er met hem zou gebeuren. 5  Even later kwam de dochter van de farao naar de Nijl om te baden, terwijl haar dienaressen langs de rivier heen en weer liepen. Zij ontdekte de mand tussen het riet en liet die door een van haar slavinnen halen. 6 Ze maakte de mand open en zag daarin het kind. Het jongetje huilde, en vol medelijden zei ze: ‘Dat moet een Hebreeuws kind zijn.’ 7 Toen kwam de zuster van het kind haar vragen: ‘Zal ik bij de Hebreeuwse vrouwen een voedster gaan zoeken om het kind voor u te voeden?’ 8 ‘Ja, doe dat maar, ‘antwoordde de dochter van de farao, waarop het meisje de moeder van het kind ging halen. 9  De dochter van de farao zei tegen de vrouw: ‘Neem dit kind mee en voed het voor me. Ik zal u ervoor betalen.’ De vrouw nam het kind mee en voedde het. 10 Toen het groot genoeg was, bracht ze het naar de dochter van de farao. Deze nam het kind aan als haar eigen zoon. Ze noemde hem Mozes, ‘want, ‘zei ze, ‘ik heb hem uit het water gehaald.’ (NBV)
Die Mozes in dat biezen mandje is altijd nog een mooi en ontroerend verhaal. Kinderlijk verteld is het het verhaal over de ontsnapping die zwakke mensen soms kunnen vinden uit benarde omstandigheden en een boze buitenwereld. Maar dan is het verhaal pas verteld aan kinderen. Dat is niet zo erg, maar als je het verhaal blijft lezen alsof je een kind was dan mis je toch het een en ander aan boodschap. Want het zou je toch op moeten vallen dat bijna al die mensen genoemd worden zonder naam. Een man, die trouwde met een vrouw, die een kind kreeg dat een jongetje was, die mooi was en drie maanden verborgen werd gehouden en toen in een biezen mandje aan de Nijl werd toevertrouwd, een Prinses die het kind vond, toevertrouwde aan de zuster van het kind die de moeder als voedster inschakelde en toen, toen het kind groot was, kwam het weer bij de Prinses en kreeg het een naam : Mozes.
In het Egyptische net zoiets als Ramses, zoon van Ra, maar hier Zoon van”¦ genoemd, want ja, zoon van wie? In het Hebreeuws is het “hij die optilt”, want het was immers Mozes die veel later het hele volk zou optillen uit zijn benarde positie als slaven in een vreemd land. En waarom krijgt Mozes die naam? Omdat hij uit het water is getrokken staat er letterlijk. Hoe zat dat ook al weer met dat water? Zweefde de Geest van God niet over de wateren toen de schepping begon? Toen aarde werd geschapen in mensenland? En is de Geest van God niet het goede dat we tegen kunnen komen. Het goede dat zich meester heeft gemaakt van een Egyptische Prinses die hier de verlosser van Israël uit het water van de dood trekt? Het boek Exodus wordt in het Hebreeuws het boek van de namen genoemd. En namen spelen in het boek een grote rol. Ze spelen een nog grotere rol als ze afwezig zijn kennelijk. Al die mensen die hier in het verhaal betrokken zijn zijn uitwisselbaar. De moeder zoogt, de prinses voedt op, de zuster verbind, de vader trouwt en het kind is overgeleverd aan de goedheid van mensen.
Pas als het goede ook echt gebeurd is, als de Prinses het kind als zoon erkent krijgt die zoon een naam, Mozes. Over het algemeen zijn onze namen gekozen niet op hun betekenis maar op hun klank, of er wordt iemand mee geëerd of herdacht. Je kunt misschien zeggen dat onze namen gekozen worden op basis van liefde, dit vonden wij mooi, of waardevol en daarom noemen wij dit ons kind op deze manier. In onze dagen krijgt zo’n naam dus pas haar werkelijke betekenis als we die liefde weten te delen met de hele wereld, als we dus onszelf weten te delen met de hele wereld. Dat is wat deze naamloze Egyptische Prinses doet, wat haar opvoeding tot gevolg heeft komen we nog te weten. Maar tot dat delen van liefde zijn wij geroepen. Door dat delen kunnen we anderen bevrijden van slavernij, van de afhankelijkheid van prestatiedrang, van geboden opgelegd door een cultuur, van de dwang om meer en altijd meer te presteren en te consumeren. Die bevrijding is de Weg van de God van Israël, een weg die we mogen gaan, door het water van de dood heen, naar het land waar alle mensen mogen en kunnen wonen. Ook vandaag kunnen we daarheen op weg gaan.

De meisjes mochten in leven blijven

Exodus 1:15-22
15 Bovendien gelastte de koning de Hebreeuwse vroedvrouwen, Sifra en Pua geheten, het volgende: 16 ‘Als u de Hebreeuwse vrouwen bij de bevalling helpt, let dan goed op het geslacht van het kind. Als het een jongen is, moet u hem doden; is het een meisje, dan mag ze blijven leven.’ 17 Maar de vroedvrouwen hadden ontzag voor God en deden niet wat de koning van Egypte hun had opgedragen: ze lieten de jongetjes in leven. 18  Daarom ontbood de koning de vroedvrouwen. ‘Wat heeft dit te betekenen?’ vroeg hij hun. ‘Waarom laat u de jongens in leven?’ 19  De vroedvrouwen antwoordden de farao: ‘De Hebreeuwse vrouwen zijn anders dan de Egyptische: ze zijn zo sterk dat ze hun kind al gebaard hebben voordat de vroedvrouw er is.’ 20  God zegende het werk van de vroedvrouwen, zodat het volk zich sterk uitbreidde. 21  En omdat de vroedvrouwen ontzag voor God hadden, schonk hij ook aan hen nakomelingen. 22  Toen gaf de farao aan heel zijn volk het bevel om alle Hebreeuwse jongens die geboren werden in de Nijl te gooien; de meisjes mochten in leven blijven. (NBV)
De angst van de Farao voor dat rare volk in de Nijldelta had grote gevolgen. We weten niet welke Farao het precies was, zijn naam komt in het verhaal niet voor. Dat is opmerkelijk omdat het verhaal nu eenmaal over namen gaat. Om de groei van de Hebreeuwse bevolking te temperen moesten de jongetjes bij hun geboorte worden gedood. Daar moesten de vroedvrouwen voor zorgen en de namen van de vroedvrouwen kennen we wel, Sifra en Pua. Hun houding zorgde voor het voortbestaan van Israël en hun namen staan dan ook aan het begin van het verhaal van de uittocht, zoals vaak namen van vrouwen aan het begin van bevrijdingsverhalen in de Bijbel staan. Wie Sifra en Pua precies waren weten we niet. De Hebreeuwse tekst van het verhaal laat in het midden of ze zelf Hebreeuws waren of dat het Egyptische vroedvrouwen waren die aangesteld waren voor de Hebreeën.
Moderne vertalingen als de Nieuwe Bijbelvertaling en de Naardense Bijbel geven ze een Hebreeuwse identiteit, de vertaling uit 1951 van het Nederlands Bijbelgenootschap en de Statenvertaling zeggen alleen dat ze de vroedvrouwen voor Hebreeuwse vrouwen waren. En eigenlijk is het natuurlijk heel aardig dat in het midden gelaten wordt waar die vrouwen bij hoorden. Die vrouwen hoorden niet ergens bij op grond van hun afkomst, maar op grond van hun opvattingen hoorden ze ergens bij. Zij kozen voor het leven en tegen de dood. Op grond van die keuze zegt het verhaal hoorden ze bij God. Welke God? De God van Abraham, Izaäk en Jakob. Nog naamloos eigenlijk, nog in meervoud genoemd. Het Goddelijke zou ook een vertaling kunnen zijn. Want God krijgt pas een naam in de loop van het verhaal over de uittocht. Aan Mozes immers openbaart God de naam “Ik zal er zijn”, een naam zo ontzagwekkend dat die naam in het Hebreeuws niet wordt uitgesproken en in de Nieuwe Bijbelvertaling is vertaald met Heer. De keus voor het leven gemaakt door de beide vroedvrouwen wordt in het verhaal over de uittocht al een keus voor die God genoemd, dat is goddelijk als je zo kunt kiezen.
Dat is ook vruchtbaar staat er want ze kregen zelf ook veel nakomelingen. Die keuze helpt in de samenleving overigens niet automatisch. Al die verhalen dat als je kiest voor God het geluk vanzelf voorbij komt blijken ook in dit verhaal grote onzin. Natuurlijk moet je kiezen voor het goede als het kan. Maar je kunt bij de keuze voor het goede ook jezelf in gevaar brengen. Ook in dit verhaal gebeurd dat. Het wordt de beide vroedvrouwen niet in dank afgenomen dat ze weigeren om de jongetjes te doden. Ze moeten een smoes verzinnen die de schuld bij de Hebreeuwse moeders legt en hen vrijpleit. De smoes sluit aan bij de angst van de Farao, de Hebreeuwse vrouwen zijn sterker dan de Egyptische vrouwen. Die vreemde vrouwen kunnen al baren voordat de vroedvrouw er is. De keuze van Sifra en Pua heeft tot gevolg dat de jongetjes voortaan in de Nijl moeten worden gegooid. De rivier die Egypte leven brengt en Israël de dood. Later in dit verhaal zal de rivier dan ook rood van bloed kleuren. Maar zover zijn we nog niet. Vandaag mogen we leren dat de keuze voor het goede je naam doet voortbestaan. Dat je bij de keuze voor het goede je niet hoeft te laten leiden door de gevolgen, dat je zelfs mag liegen om jezelf veilig te stellen. Maar het gaat om de keuze voor het leven, tegen de dood, dat is de keuze voor die God die met je mee zal gaan.

Dit zijn de namen

Exodus 1:1-14
1 Dit zijn de namen van de zonen van Israël die samen met hem, Jakob, naar Egypte waren gekomen, ieder met zijn gezin: 2 Ruben, Simeon, Levi, Juda, 3 Issachar, Zebulon, Benjamin, 4  Dan, Naftali, Gad en Aser. 5  Jozef was al langer in Egypte. In totaal waren daar toen zeventig personen die rechtstreeks van Jakob afstamden. 6 Jozef en zijn broers en al hun generatiegenoten stierven, 7  maar hun nakomelingen kregen veel kinderen en zo breidden de Israëlieten zich steeds meer uit. Ze werden zo talrijk dat ze het hele land bevolkten. 8  Er kwam in Egypte een nieuwe koning aan de macht, die Jozef niet gekend had. 9  Hij zei tegen zijn volk: ‘De Israëlieten zijn te sterk voor ons en te talrijk. 10  Laten we verstandig handelen en voorkomen dat dit volk nog groter wordt. Want stel dat er oorlog uitbreekt en zij zich aansluiten bij onze vijanden, de strijd tegen ons aanbinden en uit het land wegtrekken!’ 11  Er werden slavendrijvers aangesteld die de Israëlieten tot zware arbeid dwongen. Ze moesten voor de farao de voorraadsteden Pitom en Ramses bouwen. 12  Maar hoe meer de Israëlieten onderdrukt werden, des te talrijker werden ze. Ze breidden zich zo sterk uit dat de Egyptenaren een afkeer van hen kregen. 13 14 Daarom beulden ze hen af en maakten ze hun het leven ondraaglijk met zwaar werk: ze moesten stenen maken van klei en op het land werken, en ze werden voortdurend mishandeld.(NBV)
Rond de jaarlijkse herdenking van de Holocaust worden alle namen voorgelezen van de Nederlanders, Joden, Roma, Sinti en anderen die in het concentratiekamp Auswitz waren omgebracht. Een oud Joods spreekwoord zegt dat je twee keer dood kan gaan. De eerste keer fysiek en de tweede keer als niemand zich meer je naam herinnert. Ook het boek Exodus, waar we vandaag in beginnen te lezen begint met het opnoemen van de namen van hen die met Jakob naar Egypte waren gekomen. Uiteindelijk begon het leven in Egypte voor de afstammelingen van Jakob met zeventig personen. In het Hebreeuws heet dit boek gewoon “de Namen”, in de Griekse vertaling werd het Exodus: de Uittocht. Het boek beschrijft namelijk hoe het volk Israël uittrok uit Egypte en ontkwam aan de slavernij. In dit eerste gedeelte dat we vandaag lezen staat beschreven hoe het in die slavernij terecht was gekomen. Dat was namelijk niet zomaar gegaan.
Het was Jozef die het volk had gered van de hongerdood. Zijn plan om in jaren van rijke oogst graan te sparen en dat te gebruiken in jaren van schrale oogst had er voor gezorgd dat iedereen altijd te eten had gehad. Als beloning voor deze redding mocht ook zijn eigen familie er in meedelen en zo waren zijn vader Jakob, zijn broers en iedereen die bij de familie hoorde naar Egypte verhuisd en daar gaan wonen. Maar het geheugen van een volk is kort. De jaren gaan voorbij en het overleven wordt een gewoonte. Ergens woont nog een volk dat er niet bij hoort en er toch altijd is geweest. Dat men dat volk zelf heeft uitgenodigd en veel aan dat volk te danken heeft is vergeten. Er is nog niks veranderd. Wie heeft nog weet van de Nederlandse arbeidsbureaus in Turkije en Marokko? Daar werden arbeiders geworven voor onze industrie. Toen na de wederopbouw onze industrie tot grote bloei kwam konden we die arbeiders zeer goed gebruiken. Ze kregen huizen en werk, taalles was niet nodig, ze moesten werken. Ze vestigden zich hier, lieten hun vrouwen en kinderen komen, stuurden hun kinderen hier naar school en werden Nederlanders met de Nederlanders.
Maar ze groeiden net als het volk Israël ook in aantal, overal kom je ze tegen, zoals de Egyptenaren overal de nakomelingen van Jakob tegen kwamen. En dan komt er een tijd dat er een nieuwe koning komt die van de geschiedenis geen weet heeft, die de namen is vergeten en die bang wordt voor dat vreemde volk. Die niet alleen zelf bang wordt maar die angst ook weet over te brengen op zijn volk dat zich meer en meer bewust wordt van het verschil met de vreemdelingen en vergeet wat hun verdiensten waren en zouden kunnen zijn. Zo ging het in Egypte, zo gaat het bij ons. In Egypte werden ze tot slaven gemaakt en moesten ze voorraadsteden bouwen voor de farao. Liet Jozef nog voorraden aanleggen voor het hele volk, de tekst suggereert hier dat die nieuwe Farao de steden liet aanleggen voor zichzelf. Maar in de ogen van de Egyptenaren werden ze talrijker. Hoe meer je er op let, hoe banger je er voor wordt, hoe meer er lijken te zijn. Er was voor de Egyptenaren geen reden voor die angst, die is er voor ons ook niet. In Egypte was dwangarbeid en mishandeling het antwoord, bij ons blijft het nog bij uitsluiting en apart zetten. Maar wij zouden gewaarschuwd moeten zijn voor de afloop, het loopt uit op dood en vernietiging, waar je bang voor bent roep je over je af. Dat was toen zo, dat kan vandaag zomaar weer gebeuren.

U was het schild

Psalm 18:36-51
36 U was het schild dat mij redde, uw rechterhand ondersteunde mij, uw woord maakte mij sterk, 37 u baande de weg voor mijn voeten, ik wankelde niet. 38 Ik achtervolgde mijn vijanden, haalde hen in en keerde niet terug voor ik hen had vernietigd, 39 ik verpletterde hen, ze stonden niet meer op, dood lagen ze onder mijn voeten. 40 U hebt mij omgord met kracht voor de strijd, mijn tegenstanders voor mij doen buigen, 41 u liet mij de rug van mijn vijanden zien, mijn haters, ik roeide ze uit. 42 Ze riepen om hulp, maar er was geen redder, ze riepen de HEER, maar hij antwoordde niet. 43 Ik verpulverde hen tot stof in de wind, veegde hen weg als vuil van de straat. 44 U bevrijdde mij van een opstandig volk, stelde mij aan tot hoofd van de naties. Een volk dat ik niet kende, onderwierp zich, 45 gehoorzaamde mij zodra het van mij hoorde. Vreemdelingen toonden zich onderdanig, 46 vreemde volken verloren hun kracht, bevend kwamen zij uit hun burchten. 47 De HEER leeft, geprezen zij mijn rots, hoogverheven is God, mijn redder. 48 De God die mij wraak liet nemen, dwong volken op de knieën, 49 bevrijdde mij van mijn vijanden, verhief mij boven mijn tegenstanders, ontrukte mij aan mannen van geweld. 50 Daarom wil ik u prijzen te midden van de volken, HEER, een loflied zingen tot eer van uw naam. 51 Hij schenkt zijn koning grote overwinningen, betoont zich trouw aan zijn gezalfde, aan David en zijn nageslacht, voor altijd. (NBV)
“Mijn schild en mijn betrouwen zijt Gij o God mijn Heer” Zo staat het in zesde couplet van ons volkslied dat vaak gezongen wordt bij gelegenheden met een meer religieus karakter. Het gaat daarbij dan natuurlijk vooral over de verdrijving van de tirannie die het hart doorwond. Het slotgedeelte van deze psalm die we vandaag met de kerk meezingen geeft dezelfde boodschap weer. God heeft ons bevrijd van de vijanden, van mannen van geweld. Maar het is goed om nog even te zien hoe die God dat dan gedaan heeft. Het is de God die de psalmdichter wraak liet nemen. In de verhalen over Saul en David, waar we deze Psalm immers ook terug kunnen vinden, gaat het er altijd over dat voordat er een slag geleverd wordt eerst de goedkeuring van de God van Israël gevraagd wordt en na de slag voor de overwinning aan die God dank wordt gebracht. Die oorlogen van Saul en David zijn direct in strijd met het gebod niet te doden. Wel doden leidt volgens de Bijbel niet tot een menselijke samenleving, maar tussen volken is het soms onontkoombaar je met geweld te weer te stellen tegen een gewelddadige vijand.
Nu zijn machthebbers, tegenwoordig vaak politici, er zeer goed in om een door hen gewenste oorlog tot onontkoombaar te verklaren. Die machthebbers of politici die voor uiterste terughoudendheid pleiten worden als zwak afgeschilderd, theedrinkers waar bloedvergieten op z’n plaats is. Het is dan goed om toch nog eens die verhalen over de oorlogen van Saul en David terug te lezen. Wat dan opvalt is het verbod om buit te maken voor de leider van de oorlog. Saul struikelde uiteindelijk over de wens losgeld te krijgen voor een verslagen koning. Het zelf verdienen aan de strijd wordt als slecht bestempeld. Daarom ook die nadruk op de dankbaarheid aan God. Als het de kracht van God is die je de overwinning brengt dan hoef je jezelf niet boven anderen te verheffen, dan wordt je er zelf niet mooier van, dan hoeft er niemand jaloers te zijn op jouw aandeel in de strijd, een jaloezie die ook een rol speelt in de verhalen over Saul en David. Dat eigenbelang speelt ook vandaag de dag een rol bij gewelddadige conflicten. Olie is in het midden oosten reden om met geweld eigen belangen veilig te stellen en het moet toch een keer opvallen dat oorlog voeren om de belangen van het eigen land veilig te stellen tot een langdurige ellende, ook voor dat eigen land, voert.
De Psalm besluit met de ontdekking dat de God van Israël trouw blijft aan David en zijn nageslacht. We weten uit het verhaal van de Bijbel dat het omgekeerd niet zo was. De Koningen uit het geslacht van David weken ook af van de Weg van de God van Israël. Slechts af en toe kwam er een Koning die zich wat gelegen liet liggen aan de voorbeelden van de David als het ging om de strijd met machtige volken. Slechts een enkeling durfde meer te vertrouwen op een bondgenootschap met die God dan op een bondgenootschap met andere machtige volken. Het verwerpen van de Weg van de God van Israël leidde uiteindelijk tot het wegvoeren van het volk in ballingschap en de verwoesting van de Tempel en de ballingschap. Maar dat was niet het einde. De God die in deze Psalm wordt bezongen geeft niet op en begint altijd weer opnieuw met zijn mensen. Dat mag ook ons tot troost zijn en vermanen. Ook wij worden geroepen om niet te doden en als het onontkoombaar is het eerst te zoeken bij de God van Israël en niet bij onze eigen belangen. Recht en gerechtigheid voor de minsten op aarde kunnen grote offers van ons vragen, maar die vraag komt dan van God. Die ballingen keerden uiteindelijk terug naar Jeruzalem. Uit het geslacht van David werd uiteindelijk Jezus van Nazareth geboren die alle volken, ook ons, bij de God van Israël betrok. Hij wees het bloedvergieten en de opstand van zijn volk af. Het bracht hem aan het kruis, maar daardoor ontstond er leven en werd de dood overwonnen. Daar mogen we elke dag uit leven, ook vandaag.

Voor mijn reine handen

Psalm 18:17-35
17 Hij bood hulp van omhoog, greep mij vast en trok mij op uit de woeste wateren, 18 ontrukte mij aan mijn machtige vijand, aan mijn haters, die sterker waren dan ik. 19 Op de dag van mijn ondergang vielen zij aan, maar de HEER was mij tot steun. 20 Hij leidde mij weg uit de nood en gaf mij ruimte,  bevrijdde mij, omdat hij mij liefhad. 21 De HEER heeft mijn onschuld vergolden, mij beloond voor mijn reine handen: 22 ik volgde de wegen die de HEER had gewezen en werd mijn God niet ontrouw, 23 zijn voorschriften hield ik voor ogen, zijn wetten wees ik nooit af. 24 Ik was hem volkomen toegewijd en hoedde mij steeds voor het kwaad, 25 daarom heeft de HEER mijn onschuld beloond, hij zag mijn reine handen. 26 U bent trouw voor de trouwe, volmaakt voor de volmaakte, 27 zuiver voor de zuivere, maar voor de sluwe ongrijpbaar. 28 U bent de redder van het vertrapte volk, wie zich hoog wanen, brengt u ten val. 29 U bent het die mijn lamp doet schijnen, u, HEER, mijn God, verlicht mijn duisternis, 30 met u storm ik af op een legerbende, met mijn God beklim ik de hoogste muur. 31 Gods weg is volmaakt, het woord van de HEER is zuiver, een schild is hij voor allen die bij hem schuilen. 32 Wie anders is God dan de HEER, wie anders een rots dan onze God? 33 De God die mij met kracht omgordt, leidt mij op een volmaakte weg, 34 hij geeft mij voeten snel als hinden, doet mij op toppen van bergen staan, 35 oefent mijn handen voor de strijd- mijn armen spannen de bronzen boog.(NBV)
Pilatus waste zijn handen in onschuld nadat hij een onschuldige tot de dood aan het kruis had veroordeeld. Hij liet aan iedereen zien dat hij eigenlijk een onrechtvaardige rechter was die daartoe zou zijn gedwongen door het volk, of zich had laten dwingen, het was uiteindelijk zijn eigen beslissing. De dichter van Psalm 18 hoeft zijn handen niet te wassen, die zijn rein zo wordt een aantal keren benadrukt. Reine handen houd je als je de richtlijnen voor de menselijke samenleving die de God van Israël heeft gegeven blijft volgen. Koning David, aan wie deze Psalm wordt toegeschreven, was dus een rechtvaardige rechter die recht deed aan de mensen die voor hem werden gebracht. Recht deed ook aan de armen, de zwakken, de vreemdelingen, zoals de richtlijnen van de God van Israël telkens benadrukken. Als je dat doet kun je steeds op die God terugvallen, je vonnissen, je handelen wordt dan als het ware Goddelijk, je hoeft geen vuile handen te maken.
De Psalm roept ook de geschiedenis van het volk Israël in herinnering. In het begin van het optreden van David werd het volk geplaagd door een jaarlijkse roof van de oogst door buurvolken, met name de Filistijnen maakten zich hieraan schuldig.
Het optreden van Rechters, lees het boek Rechters maar op na, bracht steeds tijdelijk verlichting van de beroving. De eerste Koning van Israël, Saul ging het steeds leuker vinden om oorlog te voeren waardoor hij ook oorlogen uitlokte en de vrede voor Israël steeds verder weg kwam te liggen. Pas onder de regering van David brak de vrede aan. Roversbenden werden niet alleen bestreden maar hun thuislanden, hun steden, werden onderworpen, ontwapend en tot het betalen van een belasting veroordeeld. Daarmee was het gedaan met het jaarlijks roven van de oogst waar het volk zo lang onder had geleden. Het beleid van David werd ingegeven door wat hij wist van de richtlijnen voor de menselijke samenleving. Wie het boek Samuël leest komt er achter dat David daarvoor zwaar leunde op priesters en profeten.

Door deze politiek van David werd Israël een wijngaard. Rondom een wijngaard was altijd een muur van ruwe stenen gebouwd.  In de Psalm wordt David afgeschilderd als een wachter op de muur. Nu lag ook zijn koningsstad Jeruzalem hoog in de bergen waardoor hij een goed uitzicht had over het land en tijdig gewaarschuwd kon worden voor invallen.
David kwam zo bekend te staan als een krachtig krijger die zelfs een bronzen boog kon bedienen, daarvoor was veel kracht nodig. Hoewel David dus veel strijd leverde tijdens zijn leven, telkens op oorlogspad moest, zelfs tegen Saul, werd hij door het volgen van de weg van de God van Israël een vredevorst die diepe indruk heeft achtergelaten op het volk. Tot op de dag van vandaag betekent het lijken op David heel wat. Maar onze regeerders zijn nog lang niet zo ver dat ze oorlogen voeren gericht op vrede en gerechtigheid. Ze willen rust om handel te kunnen bedrijven en rijk te worden. Of volken nu geregeerd worden door rechtvaardige regeringen of door wrede dictators, die zich soms Koning noemen maar die het uitdelen van stokslagen en het stenigen of onthoofden van hun burgers de normaalste zaak van de wereld vinden, kan ze niks schelen. Misschien dat wij in woord en daad, door het zingen van een Psalm als deze, onze regeerders duidelijk moeten maken wat de weg van de God van Israël kan opleveren.

God, mijn steenrots

Psalm 18: 1-16
1  Voor de koorleider. Van David, de dienaar van de HEER. Hij sprak de woorden van dit lied tot de HEER toen de HEER hem aan de greep van zijn vijanden had ontrukt, ook aan die van Saul. 2 Hij zei: Ik heb u lief, HEER, mijn sterkte,3 HEER, mijn rots, mijn vesting, mijn bevrijder, God, mijn steenrots, bij u kan ik schuilen, mijn schild, kracht die mij redt, mijn burcht. 4 Ik roep: ‘Geloofd zij de HEER, ‘want ik ben van mijn vijanden verlost. 5 Mij omsloten de banden van de dood, de kolkende afgrond joeg mij angst aan, 6 de banden van het dodenrijk omklemden mij, op mijn weg lagen de valstrikken van de dood. 7 In mijn nood riep ik tot de HEER, ik schreeuwde naar mijn God om hulp. In zijn paleis hoorde hij mijn stem, mijn roepen bereikte zijn oren. 8 Toen schudde en schokte de aarde, de bergen trilden op hun grondvesten, beefden omdat hij vlamde van woede, 9 rook steeg op uit zijn neus, verterend vuur kwam uit zijn mond, hij spuwde hete as. 10 Hij schoof de hemel open en daalde af, duisternis onder zijn voeten, 11 hij besteeg de cherub en vloog, zwevend op de vleugels van de wind. 12 Hij maakte van het donker zijn schuilplaats, trok een tent om zich heen van duister water, dichte wolken. 13 Een vuurgloed ging voor hem uit, wolken joegen voort, hagel en gloeiende as. 14 De donder van de HEER klonk aan de hemel, de Allerhoogste verhief zijn stem: hagel en gloeiende as. 15 Hij schoot zijn pijlen en sloeg de vijanden uiteen, wierp zijn bliksemschichten en verdreef hen. 16 De beddingen van het water werden zichtbaar, de grondvesten van de wereld kwamen bloot door uw dreigende blik, HEER, door de briesende adem uit uw neus. (NBV)
Toen het boek van de Psalmen werd samengesteld was er een grote keus aan liederen. Je mag best aannemen dat de samenstellers van dit Bijbelboek voor dezelfde opgave stonden als de samenstellers van het nieuwe Liedboek dat een aantal jaren geleden in de kerken in gebruik werd genomen. Populaire liederen werden afgewisseld met liederen die nodig waren om bepaalde gebeurtenissen te kunnen herdenken en liederen die in de dienst van de Tempel niet konden ontbreken. Psalm 18 lijkt daarbij tot de zeer populaire liederen behoort te hebben. Dit lied staat namelijk ook in het Bijbelboek dat wij nu kennen als 2 Samuël en wel in hoofdstuk 22. Er staan veel liederen in de diverse Bijbelboeken. maar weinig van die liederen zijn terecht gekomen in het boek der Psalmen. Psalm 18 lijkt dus een uitzondering te zijn. David zingt dat lied toen hij eindelijk van zijn vijanden was verlost, zelfs van de hand van Saul. Het lied is dan ook een danklied.
Nu is het gemakkelijk om een danklied te zingen als je bevrijd bent van leed en ellende. Het loopt niet met iedereen goed af maar als het met jou wel goed afloopt dan is een danklied op haar plaats. Steeds meer mensen vinden het echter zo oneerlijk worden om God te danken als het met hen wel goed is afgelopen en met anderen niet. Je bent toch niet beter dan een ander. Overlevenden van de Holocaust hebben het vaak moeilijk gehad de vraag te beantwoorden waarom zij overleefden en al die anderen, al die miljoenen anderen, het niet overleven mochten. Op die vraag is namelijk eigenlijk geen antwoord te geven. Bevrijding van ellende valt je soms toe, maar vaak ook niet. Het lied wordt daarom misschien beter te verteren als je bedenkt dat de dichter terugdenkt aan de tijd dat de ellende nog volop aanwezig was, de tijd voor de bevrijding. Dan kunnen zingen over de Liefde van God en de Liefde voor God is dan minder vanzelfsprekend.
De Psalm drukt dan uit dat ondanks alle ellende de Liefde van God, de God van Israël toch zal overwinnen. Niet dat die God direct buiten mensen om zal ingrijpen, dat doet die God meestal niet. Die God heeft een stel richtlijnen gegeven voor een menselijke samenleving. Als die richtlijnen gevolgd worden dan is ellende voor mensen verdwenen. Dan is er vrede, dan heerst gerechtigheid, dan komt ieder mens tot zijn of haar recht. Als je dus diep in de ellende zit kun je je daaraan vastklampen. Voor Christenen is daarbij Jezus van Nazareth het voorbeeld. Hij volgde de richtlijn van het “Gij zult niet doden” op toen hij weigerde een opstand te ontketenen tegen de Romeinse machthebbers en als gevolg daarvan werd gedood aan het kruis. Zijn liefde overwon toen zijn leerlingen ontdekten dat in elke liefde die liefde van God te herkennen is, dat die liefde geen dood brengt maar leven. Ze brachten dat onder woorden door over Jezus ook als over de zoon van David te spreken. Een zoon die keihard vast hield aan het geloof dat ondanks alle ellende de weg van de God van Israël, de weg van zijn Vader, redding en bevrijding zou brengen. Waar en wie we ook zijn, ook wij mogen vasthouden aan die Liefde, elke dag opnieuw, ook vandaag weer.

Kies voor het leven

Deuteronomium 30:11-20
11 De geboden die ik u vandaag heb gegeven, zijn niet te zwaar voor u en liggen niet buiten uw bereik. 12  Ze zijn niet in de hemel, dus u hoeft niet te zeggen: “Wie stijgt voor ons op naar de hemel om ze daar te halen en ze ons bekend te maken, zodat wij ernaar kunnen handelen?” 13  Ook zijn ze niet aan de overkant van de zee, dus u hoeft niet te zeggen: “Wie steekt de zee voor ons over om ze daar te halen en ze ons bekend te maken, zodat wij ernaar kunnen handelen?” 14  Nee, die geboden zijn heel dichtbij, u kunt ze in u opnemen en ze u eigen maken; u kunt ze volbrengen. 15 Besef goed, vandaag stel ik u voor de keuze tussen voorspoed en tegenspoed, tussen leven en dood. 16  Wanneer u zich houdt aan de geboden van de HEER, uw God, zoals ik ze u vandaag heb gegeven, door hem lief te hebben, door de weg te volgen die hij wijst, en zijn geboden, wetten en regels in acht te nemen, dan zult u in leven blijven en in aantal toenemen, en dan zal de HEER, uw God, u zegenen in het land dat u in bezit zult nemen. 17  Maar als u hem de rug toekeert en weigert te luisteren, als u zich ertoe laat verleiden neer te knielen voor andere goden en die te vereren, 18  dan zeg ik u op voorhand dat u te gronde zult gaan. Uw verblijf aan de overkant van de Jordaan, in het land dat u in bezit zult nemen, zal dan van korte duur zijn.
19  Ik roep vandaag hemel en aarde als getuigen op: u staat voor de keuze tussen leven en dood, tussen zegen en vloek. Kies voor het leven, voor uw eigen toekomst en die van uw nakomelingen, 20  door de HEER, uw God, lief te hebben, hem te gehoorzamen en hem toegedaan te blijven. Dan zult u lang blijven wonen in het land dat hij uw voorouders Abraham, Isaak en Jakob onder ede heeft beloofd.’ (NBV)

Wat is het geloof anders dan consequent kiezen voor de liefde, voor het leven dus. Niet voor de dood van het hebben van geld of goederen. Geld of goederen houden niet van jou, ze schenken niks terug, ze zorgen niet voor je, ze voeden je niet als je honger hebt, ze geven je niet te drinken als je dorst hebt en ze verzorgen je niet als je ziek bent. Je ware geliefde doet dat wel en elke dag is de dag om je liefde te verklaren. Niet met geld of goederen, want liefde is niet te koop, liefde is alleen te krijgen met liefde. En dan nog, het geven van echte liefde betekent dat je er niks voor terug wilt hebben. Dat de liefde ontvangen wordt is je genoeg. De glimlach in de ogen van iemand voor wie je iets goeds gedaan hebt is de rijkste beloning die je je kunt voorstellen. Moeilijk is het dus niet de wet van de liefde te houden, die wet is ook niet ver weg of ingewikkeld. Je hoeft er niet voor gestudeerd te hebben, ook levenservaring is niet nodig. Je hoeft alleen maar van jezelf te houden en te beseffen dat je maar één keuze hebt, de keus tussen leven en dood, kies dus het leven zegt het Bijbelverhaal van vandaag.
Dat hele verhaal gaat over het leven, het leven dat voortkomt uit de liefde en dat met geen mogelijkheid van die liefde vandaan te krijgen is. Zelfs de dood betekent niet het einde van de liefde voor jou, maar ook niet het einde van jouw liefde voor hen die je liefhebt. Die liefde blijft altijd bestaan, daarin schuilt het geheim van het eeuwige leven. Zonder liefde gaat alles dood, zonder liefde blijft er niks over, zonder liefde gaat zelfs alles stuk waaraan je waarde hecht. Kies dus vandaag voor het leven en laat hen die je liefhebt weten hoeveel je wel niet van ze houdt. Het verhaal van vandaag stelt je niet voor een vrijblijvende keuze. Het zijn twee wegen die elkaar niet kruisen. Het is niet van nu doe ik gewoon mijn eigen zin en straks zien we wel weer. Het is tot nu toe ging ik een weg van leegheid die uitloopt op de dood, alleen ik telde en al die anderen niet. Uiteindelijk sterf ik van angst. Angst voor mijn baan, angst voor een echtscheiding, angst voor de vreemdelingen in mijn buurt, angst voor al die vreemde landen die over mij willen meepraten, angst voor die andere manieren van geloven in de God, manieren die mij misschien wel met geweld worden opgelegd.
De Bijbel roept op heel veel plaatsen niet bang te zijn. Het is het hart van het Kerstverhaal als de engelen naar de herders roepen “Wees niet bang” En als je de weg van het leven volgt dan ben je niet meer bang, dan durf je te delen van wat je hebt zodat geld weer gaat circuleren in de economie en er voor iedereen werk is, dan durf je ook de ander een plaats te geven in je huwelijk zodat liefde je samen sterker maakt, dan eet je samen met de vreemdelingen in je buurt zodat je de buurt samen vorm geeft en samen de problemen op kan lossen, dan spreek je ook andere landen aan op hun zorg voor de armen en de vreemdelingen, dan leer je de overeenkomsten in andere manieren van geloven in een God die je oproept tot vrede en gerechtigheid. Het is niet zo moeilijk zegt het boek Deuteronomium, je kunt er zomaar mee beginnen, vandaag is daar een goede dag voor.