Wacht hier tot wij terugkomen

Exodus 24:1-18
1 Mozes kreeg van de HEER deze opdracht: ‘Kom naar mij toe, de berg op, samen met Aäron, Nadab en Abihu en zeventig van Israëls oudsten, en kniel op eerbiedige afstand 2 Alleen jij, Mozes, mag in de nabijheid van de HEER komen, de anderen niet. Het volk mag jou niet volgen als je de berg op gaat.’ 3 Mozes maakte het volk bekend met alle geboden en regels die de HEER had gegeven, en het volk verklaarde eenstemmig dat het zich zou houden aan alles wat de HEER geboden had. 4 Hierna schreef Mozes alles op wat de HEER had gezegd. De volgende morgen bouwde hij aan de voet van de berg een altaar en richtte hij twaalf gedenkstenen op, voor elk van de twaalf stammen van Israël één. 5 Hij droeg een aantal jonge Israëlieten op om de HEER brandoffers te brengen en stieren te slachten voor een vredeoffer. 6 Mozes nam de helft van het bloed en deed dat in schalen, de andere helft goot hij tegen het altaar. 7 Vervolgens nam hij het boek van het verbond en las dit aan het volk voor, en zij zeiden: ‘Alles wat de HEER gezegd heeft zullen we ter harte nemen.’ 8 Toen nam Mozes het bloed en besprenkelde daarmee het volk. ‘Met dit bloed, ‘zei hij, ‘wordt het verbond bekrachtigd dat de HEER met u heeft gesloten door u al deze geboden te geven.’ 9 Hierna ging Mozes de berg op, samen met Aäron, Nadab, Abihu en zeventig oudsten van het volk, 10 en zij zagen de God van Israël. Onder zijn voeten was er iets als een plaveisel van saffier, helder stralend als de hemel zelf. 11 Deze vooraanstaande Israëlieten werden niet door God gedood: zij zagen hem, en zij aten en dronken.12 De HEER zei tegen Mozes: ‘Kom naar mij toe, de berg op, en wacht daar; dan zal ik je de stenen platen geven waarop ik de wetten en geboden heb geschreven om het volk te onderrichten.’ 13  Samen met zijn dienaar Jozua ging Mozes de berg van God op. 14  Tegen de oudsten zei hij: ‘Wacht hier tot wij terugkomen, Aäron en Chur blijven bij u. Mocht iemand een uitspraak in een geschil willen, dan kan hij zich tot hen wenden.’15  Terwijl Mozes de berg op ging, werd deze overdekt door een wolk: 16  de majesteit van de HEER rustte op de Sinai. Zes dagen lang bedekte de wolk de berg. Op de zevende dag riep de HEER Mozes vanuit de wolk. 17  En terwijl de Israëlieten de majesteit van de HEER zagen, als een laaiend vuur op de top van de berg, 18  ging Mozes de wolk binnen en klom hij verder omhoog. Veertig dagen en veertig nachten bleef hij op de berg. (NBV)
En toch, niemand kan God zien. Mozes straalde zo toen hij bij God vandaan kwam dat hij zijn gezicht moest bedekken. Elia zag God voorbijgaan in het ruisen van de wind. Alleen Aäron, Nadab, Abihu en de zeventig oudsten van het volk zagen God en werden niet gedood, zij zagen hem en zij aten en dronken. Dat plaveisel van saffier, stralend als de hemel zelf werd ook gezien door Ezechiël toen hij een wagen zag gemaakt van de goden van Babel en daarboven de God van Israël, als een mens staat er daar. Er zijn mensen die denken dat God misschien de hemel en aarde heeft geschapen maar zich daarna met de ontwikkeling van de mensheid verder niet heeft bemoeid. De leer van Mozes zoals die in de eerste vijf boeken van de Bijbel wordt gepresenteerd is voor hen echt de leer van Mozes, die heeft het volk naar de Horeb in de Sinaï gebracht en heeft daar de inrichting van de toekomstige samenleving opgeschreven in het boek van het verbond. Maar in het verhaal staat Mozes niet alleen, er zijn priesters en volksvertegenwoordigers, die zeventig waren gekozen door het volk. God breekt volgens dat verhaal echt in in de historie en schrijft geschiedenis voor mensen.
Stieren zijn er geslacht als vredesoffer. Voor elke stam van Israël een stier. Stieren waren een symbool van kracht en vruchtbaarheid. Ze waren de sterksten van de huisdieren en er waren maar weinig stieren nodig om een kudden koeien te krijgen. Bovendien waren gecastreerde stieren, de ossen, nog heel goed om de ploeg door vette aarde te trekken zodat de bodem vruchtbaar werd en vruchtbaar genoeg om graan te zaaien en overvloedig te oogsten. Die kracht en die vruchtbaarheid delen met de God van Israël moest wel wat opleveren. En wat dat maakte Mozes ook duidelijk. De kracht en het leven van mens en dier zat in het bloed zo geloofde men. Dat de helft van het bloed van de offerdieren gebruikt werd om het volk te besprenkelen deed die kracht en die vruchtbaarheid als het ware neerdalen op het volk. Een verbond had het volk dus gesloten met de God van Israël. Zo’n verbond was niet uniek. Archeologen hebben vele voorbeelden gevonden van verbondssluitingen in dezelfde vorm en met woorden die sterk lijken op het verbond dat hier beschreven wordt.
Nadat Mozes met de priesters en de oudsten bij God waren geweest moet hij nog een keer de berg op. Nu met Jozua de naamgenoot van Jezus van Nazareth, de beoogde opvolger van Mozes die het volk het beloofde land zal binnenleiden. Hij krijgt stenen platen met alle wetten en regels er in gebeiteld. Rechters blijven achter bij het volk in de persoon van Aäron en Chur maar op de berg is de wolk die het volk Israël door de woestijn had geleid en op de berg is vuur te zien, zoals veel later het vuur te zien was op de Apostelen toen de Heilige Geest werd uitgestort op het Pinksterfeest. De herinnering aan het gebeuren bij de berg in het midden van woestijn zou veel later door het volk Israël verbonden worden met het Pinksterfeest, het feest waarop de eerstelingen van de oogst werden gedeeld met de armen, de vreemdelingen, de familie en de dienaren van de Tempel in Jeruzalem. Dat delen zou ook het feest worden van de Heilige Geest, want alle volken op aarde zouden in de Geest van Jezus van Nazareth bereid moeten zijn alles wat ze hadden te delen met wie dat nodig had. Dan pas zou het verbond tot vervulling komen.

Lasterlijke aantijgingen.

Exodus 23:1-17
1 Onthoud je van lasterlijke aantijgingen. Maak geen gemene zaak met een misdadiger door iemand vals te beschuldigen. 2 Laat je er niet door de meerderheid toe overhalen iets onrechtvaardigs te doen, en als je in een rechtszaak getuigt, verdraai het recht dan niet door je naar de meerderheid te richten. 3 Iemand die arm is, mag je in een rechtszaak niet bevoordelen. 4 Wanneer je een verdwaald rund of een verdwaalde ezel van een vijand van je aantreft, moet je hem het dier zonder uitstel terugbrengen. 5 Wanneer je ziet dat de ezel van iemand met wie je in onmin leeft onder zijn last bezwijkt, mag je niet werkeloos toezien maar moet je hem meteen de helpende hand bieden. 6 Bij een rechtszaak moet je de rechten van de armen eerbiedigen. 7 Laat je niet beïnvloeden door valse aantijgingen en breng een onschuldige die in zijn recht staat niet ter dood; wie zich daaraan schuldig maakt, laat ik niet vrijuit gaan. 8 Neem geen steekpenningen aan, want steekpenningen maken zienden blind en maken eerlijke mensen tot leugenaars. 9 Vreemdelingen mag je niet uitbuiten. Jullie weten immers hoe het voelt om vreemdeling te zijn, omdat jullie zelf vreemdelingen zijn geweest in Egypte. 10 Zes jaar achtereen mag je je land inzaaien en de oogst binnenhalen. 11 Maar het zevende jaar moet je het land braak laten liggen en het met rust laten, dan kunnen de armen onder jullie ervan eten; wat zij nog overlaten is voor de dieren van het veld. Met je wijngaard en je olijfgaard moet je hetzelfde doen. 12 Zes dagen lang mag je werken, maar op de zevende dag moet je rust houden; dan kunnen ook je rund en je ezel uitrusten en kunnen je slaven en de vreemdelingen die voor je werken op adem komen. 13 Houd je verre van alles waarvoor ik jullie heb gewaarschuwd. Roep geen andere goden aan, laat hun naam niet over je lippen komen. 14 Driemaal per jaar moeten jullie ter ere van mij feestvieren. 15 In de maand abib, de maand waarin jullie uit Egypte weggetrokken zijn, moet je op de daarvoor vastgestelde dagen het feest van het Ongedesemde brood vieren. Eet dan zeven dagen lang ongedesemd brood, zoals ik je heb opgedragen. Niemand mag dan met lege handen voor mij verschijnen. 16 Verder moeten jullie het Oogstfeest vieren, het feest van de eerste opbrengst van wat je op de akker gezaaid hebt, en tot slot, wanneer aan het eind van het jaar de hele oogst is binnengehaald, het Inzamelingsfeest. 17 Driemaal per jaar dus moeten alle mannen voor de Machtige, de HEER, verschijnen. (NBV)
Je bent zelf verantwoordelijk voor de dingen die je zegt of doet. In het gedeelte van vandaag ligt daar de nadruk op. Je mag je best aan iemand ergeren, je hoeft niet met iedereen bevriend te zijn, maar daarom hoef je over een ander geen laster te verspreiden. Laster is in dit geval het negatieve over een ander uiten als vaststaand dat je misschien aanvoelt maar niet echt kunt bewijzen. Eerlijkheid en rechtvaardigheid zijn eigenschappen die in de Bijbel zeer worden aanbevolen. Zo mag je best een misdadiger liefhebben en die op het rechte pad proberen te krijgen maar om die vriendschap te behouden gaat het toch echt te ver een ander vals te beschuldigen. De stelling dat je een meerderheid in het kwaad niet moet volgen is populair onder minderheden. Zij hoeven dan niet goed te vinden wat iedereen goed vindt. En daarin hebben ze volgens de Bijbel gelijk. Maar de vrijheid die de Bijbel schenkt aan iedereen geldt dus ook voor iedereen. Van deze stelling is onze norm voor de vrijheid van meningsuiting afgeleid. En die norm is best heel moeilijk vol te houden. Als iedereen de vrijheid heeft een eigen mening te uiten zonder zich iets aan te trekken van een meerderheid zou dus ook de mening dat een beweging als IS een goede beweging is in vrijheid verkondigd moeten kunnen worden.
Dan zou dus ook de mening dat onze westerse samenleving met haar seksualisering van het uiterlijk vertoon in de maatschappij verdorven is en bestreden moet worden geuit moeten kunnen worden. Helaas gaat bijna een meerderheid in ons land daarin niet mee. Als die meningen gegrond zijn in de Koran, als men vindt dat die mening bij de Islam hoort dan wil men het uiten van die meningen verbieden. Onrechtvaardig dus en we zouden hierin de meerderheid niet moeten volgen. Er staan in het stuk van vandaag ook zaken die je niet zou verwachten. Je mag bijvoorbeeld een arme en zijn zaal in een rechtsgeding niet voortrekken. Je moet wel de rechten van de armen eerbiedigen. Hoe zit dat? Nu in een samenleving die de Bijbel ons voor houdt zijn geen armen. Dan wordt er zo voor mensen gezorgd dat ieder tot zijn of haar recht komt en niemand gebrek lijdt. Iemand bevoordelen omdat die arm is laat die iemand niet tot zijn of haar recht komen, arm zijn is immers onrecht. Behandel de ander dus zoals je zelf behandeld zou willen worden. In onze discussie over de integriteit van bestuurders is het verbod op het aannemen van steekpenningen op zijn plaats. Maar steekpenningen zijn vaak meer dan geld bedragen met een voor wat hoort wat karakter. Ook vriendschap met haar voordelen kan een steekpenning zijn. Wie bij jouw partij hoort heeft immers de goede kant gekozen? De Bijbel roept hier op daar los van te staan.
Ze zeggen wel eens dat die gelovigen van die saaie serieuze mensen zijn. Hoe meer ze in de Bijbel lezen hoe ernstiger ze worden en hoe somberder ze gaan kijken. Nu is dat tegenwoordig een vooroordeel dat zeker voor Protestantse mensen niet meer opgaat maar er is ook wel een verklaring voor. In de Bijbel staan uitgebreide verhalen over feesten. Feesten die wij niet meer kennen maar die we maar al te graag zouden hebben. Lees het stukje van vandaag nog maar eens goed. Dat spreekt van een feest van een jaar lang. Een jaar lang niet zaaien, niet oogsten, het land braak laten liggen. Een jaar lang vakantie, eens in de zeven jaar. Veel mensen zouden dat graag willen. In banen waar men zich dat kan veroorloven hoor je dat ook nog wel eens, we nemen een Sabbatsjaar heet dat dan, een jaar om wat anders te gaan doen, een jaar om je te bezinnen op de manier waarop je je leven hebt ingericht. De armen onder ons kunnen zich dat niet veroorloven. Ook daar houdt de Bijbel rekening mee, alles wat groeit op de akker is voor de armen. De Bijbel gaat er van uit dat er zelfs meer zal groeien dan de armen nodig hebben, de rest is voor de wilde dieren. Maar ook als je je het niet kunt permitteren hoef je niet onafgebroken je hele leven dag in dag uit te werken. Zes dagen, dan is het weer hoog tijd om te gaan rusten, feest maken dus. In de Joodse traditie werd dat de dag die wij kennen als de zaterdag, elke week weer, daarom een vrije zondag.

Ik zal die volken uitroeien.

Exodus 23:18-33
18 Als je een offerdier voor mij slacht, mag het bloed van het dier alleen vloeien wanneer er niets aanwezig is dat zuurdesem bevat, en het vet van mijn feestoffer mag niet tot de volgende morgen bewaard worden. 19 De allereerste opbrengst van je akker moet je naar het heiligdom van de HEER, je God, brengen. Je mag een geitenbokje niet koken in de melk van zijn moeder. 20 Ik stuur een engel voor jullie uit om je op je tocht te beschermen en je naar de plaats te brengen die ik voor jullie bestemd heb. 21 Neem je voor hem in acht, gehoorzaam hem zonder tegenspreken, want hij handelt in mijn naam en zou jullie je opstandigheid niet vergeven. 22 Als je hem gehoorzaamt en alles doet wat ik zeg, zal ik de vijand van jullie vijanden zijn en jullie onderdrukkers onderdrukken. 23 Mijn engel zal voor jullie uit gaan naar het gebied van de Amorieten, de Hethieten, Perizzieten, Kanaänieten, Chiwwieten en Jebusieten, en ik zal die volken uitroeien. 24 Neem hun gebruiken niet over, kniel niet neer voor hun goden en vereer ze niet; haal hun godenbeelden omver en verbrijzel hun gewijde stenen. 25 Vereer de HEER, jullie God, dan zal hij je voedsel en je water zegenen en jullie vrijwaren voor ziekten. 26 Geen enkele vrouw in jullie land zal dan een miskraam krijgen of onvruchtbaar zijn, en ik zal je een lang leven schenken. 27 De schrik voor mij stuur ik voor jullie uit, ik zal paniek zaaien onder elk volk waarmee jullie in aanraking komen, zodat al je vijanden op de vlucht slaan. 28 Ook stuur ik een zwerm horzels voor jullie uit, die de Chiwwieten, de Kanaänieten en Hethieten zullen verjagen. 29 Maar ik verdrijf hen niet allemaal in één jaar, anders zou het land verwilderen en zouden er te veel wilde dieren komen; 30 ik zal het geleidelijk doen, totdat jullie met zo velen zijn dat je hun land in bezit kunt nemen. 31 Ik zal jullie een gebied geven dat zich uitstrekt van de Rode Zee tot aan de zee waaraan de Filistijnen wonen, en van de woestijn tot aan de Eufraat. De bewoners van dat hele gebied geef ik in jullie macht, en jullie zullen hen verdrijven. 32 Sluit geen verbond met hen of met hun goden. 33 Zij mogen niet in jullie land blijven, anders zouden ze jullie ertoe verleiden hun goden te vereren en tegen mij te zondigen. Dat zou jullie ondergang zijn.’ (NBV)
Zes dagen, dan is het weer hoog tijd om te gaan rusten, feest maken dus. Plechtig feest maken samen met God, de offers moeten daarmee in overeenstemming zijn. In de Joodse traditie werd dat de dag die wij kennen als de zaterdag. Joden en Heidenen die samen een Christelijke gemeente vormden kwamen dan de dag erop, de eerste dag van een nieuwe week, bij elkaar om te vieren dat hun Heiland, die hun leven weer tot een geheel had genezen, was opgestaan uit de dood. De dood speelde voor hen geen rol meer in het leven. De dood was niet het einde van het verhaal, het einde van het verhaal was het leven, een leven waar alle tranen gedroogd zullen zijn. Die eerste dag van de week werd onze zondag. Een dag die in onze traditie alle kenmerken van de Sabbat kreeg. Op die dag hoort er niet gewerkt te worden. Wij zijn evenmin als het volk Israël slaven van ons werk. Een individuele vrije dag is mooi, maar als alle anderen werken dan ben je dus vrij op een werkdag en ben je niet vrij van je werk. De vrije zondag zou dus een vrije zondag moeten blijven, niet om religieuze redenen, die lezen we niet in het gedeelte van vandaag, maar omdat we geen slaven willen worden van welk werk dan ook, daar zijn we van bevrijd, of we geloven of niet.
Een engel is niet een meneer in een witte jurk met vleugels. Als hier over engel gesproken wordt dan wordt gesproken over een boodschapper van de God van Israël. In het verhaal van Exodus wordt verteld dat voor het volk overdag een wolkkolom ging en in de nacht achter het volk een vuurkolom. Uit het verhaal kun je ook opmaken dat God zelf het volk voorgaat en in de nacht beschermd tegen laffe aanvallen van achteren. Het komt in deze boeken vaker voor dat de engel samenvalt met de God van Israël. Het drukt ook uit dat de God van Israël samenvalt met de boodschap die hij het volk zend, wat hij zegt doet hij ook en in zijn zeggen en doen herkennen we de God die de mensen liefheeft. Zeggen, doen en zijn vallen bij God samen. We schrikken overigens vaak van dat uitroeien van vele volken waar hier over gesproken wordt. Het is maar goed dat we schrikken en het niet maar gewoon vinden dat volken uitgeroeid worden. Maar als we nauwkeurig lezen dan is dat uitroeien kennelijk iets anders dan in de Holocaust werd geprobeerd.
Het gaat er om dat het volk Israël gevrijwaard bleef van elk contact met deze volken. De reden daarvan staat er hier bij. Deze volken hadden kennelijk een godsdienst die voor mensen zeer aantrekkelijk was, voor je het weet dan loop je ook hun goden na. En dat is nu net in strijd met wat de God van Israël wil en alle volken wil laten zien. De verering van de God van Israël heeft tot gevolg dat er geen ziekten zijn, dat vrouwen geen miskramen krijgen, dat er voldoende voedsel en water is voor iedereen en dat iedereen lang zal leven. Geloven wij dan te weinig? Bij ons zijn ziekten toch aan de orde van de dag, miskramen teisteren te veel vrouwen en hoewel we langzaamaan allemaal ouder worden zijn er toch nog altijd te veel mensen die voor hun tijd sterven. We weten natuurlijk best dat veel ziekten en sterfgevallen komen door onze leefstijl, te veel en te vet eten, roken en alcohol drinken helpen ook al niet. En ook de overheid stelt de veiligheid en gezondheid van mensen niet voorop blijkt vaak achteraf en zelfs als het een minister spijt dan nog veranderd het beleid niet. Maar ook doordat we met de hele wereld verweven zijn kunnen bij alle volken en dus ook bij ons ziekten uitbreken.

Jullie zijn zelf vreemdelingen geweest

Exodus 22:17-30
17 Een tovenares mag niet in leven blijven. 18 Wie gemeenschap heeft met een dier, moet ter dood gebracht worden. 19 Wie aan andere goden offers brengt, en niet uitsluitend aan de HEER, moet onder de ban worden geplaatst en gedood worden. 20 Vreemdelingen mag je niet uitbuiten of onderdrukken, want jullie zijn zelf vreemdelingen geweest in Egypte. 21 Weduwen en wezen mag je evenmin uitbuiten. 22 Doe je dat toch en smeken zij mij om hulp, dan zal ik zeker naar hen luisteren: 23 ik zal in woede ontsteken en ieder van jullie doden, en dan zullen jullie eigen vrouwen weduwe worden en jullie kinderen wees. 24 Als je geld leent aan iemand van mijn volk die armoede lijdt, gedraag je dan niet als een geldschieter en vraag geen rente van hem. 25 Als je iemands mantel als onderpand neemt, moet je die voor zonsondergang aan hem teruggeven, 26 want hij heeft niets anders om zich mee toe te dekken. Waarmee moet hij zijn lichaam anders beschermen als hij gaat slapen? Als hij mij om hulp smeekt, zal ik naar hem luisteren, want ik ben een genadige God. 27 Je mag God niet lasteren en je mag de leiders van je volk niet vervloeken. 28 Sta de eerste opbrengst van de druivenoogst zonder uitstel aan mij af, en geef mij ook je eerstgeboren zoon. 29 Hetzelfde geldt voor de eerste jongen van je runderen en van je schapen en geiten; zeven dagen mogen ze bij hun moeder blijven, op de achtste dag moet je ze aan mij afstaan. 30 Leef als mensen die aan mij gewijd zijn. Eet geen vlees van een dier dat door een roofdier is gedood; dat moet je aan de honden geven. (NBV)
We zijn geen goden en als we zelf beslissingen nemen dan merken we dat we die soms ten goede nemen en soms heel erg fout kunnen doen. Maar dan duiken er vrouwen op waar je iets voor moet doen. Het zijn regels die voor mannen bestemd zijn, zo lijkt het. Sommige regels zijn cultuurbepaald. Een meisje trouwt in bij haar schoonfamilie. Het werk dat ze deed en dat wegvalt moet vergoed worden. Mensen die bang zijn dat je de Bijbel niet alleen letterlijk wil nemen maar ook doen wat de bedoeling van de Bijbel is, je naaste echt liefhebben als jezelf, wijzen er graag op dat er in de Bijbel op verschillende wijze over vreemdelingen gesproken wordt. Er zijn vreemdelingen die bij je werken, er zijn vreemdelingen die gasten zijn, die met je handelen bijvoorbeeld en er zijn vreemdelingen waar je bang voor zou moeten zijn, zwervers die zomaar en ineens opduiken.  Als je een tekst leest zoals die hierboven staat moet je je dus afvragen welke soort vreemdelingen hier bedoeld worden. In Deuteronomium staat het gebod om bij de Tempel een maaltijd te houden met je familie, de armen en de vreemdelingen die bij je in dienst zijn.
Joodse vertalers wijzen er op dat het hier in het boek Exodus gaat over zwervers. De oudste belijdenis van het volk Israël ging immers ook over zwervers: “Mijn vader was een zwervende Arameeër”.  Daarmee wordt Abraham bedoeld en de God van Abraham, Izaak een Jacob werd de God van Israël en door hongersnood gedreven kwamen ze in Egypte terecht waar ze uiteindelijk in slavernij werden gehouden. Zwervende vreemdelingen die uit honger op de vlucht slaan genieten hier dus een bijzondere bescherming. . Economische vluchtelingen laten wij liever verdrinken in de Middellandse Zee dan ze in de wereld een plek te geven waar ze zonder honger zouden kunnen leven en kunnen werken aan een vruchtbare toekomst. Zelfs mensem die vervolgd worden en vluchten voor oorlog, onderdrukking en geweld kunnen niet op ons medeleven rekenen. Desnoods nemen we ze op als zwervers en als het over de Bijbel gaat dan roepen we dat we niet voor iedereen kunnen zorgen. Dat je een volk moet vormen waarin voor de zwaksten gezorgd wordt dringt nog steeds niet door bij de meerderheid. Het idee dat aan de mensen met de laagste inkomens geen rente op leningen gevraagd zou mogen worden is zelfs de volkskredietbanken met hun afdelingen schuldhulpverlening vreemd.
Een volk moet ook oefenen in delen. Daarom werd aan het volk Israël gevraagd om het eerste van de oogst op te dragen aan de God van Israël, daar moesten de Priesters van de Tempel en de Levieten die recht spraken van leven. Daarom moest ook de eerstgeborene opgedragen worden aan de God van Israël. Die eerstgeborene zou uiteindelijk ook als eerste opgeroepen worden voor de krijgsdienst als het volk werd bedreigd door een ander volk. Zijn leven hoorde daarom van begin af te liggen in de hand van de God van Israël, de God die de armen beschermde en zich druk maakte over zwervers die bescherming bij zijn volk voor bescherming hadden aangeklopt. Wij kunnen in onze dagen nog veel leren van de regels waarmee het volk van Israël haar samenleving in het beloofde land zou kunnen inrichten. Wij zouden verlost zijn van vluchtkerken en vluchtgarages, van beelden van hongerende vluchtelingen die verdrinken aan onze grenzen. We zouden de voedselbanken niet meer nodig hebben, hoe goed het ook is ze te blijven bevoorraden. Elke dag kunnen we opnieuw werken aan de noodzakelijke hervormingen in onze samenleving, ook vandaag weer.

Als de dief niet gevonden wordt

Exodus 22:4-16
4 Wanneer iemand zijn vee loslaat om een stuk land of een wijngaard te begrazen, en zijn dieren grazen de akker van een ander af, dan moet hij de schade met de beste opbrengst van zijn land of wijngaard vergoeden. 5 Wanneer iemand iets verbrandt en het vuur overslaat op doornstruiken, waardoor korenschoven of een akker met het staande koren in vlammen opgaan, moet de veroorzaker van de brand de schade vergoeden. 6 Wanneer iemand geld of sieraden aan een ander in bewaring geeft en dit wordt uit het huis van die ander gestolen, moet de dief, als hij gepakt wordt, een dubbele vergoeding geven. 7 Als de dief niet gevonden wordt, moet de eigenaar van het huis in het heiligdom zweren dat hij zich niet aan de bezittingen van de ander heeft vergrepen. 8 Bij elk vermoeden van verduistering-of het nu een rund betreft, een ezel, een schaap of geit, een kledingstuk, of welk zoekgeraakt voorwerp ook waarvan iemand beweert dat het zijn eigendom is-moeten beide partijen hun zaak aan God voorleggen. Degene die door God schuldig verklaard wordt, moet de ander een dubbele vergoeding geven. 9 Wanneer iemand een ezel, rund, schaap of geit of welk dier dan ook aan een ander toevertrouwt, en het gaat dood of raakt gewond of wordt geroofd zonder dat er getuigen zijn, 10 en die ander zweert bij de HEER dat hij zich niet aan het bezit van de eigenaar vergrepen heeft, dan moet deze daar genoegen mee nemen en hoeft hem niets vergoed te worden. 11 Als vaststaat dat het dier gestolen is van de ander, moet deze het aan de eigenaar vergoeden. 12 Als het door een roofdier gedood is, moet hij dat bewijzen door hem het dode dier te brengen; hij hoeft het verscheurde dier niet te vergoeden. 13 Wanneer iemand een dier van een ander in bruikleen heeft en het raakt gewond of sterft terwijl de eigenaar er niet bij is, moet hij het dier volledig vergoeden. 14 Is de eigenaar er wel bij, dan is hij geen vergoeding verschuldigd. Was het dier gehuurd, dan is de schade bij de huurprijs inbegrepen. 15 Wanneer iemand een meisje dat nog niet uitgehuwelijkt is verleidt, moet hij de volle bruidsprijs betalen en met haar trouwen. 16 Mocht haar vader weigeren haar aan hem uit te huwelijken, dan moet hij een bedrag betalen dat overeenkomt met de bruidsprijs voor een maagd. (NBV)
Nog meer casuïstiek uit het boek Exodus vandaag. Hoe richt je een samenleving nu zo in dat aan iedereen recht wordt gedaan? Die vraag wordt ook aan ons gesteld. Een samenleving is immers steeds aan verandering onderhevig en altijd is de vraaag welke spelregels nu de beste zijn. Gelovigen zullen zeggen dat de spelregels van de God van Israël de bovenste beste zijn. Maar in de dagen dat het boek Exodus haar definitieve vorm en inhoud kreeg had men van de hedendaagse technologie en haar mogelijkheden nog geen benul. Toch zijn de vragen die het boek Exodus aan ons stelt van groot belang. Een dief die betrapt wordt moet alles vergoeden, heeft hij niks dan moet hij als slaaf verkocht worden voor het bedrag dat hij gestolen heeft. En hij blijft maximaal zeven jaren slaaf. Dat klinkt heel wreed maar de Tora kent ook uitzonderingen. Als iemand een brood steelt om zijn gezin te voeden dan is hij onschuldig. De samenleving had er maar voor moeten zorgen dat het niet zo ver zou komen.
Wij kennen geen slavernij mee maar wel werkstraffen. Er heerst terecht onvrede over die dieven die wel veroordeeld worden voor het misdrijf dat ze hebben begaan maar nooit de schade zullen kunnen vergoeden die ze hebben veroorzaakt. Misschien roept deze tekst uit Exodus ons op bij het inrichten van mogelijke werkstraffen ook eens wat vaker te denken aan de mogelijkheid iemand te laten werken voor het slachtoffer, of het slachtoffer mee te laten bepalen met wat voor werk de schade vergoed zou kunnen worden. Ook slachtoffers zal recht gedaan moeten worden blijkt uit de Bijbelse bepalingen en richtlijnen. Niet voor niets wordt in sommige gevallen zelfs een Godsoordeel gevraagd. Van allerlei op het oog heel verschillende zaken wordt in dit Bijbelgedeelte verteld hoe daarbij te handelen. Wat moeten we er vandaag de dag mee zullen velen zicht afvragen.
Eeuwen lang zijn de regels die we vandaag lezen gelezen alsof het wetten waren zoals we tegenwoordig ook wetten en regels hebben. We zijn vergeten dat we in het boek Exodus lezen. In dat boek wordt de weg beschreven die het volk Israël moest gaan van de slavernij in Egypte naar het land Kanaän dat hen gegeven zou worden als een land dat overvloeit van melk en honing. De regels die in het boek Exodus staan, dus ook de regels die we vandaag lezen, horen bij die weg. Elke dag moeten we allemaal een heleboel beslissingen nemen en welke beslissingen zijn nu de goede. We zouden zo graag beschikken over de kennis van goed en kwaad, maar we beseffen dat we daar eigenlijk maar weinig greep op hebben. Het verkrijgen van die kennis, het verkrijgen van de macht over goed en kwaad zou mensen goddelijk maken en het verhaal van de Bijbel leert ons dat het onze verhouding met de God van Israël stuk maakt en dat is toch zonde want die God schenkt ons een weg waar we zomaar gebruik van mogen maken en die ons draagt uit al die vele beslissingen in ons leven.

De eigenaar gaat echter vrijuit.

Exodus 21:28-22:3
 28 Wanneer een stier een man of vrouw zodanig stoot dat deze sterft, moet die stier gestenigd worden en mag het vlees ervan niet gegeten worden. De eigenaar gaat echter vrijuit. 29 Maar als die stier een man of vrouw doodt terwijl hij voor die tijd al stotig was, en de eigenaar was gewaarschuwd maar had hem niet vastgezet, dan moet niet alleen de stier gestenigd worden maar moet ook de eigenaar ter dood gebracht worden. 30 Legt men hem een afkoopsom op, dan moet hij als losprijs voor zijn leven de volle som die hem wordt opgelegd betalen. 31 Deze regels gelden ook als de stier een jongen of meisje stoot. 32 Als hij een slaaf of slavin stoot, moet aan zijn of haar meester dertig sjekel zilver worden betaald en moet de stier gestenigd worden. 33 Wanneer iemand een put graaft of openlegt en hem daarna niet afdekt, en er valt een rund of een ezel in, 34 moet de eigenaar van de put de schade vergoeden: hij betaalt de eigenaar van het dier een bepaald bedrag en mag het dode dier houden. 35 Wanneer iemands stier de stier van een ander zodanig stoot dat die sterft, moet de levende stier verkocht worden en de opbrengst ervan gedeeld. Ook het dode dier moet verdeeld worden. 36 Maar als bekend was dat de stier voor die tijd al stotig was en de eigenaar had hem niet vastgezet, dan moet hij de dode stier met een levende vergoeden; het dode dier mag hij houden.1 Betrapt iemand de dief op heterdaad en slaat hij hem dood, dan laadt hij daarmee geen bloedschuld op zich. 2 Gebeurt dit echter na zonsopgang, dan laadt hij wel bloedschuld op zich. De dief moet alles vergoeden; bezit hij niets, dan moet men hem verkopen voor een bedrag ter waarde van het gestolene. 3 Als het gestolen dier nog levend bij hem wordt aangetroffen, moet hij het dubbel vergoeden, of het nu een rund betreft, een ezel, schaap of geit. (NBV)
Nog meer casuïstiek vandaag. De tora wordt wel eens vergeleken met een weg die je uit het woud van beslissingen draagt dat je elke dag moet nemen. Wij hebben geen slaven meer zul je denken, maar dat is te gemakkelijk gedacht. Uit het geheel van deze voorbeelden van wat recht is komt een patroon tevoorschijn waar wij ook vandaag de dag nog ons voordeel mee kunnen doen. Allereerst dat de zwakke beschermd moet worden. Als je een onderliggende partij verwond dan kan dat niet zomaar, dan kom je er niet zonder kleerscheuren van af. We hebben gelezen van oog om oog en tand om tand, maar als het gaat om slaven en slavinnen dan is hun vrijheid veel belangrijker dan het verwonden van een dader als vergoeding voor het aangedane leed. Dus als je een slaaf een tand of een oog laat verliezen dan is die slaaf onmiddelijk vrij. Richtlijn is dus niet een strakke definitie als oog om oog of tand om tand maar richtlijn is de schade die je toebrengt, die moet hersteld worden en armen hebben daarbij andere belangen dan rijken.
Hoe richt je een samenleving nu zo in dat aan iedereen recht wordt gedaan? Die vraag wordt ook aan ons gesteld. Een samenleving is immers steeds aan verandering onderhevig en altijd is de vraaag welke spelregels nu de beste zijn. Gelovigen zullen zeggen dat de spelregels van de God van Israël de bovenste beste zijn. Maar in de dagen dat het boek Exodus haar definitieve vorm en inhoud kreeg had men van de hedendaagse technologie en haar mogelijkheden nog geen benul. Toch zijn de vragen die het boek Exodus aan ons stelt van groot belang. De eerste vraag bijvoorbeeld gaat over het recht je te verdedigen tegen inbrekers en roofovervallers. Mag je zover gaan dat ze het leven verliezen? Het leven is immers het allerbelangrijkste en het kostbaarste dat een mens bezit. Elk belang van bezit aan voorwerpen en geld valt in het niet bij mensenlevens. Als het duister is en iemand breekt in of overvalt je dan is het te rechtvaardigen dat je je zelf ook zo bedreigd voelt dat je je zo verdedigt dat daar iemand aan kan dood gaan. Als het licht is en je kunt de bedoelingen inschatten en men bedreigt je niet met de dood, dan mag je niet doden, dat laatste is dus altijd het uitgangspunt.

Het recht van de zwakste in een conflikt is lange tijd uit onze rechtspraak verdwenen. Slachtoffers en nabestaanden waren volstrekt buiten beeld. Heel langzaam dringt het besef door in de rechtspraak dat het niet alleen om de persoon van de dader gaat maar ook op de ernst van de gevolgen van een misdrijf. Die ernst is niet in alle gevallen gelijk. Hetzelfde misdrijf kan voor de ene benadeelde, voor de ene nabestaande of slachtoffer, veel zwaarder wegen dan voor de andere. De genoegdoening zal daarop moeten zijn afgestemd. Soms in de vorm van een hogere straf, soms in de vorm van een lagere straf om de dader in de gelegenheid te geven de schade materieel te vergoeden en het slachtoffer of de nabestaande de zekerheid te geven dat de materiele vergoeding ook binnen afzienbare tijd ook verkregen kan worden. Er wordt zelfs over gesproken dat we als samenleving, via de overheid, voorschotten op die materiele vergoeding zullen kunnen betalen. Daarmee zal het recht van de armsten in ons rechtssysteem pas verankerd kunnen worden. De Bergrede uit het Evangelie van Matteüs wordt beschouwd als een hervertelling van de Tora voor de mensen die leden onder de Romeinse bezetting. Wij lijden onder het Romeinse Recht waar de regels recht worden gedaan. Door te blijven vertellen over dat Koninkrijk van God kunnen we beetje bij beetje er voor zorgen dat aan mensen recht wordt gedaan, elke dag opnieuw, ook vandaag weer.

Naties legde hij aan onze voeten.

Psalm 47
1  Voor de koorleider. Van de Korachieten, een psalm. 2 Klap in de handen, o volken,  juich God toe met jubelzang:  geducht is de HEER, de Allerhoogste, machtige koning van heel de aarde. 4 Volken dwong hij voor ons op de knieën, naties legde hij aan onze voeten. 5 Hij koos voor ons een eigen land, de trots van Jakob, het volk dat hij liefheeft. sela. 6 Onder gejuich steeg God omhoog, de HEER steeg op bij hoorngeschal. 7 Zing voor God, zing een lied, zing voor onze koning, zing hem een lied: 8 God is koning van heel de aarde. Zing een feestelijk lied. 9 God heerst als koning over de volken, God zetelt op zijn heilige troon. 10 De vorsten van de volken zijn bijeen in het gevolg van Abrahams God. Zijn schildwachten zijn ze op aarde. Hoog is hij verheven. (NBV)
Het zijn vreemde dagen in deze tijd. Onze bewegingen en contacten met anderen worden bepaald door een vreemd en bijna onbedwingbaar virus. Gisteren vierden we dat Jezus van Nazareth ons in de steek liet, om ons op eigen benen te zetten. Vandaag zingen met de kerk een lied mee, een psalm. Een psalm van de Korachieten. Dat waren dienaren van de Tempel en zij hadden als bijzondere taak de drempels, ofwel de ingang, van de Tempel te bewaken. zij maakten dus uit wie er wel en wie er niet de Tempel in Jeruzalem binnen mocht. Ze hadden die taak overigens al sinds het volk door de woestijn trok en de Heilige Tent had gebouwd om het verbond met hun God te bewaren.
In deze psalm zingen ze dat iedereen van de hele wereld welkom is. De vorsten van alle volken zijn immers bijeen in het gevolg van Abraham en de kinderen van Abraham vormen het volk Israel dat de Tempel als centraal heiligdom heeft. Het is daarmee een psalm die ongetwijfeld een rol heeft gespeeld in de discussie onder de volgelingen van Jezus van Nazareth na Pinksteren. We hebben hier de afgelopen tijd gelezen dat al heel snel Grieken, Samaritanen en Romeinse bezetters bij de nieuwe beweging werden betrokken en dat dat nogal veel onrust veroorzaakte. We zagen dat Barnabas naar Antiochië werd gestuurd omdat daar alle deuren werden open gezet en de leerlingen voor het eerst christenen werden genoemd, zo wordt dat ten minste meestal vertaald.
Christenen hebben geleerd, en de Joden wisten het altijd al, dat alle volken van de wereld onder de heerschappij van God, onder de macht van Liefde, zijn gesteld. Alle mensen zijn zusters en broeders, alle mensen horen bij elkaar. Als je die regel niet volgt dat weten uit de vorige eeuw maar al te zeer waar dat op kan uitlopen. Dan stelt op een kwade dag zo’n lafhartige broekenpisser, die zich in de Tweede Kamer van angst overschreeuwt, opnieuw voor om de zogenaamde vreemdelingen in ons land op een vlot te zetten de Noordzee op met de opdracht terug te gaan naar het land van hun voorvaderen. We vieren vandaag de bevrijding van die angst. Velen hebben hun leven overgehad voor de vrijheid die we nu hebben en die we moeten zien door te geven aan toekomende generaties. Voor de gelovigen in de God van Israël betekent dat zijn richtlijnen voor de menselijke samenleving vasthouden, maaltijd houden dus met de armen maar ook met de vreemdelingen en dan die God loven voor de vrijheid die zijn richtlijnen ons allemaal schenken.

Ga dus op weg

Matteüs 28:16-20
16 De elf leerlingen gingen naar Galilea, naar de berg waar Jezus hen had onderricht, 17  en toen ze hem zagen bewezen ze hem eer, al twijfelden enkelen nog. 18  Jezus kwam op hen toe en zei: ‘Mij is alle macht gegeven in de hemel en op de aarde. 19  Ga dus op weg en maak alle volken tot mijn leerlingen, door hen te dopen in de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest, 20  en hun te leren dat ze zich moeten houden aan alles wat ik jullie opgedragen heb. En houd dit voor ogen: ik ben met jullie, alle dagen, tot aan de voltooiing van deze wereld.’ (NBV)
Twijfelen is niet erg. In de tijd van Jezus van Nazareth, na zijn kruisiging, toen hij opnieuw verscheen aan zijn leerlingen, op de berg waar hij hen onderwezen had nota bene, waren er zelfs onder hen nog die twijfelden. Maar de opdracht blijft hetzelfde voor alle leerlingen van Jezus van Nazareth. Maak alle volken tot mijn leerlingen door hen te dopen en hen te leren dat ze zich moeten houden aan alles wat ik jullie opgedragen heb. In de doopformule die Jezus hier hanteerd en die op gezag van het verhaal van Matteüs in alle christelijke gemeenschappen wordt gehanteerd, is het hele verhaal van Jezus van Nazareth samengevat. Er is één vader voor allen, God, want er staat geschreven dat wij allemaal kinderen van God genoemd kunnen worden. Jezus van Nazareth werd Zoon van God genoemd en door hem kunnen we de Vader zien, daarom kon hij zeggen dat hem alle macht gegeven is in de hemel en op aarde. De heilige Geest valt op allen die zijn Weg willen gaan, die mee willen doen in zijn verhaal.
En daar komt het moeilijkste te geloven. Elke gelovige is gegeven alle macht in hemel en op aarde. Daar moet je maar op durven vertrouwen. Dat kan als je voor ogen houdt dat Jezus met ons is al de dagen tot aan de voltooing van de wereld. Vroeger stond hier “voleinding”, alsof het er om gaat dat het duurt tot het afgelopen zal zijn met de aarde, maar voltooing is een betere vertaling. In het Grieks staat een woord dat omschreven kan worden met “tot het klaar is”. De aarde moet dus nog afgemaakt worden, die is nog niet klaar. In het lied van de Schepping uit Genesis zag God naar de aarde en zag dat het goed was. Als wij naar de aarde kijken zien we dat het op de aarde in het geheel niet goed is. Aan ons dus om dat scheppingswerk voort te zetten en te zorgen dat het op de aarde goed wordt. Dat de hemel op aarde kan wonen en dat, zoals het in het boek Openbaring staat, God zijn tenten op deze aarde kan spannen. Dat is natuurlijk een prachtig werk om aan mee te doen. En wanneer is het goed op de aarde? Jezus heeft het ons op de berg geleerd.
Ondanks alle verschillen in de vier Evangelieverhalen wijst ook Matteüs hier op de Bergrede die we hebben kunnen lezen. Daar ging het om de vredestichters, om het voeden van de hongerigen, het kleden van de naakten, het lessen van de dorst van de dorstigen, het bezoeken van de gevangenen, het genezen van de zieken, het troosten van de bedroefden, het recht doen aan de ontrechten. Daar ging het om een mantel afgeven aan iemand die er geen heeft als je er twee hebt, daar ging het om je rechterwang toe te keren als iemand je op de linkerwang slaag, om twee mijl te gaan als iemand je dwingt een mijl te gaan. Voor elk van die zaken zijn ook in onze tijd talrijke voorbeelden aan te wijzen waarmee je aan de slag kunt. Dichtbij in elke stad en in elk dorp zijn de armen die tegenwoordig zelfs voedselbanken nodig hebben, verder weg zijn talrijke mensen die dood gaan van honger, die monddood gemaakt worden, gemarteld en geslagen. Vanuit elk huis in ons land, vanuit elk huis in de wereld, kan een hand naar hen worden uitgestoken. Tot God ziet dat het goed is en de aarde voltooid zal zijn.

Een oog voor een oog

Exodus 21:12-27

12 Wie een ander zodanig slaat dat deze sterft, moet ter dood gebracht worden. 13 Maar in het geval dat hij het niet met opzet deed en God zijn hand bestuurde, kan hij vluchten naar een plaats die ik jullie zal aanwijzen. 14 Wanneer iemand een ander echter verraderlijk vermoordt, met voorbedachten rade, mag je hem zelfs van mijn altaar weghalen om hem ter dood te brengen. 15 Wie zijn vader of moeder mishandelt, moet ter dood gebracht worden. 16 Wie iemand ontvoert, moet ter dood gebracht worden, of hij de ander nu als slaaf verkocht heeft of hem nog in zijn bezit heeft. 17 Wie zijn vader of moeder vervloekt, moet ter dood gebracht worden. 18 Wanneer twee mannen ruziemaken en de een de ander zodanig met een steen of met zijn vuist slaat dat hij niet sterft maar wel het bed moet houden, 19 en hij weer op de been komt en met behulp van een kruk weer buiten kan lopen, dan gaat degene die hem geslagen heeft vrijuit. Wel moet deze hem de gedwongen rusttijd en de kosten van zijn herstel vergoeden. 20 Wanneer iemand zijn slaaf of slavin met een stok slaat en hij of zij sterft ter plekke, dan moet er vergelding plaatsvinden.21 Als de slaaf of slavin nog enkele dagen in leven blijft, gaat de eigenaar vrijuit; door het verlies van zijn eigendom is hij genoeg gestraft. 22 ¶ Wanneer twee mannen aan het vechten zijn en een van hen een zwangere vrouw raakt met als gevolg dat zij een miskraam krijgt, maar ze heeft verder geen letsel opgelopen, dan moet een boete worden geëist waarvan de hoogte door haar echtgenoot wordt vastgesteld; de rechters moeten op de betaling toezien. 23  Heeft ze wel ander letsel opgelopen, dan geldt: een leven voor een leven, 24  een oog voor een oog, een tand voor een tand, een hand voor een hand, een voet voor een voet, 25  een brandwond voor een brandwond, een kneuzing voor een kneuzing, een striem voor een striem. 26  Wanneer iemand zijn slaaf of slavin zodanig in het oog treft dat dit verloren gaat, moet hij hem of haar als vergoeding voor dat oog vrijlaten. 27  En als hij zijn slaaf of slavin een tand uitslaat, moet hij hem of haar als vergoeding voor die tand vrijlaten. (NBV)
Casuïstiek, daar lezen we vandaag over. Elke dag moet iedereen talloze beslissingen nemen. Heel vaak ook beslissingen die anderen raken. Sommige beslissingen lijken je opgedrongen te worden, door de samenleving, door je werk, door de buurt waarin je woont, door je gezin. Moet je je tegen die opgedrongen beslissingen verzetten of niet? Als er iemand dood aan gaat moet je je er zeker tegen verzetten. In deze dagen wordt herdacht dat in 1942 heel veel mensen in ons land staakten omdat de Duitse bezetter hun collega’s en buren bij elkaar had gedreven om hen weg te voeren. Dat die collega’s en buren de dood zouden vinden, vermoord zouden worden, dat wist men niet. Maar dat onschuldige mensen met wie men soms al generaties om ging zo maar zonder reden konden worden opgepakt en weggevoerd ging heel veel mensen te ver. De mensen die opgepakt werden hoorden volgens de Duitse bezetter bij het volk Israël, een volk zonder staat, een volk dat ooit had geleerd niet te doden en dat daar naar ook wilde leven. Tenminste de mensen die ook zelf bij dat volk gerekend wilden worden. We denken gemakkelijk dat het gedeelte dat we vandaag lezen de invoering van de doodstraf legitimeert. Maar dan hebben we het toch niet helemaal goed begrepen. De regel die het volk gegeven is: “Gij zult niet doden” blijft als opschrift boven dit gedeelte uit de Bijbel staan.
Die regel niet te doden is gegeven aan het volk Israël op hetzelfde moment dat de uitwerking die we vandaag gelezen hebben is gegeven. Dat vertelt ons het verhaal van de Bijbel. Geleerden kunnen wel zeggen dat de tien woorden en de andere regels op hele verschillene tijden zijn ontstaan en opgeschreven dat neemt niet weg dat ze nu in één verhaal staan en dat het feit dat het een doorlopend verhaal is ook aan ons een boodschap inhoudt. De vraag die hier wordt gesteld is hoe je als volk van de God van Israël met elkaar om gaat. Doden van elkaar is dus absoluut verboden. Ook het per ongeluk doden van mensen, geboren of niet, heeft gevolgen die recht gezet moeten worden. Zelfs het je ouders dood verklaren, vervloeken heet dat hier, heeft gevolgen voor een samenleving zoals de God van Israël die wil zie. De regels die we hier lezen zijn dus niet een toestemming om anderen te doden, ook niet een toestemming aan een staat of een rechtssysteem, de regels zijn heel eenvoudig: doden mag niet, nooit niet, er is geen enkel excuus voor. Alleen wie nooit, helemaal nooit iets gedaan heeft dat eigenlijk in strijd is met de regels van de God van Israël zou misschien mogen beginnen met het voltrekken van een dodende straf.
Toen Jezus van Nazareth dat eens voorlegde aan de religieuze leiders van zijn tijd, mensen die op alle manieren bezig waren de spelregels te verkennen en toe te passen, was er niemand die zich geroepen voelde ook werkelijk te gaan stenigen. Jezus van Nazareth heeft de betekenis van de regels die we vandaag hebben gelezen duidelijk gemaakt door ze te radicaliseren. Al scheld je iemand uit dan moet je je al verantwoorden, als je “dwaas” of “nietsnut” roept pleeg je eigenlijk al een misdrijf. Omdat heel veel mensen bewust of onbewust al volgens deze regels leven en leefden is het te begrijpen dat er in 1942 gestaakt werd, en begrijpen we dat we dat nog steeds herdenken. We moeten ons blijven verzetten tegen een samenleving waarin het gewoon is elkaar met woorden te vernederen of af te maken. Dit Bijbelgedeelte leert ons dat wat we een ander aan doen, we eigenlijk ons zelf aan doen. We moeten daarom naar een samenleving waar we mensen tot hun recht laten komen. Dat was in de woestijn onder Mozes zo, dat was in de dagen van Jezus onder de Romeinse bezetting zo, dat was in de Tweede Wereldoorlog zo, dat is vandaag in onze dagen nog helemaal niks anders, elke dag weer.

Zonder iets te hoeven betalen.

Exodus 21:1-11
1 ‘Houd hun ook deze regels voor: 2 Wanneer je een Hebreeuwse slaaf koopt, moet hij je zes jaar lang dienen; in het zevende jaar mag hij als vrij man vertrekken, zonder iets te hoeven betalen. 3 Als hij alleen is gekomen, moet hij ook alleen weggaan; was hij getrouwd, dan mag zijn vrouw met hem meegaan. 4 Als zijn meester hem een vrouw heeft gegeven en zij heeft hem zonen of dochters gebaard, blijven de vrouw en haar kinderen eigendom van de meester en moet de slaaf alleen weggaan. 5 Mocht hij echter te kennen geven dat hij zo aan zijn meester en aan zijn vrouw en kinderen gehecht is dat hij niet als vrij man wil vertrekken, 6 dan moet zijn meester hem naar het heiligdom brengen, hem tegen de deur of de deurpost zetten, en zijn oor met een priem doorboren. Hij blijft dan voorgoed zijn slaaf. 7 Wanneer iemand zijn dochter als slavin verkoopt, kan zij niet vrijkomen zoals de mannelijke slaven. 8 Als haar meester haar voor zichzelf bestemd had en zij hem niet meer aanstaat, moet hij haar laten terugkopen; hij heeft niet het recht haar aan derden te verkopen, omdat hij zijn verplichtingen tegenover haar niet is nagekomen. 9 Bestemt hij haar voor zijn zoon, dan moet hij haar als een dochter behandelen. 10 Neemt hij naast haar een andere vrouw, dan mag hij de slavin niet minder voedsel of kleding geven en niet minder vaak gemeenschap met haar hebben; 11 doet hij haar op een van deze drie punten tekort, dan mag ze weggaan zonder ook maar iets te hoeven betalen.(NBV)
Als je je samenleving hebt ingericht volgens de tien regels die God zelf vanuit een donkere wolk had gesproken dan volgen er de consequenties. Je kunt niet vrijblijvend een verbond met de God van Israël sluiten. Dat heeft vergaande gevolgen voor je dagelijks leven, voor je economie en de manier waarop binnen jouw huis met mensen wordt omgegaan. De eerste spelregel die komt na de tien woorden en na het bouwen van een offerplaats uit aarde volgen spelregels voor Hebreeuwse slaven. Die slaven zijn je broeders en zusters. Ze zijn geen eigendom. Het kan zijn dat ze een schuld aan je hebben, of uit armoede niet anders konden dan zichzelf verkopen maar het blijven je broeders en zusters. De God van Israël is in de eerste plaats een God van een slavenvolk. Die slaven worden van machines weer mensen gemaakt. Dat volk van slaven wordt een vrij volk, met een rustdag om die vrijheid te vieren, die vrijheid van slaven staat in de regels voor alledag voorop. Een Hebreeuwse slaaf komt na zeven jaar vrij. Hij en zijn gezin als hij al een gezin had toen hij slaaf werd.
Als de slavenhouder hem een gezin heeft bezorgd blijft dat gezin eigendom van die slavenhouder maar de vrij te laten slaaf krijgt een keus. Of hij vertrekt als vrij man, of hij gaat tot het huishouden van de slavenhouder horen en blijft bij zijn gezin. Dat is dus uitdrukkelijk niet de keus van de slavenhouder. Dat staat vooraf vast. Zo zijn de regels en die zijn niet naar willekeur aan te passen of te veranderen. Het zijn regels voor het omgaan met je broeder, met je naaste. Ook hier zal duidelijk moeten zijn dat je je naaste liefhebt als jezelf. Daarom moet je naar het Heiligdom als de slaaf niet weg wil. Daar nagel je hem symbolisch aan je deur. Dan weet iedereen dat je je aan de Heilige regels houdt, dan wordt openbaar dat het de eigen keus van de vrij te laten slaaf is. Overigens ook wordt duidelijk dat de vrij te laten slaaf kennelijk een zo goed gezinsleven kan lijden bij de slavenhouder dat daarvoor in vrijheid gekozen kan worden. Een man neemt ook niet voor niks een slavin. Daar ga je een relatie mee aan. Een vrouw had geen zelfstandige economische positie in de samenleving. Daarom moesten weduwen en wezen extra beschermd worden. En vrouwelijke slaven dus ook.
Die slavin neem je voor jezelf of voor je zoon. Als je een slavin koopt voor je zoon dan wordt dat niet je slavin maar je schoondochter. Je koopt haar als het ware vrij van de armoede die haar vader dwong haar aan jou te verkopen. Als de slavenmaker haar heeft gekocht voor zichzelf dan ben je vanaf dat moment niet minder dan zijn vrouw. Als hij naast jou nog een vrouw neemt dan deel je met haar de huwelijkse staat, niet meer en niet minder. Als je niet bevalt dan gaat de slavenmaker een scheiding aan zoals hij van zijn eigen vrouw zou scheiden. Als hij zich niet aan de regels houdt dan mag zij gaan scheiden en is ze vrij door zijn ontrouw aan de regels van de God van Israël. Wij kennen die slavernij niet meer. Wij kennen nog loonslaven en in een veranderende economische samenleving mogen de moderne slavenmakers, werkgevers, wel eens vaker beseffen dat volgens de Bijbelse richtlijnen werknemers en werkneemsters tot je familie behoren en als broeders en zusters behandeld moeten worden. Elke dag is er om zo opnieuw de samenleving in te richten, ook vandaag weer.