Donderslagen en lichtflitsen

Exodus 20:18-26
18  Heel het volk was getuige van de donderslagen en lichtflitsen, het schallen van de ramshoorn en de rook die uit de berg kwam. Bij die aanblik deinsden ze achteruit, en ze bleven op grote afstand staan. 19 Ze zeiden tegen Mozes: ‘Spreekt u met ons, wij zullen naar u luisteren. Maar laat God niet met ons spreken, want dan sterven we.’ 20 Maar Mozes antwoordde: ‘Wees niet bang, God is gekomen om u op de proef te stellen en u met ontzag voor hem te vervullen, zodat u niet meer zondigt.’ 21 En terwijl het volk op een afstand bleef staan, ging Mozes naar de donkere wolk waarin God aanwezig was. 22 De HEER droeg Mozes op het volgende tegen de Israëlieten te zeggen: ‘Jullie zijn er getuige van geweest dat ik vanuit de hemel tot jullie heb gesproken. 23 Je mag daarom geen goden van zilver of goud maken om die naast mij te vereren. 24 Maak voor mij een altaar van aarde, en slacht daarop je schapen, geiten en runderen voor de brandoffers en vredeoffers. Op elke plaats waar ik mijn naam wil laten noemen, zal ik naar jullie toe komen en je zegenen. 25 Als je voor mij een stenen altaar wilt bouwen, gebruik dan geen gehouwen stenen, want door de stenen met een beitel te bewerken ontwijd je ze. 26 En breng geen treden aan, want als je daarlangs omhoog zou gaan, zou men je geslachtsdelen zien.’(NBV)
Het volk wordt dus onthaald door een dondergod. Donder en bliksem, rook uit de berg en dan ook nog dat doordringende geluid van de ramshoorns. Je wordt er bang van. Dat hoeft niet. Wie bang wordt loopt weg en ontmoet die God dus niet. Veel en veel later zal de profeet Elia naar dezelfde berg vluchten en daar ook diezelfde God ontmoeten, dat is dan niet in bliksem en donder, juist in de storm die aan Elia voorbijtrekt is die God niet aanwezig, maar die God is voor hem in het zacht ruisen van een bries. Maar die dondergod heeft in de loop van de eeuwen de meeste indruk gemaakt. In sommige kerken wordt die dondergod nog wel aan de gemeente voorgehouden en de dominee dondert dan minstens net zo hard als de donder op de Horeb uit het verhaal van vandaag. Ook buiten de kerken, door ongelovigen, wordt graag gesproken over een dondergod waar men dan niet meer in wil geloven.
Je hoort zelden een preek over het laatste vers van het gedeelte dat we vandaag uit de Bijbel lezen. Dat de Bijbel een boek is waar over de meest ernstige onderwerpen grapjes worden gemaakt wil er zelfs bij de trouwe gelovigen eigenlijk niet in. Toch is het zo. Al dat vertoon van grootheid, van almacht eindigt er mee dat de God van Israël alleen maar altaren wil van ruwe stenen en dan zonder trappen, zonder zich te verheffen boven de aarde dus. Ook degene die offert moet zich vooral niet verheffen boven de anderen. Dat offeren doen we af en toe ook door te vasten. Dat vasten is dan het opgeven van luxe, even terug om te weten hoe geweldig het is allerlei extra te mogen ontvangen van de God van Israël. Jezus van Nazareth hield zijn volgelingen voor dat je dat vasten voor jezelf moet houden. Daarmee moet je niet de anderen de ogen uitsteken, je niet beter voordoen dan zij die niet kunnen vasten, die het zich helemaal niet kunnen permitteren om te vasten. Als je eten van de voedselbank komt dan heb je echt geen luxe waar je een tijdje zonder zou kunnen om te vasten. Wie in de 40 dagen dan ook over het eigen vasten spreekt moet dus eigenlijk gewantrouwd worden.
Maar hoe zit dat dan met het aanbidden van die God van Israël. Je hoeft niet op de grond gaan liggen van angst. Je hoeft geen mooie fraai versierde altaren maken. Ruwe stenen zijn genoeg en alleen als die God het zelf nodig vindt zal die God daar aanwezig zijn. Wij mensen hebben er toch behoefte aan het hogere te aanbidden, zo wil die God van Israël niet zijn. Wij kijken naar de beste, de rijkste, de meest succesvolle, de persoon die genezen is van een ongeneeslijke ziekte, die ondanks een handicap toch rijk kan worden. We houden op allerlei terreinen zelfs wedstrijdjes waar we massaal naar kijken. Zelfs de liefde voor boeren en boerinnen lijkt een wedstrijd geworden te zijn tussen mogelijke partners uit wie gekozen moet worden. De God van Israël roept dan ineens dat naast die God geen beelden van zilver en goud mogen worden gemaakt. De winnaars van zilver en goud zijn ook maar gewone mensen en beelden worden door mensen gemaakt. Jezus van Nazareth zal ons veel later in het verhaal uitleggen waar die God zou willen zijn. Als twee of drie mensen in zijn naam bij elkaar zijn. En zijn naam is geen toverspreuk maar een uiting van liefde. Als twee of drie mensen bijeen zijn om elkaar te helpen, om elkaar te steunen of te troosten, dan is God er bij. Daar mogen we op rekenen, elke dag opnieuw, ook vandaag dus.

Toen sprak God deze woorden

Exodus 20:1-17

1 Toen sprak God deze woorden: 2 ‘Ik ben de HEER, uw God, die u uit Egypte, uit de slavernij, heeft bevrijd.3 Vereer naast mij geen andere goden.4 Maak geen godenbeelden, geen enkele afbeelding van iets dat in de hemel hier boven is of van iets beneden op de aarde of in het water onder de aarde. 5 Kniel voor zulke beelden niet neer, vereer ze niet, want ik, de HEER, uw God, duld geen andere goden naast mij. Voor de schuld van de ouders laat ik de kinderen boeten, en ook het derde geslacht en het vierde, wanneer ze mij haten; 6 maar als ze mij liefhebben en doen wat ik gebied, bewijs ik hun mijn liefde tot in het duizendste geslacht. 7 Misbruik de naam van de HEER, uw God, niet, want wie zijn naam misbruikt laat hij niet vrijuit gaan. 8 Houd de sabbat in ere, het is een heilige dag. 9 Zes dagen lang kunt u werken en al uw arbeid verrichten, 10 maar de zevende dag is een rustdag, die gewijd is aan de HEER, uw God; dan mag u niet werken. Dat geldt voor u, voor uw zonen en dochters, voor uw slaven en slavinnen, voor uw vee, en ook voor vreemdelingen die bij u in de stad wonen. 11 Want in zes dagen heeft de HEER de hemel en de aarde gemaakt, en de zee met alles wat er leeft, en op de zevende dag rustte hij. Daarom heeft de HEER de sabbat gezegend en heilig verklaard. 12 Toon eerbied voor uw vader en uw moeder. Dan wordt u gezegend met een lang leven in het land dat de HEER, uw God, u geven zal. 13 Pleeg geen moord. 14 Pleeg geen overspel. 15 Steel niet. 16 Leg over een ander geen vals getuigenis af. 17 Zet uw zinnen niet op het huis van een ander, en evenmin op zijn vrouw, op zijn slaaf, zijn slavin, zijn rund of zijn ezel, of wat hem ook maar toebehoort.’ (NBV)
De tien geboden lezen we vandaag dus. Wat moeten we daar nog over zeggen, er zijn dikke boeken vol over deze 17 verzen uit het boek Exodus geschreven. En in het boek Deuteronomium kom je deze diverse geboden ook tegen en die zijn dan weer met deze verzen uit Exodus vergeleken en daar zijn dan ook weer dikke boeken over geschreven en over die lijst met geboden uit Deuteronomium kun je ook nog heel veel lezen. Dus wat er nog aan toe te voegen? De meeste mensen kennen er toch een aantal van en of ze nu geloven of niet, bij een kerk horen of niet, dit zijn volgens de meeste mensen toch de grondregels waaraan iedereen zich zou moeten houden. Als je ze goed leest verzucht je overigens vanzelf: “waarom houden de meeste mensen zich er dan toch niet aan?” Misschien omdat het geen geboden zijn waar je je alleen maar te houden hebt. Dat is iets wat we maar weinig horen en nog minder vaak te lezen krijgen. Toch is dat zo. We spreken in kerken tegenwoordig over de tien woorden. Elk van die spelregels die hier staan is dan een woord.
Dat komt van het Hebreeuwse “Dabar” dat woord, zaak of ding betekent, maar zeker geen wet. Dat we niet meer over een wet spreken komt ook door de unieke bron van deze regels en het bijzondere verhaal dat er bij hoort. De bron is de God van Israël. De regels maken deel uit van een verbond dat tussen die God en zijn volk gesloten is. Dat verbond houdt in dat deze God de God van Israël zal zijn en dat het volk Israël het volk van die God zal zijn. Er was geen land toen die regels werden opgesteld. Alleen een groep ontvluchtte slaven. Drie maanden daarvoor waren ze uit Egypte gevlucht. De meesten van hen waren afstammelingen van het huis van Jacob, zeventig mensen die vanwege een hongersnood naar Egypte waren gevlucht. Daar hadden ze 400 jaar gewoond tot ze een aardig groot volk waren geworden dat door de Egyptenaren tot een slavenvolk was gemaakt. Omwille van hun afwijkende godsdienst hadden ze eerst gevraagd om in de woestijn hun God te mogen aanbidden maar dat was ze geweigerd. Egypte was echter getroffen door een serie rampen die uiteindelijk aan die God van Israël werden toegeschreven.
Toen alle eerstgeborenen waren gestorven hadden ze die slaven het land uitgejaagd. Daar hadden zich Egyptenaren en andere slaven zich bij aangesloten. Nu waren ze echt een volk. Een volk onderweg naar een eigen land. Dat eigen land moesten ze op een nieuwe manier inrichten. En dat is dus de eerste functie van deze tekst, zo richt je een samenleving van bevrijde slaven in. Het is dus geen grondwet voor individuen, maar een blauwdruk voor een samenleving van bevrijding. Daarom kan er ook gezegd worden dat afwijking van die blauwdruk ten nadele komt van de kinderen en de kleinkinderen. Voordat je weer iedereen bevrijd hebt van slavernij kan het wel een tijdje duren. Als we om ons heen kijken zien we eigenlijk geen land ter wereld waar deze blauwdruk de grondslag van de samenleving vormt. Geen volk doet het zonder mensen te kunnen doden, veel volken doen dat ook daadwerkelijk, soms te begrijpen, meestal te verwerpen. Maar volgens de Christelijke verhalen is aan alle volken de oproep om hun samenleving in te richten volgens deze grondslagen. Daar moesten we deze week dus maar eens mee beginnen, het kan elke dag opnieuw ook vandaag weer.

Zijn oor luistert naar hun hulpgeroep.

Psalm 34

1 Van David, toen hij zich aan het hof van Abimelech als een krankzinnige voordeed en pas wegging toen deze hem verjoeg. 2 De HEER wil ik prijzen, elk uur van de dag, mijn mond is altijd vol van zijn lof. 3 Laat mijn leven een loflied zijn voor de HEER, de nederigen zullen het met vreugde horen. 4 Roem met mij de grootheid van de HEER, sluit u aan om zijn naam te verheffen. 5 Ik zocht de HEER en hij gaf antwoord, hij heeft mij van alle angst bevrijd. 6 Wie naar hem opzien, stralen van vreugde, schaamte zal hun gezicht niet kleuren. 7 In mijn verdrukking riep ik tot de HEER, hij heeft geluisterd en mij uit de nood gered. 8 De engel van de HEER waakt over wie hem vrezen, en bevrijdt hen. 9 Proef, en geniet de goedheid van de HEER, gelukkig de mens die bij hem schuilt. 10 Vromen, heb ontzag voor de HEER: wie hem vreest lijdt geen gebrek. 11 Jonge leeuwen lopen hongerig rond, wie de HEER zoekt, ontbreekt het aan niets. 12 Kom, kinderen, luister naar mij, ik leer je ontzag voor de HEER. 13 Hebben jullie het leven lief, wil je goede jaren genieten? 14 Behoed dan je tong voor het kwaad, je lippen voor woorden van bedrog. 15 Mijd het kwade, doe wat goed is, streef naar vrede, jaag die na. 16 Het oog van de HEER rust op de rechtvaardigen, zijn oor luistert naar hun hulpgeroep. 17 Toornig ziet de HEER wie kwaad doen aan, hij wist hun namen op aarde uit. 18 De HEER hoort de kreten van de rechtvaardigen, hij bevrijdt hen uit de nood, 19 gebroken mensen is de HEER nabij, hij redt wie zwaar wordt getroffen. 20 Al blijft de rechtvaardige niets bespaard, de HEER zal hem steeds weer bevrijden. 21 Hij waakt zelfs over zijn beenderen, niet één ervan wordt verbrijzeld. 22 Een slecht mens komt om door eigen kwaad, wie een rechtvaardige haat zal boeten, 23 de HEER redt het leven van zijn dienaren, nooit zal boeten wie schuilt bij hem. (NBV)
Elk jaar op 1 november is er de Rooms Katholieke feestdag van Allerheiligen Dat van die heiligen lijkt typisch voor de Rooms Katholieke kerk. Vroeger dachten ze dat je aan gestorven christenen kon vragen om voor de gelovigen te bidden tot God. Dat gebeurt in de Rooms Katholieke Kerk nog wel maar de Protestanten hebben na Maarten Luther geleerd dat je ook rechtstreeks tot God kunt bidden. Net als David deed, toen hij weer eens ontsnapt was, zoals verteld wordt in de Psalm die we vandaag meezingen. Maar met dat bidden tot de Heiligen hebben Protestanten ook een andere kant van de Rooms Katholieke Heiligen weggegooid en dat is het voorbeeld dat vele van die Heiligen kunnen hebben. Zo vieren we ook in november het feest van Sint Maarten, die zijn mantel in tweeën sneed en de helft aan een bedelaar gaf. Vandaag zou je veel van dit soort verhalen moeten vertellen. In sommige Protestantse Kerken wordt in november ook de dankdag voor gewas en arbeid gevierd. Zoals kinderen op het feest van Sint Maarten zingend langs de deuren gaan en snoep krijgen zo moeten we op de Dankdag voor gewas en arbeid, het oogstfeest, stilstaan bij de honger in de wereld en de voedselbanken in ons eigen land. Het is bij uitstek het feest van delen en van bevrijding van honger en onderdrukking.
Het zijn de Heiligen die ons zijn voorgegaan, die altijd de droom van de rechtvaardige samenleving, waar liefde heerst, levend hebben gehouden. Soms ten koste van hun eigen leven. Die Heiligen hebben we ook vandaag de dag nog, denk maar aan mensen als Martin Luther King en Rosa Parks, aan Alan Boesak en Nelson Mandela en aan al die ontelbare mensen die honger en onrecht in de wereld bestrijden en ons blijven wakker houden. Aan hen denken betekent vandaag ook met die armen delen van onze overvloed. In de overtuiging van Protestanten kan iedereen behoren tot de Heiligen die wij gedenken. Uiteindelijk zullen alle heiligen, alle gelovigen, mee kunnen doen in de nieuwe wereld die ons wacht. Geloven in die nieuwe wereld betekent dat je er niet op kunt wachten tot die wereld komt en dat je er alvast mee gaat beginnen. Delen met de armen, je in dienst stellen van de mensen die dat nodig hebben. Dat kunnen we leren van de mensen die ons zijn voorgegaan, misschien je eigen ouders of grootouders zelfs, dat kunnen we leren uit de verhalen over Jezus van Nazareth die de liefde tot de naaste zelfs door de dood heen droeg.
Je mag aan die nieuwe wereld werken terwijl je de Psalm van vandaag meezingt. Volgens het opschrift schreef David deze Psalm toen hij zich als een gek aanstelde aan het hof van Abimelech en niet ophield tot deze hem verjoeg. Al zingend werken voor de armen wordt ook vandaag nog als gek bestempeld, gelovigen lijden aan massa psychose schreef iemand nog niet zo lang geleden. Je inzetten voor een ander, zonder te letten op je eigenbelang, is in deze dagen van meer en altijd maar meer onnatuurlijk dwaas en gek. Maar geloven in de God van Israël en in de Weg van Jezus van Nazareth betekent dat je gelooft dat er op geen andere manier een nieuwe wereld zal komen waarin alle tranen gedroogd zullen zijn. De Psalm van vandaag geeft vele voorbeelden van de richtingwijzers die langs de weg staan, vrede, gerechtigheid, bevrijdt van angst, zonder gebrek, het leven liefhebbend, zonder bedrog. Daar mogen we vandaag van leren, zo mogen we heiligen worden die de weg van onze voorouders voortzetten, daar mogen we vandaag opnieuw mee beginnen.

Uit hem komen ook wij voort.

Handelingen 17:22-34
22 Paulus richtte zich tot de leden van de Areopagus en zei: ‘Atheners, ik heb gezien hoe buitengewoon godsdienstig u in ieder opzicht bent. 23  Want toen ik in de stad rondliep en alles wat u vereert nauwlettend in ogenschouw nam, ontdekte ik ook een altaar met het opschrift: “Aan de onbekende god.” Wat u vereert zonder het te kennen, dat kom ik u verkondigen. 24  De God die de wereld heeft gemaakt en alles wat er leeft, hij die over hemel en aarde heerst, woont niet in door mensenhanden gemaakte tempels. 25  Hij laat zich ook niet bedienen door mensenhanden alsof er nog iets is dat hij nodig heeft, hij die zelf aan iedereen leven en adem en al het andere schenkt. 26  Uit één mens heeft hij de hele mensheid gemaakt, die hij over de hele aarde heeft verspreid; voor elk volk heeft hij een tijdperk vastgesteld en hij heeft de grenzen van hun woongebied bepaald. 27  Het was Gods bedoeling dat ze hem zouden zoeken en hem al tastend zouden kunnen vinden, aangezien hij van niemand van ons ver weg is. 28  Want in hem leven wij, bewegen wij en zijn wij. Of, zoals ook enkele van uw eigen dichters hebben gezegd: “Uit hem komen ook wij voort.” 29  Maar als wij dan uit God voortkomen, mogen we niet denken dat het goddelijke gelijk is aan een beeld van goud of zilver of steen, het werk van een ambachtsman, door mensen bedacht. 30  God slaat echter geen acht op de tijd waarin men hem niet kende, maar roept nu overal de mensen op om een nieuw leven te beginnen, 31 want hij heeft bepaald dat er een dag komt waarop hij een rechtvaardig oordeel over de mensheid zal laten vellen door een man die hij voor dat doel heeft aangewezen. Het bewijs dat het om deze man gaat, heeft hij geleverd door hem uit de dood te doen opstaan.’ 32 Toen ze hoorden van een opstanding van de doden dreven sommigen daar de spot mee, terwijl anderen zeiden: ‘Daarover moet u ons een andere keer nog maar eens vertellen.’ 33  Zo vertrok Paulus uit hun midden. 34  Toch sloten enkelen zich bij hem aan en aanvaardden het geloof, onder wie ook een Areopagiet, Dionysius, een vrouw die Damaris heette en nog een aantal anderen. (NBV)
Het lijkt dapper dat Paulus in Athene de geleerden toespreekt alsof zijn geloof wetenschappelijk onderbouwd kan worden. Maar het begrip wetenschap zoals wij dat kennen is pas een paar eeuwen geleden ontdekt. Zelfs tijdens de reformatie waren geloof en wetenschap nog hetzelfde. En dat was in Athene ook zo. Tegenwoordig beschouwen we wetenschap als een geschenk van de God waarin we geloven. Paulus begint zijn toespreek bij de godsdienst van de Atheners die kennelijk bang geworden waren een god over te slaan bij hun godsdienstigheid. Ook hij verkondigd een geloof, dat geloof waarvan de Atheners bang waren het vergeten te hebben. Het geloof in een God waar geen beeld van was. Net als de profeten uit het Oude Testament laat Paulus zien dat goden met mensenhanden gemaakt geen waarde hebben.
Wie net als de Griekse filosofen terug redeneert in oorzaken en gevolgen komt uit bij één mens die de oorsprong van alle mensen zou moeten zijn en een God die er altijd al was die die mens heeft geschapen. Een redenering die aansluit bij de voorstellingswereld van de filosofen. Maar dan de vragen van lijden en sterven. Paulus brengt hier het verhaal van Jezus van Nazareth die uit de dood is opgestaan en daardoor zijn geest kon delen. Voor Griekse filosofen was dit onzin. Lichamelijke opstanding uit de dood was niet mogelijk, alleen de onsterfelijke geest, of ziel, leefde voort. Die ziel was afgedaald in de onderwereld en delen op ieder mens kon dus al helemaal niet.
Het verhaal over de verlossing uit het lijden en de liefde als bron van welbehagen en deugd als gevolg van die liefde moet zowel aanhangers van de Epicurische school als aanhangers van de Stoa hebben aangesproken. Dat lezen we dan ook, er zijn er die zich bekeren. Zo zal het verhaal van de liefde voor de mensen dwars door de dood heen, het verhaal van Jezus van Nazareth ook vandaag nog mensen moeten aanspreken, zelfs mensen die beweren dat er geen God bestaat. Goden zoals de Grieken die omschreven bestaan immers inderdaad niet, alleen de God van Liefde bestaat. Onze liefde is het antwoord op de liefde van die God, elke dag opnieuw.

Wat beweert die praatjesmaker toch?

Handelingen 17:16-21
16  Terwijl Paulus in Athene op hen wachtte, raakte hij hevig verontwaardigd bij het zien van de vele godenbeelden in de stad. 17  In de synagoge sprak hij met de Joden en met de Grieken die God vereerden, en op het marktplein ging hij dagelijks in debat met de mensen die hij daar aantrof. 18  Onder hen waren ook enkele epicurische en stoïsche filosofen, van wie sommigen zeiden: ‘Wat beweert die praatjesmaker toch?’ Anderen merkten op: ‘Hij schijnt een boodschapper van uitheemse goden te zijn, ‘omdat ze dachten dat hij predikte over Jezus en een godin die Opstanding heette. 19  Ze namen hem mee naar de Areopagus en zeiden: ‘Kunt u ons uitleggen wat die nieuwe leer is die door u wordt uitgedragen? 20  Want wat u zegt, klinkt ons vreemd in de oren; we willen graag weten wat u bedoelt.’ 21  Alle Atheners en de vreemdelingen die er wonen hebben immers voor haast niets anders tijd dan voor het uitwisselen van de nieuwste ideeën. (NBV)
Athene is de stad van de Griekse wijsheid bij uitstek. Dat vonden de Atheners tenminste en daarom hadden zij hun stad genoemd naar de godin van de wijsheid. Athene was ook een wereldstad geworden en zoals het in wereldsteden nog steeds gebruikelijk is neemt iedereen daar de eigen god of goden mee. Daar hoef je dus niet bang voor te worden zoals tegenwoordig wel eens gebeurd, het is al zo oud als er wereldsteden zijn. De Grieken hadden de gewoonte hun filosofische scholen in groepen in te delen. Hier werd op verschillende manieren geprobeerd de vragen, die het bestaan van mensen en wereld oproepen, onder woorden te brengen en er antwoorden voor te zoeken.
Die Paulus had kennelijk een nieuwe filosofische school en met name de epicurische en stoïsche filosofen hadden belangstelling voor hem. Niet zo verwonderlijk. Wij herkennen het niet meer maar geleerden die de genoemde filosofische scholen hebben bestudeerd ontdekten dat Paulus in zijn brieven vaak manieren van redeneren gebruikt die ook bij de stoïsche filosofen voorkwamen. Paulus kwam uit Tarsus en daar was een beroemde school van Stoïsche filosofen gevestigd. Had de Epicurische school de afwijzing van pijn en lijden en dus het welbehagen van mensen als ideaal, de Stoïcijnen legden de nadruk op de deugd als bron van kennis, die, als het hoogste stadium van kennis is bereikt, een volmaakt welzijn garandeert.
Al die tempels en altaren moet ook de nodige indruk gemaakt hebben op de schrijver van het boek Handelingen. Paulus vindt het maar niks. Al die godsdienstigheid voorkomt niet dat er bittere armoede in Athene is, dat er slavernij is, dat er onrecht bedreven wordt. Daarom gaat hij opnieuw naar de plaatselijke synagoge. Daar wordt immers het verhaal vertelt van de samenleving waar de lammen huppelen, de blinden zien, de gevangenen bevrijdt worden en de bedroefden getroost. Van dat verhaal had Jezus ooit gezegd dat het met hem ook werkelijkheid was geworden. Maar is het ook voor de Atheners werkelijkheid? Of slechts de volgende filosofie waar je je mee bezig kan houden. En die Atheners hadden niets anders te doen. Zij willen in gesprek. Ook in onze dagen willen mensen wel in gesprek zonder de dwang tot geloven. Wij mogen nadenken over de vraag hoe wij dat gesprek aangaan.

Opruien en in verwarring brengen.

Handelingen 17:10-15
10 Nog diezelfde nacht stuurden de leerlingen Paulus en Silas naar Berea. Toen ze daar waren aangekomen, gingen ze naar de synagoge. 11  De Joden in Berea waren welwillender dan die in Tessalonica, want ze luisterden vol belangstelling naar de verkondiging van het evangelie en bestudeerden dagelijks de Schriften om te zien of het inderdaad waar was wat er werd gezegd. 12  Velen van hen aanvaardden dan ook het geloof, evenals een groot aantal Griekse mannen en vooraanstaande vrouwen. 13  Maar toen de Joden van Tessalonica vernamen dat Paulus ook in Berea Gods woord verkondigde, kwamen ze ook daar het volk opruien en in verwarring brengen. 14  De leerlingen stuurden Paulus toen onmiddellijk weg, naar de kust, maar Silas en Timoteüs bleven in Berea. 15  Paulus’ begeleiders brachten hem naar Athene en keerden daarna weer terug, met de opdracht om tegen Silas en Timoteüs te zeggen dat ze zich zo spoedig mogelijk bij hem moesten voegen. (NBV)
Voor Paulus bestond er in een Christelijke gemeente geen onderscheid tussen Joden en Grieken en tussen mannen en vrouwen, trouwens ook niet tussen slaven en vrijen. Dat haalt de maatschappelijke orde om ver en brengt de mensen maar in verwarring. Geen wonder dus dat er weer klachten waren over opruiing, dreiging met opnieuw de gevangenis, en dat het beter was voor Paulus om in een andere gemeente verder te werken. Berea werd het. Maar ook daar gingen mensen uit Tessalonica heen om de inwoners te waarschuwen voor Paulus en de zijnen. De persoon van Paulus kwam centraal te staan en dat belemmerde eigenlijk de verkondiging van het evangelie, de bevrijding van de armen. 
Maar Paulus reisde niet alleen. Hij maakte onderdeel uit van een heel gezelschap, waar ook de schrijver van het boek handelingen toe zou behoren. Twee vertrouwelingen van Paulus bleven in Bera. Timoteüs, zoon van een Joodse moeder en een niet Joodse vader en Silas die al sinds het vertrek uit Jeruzalem met Paulus mee trok. Zo werden de voorwaarden geschapen om ook in Berea een gemeente te stichten. Paulus moest als persoon van het toneel verdwijnen en werd vriendelijk verzocht al vast verder te reizen.  Dus ging Paulus verder naar Athene, de klassieke stad van de wijsheid. En dat allemaal tijdens een reis die begonnen was om de gemeenten te vertellen dat Joden en Heidenen allemaal gelijkelijk deel konden hebben aan het nieuwe koninkrijk van God. In bestaande gemeenten zal de mededeling met gejuich zijn begroet.
In nieuw te stichten gemeenten gaf het een probleem als Joden en Heidenen ineens samen een gemeenschap moesten gaan vormen. Samen een gemeenschap vormen tussen mensen van verschillende achtergrond en geloof kan alleen als je beide bereid bent elkaar als gelijkwaardig te beschouwen. Daar waar angst voor elkaar gezaaid wordt ontstaat onrust en verwarring. Paulus liep daar tegenaan, maar wij kennen dat inmiddels ook maar al te goed. Ook wij zullen het moeten bestrijden. Want ook voor ons is een samenleving van gelijkwaardigen de enige weg om vrede te bewaren, de Weg van Jezus van Nazareth. Elke morgen opnieuw mogen wij die weg weer opgaan, zonder angst voor anderen, voor nieuwe mensen of voor iemand ons zou kunnen aandoen, ook vandaag mag dat weer.

Een volksgericht

Handelingen 17:1-9
1 Via Amfipolis en Apollonia reisden ze naar Tessalonica, waar de Joden een synagoge hadden. 2  Zoals gewoonlijk ging Paulus naar hen toe, en drie sabbatdagen achtereen debatteerde hij met hen. Aan de hand van teksten uit de Schrift 3  toonde hij aan dat de messias moest lijden en sterven en daarna uit de dood moest opstaan. ‘Deze messias, ‘zo zei hij, ‘is Jezus, die ik u nu verkondig.’ 4  Sommigen lieten zich overtuigen en sloten zich aan bij Paulus en Silas, evenals veel Grieken die God vereerden, en een groot aantal vrouwen uit de hogere kringen. 5  Maar de Joden die het geloof niet hadden aanvaard, werden vervuld van jaloezie en riepen enkele raddraaiers te hulp, die een volksoploop veroorzaakten en grote beroering in de stad teweegbrachten. Ze trokken naar het huis van Jason om Paulus en Silas aan een volksgericht te onderwerpen, 6  maar toen ze hen daar niet aantroffen, sleepten ze Jason en enkele andere leerlingen mee naar de stadsprefecten, tegen wie ze schreeuwden: ‘De mensen die in het hele rijk de orde verstoren, zijn nu ook hier gekomen, 7  en Jason heeft hun onderdak verleend. Allemaal overtreden ze de verordeningen van de keizer door te beweren dat iemand anders koning is, namelijk Jezus!’ 8  De te hoop gelopen menigte en de stadsprefecten raakten in verwarring bij het horen van deze woorden. 9  Jason en de anderen werden op borgtocht vrijgelaten. (NBV)
Wie brengt nu wie in oproer? We moeten het gedeelte van vandaag nauwkeurig lezen om daar achter te komen. We weten nog dat Paulus en Silas in Filippi uit de gevangenis waren ontslagen na de aardbeving daar. Ze waren doorgereisd naar Tessalonica. Daar begonnen ze in de Synagoge week in week uit te discussiëren. Nu staat er ook bij ons in deze of gene kerk wel eens iemand op die een discussie begint, na de aanslag op Koninginnedag in Apeldoorn werd een sekte die daar een gewoonte van maakt zelfs landelijk nieuws, maar meestal blijft het bij een enkel incident. In Synagogen was het niet ongewoon om een discussie te beginnen over de juiste uitleg van de Schriftgedeelten die er werden gelezen, maar wat Paulus deed ging veel verder. Hij betrok de Schriftgedeelten op de geschiedenis van Jezus van Nazareth en dat was nieuw.
Wie traditioneel aan de Hebreeuwse Bijbel wilde vasthouden zal zich groen en geel geërgerd hebben aan die nieuwlichterij. Want wie waren daartoe aangetrokken? Het verhaal spreekt over Grieken die God vereerden en vrouwen uit hoge kringen. Twee groepen die in de Synagoge niks te vertellen hadden. Die Grieken waren geen Joden, ze konden het met veel moeite wel worden, dan moesten ze de Tora uit hun hoofd kennen en zich laten besnijden. Die vrouwen moesten in elk geval hun mond houden. Eigenlijk hoorden vrouwen niet in de Synagoge thuis, ze waren van nature al op de hoogte van de Tora en moesten de discussie aan de mannen overlaten.   Voor Paulus bestond er in een Christelijke gemeente geen onderscheid tussen Joden en Grieken en tussen mannen en vrouwen, trouwens ook niet tussen slaven en vrijen. Dat haalt de maatschappelijke orde om ver en brengt de mensen maar in verwarring.
Geen wonder dus dat er weer klachten waren over opruiing, dreiging met opnieuw de gevangenis. Maar ja, die vrouwen uit hogere kringen worden in dit verhaal natuurlijk niet voor niets genoemd. Die waren onder de indruk gekomen van de woorden van Paulus. Eindelijk werden zij gewaardeerd om wat ze werkelijk waren, mensen door God geschapen naar het beeld van God. Dan kun je als machthebber niet thuis komen met het verhaal dat je hun vrienden die onderdak hadden verleend in de gevangenis had geworpen. Dat Paulus zelf zou moeten vertrekken lag voor de hand, maar er was in een aantal weken een gemeente ontstaan waar men niet meer om heen kon. Verwerpen van het onderscheid tussen de ene en de andere mens mogen ook wij  bestrijden, wellicht dat het wat drukker wordt in kerken die dat ook echt doen.

Vertrap wie zilver begeren

Psalm 68:20-36
20 Geprezen zij de Heer, dag aan dag, deze God draagt ons en redt ons, sela 21 onze God is een reddende God. Bij God, de HEER, is bevrijding uit de dood. 22 God verplettert de hoofden van zijn vijanden, de harige kruinen van wie met schuld zijn beladen. 23 De Heer zegt: ‘Ik haal jullie vijanden uit Basan, ik haal ze uit de diepten van de zee: 24 jullie voeten zullen waden in hun bloed, met hun tong zullen jullie honden ervan likken.’ 25 Een schouwspel is uw stoet, o God, de stoet van mijn God, mijn koning, naar zijn heiligdom: 26 voorop zangers, daarachter snarenspelers, omstuwd door meisjes met tamboerijnen. 27 Prijs God wanneer u samenkomt, prijs de HEER, u die aan Israëls bron bent ontsprongen. 28 Daar is Benjamin, de jongste, hij opent de rij, daar zijn de vorsten van Juda, uitbundig bijeen, de vorsten van Zebulon, de vorsten van Naftali. 29 Ontplooi uw macht, o God, de macht die u, God, ons altijd toonde, 30 vanuit uw tempel die boven Jeruzalem oprijst. Laten koningen u schatting brengen. 31 Vaar uit tegen het gedierte in het riet, die troep stieren, die kalveren van volken. Vertrap wie zilver begeren, verstrooi de volken die belust zijn op strijd. 32 Laten de gezanten uit Egypte zich aandienen, de Nubiërs met geschenken zich haasten naar God. 33 Koninkrijken der aarde, zing voor God, zing een lied voor de Heer, sela, 34 voor hem die rijdt door de hoogste, eeuwige hemel. Hoor, zijn stem is een machtige stem. 35 Erken Gods macht: zijn majesteit heerst over Israël, zijn macht reikt tot boven de wolken. 36 Ontzagwekkend bent u, God, in uw heiligdom. De God van Israël, hij geeft macht en nieuwe kracht aan zijn volk. Geprezen zij God! (NBV)
Toen het volk Israel uit Egypte vertrok waren het slaven, gevangenen, en heel lang in de geschiedenis van Israel bleef het besef levend dat ze bevrijde slaven waren. Door het dienen van die God die Mozes hen had getoond waren ze bevrijd geworden, hadden ze de woestijn kunnen trotseren en waren ze in het beloofde land gekomen. Dit laatste deel van de Psalm bezingt op poëtische wijze de intocht in het beloofde land. Dat ging bijna mis doordat iemand stiekum toch wat zilver als buit nam, ondanks het bevel om dat niet te doen.In dat nieuwe land kwam de Heilige Tent uiteindelijk tot rust na alle omzwervingen. Zeker David moet dat zo gevoeld hebben want hij deed verschillende pogingen de Tent naar Jeruzalem te brengen voordat hij er in slaagde. En dan nog mocht hij er geen Tempel voor bouwen want een Tempel zou te snel hetzelfde zijn als de omringende volken voor hun goden hadden. De Godsdienst van Israel is een heel ander soort godsdienst, zeker geen religie zoals volken een religie hebben.
Op de berg Sinaï had het gedonderd en gebliksemd, vuur was er van de berg af gekomen toen ze richtlijnen voor een menselijke samenleving hadden gekregen. Daarin werd verteld over die ene God die geen andere goden duldde en over hoe je je naaste lief moest hebben als jezelf. Elk jaar als de eerste vruchten van de oogst binnengehaald waren trokken ze op naar het Heiligdom in Jeruzalem om met een grote maaltijd het ontvangen van die richtlijnen te vieren en zich te herinneren hoe die richtlijnen ook al weer in de praktijk gebracht moeten worden. Later waren de Grieken dat feest Pinksteren gaan noemen omdat het vijftig dagen na Pasen was. Die Grieken wisten niet dat het zeven maal zeven dagen had geduurd tussen de bevrijding uit Egypte en het ontvangen van de richtlijnen voor die nieuwe samenleving in dat beloofde land. Dat Pinksterfeest was dus een dankfeest, voor de oogst maar vooral voor de richtlijnen die zeiden dat die oogst gedeeld moest worden.
Veel eeuwen later zouden de volgelingen van Jezus van Nazareth op dat Pinksterfeest beweren dat het enige wat van die richtlijnen overbleef het delen van alles met elkaar was. Ook toen vlamde en stormde het zo leek het tenminste. Als het het delen was dan zouden de duizenden en duizenden inderdaad naar het Heiligdom van God komen. Inmiddels zijn er miljoenen bij die beweging van Jezus van Nazareth aangesloten, verenigd in talrijke kerken en kerkelijke gemeenten. Het delen met elkaar, het zorgen voor de armsten in de samenleving, de armsten in de wereld, blijft echter ook na Pinksteren nog steeds een zaak waarvoor gestreden en geleden moet worden. Waar ook de volgelingen van Jezus van Nazareth elke dag opnieuw mee moeten beginnen en opnieuw toe moeten oproepen. vandaag met het zingen van deze Psalm.

U voerde gevangenen mee

Psalm 68:1-19

1 Voor de koorleider. Van David, een psalm, een lied. 2 God staat op, zijn vijanden stuiven uiteen, zijn haters vluchten als hij verschijnt. 3 U verdrijft ze zoals wind de rook verdrijft. Zoals was smelt bij het vuur, zo vergaan de zondaars als God verschijnt. 4 Maar de rechtvaardigen verblijden zich, zij juichen als God verschijnt, uitgelaten van vreugde. 5 Zing voor God, bezing zijn naam, maak ruim baan voor hem die door de vlakten rijdt, HEER is zijn naam, jubel als hij verschijnt: 6 vader van wezen, beschermer van weduwen, God in zijn heilig verblijf. 7 God geeft eenzamen een thuis en gevangenen vrijheid en voorspoed. Maar opstandigen zullen wonen op dorre grond. 8 God, toen u optrok aan het hoofd van uw volk, toen u voortschreed door de woestijn, sela, 9 beefde de aarde, en water stortte uit de hemel toen God verscheen, de heerser van de Sinai, toen God verscheen, de God van Israël. 10 U liet een milde regen neerdalen, God, en schonk uw uitgeput land nieuwe kracht. 11 Uw kleine kudde ging er wonen, in uw goedheid, God, gaf u het aan de zwakken. 11-12 De HEER sprak een bevel uit, een menigte vrouwen zei het voort: 13 ‘Koningen vluchten, hun legers vluchten, thuis verdelen de vrouwen de buit 14 en jullie slapen bij de schaapskooi!’
De vleugels van de duif waren met zilver bedekt, haar slagpennen met geelgroen goud: 15 de ontzagwekkende dreef koningen uiteen, sneeuw viel neer op de Salmon. 16 Machtige berg, berg van Basan, veeltoppige berg, berg van Basan,17 waarom afgunstig, veeltoppig gebergte, op de berg die God als zetel koos? De HEER woont daar voor eeuwig. 18 Met machtige wagens, tweemaal tienduizend, met duizenden en duizenden, trok de Heer van de Sinai naar het heiligdom. 19 U voerde gevangenen mee, eiste gaven van opstandige mensen, en steeg op naar uw woning, HEER, onze God. (NBV)
Twee dagen lang zullen we zingen van Psalm 68. Een zangstuk, een musiceerstuk staat er zelfs oorspronkelijk, van David. En David was voor Israel het symbool van de ideale koning. De koning die het land Israel haar plaats onder de volken had gegeven. Na David had niemand meer durven ontkennen dat er ooit een koninkrijk Israel was geweest. Maar David was ook de Koning die de godsdienst van Israel centraal had gesteld. Hij had de Heilige Tent haar plaats in de hoofdstad gegeven. Hij had van de staat Israel een rechtstaat gemaakt waar recht en gerechtigheid hadden geheerst. Een zoon van David zou het rijk definitief bevrijden van onderdrukking en recht doen aan de armsten in het land. In het eerste deel van de psalm die we vandaag beginnen te zingen komen ze allemaal voorbij, de weduwen en de wezen, de eenzamen. De rechtvaardigen verblijden zich bij zoveel rechtvaardigheid.
Heel uitdrukkelijk worden in deze psalm ook de gevangenen genoemd. En in onze dagen denken we dan direct aan Amnesty International. De particuliere organisatie die opkomt tegen het gevangen zetten van mensen om wat ze denken. We hebben voor geweld, voor diefstal en bedrog, nog niet veel andere oplossingen gevonden dan het opsluiten van mensen. Dat opsluiten moet wel menselijk gebeuren, en wie opgesloten wordt moet volgens onafhankelijke rechtsprocedures op basis van feitelijk bewijs worden veroordeeld. Maar het opsluiten van mensen om wat ze denken, wat ze zeggen, wat ze vinden, en waarvan ze anderen van willen overtuigen vinden we onder alle omstandigheden verwerpelijk. Juist ons eigen geloof in de rechtvaardigheid roept altijd weer tegenstand op.
Ook in deze psalm worden de opstandigen genoemd. De machtigen en de rijken die weigeren te delen bestrijden de roep om gerechtigheid. Daarom is het werk van Amnesty International, los van de vraag voor welke overtuiging mensen opgekomen zijn, altijd een werk dat spoort met de roep van de Bijbel om op te komen voor gevangenen. De Psalm bezingt daarom op poëtische wijze de intocht in het beloofde land. Daar kwam de Heilige Tent uiteindelijk tot rust na alle omzwervingen. Zeker David moet dat zo gevoeld hebben want hij deed verschillende pogingen de Tent naar Jeruzalem te brengen voordat hij er in slaagde. En dan nog mocht hij er geen Tempel voor bouwen want een Tempel zou te snel hetzelfde zijn als de omringende volken voor hun goden hadden. De Godsdienst van Israel is een heel ander soort godsdienst, zeker geen religie zoals volken een religie hebben.

Waarschuw het volk

Exodus 19:16-25

16 Op de derde dag, bij het aanbreken van de morgen, begon het te donderen en te bliksemen, er hing een dreigende wolk boven de berg, en zeer luid weerklonk het geschal van een ramshoorn. Iedereen in het kamp beefde.  Mozes leidde het volk het kamp uit, God tegemoet. Aan de voet van de berg bleven ze staan. 18 De Sinai was volledig in rook gehuld, want de HEER was daarop neergedaald in vuur. De rook steeg op als de rook uit een smeltoven, en de berg trilde hevig. 19 Het geschal van de ramshoorn werd luider en luider. Mozes sprak, en God antwoordde met geweldig stemgeluid. 20 De HEER was op de top van de Sinai neergedaald. Hij vroeg Mozes naar hem toe te komen, en Mozes ging naar boven. 21 De HEER zei tegen Mozes: ‘Ga naar beneden en waarschuw het volk dat ze niet te dichtbij komen in de hoop de HEER te zien, want dan zullen velen van hen het leven verliezen. 22 Ook de priesters, die gewoonlijk wel in de nabijheid van de HEER mogen komen, moeten op eerbiedige afstand blijven, anders zal de toorn van de HEER tegen hen losbarsten.’ 23 Mozes antwoordde de HEER: ‘Het volk kan de Sinai niet op gaan. U hebt ons immers zelf bevolen de berg af te grenzen en als heilig te beschouwen.’ 24 De HEER zei: ‘Ga naar beneden, en kom samen met Aäron weer terug. Maar de priesters en het volk mogen niet dichterbij komen, zij mogen de berg niet op gaan, anders zal mijn toorn tegen hen losbarsten.’ 25 Mozes ging terug naar het volk en bracht hun dit over. (NBV)
Het bliksemt en het dondert, de berg is in rook gehuld en vuur speelt rond de top. Na drie maanden naar deze berg te zijn getrokken en drie dagen na de aankomst, goddelijke tijden dus, mag Mozes de berg op om God te ontmoeten. Het volk niet, zelfs de priesters niet, alleen Aäron mag mee. De inwijding van een zootje slaven die op de vlucht zijn tot een volk dat een eigen bestaansrecht heeft zal diepe indruk maken. De beschrijving die de schrijver van het boek Exodus gekozen heeft lijkt op de beschrijvingen van grote en zware vulkaanuitbarstingen en wie de beelden heeft gezien van de stof en rook uitbarsting en het vuur van de vulkaan op IJsland die het hele Europeese vliegverkeer lamlegde kan zich iets voorstellen van wat het volk Israël daar diep in de woestijn Sinaï moest meemaken. Geen volk had zoiets meegemaakt maar uit alle verhalen over goden kon je opmaken dat het moest het zoiets zijn als wanneer je jouw God zou ontmoeten.
Nog altijd wordt op het Joodse Nieuwjaar, de Rosj ha’Sjana, de Ramshoorn geblazen, ooit ook een teken voor het volk om soldaten te sturen naar het bedreigde land. Een laag en doordringend geluid waar niemand omheen kan en niemand van kan zeggen dat het niet gehoord is. Het klinken opent de dag en weerkaatst tegen de berg, het moet op zich al ontzagwekkend geweest zijn. Dat is de omgeving waarin God tot zijn volk zal gaan spreken. Het volk weet het al, dit zal hun God zijn en zij zullen zijn volk zijn. Dit is de God die hen uit de slavernij van Egypte heeft bevrijd. Niet door een toevallige gebeurtenis, de slavernij was er zelfs door verergerd, maar een reeks rampen had het volk van Egypte getroffen, tot de dood van de eerstgeborene toe. Dat had de macht van die God al duidelijk gemaakt. En nu stonden ze onderaan de berg te wachten op wat komen gaat. De berg zelf mogen ze niet op, ze moeten achter de omheining blijven, zelf de priesters van die God van Israël mogen die berg niet op. Ook de rechters en de oudsten niet die ze hadden aangesteld. Het volk is weer gelijk, er is niemand meer of beter dan de ander.
Alleen Mozes, die van begin af aan de schakel is geweest tussen het volk en de God van Israël mag tot die God naderen en zijn broer die van begin af aan de woordvoerder van Mozes is geweest en die de eerste priester was van de God van Israël. Zo wilde die God kennelijk zijn volk zien. Als een volk waarbij niemand meer was dan een ander. Geen koninklijk hof, geen priesterstand met een aparte status, geen edelieden die boven het volk uitstaken, een volk van gelijken, een volk dat alleen kon overleven als het samen optrok en samen deelde van wat het had. Een volk waar ieder voor de ander had te zorgen omdat er anders niemand de tocht door de woestijn zou overleven. Ze hadden vlees in de avond en brood in de morgen. Het dagelijks brood was hen genoeg. Ze hadden zes dagen om te verzamelen en voor hun bezit te zorgen, maar ze hadden één dag om aan het volk en zijn God te besteden, één dag om te rusten. Het is een volk dat met recht apart gezet genoemd kan worden. Zo’n volk kennen we niet meer. In alle volken komen sterken en zwakken, machtigen en onmachtigen voor, in alle volken zijn er belangrijke mensen en onbelangrijke mensen, behalve in het volk van God. Wij zullen daar, ook in de kerken, nog eens hard aan moeten werken, zouden we vandaag mee kunnen beginnen.