Laten ze hun kleren wassen.

Exodus 19:1-15
1 In de derde maand, op precies dezelfde dag dat ze uit Egypte waren weggetrokken, kwamen de Israëlieten in de Sinaiwoestijn. 2 Ze waren vanuit Refidim verder getrokken en in de Sinaiwoestijn gekomen. Daar sloegen de Israëlieten hun kamp op, vlak bij de berg. 3 Mozes ging de berg op, naar God. De HEER riep hem vanaf de berg toe: ‘Zeg tegen het volk van Jakob, laat de kinderen van Israël weten: 4 “Jullie hebben gezien hoe ik ben opgetreden tegen Egypte, en hoe ik je op adelaarsvleugels gedragen heb en je hier bij mij heb gebracht. 5 Als je mijn woorden ter harte neemt en je aan het verbond met mij houdt, zul je een kostbaar bezit voor mij zijn, kostbaarder dan alle andere volken-want de hele aarde behoort mij toe. 6  Een koninkrijk van priesters zul je zijn, een heilig volk.” Breng deze woorden aan de Israëlieten over.’ 7 Mozes ging terug, riep de oudsten van het volk bijeen en deelde hun alles mee wat de HEER hem had opgedragen. 8  En het hele volk antwoordde als uit één mond: ‘We zullen alles doen wat de HEER heeft gezegd.’ Mozes bracht het antwoord van het volk aan de HEER over, 9  waarop de HEER tegen hem zei: ‘Ik kom naar je toe in een donkere wolk, dan kan iedereen het horen wanneer ik met je spreek en zullen ze voor altijd vertrouwen in je hebben.’ Toen Mozes de HEER vertelde wat het volk had geantwoord, 10 zei de HEER hem ook: ‘Ga terug naar het volk en zorg ervoor dat ze zich vandaag en morgen heiligen, en laten ze hun kleren wassen. 11  Bij het aanbreken van de derde dag moeten ze gereed zijn, want op die dag zal de HEER voor de ogen van heel het volk neerdalen op de Sinai. 12 Geef aan tot waar het volk mag komen, en waarschuw hen dat ze de berg niet op gaan; zelfs de voet daarvan mogen ze niet betreden. Wie zich op de berg waagt, moet ter dood gebracht worden. 13 Zo iemand mag met geen vinger aangeraakt worden; hij moet worden gestenigd of met pijlen doorboord. Of het nu mensen of dieren betreft, ze mogen niet in leven blijven. Pas als het geluid van een ramshoorn weerklinkt, mogen ze de berg op gaan.’ 14 Weer ging Mozes naar beneden, naar het volk. Hij droeg hun op zich te heiligen en hun kleren te wassen. 15  ‘Zorg ervoor dat u overmorgen gereed bent, ‘zei hij, ‘en dat u in de tussentijd geen gemeenschap hebt met een vrouw.’ (NBV)
Er zijn nogal wat heilige bergen in de wereld. De Griekse goden woonden op de Olympus bijvoorbeeld en de 10 geboden werden gegeven vanaf de Horeb in de Sinaï woestijn. Een berg brengt je dichterbij het hogere. Als jouw god hoog in de hemel zit dan ben je op de top van de berg er het dichtste bij. Dat is een menselijke ervaring die in de dagen van de Bijbel zo sterk was dat een profeet zelfs moest verbieden om nog langer offers te brengen voor de bergen in het land. Die hoefde je echt niet te aanbidden. Ook in het verhaal van de uittocht gaat het niet om de berg zelf maar om de ontmoeting met God op die berg. Dat was een God die met het volk meetrok, maar nu moesten de spelregels scherper worden vastgelegd. Ze hadden al een aantal wetten en regels ontdekt, ze hadden de adviezen van Jetro, de priester van Midjan, gevolgd, ze hadden al een paar keer ruzie gehad over de richting die ze als volk moesten inslaan en ze hadden al een oorlog met een ander volk overleefd. Nu na drie maanden, een goddelijke tijd, kwamen ze aan bij de berg in de woestijn Sinaï en daar werd het volk een echt volk.
Het woord heilig wekt nogal eens wat misverstanden. Het betekent apart gezet, er zit ook het woord heel in, het is ongebroken, een eenheid. Zo kan een heilig mens een heel mens zijn, de rollen die die mens vervuld vallen samen, je kunt altijd hetzelfde van die mens verwachten. Dat geldt natuurlijk ook voor een God, die is één, ook al lijkt die God in Vader, zoon en heilige geest nog zo verschillend. Heilig hoeft daarom nog niet volmaakt te zijn, want volmaakt is vaak een kwestie van smaak. Dat het volk nu een heilig volk wordt drukt het verhaal uit door ook de grond van de berg heilig te verklaren en heiligingsriten in te voeren. Er moet schoongemaakt worden, van buiten en van binnen. De seksuele onthouding betekent reiniging van lust en begeerte, je heerst niet over een ander als je heilig bent. In Kanaän zou bij vele volken het seksuele juist onderdeel van de godsdienst zijn, Israël zet zich daartegen af. Het volk moet ook op eigen benen leren staan. Tot nu toe is het net als kleine vogels gedragen op de vleugels van de moedervogel. Adelaars doen dat wel niet maar het beeld is er niet minder mooi om.
Dat het volk nu een echt volk wordt is verbonden met de slavernij in Egypte. Toen de kinderen van Israël, de nakomelingen van Jakob, uittrokken uit Egypte trok er een hoop volk mee. Dat wordt nu ook opgenomen in het volk Israël. Twaalf stammen zullen er zijn en zij zullen één volk vormen. Dat volk wordt een koninkrijk van priesters genoemd. De Koning is God zelf en alle onderdanen zijn priester van die God, zij offeren, zij dienen die God. Ze zullen er achter komen hoe die God gediend wil worden. Wij kennen dat, heb God lief boven alles en Uw naaste als Uzelf zal er klinken. Alleen op die manier, door dat gebod te volgen kunnen alle leden van dat volk priester zijn. En laat je niks wijs maken door dominees, priesters en andere voorgangers, dat alle gelovigen priester zijn is nooit anders geworden, alle gelovigen verkondigen het gebod van de God van Israël. Mozes liet het de oudsten bevestigen, alles wat God gesproken heeft zullen wij doen, klonk het. Daarvoor is die gemeenschap nodig, ook vandaag nog, maar ook over de kerk wordt gesproken als over een koninkrijk van koninklijke priesters, één Heer, God zelf, en de dienst aan de naaste als vaste opgave, ook vandaag weer.

Doortastende mannen

Exodus 18:13-27
13 De volgende dag sprak Mozes recht over het volk. Van ‘s morgens vroeg tot ‘s avonds laat stonden de mensen om hem heen. 14 Toen zijn schoonvader zag hoezeer hij door hen in beslag werd genomen, vroeg hij: ‘Waarom moet jij steeds voor iedereen klaarstaan? Waarom houd jij als enige zitting, terwijl de mensen zich van ‘s ochtends tot ‘s avonds om je verdringen?’ 15 Mozes antwoordde zijn schoonvader: ‘Omdat het volk bij mij komt om God te raadplegen. 16 Als ze een geschil hebben, wordt dat aan mij voorgelegd, en dan beslis ik wie er in zijn recht staat en vertel ik hun hoe Gods wetten en voorschriften luiden.’ 17 ‘Het is niet verstandig wat je doet, ‘zei zijn schoonvader, 18 ‘je zult er nog onder bezwijken, en de mensen die bij je komen ook. Dit is een veel te zware taak voor je, je kunt die niet alleen aan. 19 Luister, ik zal je een goede raad geven, en moge God je dan ter zijde staan. Jij moet het volk bij God vertegenwoordigen en hun geschillen aan hem voorleggen. 20 Prent hun zijn wetten en voorschriften in en leer hun welke weg ze moeten bewandelen en welke plichten ze moeten vervullen. 21 Maar zoek daarnaast onder het volk een aantal doortastende, vrome mannen, die betrouwbaar zijn en zich niet laten omkopen, en geef hun de leiding over groepen van duizend, van honderd, van vijftig en van tien. 22 Zij moeten altijd over het volk rechtspreken. Belangrijke geschillen leggen ze aan jou voor, in minder belangrijke geschillen doen ze zelf uitspraak. Zij zullen je last verlichten door die samen met jou te dragen. 23 Als je het op deze manier aanpakt, en als God het wil, kun je het volhouden en kunnen al die mensen tevreden naar hun tenten gaan.’ 24 Mozes luisterde naar zijn schoonvader en deed wat deze hem had aangeraden. 25 Hij koos uit heel Israël doortastende mannen en stelde hen over het volk aan: hij gaf hun de leiding over groepen van duizend, van honderd, van vijftig en van tien. 26 Zij stonden altijd klaar om over het volk recht te spreken. Moeilijke zaken legden ze aan Mozes voor, in eenvoudiger zaken deden ze zelf uitspraak. 27 Daarna deed Mozes zijn schoonvader uitgeleide, en deze keerde naar zijn land terug. (NBV)
Hoe bestuur je een volk? In elk geval niet in je eentje zoals zoveel dictators nog steeds schijnen te denken. Maar je bestuurt een volk door democratie in te voeren. Jetro, de schoonvader van Mozes, heeft dat duidelijk gezien. De wetten en de regels van de God van Israël zijn niet dat je de ogen maar moet sluiten en blind doen wat de leider van het volk te vertellen heeft. Recht in Israël is zorgen dat elk mens tot zijn recht komt en dat betekent luisteren, hoor en wederhoor toepassen en belangen afwegen en keuzes maken. Dat kost tijd, dat kost moeite en dat kan Mozes dus niet alleen. Jetro adviseert hem om afgevaardigden aan te stellen. De oudsten waren er al, die hadden immers vrede gesloten met Jetro en nu moesten er ook rechters komen, lagere rechters en hogere rechters. Lagere rechters over groepen van 10 en van 50 en hogere rechters over groepen van 100 en van 1000 en als ze er dan helemaal niet uitkwamen dan zou Mozes recht spreken, het aan de God van Israël voorleggen. Al die rechters hadden zich te verdiepen in de wetten en regels van de God van Israël.  Zo zet je rechtspraak op, zo zorg je dat van boven naar beneden de richtlijnen voor het volk duidelijk worden en van beneden naar boven de problemen in het volk bij het bestuur terecht komen.
Dat laatste vergeten wij nog welk eens, bij ons zijn rechtspraak en bestuur strikt gescheiden. Ook al maakt de rechtspraak grove fouten, het bestuur merkt er niks van en er is veel actie en geroep nodig om het bestuur en de rechtspraak zo wakker te maken dat ze een herzieningscommissie instellen en uiteindelijk de hoogste rechter in ons land overtuigen van de dwalingen die in de rechtspraak kunnen worden gemaakt. Voor de rechters in ons land betekent het dat onuitvoerbare wetten stilzwijgend terzijde worden gelegd en het bestuur in de waan wordt gelaten dat hun onuitvoerbare wetten zonder problemen worden uitgevoerd. Van boven naar beneden gaat het nog wel maar van beneden naar boven hapert het voortdurend. Wat dat betreft kunnen ook wij veel van Jetro leren. Mozes neemt de lessen van zijn schoonvader ter harte, ook al is dat een vreemdeling een priester van de god van een ander volk. Maar de Bijbel is niet voor niets zo negatief over Amalek. Niet een oorlog laten voeren van de ene God tegen de andere, van het ene volk tegen de andere, van het ene geloof tegen het andere.Nee volken moeten leren samen te werken, van elkaar te leren, elkaar te ondersteunen.
Dat is wat Israël en Midjan ons in dit verhaal vertellen. In het geloof van Israël loopt dat er op uit dat alle volken uiteindelijk zich zullen wenden tot de God van Israël, dat alle volken de mensen tot hun recht laten komen, heersers hebben als dienaren, samen in de wereld de vrede bewaren. In die wetenschap en na die les kan Mozes zijn schoonvader uitgeleide doen en Jetro kan in vrede terugkeren naar zijn land, wetende dat ook zijn dochter en kleinzoons tot hun recht zullen komen. Want Mozes zoekt wel betrouwbare mannen, maar vrouwen die voor hem spreken heeft hij al. Wij hoorden Mirjam de profetes al zingen en weten dat zijn vrouw Sippora op tijd had gezorgd voor de besnijdenis van zijn zoon Gersom. Niet alleen mannen spelen een rol in dit verhaal. Wij mogen zorgen dat ook ons bestuur en onze rechtspraak er op gericht zullen zijn mensen tot hun recht te laten komen. In onze straten, in onze dorpen en wijken, in onze kerken, in onze steden en provincies en in ons land. Als we daarmee bezig gaan wordt de wereld ook een stukje beter, een goed doel om vandaag en de komende tijd weer aan te werken.

Ten overstaan van God.

Exodus 18:1-12
1  Jetro, Mozes’ schoonvader, die priester was in Midjan, hoorde wat God allemaal voor Mozes en voor Israël had gedaan, hoe de HEER zijn volk uit Egypte had weggeleid. 2-5  Daarom ging Jetro naar Mozes op weg. Hij nam Mozes’ vrouw Sippora met zich mee-zij was door Mozes teruggestuurd-en ook haar twee zonen. De een heette Gersom, ‘want,’ had Mozes gezegd, ‘ik ben een vreemdeling geworden, ik woon in een land dat ik niet ken.’ De ander heette Eliëzer, ‘want,’ had Mozes gezegd, ‘de God van mijn vader is mij te hulp gekomen, hij heeft mij aan het zwaard van de farao laten ontkomen.’ Toen Jetro samen met Mozes’ vrouw en zonen aangekomen was in de woestijn waar Mozes zijn kamp had opgeslagen, bij de berg van God, 6 liet hij Mozes weten: ‘Ik, je schoonvader Jetro, kom je bezoeken, met je vrouw en haar beide zonen.’ 7  Mozes ging zijn schoonvader tegemoet, boog zich voor hem neer en kuste hem. Nadat ze elkaar begroet hadden, gingen ze de tent binnen. 8 Mozes vertelde zijn schoonvader uitvoerig hoe de HEER omwille van Israël tegen de farao en Egypte was opgetreden, en ook welke moeilijkheden ze op hun tocht ondervonden hadden en hoe de HEER hen daaruit had gered. 9  Jetro verheugde zich erover dat de HEER Israël zoveel weldaden had bewezen en hen had gered uit de handen van de Egyptenaren. 10 ‘Geprezen zij de HEER, dat hij jullie uit de macht van de Egyptenaren en de farao heeft bevrijd, ‘zei hij, ‘dat hij het volk verlost heeft van de onderdrukking door de Egyptenaren, 11  door wie jullie met zoveel minachting behandeld zijn. Nu zie ik in dat de HEER machtiger is dan alle andere goden.’ 12  Mozes’ schoonvader Jetro bracht God een brandoffer en een vredeoffer, en Aäron en alle oudsten van Israël namen samen met hem aan het offermaal deel, ten overstaan van God. (NBV)
In het Oude Testament heeft elk volk een eigen god of eigen goden. Pas in de loop van de geschiedenis van het volk Israël breekt het besef door dat de God van Israël eigenlijk de enige God is en dat al die andere goden eigengemaakte goden zijn. Voor buitenstaanders is dit heel lang een vreemde opvatting gebleven. Pas in het Romeinse wereldrijk beginnen mensen te spreken over de goden als over vergelijkingen om zaken te verduidelijken en nemen ze aan dat die goden niet als personen of wezens ook echt bestaan. In die gedachtewereld dringt zich dan de beweging van Christenen op die een heel andere opvatting hebben over de God van de wereld als de gewone opvatting in niet Joodse religieuze kringen. In het verhaal van Mozes is het zo ver nog niet. De schoonvader van Mozes was priester in Midjan, het land waarheen Mozes was gevlucht nadat hij in Egypte een opzichter had doodgeslagen.
Samen met zijn vrouw en zijn oudste zoon Gersom was hij teruggekeerd naar Egypte. Kennelijk heeft hij zijn vrouw en zijn twee zonen op een gegeven moment teruggestuurd naar haar vader. Hoe of wanneer is niet direct duidelijk maar tijden en plaatsen lopen in het verhaal over de Uittocht wel meer door elkaar heen. Vrouw en kinderen keren bij Mozes terug als hij al bij de Horeb is aangekomen, over de aankomst van het volk bij de Horeb zal pas hierna worden verteld.  Die schoonvader van Mozes, Jetro, is een tolerant man. Hij bewondert de God van Israël om alles wat die voor het volk heeft gedaan en die bewondering steekt hij niet onder stoelen of banken. “Geprezen zij de Heer” klinkt het en uitleggers zeggen dan graag dat die Jetro ook een gelovige was geworden. Die Jetro gelooft inderdaad in de God van Israël. Maar voor ons heeft geloven een andere betekenis gekregen. Geloven in de God van Israël betekent voor ons dat er geen andere goden bestaan. Geloven in de God van Israël betekent voor Jetro dat die God van Israël voor Israël een even machtig God is als zijn eigen God voor hem en zijn volk. Die God van Israël is volgens Jetro in elk geval veel machtiger dan al die goden van andere volken, vooral dan die van Egypte, vooral van die volken die tegen Israël waren opgetreden.
Jetro sluit vriendschap met het volk van Israël, het staat er niet maar we mogen aannemen dat hij dat deed in naam van het volk Midjan. De reden daarvan wordt ook duidelijk. Natuurlijk is Jetro als schoonvader van Mozes gebaat bij vrede met Israël. Maar gezien de macht van de God van Israël is het ook voor elk volk zeer raadzaam om vrede met Israël te sluiten. Daarmee kiest Midjan uitdrukkelijk een tegengestelde positie aan Amalek. Oorlog en vrede liggen in elkaars verlengde in dit verhaal. En dan komt de typische manier van offeren van Israël aan de orde. Een woestijnvolk verspilt geen voedsel, offers die helemaal verbrand worden, of offers die achtergelaten worden bij een heiligteken, boom, rots of berg, zijn er bij een woestijnvolk niet bij. Die offers kun je beter zelf opeten al roepend dat de God je zulk heerlijk eten heeft geschonken. Zo eten Mozes en Aäron met alle oudsten samen met Jetro een offermaal, ten overstaan van God. Zo mogen ook wij onze maaltijden genieten, met anderen, met vreemdelingen maar altijd ten overstaan van God die ons duidelijk maakt dat er nooit meer nodig is dan ons dagelijks brood.

Veilige paden

Psalm 23
1 Een psalm van David. De HEER is mijn herder, het ontbreekt mij aan niets. 2 Hij laat mij rusten in groene weiden en voert mij naar vredig water, 3 hij geeft mij nieuwe kracht en leidt mij langs veilige paden tot eer van zijn naam. 4 Al gaat mijn weg door een donker dal, ik vrees geen gevaar, want u bent bij mij, uw stok en uw staf, zij geven mij moed. 5 U nodigt mij aan tafel voor het oog van de vijand, u zalft mijn hoofd met olie, mijn beker vloeit over. 6 Geluk en genade volgen mij alle dagen van mijn leven, ik keer terug in het huis van de HEER tot in lengte van dagen. (NBV)
De voorstelling van een god als een herder vindt je in het hele oude Nabije Oosten terug. Het Hebreeuwse woord voor Herder is een werkwoord. Daar zit het begrip “weiden”in. Het gaat over een God die voortdurend er op bedacht is je het goede te bezorgen. En daar gaat dit overbekende lied dan ook over. Alleen de vertaling van het tweede deel van vers 3 heeft in de Nieuwe Vertaling toch veel van haar betekenis verloren. Natuurlijk, voor een gelovige zijn de “veilige paden”, paden die je gaat met die God. Ofwel het zijn keuzes in je leven die in overeenstemming zijn met de Wet van heb je naaste lief als jezelf. Maar het was vroeger wat eenvoudiger te verstaan toen er nog vertaald werd wat er wordt bedoeld, namelijk “paden der gerechtigheid”. Het Hebreeuwse woord “tsadiq”dat hier gebruikt wordt is in een groot deel van de Bijbel vertaald met gerechtigheid of rechtvaardige. En dat de manier waarop je wil leven recht wil doen aan de mensen die je tegenkomt dat spreekt vanzelf.
In onze wereld worden we immers overspoeld met waarschuwingen over onveiligheid. Ook al lopen onze gevangenissen leeg, omdat het aantal misdrijven afneemt, als je sommige politici hoort is het in ons land nog nooit zo onveilig geweest. Een onveiligheid die zou worden veroorzaakt door broeders en zusters die ergens anders geboren zijn, of waarvan de ouders ergens anders geboren zijn en die op een andere manier geloven dan vroeger in Nederland gebruikelijk was. Maar we zijn niet allemaal slachtoffer van een misdrijf, de meeste Nederlanders niet. Alleen juweliers moeten bijzondere veiligheidsmaatregelen nemen om zich te beschermen. Daar kunnen we allemaal bij helpen maar in een samenleving van ieder voor zich laten we ook hen soms maar al te veel aanmodderen. Alleen voor de echte slachtoffers van een misdrijf is er tegenwoordig iets van hulp en dat was ook wel eens anders. Recht doen aan mensen is een verantwoordelijkheid voor ons allemaal en kan dus ook betekenen onveilige situaties in kaart brengen en samen werken aan oplossingen voor de reële onveiligheid die er is.
Bang voor gevaar hoeven we op die manier niet meer te zijn. Want die geest van zorg voor elkaar, de Geest van God, geeft moed, dat brengt de nodige zorg voor elkaar als de stok en de staf van de Herder. Daarom kun je ook rustig zingen dat je achtervolgt wordt door Geluk en Genade. Dat klinkt des te beter als je bedenkt dat dit lied een pelgrimslied is. Het werd gezongen door de mensen die op gingen naar Jeruzalem om daar een van de jaarfeesten te vieren. Met een stok in de hand liep men soms dagenlang om de Tempel te bereiken en daar een maaltijd te houden met de armen, de tempeldienaars en de vreemdelingen. Dat was het offer aan de God die met hen mee trok en die in het huis van de Heer, de bewaarplaats van de richtlijnen voor de menselijke samenleving, een plaats had uitgekozen. Religie is juist in deze Psalm niet iets van aanbidden en afwachten maar de zekerheid dat je beker zal overvloeien. Omdat je het samen doet, omdat je deelt, omdat je zelf herder bent voor de minsten.

Ten strijde

Exodus 17:8-16
8  In Refidim werd Israël aangevallen door de Amalekieten. 9  Toen zei Mozes tegen Jozua: ‘Kies een aantal mannen uit en trek met hen tegen Amalek ten strijde. Ikzelf zal morgen op de top van de heuvel gaan staan, met in mijn hand de staf van God.’ 10 Jozua deed wat Mozes hem had opgedragen en trok tegen Amalek ten strijde, en Mozes ging naar de top van de heuvel, samen met Aäron en Chur. 11  Zolang Mozes zijn arm opgeheven hield, was Israël de sterkste partij, maar liet hij zijn arm zakken, dan was Amalek de sterkste. 12 Toen Mozes’ armen zwaar werden, legden Aäron en Chur een steen bij hem neer, zodat hij daarop kon gaan zitten. Zelf gingen ze aan weerszijden van hem staan, om zijn armen te ondersteunen. Daardoor konden zijn armen opgeheven blijven totdat de zon onderging. 13 Zo versloeg Jozua het leger van Amalek tot de laatste man. 14 De HEER zei tegen Mozes: ‘Leg deze overwinning in een oorkonde vast, zodat niemand die ooit zal vergeten, en overtuig Jozua ervan dat ik zal zorgen dat niets op aarde nog aan het volk van Amalek herinnert.’ 15 Toen bouwde Mozes een altaar, en hij noemde het ‘De HEER is mijn banier’. 16 Hij zei: ‘Omdat Amalek de hand heeft durven opheffen tegen de troon van de HEER, zal de HEER strijd voeren tegen Amalek, in alle komende generaties.’ (NBV)
Rustig rusten is er in dit verhaal voor het volk Israël niet bij. Zitten ze eenmaal in de rustplaats Refidim, dat immers rustplaats betekent, zonder water zoals we hebben kunnen lezen, dan worden ze plotseling aangevallen door de Amalekieten. Er is een heel oude vijandschap tussen Israël en Amalek. De naam Amalek komt voor het eerst voor in de genealogie van Esau. Als het volk eenmaal in Kanaän woont en een koning heeft gekozen krijgt die Koning Saul de opdracht wraak te nemen voor de overval waarover we vandaag lezen. Het meest beroemd is waarschijnlijk Haman de Amalekiet uit het boek Esther. Hij smeed een complot om alle Joden in het Perzische Rijk uit te roeien. Maar in dit verhaal maken we kennis met Jozua, naar wie Jezus van Nazareth veel later vernoemd zou worden. Jozua werd de generaal van de strijders van Israël. Maar niet Jozua bracht de overwinning, dat moet God doen. Strijden voor de goede zaak maakt je sterker. Daarom vechten soldaten graag onder een vlag of een vaandel of een standaard, in elk geval zichtbare tekenen van de goede zaak. In de oudheid was het niet ongewoon om afbeeldingen van je God mee te dragen in de strijd. Romeinen droegen de adelaar, de sterkste vogel mee als teken van macht.
Maar Israël heeft niet zo’n teken, er is geen afbeelding van de God van Israël. Het enige wat je kunt doen is je armen in wanhoop ten hemel heffen. Mozes laat dat gebaar zien en schept daarmee het vertrouwen dat het ook kan helpen. Zolang hij dat laat zien putten zijn soldaten er extra moed uit, maar als hij de armen laat zakken, zakt ook de moed. Aäron en Chur ondersteunen hen. Aäron kennen we als de broer van Mozes die priester zal worden. Chur zullen we later tegenkomen als rechter, waarschijnlijk ook priester. In elk geval brengen deze drie met vereende krachten Jozua en zijn leger er toe Amalek te verslaan tot de laatste man. En dan komt de omkering die je zo vaak in de Bijbel vindt. Er wordt een altaar opgericht, dat is nog normaal kun je zeggen want dat komt in alle volken na een oorlog voor, maar dat altaar wordt genoemd “De Heer is mijn banier”. Israël benadrukt dat het geen vlaggen, vaandels of afbeeldingen heeft van hun God waarnaar het leger zich kan richten maar dat God zelf het vaandel is.
Je ziet elkaar aan en je moet onvoorwaardelijk op elkaar kunnen bouwen, het voor elkaar kunnen opnemen. Pas als je dat doet vertrouw je op de God van Israël die je heeft bevrijdt uit de slavernij van een volk met eigengemaakte goden. Het volk van Israël zal altijd in oorlog blijven met de laffe overvallers die zich hier in Amalek voor het eerst laten zien. Een onschuldig nomadenvolk dat zich ter ruste had gelegerd aanvallen is een misdaad die onvergeeflijk is. Er worden zelfs geen eisen gesteld of dreigingen geuit. Het doet in onze dagen denken aan de overvallers van de vluchtelingenkampen in Zuid Soedan. Ook daar zijn de vluchtelingen een prooi van strijders die roven en verkrachten zonder dat iemand er iets tegen doet. De rest van de wereld is niet in staat die onschuldigen te beschermen, ook al is dat dus wat de God van Israël van ons vraagt. Aan ons om de wereld zo ver te brengen de zonden van Amalek die in onze dagen worden begaan niet ongestraft te laten. Daar kunnen we ook vandaag weer aan werken, daar is de herdenking van de Tweede Wereldoorlog voor bedoeld.

Geef ons te drinken

Exodus 17:1-7

1 Vanuit de woestijn van Sin trok het hele volk van Israël verder, van de ene pleisterplaats naar de andere, volgens de aanwijzingen van de HEER. Toen ze hun tenten opsloegen in Refidim, bleek daar geen water te zijn om te drinken. 2 Ze maakten Mozes verwijten. ‘Geef ons te drinken, geef ons water!’ zeiden ze. Mozes zei: ‘Waarom maakt u mij verwijten? Waarom stelt u de HEER op de proef?’ 3 Maar omdat het volk daar hevige dorst leed, bleef het klagen. ‘Waarom hebt u ons uit Egypte weggevoerd?’ zeiden ze tegen Mozes. ‘Om ons van dorst te laten sterven, met onze kinderen en ons vee?’ 4 Mozes riep luid de HEER aan. ‘Wat moet ik met dit volk beginnen?’ vroeg hij. ‘Er hoeft niet veel meer te gebeuren of ze stenigen mij!’ 5 De HEER antwoordde Mozes: ‘Ga samen met een aantal van de oudsten van Israël voor het volk uit. Neem de staf waarmee je op de Nijl hebt geslagen in je hand en ga op weg. 6 Ik zal je opwachten op de rots bij de Horeb. Als je op de rots slaat, zal er water uit stromen, zodat het volk te drinken heeft.’ Mozes deed dit, in het bijzijn van de oudsten van Israël. 7 Hij noemde die plaats Massa en Meriba, omdat de Israëlieten Mozes daar verwijten hadden gemaakt en omdat ze daar de HEER op de proef hadden gesteld door te vragen: ‘Is de HEER nu in ons midden of niet?’ (NBV)
Bij de samenkomst tussen volk en God en het verbond dat zij gesloten hebben, het verbond dat ze bevrijd zullen worden van de slavernij, hoort dat dagelijks brood, genoeg is genoeg. Dit brood aten ze zolang ze in de woestijn rondtrokken. Maar opnieuw moesten ze opbreken, in de Nieuwe Bijbelvertaling ontbreekt dat opbreken steeds en dat is jammer, want dat maakt eigenlijk het hele verhaal van de tocht door de woestijn tot een soort verhalend gedicht, ook in zo’n verhalend gedicht kunnen plaatsen en gebeurtenissen door elkaar lopen, ook daarin wordt vooruitgelopen en teruggegrepen als dat voor de dichterlijke bedoeling van het verhaal nodig is. Het opbreken markeert in dit verhaal steeds een nieuw element. Het volgende element is beproeving en twist. Meriba en Mara zijn de sleutelwoorden hier, ze betekenen beproeving en twist. In Psalm 95 komen de namen nog eens terug in een verzoek om het volk niet op deze manier op de proef te stellen.
En ook hier moet Mozes vooruitlopen op hetgeen er zal komen. In de rustplaats die ze nodig hadden, en Refidim betekent rustplaats, bleek geen water te zijn. En in plaats van op zoek te gaan naar water en dat wat ze hadden aan drinken met elkaar te delen vlogen ze Mozes aan, geef ons water, anders hadden we beter in Egypte kunnen blijven. De slavernij in Egypte was kennelijk minder erg dan de slavernij van de dorst. Mozes wordt er wanhopig van, wat moet je met zo’n volk. Maar nu moet Mozes met de oudsten van het volk vooruitlopen op dat wat er te gebeuren staat. Hij moet alvast doorgaan naar de Horeb en daar met de Godsstaf op de rotsen slaan. Op dit punt moeten we ons herinneren dat er ook staat geschreven dat het volk bezig steeds moet opbreken en gaan in de richting die God wees totdat ze in het beloofde land zullen aankomen. Die weg gaat voor het volk sinds het opgebroken had bij de Rietzee de woestijn in.
Het uiteindelijke verbond tussen God en het volk zou gesloten worden bij de Horeb. Geleerden zeggen nu dat het water dat uit de rotsen bij de Horeb stroomde de richtlijnen zijn die het volk in acht moet nemen. Als je samen wilt leven, zeker als je samen wilt overleven in een woestijn, dan heb je vertrouwen en bouwen op elkaar nodig zodat je samen kunt vertrouwen en het mogelijk wordt dat elk die er aan deelneemt daardoor overleeft. Beproeving en twist kun je daarbij niet gebruiken. In het boek Numeri staat ook een verhaal over Mozes die op de rotsen slaat en er water uit laat komen. Maar die rotsen staan niet bij de Horeb, die regels zijn dus kennelijk niet van God en Mozes mag dan ook niet het beloofde land in. Kern in het verhaal van vandaag is dus dat we op moeten houden te mopperen op alles wat niet deugt in ons land maar samen moeten werken om samen afspraken te maken die zorgen dat iedereen mee kan doen om samen te kunnen leven. Daar kunnen we ons ook vandaag weer mee bezig houden.

Bij iedereen schoten de boeien los

Handelingen 16:25-40
25 Om middernacht waren Paulus en Silas aan het bidden en zongen ze lofliederen voor God. De andere gevangenen luisterden aandachtig naar hen. 26  Plotseling deed zich een hevige aardschok voor, zodat de gevangenis op haar grondvesten trilde; alle deuren sprongen open en bij iedereen schoten de boeien los. 27  De gevangenbewaarder schrok wakker, en toen hij zag dat de deuren van de gevangenis openstonden, trok hij zijn zwaard om zelfmoord te plegen, want hij dacht dat de gevangenen ontsnapt waren. 28  Maar Paulus riep hem luidkeels toe: ‘Doe uzelf niets aan, we zijn immers nog allemaal hier!’ 29  De bewaarder vroeg om een fakkel, rende naar binnen en viel bevend voor Paulus en Silas op de grond. 30  Hij bracht hen naar buiten en vroeg: ‘Zegt u mij, heren, wat moet ik doen om gered te worden?’ 31  Ze antwoordden: ‘Geloof in de Heer Jezus en u zult gered worden, u en uw huisgenoten.’ 32  En ze verkondigden het woord van de Heer aan hem en aan iedereen die bij hem woonde. 33  Hoewel het midden in de nacht was, nam hij hen mee en maakte hun wonden schoon. Meteen daarna werden hij en zijn huisgenoten gedoopt. 34  Hij bracht hen naar zijn woning boven de gevangenis en zette hun daar een maaltijd voor. Hij en al zijn huisgenoten waren buitengewoon verheugd dat hij nu in God geloofde. 35 Bij het aanbreken van de dag zonden de stadsbestuurders enkele gerechtsdienaars naar de gevangenis met de opdracht om Paulus en Silas vrij te laten. 36  De gevangenbewaarder stelde Paulus daarvan op de hoogte: ‘Het stadsbestuur heeft mensen gestuurd om u vrij te laten. U mag dus vertrekken. Ga in vrede!’ 37  Maar Paulus zei tegen de gerechtsdienaars: ‘Ze hebben ons zonder vorm van proces in het openbaar stokslagen laten geven, hoewel we Romeins staatsburger zijn. Daarna hebben ze ons in de gevangenis opgesloten, en nu willen ze ons heimelijk laten gaan? Geen sprake van! Laat ze zelf maar komen om ons vrij te laten!’ 38  De gerechtsdienaars brachten deze woorden over aan de stadsbestuurders, wie de schrik om het hart sloeg toen ze hoorden dat Paulus en Silas Romeinse burgers waren. 39  Dus gingen ze zelf naar de gevangenis, spraken op vriendelijke toon tegen hen en lieten hen vrij met het verzoek uit de stad te vertrekken. 40  Paulus en Silas verlieten de gevangenis en gingen naar het huis van Lydia, waar ze de gelovigen aantroffen. Na hen bemoedigend te hebben toegesproken, vertrokken ze. (NBV)

Je hebt geen idee wat een wrede samenleving kan betekenen voor mensen. President Obama verbood ooit verdere foto’s van illegale martelingen in Irak aan de pers te geven. Die martelingen waren er niet minder illegaal door maar de mensen die ze uitvoerden waren niet de eerst verantwoordelijken. Dat waren mensen als vicepresident Dick Cheney die de martelingen nog steeds verdedigt. Om nu de lagere ambtenaren in gevaar te brengen en bloot te stellen aan wraakacties ging Obama te ver. President Obama kende waarschijnlijk dit verhaal uit de Handelingen der Apostelen. Door een aardbeving springen alle deuren van de gevangenis open en de cipier maakt al aanstalten zelfmoord te plegen. Voor ons is dat bijna onvoorstelbaar. Die cipier kon er toch niks aan doen dat er een aardbeving was? Nu, voor de Romeinen lag dat wel even anders. De cipier was verantwoordelijk voor de gevangenen en als de goden er voor kozen om de aarde te laten beven en de gevangenen te laten ontsnappen dan had de cipier de goden maar gunstig moeten stemmen.
De God van Paulus laat zich echter op die manier niet gunstig stemmen. Dat was dan ook wat Paulus duidelijk maakte aan de cipier. Zoals Jezus van Nazareth de liefde voor de mensen ook door de dood heen had weten vol te houden zo nam Paulus het risico op strengere straf om het leven van de cipier te sparen. Alle gevangenen bleven zitten, niemand maakte gebruik van de gelegenheid om weg te lopen. Daarmee hielden ze de cipier in leven. Zetten wij bij ons handelen ook het lot van anderen voorop? We zijn ons dat lot niet altijd bewust, we kunnen het ons ook niet altijd bewust zijn, maar als we er wel weet van hebben, laten we ons er door leiden? Het is een vraag die we ons elke dag weer moeten stellen, brengen we mensen in problemen door eerst om onszelf te denken of kunnen we problemen voor mensen vermijden of op lossen door onszelf ter zijde te schuiven. Keuzes die we te vaak te gemakkelijk ontlopen.
Paulus laat ons in dit verhaal zien hoe het zou kunnen. Het gevolg is dat de cipier en zijn huisgezin, zijn slaven die met hem de gevangenis bewaakten en die met hem hadden moeten sterven, bij de volgelingen van Jezus van Nazareth wilden gaan horen. Je hoort daarbij als je je laat dopen, het oude leven wordt weggespoeld, het nieuwe leven begint. Later is aangenomen dat bij het huisgezin ook de vrouwen en kinderen horen. Als zo je leven gespaard is dan wil je dat ook echt iedereen deelt in de liefde die jou het leven schonk, ook de kinderen. Het staat er niet dat er kinderen in dat huisgezin waren. Maar liefde voor de medemens sluit niemand uit, ook kinderen niet. Laten we daarom aannemen dat ook die er bij horen en onze keuzes nog zorgvuldiger maken. En als je bij die beweging wilt horen dan kun je je met je huisgezin desnoods nog steeds laten dopen in elke kerk van de Protestantse Kerk Nederland, neem maar contact op met de plaatselijke predikant.

Het zijn Joden

Handelingen 16:16-24
16 Een andere keer, toen we weer op weg waren naar de gebedsplaats, kwamen we een jonge slavin tegen die bezeten was door een geest en zo de toekomst kon voorspellen. Met haar waarzeggerij verdiende ze veel geld voor haar eigenaars. 17 Terwijl ze achter Paulus en ons aanliep, schreeuwde ze aan één stuk door: ‘Deze mensen zijn dienaren van de allerhoogste God en verkondigen u hoe u gered kunt worden!’ 18  Dat ging verscheidene dagen zo door. Toen Paulus er genoeg van kreeg, sprak hij de geest als volgt toe: ‘Ik beveel je in de naam van Jezus Christus: verlaat haar!’ En op datzelfde moment ging de geest uit haar weg. 19  Toen haar eigenaars merkten dat ze hun bron van inkomsten kwijt waren, grepen ze Paulus en Silas vast en sleurden hen naar het marktplein, 20  waar ze hen voorleidden aan de stadsbestuurders. Ze zeiden: ‘Deze mensen brengen onze stad in rep en roer. Het zijn Joden, 21  die een levenswijze verkondigen waarmee wij, als Romeinen, niet mogen instemmen en die we niet in praktijk mogen brengen.’ 22  Ook de verzamelde menigte keerde zich tegen Paulus en Silas, waarna de stadsbestuurders hun de kleren van het lijf lieten scheuren en bevel gaven hen met stokslagen te straffen. 23  Nadat ze een groot aantal slagen hadden gekregen, werden ze opgesloten in de gevangenis, waar de gevangenbewaarder opdracht kreeg hen streng te bewaken. 24  Overeenkomstig dit bevel bracht hij hen naar de binnenste kerker en sloot hun voeten in het blok. (NBV)
Daar gaat je visioen. In Turkije ging het nog goed, daar werden nieuwe gemeenten gesticht, werden nieuwe zendelingen, zoals Timoteüs, geworven, maar in een Romeinse garnizoensstad als Filippi gaat het mis, daar wacht de gevangenis. En daar hadden ze ook wel een beetje om gevraagd. Filippi had immers zelfs geen synagoge voor de Joden. Op de Sabbat moest men buiten de stadspoort, bij de rivier, op zoek naar een gebedsplaats. Over mannen die daar bijeen zouden komen wordt niet verteld. Vrouwen waren er, zoals er zo vaak in de geschiedenis vrouwen zijn die de godsdienst blijven volhouden ondanks verdrukking en verbod. Maar het lukte ook hier om gehoor te vinden. Lydia, de Joodse purperverkoopster. Ze had ook een eigen huis en een groot huis want ze nodigde het hele reisgezelschap uit bij haar te komen logeren. Naast Paulus en Silas waren immers ook Timotheüs en Lukas er bij. Men ging tenminste met enige regelmaat naar de gebedsplaats aan de rivier om te vertellen over de bevrijding van de armen, over Jezus van Nazareth die door de dood heen de liefde van God voor de mensen had volgehouden.
Maar dan komt de Jomanda uit de dagen van Paulus. Vrouwen die orakels spraken kwamen in het Romeinse Rijk veel voor. Zij gaven namens de goden boodschappen door die door de mensen voor wijze uitspraken en toekomstvoorspellingen gehouden werden. Wij hebben onze Jomanda en Char, zij hadden de orakels, verschil was er nauwelijks, alleen waren de orakels uit de tijd van Paulus slavinnen die geld verdienden voor hun eigenaars. Maar de juffrouw uit het verhaal dat we vandaag lezen had door dat er concurrentie was. Dit waren niet zomaar eenvoudige lieden die vertelden over een nieuwe godsdienst, dit waren lieden die je maar het beste op een voetstuk kon plaatsen, des te harder konden ze er af vallen. Dienaren van de allerhoogste noemden ze hen daarom, priesters die redding konden brengen aan mensen die zichzelf verloren waanden.
Dan kun je twee dingen doen, of je aanvaard de roem en klimt op de troon die ze voor je opricht, een beetje reclame is immers nooit weg, of je pakt haar aan en zorgt dat ze zwijgt. Paulus doet geen van beiden. Dat hij niet op een voetstuk ging staan klopt met zijn navolging van de Jezus van Nazareth die ook altijd mensen verbood te vertellen dat hij hen genezen had. Maar Paulus pakt ook niet de arme slavin zelf aan. Hij spreekt een boze geest aan en beveelt die het meisje te verlaten. Dan heeft het meisje de keus, of ze erkent dat haar optreden berust op een leugen, of ze laat de boze geest gaan en houdt op met haar metier. Dat laatste gebeurd en brengt Paulus in de cel. Het is niet eenvoudig van mensen te blijven houden, maar uit dit verhaal kunnen we opnieuw leren dat het de beste weg is. Ook onze Jomanda’s en Char’s zullen verlost moeten worden van het kwade dat hen drijft. Wij doen er goed aan mensen voor hen te waarschuwen.

Zodat ze uit elkaar gingen

Handelingen 15:36-16:5
36 Niet lang daarna zei Paulus tegen Barnabas: ‘Laten we teruggaan naar alle steden waar we het woord van de Heer hebben verkondigd, om te zien hoe het daar met de leerlingen gaat.’ 37  Barnabas wilde ook Johannes Marcus meenemen, 38  maar Paulus voelde daar niets voor, omdat hij hen in Pamfylië in de steek had gelaten en niet langer had deelgenomen aan hun zendingswerk. 39  Een en ander leidde tot grote onenigheid, zodat ze uit elkaar gingen en Barnabas samen met Marcus naar Cyprus vertrok. 40  Paulus koos Silas als reisgezel en vertrok eveneens, nadat de gelovigen hem aan de genade van de Heer hadden toevertrouwd. 41  Hij trok door Syrië en Cilicië, waar hij de gemeenten bemoedigde.1 Hij kwam ook in Derbe en Lystra. In Lystra ontmoette hij een leerling die Timoteüs heette, de zoon van een gelovig geworden Joodse vrouw en een niet-Joodse vader. 2  Timoteüs stond goed aangeschreven bij de gelovigen in Lystra en Ikonium, 3  en Paulus wilde hem met zich meenemen op reis. Hij liet hem eerst besnijden ter wille van de Joden in Lystra en Ikonium, die immers allen wisten dat Timoteüs een niet-Joodse vader had. 4  Op hun tocht langs de steden stelden ze de gemeenteleden op de hoogte van de besluiten die door de apostelen en de oudsten in Jeruzalem waren genomen en droegen hun op zich daaraan te houden. 5  De gemeenten werden steeds sterker in het geloof en het aantal leerlingen nam dagelijks toe. (NBV)
We gaan weer op reis met Paulus en lezen over het begin van zijn tweede zendingsreis. Wie tot het reisgezelschap behoren is onduidelijk. Op het eind van het gedeelte dat we vandaag lezen, daar waar de overtocht naar Macedonië aan de orde komt, gaat de schrijver van de Handelingen ineens over in de wij vorm. Dat zou betekenen dat Lucas er zelf ook bij was. Uit het begin van dit verhaal over deze tweede reis valt dat niet op te maken. In elk geval was Silas er bij en waren Barnabas en Johannes Marcus er niet bij. Die Johannes Marcus was al eens eerder zijn eigen weg gegaan en dat was Paulus kennelijk niet naar de zin geweest. Daar lezen we overigens in de beschrijving van de eerste zendingsreis niets over. Johannes Marcus wordt, veel later overigens, ook wel genoemd als de schrijver van het Marcus Evangelie, maar dat staat zo niet in de Bijbel zelf.
Paulus, Silas en het mogelijk overige reisgezelschap gaan op pad om eens te zien hoe het met de gemeenten gaat die ze hadden gesticht. Ze kwamen uit Jeruzalem waar ze een vergadering hadden gehad met de Apostelen, de zendelingen die door Jezus van Nazareth nog zelf waren geroepen. Daar hadden ze besloten dat de Heidenen niet eerst Joods hoefden te worden voordat ze als Christen gedoopt konden worden. Het “heb Uw naaste lief als Uzelf” kan net zo goed in een Joods hart wonen als in een Heidens hart. Besnijdenis en spijswetten zijn dus voor de Heidenen niet verplicht. Over dit besluit zou overigens nog lange tijd onenigheid blijven bestaan. In de brieven van Paulus aan de diverse gemeenten komt het onderwerp nog herhaaldelijk aan de orde. Maar ook in het begin van deze tweede reis. Paulus, Silas en het mogelijk overige reisgezelschap komen Timotheüs tegen. Een jonge knaap die goed ligt bij de jonge Christengemeente in zijn woonplaats. Maar een jongeman van verwarrende afkomst. Hij heeft een Joodse moeder, is dus Jood volgens de Rabijnse traditie, maar heeft een Heidense vader. Dat mocht niet want een Joodse vrouw mocht niet met een Heiden trouwen.
Kennelijk om alle discussies te vermijden liet Paulus Timotheüs besnijden, het was immers een Jood en waarom daar niet gewoon voor uit komen. Ook Paulus was een Jood. Je hoeft je niet voor je afkomst te schamen. Er is in later eeuwen nog wel eens gedaan of er een enorme ruzie was tussen Paulus en de Joden en of je die ruzie eeuwig zou moeten voortzetten. Dat is een volstrekt verkeerde voorstelling van zaken. Het Christendom was van begin af aan een godsdienst met Joodse wortels. Die wortels zijn nooit verloochend. In de Christengemeenten werd het Oude Testament gelezen, in de griekse vertaling weliswaar. Hoe het “heb Uw naaste lief als Uzelf” kon worden volgehouden ook door de dood heen hoorde je uit de verhalen over Jezus van Nazareth maar leerde je ook uit de verhalen over Israël. Daar leerde je ook dat het voor alle volken op aarde moet gelden, en dat is nog steeds zo, tot op de huidige dag.

Wat strikt noodzakelijk is

Handelingen 15:22-35
22  Daarop besloten de apostelen en de oudsten in overleg met de hele gemeente enkele afgevaardigden met Paulus en Barnabas mee te zenden naar Antiochië. De keuze viel op twee leiders uit de gemeente: Judas, wiens bijnaam Barsabbas luidde, en Silas. 23 Men gaf hun een brief mee met de volgende inhoud: ‘Van de apostelen en de oudsten. Aan hun broeders en zusters in Antiochië, Syrië en Cilicië die uit de heidense volken afkomstig zijn: gegroet! 24 Wij hebben vernomen dat enkelen van ons u een bezoek hebben gebracht-zonder dat wij hun dat hadden opgedragen-en dat hun uitspraken aanleiding zijn geweest tot verwarring en verontrusting. 25 Daarom hebben we eensgezind besloten enkele broeders naar u toe te zenden in het gezelschap van onze geliefde Barnabas en Paulus, 26  mensen die hun leven op het spel hebben gezet voor de naam van onze Heer Jezus Christus. 27 We hebben Judas en Silas afgevaardigd, en zij zullen de inhoud van deze brief mondeling toelichten. 28 In overeenstemming met de heilige Geest hebben wij namelijk besloten u geen andere verplichtingen op te leggen dan wat strikt noodzakelijk is: 29 onthoud u van offervlees dat bij de afgodendienst is gebruikt, van bloed, van vlees waar nog bloed in zit, en van ontucht. Als u zich hier aan houdt, doet u wat juist is. Het ga u goed.’ 30 Ze namen afscheid en vertrokken naar Antiochië, en nadat ze daar de gemeente hadden bijeengeroepen, overhandigden ze de brief. 31 Toen de brief was voorgelezen, verheugde de gemeente zich over de bemoedigende inhoud. 32 Judas en Silas, die zelf ook profeten waren, hielden een lange toespraak waarin ze de gelovigen bemoedigden en sterkten. 33 Ze brachten enige tijd in Antiochië door en werden toen met een vredeswens door de gelovigen teruggezonden naar degenen die hen hadden afgevaardigd. 34-35  Paulus en Barnabas bleven in Antiochië, waar ze met nog vele anderen de boodschap van de Heer onderwezen en verkondigden. (NBV)
We kennen de brieven van Paulus, van onbekende schrijvers en een aantal brieven die aan andere apostelen worden toegeschreven. Die staan als aparte Bijbelboeken in het Nieuwe Testament. Maar er is nog een brief in het Nieuwe Testament, waar veel minder aandacht voor is. Die brief lezen we vandaag. Volgens het verhaal van Lucas in Handelingen is het de eerste brief die door Apostelen en Oudsten, door de vergadering in Jeruzalem, aan de gemeenten buiten Israël werd gestuurd. De brief werd het eerst voorgelezen in Antiochië maar is voor alle Christelijke kerken van belang. Daarin staan de regels die opgelegd zijn aan Christenen. En die regels zijn zeer eenvoudig. Geen offervlees eten en geen vlees waar het bloed nog uitdruipt. Het zijn de regels die volgens het verhaal van Genesis ooit aan Noach waren gegeven toen Noach, zijn vrouw en kinderen opnieuw begon de aarde te bevolken.
Dat offervlees was in de dagen van Paulus niet onbelangrijk. Door het eten van het offervlees kreeg je immers deel aan de macht van de god aan wie het vlees geofferd was. De zorg dat alle bloed uit het vlees was verwijderd kwam voort uit een oude Joodse gedachte. Volgens de Joodse leer was bloed de zetel van het leven. En levende dieren behoorde je niet te eten. Je moest er voor zorgen dat dieren die je at pijnloos en zorgvuldig werden gedood. Ze waren pas echt dood als al het leven, als al het bloed uit het dier was verdwenen. Wie de regels uit het Oude Testament over het ritueel slachten nog eens naleest en op zich in laat werken zal onder de indruk komen van de zorgvuldigheid waarmee de dieren die men consumeerde werden benaderd. Voor dat leven bestond zeer veel respect en dat respect werd van alle gelovigen gevraagd. Dat respect wordt nu ook van Christenen gevraagd. Hier staat ook nog dat ontucht moet worden nagelaten maar bedoeld wordt eigenlijk dat men moet afzien van het gebruik van Tempelprostitutie. Alleen de God van Israël zorgt immers voor ons en ons voedsel.
En hoe zit het dan met het Heb-Uw-Naaste-Lief-Als-Uzelf? Is dat geen gebod? Nee dat is het hart van het geloof. Je behoort niet tot een Christelijke gemeente als je dat niet dag in dag uit doet. Dat is geen last, maar een voorrecht, een teken dat je er bij mag horen, dat je deel mag uitmaken van het Koninkrijk van God. Die regels die de Apostelen en de Oudsten in hun brief vragen behoeden je juist van verwijdering van de arbeid in dat Koninkrijk. Offervlees dat voor jou is deel je niet, maar voedsel dat je hebt kun je als Christen altijd delen, het is zelfs jammer als je geen hongerige meer kunt vinden om het te delen. Dat je van je geloof van alles zou moeten en van alles niet zou mogen is dus klinkklare onzin. Er zijn maar een paar regels. Die staan in een brief gebracht door voorname leiders van de gemeente in Jeruzalem naar de gelovigen buiten Palestina. Regels die Joden en Christenen verenigen en beiden niet verlegenheid brengen maar hen samen tot gemeenschappen smeed die tot op de dag van vandaag de voorhoede laten vormen van het Koninkrijk van God, waar hongerigen worden gevoed, bedroefden getroost en de armen worden bevrijd. Daar mogen we vandaag ook weer aan meedoen.