Ik zal jullie God zijn.

Exodus 5:19-6:13
1 De Israëlitische opzichters beseften hoe slecht zij ervoor stonden, nu de farao zelf tegen hen had gezegd dat de dagelijkse hoeveelheid stenen die ze moesten afleveren niet verminderd werd. 20 Toen ze het paleis uit kwamen troffen ze Mozes en Aäron aan, die op hen stonden te wachten. 21 ‘Moge de HEER u hiervoor straffen!’ zeiden de opzichters tegen hen. ‘U hebt ons bij de farao en zijn dienaren een slechte naam bezorgd. U hebt hun een zwaard in handen gegeven om ons te doden.’ 22 Toen wendde Mozes zich opnieuw tot de HEER en zei: ‘Heer, waarom behandelt u dit volk zo slecht? Waarom hebt u mij hierheen gestuurd? 23 Vanaf het moment dat ik bij de farao ben gekomen en hem in uw naam heb toegesproken, wordt het volk nog slechter door hem behandeld. U hebt uw volk niet bevrijd-integendeel!’ 1 Maar de HEER antwoordde hem: ‘Nu zul je zien wat ik de farao ga aandoen: ik zal hem met harde hand dwingen mijn volk te laten gaan, hij zal het zelfs uit zijn land wegjagen.’ 2 God zei tegen Mozes: ‘Ik ben de HEER. 3  Ik ben aan Abraham, Isaak en Jakob verschenen als God, de Ontzagwekkende, maar mijn naam HEER heb ik niet aan hen bekendgemaakt. 4  Ik heb met hen mijn verbond gesloten en Kanaän aan hen beloofd, het land waarin zij als vreemdeling hebben gewoond. 5 Ik heb het gejammer van de Israëlieten over de slavenarbeid die hun door de Egyptenaren is opgelegd gehoord, en dat heeft mij aan die belofte herinnerd. 6 Daarom moet je dit tegen hen zeggen: “Ik ben de HEER. Ik zal de last die de Egyptenaren jullie opleggen van je afnemen, ik zal jullie uit je slavenbestaan bevrijden. Met opgeheven arm zal ik jullie verlossen en de Egyptenaren zwaar straffen. 7 Ik zal jullie aannemen als mijn volk, en ik zal jullie God zijn. En jullie zullen inzien dat ik, de HEER, jullie God ben, die jullie bevrijdt van de last die je door de Egyptenaren is opgelegd. 8  Ik zal jullie naar het land brengen dat ik onder ede aan Abraham, Isaak en Jakob beloofd heb; dat land zal ik jullie in bezit geven. Ik ben de HEER.”’ 9 Mozes bracht dit aan de Israëlieten over, maar ze wilden niet naar hem luisteren, moedeloos als ze waren door de zware dwangarbeid. 10  Toen zei de HEER tegen Mozes: 11 ‘Ga naar de farao, de koning van Egypte, en zeg hem dat hij de Israëlieten uit zijn land moet laten vertrekken.’ 12 Maar Mozes antwoordde: ‘Als de Israëlieten al niet naar me luisteren, zal de farao dat dan wel doen? Ik kom immers moeilijk uit mijn woorden.’ 13  Mozes en Aäron waren het tot wie de HEER zich richtte; zij werden door hem afgevaardigd naar de Israëlieten en naar de farao, de koning van Egypte, om de Israëlieten uit Egypte weg te leiden. (NBV)
Wat is dit voor God? Doet hij zijn volk leed aan door ze te willen bevrijden? Het lijkt er wel op, want de komst van Mozes betekent verzwaring van de arbeidsomstandigheden. Maar het verhaal zo lezen is niet juist, je slaat dan een hoop over. Dit verhaal was begonnen met de twee vroedvrouwen die weigerden de jongetjes te doden, waarop de pasgeboren jongetjes in de Nijl geworpen moesten worden. Omdat Mozes in een biezen mandje werd gelegd, het stro dat voor de stenen bestemd was, werd zijn leven gered. Mozes zelf moest vluchten omdat de behandeling van de Hebreeën onmenselijk was. Maar dat de bevrijding niet een flitsbevrijding zou zijn moest eerst duidelijk worden. Als je het volk van deze God wilde zijn dan moest je er iets voor over hebben. Deze God was begonnen met Abraham, met Izaäk en met Jakob. Met elk van hen was hij een verbond aangegaan. Zij hadden deze God leren kennen als een machtige God, “Ontzagwekkende” staat hier, maar de betekenis van het Hebreeuws is onzeker, het zou ook vruchtbare kunnen betekenen. In de Hebreeuwse tekst van het boek Genesis waarin de verhalen van Abraham, Izaäk en Jakob worden verteld staat wel degelijk de naam van JHWH, waarom God hier vertelt dat die naam aan Abraham, Izaäk en Jakob niet geopenbaard is was lange tijd niet duidelijk.
Tot Rabbi Sjlomo ben Itschaqi opmerkte dat noch Abraham, noch Izaäk, noch Jakob deze God hadden leren kennen in zijn oneindige trouw zoals het volk Israël die God zou leren kennen bij de bevrijding uit de slavernij en de tocht door de woestijn. Die God laat niet af, houdt niet op, blijft voortdurend hameren op het doorgaan van dat bevrijdingsproces, roept daarbij iedereen op om daaraan mee te doen, legt dat op als basisregels voor een heel volk, waarmee een heel volk in beweging kan komen en voert uiteindelijk dat volk binnen in een land overvloeiende van melk en honing. En zelfs dan houd het nog niet op want alle volken zullen deel moeten hebben aan dat bevrijdingsproces tot God zelf op deze aarde komt wonen en alle tranen gedroogd zijn en de dood er niet meer is. In de bevrijding die in Egypte is begonnen heeft die God zich dus laten kennen. Dat is niet een almachtige God die wel even de wereld naar zijn hand zal zetten. Dat is een God die meetrekt en meelijdt met de zwaksten, met de slaven.
Het antwoord van dat volk op deze prachtige belofte, op dit groots visioen is tekenend: ze wilden er niet naar luisteren omdat ze moedeloos waren geworden door de zware dwangarbeid. Ze waren aangekomen op het dieptepunt van hun ellende. Zwaarder konden ze het niet krijgen. En was dat moedeloze, ongelovige, antwoord het teken om dan maar op te houden? Als niemand in God gelooft dan heeft die God toch geen zin? Nee, dus, het lijkt er op dat als niemand er meer in gelooft dat die God dan juist met verdubbelde ijver aan de bevrijding van de zwaksten gaat werken. Niet door één of ander wonder te doen, maar door te laten zien dat je de armsten maar beter als waardevolle mensen kunt behandelen omdat het anders tegen je zal keren. Met die boodschap wordt Mozes naar de Farao gestuurd en ook al komt hij slecht uit zijn woorden, de Farao zal moeten luisteren. Het is ook de boodschap aan ons, ook wij mogen ons afvragen of wij slaven hebben die we te kort doen. Als we onze handelsverhoudingen met de armsten in de wereld nog eens bezien dan ontdekken wij ze. Aan ons om daar iets aan te doen en ook die broeders en zusters te bevrijden van het onrecht door ons hen aangedaan. Aan ons instrumenten in Gods hand te worden.

Ze zijn lui!

Exodus 5:1-18
1 Hierna gingen Mozes en Aäron naar de farao, en ze zeiden tegen hem: ‘Dit zegt de HEER, de God van Israël: Laat mijn volk gaan, om in de woestijn ter ere van mij een feest te vieren.’ 2 ‘Wie is die HEER, dat ik hem zou gehoorzamen?’ vroeg de farao. ‘Waarom zou ik de Israëlieten laten gaan? Ik ken de HEER niet en de Israëlieten laat ik niet gaan.’ 3 Ze zeiden: ‘De God van de Hebreeën is naar ons toe gekomen. Sta ons toe drie dagreizen ver de woestijn in te trekken om de HEER, onze God, daar offers te brengen. Anders treft hij ons met de pest of met het zwaard.’ 4  Maar de koning van Egypte zei: ‘Mozes en Aäron, hoe durft u het volk van zijn werk af te houden? Vooruit, aan het werk!’ 5  En hij voegde eraan toe: ‘Dat volk is nu al veel te talrijk, en dan wilt u ook nog dat ze ophouden met werken!’ 6  Nog diezelfde dag gaf de farao zijn slavendrijvers en de opzichters dit bevel: 7 ‘Jullie mogen het volk geen stro meer geven om stenen te maken, zoals jullie tot nu toe deden; voortaan moeten ze zelf stro gaan zoeken. 8 Maar eis wel evenveel stenen van hen als altijd, het mag er niet één minder zijn. Ze zijn lui! Daarom roepen ze dat ze hun God offers willen gaan brengen. 9 Ze moeten harder aan het werk gezet worden, dan hebben ze geen tijd meer om naar zulke verzinsels te luisteren.’ 10  De slavendrijvers en opzichters brachten aan het volk over wat de farao had gezegd: dat hij hun voortaan geen stro meer gaf, 11 en dat ze zelf stro moesten zien te vinden maar geen steen minder mochten afleveren. 12  Daarop zwermden de Israëlieten over heel Egypte uit om stoppels te zoeken ter vervanging van het stro. 13 En de slavendrijvers joegen hen op en eisten dat ze iedere dag evenveel werk zouden afleveren als toen ze het stro nog kregen. 14  De Israëlitische opzichters die door de slavendrijvers van de farao over het volk waren aangesteld, werden afgeranseld; zij kregen te horen dat ze de laatste dagen niet hetzelfde aantal stenen hadden afgeleverd als tevoren. 15  Ze klaagden hun nood bij de farao. ‘Waarom behandelt u uw dienaren zo?’ zeiden ze. 16 ‘We krijgen geen stro meer, en toch worden we gedwongen om stenen te maken. En wij worden afgeranseld, terwijl de schuld bij uw volk ligt.’ 17  Maar de farao antwoordde: ‘Lui zijn jullie, alleen maar lui! Daarom willen jullie offers aan de HEER gaan brengen. 18 Vooruit, onmiddellijk aan het werk! Jullie krijgen geen stro, en jullie leveren hetzelfde aantal stenen.’ (NBV)
Als je met een andere partij onderhandelt is het meestal verstandig om het belang van die andere partij in de gaten te houden. Soms levert het eigen belang van de andere partij argumenten op om je eigen wensen gerealiseerd te krijgen. Mozes en Aäron hebben voor deze onderhandelingsstrategie oog maar ze bereiken er iets anders mee. Ze vertellen de Farao niet direct dat zijn eerstgeboren zoon zal sterven zoals Mozes was opgedragen en ze gaan ook niet vragen aan de Farao om zomaar het volk te laten gaan naar het beloofde land aan de andere kant van de woestijn. Nee ze vragen de Farao om een bedevaart te mogen maken, zoiets als de hadj, de bedevaart naar Mekka. Mozes en Aäron willen in de woestijn een feest vieren voor hun met name genoemde God. Want overal waar in de Nieuwe Bijbelvertaling HEER staat, staat in de Hebreeuwse grondtekst de Naam die Mozes bij de Horeb te horen had gekregen, JHWH.
Drie dagen ver zouden ze de woestijn in moeten trekken om daar offers te brengen. Offers om een God gunstig te stemmen, om wat van een God gedaan te krijgen, het soort godsdienst waar de Farao van weet. Ook de Farao en de priesters van Egypte brengen tal van offers. Offers voor regen, offers voor de oogst, offers voor het op tijd stijgen en overstromen van de Nijl en offers voor de goede reis van de overledenen naar het dodenrijk. De Hebreeën van Mozes en Aäron moeten offers brengen om hen te beschermen tegen de pest of het zwaard. Dat lijkt in het belang van de Farao. Gezonde slaven presteren immers meer dan dode slaven. Aan die hoop klampten in de tweede wereldoorlog gedeporteerden zich vast, ze moesten gaan werken en werken kon je alleen als je nog in leven zou zijn. Maar de Farao van Egypte heeft een vergelijkbaar doel met de Nazi’s. Hij vindt het volk van Mozes en Aäron veel te talrijk en de pest en het zwaard zouden hem welkom zijn. Aan het werken voor de Farao ging het volk al dood en als daar pest en zwaard als oorzaken bij kwamen dan kon het niet hard genoeg gaan. Daarom worden de slaven nog harder aan het werk gezet, daarom krijgen ze extra taken als het zelf zoeken van stro en natuurlijk wordt de productie niet verminderd, nee die wordt eerder nog opgevoerd.
Was het nu onverstandig van Mozes en Aäron rekening proberen te houden met het belang van de Farao? Hun vragen heeft immers groter lijden tot gevolg gehad? Als je dat denkt dan ben je in de val van de Farao getrapt. Het doel van de Farao was namelijk niet het werk en de productie van de slaven maar de dood van de slaven en het verminderen van hun aantal. En als we ze negatieve eigenschappen toedichten, ze zijn lui, dan mag dat volgens de Farao ook maar. Niet een onhandigheid of een onvermogen om te onderhandelen van Mozes en Aäron wordt hier duidelijk maar de verborgen agenda en het slechte karakter van de Farao worden hier duidelijk. Beroerd is natuurlijk wel dat we o zo vaak niet naar deze negatieve uitkomsten willen kijken. Zo zijn er in onze dagen partijen die roepen dat ze orde en rust willen hebben terwijl ze er alleen maar op uit zijn om alle allochtonen uit ons land te verwijderen. Die verborgen en kwade agenda wordt vaak te weinig blootgelegd en als die wordt blootgelegd niet geloofd. Er zijn heel veel mensen en heel veel acties voor nodig om iedereen duidelijk te maken hoe het echt zit. De geschiedenis van Mozes zou ons duidelijk kunnen maken dat het ook met veel leed en ellende gepaard kan gaan. Leed en ellende die we ons kunnen besparen als we vandaag nog aan het werk gaan met het ontmaskeren van het kwade.

Een bloedbruidegom

Exodus 4:18-31
18 Mozes ging terug naar zijn schoonvader Jetro en zei tegen hem: ‘Ik zou graag teruggaan naar Egypte, om te zien of de mensen van mijn volk nog in leven zijn.’ ‘Ga in vrede, ‘antwoordde Jetro. 19  De HEER zei Mozes nog in Midjan dat hij veilig naar Egypte kon terugkeren, aangezien iedereen die hem naar het leven had gestaan gestorven was. 20  Mozes zette zijn vrouw en kinderen op een ezel en ging op weg, terug naar Egypte. De staf van God hield hij in zijn hand. 21 Toen zei de HEER tegen Mozes: ‘Nu je teruggaat naar Egypte, moeten jullie daar de farao alle wonderen laten zien waartoe ik je de macht het gegeven. Ik zal ervoor zorgen dat hij hardnekkig weigert het volk te laten gaan. 22  En dan moet jij tegen de farao zeggen: “Dit zegt de HEER: Israël is mijn zoon, mijn eerstgeboren zoon. 23 Ik heb je bevolen mijn zoon te laten gaan om mij te vereren, maar dat heb je geweigerd. Daarom zal ik je eerstgeboren zoon doden.”’ Onderweg, toen Mozes en de zijnen ergens overnachtten, kwam de HEER op hem af en probeerde hem te doden. 25 Sippora pakte een scherpe steen, sneed de voorhuid van haar zoon weg en raakte daarmee Mozes’ voeten aan, terwijl ze zei: ‘Een bloedbruidegom ben jij voor mij.’ 26 (Ze noemde hem toen ‘bloedbruidegom’ vanwege die besnijdenis.) Toen liet de HEER hem met rust. 27 De HEER had tegen Aäron gezegd: ‘Ga de woestijn in, Mozes tegemoet.’ Aäron was op weg gegaan en ontmoette Mozes bij de berg van God. Hij kuste hem 28 en Mozes vertelde Aäron wat de HEER hem had opgedragen: wat hij moest zeggen en welke wonderen hij moest doen. 29 Toen gingen Mozes en Aäron samen naar Egypte en daar riepen ze de oudsten van Israël bij elkaar. 30 Aäron herhaalde woord voor woord wat de HEER tegen Mozes gezegd had, en liet het volk de wonderen zien. 31 De Israëlieten werden hierdoor overtuigd; toen ze hoorden dat de HEER oog had gekregen voor hun ellende, knielden ze en bogen ze zich diep neer.(NBV)
Dat de taak die Mozes wacht niet gemakkelijk is laat zich raden, die staf waarmee hij wonderen kan doen zal hem nog van pas komen. En of hij terug zal keren en hoe blijft ook nog een raadsel, geen wonder dat hij vrouw en kinderen met zich meeneemt. Hij neemt dus afscheid van zijn schoonvader die hier anders lijkt te heten dan op andere plaatsen in het boek Exodus. Geleerden wijten dat aan het eigenaardige van de Hebreeuwse taal. Die kent alleen medeklinkers en de klinkers moet je te weten komen door vaak naar het voorlezen te luisteren. Pas nadat het volk Israël door de Romeinen over de aarde werd verspreid hebben Joodse geleerden een systeem ontwikkeld waarmee de klinkers konden worden toegevoegd aan de medeklinkers. Maar verschillen zijn soms niet uit te sluiten en de naam van de schoonvader van Mozes waarschuwt ons nog maar eens de vertaling van de Bijbel al te letterlijk te nemen. Het wordt dus voor Mozes wel een onzekere reis. Als je op weg gaat om de armen te bevrijden dan moet je er ook echt bij willen horen. Het heeft geen zin om aan de kant van de rijken te blijven staan en vanuit die luxe positie te pleiten voor bevrijding van de armen.
Jezus van Nazareth zou later zijn volgelingen oproepen om alles in de steek te laten en hem te volgen. Zo wordt ook Mozes geconfronteerd met de keus tussen Israël en Egypte, tussen leven en dood. Zo zal hij het gevoeld hebben, als hij geloofde dat de God van Israël het volk zou bevrijden uit de slavernij en naar het beloofde land zou leiden dan betekende een keuze voor het hof van Egypte de dood. Zijn vrouw Sippora begreep het. Jongens werden in Israël besneden, dat was het teken van het verbond tussen God en de voorvaderen, Abraham was daarmee begonnen. Ook de zoon van Mozes en Sippora zou daarom besneden moeten worden, dan pas zouden ze de Hebreeën zijn voor wie ze waren uitgetrokken. En die besnijdenis werd direct in verband gebracht met Mozes zelf. Aangezien Mozes drie maanden lang door zijn moeder verborgen was gehouden wordt aangenomen dat ook Mozes besneden is geweest, maar de besnijdenis had zijn waarde verloren doordat Mozes was opgevoed aan het hof van Egypte. Nu Mozes en zijn gezin volop Hebreeën waren geworden konden ze op weg. Dat beeld van een man met zijn gezin op een ezel op weg naar Egypte wordt later gebruikt om Jezus van Nazareth als bevrijder te kunnen schilderen.
Maar Mozes is niet langer op de vlucht, net als Jakob keert hij terug naar huis en net als Jakob eens komt ook Mozes zijn broer, Aäron, tegen. Nu niet een broer waarvoor je bang moet zijn zoals Jakob bang voor Esau was, maar een broer die je te hulp komt en die welsprekend als hij is de boodschap aan het volk kan overbrengen. Het volk boog dan ook diep voor deze hoop brengende boodschap, tenminste de oudsten van het volk deden dat. Dat ging wel heel gemakkelijk. Er komt een man uit de woestijn, met zijn gezin, die wordt voorgesteld als een Hebreeër die opgekomen was voor zijn volksgenoten en daardoor had moeten vluchten en nu de God van Israël had ontmoet en de overtuiging had gekregen dat hij ze moest bevrijden uit de slavernij in Egypte. Het waren de wonderen die hij liet zien die kennelijk diepe indruk maakten. Mozes kon immers zijn staf in een slang laten veranderen en zijn hand melaats maken en weer laten genezen. Maar is dat het meest overtuigend geweest? We weten het niet, de schrijver van het verhaal laat het in het midden. Wat we wel weten is dat een volk dat in slavernij wordt gehouden altijd zal verlangen naar vrijheid. Wat we wel weten is dat de God van Israël zich altijd aan de kant van de verdrukten zal opstellen.

Wie heeft de mens een mond gegeven?

Exodus 4:1-17
1 Weer maakte Mozes bezwaar. ‘Ze zullen me vast niet geloven en niet naar me luisteren, ‘zei hij. ‘Ze zullen zeggen: “De HEER is helemaal niet aan jou verschenen.”’ 2 De HEER vroeg: ‘Wat heb je daar in je hand?’ ‘Een staf, ‘antwoordde Mozes. 3 ‘Gooi hem op de grond, ‘beval de HEER, en toen Mozes dat deed, veranderde de staf in een slang. Mozes deinsde achteruit, 4 maar de HEER zei tegen hem: ‘Grijp de slang bij zijn staart.’ Toen Mozes dat deed, veranderde in zijn hand de slang weer in een staf. 5 De HEER zei: ‘Hierdoor zullen ze geloven dat de HEER, de God van hun voorouders, de God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jakob, aan jou verschenen is.’ 6  Ook zei hij: ‘Steek je hand eens in je kleed.’ Mozes deed dat, en toen hij zijn hand er weer uit trok, zat die onder de uitslag, hij was sneeuwwit. 7 ‘Steek je hand nog eens in je kleed, ‘zei de HEER. Mozes deed het en toen hij zijn hand er opnieuw uit trok, zag die er weer net zo uit als de rest van zijn huid. 8 ‘Als ze je niet geloven en zich niet door het eerste wonderteken laten overtuigen, ‘zei de HEER, ‘dan zullen ze zich wel laten overtuigen door het tweede. 9 Maar zijn ze door geen van deze beide wonderen te overtuigen en blijven ze weigeren naar je te luisteren, dan moet je water uit de Nijl scheppen en dat over het land uitgieten; het water zal op het droge in bloed veranderen.’ 10  Maar Mozes antwoordde: ‘Neemt u mij niet kwalijk, Heer, maar ik ben geen goed spreker. Dat is altijd al zo geweest, en daar is geen verandering in gekomen nu u tegen mij, uw dienaar, gesproken hebt. Ik kan nooit de juiste woorden vinden.’ 11  De HEER zei: ‘Wie heeft de mens een mond gegeven? Wie maakt iemand stom of doof, ziende of blind? Wie anders dan ik, de HEER? 12 Ga nu, ik zal bij je zijn als je moet spreken en je de woorden in de mond leggen.’ 13 Maar Mozes hield vol: ‘Neemt u mij niet kwalijk, Heer, stuur toch iemand anders, wie u maar wilt.’ 14 Nu werd de HEER kwaad op Mozes. ‘Je hebt toch een broer, de Leviet Aäron!’ zei hij. ‘Ik weet dat hij welbespraakt is. Hij is al naar je onderweg en zal blij zijn je te zien. 15 Vertel jij hem wat hij moet zeggen. Ik zal bij jullie zijn als je moet spreken en jullie ingeven wat je moet doen. 16  Hij zal in jouw plaats het volk toespreken: hij zal jouw mond zijn, jij zult zijn god zijn. 17 En neem je staf in de hand, want daarmee moet je de wonderen doen.’ (NBV)
Mensen zijn halsstarrig als het gaat om het goede te doen en niet dan het goede. We zorgen liever eerst voor onszelf en dan voor een ander. Dat Mozes zich verzette vinden we over het algemeen niet zo vreemd, die God mag dan een machtig God zijn, de Farao van Egypte mocht er ook wezen. Met paarden en ruiters hield hij woestijnvolken buiten Egypte en rond de Nijl was de landbouw zeer zorgvuldig en succesvol georganiseerd. Het volk Israël was bovendien als slavenvolk ingeschakeld in de bouw van steden voor de Farao. Die Farao had er dus alle belang bij dat volk bij zich te houden en niet vrij te laten. Het volk zelf wist inmiddels best wat verzet tegen de Farao zou betekenen. Als zo’n Egyptische bastaardprins na jaren uit de woestijn zou terugkeren, na eerst wegens moord en doodslag daarheen te zijn gevlucht, dan was het onwaarschijnlijk dat het volk naar hem zou luisteren als hij het zou uitnodigen met hem de woestijn in te gaan. Maar de drang om het volk te verlossen uit de slavernij is sterker.
Mozes heeft een staf die in een slang kan veranderen. Als Mozes zijn hand in eigen boezem steekt dan krijgt hij de Egyptische ziekte, huidvraat. Dat beeld was zo sterk dat de hand in eigen boezem steken via de Statenvertaling zelfs in ons dagelijks taalgebruik terecht is gekomen. Kijk eens wie je zelf bent betekent het. Mozes moet inzien dat zijn Egyptische opvoeding hem kan helpen bij de Farao en zijn Hebreeuwse achtergrond hem kan helpen bij zijn eigen volk. De Egyptenaren kan hij laten inzien dat de Nijl hun leven betekent, water geschept uit de Nijl is het bloed op de aarde. En die God die met je meetrekt zal je de juiste woorden geven. Want zoals zoveel mensen is ook Mozes bang niet op het juiste moment de juiste woorden te kunnen vinden. Mensen kunnen in een klein gezelschap soms honderduit vertellen maar voor een zaal vol mensen staan ze te stamelen en te stotteren, als ze zich zouden inbeelden slechts tegen enkelen te spreken zou het een stuk beter gaan. De ontdekker van de moderne psychiatrie Sigmund Freud zag overigens in dit bezwaar van Mozes een bewijs dat die Mozes eigenlijk een Egyptenaar was geweest, zijn eigen volk, de Hebreeën zouden hem nauwelijks hebben kunnen verstaan.
Maar als je spreekt in de Geest van de God van Israël, woorden van vrede spreekt, aandacht vraagt voor de slaven die om bevrijding schreeuwen, wijst op de armen in de samenleving, dan geeft die God vanzelf de goede woorden. We hebben tegenwoordig zelfs een Bijbel vol met de goede woorden. God heeft alleen meer mensen nodig die hun mond open willen doen om het onrecht aan de kaak te stellen en stem te geven aan hen die monddood zijn gemaakt. Zoals Mozes zijn hand in eigen boezem moet steken mogen ook wij beseffen dat de mensen tot wie wij spreken geen andere mensen zijn dan wij zelf. Het is de enige Heer van de wereld die ons roept op weg te gaan voor de bevrijding van de onderdrukte mens, er zijn geen andere heren die ons daarvan zouden kunnen weerhouden, alleen onze eigen bezwaren zitten ons in de weg, wat dat betreft verschillen we zelfs niet van Mozes toen hij bij de brandende struik zijn God tegenkwam. Langzaam ziet Mozes in dat al die tegenwerpingen drogredenen zijn. Hij had toch ooit nog een broer die goed van de tongriem was gesneden? Aäron heette die. Hier wordt hij al aangeduid als Leviet, het loopt vooruit op het priesterschap dat Aäron later zou gaan bekleden en priesters verkondigen immers het woord van de God van Israël. Dat God ons vrede mag geven, en kracht.

Maar wie ben ik

Exodus 3:11-22
11 Mozes zei: ‘Maar wie ben ik dat ik naar de farao zou gaan en de Israëlieten uit Egypte zou leiden?’ 12 God antwoordde: ‘Ik zal bij je zijn. En dit zal voor jou het teken zijn dat ik je heb gestuurd: als je het volk uit Egypte hebt weggeleid, zullen jullie God bij deze berg vereren.’ 13 Maar Mozes zei: ‘Stel dat ik naar de Israëlieten ga en tegen hen zeg dat de God van hun voorouders mij gestuurd heeft, en ze vragen: “Wat is de naam van die God?” Wat moet ik dan zeggen?’ 14 Toen antwoordde God hem: ‘Ik ben die er zijn zal. Zeg daarom tegen de Israëlieten: “IK ZAL ER ZIJN heeft mij naar u toe gestuurd.”’ 15 Ook zei hij tegen Mozes: ‘Zeg tegen hen: “De HEER heeft mij gestuurd, de God van uw voorouders, de God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jakob. En hij heeft gezegd: ‘Zo wil ik voor altijd heten, met die naam wil ik worden aangeroepen door alle komende generaties. 16 Laat de oudsten van Israël bij elkaar komen en zeg tegen hen: “De HEER, de God van uw voorouders, is aan mij verschenen, de God van Abraham, Isaak en Jakob, en hij heeft gezegd: ‘Ik heb gezien wat jullie in Egypte wordt aangedaan en ik heb mij jullie lot aangetrokken. 17 Ik heb besloten om jullie uit de ellende in Egypte weg te halen en je naar een land te brengen dat overvloeit van melk en honing, het gebied van de Kanaänieten, de Hethieten, Amorieten, Perizzieten, Chiwwieten en Jebusieten.’ 18  Je zult bij de oudsten van Israël gehoor vinden, en dan moet je samen met hen naar de koning van Egypte gaan. Zeg hem dat de HEER, de God van de Hebreeën, naar jullie toe gekomen is, en vraag hem toestemming om drie dagreizen ver de woestijn in te trekken om de HEER, jullie God, offers te brengen. 19  Ik weet dat de koning jullie dat niet zal toestaan, tenzij hij daartoe met harde hand wordt gedwongen. 20 Daarom zal ik met krachtige hand ingrijpen en Egypte straffen, ik zal er wonderbaarlijke daden verrichten, en dan zal hij jullie laten gaan. 21  Ik zal ervoor zorgen dat de Egyptenaren jullie goedgezind zijn: mijn volk zal niet met lege handen vertrekken. 22 Alle vrouwen moeten aan hun buurvrouw en aan de vrouwen die bij hen in huis wonen, zilveren en gouden sieraden en ook kleren vragen. Die moeten jullie je zonen en dochters laten dragen. Zo zullen jullie de Egyptenaren beroven.’ (NBV)
Een vraag die we ons vaak stellen. Wie ben ik dat ik mijn mond open kan doen of wie ben ik dat ik deze taak op mij kan nemen? Het kan een eerlijk aangeven van je grenzen zijn maar ook een smoes geboren uit angst. Dat laatste kan fataal zijn. Als niemand zijn stem verheft tegen onrecht dan heerst het onrecht over iedereen. Als niemand opstaat tegen het kwade dan heerst het kwade over iedereen. En we doen het zo gemakkelijk. Als Moslims worden beledigd omdat hun Islam voor achterlijk wordt uitgemaakt dan zwijgen we want we zijn toch geen Moslims en hangen de Islam niet aan. Als homo’s worden gepest dan gaan we een straatje om, want we zijn toch geen homo’s en als we dat wel zijn kijken we helemaal wel uit want het zou ons ook eens kunnen overkomen. Als zwervers worden weggejaagd dan kijken we een andere kant op want we zijn geen zwervers en we konden hun stank ook al niet verdragen. Zo kunnen we natuurlijk nog een tijdje doorgaan. Maar als jouw opvattingen voor achterlijk worden uitgemaakt, als jezelf wordt gepest, als je zelf ergens wordt weggejaagd, als het jou allemaal overkomt, wie staat er dan voor jou op?
Mozes was opgevoed als een prins van Egypte maar had moeten vluchten omdat hij een moordenaar was geworden. Nu hij doorkrijgt hoe het goede voor zijn volk gedaan zou moeten worden bekruipt hem dezelfde angst. Hij maakt kennis met een God die meegaat in het goede. Die meeging toen Abraham zijn land uit trok, die meetrok met Izaäk in Kanaän, die meeging met Jacob toen die naar Laban ging, die met Jozef was in Egypte. Die God belooft ook met ons mee te gaan in het goede. Wij noemen dat de Heilige Geest die in ons zal zijn als wij het goede doen en niet dan het goede, ja zonder die Geest zouden we het goede niet eens kunnen doen. Met die boodschap wordt Mozes naar de Farao gestuurd en naar zijn eigen volk. Beiden moeten de God van Israël leren kennen. Hier klinkt bij het voorlezen niet de naam van God,” Ik zal er zijn “, of de vier letters waarmee die naam wordt geschreven: JHWH, maar gesproken wordt van de Heer. Een politieke belijdenis. Want niet de Farao is de Heer van de wereld, maar de God van Israël, niet Mozes is de Heer van de Hebreeën, maar de God van Israël.
Zo is voor gelovigen in de God van Israël ook in onze dagen geen mens Heer over andere mensen. Ieder mens heeft een eigen taak en bij het uitvoeren van die taak mogen we allemaal hopen dat de Geest van de God van Israël met die mens is, dan kan die mens het goede doen bij het uitvoeren van de taak die die mens gegeven is, maar wie het kwade doet zal daar door iedereen op aangesproken en tegengesproken moeten worden, want het kwade zal niet mogen heersen op aarde. Zo wil volgens dit verhaal deze God gedacht worden. Hier wordt gesproken van aangeroepen, maar letterlijk staat er “dit is mijn gedachtenis van geslacht op geslacht”, dat betekent dat er telkens mensen geroepen worden om te gaan naar mensen in nood. Dat betekent voor ons dus dat wij ons geroepen mogen weten als we ons wenden tot mensen die in nood zijn, als we opstaan tegen het onrecht, als we spreken voor mensen die sprakeloos gemaakt zijn. Elke dag kan dat opnieuw, maar een extra verantwoordelijkheid is er als er verkiezingen komen, dan kunnen we onze stem eerst recht uitbrengen.

Hun jammerkreten

Exodus 2:23-3:10
23 Jaren gingen voorbij, en de koning van Egypte stierf. Maar de Israëlieten gingen nog altijd onder dwangarbeid gebukt. Ze klaagden luid en hun hulpgeroep steeg op naar God. 24  God hoorde hun jammerkreten en dacht aan het verbond dat hij met Abraham, Isaak en Jakob had gesloten. 25  Hij zag hoe de Israëlieten leden en trok zich hun lot aan. 1  Mozes was gewoon de schapen en geiten van zijn schoonvader Jetro, de Midjanitische priester, te weiden. Eens dreef hij de kudde tot voorbij het steppeland, en zo kwam hij bij de Horeb, de berg van God. 2  Daar verscheen de engel van de HEER aan hem in een vuur dat uit een doornstruik opvlamde. Mozes zag dat de struik in brand stond en toch niet door het vuur werd verteerd. 3  Hoe kan het dat die struik niet verbrandt? dacht hij. Ik ga dat wonderlijke verschijnsel eens van dichtbij bekijken. 4  Maar toen de HEER zag dat Mozes dat ging doen, riep hij hem vanuit de struik: ‘Mozes! Mozes!’ ‘Ik luister, ‘antwoordde Mozes. 5  ‘Kom niet dichterbij, ‘waarschuwde de HEER, ‘en trek je sandalen uit, want de grond waarop je staat, is heilig. 6  Ik ben de God van je vader, de God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jakob.’ Mozes bedekte zijn gezicht, want hij durfde niet naar God te kijken. 7  De HEER zei: ‘Ik heb gezien hoe ellendig mijn volk er in Egypte aan toe is, ik heb hun jammerklachten over hun onderdrukkers gehoord, ik weet hoe ze lijden. 8  Daarom ben ik afgedaald om hen uit de macht van de Egyptenaren te bevrijden, en om hen uit Egypte naar een mooi en uitgestrekt land te brengen, een land dat overvloeit van melk en honing, het gebied van de Kanaänieten, de Hethieten, Amorieten, Perizzieten, Chiwwieten en Jebusieten. 9  De jammerklacht van de Israëlieten is tot mij doorgedrongen en ik heb gezien hoe wreed de Egyptenaren hen onderdrukken. 10  Daarom stuur ik jou nu naar de farao: jij moet mijn volk, de Israëlieten, uit Egypte wegleiden.’ (NBV)
“Dit zijn de namen”, zo begint het boek dat wij Exodus noemen, maar dat in het Hebreeuws dus “de namen” heet. In het gedeelte dat we vandaag lezen krijgt de God van Israël eindelijk een naam. Die naam wordt nooit uitgesproken. Niet omdat die naam geheim is maar omdat die naam voor mensen zo geweldig is dat je siddert bij de gedachte er aan alleen al. Die naam heeft namelijk een bijzondere betekenis en die betekenis wordt in het gedeelte van vandaag al zichtbaar. Alleereerst heeft die God een verbond gesloten, met Abraham, met Isaäk en met Jakob. De Nieuwe Bijbelvertaling laat die laatste twee keer “met” weg, maar God heeft zowel met Abraham als met Isaäk en met Jakob telkens een nieuw verbond gesloten. Telkens wel dat het land Kanaän een land zou worden van een groot volk dat zou afstammen van Abraham en van Isaäk en van Jakob. Die belofte was er niet zomaar, dat verbond hield verplichtingen in, wederzijdse verplichtingen en daarom hoorde die God ook de jammerkreten van dat volk en trok die God hun lot aan.
En dan? Schieten er bliksemschichten van omhoog om de Farao en zijn volk te vernietigen? Komt er een engelenleger om tegen het leger van Egypte te vechten? Nee, zo werkt de God van Israël niet! Bevrijding van ellende gaat niet op gebed of op jammerkreten maar gaat door het werk van mensen. Mozes in dit geval. Die zag een boodschapper in een vuur dat uit een doornstruik ontvlamde op de berg van die God, een struik die brandde maar niet verteerde. Geleerden zeggen dat het een soort struik is die, als die bloeit, de indruk wekt in brand te staan. Zo’n struik groeit in de woestijn. Maar Mozes ziet er een boodschap van zijn God in. Dit is heilige grond, daar bloeien planten in de woestijn. Zou zo het volk Israël kunnen bloeien? Was er niet een land beloofd waar ze net zo konden bloeien als al die andere volken buiten Egypte? Zou er niet een land zijn overvloeiende van melk en honing? Zou je dan niet de hulp van die God kunnen krijgen als je naar de Farao gaat om de vrijheid voor dat volk te verkrijgen? Dat zou het moeten zijn. Als je de God van dat volk zelfs achter in de woestijn kunt ontmoeten, want achter de woestijn ligt immers dat beloofde land.
Wat is dat voor een God die zegt geen naam maar een boodschap te hebben: “Ik zal er zijn zoals ik er zijn zal” De God die er was voor Abraham, die er was voor Izaäk. die er was voor Jakob, die er voor elk van hen was zoals hij er voor hen wilde zijn, die er voor Mozes was zoals hij er voor hem wilde zijn, die er voor zijn volk wilde zijn zoals hij voor dat volk wilde zijn, die er voor elk van ons is zoals hij voor elk van ons wil zijn. En zeg nu niet dat de God van een ander, de God die met die ander meegaat, een andere God is is dan de God die er voor jou is, die met jou meetrekt. Samen kun je die God aanbidden, door er voor elkaar te zijn, door elkaar te bevrijden van angst voor elkaar, elkaar te bevrijden van slavernij en dat wat je vasthoudt en weg van elkaar. Die God stuurt elk van ons op weg, dezelfde weg die Mozes moet gaan, maar elk van ons met een verschillende opdracht. Want voor elk van ons is die God de God die met ons meetrekt omdat hij het geroep van zijn kinderen heeft gehoord, omdat hij hen een wereld beloofd heeft waar alle tranen gedroogd zijn. Daarom hoeven wij niet meer de naam van die God te noemen: we moeten voor hem op weg gaan.

Maak mij standvastig

Psalm 51
1 Voor de koorleider. Een psalm van David, 2 toen de profeet Natan hem had bezocht, nadat hij met Batseba geslapen had. 3 Wees mij genadig, God, in uw trouw, u bent vol erbarmen, doe mijn daden teniet, 4 was mij schoon van alle schuld, reinig mij van mijn zonden. 5 ik ken mijn wandaden, ik ben mij steeds van mijn zonden bewust, 6 tegen u, tegen u alleen heb ik gezondigd, ik heb gedaan wat slecht is in uw ogen. Laat uw uitspraak rechtvaardig zijn en uw oordeel zuiver. 7 Ik was al schuldig toen ik werd geboren, al zondig toen mijn moeder mij ontving, 8 maar u wilt dat waarheid mij vervult, u leert mij wijsheid, diep in mijn hart. 9 Neem met majoraan mijn zonden weg en ik word rein, was mij en ik word witter dan sneeuw. 10 Laat mij vreugde en blijdschap horen: u hebt mij gebroken, laat mij ook juichen. 11 Sluit uw ogen voor mijn zonden en doe heel mijn schuld teniet. 12 Schep, o God, een zuiver hart in mij, vernieuw mijn geest, maak mij standvastig, 13 verban mij niet uit uw nabijheid, neem uw heilige geest niet van mij weg. 14 Red mij, geef mij de vreugde van vroeger, de kracht van een sterke geest. 15 Dan wil ik verdwaalden uw wegen leren, en zullen zondaars terugkeren tot u. 16 U bent de God die mij redt, bevrijd mij, God, van de dreigende dood, en ik zal juichen om uw gerechtigheid.17 Ontsluit mijn lippen, Heer, en mijn mond zal uw lof verkondigen. 18 U wilt van mij geen offerdieren, in brandoffers schept u geen behagen. 19 Het offer voor God is een gebroken geest; een gebroken en verbrijzeld hart zult u, God, niet verachten. 20 Wees Sion welgezind en schenk het voorspoed, bouw de muren van Jeruzalem weer op. 21 Dan zult u de juiste offers aanvaarden, offers in hun geheel verbrand, dan legt men stieren op uw altaar. (NBV)
De afgelopen week is er heel wat afgezongen in afwachting van de feestdag van afgelopen woensdag, de zogenaamde Aswoensdag. En uitgerekend aan het eind van de week na deze Aswoensdag zingen we mee met Koning David in een lied dat hij zong toen hij met Batseba geslapen had en daarover door Nathan de profeet was onderhouden. Het is de vierde dag van de 40 dagen die ons nog resten tot de Pasen. Een tijd van soberheid en inkeer, vanouds een tijd waarin men zich onthoud van uitbundige feesten, maaltijden en drinkgelagen. De profeet had David de prachtige gelijkenis verteld van de rijke man die zijn omvangrijke kudde niet wilde verkleinen om een gast te eten te geven, maar het enige lam van zijn buurman liet slachten. David zingt dat hij het eindelijk snapt en dat hij een zuiver hart en een nieuwe geest nodig heeft om de Liefde voor de mensen, de liefde voor zijn volk, tot uitgangspunt voor zijn leven te maken. Zo mogen we de vastentijd in, ons bewust dat we ons lang niet altijd door de liefde laten leiden maar vooral door wat we zelf aan plezier willen. Maar ook door het besef dat ons laten leiden door de liefde oneindig veel vruchtbaarder is en dat we daar elk moment van elke dag opnieuw mee mogen beginnen. Zelfs in de vastentijd maakt dat ons aan het zingen.
De meeste mensen blijven hun hele leven houden van de muziek die ze in hun vroege pubertijd leuk hebben gevonden. Natuurlijk maken ze een ontwikkeling door in hun smaak. Maar als ze de muziek horen die ze tussen hun 12de en hun 16de mooi vonden dan verschijnt er een glimlach op hun gezicht en vragen ze vaak of het even stil kan zijn. Het is de vreugde van vroeger waar je heel je leven naar kan blijven verlangen. De tijd dat vader en moeder nog de regels stelden en ons grootbrachten tot vrijheid. Langzaam mocht je meer maar je wist dat je je steeds moest verantwoorden en dat handelen op eigen houtje zou worden afgestraft. Gehoorzaamheid werd beloond met lekker eten, schone kleren een warme kachel en af en toe wat langer opblijven. Maar in het leven van deze tijd gaat het om andere zaken. Het verlangen naar geborgenheid is goed maar daar moet je zelf aan werken. De Psalmist vraagt ook niet om terug te mogen keren naar de tijd dat er zelf niets meer te beslissen viel, de Psalmist wil terug naar de tijd voor het verdriet dat door David is aangericht in zijn begeerte naar Batseba. Naar de tijd voor het bittere lot dat hij de echtgenoot van Bathseba heeft aangedaan.
Deze Psalm is immers geschreven nadat David op zijn vingers was getikt. Hij wil weer terug naar de tijd dat hij zelf aan anderen gerechtigheid leerde, bevrijd van angst voor de dreigende dood. David had voor hij koning was getoond niet bang te zijn voor de dood. Hij spaarde het leven van Saul, de koning die naar hem op jacht was, omdat toen het doden van een medemens, een broeder, buiten de orde voor hem was. Gerechtigheid daar gaat het dus om, ook vandaag, ook in onze steden en dorpen. Niet om uiterlijk religieus vertoon maar om het centraal stellen van Liefde. Om het centraal stellen van Samen Delen, om het verheffen van de armen. Jezelf durven opofferen voor de ander. Worden de voedselbanken overbodig, en zo niet krijgen ze voldoende steun van de gemeente en leert de gemeente van hen de tekortkomingen in de zorg voor de minima? Komen er eerlijke handelsverhoudingen met de arme landen? Geven we kinderen met gelijke capaciteiten ook gelijke kansen? Sommige vragen zijn voor de regering andere voor een stadsbestuur. Maar het zijn slechts enkele vragen waar we antwoorden op mogen verwachten, antwoorden niet in de vorm van woorden maar in de vorm van de daden van Liefde. Daden die lijken op de daden van onze vaders en moeders, die ons doen gaan denken aan de vreugde van vroeger. Daarom zullen we die vragen moeten stellen, elke dag opnieuw, luid en duidelijk.

Ieder die vraagt ontvangt

Matteüs 7:1-12
1 Oordeel niet, opdat er niet over jullie geoordeeld wordt. 2 Want op grond van het oordeel dat je velt, zal er over je geoordeeld worden, en met de maat waarmee je meet, zal jou de maat genomen worden. 3 Waarom kijk je naar de splinter in het oog van je broeder of zuster, terwijl je de balk in je eigen oog niet opmerkt? 4 Hoe kun je tegen hen zeggen: “Laat mij de splinter uit je oog verwijderen, ”zolang je nog een balk in je eigen oog hebt? 5  Huichelaar, verwijder eerst de balk uit je eigen oog, pas dan zul je scherp genoeg zien om de splinter uit het oog van je broeder of zuster te verwijderen. 6  Geef wat heilig is niet aan de honden en gooi je parels niet voor de zwijnen; die zouden ze maar met hun poten vertrappen, zich omkeren en jullie verscheuren. 7 Vraag en er zal je gegeven worden, zoek en je zult vinden, klop en er zal voor je worden opengedaan. 8 Want ieder die vraagt ontvangt, en wie zoekt vindt, en voor wie klopt zal worden opengedaan. 9 Is er iemand onder jullie die zijn kind, als het om een brood vraagt, een steen zou geven? 10  Of een slang, als het om een vis vraagt? 11  Als jullie dus, ook al zijn jullie slecht, je kinderen al goede gaven schenken, hoeveel te meer zal jullie Vader in de hemel dan het goede geven aan wie hem daarom vragen. 12  Behandel anderen dus steeds zoals je zou willen dat ze jullie behandelen. Dat is het hart van de Wet en de Profeten. (NBV)
Het hart van de Hebreeuwse Bijbel, ons Oude Testament, daar gaat dit gedeelte van de Bijbel over. En dat hart is dat je anderen moet behandelen zoals je zelf zou willen worden behandeld, de gulden regel die eigenlijk in alle godsdiensten voor komt. In het gedeelte van vandaag wordt die regel verder uitgewerkt. In de eerste plaats wil niemand dat er allerlei oordelen over je geveld worden. Roddel en achterklap zijn dodelijk. Als je wat fout gedaan hebt ben je de eerste die dat weet en als je dat ook echt gedaan hebt is het niet erg dat iemand daar op wijst. Als het strafbaar is wat je gedaan hebt is het ook te dragen als je het echt hebt gedaan. Maar als een oordeel op dubieuze gronden is uitgesproken en je hebt het niet gedaan kunnen er rampen gebeuren. Dan kunnen mensen jaren in de gevangenis zitten voordat blijkt dat iemand anders het misdrijf heeft begaan.
De voortschrijding van de techniek maakt ontdekkingen mogelijk maar moet ons ook extra voorzichtig maken. Al die fouten in de rechtspraak moeten ons ook voorzichtiger maken een oordeel te vellen zonder als rechter alle feiten en omstandigheden zorgvuldig te hebben onderzocht. Ook een oordeel over rechters die fouten maken of oordelen vellen waar we het niet mee eens lijken te zijn hoort bij de oordelen waarmee we extra voorzichtig moeten zijn. Waar het om gaat is mensen lief te hebben en vanuit de liefde mensen te behandelen. Dan zorg je voor ze net alsof je voor jezelf zorgt. Dan weet je dat het geen zin heeft parels voor de zwijnen te werpen ofwel dingen te vragen die onmogelijk zijn, ook al kan een ander het nog zo hard nodig hebben en zou je het die ander nog zo ongelofelijk graag gunnen. Maar als je je er echt voor wilt inzetten, als je aanklopt bij de juiste mensen en bondgenoten zoekt, bereid bent ook op anderen een beroep te doen om dingen voor elkaar te krijgen voor mensen die het dringend nodig hebben, dan kan er altijd meer dan je denkt. Dan kan er zeker meer dan je in je eentje zou kunnen.
Daarom is de gemeenschap van gelovigen ook zo belangrijk. Daarom wordt er zo vaak gesproken over een Koninkrijk. Een koninkrijk heeft niet maar één gelovige als onderdaan maar velen die samen de aarde een ander gezicht kunnen geven. Daarom zijn leerlingen, apostelen, werkers in de wijngaard, altijd met meerderen. Samen kunnen ze veel betekenen, samen kunnen ze veel voor elkaar krijgen. De Hebreeuwse Bijbel gaat over een heel volk, het volk Israel. Over dat volk ging het verhaal dat het een voorbeeld zou moeten kunnen zijn voor alle volken op aarde. Uiteindelijk zouden alle volken zich naar Jeruzalem keren. De God van dat volk is de enige Heer in de wereld. Dat volk is opgegaan in het Romeinse Rijk en over de wereld verspreid. Uit dat volk, zeker niet in plaats van dat volk, is de Christenheid voortgekomen. De beweging van mensen die de Weg van Jezus van Nazareth willen gaan, eerlijk delen en onvoorwaardelijk beschikbaar zijn voor de minsten op aarde. In de Geest van Jezus van Nazareth zullen we nu samen de aarde een ander gezicht moeten geven, zodat er een aarde komt waar alle tranen zijn gewist.

Kijk eens naar de lelies

Matteüs 6:19-34
19 Verzamel voor jezelf geen schatten op aarde: mot en roest vreten ze weg en dieven breken in om ze te stelen. 20 Verzamel schatten in de hemel, daar vreten mot noch roest ze weg, daar breken geen dieven in om ze te stelen. 21  Waar je schat is, daar zal ook je hart zijn. 22  Het oog is de lamp van het lichaam. Dus als je oog helder is, zal heel je lichaam verlicht zijn. 23  Maar als je oog troebel is, zal er in heel je lichaam duisternis zijn. Als het licht in jezelf verduisterd is, hoe groot is dan die duisternis! Kijk eens naar de lelies 24  Niemand kan twee heren dienen: hij zal de eerste haten en de tweede liefhebben, of hij zal juist toegewijd zijn aan de ene en de andere verachten. Jullie kunnen niet God dienen en de mammon. 25  Daarom zeg ik jullie: maak je geen zorgen over jezelf en over wat je zult eten of drinken, noch over je lichaam en over wat je zult aantrekken. Is het leven niet meer dan voedsel en het lichaam niet meer dan kleding? 26  Kijk naar de vogels in de lucht: ze zaaien niet en oogsten niet en vullen geen voorraadschuren, het is jullie hemelse Vader die ze voedt. Zijn jullie niet meer waard dan zij? 27 Wie van jullie kan door zich zorgen te maken ook maar één el aan zijn levensduur toevoegen? 28 En wat maken jullie je zorgen over kleding? Kijk eens naar de lelies, kijk hoe ze groeien in het veld. Ze werken niet en weven niet. 29 Ik zeg jullie: zelfs Salomo ging in al zijn luister niet gekleed als een van hen. 30  Als God het groen dat vandaag nog op het veld staat en morgen in de oven gegooid wordt al met zo veel zorg kleedt, met hoeveel meer zorg zal hij jullie dan niet kleden, kleingelovigen? 31  Vraag je dus niet bezorgd af: “Wat zullen we eten?” of: “Wat zullen we drinken?” of: “Waarmee zullen we ons kleden?” 32  dat zijn allemaal dingen die de heidenen najagen. Jullie hemelse Vader weet wel dat jullie dat alles nodig hebben. 33  Zoek liever eerst het koninkrijk van God en zijn gerechtigheid, dan zullen al die andere dingen je erbij gegeven worden. 34  Maak je dus geen zorgen voor de dag van morgen, want de dag van morgen zorgt wel voor zichzelf. Elke dag heeft genoeg aan zijn eigen last. (NBV)
Het zijn beelden uit lang vervlogen tijden. Schatkamers uitgraven om je schatten op te slaan. Schatkamers waar dieven zich een weg naar toe kunnen graven om de schatten te stelen. Zo doen we dat niet meer. De echte schatten zetten we op de bank en kunstschatten en kostbare voorwerpen bewaren we thuis, achter hoge hekken voorzien van kostbare beveiligingsapparatuur en bewaakt door kloeke veiligheidsfunctionarissen in dienst van grote organisaties. En als je dat zo op een rijtje zet dan besef je weer waar deze passage uit Matteüs over gaat.  Over de vraag hoe ga je ook om met je schatten? Als je die hebt ben je in staat een stukje hemel op aarde te brengen. Door ze te delen met hen die ze nodig hebben namelijk. Dan heb je die banken en die veiligheidsdiensten, noch de hekken en installaties nodig. Ook het geld dat je daar aan kwijt zou zijn kun je dan delen met hen die niets hebben. De mensen die dat saaie bewakingswerk deden kunnen beter werk doen in de zorg voor ouderen en chronisch zieken.
Zorgen voor levende mensen is immers oneindig veel bevredigender dan de zorg voor dode dingen. Maar let eens op wat gemeenten doen, over het algemeen scholen ze werklozen liever om voor de beveiliging dan voor de zorg of de kinderopvang. Beveiliging is voor de rijken die het kunnen en willen betalen, zorg en kinderopvang komt meest ten goede aan de armen. Waar je schat is zal ook je hart zijn staat er en waarom zou je hart niet bij je naaste zijn waarvan je immers net zo veel houdt als van jezelf. Maar ja, hoe ziet het er dan uit. Dan zijn er geen dure goederen meer waar je mee kunt pronken. Dan zijn er geen grote benzine slurpende auto’s meer waar je in rond kunt rijden. Dan zijn er geen kostbare schoonheidsoperaties, geen dure maatpakken of haute couture kleding meer. Dan ziet het er allemaal maar sober en eenvoudig uit. Het oog wil toch wat nietwaar? Nou van dat oog dat ook wat wil moet je je maar niks aantrekken.
Hoewel, denk nog eens terug aan die jongeren in de jaren 60 die met verf en oude gordijnen de kleurrijkste kleren wisten te toveren. Hoe je naar mensen kijkt maakt uit wie je bent. Kijk je naar mensen als voorwerpen die je genot kunnen bevredigen en die je na afloop desnoods door een vriendje in zee kunt laten dumpen? Kijk je naar dingen om er mee te kunnen pronken en duur te kunnen doen? Mensen stralen uit wat ze zijn, dat betekent hoe ze naar mensen en dingen kijken. Iemand die verliefd is straalt, van iemand die van mensen houdt wordt gezegd dat die een warme persoonlijkheid bezit. Van iemand die naar mensen kijkt als waren het voorwerpen wordt gezegd dat die een koude en onpersoonlijke blik heeft. Mensen gruwen er van. Kijk vandaag eens om je heen en ervaar hoe je kijkt en dus hoe je gezien wordt. Want elke dag mag je werken aan je eigen warme persoonlijkheid, en aan een land en een wereld voor warme persoonlijkheden, ook vandaag weer.

Trek je dan in je huis terug

Matteüs 6:1-18
1 Let op dat jullie de gerechtigheid niet beoefenen voor de ogen van de mensen, alleen om door hen gezien te worden. Dan beloont jullie Vader in de hemel je niet. 2 Dus wanneer je aalmoezen geeft, bazuin dat dan niet rond, zoals de huichelaars doen in de synagoge en op straat om door de mensen geprezen te worden. Ik verzeker jullie: zij hebben hun loon al ontvangen. 3  Maar als je aalmoezen geeft, laat dan je linkerhand niet weten wat je rechterhand doet. 4 Zo blijft je aalmoes in het verborgene, en jullie Vader, die in het verborgene ziet, zal je ervoor belonen. 5  En wanneer jullie bidden, doe dan niet als de huichelaars die graag in de synagoge en op elke straathoek staan te bidden, zodat iedereen hen ziet. Ik verzeker jullie: zij hebben hun loon al ontvangen. 6 Maar als jullie bidden, trek je dan in je huis terug, sluit de deur en bid tot je Vader, die in het verborgene is. En jullie Vader, die in het verborgene ziet, zal je ervoor belonen. 7 Bij het bidden moeten jullie niet eindeloos voortprevelen zoals de heidenen, die denken dat ze door hun overvloed aan woorden verhoord zullen worden. 8  Doe hen niet na! Jullie Vader weet immers wat jullie nodig hebben, nog vóór jullie het hem vragen. 9  Bid daarom als volgt: Onze Vader in de hemel, laat uw naam geheiligd worden, 10 laat uw koninkrijk komen en uw wil gedaan worden op aarde zoals in de hemel. 11  Geef ons vandaag het brood dat wij nodig hebben. 12 Vergeef ons onze schulden, zoals ook wij hebben vergeven wie ons iets schuldig was. 13 En breng ons niet in beproeving, maar red ons uit de greep van het kwaad. 14 Want als jullie anderen hun misstappen vergeven, zal jullie hemelse Vader ook jullie vergeven. 15 Maar als je anderen niet vergeeft, zal jullie Vader jullie je misstappen evenmin vergeven. 16 Wanneer jullie vasten, zet dan niet zo’n somber gezicht als de huichelaars, want zij doen dat om iedereen te laten zien dat ze aan het vasten zijn. Ik verzeker jullie: zij hebben hun loon al ontvangen. 17  Maar als jullie vasten, was dan je gezicht en wrijf je hoofd in met olie, 18  zodat niemand ziet dat je aan het vasten bent, alleen je Vader, die in het verborgene is. En jullie Vader, die in het verborgene ziet, zal je ervoor belonen. (NBV)
Het Bijbelgedeelte dat we vandaag gelezen hebben laat ons zien dat gerechtigheid doen hetzelfde kan zijn als delen met de minste. In het eerste vers is vertaald met “gerechtigheid doen”, in het tweede vers met “aalmoezen geven”. Nu is gerechtigheid tegenwoordig meer doen dan aalmoezen geven, maar in de tijd dat het Evangelie van Matteüs geschreven werd was het geven van aalmoezen een goede daad, je kon ook niet veel anders. Jezus van Nazareth begon met een andere manier van gerechtigheid betrachten. Hij “genas” mensen die langs de kant stonden te bedelen, of wel: hij gaf ze een nieuwe plaats in de samenleving zodat ze zelf weer mee konden doen. Jezus van Nazareth maant zijn volgelingen het delen van geld en goed te doen in dienst te stellen van de mensen die het nodig hebben en niet te gebruiken als reclameobject voor eigen eer, net als vasten niet voor je eigen eer moet zijn. Het “Onze Vader” is het gebed dat over heel de wereld al eeuwen lang het meest gebeden gebed is. Het is het enige gebed dat uitdrukkelijk aan gelovigen wordt onderwezen. Het werd dus ooit gegeven, als tegenstelling met al die bidders die met veel woorden. het liefst in het openbaar, graag laten horen hoe mooi ze wel niet kunnen bidden. Dit gebed hoort in de binnenste binnenkamer en dan is het genoeg.
Samen bidden in de Kerk is daarvoor niet meer dan een oefening. Wat vraag je eigenlijk met dit gebed? Als je goed leest is het enige dat je voor jezelf vraagt het brood dat je voor een dag nodig hebt. De meeste armen op de wereld durven ook niet op veel meer te hopen, als je het brood voor één dag hebt kunnen krijgen dan leef je weer een dag verder. Het dagelijks brood moet je er daarom ook bewust van maken hoezeer veel mensen het nodig hebben dat je deelt van alles wat je meer gegeven is dan het brood voor de dag. Want het gebed begint met de wens dat Gods koninkrijk zal komen, eigenlijk dat Gods Naam: “ik zal er zijn” het belangrijkste op aarde zal zijn en dat de wil van God zal gebeuren, dus dat we allemaal onze naaste lief zullen hebben als onszelf. En als we dan het brood gekregen hebben dat we nodig hebben dan moeten we zelf iets gaan doen. Schulden vergeven. Meestal wordt hier gezegd dat je mensen moet vergeven die je iets kwaad hebben gedaan, maar het staat er niet. De armsten in de wereld zijn zij die grote schulden aan het rijke westen hebben.
Wij hebben het zo rijk, wij hebben zoveel brood gekregen, dat we geen schulden meer hebben, of ons die schulden gemakkelijk kunnen veroorloven. Maar nu het vergeven van hen die ons iets schuldig zijn. Het kwijtschelden van schulden van arme landen is wel een paar keer een beetje gebeurd maar blijft een moeilijke zaak. Ook in onze samenleving blijft het moeilijk mensen te beschermen tegen het al te gemakkelijk aangaan van leningen. Niet lenen is het begin van het vergeven van hen die ons iets schuldig zijn. Niet meedoen zet de toon voor een andere manier van leven, een manier die de armen ten goede kan komen. Maar de verleiding, of beproeving is groot, wees je dus bewust van de kwade gevolgen ook voor anderen van je eigen gewoonten. Het aantal schulden dat het leven van mensen bijna onmogelijk maakt neemt nog elk jaar toe. Daarom is het stellen van voorbeelden, “ik leen niet ik spaar”, hard nodig. Dan pas kun je de misstappen van anderen vergeven. En dat vergeven van het kwaad dat je is aangedaan? Ga daar niet te gemakkelijk mee om. Kwaad is pas te vergeven als het kwaad is uitgebannen, zorg dus dat mensen dat kwaad niet meer doen, zonder er zelf kwaad tegenover te stellen maar door er goed tegenover te stellen, dat is pas vergeven. Gelukkig dat we er elke dag weer opnieuw mee mogen beginnen, elke keer als we bidden om ons dagelijks brood, ook vandaag mag dat weer.