Zo bent u een voorbeeld

1 Tessalonicenzen 1:1-10

1 Van Paulus, Silvanus en Timoteüs. Aan de gemeente in Tessalonica, die toebehoort aan God, de Vader, en de Heer Jezus Christus. Genade zij u en vrede. 2  Wij danken God altijd voor u allen: wij noemen u onophoudelijk in onze gebeden 3  en gedenken dan voor onze God en Vader hoeveel uw geloof tot stand brengt, hoe krachtig uw liefde is en hoe standvastig u blijft hopen op de komst van Jezus Christus, onze Heer. 4 God heeft u lief, broeders en zusters. Wij weten dat hij u heeft uitgekozen: 5 onze verkondiging aan u overtuigde immers niet alleen door onze woorden, maar ook door de overweldigende kracht van de heilige Geest. U weet hoeveel we voor u hebben betekend toen we in uw midden waren. 6 U hebt ons nagevolgd, en daarmee de Heer: onder zware beproevingen hebt u het woord ontvangen met de vreugde van de heilige Geest. 7 Zo bent u een voorbeeld voor alle gelovigen in Macedonië en Achaje geworden. 8  Want het woord van de Heer heeft zich vanuit uw gemeente niet alleen in Macedonië en Achaje verspreid, uw geloof in God vindt ook weerklank buiten die gebieden. Wij hoeven daarover niets te vertellen; 9 iedereen praat erover hoe wij door u zijn ontvangen en hoe u zich van de afgoden hebt afgewend om u tot God te keren-om hem, de levende en ware God, te dienen 10 en om zijn Zoon te verwachten uit de hemel: Jezus, die hij uit de dood heeft doen opstaan en die ons zal redden van het komende oordeel. (NBV)

Vandaag beginnen we te lezen in de brief aan de Tessalonicenzen, de eerste brief die onder dit adres in het Nieuwe Testament is opgenomen. De Tessalonicenzen woonden in de stad die tegenwoordig Salonica heet, in Griekenland dus. Het moet een welvarende stad zijn geweest. Een havenstad op de route van Rome naar Turkije. Het begin van de brief is een begin zoals dat in vele brieven uit de eerste eeuw na het begin van de jaartelling is aangetroffen. Niet alleen brieven van Christelijke hand maar ook in veel andere brieven. De schrijvers worden genoemd en de geadresseerde wordt gegroet. Dan wordt de godheid gedankt dat de geadresseerde nog steeds in staat was de brief te lezen. Als schrijvers van de brief worden Paulus, Silvanus en Timoteüs genoemd. De brief is gericht aan de gemeente van God de vader en de Heer Jezus Christus. De term gemeente staat hier voor een samengeroepen vergadering van vrije burgers. Zulke vergaderingen werden regelmatig door een stadsbestuur bijeen geroepen om zaken te regelen en wetten vast te stellen.

Maar het gaat in deze brief niet om de burgers van een stad maar om de burgers van een nieuw Koninkrijk. De term “Heer” is immers de term waarmee de Romeinse keizers werden aangeduid. Het gaat hier dus om burgers van een ander rijk. Het rijk waar Jezus Christus de Heer van was. En dan is een vergadering van vrije burgers gelijk ook een bijzondere aanduiding. Het is namelijk helemaal niet gezegd dat de vrije burgers in het rijk van Christus ook gelijk vrije burgers in het Romeinse Rijk waren. Tessalonica was een stad met mensen uit zeer veel landen. Vrije mensen en slaven. Er was ook een synagoge in de stad. Aan de manier waarop over de gemeente wordt geschreven mag men afleiden dat de diversiteit in de stad ook weerspiegeld werd in de diversiteit van de gemeente. Daar waren slaven en vrijen dus gelijk, vrijgekocht door Jezus Christus heet het dan. Dat was revolutionair en riep begrijpelijkerwijs het nodige verzet op. De economie van het Romeinse Rijk was op slaven gebaseerd. Slaven konden tot hoge uitvoerende bestuurlijke functies komen. Soms werden ze als beloning voor bewezen diensten vrijgelaten. Maar een vrijgelaten slaaf was nooit een ondermijning van de maatschappelijke orde want een gelijkheid met vrijen ontstond er niet.

De termen die worden gebruikt om de gemeente in Tessalonica te beschrijven en die zijn ontleent aan de gebruikelijk politieke en bestuurlijke gang van zaken wijzen er al op dat er hier iets bijzonders gebeurde. Niet de bestaande samenleving was het voorbeeld dat moest worden gevolgd maar er was werkelijk iets nieuw gebeurd. In Tessalonica was een groep mensen verenigd die de liefde voor mensen voorop stelde. Zij volgde de God van Israël staat er, denk dan gerust aan de Tora, de regels voor de menselijke samenleving en zij schaarden zich onder het voorbeeld van Jezus van Nazareth. Die was hun Heer, die had dus de regels vastgesteld die door de gemeente in Tessalonica werden gevolgd. Of ze het verhaal over de Bergrede al kenden weten we niet, het staat niet in het gedeelte dat we vandaag lezen, maar dat de liefde centraal stond en ze een voorbeeld waren voor gemeenten die later waren ontstaan wijst er op dat er een voorbeeldgemeente was ontstaan waar de gezindheid die uit de Evangeliën spreekt een duidelijke prominente plaats had. Zo’n voorbeeld gemeente zou niet als slecht worden beoordeeld bij de wederkomst van Jezus. De vraag aan ons die hier wordt gesteld is natuurlijk of onze plaatselijke kerken ook zulke voorbeeldgemeenten zijn en hoe er over ons geoordeeld zou worden. Dat oordeel is niet aan ons, maar dat werken aan het worden van een lichtend licht in de samenleving is wel aan ons.

Als een hut die schaduw biedt

Jesaja 4:2-6

2 Op die dag zal de HEER het land tot bloei brengen, het zal als een kostbaar sieraad zijn. De rijke vrucht van het land zal elke Israëliet die ontkomen is met trots vervullen. 3 Ieder die nog in Sion is, ieder die in Jeruzalem is achtergebleven, zal heilig genoemd worden, alle mensen in Jeruzalem die ten leven opgeschreven zijn. 4 Wanneer de HEER het vuil van Sions vrouwen heeft weggewassen en het bloed van Jeruzalem heeft afgespoeld, door een zuiver oordeel en een zuiverend vuur, 5 dan zal hij boven de plaats waar de Sion ligt en waar men bijeenkomt, een wolk scheppen voor overdag en een lichtend vuur met rook en vlammen voor de nacht. Zijn luister zal alles overdekken, 6  als een hut die schaduw biedt in de hitte van de dag, en beschutting tegen storm en regen. (NBV)

In het gedeelte dat we vandaag lezen uit het boek van de profeet Jesaja worden een aantal typisch Bijbelse beelden bij elkaar gezet. Uit het verhaal over de uittocht uit Egypte kennen we het beeld dat God in een wolk overdag vooruit gaat en in een vuurkolom in de nacht. Die wolk en die vuurkolom worden nu als bescherming boven de Tempelberg gesitueerd. De berg Sion in Jeruzalem herbergt immers de richtlijnen voor de menselijke samenleving zoals die in de woestijn aan het volk Israël door God werden geschonken en die het hart van het volk vormen. Het boek van de profeet Jesaja gaat over de bedreigingen die uiteindelijk zouden leiden tot de ballingschap in Babylon. Het zijn donkere tijden, niemand is zeker van de toekomst.

Bezit telt niet meer want vijanden kunnen het elk ogenblik plunderen. Dan komt Jesaja met de boodschap dat delen met elkaar de bescherming biedt die iedereen nodig heeft. Zwakke mensen worden sterk als ze met elkaar weten te delen. Vrouwen hoeven zich niet te verkopen als ze samen weten te staan. Dan wordt de stad waarin je woont als een hut die schaduw biedt in de hitte van de dag, beschutting tegen storm en regen. Jaren geleden, toen de economie weer eens in een dal schoot, nam een Pastor het initiatief om in zijn stad de diaconieën van de kerken en de hulpverleners van de kerken bijeen te roepen in een honger en kou overleg. Hij had de roep van de armen in de stad gehoord. Eén van de hulpverleners stelde toen voor om niet meer eenzijdig als kerk de armen te helpen maar een organisatie op te zetten waar kerken en mensen met een uitkering gelijkwaardig de hulp gestalte zouden geven. Ze noemden dat ISBA, in het kerkslavisch betekent dat schuilhut.

Het is de hut die in dit gedeelte van het boek van de profeet Jesaja genoemd wordt. De organisatie bestaat nog steeds. Ze leent geld aan de armen als de gemeente niet snel genoeg is met een uitkering en signaleert naar de overheid tekortkomingen in de hulpverlening. Kerken helpen zo armen stem te geven aan hun noodsituatie. De gemeente heeft geleerd naar hen te luisteren want het is niet het zwakke handjevol armen dat roept om hulp, het zijn de leden van de diverse kerkgenootschappen, rijk en arm, die de stem van de armen versterken en het hebben over recht en gerechtigheid. De zorg voor de armen is zichtbaar verbeterd. Armoede is niet verdwenen, armen hebben we immers altijd bij ons, maar de schuilhut, op basis van de richtlijnen voor de menselijke samenleving, functioneert. En altijd kan een schuilhut aan de armen geboden worden, overal, ook aan de armen die in wanhoop via de Middellandse Zee aan onze deuren kloppen.

Dan zal er stank zijn

Jesaja 3:13-4:1

13 De HEER bereidt zijn rechtsgeding voor, hij staat klaar om over volken vonnis te wijzen. 14 Zo luidt de aanklacht van de HEER tegen de oudsten en de vorsten van zijn volk: Jullie hebben mijn wijngaard in brand gestoken en jullie huizen gevuld met wat je de armen ontnam. 15 Hoe durven jullie mijn volk te vertrappen en de armen zo zwaar te mishandelen? – spreekt God, de HEER van de hemelse machten. 16 De HEER zegt: Kijk eens hoe hooghartig die vrouwen van Sion zijn; zie hen verwaand flaneren en verleidelijke blikken om zich heen werpen, hoor het rinkelen bij de trippelpasjes die ze maken. 17 Daarom zal de HEER Sions vrouwen de sluier afrukken en hun voorhoofd ontbloten. 18 Op die dag neemt hij hun alle opschik af: hun enkelringen, zonnetjes en maantjes, 19 hun oorringen, armbanden en sluiers, 20  hun hoofddoeken, enkelkettinkjes, borstlinten, reukflesjes en amuletten, 21 de ringen aan hun handen en de ringetjes door hun neus, 22 hun prachtige kleren, mantels, omslagdoeken en tasjes, 23 hun doorschijnende gewaden, hemdjes, schouderdoeken en sjaals. 24 Dan zal er stank zijn in plaats van balsemgeur en zullen er touwen zijn in plaats van gordels; kale schedels en geen fraaie kapsels, grove rouwkledij en geen mooie feestgewaden. Dit alles vervangt de schoonheid. 25 Sions mannen zullen vallen door het zwaard, haar soldaten sneuvelen in de strijd. 26 Rouw en droefenis heersen in haar poorten. Berooid hurkt Sion neer op de grond. 1 Op die dag storten zeven vrouwen zich op één man: ‘Wij zullen zelf voor ons voedsel zorgen en in onze eigen kleding voorzien. Laat ons slechts uw naam dragen, neem de schande van ons weg.’(NBV)

Vandaag lezen we over een rechtszaak. Er zijn media die dol zijn op rechtszaken. Die zijn openbaar en gemakkelijk te verslaan. Er is een openbaar ministerie dat beschuldigd en een aangeklaagde met advocaat die verdedigd. Een onafhankelijke rechter, heel vaak vergezeld van een paar hulprechters, gaat dan op zoek naar de waarheid. Voor de media is die waarheid meestal niet zo belangrijk, het gruwelijke van de aanklacht wordt breed uitgemeten en het slimme van de verdediging speelt een grote rol. Zo komt het dat argeloze lezers en kijkers ineens geconfronteerd worden met een onverwachte vrijspraak en dat fouten in de rechtspraak soms pas na vele jaren duidelijk worden. Vandaag dus de rechtszaak die de God van Israël tegen de volken voert. Om te beginnen staan de leiders van zijn eigen volk terecht. Israël is immers bedoeld als voorbeeld voor de volken. Omdat God nu eenmaal God is luidt de aanklacht hetzelfde als het vonnis en gaan die direct in elkaar over. Wat is de aanklacht? Dat de wijngaard van God in brand is gestoken. Dat klinkt al ernstig maar we moeten wel weten wat er mee wordt bedoeld.

Onder Jozua was het land Israël verdeeld over alle families in Israël. Hun nakomelingen zouden daarvan moeten leven, elk op een eigen akker. Omdat ook Jozua wel snapte dat er eens een ongeluk zou kunnen  gebeuren, dat er een misoogst zou kunnen zijn, dat iemand de oogst toch wat te snel zou opmaken en dat er dus allerlei redenen zijn waardoor mensen tot armoede vervallen en gedwongen zijn om hun akker en daarmee ook zichzelf te verkopen om te kunnen overleven werd de bepaling ingevoerd dat elke vijftig jaar elke familie opnieuw zou mogen beginnen. Maar wat deden de rijken die zich het aankopen van vrijkomende akkertjes konden permitteren? Ze lieten ze braak liggen, ze staken wijngaarden en akkers in brand en gebruikten ze voor plezier, vaak ook voor afgoderij. Ze vulden hun huizen met het moois dat de armen hadden achtergelaten. Waaraan kunnen wij nu zien of wij ook zulke rijken hebben? Aan mooie kleren en allerlei uiterlijk vertoon zegt Jesaja op last van God. Wij denken aan miljonairs beurzen, jachthavens met onbetaalbare jachten, privé auto’s die zoveel kosten dat een gemiddelde burger er een jaar van zou kunnen leven.

We denken ook aan de exorbitante bonussen die in het bedrijfsleven, bij de overheid en in de zorg worden uitgedeeld. We zien het aan de leegstaande verzorgingshuizen, aan gehandicapte kinderen die niet meer naar school kunnen omdat hun ouders dat zelf moeten organiseren, aan de ernstig zieken die dure medicijnen niet krijgen omdat voorrang wordt gegeven aan exorbitante beloningen voor ziekenhuisbestuurders. De enorme beloningen worden verdedigd met het argument dat knappe bestuurders anders zullen verdwijnen. Jesaja geeft hen de schuld van de crisis die Jeruzalem treft en de vrouwen van Jeruzalem geven het goede voorbeeld. Trap die zakkenvullers maar er uit, ze zullen voortaan zelf wel voor kleding en voedsel zorgen. Misschien wordt het tijd om hun voorbeeld te volgen, dan worden ouderen weer verzorgd, zieken genezen, gehandicapten een plaats in de samenleving bezorgd, dan is er tijd om tranen te drogen en vreugde te maken.

Hun partijdigheid keert zich tegen hen

Jesaja 3:1-12

1 Voorwaar, God, de HEER van de hemelse machten, ontneemt Jeruzalem en Juda hun stut en steun: alle steun van brood en water, 2 van krijgsheld en soldaat, rechter en profeet, waarzegger en oudste, 3 bevelhebber, man van aanzien en raadsheer, tovenaar en bezweerder. 4 Hij stelt kinderen als koning aan, willekeur zal er regeren. 5 De mensen zullen elkaar verdringen, man tegen man, de een tegen de ander; een kind staat op tegen zijn ouders, een nietsnut tegen een man van eer. 6 Een man grijpt in het ouderlijk huis zijn broer bij de arm en roept hem toe: ‘Jij hebt een mantel. Wees jij onze leider en ontferm je over deze chaos.’ 7 Maar dan zal die zich verweren: ‘Verwacht niet dat ik jullie wonden heel. Ik heb in mijn huis geen voedsel, geen mantel. Stel mij niet aan als leider van het volk.’ 8 Jeruzalem is gestruikeld, Juda is gevallen. Zij keren zich tegen de HEER in woord en daad, ze tarten hem openlijk in al zijn luister. 9 Hun partijdigheid keert zich tegen hen, schaamteloos pronken ze met hun zonden, als Sodom. Wee hun, want ze berokkenen zichzelf kwaad. 10 Gelukkig de rechtvaardige, het gaat hem goed, hij zal de vruchten plukken van zijn daden. 11 Wee de goddeloze, hem gaat het slecht, al wat hij doet wordt hem vergolden. 12 Door tirannen wordt mijn volk uitgebuit, woekeraars heersen erover. Mijn volk, jullie leiders zijn verleiders, zij brengen jullie op een dwaalspoor.(NBV)

Veel mensen keren zich af van de politiek. Dat was vroeger zo en dat is vandaag de dag niet anders. Als de inwoners van de Verenigde Staten een president mogen kiezen dan deed maar een kwart van de kiesgerechtigden mee. Voor veel mensen is de politiek een chaos. Mensen die zich voordoen als regeerders, maar ondertussen blijft het leed in de wereld. Politici spreken mooie woorden maar zelden worden die gevolgd door verstandige daden. Voor arme mensen komt daar nog bij dat zij zich het hoofd breken over de vraag hoe de eerste levensbehoeften te betalen terwijl die politici vorstelijk worden beloond. Elke stut en steun van de machtigen, de regeerders, de mensen van aanzien ontbreekt. Het is alsof kibbelende kinderen het parlement bevolken, de jongeren de straten onveilig maken, het zinloos geweld vrij spel heeft en iedere willekeurige voorbijganger het wel voor het zeggen kan krijgen als die een nette jas aan heeft.

Jesaja schetst zo te zien niet de samenleving van enkele duizenden jaren geleden maar Jesaja schetst de samenleving van nu. Tenminste de samenleving zoals veel mensen die vandaag de dag nog beleven. Dat nadat we hebben gelezen dat er maar één Heer is, één die de macht heeft mensen te bevrijden van de slavernij van de armoede. Die God is liefde en waar is die God temidden van de chaos van de huidige samenleving. Is dat een God die je beschermt tegen straatrovers? Is dat een God die je kinderen beschermt tegen drugsdealers? Is dat een God die de vreemdeling in je buurt voor jou verstaanbaar maakt? Ook die God lijkt te zeggen dat je ook God maar niet als leider van het volk moet aanstellen. Maar als de redding zelfs niet bij God lijkt te liggen, waar moeten we ons dan toe wenden? Hebben we echt niet meer dan onszelf, zwak als we zijn, niet bij machte het onheil van deze wereld te keren?

We hebben alleen nog de oproep onze naaste lief te hebben als onszelf. Dat moesten we navolgen en daarin moesten we mensen zien mee te krijgen. Daar mogen we de politiek op aanspreken en dag en nacht mochten we op grond van die richtlijn ijveren voor recht en gerechtigheid. Dat zal dus moeten werken. Dat geeft mensen de moed op oudejaarsavond mee te lopen met de buurtvaders om de jeugd voor ontsporen te behoeden, dat geeft moed de dealers in de buurt te melden bij de politie zodat er niet nog meer slachtoffers vallen, dat geeft de rust om meer tijd te nemen om onze buren van vreemde herkomst zelf maar onze taal te leren verstaan, dat legt de woorden in onze mond om onze regeerders te blijven vertellen wat er nodig is in de stad, dat maakt dat mensen zwervers op de vlucht een onderdak geven. We moeten niet op anderen vertrouwen maar op de Liefde die wij van God gekregen hebben om te delen met de minsten. Dat is de boodschap van Jesaja.

Goden die ze vormden met hun eigen handen.

Jesaja 6-22

6 U hebt uw volk, Jakobs nakomelingen, verstoten. Zij waren ontvankelijk voor invloeden uit het Oosten, net als de Filistijnen lieten zij zich in met waarzeggerij, ze zijn met vreemde gebruiken vertrouwd geraakt. 7  Ze vulden hun land met zilver en goud, hoe meer schatten, hoe beter. Ze vulden hun stallen met paarden, hoe meer wagens, hoe beter. 8  Ze vulden hun huizen met afgoden, vereerden wat zij zelf hadden gemaakt, goden die ze vormden met hun eigen handen. 9 Ze zullen vernederd worden, buigen zullen ze. Nee, vergeef het hun niet! 10 Verschuil je tussen de rotsen, verberg je onder de grond, vlucht voor de vreselijke macht van de HEER, voor zijn geduchte majesteit. 11 Wie hoogmoedig was, slaat de ogen neer, wie trots was, buigt het hoofd. Want de dag komt dat alleen de HEER hoog verheven is. 12 Op die dag zal de HEER van de hemelse machten zich keren tegen ieder die hoogmoedig is en trots, tegen ieder die zich verheven acht-ze worden vernederd! -,13 tegen alle ceders van de Libanon die zich zo trots verheffen, tegen de eiken van Basan, 14 tegen de bergen met hun trotse hoogte en de heuvels die zich hoog verheffen, 15 tegen iedere hoge toren, tegen elke machtige muur, 16 tegen alle trotse handelsschepen, schepen met kostbare lading. 17 Wie hoogmoedig was, buigt het hoofd, wie trots was, bijt in het stof. Want de dag komt dat alleen de HEER hoog verheven is. 18 Dan zullen de afgoden in het niets verdwijnen. 19  Men schuilt weg in rotsspelonken, in holen in de grond, op de vlucht voor de vreselijke macht van de HEER, voor zijn geduchte majesteit, wanneer zijn komst de aarde schokt. 20 Op die dag zullen de mensen de afgoden, gesmeed van hun zilver en goud, gemaakt om te vereren, prijsgeven aan ratten en vleermuizen. 21 Ze zullen wegschuilen in rotsholen, in kloven en bergspleten, op de vlucht voor de vreselijke macht van de HEER, voor zijn geduchte majesteit, wanneer zijn komst de aarde schokt. 22 Schenk de mens niet langer aandacht. Wat is hij zonder adem in zijn neus? Wat heeft hij te betekenen? (NBV)

Soms is de Bijbel actueler dan je zou denken bij een boek dat vele duizenden jaren geleden tot stand is gekomen. In een tijd van Idols, verkiezingen van de mooiste, de beste, de populairste, de uitbundigste, de grappigste en noem maar op waar je nummer 1 in kunt zijn spreekt de Bijbel over goden die je kunt vormen met je eigen handen. In onze dagen worden zelfs politici kennelijk niet meer gekozen vanwege het beleid van hun partij maar vanwege hun voorkomen en hun vermogen rake opmerkingen te maken die zich lenen voor korte nieuwsflitsen. Dat bij al dat streven naar Idolvorming de minsten, de zwaksten uit het zicht raken en alleen nog maar een last vormen is begrijpelijk. Natuurlijk, zielige gevallen leveren soms nog wel eens een tranentrekkend TV programma op, maar werkelijk voorgoed iets doen voor mensen die te kort worden gedaan is er niet bij. Nee, ze laten zich eerder in met waarzeggerij. Alsof ook Jesaja eens een blik heeft geworpen op het bedrog dat Char heet. Ze vullen hun land met zilver en goud.

Natuurlijk wil de Europese Unie vrijhandel, grondstoffen uit Afrika vrij naar Europa en de producten die daarvan gemaakt worden samen met de overschotten uit de Europese landbouw vrij naar Afrika. Dat daardoor in Afrika alleen maar meer mensen in armoede ten onder gaan doet niet ter zake, ook niet voor de Nederlandse minister van ontwikkelingssamenwerking of de Nederlandse premier. Wij maken ons op voor de volgende SMS verkiezing, of zoeken op internet wanhopig naar de site waar we vandaag weer een stem kunnen uitbrengen. De verkiezing politicus van het jaar roept zelfs op een site van Christenen onrust en discussie op, alsof het land nog niet vol genoeg is van godenbeelden. In de Naardense Bijbel wordt vertaald dat de mens zichzelf vernederd door het aanbidden van de idolen die men zelf heeft gemaakt. We lopen er ondertussen massaal achteraan. En zijn we aan de ene god gewend dan scheppen we weer een nieuwe.

Jesaja schreef zijn visioen in de tijd dat Israel als een klein misbakseltje vertrapt dreigde te worden onder de laarzen van de internationale politiek. Het volk van Israel zou in de tijd van het boek van Jesaja in ballingschap worden afgevoerd. Niets wees er op dat een God van Liefde, die als enige Heer op aarde werd genoemd, nog macht had, laat staan dat die God de enige was die uiteindelijk macht zou hebben. Maar zoals het volk Israel ooit terugkeerde uit ballingschap en de Tempel met de richtlijnen voor de menselijke samenleving weer opbouwde, zo kunnen wij de God van Liefde weer de baas laten zijn van onze samenleving en in onze wereld en daarmee een begin maken met bevrijding van onderdrukten. Al die hoogmoedigen, de rijken en de machtigen, die denken dat hun rijk eeuwig zal duren, zullen vallen. Ze zullen eens moeten vluchten en zich verstoppen omdat recht zal worden gedaan aan hun slachtoffers.

Hij zal rechtspreken tussen de volken

Jesaja 2:1-5

1 Dit zijn de woorden van Jesaja, de zoon van Amos; het visioen dat hij zag over Juda en Jeruzalem. 2 Eens zal de dag komen dat de berg met de tempel van de HEER rotsvast zal staan, verheven boven de heuvels, hoger dan alle bergen. Alle volken zullen daar samenstromen, 3 machtige naties zullen zeggen: ‘Laten we optrekken naar de berg van de HEER, naar de tempel van Jakobs God. Hij zal ons onderrichten, ons de weg wijzen, en wij zullen zijn paden bewandelen.’ Vanaf de Sion klinkt zijn onderricht, vanuit Jeruzalem spreekt de HEER. 4 Hij zal rechtspreken tussen de volken, over machtige naties een oordeel vellen. Zij zullen hun zwaarden omsmeden tot ploegijzers en hun speren tot snoeimessen. Geen volk zal nog het zwaard trekken tegen een ander volk, geen mens zal meer weten wat oorlog is. 5 Nakomelingen van Jakob, kom mee, laten wij leven in het licht van de HEER. (NBV)

Het zal toch eens moeten gebeuren. Dat geen mens meer zal weten wat oorlog is. Dat is toch een geweldige droom. Een nachtmerrie misschien voor de wapenindustrie maar een droom voor alle mensen die van mensen houden, die kiezen voor het leven. We lijken er nog ver van af te zijn. Misschien dat we wat minder oorlogen tussen volken zien. Het zijn coalities die tegen een enkel land optrekken dat zich al te ver verwijdert van de internationale rechtsorde. Het zijn de Verenigde Naties die als een internationale politiemacht staten en volken tot de orde kan roepen. We weten natuurlijk dat alleen in het verband van de Verenigde Naties, alleen als we allemaal op de hele wereld echt samen aan vrede en rechtvaardigheid willen werken, echt vrede en recht gebracht kan worden.

Telkens weer doemen nieuwe bedreigingen op of denken we nieuwe bedreigingen te zien. Telkens horen we van bedreigingen door de Taliban. Die hebben hun schuilplaats in Pakistan en ook dat land is niet direct bekend als een land van recht en vrede. Maar aan Pakistan mogen we niet komen. Ook in Irak groeien recht en vrede maar langzaam en ten koste van veel mensenlevens, en dankzij of ondanks de bombardementen. Dan is er Afrika waar overal gevochten lijkt te worden om macht en grondstoffen, om rijkdom ten koste van mensen. En Al Gore, die ooit de Nobelprijs voor de vrede kreeg, waarschuwde dat de klimaatveranderingen die we veroorzaken nieuwe oorlogen gaan brengen. We lijken nooit te leren dat de richtlijnen voor eerlijk delen, ook tussen de volken die op de Tempelberg in Jeruzalem werd bewaard en door Jezus van Nazareth toegankelijk werden voor de hele wereld het uitgangspunt moet zijn en worden voor het verkeer tussen volken en mensen. Daarom hoort bij dit visioen dat er recht gesproken wordt op grond van die richtlijnen. Dan pas kunnen de zwaarden omgesmeed worden tot ploegscharen en de speren tot snoeimessen.

In onze dagen zal dat niet gebeuren door legers af te schaffen en militairen naar huis te sturen. Maar we kunnen een begin maken door onze soldaten en hun wapens in dienst te stellen van de Verenigde Naties, en alleen van de Verenigde Naties. Nu oefenen onze soldaten nog om anderen gerust te stellen tegen geweld uit Rusland. Een poging om echt vrede te scheppen in Europa en alle angst weg te nemen is er niet bij. We geven al onderdak aan het Internationale Hof van Justitie en aan het Strafhof van de Verenigde Naties. Machtige landen, als Amerika, willen die gerechtshoven nog wel eens ontkennen en de vonnissen aan hun laars lappen. Het is aan een klein, maar rijk, land als het onze om juist bij voortduring op het belang van het recht te blijven hameren, juist in het belang van de vrede. Het recht op vrede behoort tot de mensenrechten die elk jaar op dezelfde dag worden herdacht als de Nobelprijs voor de vrede wordt uitgereikt. Ze zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden, ook in het visioen van Jesaja.

Je zilver is zwart en dof geworden

Jesaja 1:21-31

21 Ach, de trouwe stad is een hoer geworden. Waar eens recht heerste en gerechtigheid woonde, daar huizen nu moordenaars. 22 Je zilver is zwart en dof geworden, je wijn versneden met water. 23 Je vorsten zijn schurken, ze houden het met dieven, ze denken alleen aan geschenken en steekpenningen. Wezen bieden ze geen bescherming, het lot van weduwen laat hen koud. 24 Daarom-zo spreekt de HEER van de hemelse machten, de sterke God van Israël: Wee hun, ik zal me wreken op mijn tegenstanders, mijn woede koelen op mijn vijanden. 25  Ik zal mij tegen je keren, je zilver zuiver ik met loog, al je vuil verwijder ik. 26  Ik breng je rechters en raadgevers tot inkeer, het zal weer worden als voorheen. Dan zul je deze naam dragen: ‘Stad van gerechtigheid’, ‘Stad van trouw’. 27  Sion zal verlost worden door recht en wie zich bekeert door gerechtigheid. 28 Maar opstandige zondaars worden gebroken, wie de HEER verlaat, gaat ten onder. 29  Dan zal men schande spreken van de terebinten die jullie zo vurig vereerden, men zal zich schamen voor de tuinen waar jullie hart naar uitging. 30 Jullie worden als een terebint waarvan het blad verwelkt, als een tuin zonder water. 31  Verworven schatten worden tot kaf,  en wie ze vergaarde tot een vonk; samen zullen ze branden en niemand dooft het vuur. (NBV)

Het gedeelte van vandaag begint met een klaaglied. De eertijds zo luisterrijke stad Jeruzalem is een hoerenkot geworden. De stad wordt getekend door moordenaars en oplichters. Zilver is niet meer zuiver en wijn wordt versneden met water. Wie de regels voor de menselijke samenleving uit de Tora, de eerste vijf boeken van Mozes, kent weet dat zuivere maten en zuivere goederen een voorwaarde zijn voor de menselijke samenleving. Juist de zuivere maten en zuivere goederen beschermen de armen tegen uitbuiting. Zij kunnen niet zelf nameten wat de echte hoeveelheid is die ze kopen. Ook in onze supermarkten ontbreken tegenwoordig de weegschalen waarop je de verpakte goederen op hun gewicht kunt controleren, je moet er maar op vertrouwen en hopen dat de Voedsel en Waren autoriteit haar werk goed doet. De God van Israël wil het foute Jeruzalem weer omkeren. De toezichthouders op een eerlijke en daardoor menselijke samenleving moeten weer in ere worden hersteld.

Maar kunnen mensen zichzelf verlossen? Het is een vraag die door veel Christelijke gelovigen worden gesteld. Als je je samenleving nu maar inricht volgens de richtlijnen voor een menselijke samenleving die je in de Tora vindt dan laat je toch mensen tot hun recht komen en de stad van God zal verlost worden door recht en wie zich bekeert tot het naleven van die Tora wordt verlost door gerechtigheid. Dat lijkt op een voor wat hoort wat geloof. Als wij nu maar doen wat die God van Israël ons heeft voorgeschreven dan geeft die God ons wel voorspoed en rijkdom. Maar dan lees je toch verkeerd. Voor de toepassing van de richtlijnen voor de menselijke samenleving zijn eerlijke rechters en raadgevers nodig. En die komen niet uit zichzelf, die worden door God zelf tot inkeer gebracht en in de bestaande stad weer in in ere hersteld. Dat God zelf ingrijpt is de eerste voorwaarde om weer Stad van gerechtigheid te worden, maar je moet het dan wel volgen anders wordt je gebroken en ga je ten onder.

Als Jezus van Nazareth een vergelijking zoekt voor het Koninkrijk van God dan komt hij op het mosterdzaadje. Dat is zo krachtig dat er een grote boom uit kan groeien. Wij kennen de grote en statige beukenbomen die begonnen zijn als een beukennootje. Ook in dat kleine nootje schuilt genoeg kracht om tot een grote statige boom uit te groeien. Maar die bomen zijn een geschenk van God, ze zijn zelf niet goddelijk. Wie zulke krachtige bomen ziet zou bijna denken dat er voldoende goddelijke kracht in schuilt om ook je graan te laten groeien, om grazige weiden voor je veel voort te brengen. Wie dat echt geloven gaan de bomen aanbidden, ze offers brengen. Israël deed dat ook, met de Terebinten, bomen waar ooit Abraham zijn tenten onder opsloeg om beschermd te zijn tegen de hete middagzon. Maar Abraham wandelde met God en aanbad de Terebinten niet. Jesaja roept daarom op de aanbidding van goederen en diensten, de aanbidding van de krachten om ons heen te verlaten, op te houden met een zeven maal vierentwintig uurs samenleving, maar onze samenleving te bouwen op rechtdoen voor mensen, op zorg voor de minsten, op samen delen en samen in vrede leven. Die oproep mogen we ook vandaag nog verstaan.

Houd op met die zinloze offergaven.

Jesaja 1:10-20

10 Hoor de woorden van de HEER, leiders van Sodom, geef gehoor aan het onderricht van onze God, volk van Gomorra. 11  Wat moet ik met al jullie offers? zegt de HEER. Ik heb genoeg van die schapen, die vetgemeste kalveren; het bloed van stieren, rammen en bokken wil ik niet meer. 12  En wanneer jullie voor mij verschijnen- wie heeft je gevraagd mijn voorhoven plat te lopen? 13  Houd op met die zinloze offergaven. Ik heb een afschuw van jullie wierook; jullie feesten, nieuwemaan en sabbat, ik duld ze niet naast al dat wangedrag. 14 Van jullie nieuwemaan, van al jullie feesten heb ik een afkeer, ze hinderen mij, ik kan ze niet langer verdragen. 15  Wanneer jullie je handen opheffen, wend ik mijn ogen af, ook als je aanhoudend bidt, luister ik niet. Aan jullie handen kleeft bloed! 16 Was je, reinig je, maak een eind aan je misdaden, ik kan ze niet meer zien. Vermijd alle kwaad 17 en leer goed te doen. Zoek het recht, houd tirannen in toom, bied wezen bescherming, sta weduwen bij. 18 De HEER zegt: Laten we zien wie er in zijn recht staat. Al zijn je zonden rood als scharlaken, ze worden wit als sneeuw, al zijn ze rood als purper, ze worden wit als wol. 19 Als je weer naar mij wilt luisteren, zal het beste van het land je ten deel vallen. 20  Als je koppig bent en niet wilt luisteren, zul je vallen door het zwaard. De HEER heeft gesproken. (NBV)

Er zijn wel eens mensen die vinden dat je niet zo hard moet spreken over de exorbitante zelfverrijkers, of de oorlogshitsers, of de haatzaaiers in onze samenleving. Die mensen doen toch ook hun best? Hun bedoelingen zijn toch goed? En ook als je het niet helemaal met ze eens zijn durven ze toch maar te zeggen waar het op staat. De Bijbel kent in elk geval geen zachte praat. Jesaja gaat hier onverbloemd te keer tegen de leiders van zijn volk, vooral tegen de religieuze leiders. Geen offers wil de God van Israël, houd op met die zinloze offergaven, klinkt het. Maar wat moeten wij daarmee? Er zijn kerken waar het offer van Christus dagelijks wordt herhaald. Er zijn kerken waar de schalen rondgaan om de mensen de gelegenheid te geven te laten zien hoe dankbaar ze wel niet zijn voor de gaven van God. Moeten we daar dan maar mee stoppen. Jesaja antwoordt op die vraag met een hardgrondig JA!

Het gaat om andere dingen. Het gaat om goed te doen, het gaat er om tirannen in toom te houden, om bescherming te bieden aan wezen en de weduwen bij te staan. In een enkele zin schetst Jesaja hier waar de hele Bijbel toe oproept. Recht en gerechtigheid wil de God van Israël. geen mooie feesten met uiterlijk vertoon. De Halleluja roepers, de zwaaiers met de armen worden hier voor gek gezet. Zolang wij nog tolereren dat dictators met behulp van hun legermachten volken kunnen onderdrukken en uitbuiten, zolang wij niet willen leren wat de gevolgen zijn die we nu zien in Syrië, Libië, Eritrea, Noord Korea en op de Italiaanse kusten. Zolang we de dictators hun gang laten gaan blijft Jesaja ons in de oren toeteren om niet langer te klagen over de stromen vluchtelingen, armoedzaaiers en verschoppelingen die in Europa een schuilplaats zoeken maar de handen uit de mouwen te steken en mensen recht te doen. Zolang we de oorlog niet tot geschiedenis gemaakt hebben zullen we vluchtelingen moeten opnemen en gastvrijheid bieden.

We kunnen niet de hele wereld op onze nek nemen klinkt het dan als excuus. Maar we zijn niet alleen, we zijn een volk van miljoenen dat getoond heeft veel te kunnen betekenen voor slachtoffers van rampen en ellende. We vormen bondgenootschappen met andere volken, met de Italianen hebben we één beleid, één munt en wederzijdse steun. Hun leger en het onze zullen elkaar helpen als wij of zij worden aangevallen. Als we zo de voordelen kunnen opnoemen waarom lopen we dan weg voor de lasten die het fort Europa met zich meebrengt? Jesaja belooft zijn tijdgenoten dat het beste van het land hen ten deel zal vallen, dat alle zonden ze zullen worden vergeven. Wij weten best dat oorlog betekent dat mensenlevens, geld en goederen worden verspilt. Pas bij vrede kunnen landen weer gaan bloeien en de landen waar het nu al heel lang vrede en vrijheid is gaan bloeien en horen bij de zogenaamde opkomende economieën. Wij dwingen onszelf te vragen hoe we van dictators af kunnen komen, we kunnen beter ons met al onze bondgenoten afvragen hoe we dictators kunnen voorkomen. Dan doen we de volken recht, beschermen we de wezen en staan we de weduwen bij.

Een ezel kent zijn voederbak

Jesaja 1:1-9

1 Dit zijn de visioenen die Jesaja, de zoon van Amos, over Juda en Jeruzalem gezien heeft, toen Uzzia, Jotam, Achaz en Hizkia in Juda regeerden. 2 Hoor toe, hemel, geef gehoor, aarde, de HEER heeft gesproken: Ik heb mijn kinderen opgevoed en grootgebracht, maar ze zijn tegen mij in opstand gekomen. 3 Een rund herkent zijn meester, een ezel kent zijn voederbak, maar Israël mist elk inzicht, mijn volk leeft in onwetendheid. 4 Wee dit ontrouwe volk, vol ongerechtigheid, volk van zondaars, verdorven geslacht. Zij hebben de HEER verlaten, de Heilige van Israël versmaad, hem de rug toegekeerd. 5 Ben je niet genoeg geslagen, verzet je je nog altijd? Heel je hoofd doet pijn, heel je hart is ziek. 6 Van voetzool tot kruin, niets is ongeschonden: een en al wonden en builen en striemen, niet verbonden, niet verzorgd, niet met olie verzacht. 7 Je land is verwoest, je steden zijn verbrand. Vreemden stropen onder je ogen de akkers af, vreemdelingen maken alles tot een woestenij. 8 Wat rest er nog van Sion? Het is als een hut in een wijngaard, een schuilkeet in een komkommerveld, een stad in het nauw.9 Had de HEER van de hemelse machten ons niet een laatste rest gelaten, het zou ons zijn vergaan als Sodom en Gomorra. (NBV)

Het lijkt volgend jaar een beetje beter te gaan met de economie en dan komt het dagelijks leesrooster van het Nederlands Bijbelgenootschap dat we hier volgen met het verhaal over de ellende die de profeet Jesaja om zich heen ziet. De ene koning na de andere komt maar het volk is tegen de God van Israël in opstand gekomen. En de gevolgen zijn groot. Vreemdelingen maken alles tot een woestenij. Jeruzalem is een stad in het nauw, niet dat alle volken zich wenden naar Jeruzalem omdat daar de richtlijnen voor de menselijke samenleving vandaan komen maar de volken zijn er op uit om Jeruzalem te verwoesten en het gedrag van het volk maakt het hen maar gemakkelijk. Er is nog een rest van de bevolking die zich vasthoud aan de God van Israël anders was het met Jeruzalem net gegaan als eertijds met Sodom en Gomorra, de stad zou zijn omgekeerd en van de aardbodem zijn verdwenen. Maar wie denkt dat wij toch in heel andere tijden leven heeft het mis. Wie alleen let op de toename van onze eigen welvaart is kortzichtig.

Een deel van die welvaart is immers te danken aan de slavernij waarin goedkope producten worden geproduceerd, zo goedkoop dat we meer kunnen kopen dan we nodig hebben terwijl elders op de wereld kinderen aan naaimachines zijn geketend of mensen van de honger omkomen. Een ander deel van onze welvaart hebben we te danken aan verspilling van kostbare grondstoffen. We zien wel de pijn van de Groningers nu de gasvelden langzaam leeggehaald zijn en zij hun huizen zien vallen door de aardbevingen maar Noord Nederland is een kolonie die al zeer lang wordt uitgebuit en verwaarloosd. Een echt plan voor duurzame energieproductie is er niet in ons land. We proberen liever de rotsen onder onze voeten los te wrikken om ze te ontdoen van het laatste restje gas dan de zon en de wind die we van onze schepper hebben gekregen te benutten om aan onze energiebehoeften te voldoen. Jesaja betekent “De Heer redt” in Israël een heel gewone naam. Het blijft de mensen herinneren aan de richting waar ze het moeten zoeken willen ze een menselijke samenleving inrichten. De naam Jesaja kwam zoveel voor dat er bij moet staan van wie hij er een is. Dit was er dus een van een zekere Amos, die we verder niet kennen.

We moeten bedenken dat Jesaja het over een lang tijdperk heeft. Vier koningen is niet niks en het verhaal begint bij een koning die bekend stond om zijn welvaart, het eindigt met een koning die bekend stond om zijn geloof. Dat levert dus kennelijk allemaal niet genoeg op om onheil af te wenden. Je kunt een bloeiende handel hebben of een prachtige Tempel daarmee maak je nog niet een menselijke samenleving. Het heb uw naaste lief waar de God van Israël om vraagt betekent dat je eerst oog moet hebben voor de minsten, voor de zwaksten. In onze dagen voor degenen die de door ons gekochte producten maken in armoede en slavernij, voor de bewoners van onze kolonie dus ook. Zolang wij de armen niet net zo rijk maken als wij zijn, zolang we weigeren te delen, zolang we mensen niet in dezelfde veiligheid laten leven als de meerderheid van ons vanzelfsprekend vindt, zolang we blijven verspillen. Zolang we ons niet bekeren zal het ons net zo slecht vergaan als het volk waar Jesaja tegen spreekt.

Voor een van deze onaanzienlijken

Matteüs 25:31-46

31 Wanneer de Mensenzoon komt, omstraald door luister en in gezelschap van alle engelen, zal hij plaatsnemen op zijn glorierijke troon. 32 Dan zullen alle volken voor hem worden samengebracht en zal hij de mensen van elkaar scheiden zoals een herder de schapen van de bokken scheidt; 33 de schapen zal hij rechts van zich plaatsen, de bokken links. 34 Dan zal de koning tegen de groep rechts van zich zeggen: “Jullie zijn door mijn Vader gezegend, kom en neem deel aan het koninkrijk dat al sinds de grondvesting van de wereld voor jullie bestemd is. 35 Want ik had honger en jullie gaven mij te eten, ik had dorst en jullie gaven mij te drinken. Ik was een vreemdeling, en jullie namen mij op, 36 ik was naakt, en jullie kleedden mij. Ik was ziek en jullie bezochten mij, ik zat gevangen en jullie kwamen naar mij toe.” 37 Dan zullen de rechtvaardigen hem antwoorden: “Heer, wanneer hebben wij u hongerig gezien en te eten gegeven, of dorstig en u te drinken gegeven? 38 Wanneer hebben wij u als vreemdeling gezien en opgenomen, u naakt gezien en gekleed? 39 Wanneer hebben wij gezien dat u ziek was of in de gevangenis zat en zijn we naar u toe gekomen?” 40 En de koning zal hun antwoorden: “Ik verzeker jullie: alles wat jullie gedaan hebben voor een van de onaanzienlijksten van mijn broeders of zusters, dat hebben jullie voor mij gedaan.” 41 Daarop zal hij ook de groep aan zijn linkerzijde toespreken: “Jullie zijn vervloekt, verdwijn uit mijn ogen naar het eeuwige vuur dat bestemd is voor de duivel en zijn engelen. 42 Want ik had honger en jullie gaven mij niet te eten, ik had dorst en jullie gaven me niet te drinken. 43 Ik was een vreemdeling en jullie namen mij niet op, ik was naakt en jullie kleedden mij niet. Ik was ziek en zat in de gevangenis en jullie bezochten mij niet.” 44 Dan zullen ook zij antwoorden: “Heer, wanneer hebben wij u hongerig gezien of dorstig, als vreemdeling of naakt, ziek of in de gevangenis, en hebben wij niet voor u gezorgd?” 45 En hij zal hun antwoorden: “Ik verzeker jullie: alles wat jullie voor een van deze onaanzienlijken niet gedaan hebben, hebben jullie ook voor mij niet gedaan.” 46 Hun staat een eeuwige bestraffing te wachten, de rechtvaardigen daarentegen het eeuwige leven.’ (NBV)

De vertalers van de Nieuwe Bijbelvertaling hebben de beroemde zin over de minste van mijn broeders vertaald met de onaanzienlijksten. Het is even wennen maar niet minder juist. Want het gaat niet alleen over de broeders maar zeker en vooreerst ook over de zusters en het gaat niet over meer of minder maar over wie wel en niet gezien worden. In de Grote kerk van Alkmaar hangt een reproductie van een schilderij waarop de werken uit dit Bijbelverhaal staan afgebeeld. Het oorspronkelijke schilderij is uit de Kerk gestolen en hangt nu in het Rijksmuseum in Amsterdam. Het schilderij dateert uit de Middeleeuwen en het aardige ervan is dat het lijkt of die werken ook gewoon moesten worden uitgevoerd toen het schilderij werd geschilderd. En zo is het natuurlijk ook. Het verhaal gaat wel over de eindafrekening, maar het werk waarop dit verhaal doelt dient gewoon elke dag te gebeuren. Het aardige is dat je er kennelijk ook niet zo je best voor hoeft te doen. Het hoeft er niet dik op te liggen en je hoeft je er zeker niet op te beroemen.

Er wordt nog wel eens gesproken over de “Geest van God” en dit verhaal leert ons wat dat betekent. Als er honger is dan geef je eten, als er dorst is dan geef je te drinken, als er kou is geef je een tent en een warme deken, als er ziekte is dan zorg je, als er gevangenen zijn dan zoek je die op. En je weet ook dat het beter is iemand te leren vissen dan een vis te geven. Het effect van ontwikkelingssamenwerking staat al een tijd ter discussie. Vaak ten onrechte want veel van de projecten die in sedert de jaren 60 van de vorige eeuw zijn uitgevoerd hebben mensen een beter leven bezorgd. Maar soms is de kritiek ook terecht. Soms denken we dat we beter zijn dan de mensen die we willen helpen. Dat speelt niet alleen bij ontwikkelingssamenwerking, dat speelt ook gewoon in ons eigen land tussen mensen die hulp vragen en hulp geven. Mensen die hulp nodig hebben worden niet gezien als zelfstandig denkende mensen en zeker ook niet gehoord als verstandige mensen die het ook niet kunnen helpen. Zolang dat zo is mislukken projecten.

Mislukken projecten in de derde wereld, maar mislukken ook projecten om mensen aan het werk te helpen, om jongeren te scholen tot gediplomeerde ambachtslieden of om vrouwen te leren voor zichzelf op te komen. Als in al die projecten de mensen die zo nodig geholpen moeten worden niet gezien en gehoord worden zullen die projecten op de duur geen effect hebben. In het verhaal dat Jezus van Nazareth vandaag vertelt zijn er mensen die de nood van mensen herkennen en zijn er mensen die alleen de nood van Jezus van Nazareth willen zien. Ook wij vergeten soms dat alle mensen geschapen zijn naar Gods beeld en gelijkenis, dat alle mensen daarom onze zusters en broeders zijn, dat in ieder mens, waar ook ter wereld, welk geloof of welke kleur die mens ook heeft, Jezus van Nazareth zelf te herkennen is. Laten we dus vandaag horen en zien, en helpen waar nodig is, en 500 kinderen uit Griekse vluchtelingenkampen opnemen.